CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1. ETFAL-motivering met bijbehorende onderzoeken (GoFlo).pdf

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente HillegomBij agendapunt: 12: Adviesrecht buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Kind Centrum “De Giraf”23.174 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het omgevingsplan dient regels te bevatten over: - de waarde waarboven maatregelen nodig zijn bij de realisatie van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties (artikel 5.89i en artikel 5.89j van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)); - welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de hiervoor bedoelde waarde (artikel 5.89k Bkl); - een meldingsplicht voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn (artikel 5.89l Bkl); - de ingebruikname van de bodemgevoelige locatie (artikel 5.89m Bkl). Indien in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, dan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde (waarboven maatregelen nodig zijn voor het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties) alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89ka Bkl).

Bij een dergelijke omgevingsvergunningaanvraag dient tevens een bodemonderzoek te worden overhandigd, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van de desbetreffende waarde redelijkerwijs is uit te sluiten.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 30

Milieubelastende activiteit waarbij bodemverontreiniging kan ontstaan Bij een aantal milieubelastende activiteiten is voorafgaand aan de activiteit bodemonderzoek van de landbodem nodig. Het doel van het voorafgaand bodemonderzoek is om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. De voorschriften voor het voorafgaand bodemonderzoek staan in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Paragraaf 5.2.2 stelt regels over het type onderzoek, de normen waaraan het onderzoek moet voldoen en over lozingen van vrijkomend afvalwater. Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de volgende milieubelastende activiteiten: - Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal); - Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal); - Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal); - Bouwen op een bodemgevoelige locatie (paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Uit het voorafgaand onderzoek blijkt of de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt overschreden. Ook volgt uit het voorgaand onderzoek wat de verwachte hergebruiks- of verwerkingsmogelijkheden voor de te ontgraven grond zijn en op welke manier de partijindeling tot stand komt.

Voor de activiteit saneren geeft het onderzoek inzicht in de ontgravingscontour en -diepte om de beoogde terugsaneerwaarde te kunnen bereiken. Bij het bouwen op een bodemgevoelige locatie bepaalt het onderzoek of sanerende maatregelen nodig zijn om op de locatie te mogen bouwen. Het voorafgaand bodemonderzoek bestaat uit drie mogelijke fasen: het vooronderzoek, het verkennend bodemonderzoek en het nader bodemonderzoek. Gestart wordt in fase 1, het vooronderzoek. De volgende fase (het verkennend bodemonderzoek) is alleen van toepassing, als de noodzaak daartoe blijkt uit het eerdere onderzoek. Doel hiervan is dat de onderzoekslast voor de initiatiefnemer hiermee beperkt blijft. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een onderwijsinstelling. Onderwijsinstellingen worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarmee verplicht. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door IDDS op 14 maart 2024 een bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met het uitvoeren van de activiteit ‘Graven in de bodem (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) §4.119/§4.120). Het onderzoek is als bijlage 4 bijgevoegd aan voorliggende rapportage. Onderstaand zullen de resultaten worden weergegeven.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 31

De doelstelling van het onderzoek is om te bepalen of er in de grond en/of het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is van een (sterke) verontreiniging.  Uit historische bronnen is bekend dat de locatie vermoedelijk in het verleden een agrarische bestemming had. Het schoolgebouw en de gymzaal zijn in 1970 gebouwd;  In het verleden hebben tenminste vier sloten door de locatie gelopen. Bij het bouwrijp maken van de locatie voor de bouw van deze panden zijn vermoedelijk de sloten gedempt. Onbekend is waarmee dit is gedaan en wat de milieu hygiënische kwaliteit van het dempingsmateriaal is geweest;  Als gevolg van het (voormalige) gebruik van de locatie voor de teelt van bollen en bloemen kan de bodem (grond en grondwater) verontreinigd zijn geraakt met bestrijdingsmiddelen;  Op basis van de Nota bodembeheer regio West-Holland is het niet aannemelijk dat de Waarden voor toelaatbare kwaliteit voor regulieren stoffen in de grond worden overschreden;  De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is in hoofdzaak opgebouwd uit zand tot ca. 1,5 m-mv en tot de geboorde dieptes van maximaal 2,5 m-mv uit veen of zand;  In de grond is zeer plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen.

Het betreft sporen baksteen in de bovengrond ter plaatse van boringen 10 en 22 en in de ondergrond ter plaatse van boring 02;  Ter plaatse van de gedempte sloten is geen dempingsmateriaal nog een afwijkende bodemopbouw waargenomen. Hoogstwaarschijnlijk zijn de sloten gedempt met gebiedseigen grond;  Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen;  De bovengrond is niet tot hooguit licht verontreinigd met PCB;  Het zand in de ondergrond is niet tot hooguit licht verontreinigd met enkele zware metalen en/of PCB. Het veen is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PAK en PCB;  Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek kan worden gesteld dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Ook zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een significante verontreiniging van het grondwater. Het milieu hygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie is in afdoende mate vastgesteld. Belemmeringen inzake de voorgenomen werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) worden vanuit de aspecten bodem- en grondwaterkwaliteit niet voorzien. Aanbevelingen:  Geadviseerd wordt om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies.

 Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden.  Indien bij eventuele (bouw)werkzaamheden grond wordt ontgraven en afvoer van grond plaatsvindt moet tenminste een week voor de start een melding ingevolge 4.119 van et Besluit activiteiten leefomgeving worden verricht. Als de ontgraven grond op locatie volledig wordt teruggebracht in de bodem is een melding niet nodig. Opgemerkt wordt dat de ontgraven grond niet langer dan 8 weken na beëindiging van het graven tijdelijk mag worden opgeslagen op locatie.  Bij afvoeren en hergebruik van grond is de regelgeving onder de Omgevingswet van toepassing.  Het bodemonderzoek is steekproefsgewijs uitgevoerd. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat plaatselijk sprake kan zijn van een afwijkende bodemopbouw. Indien op de locatie graafwerkzaamheden worden uitgevoerd wordt derhalve aanbevolen om alert te blijven op plaatselijke afwijkingen in de bodem die kunnen wijzen op een eventuele bodemverontreiniging. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 32

GELUID Algemeen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten:  Woonfunctie  Onderwijsfunctie  Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang  Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen Industrieterreinen

Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Lden

Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) 60 Lden

53 Lden

70 Lden

55 Lden

65 Lden

50 Lden 40 Lnight

55 Lden 45 Lnight

Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden.

De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 33

Nader onderzoek naar stemgeluid van spelende kinderen wordt niet zinvol geacht aangezien de nieuwe situatie beter wordt dan de huidige situatie. Zo worden de speelplaatsen langs de Guido Gezellelaan smaller en anders ingericht. Daarnaast verplaatst een deel van het spelen van de kinderen zich richting het trapveldje, aan de oostzijde van het perceel van de school. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling, de realisatie van een onderwijsgebouw, bestaat uit de realisatie van een geluidgevoelig gebouw of ruimte in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In beginsel dient een geluidsonderzoek aan te tonen of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde. Op basis van de geluidskaart van Atlas Leefomgeving bedraagt de geluidsbelasting ter plaatse van de school ca 48 dB. Dat is onder de standaardwaarden die gehanteerd worden voor wegen. Figuur 13. Uitsnede kaart Geluid wegverkeer (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Daarnaast is in de huidige situatie reeds een school aanwezig waarbij de isolatie alleen maar beter wordt met de nieuwbouw. Ten opzichte van de huidige situatie is enkel sprake van een toename van 20 leerlingen. Deze toename is van geringe betekenis, waardoor een geluidsonderzoek niet benodigd is. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico’s van deze kabels en leidingen. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wibon gaat niet op in de Omgevingswet. Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gasen telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 34

Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Omgevingsplan – (toelaten van) buisleidingen en hoogspanningsleidingen Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen. Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. Deze regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de volgende kenmerken:  soort stof (bij buisleidingen)  maximale druk (bij gas in buisleidingen)  maximaal vermogen (bij ondergrondse hoogspanningsleidingen) Hoogspanningsverbindingen en magneetveldzones Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg.

Het voorzorgbeleid voor magneetvelden bestaat uit:  bronmaatregelen, die de netbeheerders bij alle netcomponenten treffen;  afstandsmaatregelen bij bovengrondse hoogspanningslijnen, die het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening op basis van de berekening van de magneetveldzone kan treffen. Relatie tot ontwikkeling In het omgevingsplan “gemeente Hillegom” zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Tevens is de kaart met betrekking tot hoogspanningsleidingen geraadpleegd. De dichtstbijzijnde grondkabel is de grondkabel Lisse-Hillegomkabel, welke op een afstand van 0,84 km is gesitueerd en een bedrijfsspanning van 50 kV heeft. Ten oosten van de beoogde ontwikkeling zijn de hoogspanningsmasten 380 kV Vijfhuizen - Bleiswijk (oranje) met een bedrijfsspanning van 150 kV Haarlemmermeer – Sassenheim met een bedrijfsspanning van 150 kV gelegen. In figuur 13 is een uitsnede opgenomen van de kaart Hoogspanningsnet Nederland. Gelet op de afstand is de verwachting dat van ligging binnen de magneetveldzone van de verbinding geen sprake is.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 35

Figuur 14. Uitsnede Hoogspanningsnet Netkaart.

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

LUCHT Algemeen Volgens artikel 1.3 van de Omgevingswet valt lucht onder de fysieke leefomgeving. Het gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen zoals luchtverontreiniging. Een goede luchtkwaliteit is belangrijk voor de gezondheid van mensen en voor het milieu. Het bevoegd gezag toetst en monitort de luchtkwaliteit op plaatsen waar representatieve blootstelling is. Alleen als de blootstelling voldoende lang of ‘significant’ is, moet het bevoegd gezag de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) toetsen. Dit uitgangspunt heet ook wel het blootstellingscriterium. Luchtkwaliteitstoets De gemeente moet de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. Er moet worden nagegaan of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de volgende activiteiten (artikel 5.51 lid 1 van het Bkl):  activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of;  activiteiten waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal. In artikel 5.50 lid 1 van het Bkl worden enkele activiteiten aangewezen waarvoor te allen tijde een luchtkwaliteitstoets moet worden uitgevoerd door de gemeente. Dit geldt ook indien er geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is.

Het gaat om de volgende activiteiten:  de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter;  een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt;  de aanleg van een auto(snel)weg.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 36

Enkel op locaties waar mensen aanwezig zijn, vindt er een beoordeling van de luchtkwaliteit plaats door de overheid. Indien locaties aan één van de volgende criteria voldoen, is er geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit benodigd:  relatief korte verblijven (blootstellingscriterium);  arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl);  als mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit (artikel 5.52 Bkl): o locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is; o de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): 1. Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerck, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) 2. Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oestgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) 3.

Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de Ijssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) 4. Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) 5. Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven) De gemeente Hillegom valt niet onder de aandachtsgebieden (voor zowel NO2 als PM10). Daarnaast is het artikel 5.51 Bkl alleen van toepassing op het toelaten van de volgende activiteiten:  De aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwergen;  Activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; of  Milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Aangezien de beoogde ontwikkeling voorziet in een sloop-nieuw ontwikkeling is het aandachtsgebied luchtkwaliteit niet relevant. Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.

Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 37

In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder:  Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen;  Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen;  Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties. Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van een sloop- nieuwbouw ontwikkeling, waarbij het huidige schoolgebouw wordt vervangen door nieuwbouw. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt.

Gezonde fysieke leefomgeving In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving, wordt volledigheidshalve wel in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het projectgebied inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel.

Monitoringsronde 2023 Monitoringsjaar 2022 Monitoringsronde 2023 Monitoringsjaar 2030 Grenswaarde

NO2 (µg/m³)

PM10 (µg/m³)

PM2,5 (µg/m³)

15,49

17,04

8,63

11,43

13,89

6,67

40

40

25

receptor wegverkeer 73540374_131871 receptor wegverkeer 73540374_131871

Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 38

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art.

11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. De beoogde ontwikkeling betreft sloop- en nieuwbouw van de school IKC de Giraf.

Aangezien reeds een school aanwezig is in de huidige situatie kan gesteld worden dat er als gevolg van de nieuwbouw beperkte milieueffecten zullen optreden voor de omgeving. Conclusie Omdat sprake er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling hoeft een m.e.r.- beoordeling niet doorlopen te worden.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 39

MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Gemeentelijk beleid Hillegom Het beleid ten aanzien van parkeren is door de gemeente vastgelegd in het Parapluplan Parkeren, zoals vastgesteld op 26 januari 2017. Het bestemmingsplan Parapluplan Parkeren heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Hillegom, die daar nog niet in voorzien, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Dit parkeerbeleid is als dynamische beleidsregel aan het omgevingsplan gekoppeld.

Bij het toelaten van een nieuwe functie in het omgevingsplan dient het effect op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling te worden aangetoond. Daarnaast dient in beeld gebracht te worden wat de parkeerbehoeftes zijn. Relatie tot ontwikkeling Parkeerbehoefte auto Op basis van het parkeerbeleid kan berekend worden hoeveel autoparkeerplaatsen er nodig zijn en of er derhalve voldoende parkeergelegenheid voor auto’s aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Het beoogde programma voorziet in de sloop- en nieuwbouw van het schoolgebouw IKC de Giraf. Kortom de huidige schoolgebouwen van de basisschool De Giraf en de in het gebouw aanwezige KinderDagVerblijf en BuitenSchoolse Opvang worden vervangen door nieuwbouw. Onderzoeksbureau Roelofs heeft op 7 maart 2024 een verkeersstudie uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 5 opgenomen. Voor de nieuwbouw wordt uitgegaan van een school met 450 leerlingen (18 klassen), 50 meer dan in de huidige situatie. Verder krijgt het gebouw twee gymzalen, één meer als in de huidige situatie. Deze gymzalen kunnen worden gecombineerd als één sportzaal die ’s avonds of in de weekenden kan worden ingezet voor derden. Programma • Basisschool De Giraf 18 leslokalen/ 450 leerlingen/ 2.478 m2 • Sportzaal 1.077 m2 • Kinderopvang De Theepot 270 m2 Voor het bepalen van het benodigd aantal parkeerplaatsen is naast de norm ook een aanwezigheidspercentage van belang.

Zo zijn een deel van de bewoners naar het werk op het moment dat de docenten en kinderen naar school gaan. ’s Avonds staat de school leeg en hebben dan geen parkeerbehoefte. Bij een school met grote omvang is een grote (piek)belasting voor parkeren te verwachten. Ouders/verzorgers komen immers hun kinderen (steeds meer, vooral bij slecht weer) met de auto brengen. Hiervoor is een rekentool ontwikkeld waarmee het aantal benodigde parkeerplaatsen is te bepalen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 40

Parkeernormen en uitgangspunten Hillegom kent haar eigen parkeernormen welke staan beschreven in de Nota parkeernormen Hillegom 2023. Onderstaand zijn de normen weergegeven die van toepassing zijn op de nieuwbouw.

Omdat op een dag een parkeerplaats door meerdere auto’s gebruikt kan worden is er mogelijk sprake van dubbelgebruik. Hiervoor heeft de gemeente aanwezigheidspercentages bepaald. Dit maakt het mogelijk om parkeerplaatsen voor de sportzaal en de school te combineren.

De normen van de gemeente zijn exclusief het brengen en halen van leerlingen. Hiervoor heeft de CROW een rekentool ontwikkeld. Voor het bepalen van benodigde parkeerplaatsen voor brengen en halen wordt de onderstaande formule gehanteerd.

De percentages van het aantal leerlingen dat per auto gebracht en gehaald wordt zijn bepaald op basis van postcodegegevens van de bestaande leerlingen en statistische gegevens van het CBS. Het CBS gaat uit van de volgende afstanden tussen woning en school:  Lopen tot circa 600 meter  Fieten tot circa 1.200 meter  Auto meer dan 1.200 meter Op dagen dat het weer slecht is zullen de afstanden korter zijn. Hiervoor is een berekening gemaakt met de volgende afstanden:  Lopen tot circa 500 meter  Fietsen tot circa 900 meter  Auto meer dan 900 meter

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 41

Op basis van bovenstaande gegevens volgt onderstaande percentages voor de vervangende nieuwbouw.

De basisschool, sportzaal, buitenschoolse opvang en kinderopvang De basisschool de Giraf gaat in aantal groeien ten opzichte van de bestaande situatie. Voor de rekening is de toename van de leerlingen gelijkmatig verdeeld over de groepen 1 t/m 8. D extra leerlingen zullen over het algemeen verder van de school wonen en daardoor meer met de auto gebracht gaan worden. Hierdoor wordt een ander percentage aangehouden met betrekking tot het autogebruik: bij de 50 extra leerlingen worden 25% gebracht met de auto. Overdag wordt het gymnastieklokaal gebruikt voor activiteiten van de school en valt daarmee onder de parkeerbehoefte van de school in de namiddag en avonduren kan het gymnastieklokaal ook door derden gebruikt worden, waarmee het gymnastieklokaal een eigen parkeerbehoefte en verkeersgeneratie heeft. Hiervoor is uitgegaan van het kencijfer van de functie ‘sportzaal’. De buitenschoolse opvang vangt de kinderen op buiten de schooltijden (voor 08:00 uur en na 12:00/15:00). De BSO maakt deels gebruik van de faciliteiten van de bassischool, maar er wordt wel extra personeel ingeschakeld, dat vroeg in de ochtend en in de namiddag aanwezig is. Aangezien de ouders/verzorgers met kinderen op de BSO vroeger wegbrengen en later komen ophalen vallen zij buiten het piekmoment. Om die reden worden zij niet meegenomen in de parkeerberekeningen.

Het personeel wordt wel meegenomen in deze berekening omdat hun de gehele dag aanwezig zijn, ook in het piekmoment. Het kinderdagverblijf is voor de opvang van kinderen 0-4 jaar voor de gehele dag. De aanvangstijden zijn van 7:30 tot 18:30 uur. Doordat de kinderen over een lange periode worden gebracht, kunnen de parkeerplaatsen vaker gebruikt worden. Maatgevende moment op de dag Het drukste moment voor de woningen is de werkdag avond, waar 90% van de bewoners en 80% van de bezoekers van deze woningen aanwezig zijn. Op dat moment heeft de sportzaal ook 100% aanwezigheid. Het drukste moment voor de school is de ochtend, waarbij het onderwijspersoneel aanwezig is en de piek van brengen plaatsvindt. Voor beide tijdstippen is het benodigd aantal parkeerplaatsen bepaald. Omdat De Giraf en De Theepot (deels) in de huidige situatie al aanwezig zijn, is voor de scenario’s alleen de extra parkeerbehoefte bepaald. De uitbreiding en de optionele uitbreiding van de Theepot zijn wel meegenomen in de berekeningen. Voor het brengen en halen is in de berekening uitgegaan van slecht-weer. Parkeerberekening Het Parkeerbeleid Hillegom (Nota parkeernormen december 2023) geeft aan dat er sprake kan zijn van een zwaarwegend belang om af te wijken van de parkeernorm. In figuur 13 is de parkeerberekening opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 42

Figuur 15. Parkeerberekening nieuwe situatie (bron: Verkeerskundig onderzoek Roelofs).

Bovenstaande berekening toont aan dat wordt voldaan aan het Parkeerbeleid Hillegom (Nota parkeernormen december 2023). Bij uitbreiding naar 500 leerlingen neemt de parkeerbehoefte overdag toe met 5 parkeerplaatsen. Omdat er overdag een overschot is van 7 parkeerplaatsen wordt deze binnen het plan opgevangen. Hiermee is de parkeervoorziening robuust voor de toekomst. Verder is ook gekeken naar de huidige parkeerdruk. Deze is door de gemeente in september/oktober 2022 gemeten [Parkeerrapport Hillegom, Bureau de Groot Volker, 9 december 2022]. Hieruit blijkt dat deze hoog is in veel straten in de omgeving op een acceptabele loopafstand van 100m. Maar niet in de straten waar de school/sportzaal gebruik van maakt. Conclusie parkeerberekeningen Op basis van bovenstaande berekening blijkt dat de werkdag-avond de maatgevende periode is wat betreft de parkeerbehoefte. Uit de berekening blijkt dat het ontwerp voldoet aan de parkeerbehoefte volgens het Parkeerbeleid Hillegom (Nota parkeernormen december 2023). Parkeren inpassing Voor de indeling van de parkeerkoffer zijn normen van toepassing: NEN 2443 Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in garages. Indeling parkeer- en kiss+ride-koffer Bij intensief kort parkeren wordt de voorkeur gegeven aan schuin parkeren waarbij men vooruit de parkeerplaats moet inrijden.

Men is dan blij een parkeerplaats gevonden te hebben en kan dan direct insteken. Een situatie met kort parkeren waarbij de rijrichting werd omgekeerd en men dus achteruit in moest steken leidde tot een grote chaos. Men probeerde er toch vooruit in te rijden. Omdat het schuin (gestoken) parkeren het snel inrijden van een parkeerplaats bevordert, is gekozen voor schuin parkeren.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 43

Uit ervaring blijkt dat een parkeerhoek van 45 graden het meest overzichtelijk is en daarmee de veiligste oplossing voor deze situatie. Gezien de beperkte lengte van de parkeerkoffer zou dit ten koste gaan van te veel parkeerplaatsen. Daarom is naar een optimum gezocht en gevonden in parkeren onder een hoek van 60 graden. Bij een grotere hoek verdwijnt het voordeel van gemakkelijker en sneller parkeren significant. Standaard zijn parkeervakken 2,50 meter breed. Door de parkeervallen 2,55 meter breed te maken wordt uitstappen makkelijker. Er zou kunnen worden volstaan met een rijloper van 3,80 meter. Door deze breder te maken is er meer bewegingsruimte maar vooral uitwijkruimte. Dit maakt de kans op fatale fouten kleiner en is daarmee veiliger. Omdat de rijloper ook wordt gebruikt om het parkeervak achterwaarts te verlaten is het niet verstandig hier uitgestapte schoolkinderen gebruik van te laten maken. Het is veiliger deze aan de voorzijde van de parkeervakken via een trottoir te geleiden. Daarom is ook aan de zijde van de Lodewijk van Deijssellaan een trottoir aan de voorzijde van de parkeervakken in het ontwerp opgenomen die vervolgens via een oversteekplaats de rijloper kunnen oversteken. Tijdens de momenten van halen en brengen is de parkeerkoffer alleen bedoeld voor ouders die hun kinderen met de auto komen halen of brengen.

Uit berekening van de totale parkeerbehoefte voor de school blijkt dat de parkeerkoffer voldoende groot is om voor alle ouders om op het drukste moment, het brengen in de ochtend, een plaats te bieden. Daarom zal de parkeerkoffer moeten worden voorzien van een bord met venstertijden, zodat deze op die momenten niet wordt gebruikt door andere parkeerders. Laden en lossen Voor de bevoorrading van de school en kinderdagverblijf zullen regelmatig lichte vrachtwagens langskomen. Deze voertuigen zijn groter dan een personenauto. Ze zijn iets breder maar met name langer (tot ca. 7,5m). Om deze voertuigen binnen de in Figuur 4 genoemde venstertijden komen, is er altijd ruimte om het voertuig op te stellen. Vuilwagens zijn nog iets groter. Deze zouden achteruit, in tegengestelde richting de parkeerkoffer in kunnen rijden om de containers te legen. Deze zouden dan nabij het toegangshek van de onderbouw aangeboden moeten worden. Figuur 16. Blauw de parkeervakken voor laden/lossen en groen de opstelplaats voor vuilnisauto. (bron: Verkeerskundig onderzoek Roeloefs)

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 44

Parkeerbehoefte fiets In CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ staan kencijfers voor fietsparkeren voor diverse functies. Er is sprake van een bandbreedte tussen een minimum en een maximum kencijfer. Afhankelijk van het beoogd programma dient de fietsparkeernorm berekend te worden. Het beoogde programma voorziet in de realisatie van een nieuwbouw schoolgebouw. Onderstaand zijn de van toepassing zijnde fietsparkeernormen opgenomen: Figuur 17. Fietsparkeerkencijfers 2019.

Figuur 18. Fietsparkeerkencijfers 2019.

Het eigen terrein dient voorzien te zijn van fietsparkeergelegenheid. Het voorzien in voldoende fietsparkeergelegenheid vormt een randvoorwaarde voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van het ontwerp worden de volgende hoeveelheid fietsparkeerplaatsen gerealiseerd:  Fietsparkeerplaatsen ten behoeve van de Sporthal: 25 plekken  Fietsparkeerplaatsen ten behoeve van onderbouw + KDV + docenten: 27 plekken  Fietsparkeerplaatsen ten behoeve van middenbouw + docenten: 32 plekken  Fietsparkeerplaatsen ten behoeve van bovenbouw + docenten: 40 plekken. Totaal komt dit neer op 124 fietsparkeerplaatsen. Dit aantal is gebaseerd op tellingen van het fietsgebruik in de huidige situatie. Het nieuwe schoolgebouw biedt ruimte voor 450 leerlingen. Op basis van de fietsparkeernormen wordt uitgegaan van vijf fietsparkeerplekken per 10 leerlingen. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van 158 – 261 fietsparkeerplaatsen voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast dienen ook de medewerkers worden meegenomen, waardoor nog 18 (0,4 x 45) extra fietsparkeerplekken met een bandbreedte van 9 – 32 benodigd zijn. De totale parkeerbehoefte komt daarmee op 167- 293 fietsparkeerplekken. Ten behoeve van de sporthal worden andere parkeernormen gebruikt. Hierbij is het aantal vierkant meters bvo bepalend. De sporthal beschikt over twee zalen waarvan het totale bvo ca 625 m2 bedraagt.

Op basis van de fietsparkeernorm zijn er voor de sporthal 9- 25 fietsparkeerplekken benodigd. In totaal zijn er voor de school en sportschool gezamenlijk 176 – 318 parkeerplaatsen nodig. In het huidige ontwerp zijn op basis van het huidige fietsgebruik in totaal 124 fietsparkeerplaatsen opgenomen. Dit aantal kan indien noodzakelijk worden uitgebreid naar minimaal 176 fietsparkeerplaatsen. Hiermee vormt fietsparkeren geen belemmering voor de realisatie van de nieuwbouw.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 45

Verkeersafwikkeling Op basis van bovenstaande uitgangspunten is een berekening opgesteld van het aantal voertuigbewegingen dat zal worden gegenereerd door de school en de sportzaal. Basis hiervoor is de berekening van het aantal voertuigen voor het halen en brengen en het aantal auto’s dat wordt gebruikt door onderwijspersoneel en de extra grootte van de sportzaal. Het aantal voertuigen voor halen en brengen is berekend aan de hand van het aantal leerlingen (het percentage van de leerlingen dat met de auto komt en een correctie voor meerdere kinderen in één auto conform de rekenmethode uit de parkeerberekening). Dit aantal auto’s is vermenigvuldigd met 4, want de meeste ouders/verzorgers zullen zowel ’s ochtends als ’s middags hun kinderen brengen of halen. Beide acties bestaan uit twee ritten en dus in totaal vier voertuigbewegingen. Voor docenten en begeleiders van het kinderdagverblijf wordt aangenomen dat ze in de ochtend komen en in de middag weer naar huis gaan. In totaal leveren die dus twee bewegingen per parkeerplaats op. Hetzelfde geldt voor het gymnastieklokaal. Voor de Sportzaal is een verkeersgeneratie aangehouden van 10 per 100 m2 bvo (bron: CROW Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, sportzaal, matig stedelijk – rest bebouwde kom).

Aangezien in de huidige situatie de Giraf, De Theepot en het gymnastieklokaal reeds aanwezig zijn, is voor deze scenario’s alleen het extra verkeer bepaald. In figuur 18 is de verkeersgeneratie weergegeven. Figuur 19. Verkeersgeneratie (bron: Verkeerskundig onderzoek Roelofs).

Conclusie verkeersgeneratie Er zijn minder dan 135 extra motorvoertuigen per etmaal te verwachten als gevolg van de realisatie van de beoogde ontwikkeling. Op basis van ervaring met gelijksoortige projecten blijkt een toename tot circa 400 voertuigbewegingen naar verwachtingen geen problemen te geven in de doorstroming op de omliggende wegen. Een toename met meer dan 400 voertuigbewegingen kan mogelijk kortdurend tot een verminderende doorstroming leiden. De verkeersgeneratie zal dus een minimaal effect op de doorstroming op de omliggende wegen veroorzaken. Daarbij is uitgangspunt dat een parkeerverbod langs het oostelijke trottoir van de Lodewijk van Deijssellaan wordt ingesteld. Conclusie De voorgenomen parkeeroplossing is passend binnen het parkeerbeleid. Tevens is er sprake van een verkeersveilige situatie. Het aspect mobiliteit vormt daarnaast geen belemmeringen voor de realisatie van het beoogde initiatief.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 46

NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.

Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: - Natura 2000-activiteiten; - Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; - Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) - Vellen en beheren van houtopstanden

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 47

Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen;  20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen;  5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken. Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door IDDS een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 16 maart 2023 is als bijlage 6 bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggend rapportage. De resultaten worden hieronder beschreven. Soortbescherming Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. Vleermuizen: Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het plangebied meerdere geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn.

De opstallen binnen het plangebied zijn geschikt als zomer-, individueel winter-, paar- en kraamverblijfplaats voor laatvlieger, meervleermuis, kleine, gewone en ruige dwergvleermuis. Een functie als massawinterverblijf wordt uitgesloten wegens het ontbreken van meer dan vier verdiepingen. Nader onderzoek naar gebouw bewonende soorten moeten uitwijzen of het plangebied een functie vervult voor vleermuizen. Figuur 20. Resultaten van de quickscan waarop wordt aangegeven waar de potentie voor beschermde soorten aanwezig is (bron: ecologiche quickscan IDDS).

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 48

Figuur 21. Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden (bron: ecologische quickscan IDDS)

Mitigerende maatregelen Vogels zonder jaarrond beschermd nest: Binnen het plangebied kunnen volgens zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus), in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Zorgplicht: De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de egel. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden:  Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang zodat vleermuizen en andere nachtactieve dieren niet verstoord worden.

 Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperkt dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn.  Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten.  Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van beschermde soorten. Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen, een aantal soorten die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat er nader ecologisch onderzoek noodzakelijk is. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaan figuur.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 49

Figuur 22. Overzicht van de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten (bron: ecologische quickscan IDDS).

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt op circa 4.020 meter afstand tot Natura-2000 gebied. Mogelijk stikstof effecten zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. Stikstof Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Peutz een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportage van 15 mei 2025 is bijgevoegd als bijlage 7 in de bijlagen bij voorliggende rapportage. Uit de rekenresultaten volgt dat vanwege de (tijdelijke) aanlegfase en de (permanente) gebruiksfase van het plan geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen Natura 2000- gebieden (bijdrage <0,00 mol N/ha/jaar). Significante negatieve effecten als gevolg van de aanlegfase en gebruiksfase van de vernieuwbouw IKC de Giraf kunnen op basis hiervan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is inzake stikstofdepositie dan ook geen sprake van vergunningplicht in het kader van een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 50

Nader onderzoek Wet natuurbescherming Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is nader ecologisch onderzoek noodzakelijk. IDDS heeft op 14 juni 2023 de rapportage voor het nader onderzoek omtrent vleermuizen opgesteld. De rapportage is bijgevoegd in de bijlagen (bijlage 8) bij voorliggend rapportage. De resultaten worden hieronder beschreven. Tijdens de veldbezoeken voor het vleermuisonderzoek zijn vier verschillende soorten vleermuizen waargenomen, dit waren de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Deze vleermuizen zijn overvliegend of foeragerend waargenomen. Binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Het plangebied vervult geen beschermde functie voor vleermuizen. Om de werkzaamheden uit te voeren is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Figuur 23. Overzicht van de functies van het plangebied voor vleermuizen (bron: nader onderzoek IDDS).

Bescherming houtopstanden Ter plaatse van het plangebied zijn geen bossen aanwezig. Waardoor dit aspect niet van toepassing is. Wel kan nog opgemerkt worden dat de gemeente Hillegom via haar Algemene plaatselijke verordening Hillegom 2024 waardevolle bomen binnen de gemeente Hillegom beschermd. Een waardevolle boom is een boom die staat op de Waardevolle Bomenlijst en is aangeduid op de Waardevolle Bomenkaart. Figuur 24. Overzicht waardevolle bomen binnen het plangebied (bron: https://www.hillegom.nl/fileadmin/user_upload/Waardevolle_bomen_Hillegom_definitief_november_2020_v1kopie_01.pdf)

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 51

Op basis van de waardevolle bomenkaart zijn binnen en in de directe omgeving het plangebied twee waardevolle bomen aanwezig (boomnummers: 3288 en 3289). Deze waardevolle bomen blijven behouden. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

OMGEVINGSVEILIGHEID Algemeen Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het omgevingsveiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t.

omgevingsveiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de omgevingsveiligheid zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).  Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied o Gifwolkaandachtsgebied

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 52

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden.

Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen:  afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied  aanvullende risicocommunicatie  beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron  vlucht- en schuilmogelijkheden  omgevingsmaatregelen  aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1735/documents/23437