CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage V - 5 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Raad 2 februari 2023, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Oude Boterdijk, Heumen"27.415 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rapport 5955

LAATMIDDELEEUWSE SPOREN EN RESTEN UIT WO II AAN DE OUDE BOTERDIJK TE HEUMEN Onder redactie van M.C. Kenemans en R.C.A. Geerts

Laatmiddeleeuwse bewoningssporen en resten uit de Tweede Wereldoorlog aan de Oude Boterdijk te Heumen Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven en een Archeologische Opgraving in de gemeente Heumen

Onder redactie van M.C. Kenemans en R.C.A. Geerts

Auteurs: A.V.A.J. Bosman (Military Legacy) R.C.A. Geerts M.C. Kenemans J.T. Verduin

Colofon ADC Rapport 5955 Laatmiddeleeuwse bewoningssporen en resten uit de Tweede Wereldoorlog aan de Oude Boterdijk te Heumen. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven en een Archeologische Opgraving in de gemeente Heumen Onder redactie van M.C. Kenemans en R.C.A. Geerts In opdracht van: vertrouwelijk Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, november 2022 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

E. Blom

ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Nijverheidsweg-Noord 114 3812 PN Amersfoort T 033 299 8181 E info@archeologie.nl W www.archeologie.nl

Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding (R.C.A. Geerts) 1.1 Algemeen 1.2 Vooronderzoek 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.4 Opzet van het rapport 2 Methoden (M.C. Kenemans en R.C.A. Geerts) 3 Resultaten 3.1 Fysisch geografisch onderzoek (R.C.A. Geerts) 3.1.1 De vorming van het landschap 3.1.2 Landschapsgenese op en rond de opgraving 3.1.3 De bodemopbouw 3.2 Sporen en structuren (M.C. Kenemans) 3.2.1 Inleiding 3.2.2 Aard en verspreiding van de sporen en structuren 3.2.3 Conclusies ten aanzien van de vindplaatsen 3.3 Vondstmateriaal 3.3.1 Aardewerk en glas (J.T. Verduin) 3.3.2 Metaal, leer en papier (A.V.A.J. Bosman – Military Legacy) 3.3.3 Natuursteen en keramisch bouwmateriaal (M.C. Kenemans) 4 Synthese (M.C. Kenemans) 4.1 Algemeen 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen Literatuur Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Bijlage I: Sporenlijst Bijlage II: Vondstenlijst Bijlage III: Waardering van de vindplaatsen (R.C.A. Geerts) Bijlage IV: Determinatielijst metaal, leer en papier Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database

4 5 7 7 7 9 10 11 13 13 13 14 14 15 15 16 19 19 20 24 63 66 66 67 72 74 75 76 78 81 82 82 87

Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied

Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens: Kaartblad: Coördinaten:

Projectverantwoordelijke: Bevoegde overheid: Deskundige namens de bevoegde overheid: Goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Archiszaaknummer: ADC-projectcode: Complex en ABR codering: Periode(n): KNA versie: Geomorfologische context: NAP hoogte maaiveld: Maximale diepte onderzoek: Uitvoering van het veldwerk: Beheer en plaats documentatie:

Gelderland Heumen Heumen Oude Boterdijk Kadastraal sectie I, nr. 963 46A NW: 186500/419934 NO: 186539/419927 ZO: 186506/419865 ZW: 186536/419865 R.C.A. Geerts Gemeente Heumen Contactpersoon: T. van Merriënboer Mw. E.K. Mietes (D7 Archeologie) Ja, geadviseerde wijzigingen zijn doorgevoerd 5113808100 HEUN-21 Nederzetting NX Middeleeuwen, Nieuwe tijd 4.1 Rivierafzettingen 9,6 – 9,9m +NAP 9 m +NAP Proefsleuvenonderzoek: 16 september 2021 Opgraving: 9-10 mei 2022 Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Gelderland, Nijmegen

Samenvatting Plangebied Oude Boterdijk te Heumen zal worden heringericht met nieuwbouw. Voorafgaand daaraan is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van bureau- en booronderzoek en de daaruit voortgekomen gegevens ten aanzien van vindplaatsen in de directe omgeving van het onderzoeksterrein werden bewoningssporen uit de late prehistorie (ijzertijd) en jonger verwacht. Het proefsleuvenonderzoek stelde die verwachting voor het onderzoeksterrein echter bij naar de periode Late Middeleeuwen tot heden, waarbij werd vastgesteld dat het terrein in elk geval binnen twee afzonderlijke, elkaar mogelijk deels overlappende perioden gebruikt is. Er werden namelijk sporen en vondsten uit de Late Middeleeuwen / Nieuwe Tijd en uit de eerste helft van de 20e eeuw, deels specifiek aan de Tweede Wereldoorlog te relateren, aangetroffen. De verwachting op basis van het proefsleuvenonderzoek kon bij de direct daarop volgende definitieve opgraving worden bevestigd. Het merendeel van de sporen kan aan de vindplaats uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd worden toegekend. De vindplaats betreft de periferie van een nabijgelegen erf of boerderijplaats. De tweede vindplaats omvat in totaal zes kuilen uit de eerste helft van de 20e eeuw, waaronder een mogelijk schuttersputje of mangat en een afvalkuil die specifiek aan de Tweede Wereldoorlog gerelateerd kunnen worden.

Tabel 1 Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode

Afkorting

Tijd in jaren

Nieuwe tijd:

NT

1500 - heden

Middeleeuwen:

XME

450 – 1500 na Chr.

Late Middeleeuwen

LME

Vroege Middeleeuwen

VME

Romeinse tijd:

ROM

1050 - 1500 na Chr. 450 - 1050 na Chr. 12 voor Chr. – 450 na Chr.

Laat-Romeinse tijd

ROML

270 - 450 na Chr.

Midden-Romeinse tijd

ROMM

70 - 270 na Chr.

Vroeg-Romeinse tijd

ROMV

IJzertijd:

IJZ

12 voor Chr. - 70 na Chr. 800 – 12 voor Chr.

Late IJzertijd

IJZL

250 - 12 voor Chr.

Midden-IJzertijd

IJZM

500 - 250 voor Chr.

Vroege IJzertijd

IJZV

800 - 500 voor Chr.

Bronstijd:

BRONS

2000 - 800 voor Chr.

Late Bronstijd

BRONSL

1100 - 800 voor Chr.

Midden-Bronstijd

BRONSM

1800 - 1100 voor Chr.

Vroege Bronstijd

BRONSV

Neolithicum (Jonge Steentijd):

NEO

2000 - 1800 voor Chr. 5300 – 2000 voor Chr.

Laat-Neolithicum

NEOL

2850 - 2000 voor Chr.

Midden-Neolithicum

NEOM

4200 - 2850 voor Chr.

Vroeg-Neolithicum

NEOV

Mesolithicum (Midden-Steentijd):

MESO

5300 - 4200 voor Chr. 8800 – 4900 voor Chr.

Laat-Mesolithicum

MESOL

6450 - 4900 voor Chr.

Midden-Mesolithicum

MESOM

7100 - 6450 voor Chr.

Vroeg-Mesolithicum

MESOV

Paleolithicum (Oude Steentijd):

PALEO

8800 - 7100 voor Chr. tot 8800 voor Chr.

Laat-Paleolithicum

PALEOL

35.000 - 8800 voor Chr.

Midden-Paleolithicum

PALEOM

300.000 – 35.000 voor Chr.

Vroeg-Paleolithicum

PALEOV

tot 300.000 voor Chr.

Bron: Archeologisch Basis Register 1992

5

Afb. 1.1. Locatie van het onderzoeksgebied.

6

1 Inleiding

(R.C.A. Geerts)

1.1

Algemeen

ADC ArcheoProjecten heeft een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een proefsleuf en daaropvolgend een Archeologische Opgraving uitgevoerd voor het plangebied aan de Oude Boterdijk te Heumen (afb. 1.1), in het kader van geplande nieuwbouw. In het plangebied zullen woningen worden gebouwd. Vooronderzoek (zie §1.2) heeft aangetoond dat zich op deze locatie een vindplaats uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd en minimaal één spoor uit het midden van de 20e eeuw/de Tweede wereldoorlog bevindt (zie voor periodisering tabel 1). Vanwege de voorgenomen bouwplannen kunnen de aanwezige archeologische resten niet in situ behouden blijven. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 1680 m2 en was tot aan het onderzoek niet in gebruik, maar lag braak. Het plangebied ligt in de dorpskern van Heumen en wordt begrensd door de Oude Boterdijk in het westen en door bebouwing aan de andere zijden. In het gebied is één proefsleuf aangelegd waarna aansluitend daaraan 4 werkputten zijn gegraven met een totale oppervlakte van 1050 m2. Het veldwerk is uitgevoerd op 16 september 2021 (proefsleuf / IVO-P) en op 9 en 19 mei 2022 (opgraving / DO). In die periode zijn respectievelijk de proefsleuf en de vier opgravingsputten aangelegd en onderzocht conform de Programma’s van Eisen (PvE), die door ADC ArcheoProjecten zijn opgesteld. 1 Beide PvE-ontwerpen zijn goedgekeurd door Mw. E.K.

Mietes, archeologisch adviseur namens de gemeente Heumen. De vondsten en bijbehorende documentatie die tijdens het proefsleuvenonderzoek en de opgraving zijn verzameld, zijn gedeponeerd in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Gelderland te Nijmegen. Het veldteam bestond uit de volgende personen: R.C.A. Geerts (projectverantwoordelijke), M. van der Storm (veldarcheoloog), A. Veenhof (veldtechnicus), B. Boin (veldassistent) en Mark en Ricardo (kraanmachinisten van de firma Basten). Senior archeoloog was R.C.A. Geerts. De contactpersoon namens de opdrachtgever is vertrouwelijk. Het vondstmateriaal is bestudeerd door J.T. Verduin (aardewerk en glas), M.J.A. Melkert (natuursteen), H.J.N. van Engeldorp Gastelaars (leer) en A.V.A.J. Bosman – Military Legacy (metaal en overige vondsten WOII). Hun bevindingen zijn in de betreffende deelrapporten beschreven. Controle en coördinatie van documentatie en vondstverwerking is uitgevoerd door J.W. Beestman.

1.2

Vooronderzoek

In verband met toekomstige ontwikkelingen in het plangebied Oude Boterdijk te Heumen is een eerste archeologische inventarisatie in het onderzoeksgebied uitgevoerd in april 2021 door ADC ArcheoProjecten. 2 Dit onderzoek wees uit dat in de ondergrond sprake is van een intact bodemprofiel met pleistocene rivierafzettingen. Het potentiële archeologische niveau zou zich op een diepte van 30 tot 90 cm –mv bevinden. In en op de oude rivierkleibodem konden archeologische resten daterend vanaf het Laat-Paleolithicum aanwezig zijn en eventuele grondsporen zouden tot grotere diepte kunnen reiken. Binnen het plangebied bleek sprake van verbruining waardoor de kans om archeologische grondsporen te herkennen bijzonder klein geacht werd. Gezien de uitkomsten is door het bevoegd gezag besloten dat een proefsleuvenonderzoek diende te worden uitgevoerd. Dat moest uitwijzen of er behoudenswaardige vindplaatsen binnen het plangebied aanwezig waren en wat daarvan dan de aard, omvang en kwaliteit was.

1 IVO-P: Van der Storm 2021, PvE nummer 21-040, goedgekeurd op 1 september 2021; DO: Geerts 2022, PvE nummer 22-

018, goedgekeurd op 16 april 2022.

2 Bouter 2021; Archis Zaakidentificatie 5023622100.

7

Bij het proefsleuvenonderzoek zijn twee vindplaatsen aangetroffen; een nederzetting uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd en een afvalkuil (afb. 1.2; spoor 6) uit de Tweede Wereldoorlog. Beide vindplaatsen zijn als behoudenswaardig aangemerkt, met de kanttekening dat de tweede vindplaats waarschijnlijk al geheel onderzocht was en een enkele geïsoleerde afvalkuil betrof. 3 Op basis van de waardestelling van de vindplaatsen (zie bijlage IV) is door het bevoegd gezag besloten dat het plangebied opgegraven diende te worden om de nederzetting uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd verder te onderzoeken met daarbij een blijvende verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. 4

Afb. 1.2. Allesporenkaart van de proefsleuf: in donkerrood paalkuilen en in lichtrood kuilen.

3 Geerts 2021.

4 Immers & Mietes 2022

8

1.3

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Doel van de opgraving was het behouden van de archeologische resten ex situ om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Hiertoe dienden alle sporen en vondsten verzameld te worden om zo de archeologische informatie uit het bodemarchief te halen en deze te behouden voor de toekomst voordat de voorgenomen bouwplannen deze informatie zouden doen verdwijnen. Tevens dienden in het opgravingsrapport de nog uit te werken sporen en vondsten uit het proefsleuvenonderzoek betrokken te worden. In het PvE zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld, die in dit rapport worden beantwoord op basis van hetgeen in de werkputten is aangetroffen: Algemeen 1. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert buiten de proefsleuf, welke verklaring is hiervoor dan te geven? 2. Zijn er verstoringen van de vindplaats waar te nemen en wat is de aard en omvang daarvan? Perioden en vindplaatsen 3. Wat is de begrenzing of de ruimtelijke spreiding van de vindplaats(en)? Bevindt/ bevinden deze zich ook buiten het huidige plangebied? 4. Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard /complextype/functie e.

de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie 5. In hoeverre zijn binnen de vindplaats(en) op grond van de verspreiding van vondsten en/of grondsporen voormalige activiteitengebieden te onderscheiden en hoe moeten die geduid worden? Zie tevens vraag 4 voor de deelaspecten die daarbij aan de orde moeten komen. 6. Kunnen verscheidene bewoningsfasen onderscheiden worden? Zo ja in welke mate zijn deze aaneensluitend? In hoeverre is er sprake van bewoningscontinuïteit tot op heden? 7. Zeggen de aangetroffen resten iets over de sociaal-economische situatie van de gebruikers? 8. Bij het aantreffen van bouwkeramiek en natuursteen: wat kan er gezegd worden over de herkomst van het materiaal, hoe is het bouwmateriaal toegepast en hoe laten de aangetroffen gebouwen zich reconstrueren? 9. Welke informatie levert het onderzoek op over de voedseleconomie? 10. Zijn er graven aangetroffen en wat is hun datering? 11. Indien er graven worden aangetroffen: Zijn er grafstructuren gevonden (kringgreppels, etc.)? Wat kan er gezegd worden over de grafcultuur? 12. Is er sprake van een ensemblewaarde met vindplaatsen in de omgeving van het plangebied? Landschappelijk 13. Hoe ziet de bodemopbouw eruit? 14.

Wat is de relatie tussen de vindplaats en het omringende landschap? 15. Welke ontwikkeling heeft het landschap doorgemaakt en hoe heeft de mens zich hieraan aangepast of hierin een rol gespeeld? Laat middeleeuwse/nieuwetijds nederzetting 16. Zijn de vondsten uit de afdekkende grondlaag direct aan de grondsporen te relateren of hebben deze een andere datering? 17. Kan aan het opgegraven deel van de nederzetting een specifieke functie toegeschreven worden?

9

Tweede Wereldoorlog 18. Indien meer resten aangetroffen worden. Hoe zijn deze aan de reeds onderzochte afvalkuil te relateren? 19. Is af te leiden door wie, mogendheid of divisie, het afval in de kuil gedumpt is?

1.4

Opzet van het rapport

Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1 -specificatie OS15). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Indien nodig kan altijd worden teruggegrepen op de basisgegevens in het e-depot. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt een omschrijving van de onderzoeksmethoden in hoofdstuk 2. Vervolgens zullen de verschillende deelonderzoeken aan de orde komen. De auteurs staan telkens bij de betreffende hoofdstukken vermeld. Allereerst zal het landschap en de bodemopbouw aan de orde komen in hoofdstuk 3.1, waarna de aangetroffen sporen en structuren in hoofdstuk 3.2 en het vondstmateriaal in hoofdstuk 3.3 beschreven zullen worden. In hoofdstuk 4 volgt dan tot slot de synthese en de beantwoording van de onderzoeksvragen.

10

2

Methoden

(M.C. Kenemans en R.C.A. Geerts) Het onderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.1 en het Programma van Eisen voor het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) en de definitieve opgraving. Tijdens het IVO-P is de proefsleuf aangelegd (werkput 1; afb. 2.2) waarna tijdens de opgraving de werkputten 2 t/m 5 direct daaromheen zijn aangelegd. De ligging van deze putten was grotendeels west-oost gericht, parallel aan en ten noorden en zuiden van de proefsleuf.

Afb. 2.1. Puttenplan conform Programma van Eisen.

In het PvE werd een werkwijze voorgesteld waarbij ten noorden en zuiden van de proefsleuf een grote werkput zou worden aangelegd en ten westen en oosten een kleine werkput (afb. 2.1). In het veld bleek echter het meest praktisch om de aanleg iets anders in te steken, mede vanwege de aanwezigheid van een boom ten westen van de proefsleuf. Hierdoor zijn, hoewel op een andere manier en anders van puttenindeling dan voorzien, uiteindelijk de vier beoogde werkputten wel aangelegd en is het plangebied conform PvE vlakdekkend opgegraven (afb. 2.2). De putten hadden een variabele oppervlakte en contour.

11

Afb. 2.2. Het definitief uitgevoerde puttenplan.

De vlakken zijn machinaal aangelegd, met behulp van een graafmachine met gladde bak. Waar nodig is het vlak handmatig opgeschaafd. Tijdens de aanleg van het vlak zijn vondsten in vakken van 5 x 4 m verzameld. Alleen metaal en bijzondere vondsten zijn als puntvondsten ingemeten. Grondsporen zijn direct ingekrast. De vlakken en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht. Vervolgens is het vlak en ieder spoor daarin gefotografeerd en getekend (schaal 1:50), waarbij om de 5 m een waterpashoogte is bepaald. Alle aangetroffen grondsporen zijn met de hand gecoupeerd waarbij vondsten zijn verzameld. Alle coupes zijn gefotografeerd en getekend op schaal 1:20. Het restant van de gecoupeerde sporen is vervolgens met de schep of troffel afgewerkt. Bemonstering ten bate van archeobotanisch en archeozoölogisch onderzoek heeft niet plaatsgevonden omdat er geen daarvoor kansrijke geachte spoorvullingen aangetroffen werden. Ten bate van het documenteren van de bodemopbouw, zijn delen van het profiel tot net onder het sporenvlak aangelegd. Van het noordelijke lange profiel van werkput 1 is aan het west- en noordeinde een profielkolom van respectievelijk 1.80 en 2 meter gefotografeerd, getekend (op schaal 1:20) en vervolgens beschreven.

Hoewel de profielopbouw in de werkputten 3 tot en met 5 van het erna volgende definitieve onderzoek hiervan niet afweek, is toch ook in werkput 4 nog een profielkolom gedocumenteerd. Deze kolom werd met een breedte van 1.10 meter in de oostelijke profielwand opgetekend en beschreven.

12

3

Resultaten 3.1

Fysisch geografisch onderzoek

(R.C.A. Geerts) 5

3.1.1 De vorming van het landschap Tijdens de koudste periode van de laatste ijstijd, het Midden-Weichselien, zijn in het stroomgebied van de Rijn en de Maas zand en grindrijke afzettingen gevormd door vlechtende riviersystemen (Afzettingen van Kreftenhheye-5). 6 De top van deze afzettingen is doorsneden door talrijke geulen. Vanaf 100.000 BP tot ongeveer 13000 BP concentreerde de afvoer zich in enkele hoofdgeulen die een meanderend karakter hadden. 7 In de gebieden die toen buiten de hoofdgeulen lagen zijn komafzettingen gevormd bovenop de vlechtende rivierafzettingen.

Afb. 3.1. Geomorfologische kaart van het gebied rondom de onderzoekslocatie Heumen Oude Boterdijk. Deze zandige stugge kleilaag wordt gerekend tot de Laag van Wijchen (ook wel ‘leemlaag’ of ‘Hochflutlehm’ genoemd). Vanaf ongeveer 13000 BP (Laat-Weichselien) kreeg het riviersysteem opnieuw een vlechtend karakter en sneed zich in zijn eigen riviervlakte. Door de insnijding bleven delen van de Kreftenheye-5 afzettingen (inclusief de Laag van Wijchen) hoger in het terrein liggen en buiten het bereik van het stromende water. Het zo ontstane terras wordt wel Laagterras genoemd. Dergelijke terrassen zijn sinds hun ontstaan geschikt voor permanente menselijke bewoning.

5 6 7

Paragrafen 3.1.1 en 3.1.2 zijn gebaseerd op Bouter 2021. Berendsen 2008. Tebbens 1999.

13

Toen de rivier het Laagterras niet meer regelmatig overstroomde kon er bodemvorming optreden. De bodems die sindsdien zijn ontstaan worden in de bodemkunde onderscheiden als Oude rivierkleigronden. 8 De Oude rivierkleigronden verschillen van de bodems op kleigronden gevormd tijdens het Midden- en Laat-Holoceen, onder meer door het optreden van klei-inspoeling en een rodere kleur. De grotere mate van klei-inspoeling wordt veroorzaakt door de ligging hoog boven het grondwater. In sommige gevallen is de klei-inspoeling voldoende voor de vorming van een briklaag; de bodem wordt dan tot de brikgronden gerekend. Een briklaag ontstaat doordat kleidelen in een zandige afzetting spoelen en moet minstens 15 cm dik zijn. 3.1.2 Landschapsgenese op en rond de opgraving In het reliëf van het Laagterras is de ligging van geulen uit het Laat-Weichselien nog herkenbaar. De opgraving ligt direct ten oosten van een dergelijke geul op een terrasrest-rug. In deze rug hebben zich Oude rivierkleibodems ontwikkeld bestaande uit een 80 cm of minder dik pakket zandige of siltige klei of sterk siltig zand (Laag van Wijchen) op licht siltig zand met grind (Afzettingen van Kreftenheije-5).

De Laag van Wijchen bestaat globaal uit een grijsbruine bouwvoor, een roodbruine laag met een vergelijkbare textuur, een geelbruine laag die een lichtere textuur heeft en rode vlekken bevat met meer lutum en (op basis van de kleur) ijzer. De roodbruine laag wordt door archeologen wel als “verbruiningslaag” aangeduid. Sporen zijn hierin vaak slecht leesbaar. 9 3.1.3 De bodemopbouw Het terrein loopt heel licht op van noordwest naar zuidoost. Het puttenplan staat hier in feite scheef op en volgt de perceelsindeling. Het puttenplan was oost-west georiënteerd. Er zijn drie profielkolommen gedocumenteerd: een noordprofielkolom aan het westeinde en oosteinde (afb. 3.2) van proefsleuf werkput 1, en een oostprofielkolom in het noordelijk deel van werkput 4.

Afb. 3.2. Detail van het noordprofiel in werkput 1 (de proefsleuf).

8

STIBOKA 1983. Vgl Van der Velde e.a. 1998. Hiddink 2000. Binnen het project Zandmaas (Rijkswaterstaat Limburg) is inmiddels veel ervaring opgedaan met archeologie in dergelijke gronden.

9

14

De vijf lagen die in het profiel (Afb. 3.2) zichtbaar zijn kunnen als volgt omschreven worden: - S1000, bouwvoor, donkerbruin grijze zandige klei, humeus, met puin - S3000, Laag van Wijchen, bodemvorming in de top, bruine klei, licht humeus, houtskoolspikkels - S5000, Laag van Wijchen, geelbruine klei, met roestvlekken - S4000, pleistocene rivierafzettingen, donkerbruin bruine klei met grind - S6000, pleistocene rivierafzettingen, grindpakket met geelbruin zand Het beeld dat de profielen geven is dat de bouwvoor gemiddeld 40 cm dik is. Eronder werd een laag met ongeveer een dikte van 35 cm aangetroffen die in het dagelijks gebruik een verbruiningshorizont genoemd wordt (S3000). In werkelijkheid is deze echter ontstaan als gevolg van klei-inspoeling. Hierdoor zijn de spoorverkleuringen vervaagd en resteert in het beste geval niets meer dan een kleine vondstconcentratie. De sporen zijn hier als het ware volledig opgenomen in de gehomogeniseerde, egaal bruine laag. Het onderste deel van deze sporen was nog wel goed zichtbaar in de geelbruine laag van circa 25 cm dik eronder die een lichtere textuur heeft en rode vlekken bevat met meer lutum en ijzer (S5000) In de verbruiningslaag is,op het niveau waarop de sporen zichtbaar werden het opgravingsvlak aangelegd. We hebben hier dus te maken met een oude rivierafzetting met een ca.

40 cm diepe bouwvoor en een 35 cm diepe verbruiningsgrond. Deze verbruiningslaag is het gevolg van kleispoeling. Deze laag en de overgang ervan naar het lichtere pakket eronder is het niveau van het eerste vlak. Opvallend aan deze laag is dat ze redelijk wat aardewerk bevat met soms heuse concentraties zoals in geval van spoor 20, waarbij de spoorcontour op basis van kleurverschil of textuur niet zichtbaar was. Onder laag S5000 bevonden zich de rivierafzettingen (S4000) waarin grondsporen nog wel herkenbaar zijn. De aard van de afzettingen varieerde. De ondergrond bestond hoofdzakelijk uit grof zand, vermengd met kiezels (S6000, een terrasrest- rug) en af en toe grindbanen tot volledige grindlagen.

3.2

Sporen en structuren

(M.C. Kenemans)

3.2.1 Inleiding In de proefsleuf (werkput 1) en de opgravingsputten 2 tot en met 4 zijn in totaal 71 sporen aangetroffen (afb. 3.3). Deze sporen bestaan voor het grootste deel uit paalkuilen (zie tabel 1 en de sporenlijst in bijlage I voor meer detail). Daarnaast zijn ook kuilen, greppels, natuurlijke verstoringen en als ‘vlek’ aangemerkte sporen aangetroffen. Tabel 1. Aantallen aangetroffen spoortypen Spoortype Kuil Paalkuil Geul Greppel Vlek / zeer ondiep spoor Natuurlijke verstoring

Aantal 9 43 1 7 5 6

De sporen zijn deels al in de verbruiningslaag S3000 herkend (soms alleen op basis van een vondstconcentratie, waarbij het spoor qua textuur of contour niet herkenbaar was) en deels op de overgang naar en in de top van de onderliggende laag S5000 herkend, gedocumenteerd en onderzocht. Alle sporen kunnen gerekend worden tot de twee vindplaatsen waarvan de aanwezigheid al bij het proefsleuvenonderzoek geconstateerd werd, te weten een nederzetting uit de Late Middeleeuwen/ Nieuwe tijd en sporen die wijzen op gebruik van het terrein in de Tweede Wereldoorlog.

15

Afb. 3.3. Allesporenkaart met aard van de sporen; in grijs de natuurlijke of recente verstoringen.

3.2.2 Aard en verspreiding van de sporen en structuren De sporen zijn met name langs de noordrand, centraal en in het zuidoosten van het plangebied aangetroffen. Ze vormen op enkele plaatsen patronen. Zo loopt er bijna centraal door het plangebied een noord-zuid georiënteerde rij van afwisselend enkel- en dubbelgeplaatste paalkuilen, die erop duidt dat hier waarschijnlijk een hekwerk heeft gestaan. In een van die paalsporen (S11) werden drie stukken bouwmateriaal (Maastrichtse steen) aangetroffen, uit een andere (S44) kwam aardewerk, wat dateert in de Late Middeleeuwen (vnr. 28). Op basis van de zeer donkere zwarte vulling en de aanwezigheid van vermolmd hout in een van de paalgaten (S23) ligt de datering echter zeer waarschijnlijk meer in de Nieuwe tijd. Ten noorden van het hek, langs de noordzijde van het plangebied, liggen op onregelmatige afstand van elkaar enkele paalkuilen en kleine kuilen. De middelste kuil, spoor 20, werd niet op vlakniveau gezien, maar wel net er boven herkend in de verbruiningslaag op basis van z’n inhoud, dat wil zeggen als vondstconcentratie, en is aan de hand daarvan als spoor op de allesporenkaart weergegeven. Het materiaal dateert uit de eerste helft van de 20e eeuw, in tegenstelling tot materiaal uit een van de andere (paal)kuilen S22) die in de late Middeleeuwen dateert.

Langs het noordelijk deel van het westprofiel is in de werkputten 1, 2 en 4 op sporenvlakniveau een brede strook met donker bruingrijze verkleuring aangetroffen die meerdere spoornummers heeft gekregen maar in feite een dip of verzakkingslaag van de verbruiningslaag S3000 is.

16

Afb. 3.4. Allesporenkaart met weergave van de aangetroffen structuren (incl. verondersteld schuttersputje of mangat) en datering.

Ten westen van het mogelijke hekwerk, centraal in het plangebied, liggen vier kuilen en een 10-tal paalkuilen. De paalkuilen en kuilen lijken elk per spoortype wat te clusteren, maar duidelijke structuren zijn lastig herkenbaar. Er zou in de palencluster in het westelijk centrale deel een 4- of 6palig gebouwtje met een noordwest-zuidoostelijke oriëntatie gereconstrueerd kunnen worden (Gebouw 1; afb. 3.4). Dit bijgebouw zou dan maximaal circa 4 bij 2,5m groot geweest kunnen zijn. De meeste paalsporen hadden nog een diepte van 20 of 30 cm, maar leverden geen vondstmateriaal op. De paalkuilencluster aangetroffen in de uiterste zuidoosthoek van het opgegraven terrein laat ook een deel van een mogelijke kleine ovale structuur (Gebouw 2; afb. 3.4) zien. Deze structuur is eveneens noordwest-zuidoost georiënteerd en heeft een afmeting van circa 3,5x2 m. Daarmee zou ook deze structuur een klein bijgebouw geweest kunnen zijn. De wandpalen gaan om en om naast elkaar 8 en 22-26 cm diep, de mogelijke middenpaal 14 cm. In een paalspoor (S54) werd een baksteenfragment met een vermoedelijke datering na de 15e eeuw aangetroffen, de overige sporen leverden geen vondsten op. Twee kuilen, waarvan een (S50) groot in omvang is, maar vrij ondiep, overlappen het uiteinde van de structuur.

17

De centraal op het terrein gelegen kuilen betreffen vier dicht naast elkaar liggende vrij rechthoekige kuilen (S72, 5, 7 en 6) met een vlakke bodem, grijsbruin gevlekte tot donkergrijs/zwarte vulling en een diepte van respectievelijk 78, 16, 58 en 10 cm. Iets ten zuiden ervan ligt los nog een ronde (paal?)kuil met een diepte van 52 cm en een lichtbruingrijze vulling die meer overeenkomt met de vulling van de paalkuilen ten westen ervan. Onderin de meest westelijke en tevens diepste zeer recht ingegraven kuil S72 lag geverfd hout (afb 3.5), dit betreft mogelijk een schuttersputje. Plankieren of soms ook een serie takken komen vaker voor in stellingen, schuttersputten en loopgraven. Alles om maar droge en daarmee geen koude voeten te houden. 10 Er werden in de kuilvulling verder geen vondsten in aangetroffen. De kuil is op zich wel vrij klein voor een schuttersput, maar kan ook als eenvoudig ‘mangat’ gediend hebben. Schuttersputten hebben gestandaardiseerde afmetingen en zijn in de regel groter en met name dieper zodat de persoon erin aan het zicht onttrokken wordt. 11 Van de overige drie rechthoekige kuilen direct ten oosten ervan komt alleen uit spoor 6 vondstmateriaal wat die kuil een datering in de eerste helft 20e eeuw geeft. Kuil S6 leverde veel materiaal op wat met vrij grote zekerheid in de Tweede Wereldoorlog dateert.

De kuilen 5 en 7 zullen, hoewel vondstloos, net als spoor 72 gezien hun overeenkomende vorm en diepte een zelfde datering kennen. Tot slot zijn er ook enkele greppels, of beter gezegd delen van greppels, aangetroffen. Deze liggen alle in de zuidoosthoek van het plangebied. De breedste greppel (circa 60 cm) bestaat uit twee noord-zuid gerichte delen (S49 en 68) en loopt daarmee parallel aan het hekwerk. Het zuidelijke deel (S68) lijkt onder de ondiepe kuil bij de structuur (gebouw 2) door te lopen. Uit beide delen komt vondstmateriaal wat een datering in de Late Middeleeuwen heeft. Mogelijk is dit een greppel die als perceelsgrens diende, maar deze is niet op historisch kaartmateriaal terug te vinden. Twee smalle en zeer ondiepe greppelsporen liggen circa 1,25 m uit elkaar en staan schuin (NW-ZO) op de westzijde van de zuidelijke greppel. Mogelijk zijn dit karresporen. Deze leverden geen vondstmateriaal op, waardoor een datering niet bepaald kan worden.

Afb. 3.5. Lengtedoorsnede van het veronderstelde schuttersputje met onderin houtresten (S72).

10 Mededeling A.V.A.J. Bosman.

11 In het Ausbildungsvorschrift für die Infanterie (1942) staat dit uitgelegd. De relevante afbeelding staat ook in: Bosman,

A.V.A.J., R.C.A. Geerts & D. Sam (red.), 2017. Zie daarin ook blz. 69-74 voor de beschrijving van diverse schuttersputten en schuilnissen.

18

3.2.3 Conclusies ten aanzien van de vindplaatsen Van het onderzoeksterrein is in twee verschillende perioden gebruik gemaakt. De oudste aangetroffen sporen van bewoning en gebruik van het terrein dateren in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (14e eeuw- 19e eeuw), de jongste uit de eerste helft van de 20e eeuw en de Tweede Wereldoorlog. Vindplaats 1: nederzetting Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd Op basis van het overeenkomende uiterlijk qua vorm en vulling (kleur) en de in een aantal gevallen erin aangetroffen vondsten kunnen de meeste sporen worden gedateerd in de Late Middeleeuwen / Nieuwe tijd (afb. 3.4). Dit betreft dan de gebouwen 1 en 2 en het hekwerk, alsook de meeste van de overige paalkuilen. De datering loopt op basis van het vondstmateriaal uiteen van de 14e tot 19e eeuw. Deze sporen duiden erop dat we te maken hebben met de periferie van een woonlocatie of erf. Mogelijk bevond zich dat direct ten noorden van het onderzoeksterrein, waar op historische kaarten vanaf de 19e eeuw bebouwing wordt aangegeven. Vindplaats 2: Sporen uit de eerste helft 20e eeuw en Tweede Wereldoorlog De twee sporen uit deze vindplaats die met zekerheid tot de periode van de Tweede Wereldoorlog gerekend kunnen worden, bestaan uit een kuil waarin afval gedumpt is (S6) en een mogelijk schuttersputje of mangat (S72).

De er direct naastgelegen kuilen S5 en S7 bevatten geen vondsten maar zullen gezien hun overeenkomende vorm en diepte hoogstwaarschijnlijk ook in de WOII periode gegraven zijn. Twee andere, verder weg van dit cluster gelegen, afvalkuilen (S48 en vondstconcentratie S20) zijn ook dateerbaar in de eerste helft van de 20e eeuw, maar niet specifiek aan de Tweede Wereldoorlog te verbinden (afb. 3.4).

3.3

Vondstmateriaal

Tijdens het onderzoek zijn 417 vondsten verzameld (tabel 2). Zie bijlage II voor een uitgebreide vondstenlijst. Het merendeel van het vondstmateriaal is afkomstig uit de drie afvalkuilen van vindplaats 2 (S1.6, S2.20 en S4.48). Dit betreft 37 stuks aardewerk, 40 stuks glas, 99 stuks metaal, 12 stuks leer en 75 stukjes krantenpapier. Al dit materiaal is in dezelfde periode te dateren, namelijk in de eerste helft van de 20e eeuw en deels ook specifiek in de Tweede Wereldoorlog. De rest van het vondstmateriaal is in de Late Middeleeuwen / Nieuwe tijd te dateren. Dit materiaal bestaat onder andere uit enkele scherven steengoed, grijs- en roodbakkend aardewerk en natuursteen. De fragmenten zijn afkomstig uit lagen (verbruiningslaag S3000 en sporenvlak S5000) en bewoningssporen van vindplaats 1. De analyseresultaten van het vondstmateriaal zullen hierna worden besproken, waarbij vondstcategorieën gecombineerd worden gepresenteerd indien dit vanwege de vindplaatscontext noodzakelijk werd geacht. Tabel 2. Vondsten per materiaalcategorie. Materiaalcategorie

Aantal

Gewicht

Aardewerk Glas Keramisch bouwmateriaal Krantenpapier Leer Metaal Natuursteen

155 43 24 75 12 100 8

2252 1953 1713 34 20 19.384 1141

Totaal

417

26.497

19

3.3.1 Aardewerk en glas (J.T. Verduin) Inleiding Tijdens de opgraving zijn in totaal 198 fragmenten aardewerk, pijpaardewerk, huttenleem en glas uit de Volle en Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangetroffen (tabel 3). Het aardewerk en glas zijn gedetermineerd volgens het Deventer Systeem. De determinaties zijn ingevoerd in de veld- en specialistendatabase van ADC ArcheoProjecten. De methode van beschrijven wordt hieronder toegelicht. Daarna zullen de vondsten per context beschreven worden. Op basis van de resultaten kunnen de onderzoeksvragen uit het PvE die betrekking hebben op de vondsten beantwoord worden. Deze vragen zijn: 4. Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie 5. In hoeverre zijn binnen de vindplaats(en) op grond van de verspreiding van vondsten en/of grondsporen voormalige activiteitengebieden te onderscheiden en hoe moeten die geduid worden? 6. Kunnen verscheidene bewoningsfasen onderscheiden worden? Zo ja in welke mate zijn deze aaneensluitend? In hoeverre is er sprake van bewoningscontinuïteit tot op heden? 7. Zeggen de aangetroffen resten iets over de sociaal-economische situatie van de gebruikers? 9. Welke informatie levert het onderzoek op over de voedseleconomie? 16.

Zijn de vondsten uit de afdekkende grondlaag direct aan de grondsporen te relateren of hebben deze een andere datering? Tabel 3. De soorten baksels die zijn aangetroffen tijdens de opgraving: het aantal scherven, totaalgewicht per baksel en het Minimum Aantal Exemplaren (MAE) per baksel. Baksels

aantal

gewicht

MAE

handgevormd aardewerk IJzertijd/Romeinse tijd pingsdorfaardewerk, Pingsdorf-type pingsdorfaardewerk, Zuid-Limburgs-type roodbakkend Maaslands aardewerk kogelpotaardewerk blauwgrijs aardewerk blauwgrijs aardewerk, Elmpt-type steengoed, proto-steengoed steengoed zonder oppervlaktebehandeling steengoed met oppervlaktebehandeling grijsbakkend aardewerk roodbakkend aardewerk witbakkend aardewerk majolica faience industrieel wit aardewerk Europees porselein

2 1 1 4 7 2 22 8 6 8 7 37 2 1 5 35 2

17 15 3 21 40 12 434 93 294 171 73 426 8 78 14 489 25

2 1 1 2 4 1 13 5 6 7 3 13 1 1 2 8 1

Eindtotaal

150

2213

71

Methoden Tijdens de determinatie zijn het aardewerk en glas in een database ingevoerd. Daar zijn variabelen als aantal, gewicht (in gr), minimum aantal exemplaren (MAE) en fragmentsoort ingevuld. Het MAE is bepaald aan de hand van het aantal randvormen per vondstnummer. Daarnaast is het aardewerk en glas onderverdeeld in een aantal baksels, vormen en typen. Als het van toepassing is, zijn ook de velden met betrekking tot de oppervlaktebehandeling, decoratie, compleetheid en herkomst van het fragment ingevuld. Waar deze velden niet toereikend waren, bestond de mogelijkheid om verdere kenmerken in een tekstveld in te vullen.

20

Resultaten Vindplaats 1: Middeleeuwen-Nieuwe tijd Uit de sporen van de vindplaats uit de Middeleeuwen-Nieuwe tijd komt relatief weinig vondstmateriaal (47 van de 150 fragmenten aardewerk). Een aantal paalkuilen dateert mogelijk in de 14e eeuw: S22 en S32. Hierin bevonden zich scherven grijsbakkend aardewerk, steengoed zonder oppervlaktebehandeling en blauwgrijs aardewerk (Elmpt-type). Kuil S50 dateert waarschijnlijk in de 16e eeuw, en de greppel waar deze doorheen gesneden is (S49) dateert eerder, mogelijk in de periode 1450-1500. In de kuil zijn onder andere 16e-eeuwse fragmenten roodbakkend Maaslands aardewerk gevonden (vnr. 34.001.1). Deze zijn volledig bedekt met loodglazuur met mangaan- of ijzeroxide: ze zien er paars en bruin uit, met gele vlekken. Dit type roodbakkend Maaslands aardewerk (type 3) is geproduceerd in het Belgische Maasland, ZuidLimburg en waarschijnlijk ook in Roermond. 12 De overige sporen, die aardewerk bevatten, dateren in de Nie uwe tijd. In paalkuil S70 kwamen fragmenten rood- en witbakkend aardewerk (scherven van lekschalen), faience (bord) en steengoed (pot) voor uit de periode 17e-19e eeuw. In laag S39 is een deel van een majolica bord aangetroffen, met een beschildering in paars en geel: een wateroppervlak met zeilboot (vnr. 23.003).

Lagen S3000 en S5000 In de lagen S3000 en S5000, een verbruiningslaag en het sporenvlak, is relatief veel aardewerk aangetroffen, waarvan het aardewerk uit de IJzertijd/Romeinse tijd en uit de Volle Middeleeuwen waarschijnlijk volledig opspit is. Verder komt een aantal baksels alleen in deze lagen voor, en niet in de sporen van de nederzetting: pingsdorfaardewerk (Pingsdorf-type en Zuid-Limburgs-type), kogelpotaardewerk en proto-steengoed. Deze baksels hebben waarschijnlijk geen relatie tot de nederzetting en dateren in de periode ca. 1175-1250. In pingsdorfaardewerk (Pingsdorf-type) trof men een rand van een kogelpot aan (type pi-kog-2, vnr. 27.001.2). Dit type dateert in periode 8 van Sanke (1175-1250). 13 Het kogelpotaardewerk heeft een magering van fijn en grof zand. Enkele fragmenten zijn zwart op de breuk en hebben een witte zandmagering. Een rand van een kogelpot van het type kp-kog-17 was aanwezig: een korte uitstaande rand met inwendig een lip, een grijs oppervlak met een roze binnenkant (vnr. 32.001.3, 1200-1350). Deze rand was zeer gesleten. Een deel van het protosteengoed is waarschijnlijk afkomstig uit Zuid-Limburg (Bruijn, periode III of IV). 14 Van sommige fragmenten is slecht te zien of het gaat om proto-steengoed met een paarse sinterengobe, of om een roodbakkend Maaslands baksel met een paars glazuur.

Afb. 3.6. Halsfragment van een kruik met lintoor (vnr. 39.001.2).

12 Van Oosten en Ostkamp 2009, 48-49. 13 Sanke 2002.

14 Stoepker 2011.

21

De datering van de totale assemblage uit de lagen ligt met name in de Volle en Late Middeleeuwen. Slechts vijf fragmenten dateren met zekerheid na 1500 (Vnrs.20, 30 en 38), waarvan twee fragmenten na 1600. Uit de Late Middeleeuwen was in de lagen S3000 en S5000 onder andere blauwgrijs aardewerk (Elmpt-type), roodbakkend aardewerk, en steengoed met en zonder oppervlaktebehandeling aanwezig. Onder het steengoed zonder oppervlaktebehandeling bevindt zich een fragment van een drinkschaal (vnr. 4.001.1, 1375-1550) en een hals van een kruik met lintoor (vnr. 39.001.2, 1400-1550; Afb. 3.6).

Afb. 3.7. Glazen flessen en flesjes uit kuil S6 (vnr. 3.005). Vindplaats 2: 20e eeuw / WOII Op de vindplaats zijn drie afvalkuilen (S6, S20 en S48) uit de eerste helft van de 20e eeuw aangetroffen. Kuil S6 kan, mede op basis van de overige erin aangetroffen metaalvondsten (zie paragraaf 3.3.2), met WOII geassocieerd worden. Het grootste gedeelte van de glasvondsten (40 van de 43 objecten en fragmenten) is afkomstig uit deze drie kuilen. In kuil S6 vond men diverse glazen flessen en flesjes, een potje en vensterglas (vnr. 3.005; Afb. 3.7). Eén compleet flesje (type gl-fle-62) heeft het opschrift "Recter's azyn-essence Veenendaal": dit is een fles voor azijnessence, een geconcentreerde vorm van azijn die in het begin van de 20e eeuw in ieder huishouden voor ontkalking werd gebruikt. Op deze flessen zat statiegeld, waardoor ze niet vaak zijn weggegooid. Recter is een firma uit Veenendaal, vooral bekend van Roosvicee. Men liet de glazen flesjes voor de azijn-essence maken in Nieuw Buinen (Nieuw-Buiner Glasfabrieken). 15 Twee kleine flesjes uit kuil S6 (type gl-fle-56) hebben een schenktuitje. Een compleet parfumflesje (type gl-fle-179), vrij plat, heeft een schroefdraad en vertoont resten van het etiket. De glasvondsten uit kuil S6 hebben bij elkaar een datering in de periode ca. 1932-1950. De fabriek van Recter begon namelijk rond 1932 met produceren.

Er zaten geen voorwerpen in de kuil die direct te associëren vallen met militairen, oorlog of wederopbouw. Uit kuil S20 komt kleurloos vensterglas (3 mm dik) met een blauwe zweem, en twee vrijwel complete weckpot deksels (en enkele fragmenten, vnr. 14.003). Op de weckpot deksels staat: "VECA". Dit is een Italiaanse firma die vanaf 1932 glas produceerde. In kuil S48 zijn een rand van een weckpot zonder hals, met uitstaande richel, en verschillende fragmenten van drie flesjes voor azijn-essence aangetroffen (vnr. 37.001). Eén flesje heeft een maatverdeling met de tekst "(voor een) wijn(flesch)", en op één flesje staat de tekst "(azyn-)essence".

15 https://www.deoudeflesch.nl/wp-content/uploads/2020/03/ZUUR-VERDIEND-AZIJN.pdf

22

Afb. 3.8. Fragmenten van een beker met prinses Juliana en prins Bernhard (vnr. 37.002).

In twee van de drie kuilen was ook aardewerk aanwezig. In kuil S6 zijn fragmenten van borden van industrieel wit aardewerk (ca. 1800-1950) gevonden: een standring en twee uitgebogen randen (vnr. 3.004.2). Uit kuil S48 zijn fragmenten van industrieel wit aardewerk en Europees porselein verzameld: scherven van borden, een schoteltje, een kom en een beker. De beker heeft een print met prinses Juliana en prins Bernhard: een ovale foto met krans eromheen (Afb. 3.8). Onderaan heeft de beker ribbels en beeldt een lijnprint de Nederlandse driekleur uit. De beker is gemaakt ter gelegenheid van de verloving van Juliana en Bernhard in 1936. Het aardewerkassemblage kan daarmee in z’n geheel gedateerd worden in de periode 1936-1950. Verder is er in kuil S6 nog een miniatuur bordje van pijpaarde gevonden (vnr. 3.004.1). Het is waarschijnlijk kinderspeelgoed. Het bordje is zwart geverfd en heeft een opgebolde ziel, zodat het lijkt op een tinnen bord. Het heeft een standring en een diameter van 5,4 cm. Interpretatie en conclusie Het vondstmateriaal dateert in een aantal verschillende perioden, namelijk de Volle en Late Middeleeuwen, Nieuwe tijd en de eerste helft van de 20e eeuw. Het aardewerk uit de Volle Middeleeuwen, en enkele fragmenten uit de IJzertijd/Romeinse tijd, zijn niet gerelateerd aan de aangetroffen vindplaatsen.

Het aardewerk uit de Late Middeleeuwen bevond zich grotendeels in de lagen S3000 en S5000. In de kuilen uit de eerste helft van de 20e eeuw zat relatief veel glas en aardewerk. Dit materiaal dateert vanaf 1932 en 1936. Dit in combinatie met de interpretatie van het eveneens in een of meer van deze kuilen aangetroffen metaal, leer en papier (zie paragraaf 3.3.2), doet vermoeden dat de kuilen zijn gedempt aan het einde van de jaren ’30 of in de jaren ’40.

23

3.3.2 Metaal, leer en papier (A.V.A.J. Bosman – Military Legacy) Inleiding Tijdens archeologisch onderzoek op een perceel te Heumen Oude Boterdijk zijn door ADC ArcheoProjecten metaal- (99 stuks), papier- (75 stuks) en leervondsten (12 stuks) aangetroffen. Bij de analyse is een determinatielijst opgesteld (bijlage IV) en een determinatierapport 16 inclusief indien mogelijk een duiding van de context. Naar vereiste van de bevoegde overheid wordt op basis van de resultaten door een WO2-specialist een uitspraak gedaan of het om militair dan wel WO2 gerelateerd of om ander materiaal uit de hier gevonden contexten gaat. En tevens is aangegeven of het vondstmateriaal conserveringswaardig is, op basis van de vigerende waardering en selectie van modern oorlogserfgoed. 17 In het evaluatieverslag van het onderzoek schrijft Geerts het volgende: Uit de afvalkuilen uit de 20e eeuw komt veel fragmentarisch materiaal. Dit materiaal is daardoor minder goed nauwkeurig te dateren en hierbij heeft een uitgebreide determinatie geen toegevoegde waarde. Er wordt dan ook voorgesteld om dit materiaal te scannen en daarbij globaal de inhoud te beschrijven en daarmee het aard en karakter van de depositie te beschrijven. Het metaal is afkomstig van vele gebruiksvoorwerpen en is in sterk gecorrodeerd en daardoor in slechte staat, er wordt voorgesteld om dit materiaal na bestudering te deselecteren.

18 Vindplaats 2: afvalkuil uit de Tweede Wereldoorlog Deze vindplaats bestaat uit één kuil waarin afval gedumpt is. Twee andere afvalkuilen zijn ook afkomstig uit de 20e eeuw, maar op dit moment niet met zekerheid aan de periode van de oorlog toe te schrijven. Middels de scan van het vondstmateriaal kunnen deze beter gedateerd worden, en kan bezien worden of de kuilen in dezelfde periode gegraven zijn. Het vondstmateriaal zal ook de onderzoeksvragen met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog en de vindplaats in het algemeen kunnen beantwoorden. 19 Die vragen zijn met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog: 18. Indien meer resten aangetroffen worden. Hoe zijn deze aan de reeds onderzochte afvalkuil te relateren? 19. Is af te leiden door wie, mogendheid of divisie, het afval in de kuil gedumpt is? 20 De sporen De vondsten met mogelijk modern oorlogserfgoed stammen uit drie kuilen en een laag. De enige kuil waarin met zekerheid militair materiaal uit WO2 voorkomt, is spoor 6. In de beide kuilen spoor 20 en 48 is civiel 20e-eeuws materiaal gevonden. Een vondst uit laag 3000 is eveneens 20e-eeuws en civiel van aard. 21 Hier wordt niet uitvoerig ingegaan op de beschrijving van de sporen. Maar wat wel duidelijk is, is dat de serie sporen met vondsten geen stelling betreft maar ogenschijnlijk een reeks van afvalkuilen.

Het ontbreken van granaatscherven tussen het vondstmateriaal zou een indicatie kunnen zijn dat het hier eerder een kampement betreft dan een gevechtsveld. Echter de onder te bespreken handgranaten, kunnen er echter op duiden dat er wel gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden. Spoor 72, ten westen van spoor 6, wordt door de opgravers geïnterpreteerd als mogelijk schuttersputje. Op de bodem ervan is een plank aangetroffen. De kuil had helaas geen

16 Bosman 2022, wat vrijwel integraal is overgenomen in deze paragraaf 3.3.2. Alle foto’s in deze paragraaf zijn gemaakt door

Military Legacy tenzij anders aangegeven.

17 Bosman & Willemsen 2019. 18 Geerts 2022b, 6. 19 Geerts 2022b, 6. 20 Geerts 2022b, 3.

21 Laag 3000: Laag van Wijchen, bodemvorming in de top, bruine klei, licht humeus, houtskoolspikkels; deze ligt hier direct

onder de bouwvoor.

24

vondst-inhoud, waardoor deze aanvankelijk als een ‘recente verstoring’ is gezien. Als het een schuttersput is, dan is deze relatief kort en smal. Het zal niet meer dan een schuilnis of mangat zijn geweest.

S20

S72

S6

S48

Afb. 3.9. Alle sporenkaart: in rood de sporen met datering 20e-eeuws of WO2 (bron: afb. 3.4).

25

De vondsten Wapens Het vinden van wapens of wapenonderdelen is niet vanzelfsprekend. Wapens worden over het algemeen alleen weggegooid als ze beschadigd of onbruikbaar zijn geworden, gaan verloren bij een beschieting of in een situatie van capitulatie. Vaak wordt in het laatste geval het wapen moedwillig beschadigd of uitneembare onderdelen elders weggeworpen. Dit om te voorkomen dat het in de handen van de vijand gevallen wapen alsnog gebruikt kan worden. Wel kunnen verwisselbare onderdelen, zoals patroonhouders achterblijven wanneer deze leeg of onbruikbaar zijn. Tegen deze achtergrond verbaast het dus niet dat er slechts vondsten geborgen zijn die in deze categorie zijn te scharen. Het betreft twee patroonhouders voor de lichte mitrailleur Brengun. Beide zijn afkomstig uit kuil spoor 6.

Afb. 3.10. Britse of Canadese Brengun patroonhouders (vnr. 3.012 en 3.013).

De patroonhouders zijn allebei leeg, en ogen intact. Het aandrijfvlak voor de patronen ligt bovenin waar het door de interne veer op de plaats is gehouden. Het onduidelijk waarom beide patroonhouders in de kuil zijn achtergelaten. De Brengun was een lichte mitrailleur geïntroduceerd in 1938. 22 De naam is een samentrekking van de Tsjechische wapenfabriek Brno, waar het wapen oorspronkelijk was ontwikkeld en de Engelse wapenfabriek Royal Small Arms Factory te Enfield, waar het wapen in licentie werd gemaakt. Het bleef tot ruim na 1945 in gebruik. Dit groepswapen was 63,3 cm lang en 10,35 kg zwaar.

22 Chamberlain & Gander 1974; Grant 2013.

26

De Bren was luchtgekoeld en had een verwisselbare loop. Het effectieve bereik was tot ca. 900 m. Er waren twee standen: semi- of volautomatisch vuren. Tijdens snelvuur werden er vuurstoten van 4 à 5 schoten gegeven. Na ongeveer tien patroonhouders snelvuur moest de warm-geschoten loop verwisseld worden om accuratesse van het vuur te behouden en eventuele slijtage te voorkomen. Het had standaard een uitklapbaar tweepootaffuit, maar kon ook op een driepoot gemonteerd worden die na volledig te zijn uitgeklapt ook gebruikt kon worden voor luchtverdediging. De korrel en vizier zijn op de zijkant van het wapen naast de loop gemonteerd. Bovenop was geen plaats door de patroonhouder. De positie van het vizier heeft als voordeel dat de schutter bij het richten geen last heeft van luchtwervelingen door de hitte-uitstraling vooraan de loop. De gebogen patroonhouder bevatte maximaal 30 patronen van kaliber 7,7x56R Enfield (.303). Om de veer te sparen en daarmee aanvoer te garanderen werd in de praktijk de patroonhouder meestal met niet meer dan 28 patronen gevuld.

Afb. 3.11. Noorse soldaten tijdens training met de Brengun in Engeland 1941 (IWM, H 11121).

27

Afb. 3.12. Soldaten van het 4th Battalion, Welch Regiment bezig met wapenonderhoud aan Lee Enfield No 4 en een stengun (achtergrond) in hun stelling nabij 's-Hertogenbosch, 25 Oktober 1944. Enkele maanden later zijn ze bij Groesbeek actief (IWM).

In de periode 1944-1945 bestond een Brits of Canadees platoon uit ca. 37 man. De bevelvoerende officier was bewapend met een revolver, zijn plaatsvervanger (een sergeant) was net als de drie groepscommandanten bewapend met een Stengun. Op de drie Brengunschutters na waren alle overige soldaten bewapend met een geweer, zoals de Lee Enfield No. 4. Dat waren er 29 in totaal. Eén van de soldaten in de staf droeg een 2 inch mortier mee. De munitie hiervoor werd net als die voor de Brenguns verdeeld over de manschappen. De patroontassen waren groot genoeg om ofwel 2 inch mortiergranaten of Bren patroonhouders te bevatten, en dat naast de eigen geweermunitie en handgranaten (Mills 36, No. 69, No. 78 of No. 79).

Afb. 3.13. De Lee Enfield No 4, standaard wapen van de Britse en Canadese infanterie vanaf 1942 (tactical-life.com).

28

Afb. 3.14. Geopende grendel van een Britse Lee Enfield No 4 tijdens het laden van een clip met vijf 77 x 57R Enfield (.303) patronen ( tactical-life.com).

Klein kaliber munitie (KKM) 23 Er zijn twee complete, zeven fragmenten en drie punten van 7,7 x 56R Enfield (.303) patronen. De fragmentarische hulzen zijn duidelijk opengeklapt, waarbij zowel de hulswand is opengebarsten en slechts de bodem resteert, en dat in alle gevallen het slaghoedje is weggeslagen. Op enkele van de hulzen zijn blazen waarneembaar die op hitte duiden. De patronen hebben vermoedelijk in het vuur gelegen en zijn daardoor geëxplodeerd. Door het branden is overigens ook de kleur van het slaghoedje verdwenen. Deze kleur duidt op de lading van de patroon, bijvoorbeeld als scherpe (ball.), lichtspoor (tracer) en dergelijke.

Afb. 3.15. Alle .303 patronen en fragmenten (vnr. 3.014 t/m 024). Opvallend is dat het bodemstempel gelijk is op de twee complete patronen en drie van de fragmenten. Het luidt: R LL 1943 VII. Deze patroon is in 1943 gemaakt bij de Royal Laboratory, Woolwich. Hier werden tussen 1888 en 1954 patronen gemaakt. VII staat voor het type kogel dat in 1901 de kogel type VI met een afgeronde punt verving. De nieuwe gepunte 11,3 gram zware kogel had een vlakke bodem. De .303 huls werd geladen met 2,4 gram Cordite MDT 5-2, rookzwak kruit dat in pijpjes was geperst. De mondingssnelheid was 744 m/sec, met een maximale dracht van 2,7 km.

23 Van de KKM zijn de twee complete, nog scherpe patronen na analyse overgedragen aan de EODD.

29

Afb. 3.16. Links: Tekening en dwarsdoorsnede van een Britse .303 patroon (forum.cartridgecollectors.org). Rechts: Britse .303 patronen gemaakt bij Royal Laboratory, Woolwich (vnr. 003.020 t/m 24).

Vnr 3.019 is eveneens een .303 patroonfragment en heeft het bodemstempel: R LL 1942 VIIZ. Deze patroon is een jaar eerder als bovenstaande eveneens gemaakt bij de Royal Laboratory, Woolwich. De codering VIIZ was ten teken dat het een Cartridge S.A. Ball .303 inch NC Mark VIIz betreft, in gebruik sinds mei 1916, die geladen was met DuPont No.16 powder.

30

Afb. 3.17. Britse .303 patronen gemaakt bij Royal Laboratory, Woolwich (vnr. 003.019). De overige drie bodemstempels zijn zeer interessant in het kader van de militaire logistiek. Het betreft namelijk geen Britse patronen! Een fragment is gemerkt: U ◊ 1943 VII . Deze is gemaakt bij de South African Mint, te Kimberley. Hier zijn tussen 1942 en 1945 patronen gemaakt. Zuid Afrika was op dat moment nog onderdeel van het Britse Rijk en droeg haar steentje bij aan de behoefte vanuit Groot-Brittannië aan manschappen, materieel en materiaal.

Afb. 3.18. Zuid-Afrikaanse .303 patroon (vnr. 003.016). Twee van de hulsfragmenten zijn identiek gemerkt: WRA 1941 .303 Op basis hiervan is duidelijk dat deze bij Winchester Repeating Arms Co., New Haven, Connecticut (USA) zijn gemaakt. Gezien de datering is dit gebeurd in de periode dat de Verenigde Staten officieel nog niet meededen in de oorlog, maar dus blijkbaar wel munitie leverden. Het expliciet vermelden van het kaliber is daarmee ook verklaard. Dit is immers in de VS geen gangbare maat bij militaire wapens.

Afb. 3.19. Amerikaanse .303 patronen (vnr. 003.016).

31

Handgranaten Tijdens de opgraving is een handgranaat gevonden. De lokale Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie heeft aangegeven dat “er nog twee dezelfde gevonden werden door detectoramateurs”. Hiervan is overigens geen foto beschikbaar. Van de bij de opgraving op 9 mei gevonden handgranaat is alleen globaal de locatie bekend, aangezien hij al in de bak van de kraan lag en niet direct herkend was, waardoor deze dus niet is ingemeten. Van de andere twee is geen andere plaatsbepaling bekend dan dat deze op hetzelfde veld ter hoogte van de weer met teruggestorte grond gevulde werkputten gevonden zijn. 24

Afb. 3.20. Boven: locatie handgranaat (bij benadering; tekening ADC ArcheoProjecten) Onder: De handgranaat kort na de ontdekking (foto R. Geerts, ADC ArcheoProjecten).

24 App en Email Roderick Geerts d.d. respectievelijk 9 mei 2022 en 15 augustus 2022

32

Het betreft een Britse aanvalshandgranaat Grenade, Hand, No. 69 met een zwart bakeliet lichaam waarop rode en groene merken. De rode kruizen zijn een aanduiding voor de omstandigheden waaronder deze handgranaat geschikt is, zoals tropisch klimaat. De groene band is een aanduiding dat het lichaam is gevuld met explosieve stof. 25 De ontstekingsinrichting is een Always fuze (Fuze percussion No. 247). Het totaalgewicht is 383 gram, waarvan de explosieve inhoud 92 gram amatol 80/20 of baratol 20/80. 26 Welke de vulling exact is, staat normaliter aangegeven op de groene band om het granaatlichaam. Het gevonden exemplaar had een stempeling op de bodem: No 69 I / DLRE-40 . Op basis hiervan is in ieder geval duidelijk dat het een No. 69 Mk. I betreft, die gemaakt is in 1940. De lezing van de fabriekscode is niet helemaal zeker als gevolg van aangekoekt vuil op de handgranaat op de enige foto die beschikbaar is. De handgranaat wordt tot uitwerking gebracht door losschroeven van de veiligheidsdop. Hierna zal de ontsteker zich na het werpen op scherp stellen, doordat de veiligheidsband met loden gewichtje zich van de granaat afwikkelt en uiteindelijk de veiligheidspin uittrekt. De ontsteker is nu gewapend en heeft geen vertraging. Bij treffen van het doel drukt de loden kogel door zijn traagheid de slagpin, tegen de werking van de ophoudveer in, naar achteren.

Tevens kan de slagdop door zijn traagheid naar voren bewegen zodat de slagpin het hoedje treft waardoor de ontsteking plaats vindt. Bij explosie zal er sprake zijn van luchtdruk werking. De blast doodt en verwondt op korte afstand. Door bakelieten scherven is er kans op verwonding tot 25 m. De loden kogel kan tot een grotere afstand verwonden. De aard van de alzijdige ontstekingsinrichting maakt dat bij het aantreffen van een geweigerde handgranaat een geringe beweging de ontsteker al kan activeren. Gelukkig was dat hier niet het geval!

Afb. 3.21. De aanvalshandgranaat No. 69 (canadiansoldiers.com).

25 De handgranaat heeft geen vondstnummer, want is na advies van de auteur nog dezelfde dag op de vindplaats door de EOD

geruimd. Dit is tevens een indicatie voor de gevaarsetting, dat de handgranaat zelfs door hen niet meer verplaatst is.

26 MGK 0089.

33

Afb. 3.22. De No. 247 alzijdige ontsteker in hoofddelen uiteen genomen (lexpev.nl). Militaire kleding en uitrusting Militairen hebben een hoeveelheid materialen bij zich, meestal verstrekt door het leger of privé meegebracht of ‘onderweg ‘ georganiseerde zaken, waarmee het functioneren aan het front succesvol is en het leven achter front veraangenaamd kan worden. In de officiële van dienstwege verstrekte zaken staan meestal kenmerken die het als zodanig herkenbaar maken: een productiemerk, een datering of typenummer. Een enkele keer staat er zelfs een gebruiksaanwijzing op. Bij privézaken kan een fabrieksmerk voorkomen. Op beide categorieën kan een eigendomsmerk van de gebruiker voorkomen. Op militaire uitrusting is zo’n merkteken van de gebruiker in feite oneigenlijk aangezien het officieel eigendom is van het leger. KLEDING De categorie kleding is beperkt tot één knoop en twee delen van drukknopen, alle in koperlegering.

Afb. 3.23. Koperen uniformknoop (vnr. 3.009). De knoop is aangetroffen in één van de noodrantsoenblikken (vnr. 3.009). Het betreft een knoop van het Britse model, zoals al in gebruik sinds einde van de 19e eeuw. Deze is plat met uitzondering van een centraal deel dat halfrond naar beneden gestanst is. Hierin bevinden zich vier gaten voor het door middel van naaigaren bevestigen van de knoop. Het heeft een diameter van 1,6 cm en is 0,2 cm hoog. Op de onderkant is op het platte deel een stempel aangebracht: . BUTTONS LTD . LONDON Buttons Ltd. was een bedrijf dat in 1907 ontstond uit het samengaan van Thomas Carylyle Ltd., Harrison Smith Ltd. en Plant, Green & Manton Ltd. Het had drie vestigingen in Birmingham: Portland Street, Worstone Lane en Clissold Street. Hier werden voornamelijk militaire en civiele knopen, maar ook gespen en ander stampwerk vervaardigd. Er was vanaf 1909 een vestiging in Londen, die een eigen stempel droeg, zoals op de vondst uit Heumen. Andere merken die zijn gebruikt zijn: 'Three Domes' en de gekruiste zwaarden. Het bedrijf bestaat nog steeds als divisie van Francis Sumner Engineering Co.

34

Gedurende WO2 wordt vanwege het besparen van koper steeds meer overgegaan op het gebruik van groen of bruin plastic knopen op de uniformen. Hierdoor is het mogelijk dat de knoop afkomstig is van een Battle Dress veldjas of broek die al vóór 1940 is gemaakt. Het is overigens niet uitgesloten dat de knoop niet verloren is vanaf de kleiding, maar nog ongebruikt in een naaigarnituur zat.

Afb. 3.24. Koperen knopen duidelijk zichtbaar op de Battle Dress broek van de knielende soldaat van The Cameronians (Scottish Rifles) 2nd batallion 15th (Scottish) Infantry Division (IWM).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12120917/1