CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1. ETFAL-motivering met bijbehorende onderzoeken.pdf

Gemeenteraad 26 juni 2025, gemeente HillegomBij agendapunt: 13: Adviesrecht buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) tijdelijke huisvesting De Giraf Hillegom24.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle

Integraal Kindcentrum (tijdelijke huisvesting) Concept 23206.THV 23206.goflo.THV 29 mei 2025 M.P.J. Vogelaar T.J. de Baare BSc LL.B

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

Mees Ruimte & Milieu Postbus 854 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

6

7

Aanleiding en doel

5

Aanleiding Projectgebied Geldend omgevingsplan Leeswijzer

5 5 6 6

Project en toetsing omgevingsplan

7

Projectbeschrijving Toetsing omgevingsplan

7 9

Ruimtelijk beleid

12

Rijksbeleid Provinciaal beleid Omgevingswaarden Gemeentelijk beleid

12 13 19 20

Omgevingskwaliteit

23

Landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing Ruimtelijke kwaliteit / beeldkwaliteit / architectuur / welstand Cultuurhistorie, monumenten en archeologie Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking

23 24 24 27 27

Aspecten fysieke leefomgeving

29

Milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geluid Geur Kabels en leidingen Lucht Luchthavenindelingsbesluit Milieueffectrapportage Mobiliteit en parkeren Natuur Ontplofbare oorlogsresten Trillingen Waterbelang

29 30 32 35 36 37 39 41 43 44 46 49 49 50

Beschrijving uitvoerbaarheid

53

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53 53

Conclusie ETFAL

54

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 3

Bijlagen 1 2 3 4 5 6

Archeologie bureauonderzoek, IDDS, november 2024. Milieuhygiënisch vooronderzoek, IDDS, 20 november 2024. Verkeersonderzoek tijdelijke locatie, Roelofs, 12 maart 2024. Notitie bouwverkeer en schoollogistiek, Roelofs, 2 december 2024. Natuurtoets Omgevingswet, IDDS, 26 februari 2025 Stikstofonderzoek, Peutz, 25 februari 2025.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 4

AANLEIDING EN DOEL In opdracht van ZRi, namens Sophia Scholen, heeft Mees Ruimte & Milieu een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving opgesteld voor de gewenste tijdelijke huisvesting van het Integraal Kindcentrum (IKC) De Giraf ter plaatse van het Park Elsbroek te Hillegom. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het geldende omgevingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor een ‘buitenplanse omgevingsplan activiteit’ (hierna: BOPA). Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het geldende omgevingsplan, de zogenoemde ‘Goede Onderbouwing van (de effecten op) de Fysieke LeefOmgeving’ (hierna: GOFLO). Voorliggende rapportage betreft de GOFLO, waarin wordt gemotiveerd dat sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (hierna: ETFAL).

Het uiteindelijke doel bestaat uit de ontwikkeling van het nieuwe IKC de Giraf op de huidige locatie van de gelijknamige basisschool aan de Guido Gezellelaan 3. Onderdeel van dit IKC zijn de basisschool, kinderopvang de Theepot en twee sportzalen. In verband met de sloop- en nieuwbouw is er een tijdelijke huisvesting nodig voor het IKC. De tijdelijke nieuwbouw, waar voorliggende rapportage betrekking op heeft, wordt beoogde in het Elsbroekerpark. Het betreft het gebied tussen de Abellalaan, Hillinenweg en Mesdaglaan. Het plangebied heeft de volgende kadastrale gegevens: nummer 4786 sectie C van de kadastrale gemeente Hillegom.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 5

Ter plaatse van het projectgebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Hillegom” (/akn/nl/act/gm0534/2020/omgevingsplan), gepubliceerd op 22 mei 2023 en in werking per 1 januari 2024. Het projectgebied valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet in een definitief omgevingsplan. In paragraaf 2.2 van voorliggende rapportage wordt hier nader op ingegaan.

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Het betreft de onderbouwing waarom sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). De hiernavolgende hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd:  Hoofdstuk 2: In dit hoofdstuk wordt het project (de beoogde ontwikkeling) beschreven en vindt toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats.  Hoofdstuk 3: In dit hoofdstuk worden de relevante beleidskaders beschouwd.  Hoofdstuk 4: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer de stedenbouwkundige inpassing, archeologie en cultuurhistorie aan bod komen.  Hoofdstuk 5: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid aan bod komen.  Hoofdstuk 6: In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het project beschreven.  Hoofdstuk 7: Dit hoofdstuk betreft de conclusie ten aanzien van de ETFAL.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 6

PROJECT EN TOETSING OMGEVINGSPLAN

Zoals beschreven betreft het uiteindelijke plan de ontwikkeling van het nieuwe IKC De Giraf ter plaatse van de Guido Gezellelaan 3. Aangezien dit een sloop-nieuwbouwontwikkeling betreft, dient voorzien te worden in tijdelijke huisvesting van de onderwijsinstelling. De tijdelijke huisvesting vindt plaats ter plaatse van het Elsbroekerpark. In onderstaand figuur is de projectlocatie weergegeven van de tijdelijke locatie waar voorliggende rapportage betrekking op heeft.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 7

Het voornemen is om op de tijdelijke locatie, voor een periode van vijf jaar c.q 60 maanden, ruimte te bieden aan de volgende voorzieningen:   

Basisschool De Giraf; Kinderdagverblijf De Theepot; BSO.

Voor de basisschool wordt ruimte gecreëerd voor 18 klassen (circa 430 leerlingen) en voor het KDV 24 plaatsen (twee groepen). Voor de BSO, 1 groep van 30 plaatsen, zijn geen aparte voorzieningen voorzien. Deze maken gebruik van de ruimte van De Giraf. De tijdelijke huisvesting heeft geen gymnastieklokaal. Wel is er een speellokaal beschikbaar voor de jongsten. Ook de BSO kan dit speellokaal gebruiken. Deze bestaat uit 4 units van 3 bij 6 met een totaal van 72 m2. Het hoofdgebouw heeft een oppervlakte van circa 2.000 m2 en de bergingen ten behoeve van de speelobjecten voor op het schoolplein hebben een oppervlakte van 60 m2. De opbouw zal worden gedaan uit koppel- en stapelbare units van 6 bij 3 meter. Er zijn circa 104 units beoogd.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 8

In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, bestaande uit: • • •

Bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen; Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (indien aanwezig: Erfgoedverordening, Geurverordening en/of Verordening afvoer van hemelwater); Bruidsschat.

Ter plaatse van de projectlocatie is het omgevingsplan gemeente Hillegom van kracht. Het planologisch kader bestaat uit het geldende bestemmingsplan “Elsbroek”. Naast dit geldende bestemmingsplan zijn ook de volgende bestemmingsplannen van toepassing:  Bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren”, vastgesteld op 26 januari 2017 door de gemeenteraad Hillegom.  Bestemmingsplan “Parapluplan Wonen, Hillegom”, vastgesteld op 15 oktober 2020 door de gemeenteraad Hillegom.  Bestemmingsplan “Snippergroen”, vastgesteld op 28 januari 2021 door de gemeenteraad Hillegom.  Bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Bedrijventerreinen & Flitsbezorgdiensten”, vastgesteld op 21 september 2023 door de gemeenteraad Hillegom.  Bestemmingsplan “Crisis- en herstelwet bestemmingsplan aanvullende bouw- en gebruiksregels Hillegom”, vastgesteld op 30 mei 2024 door de gemeenteraad Hillegom. Op de bestemmingsplannen “Paraplubestemmingsplan Bedrijventerreinen & Flitsbezorgdiensten” en “Parapluplan Wonen, Hillegom” zal niet nader worden ingegaan aangezien de beoogde ontwikkeling de realisatie van een school betreft. Er worden geen woningen, flitsbezorgdiensten of bedrijven gerealiseerd. Ook het bestemmingsplan “Snippergroen” is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Tevens is ook het

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 9

bestemmingsplan “Crisis- en herstelwet bestemmingsplan aanvullende bouw- en gebruikregels Hillegom” niet relevant voor de beoogde ontwikkeling.

Ter plaatse van de projectlocatie is binnen het geldende omgevingsplan het bestemmingsplan van kracht. De projectlocatie heeft de bestemming “Groen”. Er geldt geen bouwvlak ter plaatse van het plangebied. Figuur 5 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan.

Toets aan bestemmingsplan “Elsbroek” De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van het tijdelijke IKC. De beoogde ontwikkeling is zowel wat betreft de functie als bouwmogelijkheden in strijd met het geldende omgevingsplan. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, dient een planologische procedure doorlopen te worden.

Tot 1 juli 2018 werden parkeereisen geregeld via de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening, maar deze vervallen per 1 juli 2018. Daarom zijn de parkeernormen opgenomen in de bestemmingsplannen. Aangezien niet alle bestemmingsplannen direct kunnen worden aangepast, heeft de gemeente een paraplubestemmingsplan opgesteld. Toets aan “Paraplubestemmingsplan parkeren” In paragraaf 5.9 van voorliggende rapportage wordt nader ingegaan op het aspect mobiliteit, waaronder ook parkeren.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 10

In paragraaf 2.2.1 heeft toetsing aan het omgevingsplan plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling op de volgende onderdelen in strijd is met het omgevingsplan:  

De beoogde ontwikkeling past niet binnen de huidige bestemming. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de bouwmogelijkheden.

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, luchthavens (bijvoorbeeld Luchthavenindelingsbesluit), waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit is ter plaatse van de projectlocatie niet van toepassing en een verdere toetsing aan beperkingengebieden is derhalve niet benodigd.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 11

RUIMTELIJK BELEID

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Drie afwegingsprincipes Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van de tijdelijke vestiging van de IKC De Giraf. Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt zoals opgenomen in de NOVI.

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Nationale Omgevingsvisie.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan onder meer regels over omgevingswaarden, instructieregels en beoordelingsregels. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 12

Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. De rijksomgevingswaarden zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van het Bkl. De rijksomgevingswaarden luiden als volgt:       

Lucht Waterveiligheid primaire waterkeringen Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwater Bronnen voor drinkwater Zwemmen in oppervlaktewater NEC omgevingswaarden

Provincies en gemeenten mogen afwijkende of aanvullende omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit. Ook kunnen ze omgevingswaarden stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt. Hierbij te denken aan omgevingswaarde voor geur- of lichthinder. Instructieregels Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Voor deze GOFLO is met name hoofdstuk 8 van het Bkl relevant. Dit hoofdstuk bevat respectievelijk de instructieregels voor omgevingsvergunningen. Regels voor monitoring Bij monitoring verzamelen bestuursorganen gedurende langere tijd op systematische wijze gegevens over de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan. Hoofdstuk 8 van het Bkl bevat beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen. Deze beoordelingsregels gelden voor omgevingsvergunningen waarvoor het Rijk de vergunningplicht bepaalt in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen waarvoor decentrale overheden de vergunningplicht bepalen staan in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. In relatie tot de onderhavige ontwikkeling geldt dat de gemeente het bevoegde gezag is. De beoordelingsregels uit hoofdstuk 8 van het Bkl zijn derhalve niet van toepassing en nadere toetsing kan achterwege blijven. In het Bkl zijn geen randvoorwaarden opgenomen waarbij in de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling rekening mee moet worden gehouden.

Sinds 1 mei 2024 is de Omgevingsvisie Zuid-Holland geldend. De Zuid-Hollandse leefomgeving verbeteren, elke dag, dat is waar de provincie aan werkt. Zeven vernieuwingsambities laten zien waar Zuid-Holland naar toe wil. Met de zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. De vernieuwingsambities zijn als volgt:  Ambitie 1: samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 13

     

Ambitie 2: bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; Ambitie 3: schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaal en betaalbaar voor iedereen; Ambitie 4: een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; Ambitie 5: versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; Ambitie 6: sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; Ambitie 7: gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving.

De vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in beleidsdoelen en beleidskeuzes. De beleidsdoelen en keuzes omschrijven aan welke maatschappelijke opgaves de provincie Zuid-Holland werkt. Deze opgaven worden geconfronteerd met concrete omstandigheden en doelen van maatschappelijke partners. In de uitkomst van deze confrontatie komen knelpunten naar voren en ontstaan er kansen om de opgaven verder te brengen.

De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:  De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.  Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.

 Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.  Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Onderstaand figuur geeft dit weer:

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 14

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn.

De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van de tijdelijke vestiging van de IKC De Giraf. De beoogde ontwikkeling wordt binnenstedelijk gerealiseerd, nabij andere stedelijke functies. De identiteit, aard en schaal van het gebied verandert als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet. Er is aldus sprake van ‘inpassing’. Onderstaand zijn uitsnede opgenomen van de voor het plangebied relevante kwaliteitskaarten. Dit zijn de kaarten voor ‘Laag van de ondergrond’, ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ en ‘Laag van de stedelijke occupatie’. De overige kaarten zijn niet relevant ter plaatse. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in ‘Kustcomplex – zeezandafzettingen, zie figuur 5. De richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn:  Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijk dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever).  Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen “hoog en droog” en “laag en nat” en bouwen voort op de parallelle kuststructuur.  Veiligheidsmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 15

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in ‘Bollenlandschap’, zie figuur 6. De richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn:  Ontwikkelingen dragen bij aan het contract tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen.  Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones.  Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 16

Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is tevens gelegen in ‘Steden en Dorpen’, zie figuur 7. De richtpunten voor ontwikkeling in dit gebied zijn:  Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.  Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur.  Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving.  Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.  Een nieuwe uitbreidingswijk bouw voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden).  Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd.  Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt.  Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied.  Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Daarnaast ligt het plangebied in ‘Bouwwerken voor energie-opwekking’.

Daarbij geldt het volgende richtpunt:  Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energie-opwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 17

Door de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in onderwijsruimte voor de leerlingen van de IKC De Giraf. Er wordt namelijk ter plaatse van de bestaande onderwijslocatie nieuwbouw beoogd. Om gedurende de sloopen bouwperiode te kunnen voorzien in onderwijs, is een tijdelijke locatie benodigd. De beoogde ontwikkeling is ten opzichte van de huidige locatie dermate kleinschalig dat er geen strijdigheid met de richtpunten ontstaat. Doordat sprake is van het type ontwikkeling ‘inpassing’ heeft de ontwikkeling weinig ruimtelijke impact op de gebiedskwaliteit. Hierdoor ontstaat geen strijdigheid met het provinciaal beleid en past het plan binnen de provinciale Omgevingsvisie.

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Omgevingsvisie.

De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en de ladder voor duurzame verstedelijking. Regels voor ruimtelijke kwaliteit Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. In artikel 7.42 van de Omgevingsverordening is opgenomen aan welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel.

Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaarten.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 18

Ladder voor duurzame verstedelijking Indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient eveneens te worden voldaan aan artikel 7.44 van de Omgevingsverordening. Bij een stedelijke ontwikkeling in het bestaand stads- en dorpsgebied dient in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document.

Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. De toets aan de relevante artikelen vindt hieronder plaats. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit opgenomen. De paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voorliggende projectlocatie is niet aangewezen met een beschermingscategorie. Artikel 7.42 is derhalve niet van toepassing. In artikel 7.43, 43a en 43c wordt het soort ruimtelijke ontwikkeling onderscheiden en de wijze waarop per soort ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit dient te worden gewaarborgd. Het voorgenomen initiatief betreft een tijdelijke situatie. Nadat ter plaatse van de huidige locatie van de onderwijsinstelling een nieuw schoolgebouw is gerealiseerd, verdwijnt de tijdelijke bebouwing weer. Stedelijke ontwikkelingen Op basis van artikel 7.44 dient een omgevingsplan (thans: bestemmingsplan) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt rekening te houden met de op de behoefteramingen van Gedeputeerde Staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. Het voorgenomen initiatief betreft een tijdelijke onderwijslocatie en een dergelijke toets is verder niet relevant.

De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie, maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:   

de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; de toelaatbare belasting door activiteiten; de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen.

De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Een kwalitatieve omgevingswaarde is mogelijk als zo'n aspect met objectieve termen kan worden omschreven. Bijvoorbeeld: wanneer een rivier moet voldoen aan de normen voor een 'goede ecologische toestand', is een objectieve beschrijving van kwaliteiten nodig in bijvoorbeeld een programma of beleidsregel. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarde heeft vastgesteld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 19

In paragraaf 2.2 (toets aan het omgevingsplan) is niet gebleken dat voor de voorgenomen ontwikkeling omgevingswaarden zijn vastgesteld, waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet worden getoetst. Daarnaast volgen uit de toets aan het rijks- en provinciaal beleid eveneens geen omgevingswaarden, waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet worden getoetst.

De Omgevingswaarden vormen geen randvoorwaarde voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling.

Op 22 februari 2018 is de ‘Omgevingsvisie Hillegom 2030’ vastgesteld en op 17 oktober 2019 is de ‘Omgevingsvisie Hillegom – herziening 2019’ vastgesteld en op 15 juli 2021 is de herziening ‘Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom, herziening 2021’ vastgesteld. Met de omgevingsvisie wordt de koers voor de gemeente uitgezet richting 2030. Met de omgevingsvisie als kompas, wil de gemeente samen met de inwoners en ondernemers ook doelen bereiken op het gebied van duurzaamheid. Om hier gehoor aan te geven is duurzaamheid in brede zin als leidend principe gekozen in deze omgevingsvisie. In de omgevingsvisie denkt en handelt de gemeente vanuit het principe van de drie P’s ('People, Planet, Profit'). In de Omgevingsvisie staat de vraag centraal hoe de gemeente er in 2030 uitziet. Bij het opstellen van de omgevingsvisie is rekening gehouden met ontwikkelingen zoals vergijzing, duurzaamheid, energie, klimaat, gezondheid, waterberging, sociale aspecten, enzovoort. Duurzaamheid is het leidend principe in de visie met aandacht voor landschap, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid e.d. In de omgevingsvisie is voorts een afwegingskader opgenomen dat gebaseerd is op Fysieke, Economische en Sociale Duurzaamheid (ook wel bekend als People, Planet, Profit).

Het is een integrale visie voor de fysieke leefomgeving waardoor de gemeente middels integraal beleid en perspectief de initiatieven voor inwoners, bedrijven en instellingen in Hillegom kan beoordelen. Daarbij is de omslag gemaakt naar het nieuwe principe: “ja, mits” in plaats van “nee, tenzij”. In de visie zijn de ambities en de koers voor de gehele gemeente en per deelgebied in beeld gebracht, die vervolgens juridisch zijn vastgelegd in een Omgevingsplan en uitvoeringsprogramma(‘s). In de Omgevingsvisie is het grondgebied in 7 deelgebieden opgedeeld: Duurzame Bloementuin, Hollandse Weides, Historisch Hart, Heerlijke Woonplaats, Werkplaats Hillegom, Levendige linten en Duurzame verbindingen. Per deelgebied is het karakter en de koers beschreven.

De projectlocatie waar de tijdelijke huisvesting beoogde is, behoort tot het gebied dat is aangewezen als ‘Heerlijke woonplaats’. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de Omgevingsvisie.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 20

De koers zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie voor dit gebied gaat in de op de volgende aspecten: behouden en versterken dorpse karakter, nieuwbouw binnenstedelijk realiseren, verduurzamen en kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad, bevorderen van gezondheid, sociale cohesie versterken, zorg dragen voor toekomstbestendige voorzieningen, behoud en verbeteren woon- en leefkwaliteit. Het belangrijkste aspect voor deze gebieden zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie is het waarborgen van voldoende maatschappelijke voorzieningen. Voor het behoud van de sterke gemeenschapszin in Hillegom is het van belang dat de gemeente blijft beschikken over een goed maatschappelijk voorzieningenniveau. Daarbij gaat het onder meer om de aanwezigheid van toekomstbestendige onderwijsvoorzieningen, sport- en culturele accommodaties. Het voorliggende initiatief maakt tijdelijke huisvesting van een onderwijslocatie mogelijk. Als gevolg hiervan ontstaat ruimte om het bestaande IKC te slopen en ter plaatse een nieuw pand te realiseren. Het nieuwe pand zal voldoen aan de laatste stand der techniek waardoor voorzien wordt in een toekomstbestendige onderwijsvoorziening.

Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen initiatief past binnen de Omgevingsvisie.

Het Groenbeleidsplan 2014 – 2023 van de gemeente Hillegom laat zien hoe de gemeente groene kwaliteit realiseert en behoudt en hoe zij dit inbedt in haar ruimtelijke ontwikkeling. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt groen serieus meegenomen, zodat groen daadwerkelijk bijdraagt aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Het groenbeleidsplan heeft een looptijd van tien jaar en gaat over:   

Openbaar groen: bomen, heesters, hagen, gras en alles wat daarmee samenhangt; Groen in de openbare ruimte; dus wat publiek eigendom is; Groen op particulier terrein, voor zover dat voor het beeld van de openbare ruime en de gemeenschap waardevol is (waardevolle bomen);

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 21

 

Het groen binnen en buiten de bebouwde kom; Het bestaande groen en het te ontwikkeling groen.

Ruimtelijke kwaliteit wordt gecreëerd door de groenstructuur verder uit te bouwen. Het openbare groen bestaat meer uit een eenheid, in plaats van in kleine snippers.

Groen wordt gezien als een belangrijke bouwsteen in het ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Hillegom wil voldoende groen dat bereikbaar en bruikbaar is. In het groenbeleidsplan zijn de wijken in Hillegom ingedeeld in relatie tot een groennorm. Het plangebied bevindt zich in een grijze wijk met minder dan 50 m2 groen per woning. De projectlocatie is in de huidige situatie onverhard en onbebouwd. Binnen het plangebied zijn meerdere bomen aanwezig. In onderstaand figuur zijn deze bomen weergegeven en is ook weergegeven dat deze bomen zullen blijven staan als gevolg van de tijdelijke ontwikkeling die middels voorliggende rapportage mogelijk gemaakt dient te worden.

Het groenbeleidsplan vormt geen onoverkomelijke belemmering voor de uitvoering van het tijdelijke initiatief.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 22

OMGEVINGSKWALITEIT In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.

In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving. Bij het toedelen van functies aan locaties in het Omgevingsplan moet de landschappelijke kwaliteit worden meegenomen (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet). Op Rijksniveau zijn er een beperkt aantal instructieregels opgesteld voor landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie en gemeente hebben hierdoor vrijheid om de aspecten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in te vullen in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Eén van de instructieregels waaraan de provincies en gemeenten moeten voldoen betreft het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 van het Bkl). In de NOVI (zie ook paragraaf 3.1) is vastgelegd dat het behouden en versterken van landschappelijke kwaliteiten onderdeel is van de nationale belangen. Sommige landschappen zijn zo waardevol dat ze extra beschermd worden, zoals het Groene Hart.

In de Omgevingsvisie kan ingegaan worden op de kwaliteit van het landschap en hoe dit kan worden behouden en versterkt. Daarnaast is het van nationaal belang om de kernkwaliteiten van stad en land te borgen. Op provinciaal niveau betreft de stedenbouwkundige kwaliteit bijvoorbeeld de grens tussen het open landschap en de verstedelijking. Met beleid voor ruimtelijke kwaliteit kan dit worden beschermd. Op gemeentelijk niveau gaat stedenbouwkundige kwaliteit over bijvoorbeeld de hoofdstructuur van een stad. Stedenbouwkundige kwaliteit wordt afgewogen bij de keuze voor een ontwikkellocatie en de stedenbouwkundige invulling.

De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van de tijdelijke vestiging van de IKC De Giraf. De landschappelijke inspanning is zorgvuldig vormgegeven door de tijdelijke school zodanig in park Elsbroek te positioneren dat bestaande wandelpaden niet worden doorkruist en het aantal te kappen bomen tot een minimum wordt beperkt. Vooralsnog is er zelfs geen noodzaak tot bomenkap. De gekozen locatie maakt het bovendien mogelijk om de bestaande steenkorven in het park te behouden. De tijdelijke school wordt zodanig georiënteerd dat het schoolplein aan de noordzijde ligt, wat geluidsoverlast richting de Mesdagflats aan de zuidzijde van het terrein zoveel mogelijk beperkt. Daarnaast ligt het gebouw op meer dan 30 meter afstand van zowel de flats aan de Mesdaglaan als van de woningen aan de Abbelalaan en de Hillinnenweg. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter tot het bestemmingsvlak “Maatschappelijk”. Hulpdiensten hebben eenvoudig toegang via de zuidzijde van het terrein, tussen flats 5 en 6 aan de Mesdaglaan. Voor gymnastiek kunnen leerlingen lopend naar de sportzaal zonder een weg te houden oversteken, dankzij de ligging binnen het park. Tot de sluit de oriëntatie van het schoolgebouw, loodrecht op

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 23

de flats aan de Mesdaglaan en parallel aan de Elsbroekerlaan, goed aan op de bestaande omgeving en zorgt daarmee voor een harmonieuze inpassing.

Landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.

In de welstandsnota van de gemeente Hillegom worden richtlijnen en criteria gegeven voor de ruimtelijke kwaliteit van bouwwerken. De nota wordt gebruikt bij de beoordeling van omgevingsvergunningen en door de Commissie Ruimtelijke kwaliteit.

De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van de tijdelijke vestiging van de IKC De Giraf. Op de welstandscriteria wordt gezien de tijdelijkheid van het onderwijsgebouw niet nader ingegaan.

Ruimtelijke kwaliteit vormt geen randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.

Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten (dit kunnen gebouwde monumenten zijn maar bijvoorbeeld ook tuinen en parken), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed (dit kan bijvoorbeeld een haven met historische schepen zijn). Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed. Monumenten De aanwijzing van rijksmonumenten is opgenomen in de Erfgoedwet en deze monumenten zijn daarmee wettelijk beschermd. In een Omgevingsplan kan een rijksmonument worden opgenomen, maar dit is door de bescherming op grond van de Erfgoedwet niet verplicht.

In een Omgevingsplan dienen voor alle beschermde monumenten regels te zijn opgenomen om de omgeving van het beschermde monument te beschermen. In de periode tot eind 2029 geldt een overgangsfase voor gemeentelijke monumenten. Na de overgangsfase worden alle gemeentelijke monumenten beschermd in een Omgevingsplan. Tot die tijd kunnen gemeentelijke monumenten ook beschermd worden via een erfgoedverordening. Archeologische monumenten In een Omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de (te verwachten) archeologische waarden. Een archeologische onderzoeksplicht in het Omgevingsplan regelt bijvoorbeeld wanneer archeologisch onderzoek moet plaatsvinden en aan welke eisen dit moet voldoen. In beginsel is een project kleiner dan 100 m² vrijgesteld, maar in een Omgevingsplan kan een andere vrijstellingsgrens worden vastgelegd.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 24

Stads- en dorpsgezichten & cultuurlandschappen Zowel het Rijk, de provincie als een gemeente kan een stads- of dorpsgezicht met een bijzonder cultuurhistorisch karakter aanwijzen voor bescherming. In een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht zijn de rechtsgevolgen niet gelijk aan die van een gemeentelijk beschermd gezicht. Vergunningsvrij bouwen is in een Rijksbeschermd stadsgezicht bijvoorbeeld ingeperkt. Een landschappelijk waardevol gebied kan beschermd zijn als cultuurlandschap. Roerend of immaterieel erfgoed In de Omgevingswet is bepaald dat in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld aan roerend of immaterieel erfgoed als dit erfgoed direct of indirect voorwerp kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan regels voor een haven met historische schepen. Of het toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel cultureel erfgoed. Werelderfgoed Naast de bescherming van erfgoed via de regels in artikel 5.130, is in artikel 5.131 voorzien in een specifieke regel voor het werelderfgoed. Een Omgevingsplan dient regels te bevatten voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Daarbij geldt dat een ontwikkeling in een betreffende gemeente invloed kan hebben (bijv.

hoogbouw) op de universele waarde van werelderfgoed in een omliggende gemeente.

Ter plaatse van het plangebied zijn in het omgevingsplan geen regels van toepassing ter bescherming van het cultureel erfgoed. In de directe omgeving van het projectgebied zijn eveneens geen monumenten of beeldbepalende panden aanwezig waardoor in het kader van de beoogde ontwikkeling hier geen rekening mee dient te worden gehouden. Het plangebied ligt niet in of nabij een beschermd stadsgezicht- of dorpsgezicht. Tevens is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een rijks- of gemeentelijk beschermd monument. Dit aspect vormt zodoende geen randvoorwaarde voor de tijdelijke vestiging van het IKC de Giraf.

Op grond van het van toepassing zijnde bestemmingsplan kent het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. De archeologische verwachtingskaart van de gemeente Hillegom geeft aan dat het plangebied in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde 8 ligt. In dit gebied kunnen archeologische waarden verstoord worden indien de grond wordt geroerd over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 25

IDDS Archeologie heeft in november 2024 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het Park Elsbroek in Hillegom. De rapportage is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende rapportage. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen in een ontgonnen veenvlakte. Naar verwachting bestaat de ondergrond uit getijdeafzettingen met eventueel hierboven een restant van het veenpakket waarop mogelijk verstoven zand ligt. De top van de getijdenafzettingen en de top van het veen hebben een late tot zeer lage verwachting. In de top van het stuifzand over het veen zou het wel mogelijk zijn om archeologische resten aan te treffen. Op historisch kaartmateriaal is echter te zien dat het plangebied een agrarische functie had totdat het circa 1970 in gebruik werd genomen als park. Binnen de grenzen van het plangebied zijn op de historische kaarten vanaf het begin van de 17e eeuw geen aanwijzingen gevonden dat hier bebouwing voorkwam. Ook voor het stuifzand geldt daarom een lage verwachting. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek, de lage verwachting volgens de archeologische beleidskaart en de bijbehorende vrijstellingsgrenzen van 1000 m2 en 30 cm -mv is een archeologisch onderzoek voor het bouwen van een tijdelijke school van 993 m2 niet noodzakelijk.

Het aspect cultuurhistorie, monumenten en archeologie vormt geen randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 26

Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, zie paragraaf 3.1.1.1 van deze GOFLO) zijn de ambities van het Rijk opgenomen die onder andere betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in Nederland. Onderdeel hiervan is het beleidsdoel om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Hiervoor heeft het Rijk de volgende beleidsdoelen:  

 

Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen is ervoor gekozen dat het grootste gedeelte van de energieproductie wordt gerealiseerd door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit is uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027. De energie-infrastructuur wordt geschikt gemaakt voor duurzame energiebronnen. De opgave van duurzame energie wordt gerealiseerd met het oog voor de kwaliteit van de omgeving en zo veel mogelijk gecombineerd met een andere functie.

Omgevingsplan gemeente De gemeente stelt normen en regels vast in het omgevingsplan waaraan getoetst dient te worden. Deze normen kunnen ook betrekking hebben op klimaatadaptatie en energietransitie. De normen worden vervat als omgevingswaarden in het omgevingsplan.

Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 werd de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. De tijdelijke huisvestiging zal modulair gebouwd worden.

Het aspect klimaat en energietransitie vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.

De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 27

2.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. de regels van hoofdstuk 5;

Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaande stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling behelst de realisatie van de tijdelijke vestiging van de IKC De Giraf. Om te boordelen of de stedelijke ontwikkeling als ‘voldoende substantieel’ gekwalificeerd kan worden, moet de jurisprudentie geanalyseerd worden. Zie hiervoor de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). Zo ligt bijvoorbeeld bij wonen de grens op het op het toevoegen van 11 woningen of meer en bij detailhandel op het toevoegen van een brutovloeroppervlak van 500 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling heeft een totale oppervlakte van 1.908 m2. Hiermee wordt voor een tijdelijke periode ruimte geboden aan 18 klassen (circa 430 leerlingen) en voor het KDV 24 plaatsen (twee groepen). Voor de BSO, 1 groep van 30 plaatsen, zijn geen aparte voorzieningen voorzien. Door middel van het realiseren van een tijdelijke huisvesting wordt de continuïteit van het onderwijs gewaarborgd. Nut en noodzaak volgt uit de urgentie van huisvesting van leerlingen. Deze is benodigd omdat de bestaande onderwijsinstelling gesloopt wordt ten behoeve van een nieuwbouwontwikkeling.

De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 28

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefmgeving (GOFLO) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 29

De beoogde ontwikkeling, bestaande uit de realisatie van een (tijdelijke)onderwijslocatie, is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het omgevingsplan niet aangewezen als een milieubelastende activiteit. De school moet voldoen aan geluidsnormen van het omgevingsplan, en de invloed van de school op het woonen leefklimaat van woningen in de omgeving moet aanvaardbaar zijn. Het plangebied heeft de bestemming ‘Groen’. Omliggende bestemmingen zijn ‘Wonen’, ‘Sport’ en ‘Maatschappelijk’. De afstand van de tijdelijke school tot bestaande woningen ten noorden bedraagt circa 70 meter. Op grond van de VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ heeft een school een SBI code-2008 van 852 en behoort de functie tot milieucategorie 2. Voor scholen met een milieucategorie 2 in een rustige woonwijk geldt een te hanteren richtafstand van 30 meter. Hiermee wordt met ruime marge voldaan aan de richtafstand van 30 meter tussen scholen en woningen in een rustige woonwijk. Daardoor kan het geluid op kwalitatieve wijze worden beoordeeld. Ten zuiden van het plangebied liggen appartementen op ongeveer 30 meter. Hierbij is de Omgevingsdienst ook van mening dat dit kwaliteit beoordeeld kan worden. De speelpleinen bevinden zich namelijk aan de andere zijde van het gebouw. De belangrijkste geluidbron betreft het stemgeluid van spelende kinderen.

Dit geluid zal voor bewoners soms hoorbaar en mogelijk zelfs hinderlijk zijn, met name in tuinen en buitenruimten. Aangezien de afstand relatief groot is, er ook perioden van rust zullen zijn en het een tijdelijke situatie betreft, zijn geen geluidberekeningen nodig om de aanvaardbaarheid te beoordelen. Stemgeluid is overigens uitgezonderd van toetsing aan de norm waaraan de school na ingebruikname moet voldoen, waardoor de school altijd zal voldoen aan de geluidnorm. Ten oosten van het plangebied ligt op circa 90 meter een indoor sportvereniging met sauna en zonnebank. Op grond van de VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ heeft een sporthal (SBI code-2008: 931) een milieucategorie 3.1 en een sauna (SBI Code-2008: 9313) een milieucategorie 2. Hiermee wordt met ruime marge voldaan aan de richtafstanden van 50 meter en 30 meter tussen de school en de indoor sportvereniging met sauna en zonnebank. Er bevinden zich in de omgeving geen windmolens. Het aspect slagschaduw is niet relevant voor deze conclusie.

In het kader van milieuzonering is sprake van een ETFAL.

De chemische bodemkwaliteit heeft gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Verontreinigingen kunnen het gebruik van een locatie beperken of tot hoge saneringskosten leiden. Het Aanvullingsspoor bodem (bestaande uit de Aanvullingswet bodem, het Aanvullingsbesluit bodem en de Aanvullingsregeling bodem) voegt het thema ‘bodem en ondergrond’ toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Bodemkwaliteit wordt een onderdeel bij een afweging van aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.goflo.THV

Pagina | 30

Toelaten van een bouwactiviteit (bestaande uit een bodemgevoelig gebouw) op een bodemgevoelige locatie Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit, bestaande uit een bodemgevoelig gebouw, op een bodemgevoelige locatie. De gemeente is daarom verplicht om in het omgevingsplan regels op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen. Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.

Het omgevingsplan dient regels te bevatten over: - de waarde waarboven maatregelen nodig zijn bij de realisatie van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties (artikel 5.89i en artikel 5.89j van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)); - welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de hiervoor bedoelde waarde (artikel 5.89k Bkl); - een meldingsplicht voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn (artikel 5.89l Bkl); - de ingebruikname van de bodemgevoelige locatie (artikel 5.89m Bkl). Indien in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, dan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde (waarboven maatregelen nodig zijn voor het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties) alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89ka Bkl).

Bij een dergelijke omgevingsvergunningaanvraag dient tevens een bodemonderzoek te worden overhandigd, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van de desbetreffende waarde redelijkerwijs is uit te sluiten.

In het kader van de beoogde ontwikkeling is door IDDS een vooronderzoek uitgevoerd. De rapportage van 20 november 2024 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende rapportage. De resultaten worden onderstaand weergegeven.  

Op basis van de beschikbare representatieve bodeminformatie uit de Bodemkwaliteitskaart wordt ter plaats van de onderzoekslocatie, behoudens de locaties van de slootdempingen, geen significante verontreinigingen verwacht. In het vooronderzoek blijkt dat binnen de grenzen van de onderzoekslocatie twee sloten hebben gelegen welke vermoedelijk begin jaren ’70 zijn gedempt. Het materiaal waar de sloten mee zijn gedempt is niet bekend. Dergelijk dempingsmateriaal is verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met zware metalen en PAK. Echter, zijn de dempingen mogelijk uitgevoerd met gebiedseigen grond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1733/documents/23160