Bijlage V - 5 Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Tekst van het document
35
Afb. 3.25. Koperen drukknopen (vnr. 3.010). De twee drukknopen, zijn van hetzelfde model en betreffen allebei het mannelijke deel, met de knop. De stof die ooit ingeklemd zat tussen de twee delen hiervan is uiterst dun. Hiermee is het uitgesloten dat ze van canvas uitrusting of van dikkere kleding, zoals een Denison smock afkomstig kan zijn. De meest waarschijnlijke herkomst is van een gascape. Deze werden tijdens de oorlog nauwelijks gebruikt, maar werden wel meegevoerd door soldaten. Meestal zat de cape opgerold op de rug vastgezet aan andere uitrusting.
Afb. 3.26. Vroeg model gascape met koperen drukknopen (naar Brayley & Ingram 1998).
36
LEER Hanneke van Engeldorp Gastelaars (ADC ArcheoProjecten) heeft de volgende determinatie opgesteld: Vnr. 3 bevat veertien kleine fragmentjes leer met een totaalgewicht van 6 gram, alle uitgedroogd. De fragmenten passen niet aan elkaar, maar door de kleur en textuur van vijf fragmenten kan vermoed worden dat die bij elkaar horen. Het zal vermoedelijk gaan om een rechthoekig fragment leer met stikselgaten langs de randen; de randen zijn omgeslagen en zijn tegelijk met waar het op genaaid heeft gezeten meegestikt. Het garen is vergaan. Er is geen complete vorm aanwezig en daardoor is het lastig te bepalen waarvan het afkomstig is. Vermoed kan worden een onderdeel van kleding, tas, foedraal of iets dergelijks. Van de overige fragmenten kan niet herleid worden waarvan deze afkomstig zijn. Drie hebben aan één zijde een canvas weefsel erop zitten. Vnr. 14 bevat een fragment van een zoollaag van een schoen van 14 gram: het gaat om het gedeelte ter hoogte van de middenvoet, dat smal is en naar de voorvoet toe breder uitloopt. Ca. 5 mm vanaf de rand is een rij stikselgaten aanwezig; het garen is vergaan. Het leer is uitgedroogd en kromgetrokken. Omdat het slechts een klein fragment van de zool betreft, kan daar geen exact schoentype of datering aan worden verbonden. Waarschijnlijk dateert de zool ergens tussen de 14e en 19e eeuw.
Afb. 3.27. Schoenzoolfragmenten (vnr. 14).
37
Afb. 3.28. Leerfragmenten (vnr. 3). De fragmenten vnr. 3 komen uit de kuil spoor 6 waaruit zowel militair als civiel materiaal afkomstig is. Dat maakt een identificatie iets lastiger. De combinatie van leer en canvas kan op een verstevigingsstuk duiden dat expres in uitrusting is aangebracht om slijtage of beschadiging van een stoffen foedraal te voorkomen. Het leer is dusdanig dun en glad dat de indruk bestaat dat het om Ersatz materiaal gaat, door de Duitsers tijdens de oorlog geïntroduceerd ter vervanging van het schaarse echte leer. In dat geval zou het een stuk buitgemaakte uitrusting kunnen betreffen. Hierbij
38
kan gedacht worden aan een kaartentas of schepfoedraal. Op beide kan een in de stukjes aangetroffen stiknaad met een haakse hoek voorkomen. Het ontbreken van militair materiaal in vnr. 14 (kuil, spoor 20) zelf, behalve de in de nabijheid gevonden handgranaat, is het lastig om deze schoenfragmenten als militaire schoen te duiden. Aangezien er een in een cirkelvorm ingeslagen stempel met tekst lijkt te zijn aangebracht zou vooral aan een datering in de eerste helft van de 20e eeuw kunnen worden gedacht. Dit is meer in overeenstemming met de eveneens hier gevonden emaille pan, bakpan en olielamp. NOODRANTSOENEN Er zijn enkele blikken die onmiskenbaar behoren tot militaire nood- of gevechtsrantsoenen. Ze komen zowel in ronde als in rechthoekige vorm voor. Alle zijn van Brits of Canadees model.
Afb. 3.29. Noodrantsoenblikken (vnr 3.008, 007 en 006).
Afb. 3.30. Noodrantsoenblikken (vnr 12.001, 002 en 003).
De deksels van de rechthoekige noodrantsoenblikken zijn zo sterk gecorrodeerd dat met moeite zichtbaar is of er een vlakke top is of dat in hoogreliëf tekst is aangebracht. dat laatste is gebruikelijk bij Emergency Rations. En vlakke deksel met opdruk in inkt komt bijvoorbeeld voor bij Tea Rations en blikken Horlicks. De blikken komen net als in Heumen voor met een verhoogde of een verlaagde rand. Bij de ronde blikken is zonder leesbare opdruk niet vast te stellen wat de oorspronkelijke inhoud was. Mogelijk is het blik met golfkarton tegen de binnenwand voor kaakjes gebruikt.
39
Afb. 3.31. Voorbeelden van intacte Britse noodrantsoenblikken uit WO2 (talesfromthesupplydepot.blog).
RADIO OF VELDTELEFOON Er zijn geen vondsten van verbindingsmateriaal aangetroffen, met uitzondering van één batterij die in dergelijke uitrusting gebruikt kan zijn (vnr. 3.005. Het betreft een metalen kern waaromheen een koolstof laag is aangebracht. Op de top is een koperen contactpunt. Aangezien de buitenkant, normaliter met een papieren label ontbreekt is niet duidelijk of het een enkele batterij, dan wel één uit een set van meerdere betreft.
40
Papier en karton Deels verkleefd aan het militaire en civiele vondstmateriaal uit kuil spoor 6 is volledig of grotendeels verbrand papier en karton aangetroffen. Op slechts twee van de ca. 75 fragmenten zijn resten van opdruk bewaard gebleven. Helaas is er geen leesbare tekst behouden. Er is een indruk dat het illustraties uit een tijdschrift en niet uit een krant betreft. Het papier is namelijk zeer glad. Het karton kan zowel van de verpakking van munitie als van noodrantsoenen afkomstig zijn. Er is overigens geen zekerheid of het militair papier en karton betreft, maar van civiele herkomst is.
Afb. 3.32. Fragmenten papier met opdruk (vnr 3.001).
Civiel materiaal De overige vondsten, waarvan een deel ook tijdens de oorlog door militairen gebruikt kan zijn, zijn civiele objecten. Ze zijn te verdelen in de hoofdgroepen: sieraad, bouw, agrarisch, gereedschap, vervoer, verlichting, verwarming en keuken- en tafelgerei.
Afb. 3.33. Batterij (vnr 3.005) en twee helften van een armband (vnr. 3.002).
De armband is het enige stuk sieraad dat is aangetroffen (vnr. 3.002). Het is niet gemerkt en ook niet van een edelmetaal. Het betreft een koperen kern waarvan het oppervlak verchroomd of verzilverd is. Er is een hoogreliëf versiering, met inleg van een lichtblauw plastic knop, die gevat is in het koper. Aan de andere zijde ontbreekt deze knop. In het midden is een vierpas scharnierpunt, waarvan de as ontbreekt. Deze was van ijzer, wat door roest waarschijnlijk de breuk heeft
41
veroorzaakt. Het is volslagen onduidelijk of dit een lokaal civiel, dan wel een door de militairen meegebracht stuk betreft. Vaatwerk is ruimer voorhanden. Zo komen uit spoor 6 een groen emaille koffiepot, versierd met gouden horizontale banden en bloemendecoratie van witte en een gele stip. Opvallend is dat er verbrand papier tegen de buitenwand kleeft. Verder zijn er twee helften van een verchroomd koperen armband met hoogreliëf versiering en ingelegde blauw plastic knop, een plat ovale benzine aansteker, waarvan de deksel iets is beschadigd, waardoor interieur met rad zichtbaar is. Tenslotte is er een verchroomd koperen reservoir van een olielamp, waarbij intern de lont nog aanwezig is.
Afb. 3.34. Koffiepot, aansteker en lampoliecontainer (vnr. 3.001, 003 en 004).
De koffiepot en de olielamp zijn wellicht uit een huis in de buurt of op weg naar Heumen zijn geritseld. Het is zelfs niet uitgesloten dat het is buitgemaakt op de Duitsers. De benzine aansteker is een meer persoonlijk item. Helaas staat er geen merknaam op, net zo min als een eigendomsteken zoals een ingekraste naam of nummer. De kuil spoor 20 in het noordelijke uiteinde, nabij de vindplaats van de handgranaat, heeft uitsluitend civiel materiaal opgeleverd. Het betreft een ijzeren platte bakpan met schuin opstaande rand (vnr. 14.002), de koperen resten van een opengewerkte en gedreven versierde sierlijst van een (hangende of staande) olielamp en de wand van een grijs gemarmerd geëmailleerde ovale (vis)pan. Anders dan een datering in de eerste helft van de 20e eeuw is hier niet te geven. Er is een mogelijkheid dat het materiaal gedurende de oorlog in de grond is geraakt, maar zeker is dit niet.
42
Afb. 3.35. Een bakpan, olielamp en geëmailleerde pan (vnr.14.002, 003 en 001).
Hetzelfde geldt voor het materiaal geborgen in kuil spoor 48. Hier zijn de resten van minstens drie wit geëmailleerde pispotten met blauw randje gevonden (vnr. 37.003). De hoeveelheid is opvallend. Ook is er een fragment van een wit emaille emmer en een dito deksel (vnr. 37.005 en 004). Tevens zijn hierin een aantal gereedschappen gevonden, zoals een blad van een bats (vnr. 37.017) en van een smalle kleischop (vnr. 37.018), een riek (vnr. 37.019) en een haakse hooivork (vnr. 37.020). De vondst bevat ook kleiner huishoudelijk ‘gereedschap’ zoals een strijkijzer met klep aan de achterzijde voor het plaatsen van hete kolen (vnr. 37.023), een ringsleutel voor vierkante bouten of moeren van 3x3 cm (vnr. 37.021). Verder is er huisraad, zoals de gietijzeren poot van een potkachel (vnr. 37.015), een fragment van een gloeilamp met grote fitting (vnr. 37.006), een springveer uit een matras of stoelzitting (vnr. 37.011), een scharnier en knop (vnr. 37.009), gegolfd zink van een wastobbe (vnr. 37.002) en het bandijzer van een hoepel voor een ton, vat of kuip (vnr. 008). De categorie vervoer is vertegenwoordigd door fragmenten van een fietsketting en een paardenbit (vnr. 37.007 en 024).
Afb. 3.36. Fragmenten van wit emaille pispotten, emmer en deksel (vnr.37.003, 005 en 004).
43
Afb. 3.37. Divers gereedschap (vnr.37).
Deze vondsten vertonen grote gelijkenis met de inhoud van een in Groesbeek opgegraven kuil. Daar was het materiaal afkomstig uit een in september 1944 tijdens operatie Market Garden verwoeste boerderij. 27 Ook daar was er een mix van gereedschappen en huisraad. Vanwege deze overeenkomst is er een kans dat de vulling van spoor 48 in Heumen ook onder dezelfde omstandigheden is ontstaan. Maar een andere calamiteit is niet uit te sluiten. Uit laag 3000 is in put 1 een vork geborgen. Het is op de achterzijde gestempeld: GERO ZILMETA. Het is te dateren in de periode 1936-1952. Er is daarmee geen zekerheid dat het uitsluitend vóór of gedurende de oorlogsjaren is gebruikt en in de grond is beland.
27 Bosman 2021.
44
Afb. 3.38. Vork, met detail van het stempel (vnr. 6.002).
De Gerofabriek in Zeist, opgericht in 1910/1912, fabriceerde in de beginjaren alleen couvertartikelen, lepels en vorken in de modellen glad, parel en filet, en geleidelijk aan meer schepwerk. In de jaren twintig werd het assortiment uitgebreid met servieswerk, in een grote diversiteit aan producten. De producten werden van ‘nieuwzilver’ gemaakt; ook wel alpaca (voorheen ook met dubbel c geschreven). Wanneer dit alpaca verzilverd werd kreeg het de naam Gero-zilver. Zoals eerder omschreven bevat alpaca geen zilver, het is een legering van koper, nikkel en zink. Vanaf 1917 gebruikte Gero de naam Gero-Zilver. 28 Vanaf 1919 werd dit in het buitenland verkocht onder de naam Gero-plate. Naast dit Gero-zilver bestonden ook gromalca producten. Hierbij verzilverde men het alpaca niet maar men voorzag het van een dun laagje chroom. Na de crisisjaren bracht Gero in 1931 Gero Zilmeta edelstaal, een voordelig vlek- en poetsvrij metalen bestek, op de markt. Wijziging van de Waarborgwet in 1951 verbood de Gerofabriek de naam Gero-zilver te blijven gebruiken. In 1952 werd de naamsverandering van Gero-zilver in Gerozilvium doorgevoerd. De nieuwe naam was eigendom van de Gerofabriek. Bovendien had dit een hoger verzilvergehalte namelijk 100 in plaats van 90.
28 www.zilverkamerzeist.nl/begrippen.html
45
Afb. 3.39. Voorbeeld van een Zilmeta model 294 dessert set, gemaakt in 1940 (www.snuffeltjesfabriek.nl).
De vork is van het model 294 van Zilmeta, dat ook wel "Kruidnagel" of "Franse Lelie" wordt genoemd. 294 is in productie geweest in de periode 1936 – 1962. Het model heeft een hamerslag waardoor het een combinatie is van destijds modern Art Deco decor met een ambachtelijke uitstraling. Dit werd letterlijk in advertenties gebruikt: "Franse Lelie - moderne en tijdloze uitstraling nr. 294'' De 294 is overigens wel het laatste 'gehamerde' Zilmeta model. Van 294 bestaat ook een geheel matte versie, dat het officiële nummer 294A kreeg. Er zijn enkele vondsten aantoonbaar ouder dan de vondsten uit de periode van 1939-1945 of daarna, zoals een koperen schoengesp uit de 17e of 18e eeuw. Er is een knoop met een gegoten, maar nu gebroken oog. Op basis van die fabricagetechniek is het in de 19e eeuw te dateren. Door het ontbreken van versiering, tekst of nummer is er verder geen context voor aan te geven. De datering van een gesmolten klomp koper of koperlegering is niet te dateren, maar op basis van de corrosie wel als van vóór de 20e eeuw te beschouwen.
46
Historische context De Tweede Wereldoorlog startte voor Nederland in feite met het uitroepen van de algemene mobilisatie eind augustus 1939.
Afb. 3.40. Aankondigingsposter van de Algemeene Mobilisatie op 28 augustus 1939.
Strijd vond er hooguit plaats in het luchtruim boven Nederland en in de territoriale wateren tussen Duitsland en de Britten en Fransen. Nederland handhaafde strikte neutraliteit totdat het zelf ook werd overrompeld door de Duitse invasie in de vroege morgen van 10 mei 1940.
Afb. 3.41. Mobilisatie 1939 - 1940 , een foto van Nederlandse militaire genomen bij café Kanaalzicht (heumeninbeeld.nl)
47
Mei 1940 Op dat moment waren ten zuiden van Groesbeek slechts enkele militairen van de grenstroepen gelegerd. Het waren vooral mannen van de 3e compagnie van het 11e Grensbataljon (3-11 G.B.) die de grenswachtposten Kranenburgsche straat en Ketelstraat bemannen. Bij de grenspost Bruuk lag slechts één groep, bestaande uit 8 tot 10 man van de 3e compagnie, 2e bataljon van het 26e Regiment Infanterie (3-II-26 R.I). Ook werd er door grenswacht van dezelfde eenheid iets zuidelijker nauwelijks weerstand geboden op de posten Grafwegen en aan de Breedeweg toen de Duitsers 254. Infanterie Division ook daar om 03.55 uur binnenvielen. De taak was echter voornamelijk een eventuele inval niet te keren maar vooral te vertragen. De Nederlandse hoofdlinies ter bescherming van de Vesting Holland lagen immers veel verder naar het westen. Dat de Duitsers uiterst rap waren blijkt wel uit de rapporten dat ze al tussen 04.00 en 04.15 uur bij het Maas-Waalkanaal arriveerden. Daar stootten ze op een reeks kazematten, een totaal andere situatie dan die paar bomen over de weg tussen de grenswacht en die linie. Deze zogenaamde verhakkingen lagen onder anderen op het kruispunt van de Mooksche Baan en de Bisselsche straat en op de Heumensche Baan. Kort daarna viel de Sluisbrug bij Heumen dankzij een list intact in Duitse handen.
Afb. 3.42. De Duitse inval op 10 mei 1940 (detail van Schets/Kaart Nr. 1, Nierstrasz 1952).
De verdediging zag rond 04.00 uur enkele Nederlandse 'marechaussees' lopen die een groep Duitse 'krijgsgevangenen' begeleidde in de richting van de brug. Het waren in werkelijkheid leden van Brandenburger, ofwel de deutsche Kommandotrupps, vernoemd naar het slot waar ze waren opgeleid voor hun clandestiene taken. Ze wisten door hun kleding, houding én het gebruik van de Nederlandse taal de verdediging in de luren te leggen. Die lieten namelijk het brugdek zakken om de groep door te laten. Eenmaal op de brug zagen de Nederlandse soldaten dat het in werkelijkheid om uitsluitend vijandelijke troepen ging. Maar de overrompeling is dan al compleet, ondanks het wanhopige gevecht waarbij 17 Nederlandse en 11 Duitse militairen sneuvelden onder wie vier Brandenburgers.
48
Afb. 3.43. S-kazemat 11 langs Maas-Waalkanaal op het sluisterrein bij Heumen (regionaalarchiefnijmegen_F70433).
De bezetting 1940-1944 Tijdens de Duitse bezetting was de omgeving wel getuige van de strijd, maar op afstand. Als er gevochten werd, dan was het vooral in de lucht. Ter bescherming werden zoeklichten geplaatst die op nachtelijke geallieerde bommenwerpers gericht konden worden die met hun dodelijke last op weg waren naar de Heimat. Eveneens in de nabijheid opgesteld luchtdoelgeschut kon de lichtbanen volgen en waargenomen vliegtuigen beschieten. Ook werden bewakingstroepen in de regio gelegerd onder andere bij een groot munitiedepot in het Staatsbos (in de volksmond het ‘bommenbos’ genoemd) aan de Biesseltsebaan ten westen van Groesbeek. Voor het transport van de munitie werd een speciale aftakking van de spoorlijn Nijmegen – Kleve aangelegd. Deze liep met een boog om Groesbeek en had de eindhalte in het genoemde bos. Mogelijk is de opslag aan de geallieerde aandacht ontsnapt. Er is immers nimmer een bombardement op uitgevoerd, zelfs niet in de aanloop naar Operatie Market-Garden! Operatie Market Garden september 1944 De daadwerkelijke bevrijding voor Nederland begon in september 1944 toen de eerste Amerikaanse militairen in Zuid-Limburg de grens overkwamen. Kort daarna, op 17 september 1944, werd Operatie Market Garden ingezet. Het plan, ontsproten aan het brein van de Britse veldmaarschalk B.L.
Montgomery, voorzag in het veroveren van alle bruggen tussen Eindhoven en Arnhem door luchtlandingstroepen. Deze zouden dan verdedigd moeten worden totdat andere geallieerde grondtroepen het van hen zouden overnemen. De hoop was dat bij een geslaagde actie de oorlog vóór kerst 1944 gedaan zou zijn. Operatie Market Garden bestond uit twee delen: Market was het luchtlandingsdeel, waarbij alle grote bruggen (groot genoeg voor het oversteken met tanks, pantserwagens en vrachtwagens) over de Brabantse waterwegen, de rivieren Maas, Waal en Neder-Rijn) veroverd moesten worden. De Amerikaanse 101ste (Screaming Eagles) divisie landde bij Son en Veghel, de Amerikaanse 82ste (All American) divisie bij Grave, Overasselt en Groesbeek en ten slotte als verste de Britse 1e divisie en de Poolse luchtlandingsbrigade respectievelijk ten westen en ten zuidwesten van Arnhem. Garden was het grondtroependeel. Tussen Leopoldsburg en Valkenswaard zou het Britse XXXe Corps oprukken in een smalle corridor die uiteindelijk over de bruggen bij Arnhem zou moeten eindigen.
49
Afb. 3.44. Brigadegeneraal Gavin maakt zich gereed voor de C-47 Skytrain die hem en zijn staf van Engeland naar Groesbeek zal vliegen (strijdbewijs.nl).
Afb. 3.45. De landingsplaatsen van de 82e Amerikaanse luchtlandingsdivisie en het oprukken naar hun primaire doelen.
50
Om 12.45 uur landden de eerste pathfinders rondom Groesbeek. Hun taak was de drop/landingszones te markeren. Dat gebeurde door middel van respectievelijk violet en geel gekleurde rook. Kort hierop volgde de hoofdmacht.
Afb. 3.46. Een DC-3 Dakota boven Groesbeek op 17 september 1944 terwijl de eerste parachutist het vliegtuig verlaten heeft (slag-om-arnhem.nl).
Zowel ten noorden als ten zuiden van Groesbeek lag een landingsgebied van de Amerikaanse 82nd Airborne Division. DZ-N, ofwel Drop Zone N was bestemd voor de 505th Parachute Infantry Regiment (505 PIR) en van het Corps H.Q, ofwel de staf van Brigadier General James M. Gavin, commandant van de 82nd Airborne. Dit terrein ligt ter hoogte van Klein Amerika ten westen van Breedeweg. Binnen een 18 minuten waren 4511 manschappen van de 505th en de 508th geland met 70 ton aan uitrusting. Hun taak was de dropzone te beveiligen tegen eventuele Duitse tegenaanvallen. En die kwamen er! Verder moesten ze Groesbeek in trekken en oprukken om de brug tussen Cuijk en Mook te veroveren. Helaas is dat niet gelukt, aangezien de Duitsers die brug lieten springen. De 508 PIR landde in DZ-T ten noorden van Groesbeek en trok meteen op richting Nijmegen om de Waalbrug te veroveren. 504 PIR landde in DZ/LZ-O en veroverde daarna de brug bij Nederasselt. Hiermee was in ieder geval een brug over de Maas toch veilig gesteld. De Waalbrug zou uiteindelijk later ook veroverd worden. Naast de infanterie regimenten en staf werden ook de divisie artillerie, een batterij luchtdoelartillerie (A Battery 80th Anti Aircraft Battalion) en het 307th Engineer Battalion aangevoerd. De B (Baker) Company van 504 PIR kon onder leiding van captain Helgerson de Sluisbrug bij Heumen vrijwel onopgemerkt naderen.
Op nog geen 100m vanaf de brug werden ze echter ontdekt en zwaar onder vuur genomen door de Duitse verdediging. Eén platoon, van ca. 30 man, wist echter de brug te bereiken en de Duitsers naar het noordwestelijk van de brug liggende schiereiland te verdrijven. Hierop was een onmogelijke situatie ontstaan. De Duitsers waren nog steeds in staat de brug inclusief de opritten onder vuur te nemen, wat verder oprukken van de Amerikanen voorkwam. Maar aan de andere kant konden ze zelf ook geen kant op. Pas in de duisternis bij het vallen van de avond lukten het de Amerikanen tweemaal de Duitsers van nabij onder vuur te nemen. Door dit surpressing fire wisten vier man de vuurkoorden van de springladingen door te snijden. Er was nu geen gevaar meer dat de brug opgeblazen kon worden. Ook kon de aanval op de Duitsers ingezet worden vanaf de andere oever nadat een aantal
51
manschappen waren overgevaren. Aan het korte maar hevige vuurgevecht deed ook een opgerukte eenheid van 505 PIR die vanaf het Oosten naar de brug was opgerukt. Wat volgde was een overrompeling van de Duitsers die voorzover ze nog stonden alle krijgsgevangen werden gemaakt. Terug naar het gebied van 505 PIR. Ter hoogte van Bruuk lag LZ-N, oftewel Landing Zone N. Dit was de extra plaats waar de WACO zweefvliegtuigen konden neerdalen die ook al na de eerste lifts met parachutisten op de snel vrijgemaakte dropzones landden. In ieder geval is zo de 325th Glider Infantry Regiment aangevoerd. Deze mannen sprongen niet als parachutisten uit een vliegtuig, maar stegen uit na de landing, voornamelijk tussen Knapheide en Klein Amerika. Een zweefvliegtuigen bracht of 20 manschappen of zwaardere objecten mee, zoals met de diezelfde middag op Knapheide/Klein Amerika binnengekomen 376th Field Artillery Battalion met 554 man verdeeld over 48 vliegtuigen. Maar zij sprongen als parachutisten en brachten twaalf M1A1 75mm Packhowitzers mee met 700 granaten. Deze Airborne Howitzers met een M8 Airborne Carriage, waren in Groot-Brittannië uit elkaar gehaald en ieder verdeeld over negen zogenaamde paracrates. Elk van die kratten kon worden gedropt met een eigen parachute.
Direct na de landing konden de delen bij elkaar gebracht worden en de vuurmond geassembleerd, waarna direct vuur uitgebracht kon worden. Lt.Col. Wilbur Griffith, commandant van de 376th, brak zijn enkel bij het neerkomen, maar werd daarna door zijn mannen met een kruiwagen gereden. Een kwartier landden 46 Waco zweefvliegtuigen met aan boord: jeeps, anti-tank geschut, munitie, aanhangwagentjes en ook onderdelen van het divisiehoofdkwartier. Niet alle zwevers kwamen echter op hun bestemming terecht. Sommigen crashten of kwamen te dicht bij de Duitsers met het gevolg dat de bemanning krijgsgevangen werd gemaakt. Op 17 september zijn er 47 Amerikaanse Waco-gliders op Klein Amerika geland, een enkeling kwam neer bij de Zuidmolen. Iets later op de dag landden tussen Breedweg en Bruuk nog eens 27 Horsa-gliders. Dat waren Britse zweefvliegtuigen die in dit geval door Amerikanen zijn gebruikt. Op maandag 18 september landden nog eens 330 ten noorden en zuiden van Groesbeek op de vrijgemaakte DZ en LZ. Zowel de Waco- als de Horsa-gliders werden getrokken door DC-3 Dakota’s en werden op een hoogte van ca. 250 m losgekoppeld om vervolgens zwevend naar hun doel te vliegen. Ze kwamen met een snelheid van rond de 100 km p/uur. Niet zelden moest gebruik worden gemaakt van remparachutes
Afb. 3.47. Mannen van de 82nd laden een 57mm antitank geschut in een Waco glider. NB let op de op de affuit vastgebonden kisten met munitie. Het geschut was hierdoor direct inzetbaar na de landing (warfarehistorynetwork.com).
52
Op maandag 18 september 1944 kwam ook de eerste bevoorrading aan. 252 zware B-24 Liberator bommenwerpers vlogen die dag zowel naar de 101st bij Son als de 82nd bij Groesbeek. Ieder toestel had 2 ton bij zich aan uitrustingstukken, voedsel, munitie, medicamenten en benzine. Dit was verpakt in containers, waarbij de kleur van de parachute een indicatie was voor de inhoud. De 132 laagvliegende bommenwerpers dropten hun lading op het hooggelegen terrein van Dennenkamp/Klein Amerika. Slechts 20 % van de lading ging verloren of kwam in vijandelijke handen. De bevoorrading werd de dagen daarna op kleinere schaal voortgezet, waarbij het slechte weer in Zuid-Engeland roet in het eten gooide. De bevoorradingen hielden in ieder geval aan totdat het Britse XXX-Corps contact had gemaakt met de Amerikaanse parachutisten. Al tijdens de landingen ondervonden de Amerikanen last van vijandelijk vuur. Zelfs begeleidende jachtvliegtuigen werden neergehaald. Het was dus zaak om zo snel mogelijk in te graven en het vuur te beantwoorden en een verdedigbare stelling te hebben. De naar het oosten gerichte linie van het 505th lag van Kamp, via de westkant van Heikant, door Horst, ten westen van Bruuk en Grafwegen tot aan het Kriekbergbos. Vanaf daar boog de linie in westelijke richting naar Mook. Veel mannen lagen die middag al in hun foxholes gereed voor een tegenaanval. En die kwam er ook.
Al in de avond van 17 september versterkten de Duitsers 406. Infanterie Division in Wehrkreis VI. Vanuit Keulen waren delen van II. Falschirmjägerkorps onderweg naar de bedreigde sector. Ca. 3400 man waren beschikbaar, verdeeld over enkele Kampfgruppen (KG). Deze vielen over drie lijnen aan: Rechterflank, in de richting van Nijmegen over Mehr en Wyler via Beek-Ubbergen-Berg en Dal; Centraal, in de richting van Groesbeek; Linkerflank in de richting van Knapheid en Mook. De Amerikanen werden hierbij wel iets teruggedrongen, maar de Duitsers hebben hen niet weten te verslaan. Op 20 september werd pas een volgende aanval uitgevoerd. In de bovengenoemde sectoren zijn waren respectievelijk de volgende Duitse KG actief: KG Fürstenberg en KG Becker richting Nijmegen, KG Greschick richting Groesbeek en KG Hermann richting Mook, via De Horst en via Grafwegen en Bruuk. De tanks van XXX-corps rukten op 19 september na veel oponthoud eindelijk op richting Grave waar ze om 10.00 uur arriveerden. Hier maakten ze aansluiting met de American 82nd Airborne Division. Market Garden leek eindelijk volgens plan te gaan verlopen toen de voertuigen van XXXcorps Nijmegen wisten te bereiken. Deze tanks, pantserwagens, vrachtwagens en ondersteuningsvoertuigen kwamen via een constante stroom door een smalle corridor.
504 en 505 PIR hadden de bruggen het Maas-Waalkanaal bij Honingshutje en Heumen wel veroverd. Maar de kortere route via de brug van Honinghutje bridge richting Nijmegen bleek onbruikbaar. De zware gevechten rond de brug hadden deze ernstig beschadigd. Het was onbruikbaar voor het overzetten van de zware tanks. De brug bij Heumen was nog wel intact en werd zo deel van de corridor. Op dat moment was de verkeersbrug bij Nijmegen nog steeds in vijandelijke handen. De troepen van het Britse XXX-corps samen met de Amerikaanse 82nd Airborne Division startten een offensief, die aanvankelijk stuitte op het Keizer Lodewijkplein, waar de Duitsers een sterke verdedigingslinie hadden geïmproviseerd, waar de infanteristen werden ondersteund met 8,8 cm en 2 cm vuurmonden. Ondanks de verwoede pogingen lukte het de Duitsers niet om de geallieerden terug te dringen. Inmiddels was de vers aangekomen 325 GIR in de linie met het 505th geplaatst. Delen van de laatste waren in de tussentijd ook nog actief bij de verovering van de Waalbrug bij Nijmegen. Op 1 oktober volgde een laatste massale Duitse aanval over diverse lijnen. Echter ook deze had geen succes waarna een patstelling is ontstaan. De geallieerden hebben geen nieuwe pogingen ondernomen verder op te rukken, en de Duitsers geen nieuwe tegenaanvallen.
De geallieerden verlegden de aandacht van het veroveren van Zuid-Nederland in westelijke richting, met als uiteindelijke doel de Scheldemond vrij te krijgen zodat de haven van Antwerpen gebruikt kon worden. Tot dan werd namelijk alle bevoorrading nog geregeld vanuit Normandië! Die lange aanvoerroute was niet handig wanneer de geallieerde invasie in Duitsland zelf zou gaan beginnen.
53
Afb. 3.48. De situatie op 24 september 1944 (naar Ten Hag e.a. 2019).
‘Stilstand’ oktober 1944 – februari 1945 Operatie Market Garden slaagde voor een groot deel, behalve in het bereiken van de laatste en in feite essentiële schakel: de bruggen bij Arnhem. Alleen met die bruggen lag de route richting het Duitse Rijnland open. Door dit fiasco werden Noord-Brabant, Zeeland, Limburg en Gelderland soms tot aan voorjaar 1945 frontgebied met zware gevechten met artilleriebeschietingen en bombardementen vanuit de lucht. De Duitsers hadden grote delen van de Betuwe en het rivierdal in de zone ten oosten van Arnhem geïnundeerd. Ook het dal van de Rijn tussen Nijmegen (Ooijpolder) – Wyler en Kleve stond onder water. Hierdoor werd een massale opmars door de geallieerden met zwaar materieel ernstig gehinderd. Bovendien was de gebruikelijke hoogwaterperiode tussen oktober en maart een garantie voor de Duitsers geweest dat die gebieden voorlopig niet droog zouden vallen. Tussen Groesbeek en Horst lag het front, wat in al die tijd nauwelijks verschoof. De Duitsers waren fanatiek aangezien ze wisten dat verder terugtrekken naar het oosten een gevecht op eigen bodem zou betekenen. Voor het Reichswald lag de eerste linie, in dat bos lag iets verder oostelijk een zwaar verdedigbare linie, die al sinds 1939 in een Engelstalig populair liedje werd genoemd: de
54
Siegfriedlinie. 29 De door de Duitsers zelf Westwall genoemde linie stond symbool voor de linie die, als deze genomen zou zijn, het verlies van de oorlog door Duitsland zou betekenen.
Afb. 3.49. De Duitse verdedigingslinies vlak voor aanvang van Operatie Veritable. De voorste linie met weerstand en waarnemingsposten (links), de Siegfried linie (de hoofdweerstandsstrook, midden) en de Hochwald linie (de achterste linie, rechts).
De wacht in de geallieerde linies werd overgenomen. De gespecialiseerde Amerikaanse luchtlandingseenheden waren té kostbaar voor ‘eenvoudige’ infanterietaken. Ze werden verplaatst, om iets later gedurende de wintermaanden naar de Ardennen worden gestuurd om het daar ingezette Duitse offensief te kunnen keren. In november 1944 lagen in de regio rond Nijmegen Canadese troepen van het 1e Legerkorps aangevuld met de Britse 49e West Riding (Polar Bear) Divisie. Zij dienden een front van 200km breed te beheersen, van de Betuwe in het westen tot de regio van Nijmegen. In de laatste sector lag het zwaartepunt van de troepen, ook vanwege de op stapel staande acties richting Duitsland zelf. Het waren met name de Canadezen van de 2e en 3e Infanterie Divisie die hier kwamen te liggen. Tevens werden ter verdediging van de bruggen van Nijmegen extra luchtdoelbatterijen geplaatst, zoals de met 3,7 inch vuurmonden uitgeruste 74e brigade van het Anti Aircraft Defense Comand. Deze eenheid had tevens sterke zoeklichten waarmee ’s nachts een groot deel van de lucht verlicht werd. Ze kregen de bijnaam Monty’s Moonlight. Tenslotte werd in december 1944 ook de 1e Canadese Raketbatterij in de Betuwe opgesteld, ook met het doel de bruggen te vrijwaren van Duits artillerievuur. Montgomery had het Britse XXX Corps onder bevel van generaal Crerar van het 1e Canadese leger geplaatst.
Er werden grote voorraden aangelegd en troepen verzameld. Om veiligheidsredenen en misleiding werd vooral het bevrijde deel van Noord-Brabant gebruikt. De hoop was dat de Duitsers zouden denken dat de volgende geallieerde aanval in noordelijke richting zou komen. Generalfeldmarschall G. von Rundstedt, opperbevelhebber van het gehele westfront, en Generaloberst J.A. Blaskowitz, commandant Heeresgruppe H, hadden dit door en bleven ervan
29 “We're Gonna Hang Out The Washing On The Siegfried Line”; zie bijvoorbeeld: www.youtube.com/watch?v=o3WPted_ihs
55
overtuigd dat het daadwerkelijke doel het industriële hart van het Rijnland zou zijn. Op basis hiervan plaatsten ze hier hun belangrijkste troepenconcentratie. Eén van de plaatselijke commandanten, General der Fallschirmtruppe A. Schlemm, commandant I. Fallschirm-Korps, vermoedde echter dat de aanval waarschijnlijk zou komen vanuit de zone van Nijmegen. Zonder bevelen plaatste hij daarom een deel van de Duitse troepen iets verder noordelijk. Hij had het bij het rechte eind. Operatie Veritable februari 1945 Er kwam pas verandering toen de geallieerden in de periode maart-april Operatie Veritable inzetten. Het doel was ditmaal om vanuit Nederland een tweede grootschalig offensief tegen de Duitse verdedigingswerken in te zetten en Duitsland binnen te trekken. Oprukken in noordelijke richting naar de Rijnovergang bij Arnhem was niet het doel. In plaats daarvan was een oprukken in oostelijke richting voorzien. De Rijn zou ten oosten van Emmerich bij Wesel overgestoken worden met inzet van amfibievoertuigen. Maar om de Duitse muur te slechten ter hoogte van Nijmegen en Groesbeek was er behoefte aan een overmacht. De Duitsers hielden immers rekening met een hernieuwd offensief.
Er werden 170.000 man geallieerde troepen, compleet met grote hoeveelheden uitrusting en voorraden, tanks, pantserwagens en vrachtauto’s in de bossen ten zuiden van Nijmegen opgesteld zonder dat de Duitsers dit merkten! Dit kwam onder andere doordat ze het luchtoverwicht verloren hadden. Er konden nog zelden verkenningsvluchten worden uitgevoerd boven geallieerd gebied. Beide zijden ondervonden overigens ernstige hinder van het natte weer en de ingezette dooi na de wintermaanden. Wegen werden zo onbegaanbaar, en niet ieder Duits mijnenveld was nog herkenbaar. Operatie Veritable was voorzien als het noordelijke deel van een klassieke tangbeweging. Verder naar het zuiden zou het Amerikaanse 9th Army oprukken naar het noorden in operatie Grenade. Echter op het moment dat die zou starten, 48 uur na aanvang van operatie Veritable, bleek dat de Duitsers dammen hadden opgeblazen waardoor in de Amerikaanse sector ernstige overstromingen waren, waardoor er geen sprake kon zijn van oprukken. Op de vroege ochtend van 8 februari 1945 om 5.00 uur barstte de strijd los. Het tijdstip was zorgvuldig gekozen aangezien het toen nog donker was. De Duitse soldaten werden wreed gewekt door het gedreun van de zwaarste artilleriebarrage die de Canadezen en Britten in de Tweede Wereldoorlog ooit hadden ingezet. Vanwege de dracht stonden de zwaarste kalibers het verst weg.
In totaal waren dit 122 vuurmonden van de kalibers 155 mm, 7.2-inch, 8-inch en 240mm. Hun taak was om de sterkste Duitse bunkers uit te schakelen. In de tweede linie iets meer nabij het front stonden 280 vuurmonden van 4,5-inch en 5,5-inch. De derde linie waren 72 stukken luchtafweergeschut van 3,7-inch en 576 vuurmonden van het kaliber 25-ponder. Het is bekend dat het lawaai niet alleen aan Duitse zijde gigantisch was, maar dat ook aan de geallieerde kant soldaten van de achterhoedetroepen in de buurt van de geschutsopstellingen urenlang doof waren.
56
Afb. 3.50. In detail ingetekende linies(rood) en mijnenvelden(rood gearceerd)ten oosten van Groesbeek (naar Ten Hag e.a 2019).
57
Afb. 3.51. Canadese artilleristen vuren hun 40 mm Bofors luchtafweergeschut horizontaal af richting de weg naar Kleve gedurende Operatie Veritable. NB let op de grote stapels al verschoten hulzen (warfarehistorynetwork.com).
Het meest nabij aan het front, met de mogelijkheid om ook direct verder op te rukken, stonden 60 Sherman tanks, 24 stuks 17-ponder pantserafweergeschut, 80 stuks 4,2-inch mortier, 114 Bofors 40 mm geschut, 188 middelzware mitrailleurs en 12 raketwerpers met elk minstens 30 lanceerbuizen. Deze konden ononderbroken barrage neerleggen die met eventueel oprukkende tanks, pantservoertuigen en infanterie steeds verder weg gelegd kon worden. De Canadezen noemden het de inzet van Pepper Pot groups, die het front continu bestookten met gecoördineerd vuur op relatief korte afstand door alle beschikbare tanks, anti-tank kanonnen, lichte luchtafweer, zware mitrailleurs en zware mortieren. De vijand was zo genoodzaakt in dekking te blijven terwijl de aanval was ingezet. De enige hindernis was dan nog de aanwezigheid van vele Duitse mijnenvelden tussen De Horst en het Duitse Kranenveld. Uiteindelijk zou de beschieting 4 ½ uur duren.
Afb. 3.52. Soldaten van de 53rd (Welsh) Division rukken op door het tijdens de artilleriebarrage zwaar beschadigde westelijke deel van het Reichswald op 8 februari 1945 (Barclay 1956).
58
Het artillerievuur werd overigens geleid vanuit de kap van de Zuidmolen van Groesbeek. Dit hoge gebouw was wonderwel intact gebleven. Even daarvoor, op 21 januari 1944 hadden hier de Canadese luitenant-generaal Simonds (commandant 2e Canadese Divisie) en de Britse luitenantgeneraal Horrocks (XXX Corps) afgesproken om de plannen te bespreken waarbij ze overzicht hadden over het gevechtsterrein van de maand erna. Na hen deden hun ondergeschikte commandanten exact hetzelfde. Het zal het succes van de actie sterk bevorderd hebben, aangezien de meeste commandanten exact wisten wat van hen en hun troepen verwacht ging worden. Naast het dekking laten zoeken en demotiveren van de Duitse troepen was er nog een reden om de artilleriebarrage ook voort te zetten tot in het Reichswald. Het was een door de Duitse staat aangelegd productiebos met rechthoekige percelen die via de tussenpaden lange schootsbanen boden aan de Duitse verdedigers. Verder was het bos dicht beplant, wat slechts enkele tientallen meters zicht opleverde. Alleen in recent gekapte delen was er zicht over een lengte van 200 tot 300 meter. Het was al gebleken dat kaarten onbetrouwbaar waren en luchtfoto’s hadden ook nauwelijks helderheid kunnen brengen in de locatie van de Duitse posities of in de gesteldheid van het terrein. Na de beschietingen kwam de geallieerde trein in beweging en stroomden ca.
400.000 soldaten met 40.000 voertuigen en 1500 stukken geschut voorwaarts het Reichswald in op de grens tussen Nijmegen en Gennep. 30 Overigens begon ook de regen onafgebroken te stromen. Het was met name de Canadian 1st Army met 13 divisies, drie armoured brigades, plus de 30th Brigade van de 79th Armoured Division (British), aangevuld met vijf artillery groups, twee anti-aircraft brigades en de Canadian Rocket Battery. Ofwel zes infanterie divisies (waarvan vijf bij de start, en de zesde als reserve en aanvulling), twee gepantserde divisies, drie gepantserde brigades en vele gespecialiseerde regimenten eveneens voorzien van pantservoertuigen. Een voorbeeld van die laatste zijn vlammenwerper tanks.
Afb. 3.53. Soldaten van Canadian Rocket Battery bezig met het laden van Land Mattress raketten in het afvuursysteem.
30 In totaal lag het aantal militairen tussen de 470.000 en 500.000 man. Sommige afdelingen zoals veldhospitalen en logistieke
opslagplaatsen bleven logischerwijs voorlopig achter in de uitvalsbasis. Zo was er bijvoorbeeld bijna 5 miljoen liter brandstof nodig om alle voertuigen in beweging te houden.
59
Bij de Canadezen had 2nd Canadian Division de opdracht om direct links van de Britse troepen de plaatsen Den Heuvel en Wyler in te nemen om vervolgens de hoofdweg richting Berg en Dal veilig te stellen. 3rd Canadian Division had de taak de linkerflank te beveiligen en de lage gronden te veroveren en te zuiveren van de vijand tussen de hoofdweg Wyler-Kranenberg-Kleve en de Rijn tot aan de spoorweg Kleve-Griethausen. Zij moesten na het leggen van een rookgordijn oprukken met amfibievoertuigen in de geïnundeerde gebieden om de dorpjes te ontdoen van Duitsers. De Britse troepen rukten rechts van hen op. De indeling was zo dat de 15 Scottish Division iets ten noorden van het Reichswald oprukte, 53rd Welsh Division dwars door dit woud en de 51st Highland Division ten zuiden ervan. Het is met name de 53rd Welsh Division die via Lage Horst en De Bruuk oprukt. Ter hoogte van Kleve voegde de 43rd (Wessex) Infantry Division en de Guards Armoured Division zich bij de meest noordelijke Britse opmarsroute. Maar dit werd ernstig vertraagd door files op de enige begaanbare weg in het noorden. De 71st Brigade van de 53rd Welsh Division begon de aanval om 09.30 uur, nog tijdens de barrage. Het vuur werd vervolgens zo gelegd dat het pal voor de leidende aanvalsgroep viel. Dit waren mannen van de 4th Royal Welsh Fusiliers.
In het eerste deel van de opmars werden ‘Flails’ ingezet, tanks met een roterende trommel waaraan kettingen en ronde kogels aan het eind bevestigd waren. De kogels sloegen hard op de grond om zo verstopte anti personeel- en anti tankmijnen uit te schakelen. De flails kwamen echter vast te zitten in de modder. Ze werden zo veel mogelijk vlot getrokken door ondersteunende tanks van 147th Royal Armoured Corps (R.A.C.). Om 12.00 uur op zo’n 1000 m afstand van het Reichswald werd de 4th R.W.F. afgelost en gepasseerd door de 1st Oxford & Bucks Regiment (Ox ’n Bucks) en de 1st Highland Light Infantry (H.L.I.), die zo de spits van de aanval overnamen. Rond 13.00 uur werd een tankgracht voor de Westwall op enkele plaatsen overbrugd. Hierna kwam rond 14.00 uur de hoofdmacht in beweging. Het terrein was door de barrage, winterse omstandigheden en de verplaatsing van troepen tijdens de strijd steeds slechter begaanbaar geworden. De uiteindelijke doelen werden toch om 15.30 uur al gehaald. Om 10.46 begon de opmars van de 51st Highland Division pal achter de barrage aan. Een Schots officier had in zijn gevechtsverslag vermeld dat hij een dergelijk artillerievuur niet meer had meegemaakt sinds de slag om El Alamein in Noord-Afrika in oktober 1942. Kort na het inzetten van de aanval had “A” Company van 5/7th Gordons van de 51st Highland Division het gehucht Breedeweg veroverd.
Even voor 11 uur trokken de eerste soldaten van het 1st Black Watch het Reichswald in. Met name de door de Duitsers ingezette sluipschutters stoorden de opmars, ze wisten onder andere drie officieren dodelijk te raken. Maar om 13.20 uur werd het bericht ‘positions taken’ naar generaal Horrocks (commandant XXX Corps) gestuurd. Zijn antwoord is even simpel: ‘42nd, congratulations on being first on German soil!’. 31 De 51st zou van alle nog de meeste tegenstand ondervinden. In de nacht van 7 op 8 februari bleek juist in hun sector voor het Reichswald een Duits bataljon zich te hebben ingegraven. Het duurde uiteindelijk 36 uur eer dat deze uitgeschakeld was en de belangrijke zuidelijke weg richting Goch vrij was.
31 Horrocks verwijst hier naar de oorspronkelijke benaming uit de 18e eeuw van deze eenheid: 42nd Royal Highland Regiment.
60
Afb. 3.54. De opmars tijdens Operatie Veritable op 8 februari 1944 (naar Barclay 1956).
Het was een grote overmacht ten opzichte van wat de Duitsers toen nog in het veld konden brengen. Hierbij waren onder andere de 84. Infanterie Division, Kampfgruppe Katzmann, de 2. Fallschirmjäger Regiment en delen van 180. Infanterie Division. De deels bloedfanatieke troepen waren zelfs nog in staat gebleken om tegenaanvallen uit te oefenen. Dit was met name de 7. Fallschirmjäger Division van 1. Fallschirmjäger Armee, Armee Gruppe H, en 15. Panzergrenadier Division. Verder waren er nog delen van de 1. SS Leibstandardte Adolf Hitler en de 12. SS Hitlerjugend. Pas na zes weken strijd zouden de Duitsers zich hier op 23 maart 1945 gewonnen geven. De tol was hoog: ca. 100.000 mensen kwamen om het leven, terwijl de Duitse stadjes Kleve, Emmerich en Wesel compleet waren weggevaagd door bombardementen en door de strijd. Overigens had generaal Horrocks verzocht om de verdediging van de steden voor de Duitsers onmogelijk te maken en deze met steden bombardementen met brandbommen te bestoken, maar niet met brisantbommen. De veel ernstiger verwoesting belemmerde zo zijn troepen nog eens extra. In de puinhopen konden toch nog diverse opstellingen door Duitse troepen met sluipschutters worden ingenomen. Veel verantwoordelijkheid rustte toen op het initiatief van lagere commandanten tot op peloton- en groepsniveau.
Op de tweede dag van Veritable was de Siegfriedlinie wel doorkruist en waren de hoge gronden onder Kleve ingenomen, maar de opstopping van de troepen- en voertuigentrein over de enige begaanbare weg in het noorden had de snelheid wel uit de aanval gehaald. Iedere Duitse tegenaanval kon wel worden gepareerd omdat ze deze aan konden zien komen. De bedreiging van de geallieerde inname van het Rijnland was ernstiger en in feite onoverkomelijk geworden.
61
Afb. 3.55. Tijdens Operatie Veritable krijgsgevangenen gemaakte ontwapende Duitsers worden afgevoerd (legerbattlefields.co.uk).
Na Operatie Veritable splitste de geallieerde opmars, waarbij één deel richting Berlijn oprukte en met name het Canadese 1e legerkorps naar het noorden en westen afboog om het nog bezette Nederland te bevrijden. De oorlog zou nog drie maanden duren. Conclusie Als de sporen en vondsten worden afgewogen tegen het hierboven geschetste historische kader dan is duidelijk dat van de mobilisatie en daarop volgende strijd in de meidagen van 1940 niets is gevonden. Ook zaken die met de bezettingsperiode samenhangen, ontbreken. Wel zijn er onmiskenbare elementen uit de nadagen van operatie Market Garden of van de voorbereidingen op operatie Veritable gevonden. Het gevonden militaire materiaal is uitsluitend Brits of Canadees. Het is opvallend dat granaatscherven ontbreken, die kenmerkend zijn voor gevechtsvelden uit WO2. Tevens ontbreken sporen die als stellingen te duiden zijn. Wel is er één afvalkuil waarin militair materiaal is gedumpt, zijn er drie handgranaten gevonden die niet direct aan sporen zijn te koppelen, met uitzondering wellicht van spoor 20. Het gedumpte materiaal is kenmerkend van een rustfase in de strijd. Zo zijn er blikken als restanten van nood- of gevechtsrantsoenen, mogelijk verorbert in een kampement. Dit afval is samen met papier en karton verbrand. Mogelijk is hierbij ook de KKM in het vuur beland en grotendeels gesprongen.
Waarom de Brengun patroonhouders zijn weggegooid is niet duidelijk. Het kan zijn dat door verbuigen van de bovenrand of het verslappen van de interne veer beide niet meer voor gebruik geschikt waren.
62
3.3.3 Natuursteen en keramisch bouwmateriaal (M.C. Kenemans) Inleiding Tijdens het onderzoek te Heumen Oude Boterdijk is natuursteen en keramisch bouwmateriaal aangetroffen. Het natuursteen betreft 8 stuks met een totaalgewicht van 1141 gram, afkomstig uit de verbruiningslaag S3000, het sporenvlak S5000, een paalgat en twee greppeldelen. Bij het bouwmateriaal gaat het in totaal om 24 stuks met een totaalgewicht van 1713 gram, aangetroffen in paalkuilen, een greppel, kuilen en de verbruiningslaag S3000. De determinatie van het natuursteen en keramisch bouwmateriaal (tabel 4) is uitgevoerd door materiaalspecialist Marian Melkert. Tabel 4. Determinatie natuursteen en keramisch bouwmateriaal Inhoud
Aantal
Gew icht (gr)
Soort
Opmerking
Put
Spoor
Aard
Lengte (cm)
Dikte (cm)
SXX
1
153,00 gr zandsteen
fragment zw erfsteen (rolsteen)
1
3000
LG
7
3
SXX
1
83,00 gr zandsteen
w etsteen met groeven en facetranden; licht uitlopend qua breedte
1
3000
LG
7 x 2,5/3 breed
1,5
maastrichtse steen / limburgse mergel; 1 zeker bouw element met mortelsporen, hergebruikt uit fundering / romeinse spolia?
1
11
PK
max 12,5
7
4
5000
LG
5
0,3
4
49
GR
5,5
3
7
2
SXX
3
760,00 gr kalksteen
SXX
1
6,00 gr leisteen
SXX
1
125,00 gr lava
klein fragment, indet maalsteenfragment met geput opp.; plat maalvlak = ME
SXX
1
14,00 gr zandsteen
grote scherf van grind
4
68
GR
BOUWMAT
1
33,00 gr BWM
Rand van dunne golfpan = NT
4
3000
LG
BAKSTN
3
12,00 gr BS
brokjes BS? Of KER?
1
5
KL
BAKSTN
1
15,00 gr BS
brokje
2
26
VL
BAKSTN
4
22,00 gr BS
3
32
PK
BAKSTN
4
760,00 gr BS
3
32
PK
BAKSTN
1
65,00 gr BS
3
33
PK
BAKSTN
1
354,00 gr BS
brokjes grote brok en 3 kleintjes; zeer afgerond, w aarschijnlijk kloostermop, ME zandig hard gebakken; overeenkomst met vnr 23 gebarsten, grote brok bezande BS, misbaksel, Zeer hard gebakken; ME 14e/15e eeuw ; komt overeen met vnr22
4
39
LG 3000
BAKSTN
4
111,00 gr BS
4
50
KL
BAKSTN
1
161,00 gr BS
4
68
GR
BAKSTN
1
160,00 gr BS
brok en gruis brok, oranje, zacht, vermoedelijk 14e/15e eeuw brok, afgerond, iets hardere kw aliteit; ivm dikte net jonger dan kloostermop, dus na 15e eeuw
4
54
PK
BAKSTN
3
20,00 gr BS
brokjes
4
70
PK
6,5
6,5
5,5
Natuursteen Wat materiaalsoorten betreft, zijn fragmenten van zandsteen, kalksteen, leisteen en vesiculaire lava aanwezig. Alle stenen zijn gedetermineerd op steensoort en onderzocht op sporen van bewerking of gebruik, waarbij één werktuig geïdentificeerd is (zie tabel 4). Het weinige natuursteen wat verzameld kon worden en in een laatmiddeleeuwse context voorkomt, bestaat bijna volledig uit lokale steensoorten: enerzijds witte of meer gelige kalksteen en anderzijds fluviatiele steen (Maassteen en grind). De twee fluviatiele stenen zijn van kwartsitische zandsteen. Het enige importproduct is een maalsteen van vesiculaire lava , waarvan slechts één klein fragment is aangetroffen. Voor het enige aangetroffen werktuig is een Maassteen gebruikt.
63
Zandsteen In de verbruiningslaag S3000 zijn afzonderlijk van elkaar een fragment van een zwerfsteen (rolsteen) en een wetsteen (vnr. 8.001) aangetroffen. De wetsteen is 7cm lang, heeft facetranden en loopt qua breedte (2,5-3 cm) iets uit (Afb 3.55). Op de lange (boven)zijde zijn groeven zichtbaar. Uit greppel S68 komt een grote scherf, afgespleten van grind.
Afb. 3.56. Zandstenen wetsteen met groeven. Vnr. 8.001.
Kalksteen Dit betreft 3 stukken Maastrichtse steen (Limburgse mergel) met een totaalgewicht van 760 gram uit een paalkuil S11 (vnr. 10.001). Een stuk is zeker als bouwelement te identificeren en heeft mortelsporen. Vermoedelijk is dit een (her)gebruikt stuk uit een fundering, net als de andere 2 brokken. De 3 fragmenten zijn tot 12,5 cm lang en hebben een dikte van 7 cm. Leisteen Bij de determinatie van een klein fragment leisteen (vnr. 29.002), aangetroffen in het sporenvlak S5000, zijn geen bijzondere kenmerken aangetroffen. Mogelijk gebruikt als dakbedekking. Vesiculaire lava Uit greppeldeel S49 komt een klein maalsteenfragment (met een dikte van 3 cm) van vesiculaire lava. Het dateert, gezien het geputte oppervlak en het zeer platte maalvlak, met zekerheid in de middeleeuwen. Keramisch bouwmateriaal Van de 24 stuks bouwmateriaal die zijn gedetermineerd betreft de overgrote meerderheid (23 van de 24 stuks; tabel 4) baksteenfragmenten. Daarnaast is ook 1 fragment van een dakpan aangetroffen. De baksteen fragmenten betreffen in een aantal gevallen brokjes en gruis, waar weinig meer dan dat over te zeggen valt. De grotere fragmenten betreffen: Vnr. 21.001, afkomstig uit de vulling van paalkuil S32, een zeer afgerond fragment van een kloostermop met een dikte van 6,5 cm. Datering in de Late Middeleeuwen. Vnr.
22.001 en 23.001, respectievelijk afkomstig uit paalkuil S33 en verbruiningslaag S3000. Het betreft in beide gevallen een brok zeer hard gebakken bezande baksteen, waarvan een mogelijk een misbaksel is met een dikte van 6,5 cm. De datering van dit type baksteen ligt ook in de Middeleeuwen, namelijk in de 14e/15e eeuw. Vnr. 41.002, afkomstig uit greppeldeel S68, bevat een grote brok oranje zacht gebakken baksteen die vermoedelijk ook dateert in de 14e/15e eeuw.
64
Vnr. 42.001, afkomstig uit paalkuil S54, is een afgeronde brok met nog iets hardere kwaliteit dan de eerder genoemde bakstenen. De dikte van 5,5 cm duidt op een datering net iets jonger dan kloostermop, namelijk na de 15e eeuw. Het enige fragment bouwmateriaal van een ander type dan baksteen is een rand van een dunne golfpan (dakpan; vnr. 25.002). Deze is aangetroffen in de verbruiningslaag S3000 en dateert in de Nieuwe tijd. Herkomst van het materiaal Zowel het aantal als de variatie in natuursteen is zeer beperkt en bestaat overwegend uit witte en gele Maastrichter kalksteen plus fluviatiele (Maas)stenen. De Maastrichter steen (Limburgse mergel) wordt gekenmerkt door een afwisseling van lagen met harde en zachte geelgrijze tot bruingrijze kalksteen. Het is waarschijnlijk dat deze veelal grote (bouw)stenen niet in de Middeleeuwen uit deze lagen zijn gewonnen, maar al in de Romeinse tijd en dat het daarom spolia zijn afkomstig uit de ruïnes van Romeinse steenbouw. De Maasstenen zijn afkomstig uit de Maasterrassen. Van vesiculaire lava wordt doorgaans aangenomen dat deze vulkanische steensoort afkomstig is uit de groeven bij Mayen in de oostelijke Eifel. Deze groeven zijn vanaf de Romeinse tijd tot ver in de Nieuwe tijd op grote schaal geëxploiteerd voor maal- en molenstenen. 32 In dit geval zou de westelijke Eifel echter een meer voor de hand liggend herkomstgebied zijn.
Helaas is over mogelijke handel in maalstenen vanuit deze groeven geen informatie beschikbaar. Waar de nieuwetijdse dakpan vandaan komt is onbekend, maar dit zal zeer waarschijnlijk lokaal of regionaal vervaardigd bouwmateriaal zijn. Interpretatie en conclusie De geringe hoeveelheid natuursteen en bouwmateriaal en het feit dat het tamelijk los en verspreid over het terrein is aangetroffen, geeft maar vrij summier zicht op activiteiten op de aangetroffen vindplaats. Het enige werktuig, de wetsteen, is niet in of nabij een spoor, maar in de verbruiningslaag aangetroffen en toont daarmee alleen de mogelijkheid aan dat hij ter plekke gebruikt is. Hij kan echter ook van elders in de buurt aangevoerd zijn. De overige natuurstenen zijn voor een deel hergebruikt als bouwmateriaal, net als de baksteenfragmenten en het dakpanfragment, maar al deze bouwmaterialen zijn niet te linken aan een bouwwerk op het onderzoeksterrein. Ze zullen dus van gesloopte bouwwerken in de buurt afkomstig zijn en vervolgens in of na de Late Middeleeuwen als afval zijn terechtgekomen in de vulling van de betreffende sporen.
32 Hörter 1994.
65
4
Synthese
(M.C. Kenemans)
4.1
Algemeen
Op basis van het vooronderzoek en de daaruit voortgekomen gegevens ten aanzien van vindplaatsen in de directe omgeving van het opgravingsterrein werden bewoningssporen uit de late prehistorie (ijzertijd) en daarna verwacht. Het proefsleuvenonderzoek stelde die verwachting voor het onderzoeksterrein echter bij naar Late Middeleeuwen tot heden, waarbij werd vastgesteld dat het terrein in elk geval binnen twee afzonderlijke, elkaar mogelijk deels overlappende perioden gebruikt is. Er werden namelijk sporen en vondsten uit de Late Middeleeuwen / Nieuwe tijd en uit de eerste helft van de 20e eeuw, deels specifiek te relateren aan de Tweede Wereldoorlog, aangetroffen. De verwachting op basis van het proefsleuvenonderzoek is uiteindelijk bij de direct daarop volgende definitieve opgraving bevestigd. Het merendeel van de sporen is namelijk aan de vindplaats uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd te relateren. Daarnaast zijn in totaal zijn zes kuilen uit de eerste helft van de 20e eeuw aangetroffen, waaronder een mogelijk schuttersputje of mangat en een afvalkuil die met zekerheid in de Tweede Wereldoorlog dateren.
Afb. 4.1. Archeologische onderzoekslocaties nabij opgraving Heumen Oude Boterdijk.
66
Hoewel In de nabijheid van het plangebied vindplaatsen uit de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd zijn aangetroffen, komen deze bewoningsperioden niet op het onderhavige onderzoeksterrein voor, op twee fragmenten handgevormd aardewerk na die uit de IJzertijd /Romeinse tijd dateren en als ‘zwerfvuil’ kunnen worden aangemerkt, mogelijk afkomstig van de zeer nabij ten noordoosten gelegen ijzertijdvindplaats Heumen Noord 33 of van vindplaats Heumen de Hosterd 34 op ruim 100 meter ten zuidoosten (Afb. 4.1), waar vondsten uit de Late IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege en Late Middeleeuwen zijn aangetroffen bij een veldkartering. De verwachting en de aanwezigheid van sporen die tot twee verschillende vindplaatsen behoren, is bij de aansluitend op het proefsleuvenonderzoek uitgevoerde definitieve opgraving bevestigd. De sporen behorend tot de laatmiddeleeuwse / nieuwetijdse vindplaats 1 betreffen duidelijk sporen die tot de periferie van een erf of nederzetting behoren. Het gaat om hekwerk, twee kleine bijgebouwen en verder losse paalgaten en greppeldelen. Op historische kaarten, de minuutplan en topografische kaarten blijkt dat het terrein altijd onbebouwd akkergebied is geweest. De dichtstbijzijnde bebouwing (woonerf) ligt direct ten noorden. Deze is aanwezig op de kaarten vanaf 1880.Het meest waarschijnlijke is dat de sporen van vindplaats 1 daar dan bij gehoord hebben.
De vondsten betreffen regulier gebruiksaardewerk en natuursteen wat vooral bouwmateriaal betreft en wat als afval van elders in de vulling van diverse sporen terecht is gekomen. Specifieke informatie over de gebruikers van het terrein, ambachten of levensstandaard geven deze niet. Wat de recente geschiedenis betreft valt het plangebied binnen het Operatie Terrein van Market Garden (aan het eind van de Tweede Wereldoorlog). Omdat op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME1.2) in het plangebied geen structuren zichtbaar zijn, was er geen verwachting voor resten uit deze specifieke periode. Deze zijn uiteindelijk ook niet aangetroffen, maar wél de hierboven reeds genoemde sporen en vondsten van vindplaats 2 die aantoonbaar met de periode van de Tweede Wereldoorlog te maken hebben. Het aangetroffen aardewerk, leer, de metaal- en verbrande papiervondsten wijzen hier duidelijk op. Vermoedelijk zijn er op het terrein niet meer dan een mangat of schuttersputje en wat kuilen gegraven waarin afval gedumpt is wat mogelijk uit een verbrand huis afkomstig is. Er lijkt echter op het terrein zelf geen hevige strijd te zijn geleverd.
4.2
Beantwoording van de onderzoeksvragen
De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het onderzoek. Algemeen 1. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert buiten de proefsleuf, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Nvt, er zijn archeologische resten aangetroffen. 2.
Zijn er verstoringen van de vindplaats waar te nemen en wat is de aard en omvang daarvan? Er zijn een aantal relatief kleine verstoringen aangetroffen (kuilen/ spitgaten) die echter het zicht op de aard van de vindplaats niet in de weg zitten. De verbruiningslaag S3000 kan echter wel als verstoring worden beschouwd: het natuurlijke verbruiningsproces heeft in deze laag de contour en vulling van sporen geheel of gedeeltelijk vervaagd. Alleen indien deze sporen vondsten bevatten, zijn ze op basis daarvan nog als zodanig herkenbaar.
33 Archis Zaakidentificatie 2092110100. Hier zijn sporen van bewoning en vondsten uit de Midden tot Late Bronstijd, maar
voornamelijk uit de IJzertijd aangetroffen (van der Velde 2003).
34 Archis Zaakidentificatie 2906267100. Bij een veldkartering in 1949 is hier vondstmateriaal uit de IJzertijd, Romeinse tijd,
Vroege en Late Middeleeuwen is aangetroffen.
67
Perioden en vindplaatsen 3. Wat is de begrenzing of de ruimtelijke spreiding van de vindplaats(en)? Bevindt/ bevinden deze zich ook buiten het huidige plangebied? Vindplaats 1 uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is verspreid over het hele plangebied aangetroffen. Het betreft het perifere gebied van een woonerf en strekt zich in elk geval nog iets richting noorden, oosten en zuiden uit, maar tot hoever is onbekend. Vindplaats 2 met resten uit de eerste helft 20e eeuw / Tweede Wereldoorlog bevindt zich meer centraal op het onderzoeksterrein. 4.
Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing De sporen en vondsten van de laatmiddeleeuwse/nieuwetijds vindplaats 1 komen voor in de afdekkende laag S3000 en op sporenniveau (S5000), vanaf een diepte van respectievelijk 40 en ca 75 cm onder maaiveld. Ze komen verspreid over het plangebied voor. Hetzelfde geldt voor de sporen en vondsten uit de eerste helft van de 20e eeuw en Tweede Wereldoorlog, tezamen benoemd als vindplaats 2. Deze zijn eveneens waargenomen in en direct onder de bouwvoor in de verbruiningslaag en op sporenniveau. De sporen zijn aangetroffen aan de noord- en zuidzijde (in beide gevallen 1 losse kuil) en centraal (1 afvalkuil en een mogelijk schuttersputje of mangat) binnen het opgravingsterrein. b.
de geologische en/of bodemkundige eenheid De vindplaatsen liggen op pleistocene rivierafzettingslagen waarop een verbruiningslaag (Laag van Wijchen) is gevormd.
c.
de omvang (inclusief verticale dimensies) De omvang van beide vindplaatsen lijkt binnen het perceel te vallen, maar kan zich ook nog tot net iets daarbuiten uitstrekken. De sporen zijn vermoedelijk al in de verbruiningslaag aanwezig, maar daarin niet herkenbaar en/of pas vanaf laag S5000, vanaf circa 75 cm onder maaiveld.