CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1. ETFAL-motivering met bijbehorende onderzoeken (GoFlo).pdf

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente HillegomBij agendapunt: 12: Adviesrecht buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Kind Centrum “De Giraf”23.174 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle

IKC de Giraf te Hillegom Concept 23206 23206.GOFLO 5 augustus 2025 M.P.J. Vogelaar drs. ing. M.L.W. Andela

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

6

7

Aanleiding en doel

5

Aanleiding Projectgebied Geldend omgevingsplan Leeswijzer

5 5 6 6

Project en toetsing omgevingsplan

7

Projectbeschrijving Toetsing omgevingsplan

7 8

Ruimtelijk beleid

12

Rijksbeleid Provinciaal beleid Omgevingswaarden Gemeentelijk beleid

12 14 16 17

Omgevingskwaliteit

21

Cultuurhistorie, monumenten en archeologie Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking

21 23 25

Aspecten fysieke leefomgeving

26

Activiteiten en milieuzonering Bodem en Asbest Geluid Kabels en leidingen Lucht Milieueffectrapportage Mobiliteit en parkeren Natuur Omgevingsveiligheid Ontplofbare oorlogsresten Waterbelang

26 27 33 34 36 39 40 47 52 55 55

Beschrijving uitvoerbaarheid

59

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59 59

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

60

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 3

Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Boom inventarisatie (idverde Bomendienst, kenmerk: BD23040, d.d. 1 maart 2023) Akoestisch onderzoek (Peutz, rapportnummer: S 2373-4-RA-001, d.d. 31 januari 2025) Asbestinventarisatie (IDDS, projectnummer: A4680, d.d. 23 februari 2024) Verkennend bodemonderzoek (IDDS, Kenmerk : A4680-06/KHA/rap1, d.d. 14 maart 2024) Verkeerskundig onderzoek (Roelofs, projectnummer: 71037233, d.d. 7 maart 2024) Quickscan Wet natuurbescherming (IDDS, Kenmerk : A2980-03/JHO/qs2, d.d. 11 maart 2023) Onderzoek stikstofdepositie (Peutz, rapportnummer S 2373-10-RA, d.d. 15 mei 2025) Nader onderzoek Wet natuurbescherming ((IDDS, kenmerk: A2980-03/KMI/no1, d.d. 14 juni 2023) Participatieverslag (ZRI documentcode: SGH2201M022, d.d. 17 juli 2025)

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 4

1

AANLEIDING EN DOEL AANLEIDING In opdracht van ZRi, namens Sophie Scholen, heeft Mees Ruimte & Milieu een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving opgesteld voor een sloop-nieuwbouwontwikkeling ter plaatse van de Guido Gezellelaan 3. De huidige schoolgebouwen van basisschool De Giraf en de in het gebouw aanwezige KinderDagVerblijf (KDV) en BuitenSchoolse Opvang (BSO) worden vervangen door nieuwbouw. Voor de nieuwbouw wordt uitgegaan van een school met 450 leerlingen (18 klassen). Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het geldende omgevingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor een ‘buitenplanse omgevingsplan activiteit’ (BOPA). Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het geldende omgevingsplan, de zogenoemde Goede Onderbouwing van de Fysieke LeefOmgeving (GoFlo). Voorliggende rapportage betreft de GoFlo, waarin het project aan de hand van zowel omgevingsaspecten wordt gemotiveerd.

PROJECTGEBIED Het plangebied ligt ten zuiden van de oude kern van Hillegom, in het oostelijke deel van de wijk Elsbroek. Het uiteindelijke doel bestaat uit de ontwikkeling van het nieuwe IKC de Giraf op de huidige locatie van de gelijknamige basisschool aan de Guido Gezellelaan 3. Onderdeel van dit IKC zijn de basisschool, kinderopvang de Theepot en twee sportzalen. De locatie wordt begrensd door de Guido Gezellelaan en de Lodewijk van Deyssellaan. In figuur 1 is een uitsnede van een luchtfoto opgenomen. Het plangebied heeft de volgende kadastrale gegevens; nummers 2243, 2244, 4183, 4311, 4312, 4313 sectie C van de kadastrale gemeente Hillegom.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 5

Figuur 1. Luchtfoto projectgebied

GELDEND OMGEVINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Hillegom” (/akn/nl/act/gm0534/2020/omgevingsplan), gepubliceerd op 22 mei 2023 en in werking per 1 januari 2024. Het projectgebied valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet in een definitief omgevingsplan. In paragraaf 2.2 van voorliggende rapportage wordt hier nader op ingegaan.

LEESWIJZER Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Het betreft de onderbouwing waarom sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. De hiernavolgende hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd:  Hoofdstuk 2: In dit hoofdstuk wordt het project (de beoogde ontwikkeling) beschreven en vindt toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats.  Hoofdstuk 3: In dit hoofdstuk worden de relevante beleidskaders beschouwd.  Hoofdstuk 4: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer de stedenbouwkundige inpassing, archeologie en cultuurhistorie aan bod komen.  Hoofdstuk 5: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid aan bod komen.  Hoofdstuk 6: In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het project beschreven.  Hoofdstuk 7: Dit hoofdstuk betreft de conclusie ten aanzien van de ruimtelijke en functionele inpasbaarheid.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 6

2

PROJECT EN TOETSING OMGEVINGSPLAN PROJECTBESCHRIJVING Huidige situatie en toekomstige situatie In de huidige situatie is de Rooms-Katholieke Basisschool de Giraf gerealiseerd aan de Guido Gezellelaan 3. In het gebouw zit ook de BSO en kinderdagverblijf de Theepot gevestigd. De Basisschool de Giraf heeft 16 klassen met circa 400 leerlingen. Voor de Kinderdagverblijf De Theepot zijn 24 plaatsen beschikbaar en voor de BSO de Theepot 60 plaatsen. Het doel is om het huidige schoolgebouw te lopen. Het bestaande schoolgebouw zal worden gesloopt om ruimte te maken voor de vervangende nieuwbouw. Figuur 2. Huidige situatie

Het nieuwe schoolgebouw IKC zal bestaan uit de basisschool, kinderopvang de Theepot en twee sportzalen. Het nieuw schoolgebouw heeft een totale oppervlakte van 3.825 m2 en wordt twee bouwlagen hoog. Voor de basisschool wordt ruimte gecreëerd voor 18 klassen (circa 450 leerlingen). Bij de bouw van de school wordt rekening gehouden met een mogelijk toekomstige uitbreiding met 2 extra lokalen waardoor de school kan groeien naar 500 leerlingen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 7

Figuur 3. Indeling toekomstige situatie

TOETSING OMGEVINGSPLAN In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, bestaande uit:  Bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen;  Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (indien aanwezig: Erfgoedverordening, Geurverordening en/of Verordening afvoer van hemelwater);  Bruidsschat.

Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden Ter plaatse van het plangebied is het omgevingsplan gemeente Hillegom van kracht. Het planologisch kader bestaat uit het geldende bestemmingsplan “Elsbroek”. Naast dit geldende bestemmingsplan zijn ook de volgende bestemmingsplannen van toepassing:  Bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren”, vastgesteld op 26 januari 2017 door de gemeenteraad Hillegom.  Bestemmingsplan “Parapluplan Wonen, Hillegom”, vastgesteld op 15 oktober 2020 door de gemeenteraad Hillegom.  Bestemmingsplan “Snippergroen”, vastgesteld op 28 januari 2021 door de gemeenteraad Hillegom.  Bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Bedrijventerreinen & Flitsbezorgdiensten”, vastgesteld op 21 september 2023, door de gemeenteraad Hillegom.  Bestemmingplan “Crisis- en herstelwet bestemmingsplan aanvullende bouw- en gebruiksregels Hillegom”, vastgesteld op 30 mei 2024 door de gemeenteraad Hillegom. Op de paraplubestemmingsplan “Bedrijventerreinen & Flitsbezorgdiensten” en parapluplan “Wonen, Hillegom” zal niet nader worden ingegaan aangezien de beoogde ontwikkeling de realisatie van een school betreft. Er worden geen woningen, flitsbezorgdiensten of bedrijven gerealiseerd. Ook de bestemmingsplannen “Snippergroen” en “Crisis- en herstelwet bestemmingsplan aanvullende bouw- en gebruiksregels Hillegom” zijn niet relevant voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 8

Bestemmingsplan “Elsbroek” Ter plaatse van het plangebied is binnen het geldende omgevingsplan het bestemmingsplan “Elsbroek” van kracht. Het plangebied heeft de bestemmingen “Maatschappelijk” en “Groen” met functieaanduiding “onderwijs”. Binnen het plangebied zijn bouwvlakken gelegen, waarbinnen deze onderwijsvoorzieningen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 7 meter. De maximale goothoogte varieert tussen 3,5, 4 en 7 meter. Figuur 4 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief. Figuur 4. Uitsnede plankaart bestemmingsplan “Elsbroek”.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 9

Artikel 8 Maatschappelijk 8.1 Bestemmingsomschrijving 8.2 Bouwregels 8.3 Wijzigingsbevoegdheid 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: maatschappelijke voorzieningen; a. kantoren; b. sportvoorzieningen; c. ondergeschikte dienstverlening ten behoeve van de woonzorgzone; d. ondergeschikte zorggerelateerde detailhandel ten behoeve van de woonzorgzone; e. een begraafplaats uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats'; f. een kapper en kantoorfuncties ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - maatschappelijk commercieel'; g. woningen ter plaatse van de aanduiding 'wonen'; h. onderwijsvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs'; i. religieuze voorzieningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'religie'; j. kinderopvang ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kinderopvang', uitsluitend op de begane grond; k. bij de bestemming behorende voorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen, groen, water, erven, tuinen en paden. 8.2 Bouwregels Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden. 8.2.1 Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a.

hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. het bouwvlak mag voor 100 % worden bebouwd tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' anders is aangegeven; c. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven; d. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven; e. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' mag de vrije doorgang niet minder bedragen dan de bouwhoogte van de tweede bouwlaag. 8.2.2 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. andere bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan: 1. 1.10 meter voor lichtmasten; 2. 2.2 meter voor van erf- en terreinafscheidingen; 3. 3.5 meter voor voorwerpen van beeldende kunst; 4. 4.3 meter voor reclamezuilen; 5. 5.3 meter voor overige andere bouwwerken; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - object' geldt in afwijking van het bepaalde onder b dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 15,70 meter.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 10

Toets aan bestemmingsplan “Elsbroek” De beoogde ontwikkeling bestaat uit het slopen van de huidige bebouwing, zodat vervangende nieuwbouw gerealiseerd kan worden. Het nieuwe schoolgebouw bestaat uit twee bouwlagen met een maximale bouwhoogte van ca. 9 meter. De beoogde ontwikkeling kan niet binnen het geldende bestemmingsplan gerealiseerd worden, aangezien de nieuwbouw niet volledig binnen het bestaande bouwvlak wordt gerealiseerd. Daarnaast overschrijdt de bouwhoogte van de toekomstige school de maximale goot- en bouwhoogtes zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Parapluplan Parkeren De gemeente Hillegom voert al jarenlang parkeerbeleid, mede met het oog op het goed functioneren van alle ruimtelijke functies van en binnen de gemeente.

Strijdigheden met het omgevingsplan In paragraaf 2.2.1 heeft toetsing aan het omgevingsplan plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling op de volgende twee onderdelen in strijd is met het omgevingsplan:  De beoogde ontwikkeling wordt niet volledig binnen het bestaande bouwvlak gerealiseerd  De beoogde ontwikkeling overschrijdt de maximaal toegestane goot- en bouwhoogtes.

Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, luchthavens (bijvoorbeeld Luchthavenindelingsbesluit), waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit is ter plaatse van het projectgebied niet van toepassing en een verdere toetsing aan beperkingengebieden is derhalve niet benodigd.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 11

3

RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Drie afwegingsprincipes Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling behelst de sloop- en nieuwbouw van de basisschool de Giraf. Het realiseren van een onderwijsinstelling draagt bij aan het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan nationale belangen 2: “Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit” en 16 “Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat”.

3.1.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Nationale Omgevingsvisie.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan onder meer regels over omgevingswaarden, instructieregels en beoordelingsregels. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 12

Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. De rijksomgevingswaarden zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van het Bkl. De rijksomgevingswaarden luiden als volgt:  Lucht  Waterveiligheid primaire waterkeringen  Oppervlaktewaterkwaliteit  Grondwater  Bronnen voor drinkwater  Zwemmen in oppervlaktewater  NEC omgevingswaarden Provincies en gemeenten mogen afwijkende of aanvullende omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit. Ook kunnen ze omgevingswaarden stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt. Hierbij te denken aan omgevingswaarde voor geur- of lichthinder. Instructieregels Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Voor deze GoFlo is met name hoofdstuk 8 van het Bkl relevant. Dit hoofdstuk bevat respectievelijk de instructieregels voor omgevingsvergunningen.

Regels voor monitoring Bij monitoring verzamelen bestuursorganen gedurende langere tijd op systematische wijze gegevens over de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Hoofdstuk 8 van het Bkl bevat beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen. Deze beoordelingsregels gelden voor omgevingsvergunningen waarvoor het Rijk de vergunningplicht bepaalt in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit bouwwerken leefomgeving. Beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen waarvoor decentrale overheden de vergunningplicht bepalen staan in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. In relatie tot de onderhavige ontwikkeling geldt dat de gemeente het bevoegde gezag is. In het Bkl zijn specifieke beoordelingsregels voor een aanvraag omgevingsvergunning (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit opgenomen (artikel 8.0b t/m 8.0e Bkl). Artikel 8.0b, eerste lid, in hoofdstuk 8 van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies over omgevingsplannen het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 3.1.2.2 Conclusie De relevante voorwaarden uit het Bkl komen in voorliggende rapportage, voor zover van toepassing, aan bod in hoofdstuk 4 en 5.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 13

PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid-Holland Per 7 augustus 2021 is de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld:  Naar een klimaatbestendige delta  Naar een nieuwe economie: the next level  Naar een levendige meerkernige metropool  Energievernieuwing  Best bereikbare provincie  Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: 1. De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. 2. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. 3. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.

In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 14

Figuur 5. Ontwikkelingen Omgevingsvisie Zuid – Holland.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling behelst de sloop- en nieuwbouw van de basisschool de Giraf. De beoogde ontwikkeling wordt binnenstedelijk gerealiseerd, nabij andere stedelijke functies. De identiteit, aard en schaal van het gebied veranderd niet als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, hierdoor is sprake van ‘inpassing’. De beoogde ontwikkeling is ten opzichte van de huidige situatie dermate kleinschalig dat geen strijdigheid ontstaat met de richtpunten uit de Omgevingsvisie. Doordat sprake is van het type ontwikkeling ‘inpassing’ heeft het project weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten. Hierdoor ontstaat geen strijdigheid met het provinciaal beleid en past het plan binnen de provinciale Omgevingsvisie.

3.2.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) in werking getreden. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de ladder voor duurzame verstedelijking geldt overigens dat deze op basis van landelijke regelgeving niet van toepassing is, maar dat de provincie de bevoegdheid heeft nadere regels te stellen met betrekking tot de onderbouwing van de (regionale) behoefte, hetgeen de provincie Zuid-Holland in haar verordening heeft gedaan. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. De toets aan de relevante artikelen vindt hieronder plaats.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 15

Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit opgenomen. De paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voorliggende projectlocatie is niet aangewezen met een beschermingscategorie. Artikel 7.42 is derhalve niet van toepassing. In artikel 7.43, 43a en 43c wordt het soort ruimtelijke ontwikkeling onderscheiden en de wijze waarop per soort ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit dient te worden gewaarborgd. Het nieuwe schoolgebouw past bij de aard en schaal van het gebied. In hoofdstuk 4 zal nog worden ingegaan op de stedenbouwkundige inpassing van de beoogde ontwikkeling. Op basis daarvan kan gesteld worden dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse tenminste gelijk blijft. Stedelijke ontwikkelingen Op basis van artikel 7.44 dient een omgevingsplan (thans: bestemmingsplan) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt rekening te houden met de op de behoefteramingen van Gedeputeerde Staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. Aangezien reeds een school in het gebied gevestigd is en de beoogde ontwikkeling ter vervanging van de bestaande school dient, kan gesteld worden dat behoefte is aan huisvesting voor onderwijs in het gebied en een dergelijke toets verder niet relevant is.

3.2.2.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

OMGEVINGSWAARDEN Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie, maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:  de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats;  de toelaatbare belasting door activiteiten;  de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Een kwalitatieve omgevingswaarde is mogelijk als zo'n aspect met objectieve termen kan worden omschreven. Bijvoorbeeld: wanneer een rivier moet voldoen aan de normen voor een 'goede ecologische toestand', is een objectieve beschrijving van kwaliteiten nodig in bijvoorbeeld een programma of beleidsregel. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarde heeft vastgesteld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid.

Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 2.2 (toets aan het omgevingsplan) is niet gebleken dat voor de voorgenomen ontwikkeling omgevingswaarden zijn vastgesteld, waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet worden getoetst. Daarnaast volgen uit de toets aan het rijks- en provinciaal beleid eveneens geen omgevingswaarden, waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet worden getoetst.

Conclusie De Omgevingswaarden vormen geen randvoorwaarde voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 16

GEMEENTELIJK BELEID Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom, herziening 2021 Op 22 februari 2018 is de 'Omgevingsvisie Hillegom 2030' vastgesteld en op 17 oktober 2019 is de 'Omgevingsvisie Hillegom - herziening 2019' vastgesteld en op 15 juli 2021 is de herziening 'Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom, herziening 2021' vastgesteld. Met de omgevingsvisie wordt de koers voor de gemeente uitgezet richting 2030. Met de omgevingsvisie als kompas, wil de gemeente samen met inwoners en ondernemers ook doelen bereiken op het gebied van duurzaamheid. Om hier gehoor aan te geven is duurzaamheid in brede zin als leidend principe gekozen in deze omgevingsvisie. In de omgevingsvisie denkt en handelt de gemeente vanuit het principe van de drie P’s ('People, Planet, Profit'). In de Omgevingsvisie staat de vraag centraal hoe de gemeente er in 2030 uitziet. Bij het opstellen van de omgevingsvisie is rekening gehouden met ontwikkelingen zoals vergrijzing, duurzaamheid, energie, klimaat, gezondheid, waterberging, sociale aspecten, enzovoort. Duurzaamheid is het leidend principe in de visie met aandacht voor landschap, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid e.d. In de omgevingsvisie is voorts een afwegingskader opgenomen dat gebaseerd is op Fysieke, Economische en Sociale Duurzaamheid (ook wel bekend als People, Planet, Profit).

Het is een integrale visie voor de fysieke leefomgeving waardoor de gemeente middels integraal beleid en perspectief de initiatieven voor inwoners, bedrijven en instellingen in Hillegom kan beoordelen. Daarbij is de omslag gemaakt naar het nieuwe principe “ja, mits” in plaats van “nee, tenzij”. In de visie zijn de ambities en de koers voor de gehele gemeente en per deelgebied in beeld gebracht, die vervolgens juridisch zijn vastgelegd in een Omgevingsplan en uitvoeringsprogramma(’s). In de Omgevingsvisie is het grondgebied in 7 deelgebieden opgedeeld: Duurzame Bloementuin, Hollandse Weides, Historisch Hart, Heerlijke Woonplaats, Werkplaats Hillegom, Levendige linten en Duurzame verbindingen. Per deelgebied is het karakter en de koers beschreven. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling Het plangebied waar de nieuwe basisschool de Giraf beoogd is, behoort tot het gebied dat is aangewezen als ‘Heerlijke woonplaats’. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de Omgevingsvisie. Figuur 6. Uitsnede Omgevingsvisie Hillegom.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 17

De koers zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie voor dit gebied gaat in op de volgende aspecten: behouden en versterken dorpse karakter, nieuwbouw binnenstedelijk realiseren, verduurzamen en kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad, bevorderen van gezondheid, sociale cohesie versterken, zorg dragen voor toekomstbestendige voorzieningen, behoud en verbeteren woon- en leefklimaat. Het belangrijkste aspect voor deze gebieden zoals vastgesteld in de Omgevingsvisie is het waarborgen van voldoende maatschappelijke voorzieningen. Voor het behoud van de sterke gemeenschapszin in Hillegom is het van belang dat de gemeente blijft beschikken over een goed maatschappelijk voorzieningenniveau. Daarbij gaat het onder meer om de aanwezigheid van toekomstbestendige onderwijsvoorzieningen, sport- en culturele accommodaties. Het voorliggende initiatief maakt nieuwbouw ter plaatse van een bestaande onderwijslocatie mogelijk. Het nieuwe pand zal voldoen aan de laatste stand der techniek waardoor voorzien wordt in een toekomstbestendige onderwijsvoorziening. 3.4.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom, herziening 2021.

Groenbeleidsplan 2014 - 2023 Het Groenbeleidsplan 2014 – 2023 van de gemeente Hillegom laat zien hoe de gemeente groene kwaliteit realiseert en behoudt en hoe zij dit inbedt in haar ruimtelijke ontwikkeling. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt groen serieus genomen, zodat groen daadwerkelijk bijdraagt aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Het groendbeleidsplan heeft een looptijd van tien jaar en gaat over:  Openbaar groen: bomen, heesters, hagen, gras en alles wat daarmee samenhangt;  Groen in de openbare ruimte; dus wat publiek eigendom is;  Groen op particulier terrein, voor zover dat voor het beeld van de openbare ruime en de gemeenschap waardevol is (waardevolle bomen);  Het groen binnen en buiten de bebouwde kom;  Het bestaande groen en het te ontwikkeling groen. Ruimtelijke kwaliteit wordt gecreëerd door de groenstructuur verder uit te bouwen. Het openbare groen bestaat meer uit een eenheid, in plaats van in kleine snippers. 3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling Groen wordt gezien als een belangrijke bouwsteen in het ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Hillegom wil voldoende groen dat bereikbaar en bruikbaar is. In het groenbeleidsplan zijn de wijken in Hillegom ingedeeld in relatie tot een groennorm. Ten behoeve van de nieuwbouw school is een boom inventarisatie uitgevoerd.

Het onderzoek is uitgevoerd op 15 februari 2023 uitgevoerd door Idverde Bomendienst (bijlage 1). Uit het inventarisatieonderzoek blijkt dat in het plangebied 33 bomen aanwezig zijn. In het plangebied is 1 boom aangetroffen die is opgenomen als waardevolle boom, dit betreft de boom met boomnummer 3288. In figuur 7 is een uitsnede te zien van de waardevolle bomenkaart van gemeente Hillegom.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 18

Figuur 7. Uitsnede waardevolle bomenkaart Hillegom.

Verspreid over de schoolpleinen staan 12 bomen, de andere 21 bomen bevinden zich aan de buitenrand van het plangebied. Van de 33 beoordeelde bomen zijn er 4 visueel beoordeeld als gezond, met een daarbij horende toekomstverwachting van meer dan 15 jaar. In figuur 8 is een overzicht weergegeven van de locatie en conditie van de bomen. Enkel de nummers laten zien waar daadwerkelijke een boom aanwezig is.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 19

Figuur 8. Conditie bomen in het plangebied

Aan de hand van de bovengrondse beoordeling van de bomen is bepaald wat de conditie en levensverwachting van de bomen is. Voor 11 bomen is de toekomstverwachting minder dan 15 jaar, waardoor geadviseerd wordt deze bomen niet in te passen in de nieuwe situatie. De bomen hebben een slechte tot matige conditie, waardoor deze bij geringe schade onvoldoende herstellen. Op basis van het ontwerp kunnen 6 bomen niet behouden blijven. Tot slot hebben 18 bomen een toekomstverwachting van meer dan 15 jaar en kunnen zonder aanpassing van het ontwerp behouden blijven, mits de randvoorwaarden worden opgevolgd. Na dit onderzoek is het ontwerp van de nieuwbouw aangepast waardoor meer bomen gekapt dienen te worden dan de 6 bomen die niet behouden konden blijven. De 2 in het rapport aangegeven waardevolle bomen (3288 en 3289) blijven wel behouden. De bomen langs de Lodewijk van Deyssellaan (29 t/m 33) zullen worden gekapt t.b.v. de parkeerkoffer. Daarnaast zullen de bomen langs het voetpad ten noorden van de locatie gekapt worden omdat de nieuwbouw vlak langs het pad komt. Tot slot zullen alle bomen op de bouwplot gekapt worden. De bomen langs de Guido Gezellelaan zullen daarentegen zoveel mogelijk behouden blijven. 3.4.2.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Groenbeleid geen belemmering vormt voor de realisatie van het nieuwe schoolgebouw.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 20

4

OMGEVINGSKWALITEIT In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.

CULTUURHISTORIE, MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE Algemeen Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten (dit kunnen gebouwde monumenten zijn maar bijvoorbeeld ook tuinen en parken), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed (dit kan bijvoorbeeld een haven met historische schepen zijn). Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed. Monumenten De aanwijzing van rijksmonumenten is opgenomen in de Erfgoedwet en deze monumenten zijn daarmee wettelijk beschermd. In een Omgevingsplan kan een rijksmonument worden opgenomen, maar dit is door de bescherming op grond van de Erfgoedwet niet verplicht.

In een Omgevingsplan dienen voor alle beschermde monumenten regels te zijn opgenomen om de omgeving van het beschermde monument te beschermen. In de periode tot eind 2029 geldt een overgangsfase voor gemeentelijke monumenten. Na de overgangsfase worden alle gemeentelijke monumenten beschermd in een Omgevingsplan. Tot die tijd kunnen gemeentelijke monumenten ook beschermd worden via een erfgoedverordening. Archeologische monumenten In een Omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de (te verwachten) archeologische waarden. Een archeologische onderzoeksplicht in het Omgevingsplan regelt bijvoorbeeld wanneer archeologisch onderzoek moet plaatsvinden en aan welke eisen dit moet voldoen. In beginsel is een project kleiner dan 100 m² vrijgesteld, maar in een Omgevingsplan kan een andere vrijstellingsgrens worden vastgelegd. Stads- en dorpsgezichten & cultuurlandschappen Zowel het Rijk, de provincie als een gemeente kan een stads- of dorpsgezicht met een bijzonder cultuurhistorisch karakter aanwijzen voor bescherming. In een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht zijn de rechtsgevolgen niet gelijk aan die van een gemeentelijk beschermd gezicht. Vergunningsvrij bouwen is in een Rijksbeschermd stadsgezicht bijvoorbeeld ingeperkt. Een landschappelijk waardevol gebied kan beschermd zijn als cultuurlandschap.

Roerend of immaterieel erfgoed In de Omgevingswet is bepaald dat in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld aan roerend of immaterieel erfgoed als dit erfgoed direct of indirect voorwerp kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan regels voor een haven met historische schepen.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 21

Of het toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel cultureel erfgoed. Werelderfgoed Naast de bescherming van erfgoed via de regels in artikel 5.130, is in artikel 5.131 voorzien in een specifieke regel voor het werelderfgoed. Een Omgevingsplan dient regels te bevatten voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Daarbij geldt dat een ontwikkeling in een betreffende gemeente invloed kan hebben (bijv. hoogbouw) op de universele waarde van werelderfgoed in een omliggende gemeente. Relatie tot ontwikkeling Cultuurhistorie Ter plaatse van het plangebied zijn in het omgevingsplan geen regels van toepassing ter bescherming van het cultureel erfgoed. In de directe omgeving van het projectgebied zijn eveneens geen monumenten of beeldbepalende panden aanwezig waardoor in het kader van de beoogde ontwikkeling hier geen rekening mee dient te worden gehouden. Het plangebied ligt niet in of nabij een beschermd stadsgezicht, dorpsgezicht. Tevens is er plaatse van het plangebied geen sprake van een rijks- of gemeentelijk beschermd monument. Dit aspect vormt zodoende geen randvoorwaarde voor de nieuwbouw huisvesting van het IKC de Giraf. Archeologie Het plangebied kent op basis van het geldende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming.

De archeologische verwachtingskaart van de gemeente Hillegom geeft aan dat het plangebied ligt in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde 8. In dit gebied kunnen archeologische waarden verstoord worden indien de grond wordt geroerd over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm. De grond ter plaatse is reeds geroerd als gevolg van het bestaande schoolgebouw. Als gevolg van de sloopen nieuwbouwontwikkeling zal de grens van 1.000 m2 niet overschreden worden. Daarnaast wordt gekeken of het reeds uitgevoerde bodemonderzoek nog informatie verschaft over de mogelijk verwachte archeologische waarden ter plaatse. Figuur 9. Uitsnede archeologische verwachtings(waarden)kaart.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie, monumenten en archeologie vormt geen randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie. Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 22

DUURZAAMHEID EN NATUURINCLUSIEF BOUWEN Klimaat en energietransitie Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, zie paragraaf 3.1.1.1 van deze GoFlo) zijn de ambities van het Rijk opgenomen die onder andere betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in Nederland. Onderdeel hiervan is het beleidsdoel om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Hiervoor heeft het Rijk de volgende beleidsdoelen:  Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is.  Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen is ervoor gekozen dat het grootste gedeelte van de energieproductie wordt gerealiseerd door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit is uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027.  De energie-infrastructuur wordt geschikt gemaakt voor duurzame energiebronnen.

 De opgave van duurzame energie wordt gerealiseerd met het oog voor de kwaliteit van de omgeving en zo veel mogelijk gecombineerd met een andere functie. Relatie tot ontwikkeling Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 werd de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC en zijn dus ook van toepassing op het voorliggende initiatief. De ambitie van de gemeente Hillegom is om in 2050 energie neutraal en klimaatneutraal te zijn. Energieneutraal betekent volgens de Lokale energiestrategie dat alle energie die binnen de gemeentegrenzen wordt verbruikt, wordt geproduceerd met hernieuwbare energiebronnen. De nieuwe huisvesting wordt gasloos uitgevoerd en op het dak van de school worden PVpanelen geïnstalleerd.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 23

Figuur 10. Plattegrond dakaanzicht met PV-panelen (bron: Paul de Ruiter architects)

Conclusie Het aspect klimaat en energietransitie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 24

ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a.

de regels van hoofdstuk 5;

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De stedelijke ontwikkeling kan niet gekwalificeerd worden als ‘voldoende substantieel’. Aangezien reeds een school aanwezig is in de huidige situatie kan gesteld worden dat hier reeds behoefte aan is. Hierdoor hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen worden. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 25

5

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefmgeving (GoFlo) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie én van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema’s stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt. In 2019 heeft de VNG de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl gepubliceerd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van de eerder genoemde milieuwaarden. In 2022 heeft de VNG een (concept) ‘servicedocument’ en een tabel (bijlage 1 van het servicedocument) als hulpmiddel voor gebruikers van het omgevingsplan beschikbaar gesteld.

Met dit hulpmiddel kan beter worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In het servicedocument zijn drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of bijvoorbeeld geschikt is voor functiemenging. De opties luiden als volgt: 1. Het maken van een inschatting aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur. 2. Het in aanvulling op optie 1 verkrijgen van een indicatie aan de hand van de getransponeerde VNG tabel 2009. 3. Het verkrijgen van duidelijkheid door het uitvoeren van gericht geluid- of geuronderzoek. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de realisatie van een onderwijslocatie, is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het omgevingsplan niet aangewezen als een milieubelastende activiteit. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling staan de gebruiksregels vooral in het omgevingsplan. In het geldende omgevingsplan “gemeente Hillegom” zijn (nog) geen normen vastgesteld ten aanzien van de milieuwaarden op de thema’s geluid, geur en licht. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een basisschool, op een locatie waar reeds een basisschool mogelijk is.

De huidige bestemming en daarmee samenhangende milieugebruiksruimte zal met de nieuwbouw niet veranderen. Aangezien de toekomstige situatie nagenoeg gelijk blijft aan de huidige situatie, zal in de toekomstige situatie ook geen sprake zijn van milieuhinder als gevolg van bedrijven en zullen de huidige omliggende woningen geen extra hinder ondervinden van de school.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 26

Daarnaast is door Peutz onder andere de geluidsbelasting van de technische installaties op de dichtstbijzijnde woningen onderzocht (zie bijlage 2). Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting op de gevels van deze woningen maximaal 40 dB bedraagt en daarmee voldoet aan de standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Onderzoek naar stemgeluid van spelende kinderen wordt niet zinvol geacht aangezien de nieuwe situatie beter wordt dan de huidige situatie. Zo worden de speelplaatsen langs de Guido Gezellelaan smaller en anders ingericht. Daarnaast verplaatst een deel van het spelen van de kinderen zich richting het trapveldje, aan de oostzijde van het perceel van de school. Conclusie Het aspect Activiteiten en Milieuzonering / Milieuwaarden vormt geen belemmering voor de nadere uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling.

BODEM EN ASBEST Algemeen Asbest is een verzamelnaam voor zes in de natuur gevormde mineralen met een vezelstructuur, namelijk: actinoliet, amosiet, anthofylliet, chrysotiel, tremoliet en crocidoliet. Asbest is in het verleden veel toegepast in onder andere isolatieplaten, dakbedekking en afvoerbuizen. Als de microscopisch kleine vezels worden ingeademd, kan asbest kanker veroorzaken. Vanaf 1 januari 1994 geldt er een verbod op de toepassing van asbest. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de relevante regels rondom asbest in bouwwerken opgenomen. Voor objecten geldt het Bbl niet. De bepalingen voor objecten (bijvoorbeeld personenauto’s of vaartuigen) zijn terug te vinden in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor bouwwerken die gebouwd zijn voor 1 januari 1994 dient op basis van artikel 7.9 Bbl een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld, zodat bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden dat in het bouwwerk zich asbest of een asbesthoudend product bevindt. Voor het slopen van (een gedeelte van) een bouwwerk waarbij ook asbest wordt verwijderd, is het doen van een sloopmelding noodzakelijk (artikel 7.10 Bbl). De sloopmelding dient tenminste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te worden gedaan. In uitzonderingsgevallen bedraagt deze termijn tenminste een week, zie hiervoor artikel 7.10 lid 2 Bbl.

Relatie tot ontwikkeling Er worden werkzaamheden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat vóór 1 januari 1994 is gebouwd. Op 23 februari 2024 is door onderzoeksbureau IDDS een asbestinventarisatierapport opgesteld. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 3 bij deze GoFlo. Hieronder worden de resultaten kort weergegeven. Deze rapportage is tot stand gekomen naar aanleiding van een door IDDS Bouw- en Sloopmanagement BV uitgevoerd asbestinventarisatie onderzoek conform het certificatieschema asbestinventarisatie. Omdat het schoolgebouw in gebruik was ten tijde van het onderzoek zijn er enkele beperkingen opgenomen, welke in een later stadium aanvullend onderzocht moeten worden. Tevens zijn enkele ruimtes in de school niet onderzocht (kantoor en gasmeter) en was de gymzaal in zijn geheel niet toegankelijk. Deze ruimtes dienen, indien deze betrekking hebben tot eventuele werkzaamheden alsnog aanvullend onderzocht te worden. Voor het aantroffen asbesthoudend materiaal geldt, dat momenteel geen sprake is van een voor mens en milieu risicovolle situatie.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 27

Aangetroffen asbesthoudende toepassingen Een kwalitatief overzicht van alle aangetroffen asbesthoudende materialen is onderstaand vereenvoudigd weergegeven. Figuur 11. Samenvatting asbesthoudende toepassingen (bron: IDDS asbestonderzoek),

Opmerkingen:  Indien de aangetroffen asbesthoudende toepassingen betrekking hebben op de uit te voeren werkzaamheden, dienen deze voorafgaand verwijderd of afgeschermd te worden conform geldende asbestwetgeving.  Indien de asbestinventarisatie ouder is dan 3 jaar, dient men voorafgaand aan sanering de rapportage en materialen opnieuw te laten beoordelen.  Het asbestonderzoek geeft een indicatie van de hoeveelheid aangetroffen asbest in et geïnspecteerde bouwwerk of object en kan gebruikt worden voor het doen van de sloopmelding c.q. als aanvulling daarop. Het vormt geen besteks-, offerte aanvraag- of aanbestedingsdocument. Mocht de rapportage als zodanig worden gebruikt, dan is dit geheel ter eigen verantwoording en risico. In onderstaande figuur zijn de specifieke beperkingen opgenomen, welke de Deskundig Inventariseerder Asbest (DIA) ten tijde van de asbestinventarisatie op de projectlocatie heeft opgemerkt. Figuur 12. Redelijk vermoeden tot verborgen asbesthoudende en niet onderzochte onderdelen (bron: IDDS asbestonderzoek).

’

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 28

Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voorafgaand aan de sloop of renovatie van in de tabel genoemde onderdelen. Aanbevelingen Voorafgaand aan de bouwkundige renovatie of sloop van het schoolgebouw dient een aanvullend (destructief) onderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de visuele inspectie op locatie en/of verkregen gegevens is een redelijk vermoeden van verborgen asbesthoudende toepassingen. Onverwacht in aanraking komen met asbesthoudend materiaal levert niet alleen een gezondheidsrisico op maar heeft ook gevolgen tot overschrijding van planning en sloopbudget. Het onderzoek is niet geschikt voor de voorgenomen totaalsloop. Deze rapportage wordt als geschikt aangemerkt voor het voorgenomen doel en beoogde gebruik. Indien het doel en beoogde gebruik wijzigt, dient de geschiktheid van deze rapportage opnieuw beoordeeld te worden. Indien asbesthoudend materiaal verwijderd gaat worden, dient de eigenaar van het bouwwerk een sloopmelding te doen of een vergunning aan te vragen bij de gemeente waarbij een kopie van deze rapportage wordt bijgesloten. De eigenaar is wettelijk verplicht de sanering van asbestbronnen, die vallen in risicoklasse 2 en 2A op te dragen aan een bedrijf, dat in bezit is van het Procescertificaat Asbestverwijdering.

Geadviseerd wordt om asbesthoudende materialen ingedeeld in risicoklasse 1 in geval van verwijdering, eveneens te laten saneren door een Procescertificaat Asbestverwijdering gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Na sanering van asbestbronnen die vallen in risicoklasse 2 en 2A, is het wettelijk verplicht door een geaccrediteerd laboratorium een eindcontrole te laten uitvoeren om te bepalen of de gesaneerde locatie weer veilig te betreden is. Na verwijdering van asbesthoudende materialen die zijn ingedeeld in risicoklasse 1, is het wettelijk verplicht een inspectie uit te laten voeren waarbij vastgesteld wordt dat geen asbest meer waarneembaar is. Indien er voor gekozen wordt geen asbestsanering te laten plaatsvinden, dienen gebruikers van het bouwwerk te worden geïnformeerd over de aanwezigheid van asbesthoudende toepassingen in het bouwwerk. Geadviseerd wordt om een asbestbeheerplan op te laten stellen. In een asbestbeheerplan worden maatregelen vermeld welke de gebouweigenaar dient te nemen om voor de toekomst zonder risico’s het gebruik van dat het gebouw te waarborgen. Tevens worden er eventuele gebruiksbeperkende maatregelen vermeld (zoals niet boren of bewerken) en informatie die bij de gebruikers bekend moet zijn, o.a. wat men moet doen als het asbesthoudend materiaal onbedoeld schade is ontstaan.

Periodiek dient te worden gecontroleerd wat de staat van het asbesthoudende materiaal is, en of maatregelen nodig zijn. Asbesthoudend materiaal dat bij normaal gebruik van het gebouw onverhoopt beschadigd kan worden moet ten minste éénmaal per jaar worden gecontroleerd. Deze controle bestaat uit een visuele inspectie en indien nodig wordt aanvullend de lucht en/of het stof onderzocht. Aan de resultaten worden zonodig acties gekoppeld (saneren of aanpassen van het asbestbeheerplan). Let op: bij asbesthoudende producten die niet meer met een bindmateriaal toegepast zijn, moet periodiek gecontroleerd worden op de verspreiding van asbesthoudend stof. De frequentie van dit onderzoek is afhankelijk van de ernst van de situatie, maar tenminste eenmaal per jaar. Conclusie Het milieuaspect asbest vormt een randvoorwaarde voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 23206.GOFLO

Pagina | 29

Chemische bodemkwaliteit Algemeen De chemische bodemkwaliteit heeft gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Verontreinigingen kunnen het gebruik van een locatie beperken of tot hoge saneringskosten leiden. Het Aanvullingsspoor bodem (bestaande uit de Aanvullingswet bodem, het Aanvullingsbesluit bodem en de Aanvullingsregeling bodem) voegt het thema ‘bodem en ondergrond’ toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Bodemkwaliteit wordt een onderdeel bij een afweging van aspecten van dezoek fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan. Toelaten van een bouwactiviteit (bestaande uit een bodemgevoelig gebouw) op een bodemgevoelige locatie Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit, bestaande uit een bodemgevoelig gebouw, op een bodemgevoelige locatie. De gemeente is daarom verplicht om in het omgevingsplan regels op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Bodemgevoelige locatie Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a.

de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. Bodemgevoelig gebouw Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen. Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1735/documents/23437