Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 - Zienswijzen (1)
Tekst van het document
Indien nodig en gewenst is het mogelijk om gebruik maken van de flexibiliteitsregeling over het bevoegd gezag die de Omgevingswet biedt (om de handhavingsbevoegdheid over te dragen). Tot die tijd zullen wij het toezicht en de handhaving van onze regels op ons nemen. De kop en de toelichting bij artikel 4.39 zullen hiermee in overeenstemming worden gebracht. 5. Zie het antwoord onder 1 en 3. Wijzigingen Zie voor wijzigingen zienswijze 28.
Water Reactienummer:
42
Indiener:
Waterschap Rivierenland
Samenvatting Indiener heeft een aantal opmerkingen op het gebied van water. 1. Indiener vraagt aandacht voor de taken van het waterschap over beheer en onderhoud van de watersystemen in relatie tot de regels voor onder andere grondwaterbeschermingsgebieden, weidevogelgebieden en natuurgebieden. Om aanpassingen aan het watersysteem niet onnodig te bemoeilijken wordt zeer gehecht aan een integrale afweging van belangen op het juiste niveau. 2. In artikel 4.17 lid 1 wordt geregeld dat het verboden is om grond of baggerspecie toe te passen, waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden overschrijdt als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Indiener is van mening dat hier moet worden aangesloten op de gebiedskwaliteit. 3. Artikel 4:17 lid 4 bepaalt dat het eerste lid niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan die watergang grenzende percelen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Indiener stelt voor om hier aan toe te voegen: inclusief rijping van baggerspecie in weilanddepots als bijzondere vorm van verspreiden. 4. Artikel 4.17 lid 5 regelt het gebruik van grond- of baggerspecie met PFAS. Ook hier wordt verzocht om aan te sluiten bij de gebiedskwaliteit, volgens het concept-definitief Handelingskader (mei 2021) van het ministerie. Dit geeft de mogelijkheid om aan te sluiten bij de plaatselijke gebiedskwaliteit waar het waterwingebied in ligt.
5. Artikel 4.20 bepaalt welke activiteiten verboden zijn in een grondwaterbeschermingsgebied, zonder dit minimaal 4 weken voor het begin ervan te melden aan Gedeputeerde Staten; onder b wordt bepaalt dat donderdag 9 september 2021
Pagina 38 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
dit geldt voor het toepassen van grond- of baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijft als bedoeld in het Bbk. Verzocht wordt om ook hier bij de gebiedskwaliteit volgens het concept-definitief Handelingskader van het ministerie aan te sluiten, zodat kan worden aangesloten bij de plaatselijke gebiedskwaliteit waar het waterwingebied in ligt. 6. In artikel 4.22 lid 2 wordt een aanvulling gegeven op 4.20 lid 5 voor grond- of baggerspecie met PFAS. Wordt hier bedoeld dat met deze kwaliteit geen melding hoeft te worden gedaan? 7. In artikel 4.43 worden vrijstellingen gegeven van verboden activiteiten in stiltegebieden. Onder d, wordt bepaald, dat dit geldt voor normaal onderhoud en beheer van gebouwen en terreinen. Verzocht wordt om waterstaatkundige objecten hieraan toe te voegen. Wat betekent dit als hier een natuurvriendelijke oever of nieuw gemaal geplaatst wordt? Antwoord 1. Wij vinden ook dat het beheer en onderhoud van watersysteem een belang betreft dat moet worden afgewogen in relatie tot de regels die andere belangen beschermen. Daar waar concrete en ongewenste problemen ontstaan bij het beheer en onderhoud van watersystemen kunnen bijvoorbeeld uitzonderingen worden overwogen. Wij staan er voor open om hierover met indiener het gesprek aan te gaan. 2.
In waterwingebieden is de hoogste mate van bescherming gewenst vanwege de zorg voor de grondwaterkwaliteit gekeken naar de drinkwaterwinning. In het vierde en vijfde lid worden een aantal uitzonderingen benoemd. Het vierde lid is juist opgenomen om werkzaamheden voor de waterhuishouding niet onnodig te frustreren, binnen milieuverantwoorde grenzen. En het vijfde lid is opgenomen om binnen verantwoorde grenzen met betrekking tot de toepassing van grond of baggerspecie met poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) ruimte te laten voor gebiedsspecifiek beleid. 3. Wij benadrukken dat in waterwingebieden de hoogste mate van bescherming gewenst is vanwege de zorg voor de grondwaterkwaliteit gekeken naar de drinkwaterwinning. In aanvulling op ons antwoord hierboven, onder 2, hebben wij het verspreiden van baggerspecie uit een watergang op aangrenzende percelen volgens het Besluit bodemkwaliteit altijd als uitzondering gehanteerd. Het is nadrukkelijk de bedoeling om dat begrip 'verspreiden' in dat kader te hanteren. 4. Wij sluiten aan bij de gebiedskwaliteit, maar wel tot de aangegeven maximum waarden. Gekeken naar de risico’s van PFAS en de mogelijke aanscherping van de drinkwaternormen op grond van Europees onderzoek naar de gezondheidsrisico's van PFAS achten we een versoepeling van de eisen op dit moment niet verantwoord. 5. Zie hiervoor onder 4. 6. Nee, dat wordt niet bedoeld.
Het betreft een afwijking van het eerste lid voor wat betreft toestaan van grond- en baggerspecie en een aanvulling op het vijfde lid van artikel 4.20 voor zover het gaat om de meldingsplicht. Dat betekent dat toepassing tot 0,1 microgram per kilogram niet meldingsplichtig is, maar daarboven wel. 7. Met normaal onderhoud en beheer van gebouwen en terreinen wordt ook bedoeld de waterstaatkundige werken, deze zijn namelijk onlosmakelijk verbonden met het terreinbeheer. Door het benoemen van alle afzonderlijke terreinelementen zou de indruk van een uitputtende lijst kunnen ontstaan, daarom wordt de bestaande formulering gehandhaafd. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen in de tekst of de begrenzingen van de omgevingsverordening.
donderdag 9 september 2021
Pagina 39 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
Overig Reactienummer:
43
Indiener:
Cascade
Samenvatting Indiener verzoekt om te verduidelijken wat de bevoegdheden van de verschillen overheden zijn in de ADCtoets, en ook aan te geven hoe hierbij rekening gehouden wordt met ontwikkelingen (bijvoorbeeld een omvangrijk, gemeentegrens-overschrijdend grondstofwinningsproject) waarbij meerdere gemeenten betrokken zijn. Antwoord Het gemeentebestuur krijgt de mogelijkheid om bij het opstellen en/of wijzigingen van het omgevingsplan en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit deze ADC-toets toe te passen. Dit kan als ze tegemoet wil komen aan een aanvraag voor een project van zwaarwegend maatschappelijk belang, maar daarbij stuit op een of meer instructieregels in de provinciale omgevingsverordening. Gedeputeerde Staten zullen het gebruikmaken van deze bevoegdheid toetsen en zullen - als zij van mening zijn dat die bevoegdheid onjuist wordt ingezet om een aanvraag te kunnen honoreren - een zienswijze tegen het ontwerpbesluit van de gemeente indienen. Bij het indienen van een zienswijze zijn ook Provinciale Staten betrokken via een wensen-en-bedenkingenprocedure. Als het project gemeentegrens overschrijdend is, dan zijn meerdere gemeentebesturen betrokken. Elk gemeentebestuur blijft zelf bevoegd voor het eigen omgevingsplan. De aanvraag kan wel gecoördineerd worden behandeld, zodat de procedures gelijk oplopen in de tijd.
Wordt de aanvraag door de gemeentebesturen via omgevingsvergunningen verleend, dan regelt artikel 5.14 van de Omgevingswet is het gemeentebestuur van de gemeente 'waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht' (dit is niet gewijzigd vergeleken met de huidige bevoegdheidsverdeling in de Wabo) het bevoegd gezag is. Ook kan een project van een zodanige omvang, als van provinciaal belang worden aangemerkt, zodat Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag kan optreden en op basis van de aanvraag een projectbesluit kunnen nemen of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijkactiviteit kunnen verlenen. In dat geval kunnen Gedeputeerde Staten de ADC-toets in de afweging betrekken. Ook hier worden Provinciale Staten bij die afweging betrokken via de al genoemde wensen- en bedenkingenprocedure. De aanvrager kan, ongeacht het bevoegd gezag, in de aanvraag attenderen op deze afwijkmogelijkheid en motiveren waarom de ADC-toets bij de afhandeling van de aanvraag van (doorslaggevend) belang is. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen in de tekst of de begrenzingen van de omgevingsverordening.
Natuur Reactienummer:
43
Indiener:
Cascade
Samenvatting Indiener roept op om ook de positieve effecten van de oppervlaktedelfstoffenwinning op ganzenrustgebieden in acht te nemen. Antwoord In de nieuwe omgevingsverordening zijn geen wijzigingen opgenomen voor de bescherming van de donderdag 9 september 2021
Pagina 40 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
ganzenrustgebieden. Binnen ganzenrustgebieden zijn en blijven activiteiten mogelijk. Hierbij geldt wel de regel dat een ganzenrustgebied altijd minimaal 500 hectare groot moet blijven. Hiermee zorgen we ervoor dat voor ganzen voldoende ruimte overblijft om te foerageren. Ook geldt de regel dat de activiteiten plaatsvinden in dat deel van het ganzenrustgebied waar de ganzen er het minste last van hebben. Oppervlaktedelfstoffenwinning, de winning van klei, zand en grind, kan aantrekkelijke watergebieden opleveren, waar ganzen graag verblijven. In die zin heeft oppervlaktedelfstoffenwinning een positief effect op ganzenrustgebieden. Dat doet er niets aan af dat ook in dat geval de winning moet voldoen aan het beschermingsregime voor ganzenrustgebieden. Zo moet er bijvoorbeeld binnen een ganzenrustgebied voldoende ruimte overblijven voor ganzen om te foerageren. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen in de tekst of de begrenzingen van de omgevingsverordening.
Water Reactienummer:
43
Indiener:
Cascade
Samenvatting Indiener heeft een aantal opmerkingen op het gebied van water. 1. Indiener blijft van mening dat het hanteren van verschillende normen en regels per regio zeer onduidelijk en complex is en fouten in de hand werkt. 2. Het bevreemdt indiener dat er bij het toepassen van grond en baggerspecie met PFOA en PFAS in grondwaterbeschermingsgebieden verschillende toepassingsnormen gaan gelden voor materiaal van binnen het gebied en buiten het gebied. Een effect hiervan in de praktijk kan zijn dat verontreinigde grond met een hogere waarde PFOA en/of PFAS toch de voorkeur krijgt tegenover een minder verontreinigde partij. In de visie van indiener zou het beschermen van de grondwaterkwaliteit en grondwaterbeschermingsgebieden prioriteit moeten hebben. De herkomst van de grond zou hierbij geen rol moet spelen. 3. Indiener is van mening dat er bij het uitfaseren van stoffen als PFAS gericht moet worden op het aanpakken van de bron van de uitstoot. Gebeurt dit niet, dan blijven dergelijke stoffen vanzelfsprekend opduiken in het milieu. In de visie van indiener is het dan ook cruciaal dat het probleem (ook) aan de voorkant, en dus aan de bron, aangepakt wordt. 4. Tot slot maakt indiener een algemene opmerking om voldoende ruimte te bieden voor oppervlaktedelfstofwinningsprojecten. Antwoord 1.
Met het landelijke Besluit bodemkwaliteit is gekozen voor een regionale invulling van normen voor de toepassing van grond en baggerspecie. Dit is een bewuste keuze zodat bij de toepassing van grond beter kan worden aangesloten bij de al aanwezige bodemkwaliteit in een gebied. 2. Bij toepassen van grond van binnen de beschermingszone gaat het om grond die al aanwezig is in die zone. Daarbij kan worden uitgegaan van de kwaliteit in het gebied (stand-still), waarbij wel als maximum de kwaliteitsklasse landbouw/natuur geldt. Bij grond van buiten de beschermingszone gaat het om extra vracht aan verontreiniging die in het gebied komt. In dat geval wordt aangesloten bij de criteria uit het Tijdelijk Handelingskader van het Rijk om deze zo klein mogelijk te houden en eventueel tot verbetering te komen
donderdag 9 september 2021
Pagina 41 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
(step-forward). Hiermee wordt bovendien hergebruik van gebiedseigen materiaal gestimuleerd. 3. Wij nemen deze opmerking voor kennisgeving aan. Vanuit diverse overheden en andere belangenorganisaties is aan het Rijk gevraagd extra maatregelen te treffen tegen het gebruik van PFAS. 4. Van dit standpunt wordt kennisgenomen. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen in de tekst of de begrenzingen van de omgevingsverordening.
Natuur Reactienummer:
44
Indiener:
Gelders Particulier Grondbezit
Samenvatting Indiener vindt de nieuw voorgestelde provinciale regels onnodig beknellend voor landgoederen. Door van iedere ontwikkeling in de Groene ontwikkelingszone (GO) op het landgoed te eisen dat deze de kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk (GNN) en GO versterkt, wordt het voor een landgoedeigenaar moeilijker het landgoed economisch rendabel te houden. Door hun aard zijn landgoederen al gericht op een optimale balans tussen het in stand houden van natuur en andere functies. Dit wordt gewaarborgd onder de Natuurschoonwet (NSW). Indiener vindt dat bij landgoedbeheer een integrale aanpak mogelijk moet blijven, waardoor veel natuur op landgoederen behouden blijft. Daarom pleit indiener voor opname van een algemene uitzondering voor NSW-landgoederen. Op NSWlandgoederen moeten, net als onder de huidige regels, uitbreidingen van minder dan 30% zonder aanvullende toets mogelijk te zijn. Voor nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen van meer dan 30% wil indiener dat deze mogelijk moeten zijn als geen significante verslechtering van de kernkwaliteiten optreedt. Onder de voorgestelde regels is deze lichtere toets (‘geen significante verslechtering’) wel opgenomen, maar alleen voor zover het de ‘hoofdfunctie’ van landgoederen betreft, niet voor nevenfuncties. Onder de huidige regels wordt die lichtere toets niet beperkt tot de ‘hoofdfunctie’.
Volgens indiener is er sprake van een verzwaring van de regels die specifiek landgoederen raakt. Het onderscheid tussen hoofd- en nevenfuncties is onduidelijk en subjectief. Een landgoed voert meestal een gevarieerd bedrijf. Er is niet één hoofdfunctie, alles is doorgaans gericht op en dienstig aan instandhouding van het geheel. In het voorbeeld dat in de toelichting bij de voorgestelde regeling is opgenomen, wordt aangenomen dat een schuur wel de hoofdfunctie van een landgoed zou ondersteunen, maar een camping niet. Volgens indiener moeten alle activiteiten op NSW-landgoederen onder de uitzondering vallen. Indiener is van mening dat als een substantiële versterking optreedt van het erfgoedbelang terwijl geen verslechtering van GNN of GO aangetoond is, een ontwikkeling mogelijk moet zijn. Moeilijk makende factor daarbij is dat wat als GNN en/of GO aangewezen is, ook (groen) erfgoed kan zijn. In die gevallen zullen soms beslissingen genomen moeten worden die niet direct een versterking van GNN en GO opleveren, maar wel van het (groene) erfgoed. Indiener pleit er voor om het erfgoedbelang beter af te wegen bij beslissingen over wat mogelijk is binnen GNN en GO door in de bijlage kernkwaliteiten per gebied ook steeds de erfgoedwaarden (zowel groen als gebouwd) op te nemen zodat die integraal onderdeel uitmaken van de toetsing aan de kernkwaliteiten.
Ten tweede zou een algemene uitzondering op de regels over ontwikkelingen in GNN en GO opgenomen moeten worden voor zover een (groen) erfgoedbelang daarmee substantieel versterkt wordt.
donderdag 9 september 2021
Pagina 42 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
Indiener vraagt zich af hoe de regel dat de samenhang behouden moet blijven uitgelegd moet worden en vraagt om een uitleg die aan de toelichting en de tekst van de verordening wordt toegevoegd. Antwoord Met de aanpassing van de regels voor de Groene ontwikkelingszone willen we regels vereenvoudigen. We willen regels niet verzwaren voor landgoederen. In de huidige Omgevingsverordening mag elke bestaande activiteit uitbreiden tot 30% als de kernkwaliteiten per saldo niet significant werden aangetast. Voor landgoederen geldt dat deze ook mogen uitbreiden met meer dan 30% onder dezelfde voorwaarden. In de nieuwe regels maken we geen onderscheid meer tussen uitbreidingen groter of kleiner dan 30%. De uitbreiding van een landgoed mag plaatsvinden als de kernkwaliteiten niet significant worden aangetast. Voor landgoederen is er dus geen verschil tussen de huidige regel en de voorgestelde regel. De veronderstelling van indiener dat in de huidige verordening landgoederen zijn uitgezonderd van de regels die gelden voor uitbreidingen die kleiner zijn dan 30%, is onjuist. Volgens de huidige Omgevingsverordening geldt de uitzondering alleen voor landgoederen, voor zover het daarbij opstallen betreft als bedoeld in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928. De Natuurschoonwet geeft een beschrijving van bouwwerken en functies die meetellen voor de kwalificatie 'landgoed'.
Plannen en projecten die niet meetellen voor de rangschikking onder de Natuurschoonwet vallen dus niet onder de uitzondering. In het nieuwe artikel 5.20 staat dat de uitzondering alleen geldt voor landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet. Wij zijn het met indiener eens dat dit voor landgoederen een onduidelijk criterium is. Om duidelijk te maken dat wij geen verschil willen maken vergeleken met de huidige regels, zullen wij de oude teksten weer opnemen (alleen opstallen en in de toelichting verwijzen naar de kwalificatie van 'landgoed'). Voor het GNN gelden andere regels dan voor de GO. In de GO wordt niet getoetst op verslechtering. Hier geldt dat ontwikkelingen over het algemeen mogelijk zijn als tegelijkertijd de kernkwaliteiten worden versterkt. De mate van de versterking is afhankelijk van de omvang en/of de impact van de ontwikkeling. Als een ontwikkeling weinig omvang en/of impact heeft op de GO of zelfs een positieve invloed heeft, en dat kan natuurlijk (groen) erfgoed zijn, dan is er ook weinig of zelfs geen versterking nodig. Cultuurhistorische elementen worden soms als kernkwaliteit benoemd in de bijlage Kernkwaliteiten GNN en GO. Samenhang heeft te maken met de verbindende functie die de GO in veel gevallen heeft. Het gaat hierbij specifiek om de ecologische verbindingszones.
Wij zullen de tekst in de toelichting aanpassen zodat duidelijk wordt wat met de samenhang wordt bedoeld. Wijzigingen Deze zienswijze geeft aanleiding om het volgende aan te passen: In artikel 5.20 na "een uitbreiding van een landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928" toe te voegen: voor zover het daarbij opstallen betreft als bedoeld in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 betreft. In de toelichting op Artikel 5.21 (onderzoek kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone) zullen de onderstreepte woorden worden opgenomen. Een omgevingsplan maakt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen mogelijk als de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen worden versterkt en de ecologische samenhang, ofwel de verbindende functie, van de Groene ontwikkelingszone niet verloren gaat.
Water donderdag 9 september 2021
Pagina 43 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Reactienummer:
45
Indiener:
Omgevingsdienst Regio Arnhem
Definitief PS
Samenvatting Indiener heeft vragen en opmerkingen op het gebied van water. 1. Zoals de regels nu zijn opgesteld wordt de provincie als bevoegd gezag grondwater ook betrokken bij alle graafwerkzaamheden boven de interventiewaarde. Er moeten werkafspraken (procedures) gemaakt worden met de omgevingsdiensten of gemeenten over de uitvoering van deze regels, want de provincie heeft geen zicht op de meldingen graven en saneren die worden ingediend. 2. Door het brede toepassingsbereik, in artikel 4.37 in combinatie met artikel 4.38 lid 1, moet dus bij iedere melding ook de kwaliteit van het grondwater worden betrokken. 3. Bij een correcte uitvoering van het bodemonderzoek zoals de NEN 5740 (module voorafgaand bodemonderzoek in het Bal, paragraaf 5.2.2) volgt automatisch dat het grondwater moet worden onderzocht als er een verdenking bestaat dat het verontreinigd is. 4. Welke grondwaterkwaliteit wordt bedoeld? Van het ondiepe en/of ook het diepe grondwater. 5. Hoe om te gaan met bekende grondwaterverontreinigingen? Hoe actueel moet een onderzoek zijn. Als het om een bekende verontreiniging gaat, is er dan geen verdere actie nodig? Of moet toch nieuw onderzoek worden uitgevoerd? 6. Wat wordt met verontreinigingsbron bedoeld? 7. Het is onduidelijk wie de eventuele melding aan de provincie controleert en handhavend optreedt als de initiatiefnemer niet meldt. 8.
Wat als er geen relatie blijkt tussen de grondverontreiniging en grondwaterverontreiniging? 9. Wat betekent het informeren van de provincie precies? Is dit alleen Gedeputeerde Staten informeren of moeten initiatiefnemers de reactie afwachten? Wat doet de provincie met de resultaten? Stemmen ze vervolgens ergens wel of niet mee in? En hoe wordt een en ander afgestemd met gemeente of omgevingsdienst? De term informeren is te vaag. 10. Het is onduidelijk wie bevoegd is in artikel 4.40 om sanering te controleren en te handhaven. Daarbij ontbreekt het ons inziens in de Omgevingswet aan verder juridisch instrumentarium om een bronsanering af te dwingen in die gevallen waarbij de initiatiefnemer niet al van plan was om te graven of te saneren op de plek van de bron. Bijvoorbeeld als de bron op een ander perceel ligt dat niet in zijn eigendom is. Indien het de bedoeling is van de provincie dat de gemeente/omgevingsdienst het bevoegd gezag wordt voor het uitvoeren van deze taak, ontvangen wij daar graag meer handvatten voor. 11. Wat als de verontreinigingen door bedrijfsactiviteiten recent zijn ontstaan? Antwoord 1. Het is niet de bedoeling dat de provincie wordt betrokken bij alle graafwerkzaamheden boven de interventiewaarde.
De provincie geeft met genoemde regels aan dat bij activiteiten saneren van de bodem en graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde in bepaalde situaties zoals genoemd in artikel 4.38 niet kan worden volstaan met alleen een leeflaag of een afdeklaag. In die situaties maakt de beoordeling deel uit van de beoordeling door de gemeente. In artikel 4.40 is aangegeven dat de saneringsaanpak van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet worden gevolgd en de verontreinigingsbron in de vaste bodem, die verband houdt met de verontreiniging in het grondwater, zoveel mogelijk moet worden verwijderd. 2. Het is inderdaad niet wenselijk om van bijvoorbeeld kabelaars te verwachten een bronsanering uit te voeren. Het toepassingsbereik van de regels zal worden aangepast, zodat ze niet op dergelijke situaties donderdag 9 september 2021
Pagina 44 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
van toepassing zijn. 3. In het eerste lid van artikel 4.38 is benoemd in welke situatie de regels gelden (bij overschrijding van de interventiewaarde). In het tweede lid van artikel 38 wordt een nadere invulling gegeven. Daarbij is gebruik gemaakt van de term 'verkennend onderzoek' volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het klopt dat de regels voor het verkennend onderzoek aangeven of wel of geen onderzoek van het grondwater nodig is. Het is ook mogelijk om eerst te kijken of risico’s voor kwetsbare objecten wel te verwachten zijn; de aangegeven volgorde is niet verplicht. Hierover wordt een passage opgenomen in de toelichting. 4. Dit kan beide betreffen. Zie ook het antwoord hiervoor onder 3. 5. Er kan gebruik worden gemaakt van oudere onderzoeken en ook van eerdere conclusies van voorgaande boordelingen, maar niet als er reële kans is dat sprake is van een nieuwe situatie. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, omdat er toen nog geen sprake was van een kwetsbaar object. 6. De verontreinigingsbron is de verontreiniging in de vaste bodem die zorgt voor nalevering aan het grondwater en daarmee voor risico's voor een kwetsbaar object. 7. De gemeente is het bevoegd gezag voor de activiteiten ‘graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’ en ‘saneren van de bodem’ op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Dat betekent dat initiatiefnemers over genoemde activiteiten verplicht een melding moeten doen bij de gemeente en dat de gemeente deze meldingen als het bevoegd gezag moet beoordelen en afhandelen. De regels in de omgevingsverordening zijn maatwerkregels ‘bovenop’ de landelijke regels over genoemde activiteiten. Dat betekent dat de gemeente als het bevoegd gezag bij de beoordeling en afhandeling niet alleen toetst of door de initiatiefnemer wordt voldaan aan de relevante regels van het Bal, maar ook of door de initiatiefnemer wordt voldaan aan de relevante (maatwerk)regels van de omgevingsverordening. Wanneer het gaat om de bestuursrechtelijke handhaving blijkt uit de Omgevingswet (en het Bal) dat ook in het geval van maatwerkregels, die taak ligt bij het bevoegd gezag dat de regels heeft gesteld, in dit geval dus de provincie. Dat betekent dat standaard de provincie het bevoegd gezag is wanneer het op toezicht en handhaving aan komt van deze provinciale (maatwerk)regels. Wij zien dit als een onduidelijkheid in de landelijke regelgeving en zullen bij het Rijk om opheldering vragen. Indien nodig en gewenst is het mogelijk om gebruik maken van de flexibiliteitsregeling over het bevoegd gezag die de Omgevingswet biedt (om de handhavingsbevoegdheid over te dragen). Tot die tijd zullen wij het toezicht en de handhaving van onze regels op ons nemen.
De kop en de toelichting bij artikel 4.39 zullen hiermee in overeenstemming worden gebracht. 8. In die situatie is onderzoek naar de risico’s niet nodig en is een sanering waarbij zoveel mogelijk van de verontreinigingsbron wordt verwijderd niet verplicht. 9. Zie het antwoord bij punt 7. In dit kader gaat het dus alleen om informeren, zodat toezicht en handhaving kan worden uitgevoerd. 10. Zie de antwoorden onder 1 en 7. Als de bron op een ander perceel ligt kan niet worden verwacht dat de initiatiefnemer een bronsanering uit voert. Dit maakt deel uit van de beoordeling genoemd in het derde lid van artikel 4.38 en de eis om zoveel als mogelijk van de bron te verwijderen. 11. In die situatie is sprake van een nieuwe verontreiniging en is de zorgplicht van toepassing. Wijzigingen Zie voor wijzigingen zienswijze 28.
Meerdere onderwerpen donderdag 9 september 2021
Pagina 45 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Reactienummer:
46
Indiener:
Vereniging Natuur en Milieufederatie Gelderland
Definitief PS
Samenvatting Indiener heeft een aantal opmerkingen over verschillende onderwerpen. 1. Indiener vraagt om een planMER waar nieuw beleid is gemaakt in dit actualisatieplan. De planMER moet ook ter inzage worden gelegd. 2. Indiener verzoekt om de regels van de wensen en bedenkingen procedure die in actualisatieplan 7 zijn toegevoegd, niet te wijzigen in dit actualisatieplan. 3. Indiener vraagt om de overgangsbepalingen niet bij de omgevingsplanwetgever (gemeenten) neer te leggen. Maar om de zekerheid van implementatie te blijven geven door overgangsrecht te bepalen in de omgevingsverordening van de provincie. 4. Indiener vindt de voorgestelde wijziging van de bescherming Groene ontwikkelingszone (GO) een goede zaak. Wel verzoekt indiener de volgende aanvullende randvoorwaarden op te nemen: ●
stedelijke ontwikkelingen in de GO alleen als in stedelijk gebied geen ruimte is, groot maatschappelijk belang is aangetoond, er geen alternatieve gebieden zijn en de ladder duurzame verstedelijking is doorlopen;
●
natuur- en landschapsinclusief inrichtingsplan dat voorziet in de behoefte aan uitloopgebied, toename van biodiveriteit en klimaatadaptatie;
●
voorzien in voldoende bufferruimtes ten opzichte van Gelders natuurnetwerk (GNN), Natura 2000 en kwetsbare onderdelen van de GO;
●
substantiële financiële bijdrage investering in natuur en landschap;
●
geen grootschalige stedelijke ontwikkelingen in Nationaal landschap;
●
gemeenten moeten bij nieuw omgevingsplan uitwerking geven aan ontwerpprincipes (duurzaamheid, leefbaarheid)
●
geen reclamemasten in GO en GNN.
5a. Indiener verzoekt om in regels en toelichting duidelijk te maken dat bij ieder plan getoetst moet worden wat de effecten zijn op Natura 2000-gebieden en nagegaan moet worden of een plan uitvoerbaar is gelet de bepalingen in de Wet natuurbescherming. 5b. Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen moeten worden getoetst op biodiversiteit. Dit sluit aan bij het Ambitiedocument natuur en de Omgevingsvisie. 6. Grondwaterbescherming Indiener vindt het belangrijk dat initiatiefnemers bij het raadplegen van een bestemmingsplan of omgevingsplan direct de informatie te zien of sprake is van een beschermingsgebied voor het grondwater. In dat verband wordt het volgende voorgesteld: Het nadrukkelijk opnemen/continueren van de instructie richting gemeenten en andere overheden om te toetsen op het zorgbeginsel en waar nodig aanvullende randvoorwaarden te stellen om de grond- en drinkwaterbelangen veilig te stellen. Voorschrijven dat de toets op grondwaterbescherming wordt opgenomen in de Watertoets in het bestemmingsplan/omgevingsplan.
donderdag 9 september 2021
Pagina 46 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
In omgevingsplannen de ligging van intrek, KWO (koude- en warmteopslag)- en boringsvrije zone, grondwaterbeschermingsgebied en waterwingebied vast te laten/te blijven leggen op kaart en in de regels. In de regels van omgevingsplannen een verwijzing te laten opnemen naar de beschermingsregels voor de verschillende categorieën in de omgevingsverordening met de vermelding dat voor bepaalde werken en werkzaamheden een provinciale vergunningplicht bestaat. 7. Zonneparken Indiener wil de volgende onderwerpen toevoegen aan de onderwerpen waar bij het toestaan van zonneparken rekening mee moet worden gehouden: ●
De samenhang met de aanwezige biodiversiteit, streekeigen landschapskarakteristieken en de verschillende natuuropgaven.
●
De samenhang met de hydrologische situatie en de wateropgaven (grond- en oppervlaktewater)
●
Indiener verzoekt daarnaast om een instructieregel op te nemen die realisatie en duurzame instandhouding van natuur- en landschapsmaatregelen bij de aanleg van zonneparken borgt.
Daarnaast zit indiener graag dat de provincie actief wijst op de "Checklist Natuurbelangen bij grondgebonden zonneparken". 8. Indiener maakt bezwaar tegen de aanpassing van de definitie van glastuinbouw waarbij de omvang tot 2 ha niet onder het glastuinbouwconcentratiebeleid valt. Verder maken zij bezwaar tegen de opheffing van de status 'reserve' bij de glastuinbouwontwikkelingsgebieden van Velddriel en Angeren. Als laatste maken zij bezwaar tegen het ontbreken van een onderbouwing voor nieuw glastuinbouwontwikkkelingsgebied de Hoven. Tot slot sluit de indiener haar bezwaar af met een drietal verzoeken: ●
Wij verzoeken u de wijzigingen op het thema glastuinbouw niet goed te keuren en vast te houden aan het huidige beleid.
●
Indien u van mening bent dat herijking van het beleid gewenst is, stellen wij voor om eerst te starten met een goede evaluatie en het opstellen van een integrale ruimtelijke visie met een actuele PlanMER.
●
Wij verzoeken u daarom om de nu bijgevoegde wijzigingskaarten Glastuinbouwextensiveringsgebied, Tijdelijk verbod uitbreiding bestaande glastuinbouw, Tijdelijk verbod hervestiging glastuinbouw, en Tijdelijk verbod nieuwvestiging glastuinbouw, in te trekken.
9. Indiener heeft opmerkingen naar aanleiding van de kaarten Verbodsgebied windenergie, glastuinbouw, GNN, GO en Nationaal Landschap: a. Klopt het dat er in Gelderland geen verbodsgebieden windenergie meer zijn? Betekent dit dat in principe nergens windmolens zijn uitgesloten in Gelderland? Uit de vorige actualisatie kwam naar voren dat weidevogelgebieden in ieder geval uitgesloten zijn maar deze zijn niet op de kaart aangegeven. Ook voor deze wijziging is geen PlanMER opgesteld nu het verbodsgebied in de West - Betuwe wordt geschrapt. b. Graag zien we toegelicht waarom de betreffende gronden in de omgeving van de Berkel uit het GNN zijn gehaald, en mochten daar gegronde redenen voor zijn, waarom ze niet zijn toegevoegd aan het GO. c. Ten zuiden van Lent is een stukje uit het GO gehaald. Maar het oppervlak is aanmerkelijk groter dan hetgeen in het bestemmingsplan is aangeduid als wonen. Ook grond met een natuurbestemming is uit de GO gehaald. Indiener verzoekt de begrenzing aan te passen en gronden in de bestemming natuur toe te voegen aan het GNN. d. Nabij Grafwegen gemeente Groesbeek is een stukje uit GO gehaald. Het betreft de bestemming agrarisch donderdag 9 september 2021
Pagina 47 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
met natuur -en landschapswaarden. Indiener wil weten wat de reden van dit voornemen en voor zover er een goede reden is, is er ook sprake van compensatie? e. De kaart Nationale Landschappen, worden in de regel begrensd door een bruto begrenzing. Het is onduidelijk waarom in de kaart "eraf" binnen deze begrenzing snippertjes hieruit worden gehaald. Antwoord 1. De verordening als geheel en de aanpassingen in de actualisatie zijn niet planMER plichtig. Daarom is er geen planMER uitgevoerd en bestaat er geen verplichting een planMER bij deze actualisatie ter inzage te leggen. 2. Met de voorgestelde wijziging wordt de betrokkenheid van Provinciale Staten via een wensen- en bedenkingenprocedure gecontinueerd. Die betrokkenheid bij de beslissing van Gedeputeerde Staten om wel of geen zienswijze in te dienen op een voorgenomen gemeentelijk besluit, waarbij gebruik gemaakt gaat worden van de afwijkingsmogelijkheid van een of meer instructieregels uit de provinciale omgevingsvering, is geen reactie achteraf. Deze reactie wordt gegeven vóórdat een omgevingsplan wordt gewijzigd en/of een omgevingsvergunning wordt verleend. Gedeputeerde en Provinciale Staten kunnen dus een goede toetsende en/of controlerende rol vervullen, voordat een gemeentebestuur deze bevoegdheid toepast.
Overigens is die gemeentelijke bevoegdheid juist met betrekking tot de instructieregels omtrent natuur en landschap niet nieuw. De Omgevingsverordening Gelderland bevatte ook vóór Actualisatieplan 7 al een ADC-toets, waarmee het gemeentebestuur van de provinciale instructieregels kon afwijken (met een toetsende rol van Gedeputeerde Staten). 3. Wij gaan ervanuit dat de meeste instructieregels omgezet zijn in de (meer recente) bestemmingsplannenbuitengebied van gemeenten. Voor zover instructieregels nog niet zijn omgezet (in verouderde bestemmingsplannen), gelden die regels al wel voor de zogenaamde 'afwijkvergunning' waarbij van de bestemmingsplanregels wordt afgeweken voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Dit is uitdrukkelijk geregeld in (artikel 1.3 van) de huidige omgevingsverordening. Dit is bovendien voor de overgangsperiode naar het omgevingsplan uitdrukkelijk geregeld in paragraaf 8.1.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (via een aanvulling in het Invoeringsbesluit, Stb. 2020, 400). Die 'overgangsfase' is dus geen opgerekte implementatietermijn, waarbij de (meest recente) instructieregels genegeerd kunnen worden door het gemeentebestuur. Het vaststellen van overgangsrecht voor concrete situaties wordt in ons voorstel uit hoofde van het subsidiariteitsbeginsel toevertrouwd aan het gemeentebestuur.
Veel instructieregels zijn zogenaamde 'kanbepalingen': deze regels gelden alleen wanneer de daarin genoemde ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied met een bepaald beschermingsregiem door het gemeentebestuur mogelijk worden gemaakt. M.a.w. het gaat om 'als-dan'-bepalingen, die pas betekenis krijgen bij de concrete toedeling van functies aan locaties door het gemeentebestuur. Bij die lokale afweging of zo'n ruimtelijke ontwikkeling mogelijk moet zijn (of gecontinueerd moet kunnen worden), spelen bestaande rechten een rol naast eventuele beleids- e/o beheersmatige ambities met betrekking tot zo'n gebied of locatie. Die afweging kan het beste lokaal plaatsvinden, daar waar de kennis van het gebied en de historie daarvan en van het actuele gebruik aanwezig is. Via de zienswijzeprocedure kunnen Gedeputeerde Staten het gemeentebestuur erop aanspreken als in een voorkomend geval voorzien zou worden in overgangsrecht waarmee afbreuk zou worden gedaan aan de realisering van provinciale ambities uitgesproken in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland e/o in de oogmerk-bepalingen bij de instructieregels in de Omgevingsverordening Gelderland. Ook indiener zelf kan via de zienswijzeprocedure de gemeentebesturen aanspreken op het overgangsregiem dat zij voornemens zijn vast te stellen voor beschermenswaardig landschap en natuurgebied. 4.
We hebben bij deze actualisatie niet gekozen voor een toetsingsbeleid voor het GO met allerlei nieuwe randvoorwaarden, en ook niet voor een aanpassing van de begrenzing (aanleggen bufferzones), maar voor een donderdag 9 september 2021
Pagina 48 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
verbetering van de al bestaande regels. In de toelichting op artikel 5.19 (nieuw) wordt aangegeven dat wij nadere regels vaststellen over de manier waarop wordt bepaald wanneer sprake is van versterking, maar ook de mate en de locatie van de versterking. Met deze regels willen wij verdere invulling geven aan de regels over de bescherming en de ontwikkeling van de Groene ontwikkelingszone in onze verordening. Wij nemen de door indiener voorgestelde aanvullende randvoorwaarden daarbij in onze overweging mee. 5a. Wij komen niet tegemoet aan dit verzoek van indiener. Reden hiervoor is dat wij regels die al op grond van andere wetgeving van toepassing zijn, niet overnemen in onze Omgevingsverordening. Ook verwijzen wij niet naar andere toetsingskaders. Bij een ontwikkeling zijn tal van regels, naast regels uit de huidige Wet natuurbescherming en de toekomstige Omgevingswet, van toepassing. Het is ondoenlijk naar al deze kaders te verwijzen. 5b. In ons beleidsprogramma biodiversiteit, onze strategie voor een groener Gelderland, geven we aan hoe we de ambities voor meer biodiversiteit willen bereiken. Dit doen we met inzet van de verordening (beschermen), en met subsidie voor onder andere aanleg en inrichting van nieuwe natuur en bos en het stimuleren en motiveren van vergroting van de biodiversiteit in steden, bedrijfsterreinen, langs wegen etc.
Wij vinden het wel een goed voorstel, maar hebben voor herstel van de biodiversiteit een voorkeur voor de inzet van andere instrumenten dan de omgevingsverordening. Op de zogenoemde ladder van overheidsparticipatie uit onze kadernota “Gaan voor gaaf” kiezen we dus voor stimuleren en faciliteren en niet voor reguleren. 6. Wij onderschrijven het belang dat indiener aangeeft, maar niet de concrete voorstellen, omdat daarvoor al andere oplossingen gelden of in de maak zijn: ●
Een instructie richting gemeenten en andere overheden om te toetsen op het zorgbeginsel met het oog op het drinkwaterbelang is niet nodig en niet mogelijk, omdat een dergelijke verplichting al rechtstreeks voortvloeit uit de Drinkwaterwet (artikel 2);
●
We kennen al instructieregels voor de gemeenten op grond waarvan nu bestemmingsplannen en straks omgevingsplannen rekening moeten houden met de kwaliteit van het grondwater (in betreffende beschermingsgebieden) bij het toestaan van nieuwe activiteiten of functies (zie afdeling 2.5 van de huidige omgevingsverordening en afdeling 5.5 van de nieuwe omgevingsverordening);
●
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat gemeenten ook onze beschermingsgebieden gaan vastleggen, want dan is het niet meer duidelijk welk bestuursorgaan waarvoor bevoegd en verantwoordelijk is. Daarnaast gaat juist de Omgevingswet en het bijbehorende Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) verbetering brengen in de zicht- en vindbaarheid van onze grondwaterbeschermingsregels. Initiatiefnemers kunnen in het DSO de regels raadplegen die op hen van toepassing zijn vanuit een bepaalde locatie en dan komen naast de gemeentelijke regels ook direct de provinciale regels naar voren;
●
Zie het vorige punt. In aanvulling daarop merken wij op dat initiatiefnemers in het DSO niet alleen de regels die van toepassing zijn kunnen raadplegen, maar ook een zogenaamde vergunningcheck kunnen doen. Naar aanleiding van de gewenste werkzaamheden wordt door het beantwoorden van diverse vragen duidelijk of de werkzaamheden zijn toegestaan en of er een meldingsplicht of vergunningplicht bestaat. Wij zijn van plan om een dergelijke vergunningcheck in het DSO op te nemen voor onze grondwaterbeschermingsregels.
7. De samenhang met de aanwezige biodiversiteit, streekeigen landschapskarakteristieken en de verschillende natuuropgaven maakt onderdeel uit van criteria C (gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit) en D (samenhang met het omliggende landschap) van de regels voor zonneparken in het buitengebied. Wat betreft het borgen van landschaps- en natuurmaatregelen passen we onderdeel c van lid 1 aan en voegen we een extra lid aan artikel l toe. Ook passen we de toelichting daar op aan. Wij nemen kennis van de 'Checklist Natuurbelangen bij grondgebonden zonneparken' en zullen hier, net als donderdag 9 september 2021
Pagina 49 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
bij andere bruikbare handreikingen, naar verwijzen waar het bijdraagt een zorgvuldige locatiekeuze en meer natuurinclusieve inrichting van zonneparken. 8. Het schrappen van de aanduiding 'reserve' bij het glastuinbouwontwikkelingsgebied Velddriel en Angeren verandert niets in de beschermde status van het gebied. Deze blijft hetzelfde. Er mogen zich geen ontwikkelingen voordoen die de ontwikkeling van de glastuinbouw in de toekomst kunnen belemmeren. Alleen stelt de provincie in haar ontwerp-verordening voor om de tijdsvolgorde van ontwikkeling los te laten. Nu zijn alle gebieden gelijk. Het blijft voor de gemeente altijd nog de mogelijkheid zelf hier actief op te sturen. Het glastuinbouwconcentratiebeleid blijft daarmee bestaan, alleen de gemeenten krijgt meer mogelijkheden om haar eigen beleid te voeren. Het glastuinbouwconcentratiebeleid blijft behouden in de omgevingsverordening. Wel wordt de definitie van een glastuinbouwbedrijf qua schaalgrootte verruimd naar 2 ha. Hiermee worden kleinschalige glastuinbouwontwikkeling onderdeel van het afwegingskader van de gemeente en niet meer van de provincie. De gemeente gaat over het toekennen van deze agrarische bouwpercelen en het voorkomen van eventuele wildgroei. De provincie richt zich op de concentratie van grotere glastuinbouwcomplexen.
Voor het glastuinbouwontwikkelingsgebied de Hoven heeft de gemeente Zutphen een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing aangeleverd in de vorm van een structuurvisie. De drie ingediende verzoeken honoreren wij niet. Het eerste verzoek wordt afgewezen en voor de onderbouwing wijzen we naar bovenstaande punten. De wijzigingen zijn verder niet van dien aard dat hiervoor een planMER doorlopen moet worden of een aangepaste visie nodig is. Het gaat om kleinschalige wijzigingen, waarbij voornamelijk de gemeente meer beleidsruimte krijgt om haar beleid vorm te geven. De aanpassingen op de kaarten wordt daarom ook niet ingetrokken. 9.a Het klopt dat bij de verordening geen kaart met verbodsgebieden voor windenergie is opgenomen. Het verbod voor windmolens in weidevogelgebieden is opgenomen in de regels. b. De aanpassing van de begrenzing staat toegelicht in ons actualisatiebesluit. Voor de aanleg van een landbouwbrug over de Berkel te Lochem wordt het GNN herbegrensd. De realisatie van een brug is het sluitstuk van een uitgebreid gebiedsproces rondom de herinrichting en meandering van de Berkel en de realisatie van een landgoed waarbij 26 hectare natuur is gerealiseerd. Bij deze aanpassing had inderdaad het uit het GNN verwijderde deel GO moeten worden. Dit zal worden aangepast. c. De aanpassing van de begrenzing staat toegelicht in ons actualisatiebesluit.
Het gaat hierbij om herstel van een kennelijke fout. Bij een herbegrenzingsbesluit van GS in 2018 is de begrenzing van het GO/GNN niet conform de afspraak met de gemeente Nijmegen overgenomen. Het gaat om een perceel dat tot hoogwatervrij niveau is opgehoogd en gelegen is ten oosten van de Verlengde Waalbrug in Veur Lent en ten onrechte in het GO is opgenomen. d. De aanpassing van de begrenzing staat toegelicht in ons actualisatiebesluit. op deze locatie wordt een agrarische bestemming met een intensief veehouderij bedrijf omgezet in een woonbestemming ten behoeve van drie woningen voor particulieren. Hiervoor vindt een herbegrenzing plaats van het GNN/GO waarbij het GNN per saldo in oppervlak toeneemt, de landschappelijke en ruimtelijke inpassing verbetert en geen kernkwaliteiten in geding zijn. e. Indiener heeft met diverse kaartjes geïllustreerd dat de begrenzing van het nationaal landschap is gewijzigd doordat daar "snippertjes" uit zijn gehaald. In actualisatieplan 8 zijn er geen wijzigingen op de begrenzing van de Nationale landschappen. Wel zijn er door wijzigingen in het GNN en GO aanpassingen op de begrenzing van die delen van de Nationale landschappen die buiten het GNN, GO of de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) liggen.
donderdag 9 september 2021
Pagina 50 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
Het deel bij Westervoort, wordt de uiterwaard bij het GNN toegevoegd en vervalt dus uit Nationale landschappen BUITEN GNN, GO en NHW. Wijzigingen Deze zienswijze geeft aanleiding om het volgende aan te passen: 7. Bij artikel 5.74 passen we lid 1 onderdeel c als volgt aan: "de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van gebieden of locaties waar zonneparken mogelijk zijn en de wijze waarop deze kwaliteit behouden of blijvend versterkt kan worden;" Daarnaast voegen we een lid 3 toe die komt te luiden: "Het omgevingsplan bepaalt in welke mate de bij aanleg en gebruik van een zonnepark gerealiseerde versterking van de ruimtelijke kwaliteit na de verwijdering van dat zonnepark in stand wordt gehouden." De toelichting passen we ook aan. Bij toelichting op lid 1 voegen we toe "Omdat een zonnepark een ontwikkeling is die tijdelijk wordt toegestaan, moet gemotiveerd worden welke onderdelen van het inrichtingsplan tijdelijk zijn en welke ook na verwijdering van de zonnepanelen in stand moeten worden gelaten. Dit is afhankelijk van het karakter van het gebied, de gedurende de looptijd van de exploitatie van het zonnepark gerealiseerde versterking van de ruimtelijke kwaliteiten en de functie van de locatie na verwijdering van het zonnepark.
" De toelichting van lid 3 komt te luiden: "Daar waar de kwaliteit van het gebied waar het zonnepark wordt gelokaliseerd blijvend kan worden versterkt, beziet het gemeentebestuur of deze verbeterde kwaliteit ook na het beëindigen van de exploitatie en de verwijdering van het zonnepark in stand kan of moet worden gehouden. De substantiële versterking van de kernkwaliteiten kan worden verzekerd door het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen initiatiefnemer en bevoegd gezag (eventueel in combinatie met een boetebeding), voordat een omgevingsplan wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning voor de aanleg en gebruik van het zonnepark wordt verleend." De andere punten leiden niet tot wijzigingen in de tekst of de begrenzingen van de omgevingsverordening.
Overig Reactienummer:
47
Indiener:
N.N.
Samenvatting Indiener wil dat de verkenningsgebieden voor windturbines langs de A28 tussen Harderwijk en Nunspeet geschrapt worden vanwege ligging in Natura2000, de negatieve gevolgen voor de wespendief en zwarte specht en omdat het gebied te dicht bij woningen ligt. Antwoord Binnen het Gelders natuurwerk (GNN) kennen we al sinds 2017 gebieden waar andere regels gelden voor het plaatsen van een windturbine dan voor de rest van het GNN. Deze gebieden werden eerder aangeduid als Verkenningsgebied voorwaarden windturbines Gelders natuurnetwerk. Omdat deze term verwarring veroorzaakte, duiden wij deze gebieden in het vervolg aan als “GNN windturbines onder voorwaarden mogelijk”. De gebieden liggen langs snelwegen, vanuit het idee dat verstoring langs snelwegen sowieso optreedt en daarmee het effect op soorten minder zal zijn. Binnen deze gebieden is het onder voorwaarden mogelijk een windturbine te plaatsen. Er is niet gekeken naar de aanwezige natuurwaarden binnen deze gebieden. Gemeenten en initiatiefnemers zullen altijd nog onderzoek moeten doen naar de effecten op aangewezen
donderdag 9 september 2021
Pagina 51 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
natuurgebieden en soorten en de daarbij horende regelgeving. Ook de effecten van het plaatsen van een windturbine op bijvoorbeeld het milieu en de leefomgeving moeten worden beoordeeld. Het gebied langs de A28 tussen Harderwijk en Nunspeet waar indiener op doelt is niet gelegen in Natura 2000 gebied. De gebieden in het GNN waar onder voorwaarden windturbines mogelijk zijn overlappen nergens met Natura 2000 gebieden. Bovendien zijn de mogelijkheden van windturbines in dit gebied, zoals hiervoor al aangegeven, ook afhankelijk van de uitkomsten van onderzoeken. Wij delen de mening van indiener dan ook niet dat dit gebied bij voorbaat van de kaart zou moeten. Wel merken wij op dat in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES) de gebieden in het GNN waar onder voorwaarden windturbines mogelijk zijn nader zullen bekijken. Mogelijk dat de vertaling van de RES naar ons provinciaal beleid gevolgen heeft voor deze gebieden. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen in de tekst of de begrenzingen van de omgevingsverordening.
Zonneparken Reactienummer:
48
Indiener:
Gemeente Apeldoorn
Samenvatting Indiener heeft een pro forma zienswijze ingediend over verschillende onderwerpen. Deze is op tijd aangevuld met alleen een zienswijze over zonneparken. Indiener vindt dat de toelichting op de verordening vooral koerst op zonne-energie in de stad en zonne-energie langs wegen en bijvoorbeeld op voormalige stortplaatsen in het buitengebied. Indiener mist de notie en urgentie dat zonneparken een nieuwe functie zijn in agrarisch gebied die ook ruimte vraagt. Zonneparken in agrarisch gebied vormen een onmisbaar onderdeel van een Regionale energiestrategie (RES), waarbij op niveau van de RES al rekening is gehouden met een substantiële opwek van energie op daken in stedelijke gebieden. De overheid is geen eigenaar van deze daken en er is afhankelijkheid van rijksregelgeving. Het blijft daarmee een inschatting en best lastig juridisch hard te maken. Indiener raadt aan dit punt niet als een te zware motiveringsplicht te formuleren in de verordening. Indiener wijst erop dat de motiveringsplicht over ‘stad versus land’ en ‘zonneparken versus andere ruimteclaims’ op het niveau van RES en omgevingsvisies ingevuld zou moeten worden en niet op het niveau van het omgevingsplan voor een zonnepark. Voorkomen moet worden dat de motiveringsplicht teveel op bestemmingsplanniveau terecht komt en onnodig verzwarend gaat werken bij juridische procedures.
Op het punt van het planologische schaalniveau verdient de verordening volgens indiener een aanscherping. Antwoord Dat zonneparken in het buitengebied nodig zijn, wordt niet in twijfel getrokken. De RES is op hoofdlijnen en gaat niet in op de ruimtelijke afwegingen binnen de aangewezen gebieden en de kaders die daaruit voortkomen voor het toestaan van zonneparken. We snappen dat de realisatie van zon op dak uitdagingen met zich mee brengt zoals aangegeven. Maar dat betekent niet dat het potentieel geschikt dakoppervlak wel een rol speelt bij de ruimtelijke afwegingen. Het kan niet zo zijn dat de afweging voor zonneparken vooral vanuit het perspectief van 'makkelijk realiseerbaar' wordt bepaald. Bovendien werkt het Rijk aan een wijziging van het bouwbesluit om gemeenten meer instrumenten te geven voor zon op dak.
donderdag 9 september 2021
Pagina 52 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
Zoals we hierboven ook al aangeven is de afweging op het niveau van de RES niet voldoende om zorgvuldig ruimtegebruik (en de provinciale belangen die daarbij horen) voldoende te kunnen borgen. We zijn het eens dat de omgevingsvisie een belangrijke stap is bij de ruimtelijke afweging voor zonneparken in het buitengebied. De manier waarop dat gebeurt verschilt per gemeente. Daarnaast is de omgevingsvisie zelfbindend. Uiteindelijk is het omgevingsplan het kader waar de afwegingen moeten landen. Het is daarom ook logisch dat de motivering zich richt op het omgevingsplan. We zijn het eens dat deze motiveringsplicht niet onnodig verzwarend moet gaan werken bij juridische procedures. Maar dat is ook afhankelijk van de uitwerking. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen in de tekst of de begrenzingen van de omgevingsverordening.
Meerdere onderwerpen Reactienummer:
49
Indiener:
N.N.
Samenvatting Indiener heeft pro forma ingediend en deze op tijd aangevuld. De aanvulling is ook hierin meegenomen. Indiener geeft aan dat er peilgebieden ontbreken op de kaart met de peilbesluitgebieden bij de verordening, terwijl deze gebieden (waaronder de polder van Bern) recht hebben op een inspanningsplicht voor een streefpeil. Indiener merkt op dat de eigendomssituatie van zijn perceel in het Gelders natuurnetwerk (GNN) niet goed wordt weergegeven bij Boer en Bunder en dat dit mogelijk wordt veroorzaakt door het gebruik van open bronnen zoals pdok.nl en data.overheid.nl. Ook het kadaster geeft aan dat perceelsgrenzen niet altijd kloppen. Volgens indiener betekent dit dat er met onnauwkeurige kaarten beleid wordt gemaakt, dat andersmans land naar de overheid wordt getrokken en dat er onterecht wordt gedacht dat er geen belanghebbenden zijn. Indiener wil dat het eigendomsperceel (Gemeente Kerkwijk P nr. 1293g) uit het natuurnetwerk wordt gehaald of een lagere gradatie krijgt waarbij het agrarisch gebruik gerechtvaardigd blijft. Indiener dankt voor het buiten het GNN houden van de percelen ‘Gemeente Kerkwijk sectie L’.
Indiener vult bovenstaande zienswijze nog aan met de volgende opmerking: Bij de BGT controle (Basisregistratie grootschalige topografie) via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland blijkt dat percelen in het natuurnetwerk problemen ondervinden bij de registratie als landbouwgrond waarop volgens de Meststoffenwet mest mag worden aangebracht. Indiener merkt op dat het om zijn eigendom gaat, het perceel feitelijk in agrarisch in gebruik is en waarvoor nooit subsidie is aangevraagd. Daarom vraagt indiener de status van gemeente Kerkwijk sectie P nummer 1293 en 1295 aan te passen naar Groene ontwikkelingszone. Het mag niet zo zijn dat ongewenste doelen tot registratie problemen leiden van landbouwgrond zoals de meststoffenwet die beoogt. Veel emissies komen grotendeels terug op landbouwgrond die veel stikstof en CO2 vastleggen. Indiener meet regelmatig methaan en NH3 (ammoniak) in de stallen en tijdens het mixen van de mest. Volgens mestanalyses is het aandeel ammoniakale stikstof laag. Indiener roept op om niet alleen naar te kijken naar modellen, maar zelf te meten. Antwoord Zoals aangegeven in het actualisatieplan is de inhoud van de waterverordeningen voor de waterschappen beleidsneutraal overgenomen in de omgevingsverordening. Dat betekent dat de bestaande regels alleen worden
donderdag 9 september 2021
Pagina 53 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
verplaatst naar de omgevingsverordening, omdat de Omgevingswet dat verplicht. Aan de regels zelf verandert niets. Dat betekent ook dat er in die zin geen peilbesluitgebieden ontbreken vergeleken met de huidige situatie. Het ontbreken van een peilbesluit(gebied) betekent overigens niet dat er geen streefpeil kan zijn opgenomen in het beheerplan van de waterbeheerder. Bijvoorbeeld in gevallen waarin grote fluctuaties van het waterpeil door natuurlijke omstandigheden kunnen worden verwacht, is het niet reëel om een vast peil aan te houden, maar kan wel een streefpeil worden vastgesteld. Dat laatste is het geval voor de genoemde polder van Bern. Vanwege de lage en hoge waterstanden op de rivier kan daar geen vast peil worden gehandhaafd. Wel geldt op die plek een streefpeil (volgens het streefpeilenplan van het Waterschap). Voor de begrenzing van het GNN is het niet van belang wie de eigenaar van de grond is. Dat kunnen particulieren, agrariërs of terreinbeherende organisaties zijn. Al eerder heeft indiener een verzoek aan ons gedaan om zijn percelen uit het GNN te halen. In ons besluit van 26 november 2019 hebben wij twee van de drie percelen (Gemeente Kerkwijk sectie L) uit de begrenzing gehaald. Deze percelen waren onterecht opgenomen in het GNN. In datzelfde besluit hebben we aangegeven dat perceel nr. 1293g wel onderdeel blijft van het netwerk.
Dit perceel ligt midden in het natuurgebied Gamerense Waard en we beschouwen het om die reden als een integraal onderdeel van het GNN. Onze mening is op dat punt niet gewijzigd en we passen de begrenzing voor perceel 1293g daarom niet aan. Wat betreft de aanvullende informatie van indiener: De Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) wordt opgebouwd door het Kadaster. Wij leveren hiervoor wel zogenoemde bronbestanden aan, maar niet de registratie of een perceel al dan niet onderdeel is van het natuurnetwerk. Ook niet of er subsidiemogelijkheden op het perceel liggen. Daarom kan dit niet de reden zijn van de administratieproblemen bij de RVO. Onze mening is dan onveranderd en we passen de begrenzing van dit perceel niet aan. De modellen die worden gebruikt voor het weergeven van de effecten van de emissies van stikstof zijn gebaseerd op metingen. De Minister van LNV heeft recent besloten het aantal metingen uit te breiden, zodat er een completer beeld ontstaat van de werkelijkheid en modellen zo nodig kunnen worden aangepast. De opgave is de stikstofdepositie in Natura2000-gebieden te verminderen. Via https://monitor.aerius.nl/ kunt u zelf nagaan wat de gemodelleerde bijdrage is van verschillende sectoren aan de depositie (neerslag) van stikstof in de Natura2000-gebieden en wat de opgave is per gebied.
Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen in de tekst of de begrenzingen van de omgevingsverordening.
Meerdere onderwerpen Reactienummer:
50
Indiener:
N.N.
Samenvatting Indiener geeft aan dat er peilgebieden ontbreken op de kaart met de peilbesluitgebieden bij de verordening, terwijl deze gebieden (waaronder de polder van Bern) recht hebben op een inspanningsplicht voor een streefpeil. Indiener merkt op dat de eigendomssituatie van zijn perceel in het Gelders natuurnetwerk (GNN) niet goed wordt weergegeven bij Boer en Bunder en dat dit mogelijk wordt veroorzaakt door het gebruik van open bronnen zoals pdok.nl en data.overheid.nl. Ook het kadaster geeft aan dat perceelsgrenzen niet altijd kloppen. Volgens indiener betekent dit dat er met onnauwkeurige kaarten beleid wordt gemaakt, dat andersmans land
donderdag 9 september 2021
Pagina 54 van 71
Reactienota bij actualisatieplan 8 van de omgevingsverordening 2021 / Zienswijzen
Definitief PS
naar de overheid wordt getrokken en dat er onterecht wordt gedacht dat er geen belanghebbenden zijn. Indiener wil dat het eigendomsperceel (Gemeente Kerkwijk P nr. 1293g) uit het natuurnetwerk wordt gehaald of een lagere gradatie krijgt waarbij het agrarisch gebruik gerechtvaardigd blijft. Indiener dankt voor het buiten het GNN houden van de percelen ‘Gemeente Kerkwijk sectie L’. Antwoord Zie voor het antwoord zienswijze 49. Wijzigingen Zie voor wijzigingen zienswijze 49.
Overig Reactienummer:
51
Indiener:
N.N.
Samenvatting Indiener wil dat de verkenningsgebieden voor windturbines langs de A28 tussen Harderwijk en Nunspeet geschrapt worden vanwege ligging in Natura2000, gevolgen voor wespendief en zwarte specht, omdat ze te dicht bij woningen zijn gelegen en omdat de afstand tot snelweg en spoor te gering is voor plaatsing van turbines. Daarnaast geeft indiener aan dat dit gebied de afgelopen maanden tijdens bijeenkomsten over de Regionaal energiestrategie (RES) totaal niet werd genoemd als mogelijke locatie voor de plaatsing van windturbines. Indiener vraagt zich dan ook af waarom dit gebied zo op de kaart staat. Antwoord Binnen het Gelders natuurwerk (GNN) kennen we al sinds 2017 gebieden waar andere regels gelden voor het plaatsen van een windturbine dan voor de rest van het GNN. Deze gebieden werden vroeger aangeduid als Verkenningsgebied voorwaarden windturbines Gelders natuurnetwerk. Omdat deze term verwarring veroorzaakte, ook wat betreft de RES, duiden wij deze gebieden in het vervolg aan als “GNN windturbines onder voorwaarden mogelijk”. De gebieden liggen langs snelwegen, vanuit het idee dat verstoring langs snelwegen sowieso optreedt en daarmee het effect op soorten minder zal zijn. Binnen deze gebieden is het onder voorwaarden mogelijk een windturbine te plaatsen. Er is niet gekeken naar de aanwezige natuurwaarden binnen deze gebieden.