1. De Lokale Energiestrategie 1.0.pdf
Tekst van het document
• 3.
We gaan zowel digitaal als fysiek in gesprek
Ervaringen delen
Overal in de gemeente worden ervaringen opgedaan om te verduurzamen. Of het nu gaat om kleinschalige opwek, gedragsverandering of maatregelen om te isoleren voor woningen en bedrijven. We willen die initiatieven verder brengen door ze te delen en deze ervaringen verder te verspreiden.
30
willen we oog houden voor andere belangen die leven in de samenleving en die mogelijk inwoners belemmeren om mee te doen. De communicatie en participatie nemen we, op basis van het nog vast te stellenparticipatiebeleid, integraal mee in het uitvoeringsplan. En tot slot, we willen dat mensen in actie komen om zo met elkaar tot een energie neutrale gemeente te komen. Dit vraagt om een gevarieerde aanpak.
Energieneutraal (ver)bouwen 31
Bron: https://bergenberg-hillegom.nl/interieurblog/binnenkijker-style-magazine-persoonlijk/
4 Verdieping spoor 2: Warmte Warmte heeft het grootste aandeel in het energieverbruik van de gemeente Hillegom. De meeste warmte is bestemd voor de gebouwde omgeving en een klein deel voor de bedrijven en landbouw. In dit hoofdstuk leggen we de nadruk op de gebouwde omgeving, omdat het verbruik van produce-
Door woningen te isoleren en zuinigere apparaten aan te schaffen, kunnen we besparen op ons energieverbruik. Besparen is belangrijk, want energie die we niet gebruiken, hoeft ook niet meer te worden opgewekt of geleverd.
rende bedrijven en landbouw in Hillegom een relatief klein aandeel van de totale warmtevraag heeft (22%) en deze sectoren landelijk aangestuurd worden vanuit het Klimaatakkoord. Het doel is om 15% te besparen op het totale energieverbruik van de gebouwde omgeving in 2030 ten opzichte van 2014. Dit is een besparing op het elektriciteitsverbruik en warmteverbruik samen. Het gaat hier om een netto besparing. Netto energiebesparing is de optelsom van het toegenomen energieverbruik door economische en demografische groei en de bruto energiebesparing door bijvoorbeeld isoleren. In het hoofdstuk ‘Verdieping spoor 4 t/m 6: Elektriciteit’ gaan we in op (het verlagen en duurzaam opwekken van) elektriciteitsverbruik. In dit hoofdstuk focussen we op warmtegebruik in de gebouwde omgeving. Echter hoe meer elektriciteit er bespaard kan worden in de gebouwde omgeving, hoe minder energiebesparing voor warmte nodig is om de doelstelling te behalen (en andersom). Daarom is het goed om te beseffen dat ondanks dat we steeds energiezuinigere huishoudelijke apparaten gebruiken, het in de gebouwde omgeving niet mogelijk is om 15% van het elektriciteitsverbruik te besparen (zie ‘Verdieping spoor 4 en 5: Elektriciteit’). De maximaal mogelijke besparing op elektriciteit ligt lager. Daarom zal er extra bespaard moe-
Figuur 11: Doelstelling met betrekking tot warmte in de gebouwde omgeving
Tegengestelde ontwikkelingen In de komende jaren verwachten we verschillende ontwikkelingen die van invloed zijn op het warmtegebruik in de gebouwde omgeving. Hier hebben we rekening mee te houden bij het bepalen van onze doelen en strategie. We nemen dit ook mee in vervolgonderzoeken en in ons uitvoeringsprogramma.
ten worden op het warmteverbruik. Er moet zo’n 23% ten opzichte van het
Isolatie is niet onbeperkt rendabel
warmteverbruik in 2014 bespaard worden om per saldo een besparing van
De inzet van energiebesparende maatregelen als verbetering van isolatie,
15% in 2030 te bereiken. De doelen op hoofdlijnen zijn te zien in Figuur 11.
dubbel of triple glas en kierdichting zal de warmtevraag verlagen. Echter
32
niet elke woning leent zich even goed voor isolatie (zie onderstaand kader).
energievraag (voor meer informatie, zie onze Transitievisie Warmte). Een
In de gemeente Hillegom zijn ongeveer de helft van de woningen zeer ge-
warmtepomp gebruikt wel elektriciteit, waardoor de totale elektriciteits-
schikt voor isolatie. Verder gebruiken we onze huishoudelijke apparaten
vraag weer toe zal nemen als dit op grote schaal wordt toegepast. Ook een
steeds intensiever. Bovendien bouwen we nog steeds woningen bij. Er zit
warmtenet verbruikt elektriciteit om het water rond te kunnen pompen.
dus wel een grens aan de hoeveelheid energie die we kunnen besparen. De invloed van nieuwe woningen Daarnaast zien we ook tegengestelde ontwikkelingen op het gebied van besparen. Zo is er een woningtekort, waardoor er naar verwachting 1.400 Niet elke woning leent zich even goed voor isolatie Woningen van ná 1995 zijn al zo goed geïsoleerd dat daar weinig extra
woningen worden bijgebouwd de komende jaren, een stijging van bijna 15%.
te besparen valt. De woningen met een bouwjaar vóór 1965 zijn vaak slecht geïsoleerd en lenen zich voor isolatiemaatregelen. Echter, de
Bij nieuwbouw ontwikkelingen passen we instrumenten toe zoals de me-
kosten van vergaande maatregelen zijn bij woningen van deze leeftijd
thode DGO (Duurzame Gebiedsontwikkeling) en de GPR (Duurzaam-
vaak hoog, waardoor de maatregelen op een zeker moment hier niet
heidsprestatie) Gebouw streefwaardes. Als woningen ‘Nul op de Meter’
meer rendabel zijn. Met name de woningen tussen 1965 en 1995 lenen
(NoM) gebouwd worden dan neemt de energievraag door nieuwbouw niet
zich goed voor rendabele isolatie maatregelen. Daar kan tot één derde
toe. Dit type woningen zijn jaargemiddeld zelfvoorziening in hun energie-
van de warmtevraag bespaard worden.
vraag doordat zij standaard zonnepanelen op het dak hebben, soms aangevuld met zonneboilers en in hun warmte zelf voorzien via een warmtepomp. Als de nieuwbouw geen ‘NoM woningen’ betreft, maar bijvoorbeeld
De keuze voor duurzame warmtebronnen
‘Bijna energieneutraal’ (BENG11) zijn, dan neemt de energievraag wel toe.
De keuze voor alternatieve duurzame warmtebronnen (in plaats van de gasgestookte Cv-ketel) heeft ook invloed op de hoeveelheid energie die
De invloed van gedrag
gebruikt wordt. Een hybride warmtepomp kan, mits een huis goed geïso-
Uit onderzoek12 blijkt ook dat bewoners van pas geïsoleerde woningen de
leerd is, het grootste deel van het jaar een woning verwarmen door gebruik
verwarming hoger draaien dan voordat de woning geïsoleerd was. Hier-
te maken van de buitenlucht en elektriciteit. Hierdoor kan een warmtepomp
door wordt een deel van de besparing verkregen uit isolatie weer tenietge-
tot wel drie keer efficiënter zijn dan een Cv-ketel op aardgas. Het installeren
daan. Verder zijn we in de loop van de jaren onze huishoudelijke apparaten
van een (hybride) warmtepomp zorgt dus voor een flinke besparing in de
11
33
Bron: RVO BENG
12
Bron: ‘Thermostaat omhoog in zuinig huis’, NOS, 2015
steeds intensiever gaan gebruiken en neemt het aantal apparaten toe. Ons
flink te isoleren en (hybride) warmtepompen te installeren. Als alle renda-
gedrag is dus een belangrijke factor als het om besparen gaat.
bele isolatiemaatregelen in onze gemeente worden uitgevoerd, zal in ongeveer 55% van de gebouwde omgeving extra isolatie worden toegepast.
Tabel 1: Overzicht kerncijfers energie gebouwde omgeving*
Dit levert ongeveer 40 TJ aan energiebesparing op. Dan zal er ook nog in
Elektriciteit
Warmte
Energievraag gebouwde omgeving
Energievraag 2014
212 TJ
538 TJ
750 TJ
worden om het besparingsdoel van 15% op de totale energievraag voor
Energievraag 2019
229 TJ
495 TJ
724 TJ
2030 te behalen.
-8% (-43 TJ)
-3% (-26 TJ)
30% van de gebouwen een hybride warmtepomp geïnstalleerd moeten
Reeds bespaard per toepassing/sector Reeds bespaard in 2019 ten opzichte van 2014
+8% (17 TJ)
Verwachte toename van de energievraag door nieuwbouw Toename energievraag door nieuwbouw in de periode 2019-2030 ten opzichte van 2014
+8% (17 TJ)
+2% (13 TJ)
De alternatieve warmtebronnen, zoals warmtepompen en warmtenetten, leveren warmte van lagere temperaturen dan onze huidige gasgestookte ketels. Om deze warmte optimaal te benutten, is het belangrijk dat we onze woningen optimaal isoleren.
+4% (31 TJ)
Doorkijk na 2030 In het Klimaatakkoord staat dat in 2050 95% van de woningen en gebou-
Energiebesparingsopgave per toepassing/sector Resterende energiebesparingsopgave in de periode 2019-2030 ten opzichte van 2014
- 11% (-24 TJ)
Totaal energiebesparing ten opzichte van 2014
+5% (11 TJ)
- 17% (-93 TJ)
wen van het aardgas af moeten zijn. Er zijn alternatieve manieren om te -16% (-116 TJ)
verwarmen, zoals elektrische warmtepompen, warmtenetten op aardwarmte of duurzaam gas. Het jaar 2050 is ver weg en het is nog te vroeg om te zeggen welke alternatieven in Hillegom een rol gaan spelen. Wel
-23% (-123 TJ)
-15% (-112 TJ)
*Getallen gebaseerd op klimaatmonitor. De getallen in klimaatmonitor zijn niet geheel consistent als het gaat om totalen en per categorie, waardoor er verschillen kunnen optreden met klimaatmonitor.
Maatregelen tot 2030
weten we dat het een combinatie van meerdere bronnen gaat worden en dat het te ambitieus is om voor 2030 op grote schaal warmtenetten aan te leggen. Lees meer hierover in de Transitievisie Warmte en de Bijlage: Energiescenario’s voor 2030 en 2050.
Als we het besparingsdoel van 15% ten opzichte van 2014 willen behalen
(Hybride) warmtepompen vormen in de periode tot 2030 een goede tus-
zal in de komende jaren ongeveer 93 TJ aan warmte bespaard moeten
senoplossing naar een aardgasvrije gebouwde omgeving, omdat het de
worden in de bestaande gebouwen (Tabel 1). Dit kunnen we bereiken door
weg openlaat naar de toekomst voor 100% duurzame warmte, hetzij met een warmtepomp of een warmtenet. Ook zullen we in de periode na 2030 verder gaan met besparen door meer isolatiemaatregelen toe te passen.
34
Duurzame Mobiliteit
35
5 Verdieping spoor 3: Mobiliteit Mobiliteit is goed voor één vijfde van de energievraag in Hillegom. Op dit
Duurzame mobiliteit
moment rijdt het merendeel van de auto's, scooters, brommers, vrachtwagens en bussen op fossiele brandstoffen. Er ligt dus nog een flinke opgave
Onder duurzame mobiliteit verstaan we het stimuleren van ‘slimmer’
om in 2050 fossielvrij te worden. Naast duurzaamheid, spelen ook bereik-
verkeer, waarbij meer mensen gebruik maken van deelmobiliteit, het
baarheid, toegankelijkheid en een veilige leefomgeving een belangrijke rol
OV, de (elektrische) fiets of thuiswerken. Op deze manier zijn er minder
op het gebied van mobiliteit. Deze aspecten komen aan bod in onze mobi-
fossiele brandstoffen nodig en kan er dus bespaard worden op het
liteitsvisie.
energieverbruik van de mobiliteit.
Onderdeel van de mobiliteitsvisie is dat we inzetten op duurzame mobiliteit en elektrisch rijden stimuleren. Dit hoofdstuk onderzoekt wat de plannen in de mobiliteitsvisie en de RES-doelstellingen betekenen voor de energievraag van Hillegom. Mobiliteit in 2030
Mobiliteit in 2050 Het jaar 2050 is nog ver weg en de toekomst van mobiliteit is nog onzeker. Het is wel zeker dat er meer elektrisch gereden gaat worden, dit naast ontwikkelingen op het gebied van waterstofauto's en de inzet van biobrand-
Binnen de toepassing mobiliteit wordt vooral ingezet op elektrificatie om
stoffen in zwaar transport, en daarom heeft de ontwikkeling binnen de toe-
van fossiele brandstoffen af te stappen. Een bijkomend voordeel van elek-
passing mobiliteit gevolgen voor de elektriciteitsvraag van de gemeente.
trisch vervoer is dat een elektrische motor efficiënter is dan een verbran-
Maar, wij kunnen als gemeente deze ontwikkelingen vooralsnog niet zelf
dingsmotor, waardoor er per auto ongeveer 60% van de energievraag be-
beïnvloeden. Het aandeel elektrisch vervoer op termijn is onzeker. De ver-
spaard kan worden.
wachting is dat in 2050 het merendeel van het vervoer elektrisch zal zijn en dat huidige bezwaren als een te kleine actieradius er niet meer zullen
De doelen op hoofdlijnen zijn te zien in Figuur 12. Om het 11% besparingsdoel te halen zal ongeveer een derde (33%) van het verkeer in 2030 elektrisch moeten rijden in onze gemeente. De verwachting is dat in Nederland in 2030 al 25 tot 30% van het verkeer elektrisch is (RHDHV-prognose). Om er zeker van te zijn dat de doelstelling gehaald gaat worden, zetten we niet alleen in op elektrisch rijden, maar ook op duurzame mobiliteit.
36
zijn.
In Figuur 13 is de prognose van het mobiliteitsverbruik te zien voor 2030 en 2050. Zoals te zien is het doel om 11% te besparen in 2030 en de verwachting dat het verbruik met wel 36% kan dalen richting 2050. Dit betreft een inschatting. De toekomst blijft onzeker.
Figuur 12: Doelstelling LES voor mobiliteit
Verder zullen hernieuwbare gassen (waterstof, biogas) eerst in de industrie worden ingezet, voordat mobiliteit aan bod komt. Daarnaast wordt een toename van het totaal aantal gereden kilometers op jaarbasis verwacht. Prognoses lopen uiteen, maar een groei wordt verwacht. Verder zal de bevolking groeien en daarmee ook de vraag naar mobiliteit. Door ‘slimmer’ verkeer zal een deel van de groei beperkt worden doordat mensen gebruik maken van het OV of de elektrische fiets. Een deel zal bespaard worden, doordat mensen meer thuis blijven werken en daardoor het aantal zakelijk gereden kilometers afneemt. Het effect van deelauto’s op de energievraag zal klein zijn, omdat de verwachting is dat het totaal aantal gereden kilometers in de gemeente daardoor nauwelijks afneemt.
37
Figuur 13: De afname van het energieverbruik door mobiliteit door het toenemende aandeel elektrisch vervoer. Elektrische motoren zijn een stuk efficiënter dan fossiele brandstof motoren. Hernieuwbare brandstof: Groene waterstof en duurzame biobrandstoffen.
Elektrificatie van de energievraag
38
21%* meer stroomverbruik in 2030 *t.o.v. 2019
6 Verdieping spoor 4 en 5: Elektriciteit Elektriciteit is de meest veelzijdige en complexe toepassing. Hoe de vraag
Verandering van het energiesysteem
naar elektriciteit zich ontwikkeld wordt voor een groot deel bepaald door ontwikkelingen op het gebied van warmte en mobiliteit. In vergelijking tot warmte en mobiliteit heeft elektriciteit ook grote zichtbare invloed op onze omgeving. Niet alleen het aanzicht van onze daken veranderd door het plaatsen van zonPV panelen maar juist ook de grootschalige vormen van wind en zon hebben een grote invloed op ons landschap. In dit hoofdstuk wordt in verschillende stappen toegelicht wat er met de vraag naar en aanbod van elektriciteit zal gebeuren en wat ervoor nodig is om binnen de grenzen van de gemeente te voorzien in de al maar toenemende vraag naar elektriciteit.
De energievoorziening zoals we die nu kennen zal drastisch gaan veranderen. Nu wordt voornamelijk aardgas gebruikt voor de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving, landbouw en industrie. Daarnaast wordt voor meer dan 90% benzine, diesel en LPG gebruikt als brandstof in auto’s, vrachtwagens en ander vervoer. Tot slot, wordt er elektriciteit gebruikt voor apparaten en verlichting. In de toekomst zal dit veranderen. Allereerst gaan we besparen op onze warmte-, mobiliteit- en elektriciteitsvraag. Daarnaast gaan we minder fossiele brandstoffen gebruiken doordat we steeds meer woningen gaan verwarmen met elektrische warmtepompen of warmtenetten, en doordat het aandeel elektrische voer- en vaartuigen toeneemt. Al
Als eerst kijken we op hoofdlijnen naar het hele energiesysteem en de in-
met al, gaat de totale energievraag afnemen door besparingen, terwijl de
vloed van mobiliteit en warmte op de elektriciteitsvraag. Vervolgens be-
vraag naar elektriciteit zal toenemen. In Figuur 14 op de volgende pagina
schrijven we hoe de elektriciteitsvraag zich gaat ontwikkelen richting 2030
is deze verandering schematisch zichtbaar gemaakt.
en 2050. Daarna belichten we de opwek van duurzame elektriciteit. Daarbij kijken we naar de prioritering van verschillende mogelijkheden voor duurzame elektriciteitsproductie in de gemeente Hillegom en we beschrijven de mogelijkheden van zonnepanelen op daken. Vervolgens benoemen we de mogelijkheden voor grootschalige opwek met zonnepanelen of windturbines en de stappen die we nog moeten zetten om mogelijkheden te kunnen realiseren. Als laatste kijken we naar de impact op het elektriciteitsnet. Wat daarbij een belangrijke rol speelt en wanneer knelpunten kunnen optreden. Ook komt daarbij energieopslag en het op elkaar afstemmen van de vraag naar en het aanbod van elektriciteit aan de orde.
39
Figuur 14: Verandering van het energiesysteem in Hillegom (De grootte van de cirkels geeft het energieverbruik per toepassing weer, nu en in de toekomst. De doorgetrokken lijn geeft de huidige situatie aan, de stippellijn de toekomstige situatie)
40
Verwachte besparing elektriciteitsgebruik in huishoudens is laag
Toenemende elektriciteitsvraag tot 2050
Er kan bespaard worden op elektriciteitsverbruik door huishoudelijke appa-
De huidige elektriciteitsvraag was al goed voor een kwart van de totale
raten te vervangen door apparaten met zuinigere energielabels en door
energievraag van de gemeente. Figuur 15 laat de verwachte elektriciteits-
ons gedrag en/of ons gebruikspatroon aan te passen.
vraag zien voor 2030 en 2050. Zoals te zien is in de figuur neemt de elek-
Maar aan energie besparen zit een grens. Allereerst is er een technisch limiet aan het verbeteren van efficiëntie. Daarnaast zien we dat aan de ene kant het elektriciteitsverbruik van bijvoorbeeld een wasmachine is gehalveerd in de afgelopen tien jaar, maar aan de andere kant is het elektriciteitsgebruik in onze huishoudens niet afgenomen. Dit is te verklaren door een toename van onze welvaart. We gebruiken onze huishoudelijke apparaten intensiever en het zijn er meer. Te denken valt aan grotere smartphones en snellere laptops.
triciteitsvraag toe met 21% in 2030 en tot wel 48% in 2050 (ten opzichte van 2019). De stijging komt met name doordat er meer elektrisch gereden gaat worden, doordat we onze huizen elektrisch gaan verwarmen en doordat we meer elektrisch gaan koken. Ook een warmtenet verbruikt elektriciteit om het water rond te kunnen pompen. Wel is er een lichte daling te zien in het elektriciteitsverbruik uit huishoudelijke apparaten doordat apparaten zuiniger worden. Een belangrijke factor blijft dat wij allemaal ons gedrag moeten aanpassen om nog spaarzamer met energie om te gaan.
In totaal wordt er een daling verwacht van 7 tot 14% van het ‘normale’13 elektriciteitsverbruik tot 2030 door strengere eisen aan energielabels van apparaten en doordat het bezit van grotere apparaten steeds minder snel toeneemt14. Doordat we onder andere meer elektrisch gaan koken, zal het elektriciteitsverbruik weer met 5 tot 8% toenemen. De potentie om te besparen op elektriciteitsverbruik in woningen is hierdoor per saldo laag, zo’n 5%. In utiliteitsgebouwen is de potentie hoger omdat hier de vraag naar elektriciteit nauwelijks meer toeneemt.
Hiermee wordt het elektriciteitsverbruik bedoelt voor toepassingen waar men het ‘normaal’ gezien voor gebruikt. Dus verlichting en elektrische apparaten in het huis. Dat is exclusief elektriciteitsverbruik voor (hele woning) verwarmen en elektrisch rijden. 13
12
Bron: Klimaat en Energieverkenning’ (KEV) van het PBL, 2021.
41
Figuur 15: Het elektriciteitsverbruik in Hillegom in 2019, 2030 en 2050. Het elektriciteitsverbruik neemt toe doordat we meer elektrisch gaan rijden en verwarmen
Als eerste willen wij onze daken zo goed mogelijk benutten door zonnepa-
Prioritering opwek duurzame elektriciteit Uit gesprekken met inwoners, ondernemers, belangenorganisaties van de gemeente Hillegom is het beeld ontstaan over hoe wij in de gemeente willen voorzien in de vraag naar duurzame elektriciteit. Het gaat daarbij om de productie van elektriciteit met zonnepanelen en met windturbines. Het beeld is verschillend, er zijn voor- en tegenstandstanders van zowel wind als zonnepanelen. Toch is er overeenstemming over de volgorde waarop wij met z’n allen willen toewerken naar meer duurzame elektriciteit. Beginnend bij kleinschalige opwek rondom huis, en toewerkend naar grootschalige duurzame opwek. We zien de volgende prioritering:
nelen op schuine en platte daken te plaatsen bij woningen en bedrijven. We benutten zo de mogelijkheden die er nu al zijn zonder dat dit een grote invloed heeft op ons gebruik van ruimte. Daarbij houden we ook rekening met onze wens om meer groene daken te hebben (biodiversiteit, klimaatadaptatie) en het inzetten van zonneboilers op daken voor de productie van warm tapwater. Daarnaast is het niet de verwachting dat alle daken die geschikt zijn volledig belegd worden met zonnepanelen. Dit komt doordat men vaak alléén opwekt wat men zelf over het jaar bezien nodig heeft. De huidige Salderingsregeling gaat overproductie van zonPV bij woningen tegen.
1. Zonnepanelen op daken, groot- en kleinschalig 2. ZonPV-velden a. langs infrastructuur b. in het buitengebied 3. Windturbines
Ten tweede vinden wij het belangrijk om zonnepanelen panelen waar mogelijk te combineren met onze infrastructuur. Daarbij wordt gedacht aan de plaatsing van panelen langs de spoorlijn. Vervolgens laten zonnepanelen zich ook toepassen boven parkeerplaatsen, zo zijn het station, sportcentrum De Vosse en sportvelden De Zanderij genoemd.
42
Figuur 16: Prioritering duurzame elektriciteitsopwekking
serieuze aandacht. Dit kan kleinschalig (minder dan 15 kWp) zijn op bijvoorbeeld daken, op een iets grotere schaal bij bedrijven (onder 1 MW, zoals een bouwblok landbouw en op bedrijventerreinen) en op zeer grote schaal zoals die nu gangbaar is bij windparken (3 tot 4 MW). Bij voorkeur wordt windenergie ruimtelijk gecombineerd met zonnepanelen. Dit is niet alleen gunstig voor het optimaal benutten van de beschikbare netcapaciteit maar maakt ook dat het ruimtebeslag beperkt blijft. Hillegom kent ook een prioritering langs de lijn van ruimtegebruik. Als eerste wordt alleen die ruimte gereserveerd voor duurzame energie waarop geen ander (toekomstig) beslag wordt gelegd. Voorrang wordt gegeven aan ruimte voor wonen, werken en natuur. Het omgevingsplan zal hier nadere invulling aan gegeven. Daarnaast willen we de beschikbare ruimte in de bebouwde kom (daken, langs infrastructuur, parkeerplaatsen) zo goed en zo multifunctioneel moFiguur 17: Voorbeeld van zonnepanelen langs infrastructuur
gelijk benutten. Vervolgens wordt een beroep gedaan op het gebruik van ruimte in het buitengebied, hierbij ligt onze eerste focus op incourant ge-
Zonnevelden langs infrastructuur
worden delen van bollenvelden. Deze focus maakt dat de mogelijkheden voor grootschalige productie duurzame elektriciteit in Hillegom beperkt zijn.
Langs infrastructuur zoals de spoorlijn is veel onbenutte ruimte waar zonnepanelen geplaatst kunnen worden, zodat het goed in het land-
Tot slot zal de uitwerking van prioritering van de opwek van duurzame elek-
schap past. In Hillegom is er circa 6 ha (circa 19 TJ) ruimte langs in-
triciteit ook worden bepaald door externe factoren zoals: de beschikbaar-
frastructuur.
heid van voldoende netcapaciteit, de aantrekkelijkheid van de geboden mogelijkheden voor investeerders en energie coöperaties om over te gaan
Ten derde worden zonne-energie velden als optie gezien (bijvoorbeeld op incourant15 geworden delen van bollenvelden1). Ook windenergie verdient
15
43
tot investeren, de beschikbaarheid van subsidies en het daadwerkelijke
draagvlak voor lokale initiatieven bij inwoners en bedrijven. Voor meer informatie over hoe deze en andere factoren een rol spelen, in de vergelijking tussen wind- en zonne-energie, zie het afwegingskader in de Bijlage: Afwegingskader grootschalig wind en zon. De uitwerking van deze prioritering is als volgt:
Potentie zonPV op daken Alles wat op daken kan worden opgewekt, hoeft niet meer in het landschap te gebeuren (dubbel ruimtegebruik). Figuur 18 (op de volgende pagina) laat de verwachte elektriciteitsvraag zien voor 2030 (grijze kolom) en 2050 (licht grijze kolom). Ook de huidige elektriciteitsvraag is te zien (donkergrijze kolom). Het laat ook zien hoeveel er in 2019 duurzaam op daken werd opgewekt (groene kolom).
Zonnepanelen op daken Alles wat op daken kan worden opgewekt, hoeft niet meer in het landschap te gebeuren. Met zonnepanelen op daken kan in 2030 circa 111 TJ en in 2050 circa 260 TJ aan elektriciteit worden opgewekt.
44
Potentie zon op dak tot 2030, spoor 4
Bij de potentie ‘zon op dak’ is uitgegaan van de daken van woningen en
In 2020 is de hoeveelheid zon op dak inmiddels doorgegroeid tot 37 TJ.
bedrijven. Daarbij is ook rekening gehouden met de verwachte nieuwbouw
Daarnaast laat Figuur 18 zien wat de potentie is van elektriciteitsopwekking
in deze twee categorieën. Het doel voor 2030 voor Hillegom is bepaald
op daken in 2030 en 2050 (geel en paars gearceerde kolommen). Als laat-
naar rato van het inwonertal van Hillegom ten opzichte van de doelstelling
ste is het doel voor duurzame elektriciteitsopwekking in 2030 te zien
voor de gehele RES-regio Holland Rijnland (zie ook ‘van ambitie naar doel-
(blauwe kolom).
stellingen’). Zoals te zien in Figuur 18 is de potentie zon op dak in 2030 niet voldoende om onze doelstelling te halen. De verwachting is dat circa 70% van de doelstelling in 2030 op daken kan worden opgewekt. De resterende 30% zal door zon langs infrastructuur, zonPV-velden en/of windturbines moeten worden opgewekt om het doel voor 2030 te behalen.
Potentie zon op dak tot 2050 In 2050 nemen de elektriciteitsvraag en de potentie16 zon op dak verder toe. De potentie neemt toe omdat niet alle daken (die geschikt zijn) tegelijk belegd zullen worden met zonnepanelen. Naarmate de tijd vordert zullen zonnepanelen ook
Figuur 18: Overzicht elektriciteitsverbruik, doelstelling en opwek zon op dak 2019-2030-2050
Bronnen: 1) ‘Ruimte voor zonne-energie in Nederland 2020 – 2050’, Holland Solar, 2015. 2) ‘Het potentieel van zonnestroom in de gebouwde omgeving van Nederland’, PBL & DNVGL, 2014 16
45
3) ‘Factsheet: Zon-pv en wind op land’, NPRES, 2019
steeds betaalbaarder worden, en daardoor meer toegepast. Ook zullen er
Wat verwachten we van innovaties?
technische verbeteringen17 zijn op het gebied van zonnepanelen, denk daarbij aan (lichtgewicht) zonnepanelen in gevels en ramen en zonnepa-
In het onderzoek van TNO (zie voetnoot) worden verschillende innova-
nelen dakpannen en aan verbeterd rendement van zonnepanelen in het
ties benoemd op het gebied van zonne-energie. Denk hierbij aan ho-
algemeen. Deze factoren dragen er allemaal aan bij dat er meer zonne-
gere rendementen van zonnepanelen, dunnere en lichtere zonnepane-
energie opgewekt kan worden.
len, etc.
Naar verwachting zal circa 51% van de totale elektriciteitsvraag van Hille-
Ondanks dat innovaties bij zullen dragen aan meer opwek uit zonne-
gom in 2050 met zonnepanelen bij woningen en bedrijven kunnen worden
energie, is het niet de verwachting dat er significant meer potentie zal
opgewekt. Dat laat nog een behoorlijke opgave (49%) over voor grootscha-
zijn op de korte termijn. Dit komt omdat nieuwe ontwikkelingen relatief
lig zon en wind in het buitengebied en langs infrastructuur in 2050.
duur zullen zijn ten opzichte van de huidige en nog steeds verbeterende, zonnepanelen. Daarnaast spelen er nog andere factoren een rol waarom er wel of niet
Nauwe samenwerking met netwerkbeheerder
meer zonnepanelen op daken terecht zullen komen. Zo spelen de ge-
Er moet in nauw overleg met de netwerkbeheerder Liander worden
schiktheid van het dak, de welwillendheid van woningeigenaren, de be-
samengewerkt om de uitbreiding van zowel de vraag als het aanbod
taalbaarheid van zonnepanelen en het feit dat men over het algemeen
van elektriciteit mogelijk te maken.
niet meer opwekt dan men zelf nodig heeft, allemaal een rol in waarom niet al het ‘beschikbare’ dakoppervlak vol gelegd zal worden met zonnepanelen.
17
46
Bron: ‘Zonpositief: zonne-energie op weg naar impact’, TNO, maart 2021
Resterende elektriciteitsopwek Om de doelstellingen voor 2030 en daarna 2050 te behalen is meer elek-
wenselijk. Wat er moet gebeuren om dit ruimtelijk in te passen in de gemeente Hillegom wordt hierna nader toegelicht.
triciteit opwekking nodig dan er mogelijk is met ‘zon op dak’. Hoeveel dat precies is hangt af van hoeveel zonnepanelen er daadwerkelijk op daken geïnstalleerd worden.
Resterende elektriciteitsopwekking in 2030, spoor 5 Het verschil tussen het doel (159 TJ) en de verwachte potentie uit ‘zon op dak’ (111 TJ) in het jaar 2030 is 48 TJ. Dit komt overeen met circa 15 ha zonPV-velden óf 1 grote windturbine van 4 MW.
Resterende elektriciteitsopwekking in 2050 In 2050 is de potentie ‘zon op dak’ groter, maar tegen die tijd is ook de opgave een stuk groter ten opzichte van de tussentijdse doelstelling voor 2030. In 2050 moet 100% van de benodigde elektriciteit duurzaam worden opgewekt. Volgens de huidige inschattingen van de elektriciteitsvraag en de potentie zon op dak is er dan nog circa 199 TJ18 extra aan duurzame energie nodig (ervan uitgaande dat het doel in 2030 is behaald). Dat komt overeen met circa 61 ha zonPV-velden óf 4 windturbines van 4 MW. In totaal zijn tussen nu en 2050 óf 76 ha zonPV-velden óf 5 windturbines nodig om dan energieneutraal te zijn. Het meest waarschijnlijke is een mix van zowel wind- als zonne-energie. Voor het elektriciteitsnet is een mix van deze twee bronnen het meest voordelig. Door zowel wind- als zonne-energie toe te passen ontstaat er meer balans op het elektriciteitsnet. Dit is
199 TJ = 247 TJ (gat tussen elektriciteitsvraag 2050 en potentie zon op dak) – 48 TJ (gat tussen doelstelling voor 2030 en potentie zon op dak) (zie Figuur 17). Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het doel voor 2030 behaald wordt. Er is dan al 48 TJ aan grootschalige opwek 18
47
Figuur 19: Voorbeeld van 10 ha zonneveld met ruim 23.000 panelen op Ameland (bovenste foto) en voorbeeld van 4 MW turbine (onderste foto).
Wat kan er met zon en wind? Het inpassen van grootschalige opwek is een complex vraagstuk. Het is een stevige afweging tussen huidig en toekomstig ruimtegebruik en de waarde van bepaalde typen landschappen. Er moet rekening worden gehouden met wettelijke mogelijkheden en belemmeringen in de praktijk (zoals aantrekkelijkheid voor investeerders, wensen van inwoners).
Het fysieke ‘ruimtegebruik’ van windturbines is een stuk kleiner dan van zonnepanelen. Er is fysiek gezien alléén ruimte nodig voor de fundering van de mast, een toegangsweg en een kraan opstelplaats. Dit is ongeveer 0,1 ha. Desondanks is de ruimtelijke impact van een windturbine aanzienlijk. Dit heeft te maken met de hoor- en zichtbaarheid (slagschaduw en veiligheidsverlichting) en de verschillende wettelijke beperkingen en veiligheidszones waaraan voldaan moet worden. Deze wettelijke beperkingen
Behoud van landschap en toerisme
en veiligheidszones worden nader toegelicht in de Bijlage: Ruimtelijke bel-
Behalve de wettelijke ruimte voor duurzame energieopwekking kijken we
emmeringen wind en zon.
ook naar onze uitgangspunten (zie Bijlage: Uitgangspunten LES gemeente Hillegom) en het vastgestelde beleid (zoals, de Omgevingsvisie).
In Figuur 20 is te zien welke ruimte er over blijft als alle gebieden met wettelijke beperkingen worden uitgesloten.
In de gemeente Hillegom wordt het grootste gedeelte van de landbouwgrond gebruikt voor de bollenteelt. Aan deze wijze van landgebruik wordt een hoge waarde toegekend. Daarom staan we allen open voor initiatieven voor duurzame energieopwekking in de ‘Duurzame Bloementuin’, tijdelijk en op incourant geworden percelen van bollengronden en moeten deze initiatieven voor goedkeuring worden voorgelegd aan de gemeenteraad, als het geen zonnepanelen op daken betreft of initiatieven op en rond infrastructuur. Wij hebben in onze uitgangspunten ook aangegeven dat de ‘Hollandse Weides’ worden uitgesloten als zoekgebied voor zonneweides en windturbines. Wettelijke beperkingen voor windturbines Als eerste is er gekeken naar de ‘wettelijk’ beschikbare ruimte voor grote windturbines. Windturbines zijn verbonden aan een aantal wettelijke beperkingen met betrekking tot de locatie ervan. Denk hierbij aan geluidshinder, veiligheidseisen, slagschaduw, natuurgebieden etc.
48
Deze kaart is gemaakt voor het Nationaal Programma RES 19. In de figuur
gemeente Lisse en biedt (samen met Hillegom) plaats voor circa drie wind-
is onze gemeente te zien, met daarin een aantal lichtgroene gebieden (nr.
turbines (waarvan één binnen de gemeentegrenzen van Hillegom).
1 tot en met 4) aangegeven waar wettelijk gezien wel ruimte is voor windturbines. Dit geeft een beeld van de mogelijkheden. Voorafgaand aan realisatie van een of meer windturbines moet altijd verdiepend onderzoek gedaan worden naar milieueffecten. Niet alle gebieden zijn even kansrijk. Het meest kansrijke gebied is nr. 4. Dit gebied loopt namelijk door tot in de
De overige gebieden zijn minder kansrijk. Dit zijn kleine gebieden waar (bij alle drie de gebieden samen) voor maximaal twee windturbines ruimte is. Dit is voor initiatiefnemers minder interessant dan een aantal windturbines tegelijk. In totaal passen er wettelijk gezien binnen de gemeentegrenzen van Hillegom drie windturbines. Initiatief vanuit de Bollenstreek, spoor 5 LTO20 en Stichting Greenport Duin en Bollenstreek hebben het initiatief genomen om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor de productie van duurzame energie, waaronder zonnepanelen en kleine tot middelgrootte windturbines in de bollenstreek om zo te kunnen voorzien in de vraag naar elektriciteit van de lokale agrarische bedrijven. De resultaten van het onderzoek zijn nog niet bekend, maar vermoedelijk is het mogelijk om 10 tot 20 kleinere windturbines met een ashoogte kleiner dan 100 m te
3 2 1
plaatsen (in de hele bollenstreek, niet alleen in Hillegom), met een gezamenlijk vermogen tot circa 5 MW (afhankelijk van het daadwerkelijk gekozen vermogen). Daarmee zou circa 45 TJ elektriciteit opgewekt kunnen
4
worden (9% van de elektriciteitsvraag van 2050). Zo kan niet alleen het verbruik van de agrarische sector verduurzaamd worden maar wordt ook een bijdrage geleverd aan het verduurzamen van de gemeente.
Figuur 20: Potentiële locaties voor windturbines (nog nader te onderzoeken)
19
Bron: https://www.regionale-energiestrategie.nl/bibliotheek/b+elektriciteit/analysekaarten++factsheets/1568843.aspx?t=Analysekaarten 20
49
Voor meer informatie zie: LTO & Greenport
Voorkeurslocatie zonPV-velden langs infrastructuur, spoor 5 Tijdens participatiesessies met inwoners en bestuurders is de voorkeur uitgesproken om hernieuwbare energieopwekking langs bestaande infrastructuur te plaatsen. Daarom is er in deze analyse ook gekeken wat de mogelijkheden daarvoor zijn. In Hillegom zijn er verschillende infrastructuren waar combinatie met duurzame opwek mogelijk is. Er is mogelijk ruimte naast/op de volgende stukken infrastructuur of gebouwen (zie Figuur 21 ): ◼
Langs de spoorlijn (4,2 km)
◼
Boven het station en haar parkeerplaats
◼
Bij sportcentrum De Vosse en de sportvelden bij De Zanderij, parkeerplaatsen en gebouwen
Alles bij elkaar opgeteld is er circa 6 ha ruimte ingeschat voor zonnepanelen langs infrastructuur. Binnen deze ruimte zou bijna 40% van de resterende grootschalige opgave in 2030 (15 ha) kunnen worden gerealiseerd en 8% van de resterende eindopgaven van 76 ha zonPV-velden voor 2050. Dit betreft een eerste inschatting. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen
Figuur 21: Ruimte zonnepanelen langs infrastructuur
wat de daadwerkelijke ruimte voor zonnevelden (of stroken) langs infrastructuur is.
Wettelijke beperkingen zonPV-velden Voor zonne-energie gelden er veel minder wettelijke beperkingen dan voor windenergie. Wel is het ruimtebeslag van zonPV-velden in verhouding een stuk groter dan van een windturbine. Voor dezelfde hoeveelheid energie die door 1 windturbine kan worden opgewekt (58 TJ) is circa 15 ha of 23
50
voetbalvelden aan zonPV-veld nodig. Er moet dus zorgvuldig bekeken wor-
Als er geen windturbine geplaatst wordt, dan is er circa 15 ha aan zonPV-
den waar de zonPV-velden wenselijk zijn, gezien de verschillende land-
velden nodig. Met de huidige inzichten en beleidsmatige beperkingen is dit
schappen die er in Hillegom aanwezig zijn.
momenteel net niet haalbaar: er is slechts 11 ha (circa 75% van resterende
Zo zijn de Hollandse Weides (alle weilanden) in de gemeente Hillegom uitgesloten voor duurzame energie opwek in onze omgevingsvisie. Hierdoor is er op dit moment geen ruimte op weilanden voor grootschalige zonPVvelden. Wel heeft de gemeende in dezelfde omgevingsvisie aangegeven dat zonnevelden (of ‘zonne-akkers’) tijdelijk geplaatst mogen worden op
opgave voor 2030) ruimte binnen de gemeente Hillegom voor zonnevelden en -akkers (op incourante bollenvelden), of zon langs infrastructuur.
Met één windturbine en vol inzetten op zonnepanelen op daken kan de doelstelling van 159 TJ duurzame elektriciteit in 2030 behaald worden.
incourante percelen van de bollenvelden. Op dit moment is er geen exacte definitie van een ‘incourant’ perceel. Ook is het niet bekend hoeveel incourante bollenvelden er zijn. Doorkijk richting 2050 Grootschalig opwekken met zon en wind, spoor 5
Figuur 22 geeft een schematische weergave van de ruimtelijke impact van
Wettelijk gezien is er voldoende ruimte voor grootschalig wind en zon om
de doelen op de gemeente Hillegom. Als het lukt om richting 2050 alle wet-
de doelstellingen voor 2030 en 2050 te behalen. Het huidig beleid vormt
telijk beschikbare ruimte voor windturbines te benutten (3 windturbines in-
echter wel nog een barrière om de doelstellingen voor duurzame energie-
stalleren tussen nu en 2050, oftewel +173 TJ), en de huidige inschatting
opwekking van 2030 en 2050 te behalen. Er moet nader onderzoek gedaan
voor zon op dak wordt behaald (+260 TJ), dan is er nog 74 TJ (23 ha,
worden om te kijken waar er extra ruimte is of kan ontstaan binnen de ge-
tussen nu en 2050) grootschalige opwek met zonPV-velden nodig. Om dit
meentegrenzen van Hillegom.
voor elkaar te krijgen is meer onderzoek nodig en moeten wij ons beleid
Gebruik van zonPV-velden en windturbines voor 2030 Met de plaatsing van één windturbine kan een opbrengst van circa 58 TJ worden gerealiseerd. Hiermee kan de resterende opgave voor 2030 (48 TJ = 159 TJ – 111 TJ) volledig worden behaald. In dat geval is er geen grootschalige opwek met zonPV-velden meer nodig.
51
opnieuw tegen het licht houden.
De ideale verdeling tussen wind en zon Er is behoorlijk wat keuzevrijheid tussen windturbines en zonnevelden met elk z’n eigen voor- en nadelen. Een ‘optimale’ verdeling tussen zonne- en windenergie ziet er voor het elektriciteitsnetwerk anders uit dan voor het landgebruik. Verder onderzoek is nodig om te bepalen wat voor Hillegom de meest ‘optimale’ of meest ‘wenselijke’ verdeling is.
Figuur 22: Schematische weergave van de impact van de doelen op de ruimtelijke verdeling van gemeente Hillegom (linksboven in de figuur). Hierin stelt elk blokje 50 ha voor. Naast de schematische weergave van de gemeente is het ruimtegebruik van wind- en zonne-energie te zien in 2030 en 2050 als alle doelstellingen worden behaald.
52
Wat is de impact op het elektriciteitsnet De volgende vraag gaat over de capaciteit van het huidige elektriciteitsnet-
plaats van één grote energieproducent, allemaal mini-energieproducenten die op allemaal verschillende plekken (decentraal) energie opwekken.
werk, zowel de vraag- als de aanbodzijde. Meer elektriciteitsvraag en de
Deze analyse is gebaseerd op de bevindigen van RES 1.0 over de
decentrale opwek belasten beiden op een andere manier het netwerk. Hoe
aanbodzijde en op informatie van Liander die is aangereikt in het kader van
klein- en grootschalige opwek van elektriciteit en een toenemende vraag
de TVW m.b.t. de vraagzijde. Omtrent de netinpassing is de bijlage21 bij de
door warmtepompen en elektrisch rijden in het elektriciteitsnet passen is
RES 1.0 leidend.
een vraag van netinpassing. In Hillegom is de groei van de elektriciteitsvraag de meest beperkende factor in de energietransitie tot 2030, zeker wanneer in oudere wijken de vraag naar elektriciteit door warmtepompen en elektrische auto's snel gaat toenemen. De netinpassing moet van twee kanten bekeken worden om vast te stellen of, en zo ja, waar er knelpunten ontstaan: De vraagzijde, en de aanbodzijde. Bij de vraagzijde van elektriciteit gaat het letterlijk om de vraag die er is doordat men elektriciteit gebruikt. Bij de aanschaf van bijvoorbeeld een warmtepomp neemt de vraag naar elektriciteit toe. Bij de aanbodzijde gaat het om het aanbod van elektriciteit. Dit was nooit een vraagstuk waar u zich mee bezig hoefde te houden omdat dit voorheen altijd werd verzorgd door grote energiecentrales. Deze produceren op één plek voldoende energie voor duizenden woningen en kantoren. Maar door de opwek van elektriciteit door zonnepanelen en windturbines zijn er nu in
21
53
Bijlage 6.1 Netimpact rapportage RES 1.0 Holland Rijnland’, uitgevoerd door Liander
Vraagzijde
Dit gaat invloed hebben op het tempo waarmee elektrisch vervoer groeit
De netimpact rapportage bij de RES 1.0 laat zien dat de netsituatie in de
en de inzet van warmtepompen toeneemt. Op veel plaatsen in Hillegom is
gemeente nu door de vraagzijde bepaald wordt. In Hillegom is de ruimte
er niet voldoende beschikbare capaciteit in het elektriciteitsnet om grote
voor groei van elektriciteitsvraag beperkt. Dat komt door de beperkte ca-
delen van de bebouwde kom over te laten stappen op individuele warmte-
paciteit van het bestaande netwerk. Deze is nog niet klaar voor op de
pompen, dan moet het net verzwaard worden. Voor meer informatie, zie
enorme groei van de elektriciteitsvraag die de komende decennia gaat
deze paragraaf in de Transitievisie Warmte.
plaatsvinden.
Ook de groeimogelijkheden van woningen en bedrijven kan beperkt worden door de beperkingen van het elektriciteitsnet. In Figuur 23 is een kaart te zien die gemaakt is door Liander over de ruimte voor de toename van de elektriciteitsvraag.
Het elektriciteitsnet heeft niet veel reserve meer voor toename van vraag. Dit maakt dat er tot 2030 beperkte groei mogelijk is voor nieuwbouw, nieuwe bedrijven, E-mobiliteit en warmtepompen.
Aanbodzijde De aanbodzijde van het huidige elektriciteitsnet in Hillegom laat een ander beeld zien. Omdat de omvang van de productie van duurzame elektriciteit in de gemeente in verhouding tot de vraag nu nog relatief klein is, is er tot 2030 nog ruimte voor groei. Wel kunnen er lokaal, op bepaalde punten in het elektriciteitsnet, knelpunten ontstaan.
Figuur 23: Ruimte voor de toename van de elektriciteitsvraag op het elektriciteitsnetwerk in Holland 54 Rijnland
Vroegtijdig contact met Liander voor grote en kleine projecten
de opwek van elektriciteit slecht te sturen. Wind- en zonne-energie veroor-
Bij elk initiatief van een schaalgrootte groter dan 100 kWe, is in een vroeg
zaken pieken en dalen op het elektriciteitsnet. Dat veroorzaakt op zijn beurt
stadium contact met Liander nodig om vast te stellen hoe en of netinpas-
onbalans op het elektriciteitsnetwerk.
sing kan plaatsvinden, welke kosten hiermee gemoeid zijn en op welke termijn aansluiting mogelijk is.
In de toekomst zullen er oplossingen moeten komen om dit groeiende probleem van onbalans op te lossen. Mogelijkheden daarvoor zijn bijvoorbeeld
Daarnaast kunnen ook bij kleinere projecten, zoals zonnepanelen op daken
het sturen en beter op elkaar afstemmen van vraag en aanbod, en opslag
van woningen, knelpunten ontstaan in een wijk of buurt. Dit kan zowel in
van energie met batterijen of via waterstof. De opgeslagen energie kan dan
oude als in nieuwere buurten het geval zijn.
op een later tijdstip worden gebruikt. Zo wordt het elektriciteitsnet weer in balans gebracht. Dit is geen eenvoudig probleem om op te lossen en het
Er valt niet van tevoren te zeggen of er ergens wel of geen ruimte is voor
zal een vraagstuk blijven voor de komende decennia.
(extra) zonnepanelen. Het is daarom verstandig om altijd bij Liander te controleren of er voldoende capaciteit is om zonnepanelen te installeren.
Verwachte aanpassingen in de infrastructuur Vooralsnog, en zeker tot 2030, is het huidige elektriciteitsnet ruimte voor
Als je zonnepanelen wilt installeren, op woning of bedrijf, neem dan altijd vooraf contact op met Liander om te controleren of de panelen aangesloten kunnen worden op het net. Ook als er weinig capaciteit beschikbaar is, kan er een oplossing beschikbaar zijn. Eén van de mogelijke oplossingen is het kunstmatig ‘limiteren’ van de productie van zonnepanelensysteem. Daardoor wordt voorkomen dat er piekmomenten plaatsvinden tijdens de productie van zonnestroom. Wel betekent dit dat de panelen een paar procent minder op zullen leveren op jaarbasis.
groei van de duurzame elektriciteitsproductie in de gemeente. Toch kunnen er op bepaalde plekken in het elektriciteitsnet knelpunten ontstaan. Als in een bepaalde wijk of buurt op grote schaal zonnepanelen wordt geïnstalleerd, elektrisch koken meer ingang vindt en ook elektrisch rijden toeneemt dan ontstaat hier mogelijk een knelpunt op het elektriciteitsnet. Liander gaat de komende jaren de elektriciteitsinfrastructuur in Holland Rijnland uitbreiden om zo in de toenemende groei van de elektriciteitsvraag
Balancering van het elektriciteitsnet, energieopslag
te kunnen voorzien. In Hillegom wordt geen uitbreiding verwacht tot 2030.
Een van de belangrijkste aspecten van netinpassing is de ‘balancering van
Waar en hoe dit zal gebeuren kan gelezen worden in bijlage 6.1 van de.
het net’. Daarmee wordt bedoeld dat het energiegebruik en de opwek op
RES 1.0 van Holland Rijnland22. De uitbreiding van vraag en (grootschalig)
elkaar afgestemd zijn. Door de toepassing van wind- en zonne-energie is
aanbod zal gestaag en in nauw overleg met Liander moeten plaatsvinden. Daarnaast wordt systeemefficiëntie van het elektriciteitsnetwerk belangrijk. Een korte uitleg hierover staat in de Bijlage: Netimpactanalyse.
22
55
Bijlage 6.1 ‘Netimpact rapportage RES 1.0 Holland Rijnland’, uitgevoerd door Liander
BIJLAGEN
56
Bijlage: Energiescenario’s voor 2030 en 2050 Warmte energiescenario’s
Figuur 24 laat het warmteverbruik van de gebouwde omgeving in de toe-
In het klimaatakkoord staat dat in 2050 een groot deel van de woningen en
komst zien. Het aandeel aardgas neemt af vanaf 2019 en andere bronnen
gebouwen van het aardgas af moeten zijn. Er zijn alternatieve manieren
als warmtepompen en warmtenetten nemen het over. Er is potentie in de
om te verwarmen, zoals elektrische warmtepompen, aardwarmte of groen
gemeente voor het gebruik van aardwarmte en aquathermie in een warm-
gas. 2050 is ver weg en het is nog te vroeg om te zeggen welke alternatie-
tenet. Een diepere verkenning van deze optie is gedaan in de Transitievisie
ven een rol gaan spelen. Om nu toch iets te kunnen zeggen over hoe de
Warmte. Als laatste laat de figuur zien dat de warmtevraag afneemt in de
energievraag zich gaat ontwikkelen, kijken we naar de alternatieven in de
toekomst. Dit komt door de isolatiemaatregelen die nodig zijn wanneer er
volgende drie scenario’s in lijn met de Transitievisie Warmte:
een overstap wordt gemaakt naar alternatieve warmtebronnen.
– All electric scenario (AE): In dit scenario wordt de gebouwde om-
In de laatste twee scenario’s liggen de besparingsdoelen bijna gelijk aan
geving individueel voorzien in warmte. Elk huis heeft een eigen (hy-
2030. Dit komt doordat er minder isolatie nodig is voor woningen die aan-
bride) warmtepomp. Omdat warmtepompen niet geschikt zijn om
gesloten worden op een warmtenet op aardwarmte.
hoge temperatuur warmte te leveren, moet de gebouwde omgeving
In 2030 zien we dat een merendeel van de warmte nog wordt voorzien door
maximaal geïsoleerd worden (minimaal schillabel B), zodat er tot
aardgasgestookte ketels. Daarnaast zullen hybride warmtepompen al een
25% warmteverbruik bespaard wordt.
tussentijdse rol gaan spelen in de verduurzaming van onze woningen. De
– Warmtenet scenario (WN): In dit scenario worden alle gebouwen
verwachting is dat een flink aantal woningeneigenaren zullen investeren in
in de gebouwde omgeving voorzien in warmte uit een warmtenet die
een hybride warmtepomp, omdat het in combinatie met isolatie een aan-
draait op met name aquathermie en aardwarmte bronnen. Er zijn
trekkelijke investering wordt ten opzichte van CV/Hr-ketel. Dit levert een
minder isolatiemaatregelen nodig, er moet 10% bespaard worden in
flinke besparing op.
het warmteverbruik van de gebouwde omgeving. – Midden scenario: Dit scenario is een realistischer scenario, waarin wijken die geschikter zijn voor individuele verwarming zijn voorzien van warmtepompen en wijken die geschikter zijn voor collectieve warmtebronnen zijn aangesloten op een warmtenet. Er moet tot zo’n 15% bespaard worden in het warmteverbruik van de gebouwde omgeving door te isoleren.
57
Figuur 24: Warmteverbruik in de gebouwde omgeving. In geel gearceerd is te zien wat het besparingspotentieel is door het toepassen van (hybride) warmtepompen die warmte uit de omgeving (zoals de buitenlucht) gebruiken.
58
Mobiliteit energie scenario Om het 11% besparingsdoel in 2030 te halen zal ongeveer een derde van het verkeer elektrisch moeten rijden in 2030. Het jaar 2050 is daarentegen nog ver weg en de toekomst van mobiliteit is nog onzeker. Het is wel zeker dat er meer elektrisch gereden gaat worden. Dit heeft gevolgen voor de elektriciteitsvraag van de gemeente. Echter, de gemeente kan vooralsnog deze ontwikkelingen bijna niet beïnvloeden. Daarom is in de LES uitgegaan van één scenario voor de toepassing mobiliteit: ◼
Een toename van het aantal gereden kilometers met 15%
◼
75% elektrische personenauto’s, 25% op biobrandstoffen of synthetische gassen zoals waterstof
Het aandeel elektrisch vervoer is nog onzeker. De verwachting is dat het merendeel elektrisch zal zijn, aangezien bezwaren als een kleine actieradius er in 2050 niet meer zijn, en hernieuwbare gassen eerst in de industrie worden ingezet, voordat mobiliteit aan bod komt. Daarom wordt er in dit scenario ervan uitgegaan dat 75% van het wagenpark elektrisch is in 2050.
59
Totaal energieoverzicht De grafiek hieronder laat zien hoe de energiehuishouding op basis van de scenario’s verandert in de toekomst.
Figuur 25: Overzicht totaal energieverbruik 2014 - 2050 (3 scenario's voor eindsituatie)
60
Overzicht aannames achter de scenario’s RES 2030
2050 All electric scenario
2050 Warmtenet scenario
2050 Midden scenario
Groei woningen t.o.v. 2019: 15% (1.400 woningen)
15% groei woningen en utiliteitsgebouwen t.o.v. 2030
15% groei woningen en utiliteitsgebouwen t.o.v. 2030
15% groei woningen en utiliteitsgebouwen t..o.v.2030
7% besparing d.m.v. isolatie
25% besparing d.m.v. isolatie in de hele gebouwde omgeving
10% besparing d.m.v. isolatie in de hele gebouwde omgeving
13% besparing d.m.v. isolatie in de hele gebouwde omgeving
30% hybride warmtepompen
100% all electric
Merendeel warmtenet
50% warmtenetten, 25% all electric, 25% hybride
5% besparing woningen 15% besparing utiliteitsgebouwen
10% besparing woningen 20% besparing utiliteitsgebouwen
10% besparing woningen 20% besparing utiliteitsgebouwen
10% besparing woningen 20% besparing utiliteitsgebouwen
Toename wagenpark 5% t.o.v. 2019
Toename wagenpark 15% t.o.v. 2019
Toename wagenpark 15% t.o.v. 2019
Toename wagenpark 15% t.o.v. 2019
30% elektrisch 70% fossiele brandstof
75% elektrisch 25% (bio/duurzame) brandstof
75% elektrisch 25% (bio/duurzame) brandstof
75% elektrisch 25% (bio/duurzame) brandstof
Nieuwbouw
Warmte
Elektriciteit
Mobiliteit
61
Bijlage: Uitgangspunten LES gemeente Hillegom Uitgangspunten Lokale Energiestrategie (LES), vastgesteld op 25 maart 2021 De uitgangspunten sluiten aan bij de regionale uitgangspunten van de RES en de Omgevingsvisie van Hillegom, waarin Hillegom de ambitie heeft uitgesproken energieneutraal te willen zijn in 2030 en klimaatneutraal in 2050. Daarnaast zijn de uitgangspunten getoetst aan de resultaten van de eerste fase van het participatietraject. 1. Versterking van landschapselementen en toerisme Het landschap en het toerisme zijn voor ons belangrijk. We willen dat de energietransitie ons landschap en ons toerisme niet verstoort. Dit betekent dat we het buitengebied niet zomaar vol zetten met windturbines en/of zonneparken, maar aansluiten bij wat past bij ons cultuurlandschap en onze infrastructuur. Tevens maken we gebruik van onze bestaande landschapselementen zoals wegen en vaarwateren om door “horizon- en landschapsversterking” het landschap aantrekkelijk te maken en te houden. De Omgevingsvisie Hillegom en de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (ISG2016) vormen daarbij voor ons het vertrekpunt. Dit betekent dat wij: a. Ons lokale bollentoerisme willen behouden en waar mogelijk versterken. b. Energieopwekking bij voorkeur langs infrastructuur, goed ingepast in het landschap. c.
Focussen op multifunctioneel ruimte gebruik voor wonen, werken, recreatie en energieopwekking. d. Initiatieven laten bijdragen aan de koers van de Omgevingsvisie Hillegom. 2.
62
‘Hollandse Weides’ worden uitgesloten voor energieopwekking anders dan zon op daken en/of energieopwekking op en rond infrastructuur; initiatieven voor duurzame energieopwekking in de ‘Duurzame Bloementuin’ worden voorgelegd voor goedkeuring
aan de gemeenteraad, als het geen zonnepanelen op daken betreft of initiatieven op en rond infrastructuur. De gestelde doelen van de energietransitie zijn hoog. Dit betekent dat we alle mogelijkheden onderzoeken waarmee we onze ambitie mogelijk kunnen invullen. Het open landschap van de ´Hollandse Weides´ blijft echter uitgesloten als zoekgebied voor zonneweides en windturbines. In de ‘Duurzame Bloementuin’ kunnen wel initiatieven ontwikkeld worden voor energieopwekking op incourant geworden percelen voor bollenteelt, mits landschappelijk goed ingepast en slechts na besluitvorming door de gemeenteraad. Dit betekent dat wij: a. openstaan voor initiatieven voor de opwekking binnen de deelgebieden ‘Heerlijke Woonplaats’ en de ‘Werkplaats Hillegom’ zoals genoemd in de omgevingsvisie, en op gebouwen en (langs) infrastructuur die liggen in de deelgebieden ‘Hollandse Weides’ en ‘Duurzame Bloementuin’. b. willen dat initiatieven voor duurzame energieopwekking anders dan zonnepanelen op daken van de Duurzame Bloementuin, ter besluitvorming worden voorgelegd aan de gemeenteraad. c. willen dat grootschalige energie-opwek binnen gebieden realistisch, milieutechnisch, maatschappelijk (draagvlak) en financieel (lokaal eigenaarschap) haalbaar is. We voeren hiervoor een maatschappelijke kosten/batenanalyse en/of een omgevingseffectrapportage (OER) uit. 3.
Stimulering van particuliere en zakelijke initiatieven en ontwikkelingen
Naast grootschalige energieoplossingen zijn ook kleine oplossingen nodig. Dat betekent dat wij kleinschalige oplossingen zoals zon-op-dak maximaal willen benutten. Hiervoor kunnen we bewoners en bedrijven faciliteren door het helpen zoeken naar en/of het verstrekken van (rijks)subsidies, voor zonnepanelen en proeftuinen voor aardgasvrije wijken. Voor
nieuwbouw geldt dat we multifunctioneel gebruik van de openbare ruimte stimuleren voor wat betreft wonen, werken, recreëren en energieopwekking, mits een initiatief een bijdrage levert aan de koers van de Omgevingsvisie Hillegom.
c.
de Omgevingsvisie Hillegom ieder jaar actualiseren en de juridische verankering vindt dan in het Omgevingsplan Hillegom plaats. d. Bij het rijk extra financiële middelen vrij willen gaan maken om onze doelstellingen voor mobiliteit te realiseren.
Dit betekent dat wij: a. Vol inzetten op het actief stimuleren van zonnepanelen op daken, waarbij wij als gemeente de rol van aanjager vervullen. Dit betekent dat wij initiatieven hiertoe stimuleren en daarnaast op zoek gaan naar ruimte op de Hillegomse daken om deze initiatieven, zoals van energiecoöperaties, een grotere kans van slagen te geven. b. Faciliteren bij het zoeken en/of verstrekken van de juiste subsidies. c. Ervoor willen zorgen dat inwoners kunnen profiteren van initiatieven voor grootschalige opwek. 4.
In Holland Rijnland verband optrekken richting Rijk, provincie en gemeenten
De gemeente is ervan overtuigd dat windenergie onmisbaar is in de totale duurzame energiemix. Vasthouden aan de restricties kan betekenen dat de opgave voor duurzame opwek onevenredig zwaar drukt op delen van de regio Holland Rijnland. Wij hechten aan een vorm van evenredige spreiding in de opgave. Op voorhand blijven handhaven van ruimtelijke restricties, zorgt ervoor dat de beoogde verduurzamingsdoelstellingen niet gehaald gaan worden, dit geldt ook wanneer het benodigde (financieel) instrumentarium
5. Wij streven naar maximaal lokaal gebruik van lokaal opgewekte energie Het voortbestaan van de salderingsregeling in de huidige vorm is onzeker. Het ‘terug leveren’ van lokaal opgewekte energie aan het elektriciteitsnet wordt daarmee mogelijk onaantrekkelijk. Om de negatieve effecten hiervan te voorkomen dienen de mogelijkheden voor lokale opslag van lokaal opgewekte energie nadrukkelijk bekeken te worden, zodat deze op een ander moment ook weer lokaal kan worden gebruikt. Hiermee vergroten we ook het draagvlak voor lokale opwekking van duurzame energie. Dit betekent dat wij: bij initiatieven voor duurzame opwek van energie met de betreffende partij(en) in overleg gaan om de mogelijkheden voor lokale opslag te onderzoeken. Wij zullen hierbij tevens adviseren en ondersteuning bieden, o.a. vanuit het oogpunt van ruimtelijke inpassing.
6. Wij sluiten aan op de landelijke intenties inzake lokaal eigenaarschap als genoemd in het Nationaal Klimaatakkoord (december 2018, hoofdstuk C5.5 productie uit hernieuwbare bronnen op land, afspraken c-2, sub omgevingsparticipatie)
Dit betekent dat wij: a. Op zoek gaan naar landelijk fiscale of financiële maatregelen (wetgeving) en samenwerking zoeken met onze omliggende gemeenten, Omgevingsdienst, provincie en rijk. b. In samenwerking met andere gemeenten en provincie het omgevingsbeleid flexibeler gaan maken voor de realisatie van wind- en zonne-energie. We stemmen dit in een vroegtijdig stadium met elkaar af.
63
Wij hechten sterk aan het maximaal ten goede laten komen aan onze eigen gemeenschap van de (financiële) voordelen van duurzame energieopwekking. Dit bevordert draagvlak en vertrouwen, en versnelt daardoor de energietransitie.
Dit betekent dat wij: a.
b.
64
stimuleren dat een substantieel deel van ieder project in eigendom komt van lokale partijen en inwoners. In aansluiting op de hierover gemaakte afspraak in het Klimaatakkoord streven we naar minimaal 50% lokaal eigenaarschap. Hierbij kan gedacht worden aan een cooperatie, maar ook aan lokale bedrijven. ons actief inzetten om een lokale duurzame energiecoöperatie binnen de gemeente in positie te brengen. Deze kan een belangrijke rol spelen bij het verder opzetten van duurzame energieprojecten. Daarnaast kan daarmee de lokale economie gestimuleerd worden en heeft een coöperatie ook een sterke sociaal bindende rol.
Bijlage: Ruimtelijke belemmeringen wind en zon vangen. Turbines lager dan 200 meter worden niet veel meer toegepast op
Mogelijkheden en beperkingen windenergie
grote schaal, omdat deze steeds vaker geen haalbare business case meer hebben. In deze LES wordt van een turbine met een vermogen van 4 MW
Voor windturbines zijn wettelijke belemmeringen en beleid en/of regelge-
en een tiphoogte van circa 200 m uitgegaan voor opbrengstberekeningen
ving, zoals op het gebied van geluid, slagschaduw, veiligheid, natuur, cul-
en ruimtelijke inpassing.
tuur en landschap van toepassing. Voor de opbrengsten zijn de afmetingen van de windturbine en de windsnelheid van belang. De opbrengsten bepalen ook de aantrekkelijkheid van de business case.
Overlast en risico’s afhankelijk van hoogte windturbines Voor veel belemmeringen wordt een afstand op basis van de
Voor de plaatsing van windturbines gelden verschillende wetten en regels.
grootte van de windturbine aangehouden. Hoe hoger een tur-
De wetten en regels gaan niet uit van harde afstanden tussen windturbine
bine is, hoe groter het bereik van de overlast en risico.
en verschillende soorten bebouwing, maar van normen. Deze normen kunnen door middel van vuistregels in afstanden vertaald worden. Dit geeft houvast voor het zoeken naar een mogelijke locatie, maar voor daadwer-
Voor de belemmeringen is uitgegaan van een windturbine van circa 240 meter hoog, met een ashoogte van 166 meter en een wieklengte van 75 meter (zie afbeelding).
kelijke plaatsing moeten project specifieke berekeningen aantonen dat aan de normen en meest recente jurisprudentie voldaan wordt.
Lagere windturbines passen binnen dezelfde belemmeringen. De meeste hinderafstanden zijn op basis van de wieklengte, bij
Afmeting van windturbines Er zijn vele soorten en maten windturbines. Op land zijn momenteel turbines met een tiphoogte van ongeveer 250 m en vermogen van circa 4 MW gangbaar. Dit heeft te maken met de hogere opbrengst van deze turbines en ook met de subsidieregeling SDE++. De mast van een moderne turbine is doorgaans circa 120 tot 130 meter hoog. De rotordiameter bedraagt circa 150 meter (wieklengte 75 meter). De tiphoogte, de maximale hoogte van de windturbine, ligt hiermee op ongeveer 200 meter. Hogere windturbines (met hogere vermogens) met een tiphoogte tot 250 meter worden ook steeds meer (op land) toegepast. Hoger in de lucht waait het harder en hogere turbines kunnen dus meer wind