Bijlage IV Werkblad Interventie Krachtwerk Methodisch werken aan participatie en zelfregie
Tekst van het document
Om die reden worden alle vier conditionele factoren van sociale kwaliteit als zodanig geduid, dus: sociaaleconomische zekerheid, sociale cohesie, sociale empowerment en sociale inclusie (Wolf, 2016; Wolf & Jonker, 2020). Bij sociale empowerment worden bijvoorbeeld de capaciteiten en handelingsmogelijkheden van individuen nadrukkelijk begrepen in het licht van de mogelijkheden en kansen die de gemeenschap individuen en gezinnen voor de ontwikkeling van deze potenties biedt. Het kader van sociale kwaliteit is de theoretische basis van Krachtwerk (Wolf & Jonker, 2020). Het is bruikbaar voor het begrijpen en ordenen van risicofactoren van sociale uitsluiting, zoals die in empirisch onderzoek en literatuur zijn gevonden (Wolf, 2016), en ook toegepast in het Krachtkompas voor de inventarisatie van krachten en hulpbronnen.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 20
Schema 1 Risicofactoren van sociale uitsluiting geordend naar conditionele factoren van sociale kwaliteit. Conditionele factoren van sociale kwaliteit
Risicofactoren
Sociaaleconomische zekerheid
Laag inkomen
De mate waarin mensen toegang hebben tot materiële en omgevingsbronnen die nodig zijn
Schulden Laag opleidingsniveau, schooluitval
voor maatschappelijke participatie en veiligheid.
Gebrek aan arbeidskwalificaties Werkloosheid Eerdere huisuitzetting Instabiele woon- en/of werkgeschiedenis
Sociale cohesie De mate waarin relaties, gebaseerd op (gedeelde)
Belastende familiegeschiedenis Negatieve jeugdervaringen
waarden, normen (solidariteit) en identiteiten, worden gedeeld en onderling verband hebben.
Conflicten of breuken in relaties Geweld in afhankelijkheidsrelaties: (eerdere) mishandeling & verwaarlozing Weggaan of weglopen van huis Dood van belangrijke andere
Sociale empowerment De mate waarin capaciteiten en
Ineffectieve coping Lichamelijke problemen
handelingsmogelijkheden van individuen worden ondersteund en versterkt door sociale structuren
Psychische problemen Alcohol- en drugsmisbruik
en relaties. Sociale inclusie
Voogdij & uithuisplaatsing
De mate waarin mensen toegang hebben tot en geïntegreerd zijn in diverse instituties en in sociale
Detentieverleden Ontslag uit institutie
relaties van het alledaagse leven.
Slechte toegang tot zorg | zorgmijding
Voor specifieke groepen mensen in achterstandssituaties geldt doorgaans een combinatie van bovenstaande risico- en beschermende factoren. Bij deze groepen zijn vaak ook specifieke risicofactoren aanwijsbaar. Risicofactoren specifiek voor geweld in afhankelijkheidsrelaties, dus exclusief de overlappende risicofactoren van sociale uitsluiting, zijn hierna in schema 2 ook naar de condities geordend (Sijbrandij e.a., 2008; Wolf & Jansen: 2011: 22). Niet in dit schema is opgenomen: een jonge leeftijd. Schema 2 Risicofactoren voor geweld in afhankelijkheidsrelaties geordend naar conditionele factoren van sociale kwaliteit. Conditionele factoren
Risicofactoren
Sociaaleconomische zekerheid
Afhankelijke verblijfsstatus
Sociale cohesie
Eerdere geweldservaring (partnergeweld) Vijandig communicatiepatroon Korte duur van relatie Aantal en aanwezigheid kinderen Acceptatie van huiselijk geweld Traditionele denkbeelden over man-vrouw verhoudingen
Sociale empowerment
Antisociale persoonlijkheidstrekken Beperkte sociale vaardigheden
Sociale inclusie
Ontbreken van beleid voor huiselijk geweld Beperkte beschikbaarheid van en toegang tot voorzieningen Geringe responsiviteit voorzieningen Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 21
Aan te pakken factoren Krachtwerk ondersteunt kwetsbare mensen in hun eigen proces van herstel in de richting van een door henzelf gewenste kwaliteit van leven waarbij zij, net als iedere burger, in de samenleving meedoen, erbij horen, ertoe doen en mogen zijn wie ze zijn. Dit gebeurt vooral door cliënten te coachen in het zelf vergroten van hun invloedsmogelijkheden in de situatie, uitgaande van hun waarden en doelen en in het licht van eerdere succesvolle aanpassingen en leerervaringen van misgelopen pogingen. Bij geweld tegen vrouwen is de aanpak gericht op het vergroten van hun zelfstandigheid (Gondolf & Fisher, 1988; Herman, 1993; McFarlane, 2002), bescherming (verhoging veiligheidsgedrag vrouwen) en bevordering van het maken van eigen keuzes en probleemoplossend gedrag, ook in besluitvorming over de relatie. Dit met inbegrip van eventuele fysieke verplaatsing om herhaling van geweld te voorkomen (Dutton, 1996) en systeeminterventies met het oog op onder meer het doorbreken van disfunctionele, vijandige communicatiepatronen en opvoedondersteuning voor het welzijn en de veiligheid van de kinderen (Bos, Reijmers, Scherpenisse, Jonker & Wolf, 2012). Krachtwerk werkt op doelgroepniveau aan alle factoren. Al naar gelang de eigen keuzes van het individu voor specifieke lange-termijn doelen is de mix van aan te pakken factoren op casusniveau voor elke cliënt anders.
Bij vrouwen met geweldservaringen ligt het zwaartepunt, behalve op bestaanszekerheid en sociale steun, op veiligheid en weerbaarheid, de relatie en communicatie met de (ex)partner en de relatie met en opvoeding van eventuele kinderen. De aan te pakken factoren zijn hierna weer geordend naar de kwadranten van het model van sociale kwaliteit en geformuleerd in termen van de (sub)doelen van Krachtwerk (zie 2.2). Bestaanszekerheid (subdoel 1) Cliënten hebben bestaanszekerheid. Gewerkt wordt aan essentiële bestaansvoorwaarden, zoals: * stabiel en (begeleid) zelfstandig wonen3 * toereikend inkomen voor het levensonderhoud * financiën en administratie op orde en adequaat in beheer * zinvolle dagactiviteiten en/of werk. Wederkerige verbindingen met anderen (subdoel 2) Cliënten zijn in staat om positieve, interpersoonlijke relaties aan te gaan. Gewerkt wordt aan: * verhoging veiligheidsgedrag * versterken functionele communicatiepatronen in persoonlijke relaties en woonomgeving * steunend sociaal netwerk * wederzijds respect en (zelf)acceptatie * positieve opvoeding kinderen. Competenties, zelfwaardering en een positieve identiteit (subdoel 3) Cliënten beschikken over competenties om zich in het dagelijks leven staande te houden, indien nodig met compensaties, en hebben een positief zelfbeeld en een positieve identiteit.
Gewerkt wordt aan: * de gezondheid * bevorderen van eigen keuzes en probleemoplossend vermogen * weerbaarheid * kijkwijziging. Toegang tot instituties, netwerken en rechten (subdoel 4) Cliënten hebben toegang tot instituties, netwerken en rechten. Gewerkt wordt aan: * toegang tot informatie * toegang tot en responsiever maken van sociale netwerken en hulpbronnen 3 Tenzij de zelfregulering langdurig tekortschiet, dan is een ‘beschermd thuis’ de beste optie (zie Commissie Toekomst
Beschermd Wonen, 2015). Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 22
* noodzakelijke hulp bij materiële, sociale en/of gezondheidsproblemen * positieve ervaringen met de begeleiding en opvang. Verantwoording • Ter onderbouwing van Krachtwerk zijn, naast raadplegingen van cliënten en begeleiders, systematische internationale literatuurstudies uitgevoerd om na te gaan wat uit wetenschappelijk onderzoek bekend is over de effectiviteit van interventies voor de begeleiding van kwetsbare, dakloze mensen en mishandelde vrouwen en op welke theoretische concepten deze zijn gestoeld (Jonker, Van Luijtelaar & Wolf 2009; De Vet e.a., 2015; Jonker e.a., 2014). Er is eveneens gebruik gemaakt van een eerder uitgevoerde literatuurstudie naar effectieve interventies bij verslaafden bij de ontwikkeling van de krachtgerichte methodiek (VanderPlasschen, Wolf, Rapp & Broekaert, 2007). Begin 2015 is opnieuw een internationale literatuursearch gedaan voor het inventariseren van de effectiviteit van krachtgerichte methodieken (zie hierna bij 6). •
Verder zijn empirische gegevens en (praktijk)theoretische inzichten verwerkt in conceptuele kaders (Sijbrandij & Wolf, 2008; Wolf, 2016). Deze kaders beschrijven de risico- en beschermende factoren die samenhangen met sociale uitsluiting en geweld in afhankelijkheidsrelaties. Ook is beschreven uit welke componenten de veerkracht van mensen is opgebouwd en wat − aan de hand van het theoretisch kader van sociale kwaliteit – de vier conditionele factoren zijn voor de maatschappelijke participatie en zelfregie van mensen. De (praktijk-)theoretische concepten zijn vertaald in aanknopingspunten voor het methodisch handelen van professionals.
Conceptuele basis van Krachtwerk Krachtwerk is gefundeerd in praktijktheoretische concepten die nader zicht geven op waarom de krachtgerichte aanpak helpt bij het bereiken van eigen gekozen (sub)doelen van mensen die de greep op hun leven kwijt zijn of die dreigen te verliezen. Deze concepten zijn uitgewerkt in drie pijlers. Hoop op een zingevend bestaan Hoop is een belangrijke beschermende en helende factor (Deci & Ryan, 2000). Mensen in achterstandssituaties zijn kwetsbaar, maar beschikken tevens over een gevarieerd arsenaal aan overlevingsstrategieën en een ongekende (veer)kracht. Zelfregulering Zelfregulering vormt de tweede pijler van Krachtwerk. Zelfregulering verwijst naar de persoon als een actieve actor die zijn eigen gedrag en daarmee zijn bestaan en bestemming vormgeeft. Zelfregulatie betekent zoveel als het zelf managen van eigen veranderingsprocessen. Met meer zelfregulering heeft iemand de belangrijkste voorwaarde gecreëerd voor het vervullen van drie aangeboren psychische behoeften: autonoom zijn, zichzelf ervaren als competent en zich verbonden voelen met anderen. De mate waarin deze drie basisbehoeften zijn vervuld, bepaalt in hoge mate het welbevinden en de gezondheid van mensen. Hoe meer het eigen gedrag als zelfbepaald wordt ervaren, des te groter de intrinsieke motivatie en des te meer mensen volharden in het bereiken van hun doelen.
Zelfdeterminatie brengt mensen, anders gezegd, dichter bij wat voor hen een zingevend bestaan is, waarin zij ook in hoge mate samenvallen met zichzelf. Bij mensen in achterstandssituaties is het, ondanks het vaak opvallende gebrek aan motivatie, juist van belang om gevolg te geven aan hun zelfdeterminatie. Dit impliceert concreet maximale ruimte voor zelfgekozen doelen en activiteiten. Burgerschap Bij Krachtwerk staat de notie van burgerschap centraal. Mensen in achterstandssituatie die sociaal uitgesloten zijn of dreigen dat te worden, zijn en blijven burger. De krachtgerichte methodiek kiest burgerschap ook als ijkpunt voor verandering. De vaststelling dat mensen die achterop zijn geraakt onvoldoende competenties hebben om te voldoen aan het ideaal van de autonome burger, mag geen vrijbrief zijn om de normen voor hun bestaanskwaliteit te herijken aan die van een soort tweederangsburger met alle verlies van rechten van dien (Wolf e.a., 2002). Burgerschap als ijkpunt voor verandering nemen
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 23
betekent geenszins dat iedereen aan dit ideaal moet voldoen. Wel dat de oriëntatie erop, het perspectief erop blijft bestaan (Wolf, e.a., 2002). ‘Wat werkt’ beginselen Krachtwerk is gefundeerd in de ‘wat werkt’ beginselen. Tijdens de ontwikkeling van de methodiek geraadpleegde cliënten en begeleiders herkenden en onderschreven deze beginselen. Hierna volgt een beschrijving van de ‘wat werkt’ beginselen en aan welke van de krachtprincipes van Krachtwerk die verwant zijn. Behoeftenbeginsel De interventie is afgestemd op de behoeften van cliënten. Motivatie wordt niet verondersteld, maar in doen en leren opgebouwd. Er is in de begeleiding aansluiting bij de ‘zone van de naaste ontwikkeling’ van de cliënt; wat kan een cliënt zonder hulp nog net wel, en wat net niet meer. De actuele handelingsproblemen en -mogelijkheden van iemand worden als vertrekpunt genomen om van daaruit ook ontwikkeling- en systeemgerichte interventies uit te voeren. Begeleiders zijn bereikbaar en beschikbaar op het moment dat mensen het echt nodig hebben. Samen doen en ‘er zijn’ is in de begeleiding minstens zo belangrijk als praten. Het behoeftenbeginsel is gerelateerd aan het eerste en tweede krachtprincipe, namelijk: cliënten hebben het vermogen te herstellen, hun leven weer op te pakken en te veranderen en de focus ligt op individuele krachten, niet op tekortkomingen.
Responsiviteitsbeginsel Begeleiders bewegen mee met de cliënten en sluiten aan bij hun leer- en leefstijl. Dit vraagt van de begeleiders dat zij beelden over de doelgroep relativeren en geijkte hulpverleningskaders loslaten: ‘De begeleider volgt de cliënt’. De aanpak is onconventioneel en flexibel om tegemoet te komen aan de diversiteit van de doelgroep. Begeleiders staan naast de cliënt en proberen voeling te krijgen met zijn levensritme en zodanig met de persoon ‘in de pas’ te raken dat er een goede werkrelatie ontstaat. Er wordt wederzijds gestuurd op basis van feedback. Interventies zijn uitsluitend gericht op het realiseren van de door kwetsbare mensen gewenste kwaliteit van leven. Krachtwerk veronderstelt een afstemming tussen de kenmerken van cliënten, de uitvoerders van de interventie, de interventie zelf en de kenmerken van organisatie (eis van congruentie). Het responsiviteitsbeginsel komt terug in het derde krachtprincipe: De cliënt heeft de regie over de begeleiding. Balansbeginsel Hoe meer risicofactoren in de situatie van kwetsbare mensen, hoe groter de kans op een verstoring in de balans tussen de draaglast en draagkracht bij mensen. Meer nog dan het type risicofactor, brengt een opeenstapeling van risicofactoren mensen uit balans.
Hoe meer achterstanden, tegenslagen en ingrijpende gebeurtenissen, hoe intensiever, omvattender en langer durend de toepassing van de interventie in principe nodig is. De interventie richt zich juist op de condities van participatie en beschermende factoren omdat die het herstelproces van kwetsbare mensen kunnen ondersteunen en versterken. Als zodanig heeft het balansprincipe een link met het eerste krachtprincipe: Cliënten hebben het vermogen te herstellen, hun leven weer op te pakken en te veranderen. Integriteitsbeginsel De werkwijze is gebaseerd op theoretische concepten en modellen (denk aan model van sociale uitsluiting en sociale kwaliteit) dat verklaringen biedt voor het ontstaan en voortbestaan van de meervoudige problemen van kwetsbare mensen en het proces van sociale uitsluiting. Integriteit houdt tevens in dat de beoogde en wetenschappelijk onderbouwde methodiek zo getrouw mogelijk moet worden uitgevoerd (modelgetrouwheid). Afwijkingen van de beoogde krachtgerichte methodiek verkleinen de kans op succes. Contextbeginsel Kwetsbare mensen worden begeleid en gevolgd in hun eigen, natuurlijke omgeving. Dat geeft zicht op de functie van hun doen en laten in de context en geeft aanknopingspunten voor positieve veranderingen. Een grondige omgevingsanalyse is het vertrekpunt.
Interventies zijn gericht op verandering van actueel Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 24
gedrag/context dat kenmerkend is voor concreet omschreven handelingsvraagstukken. De eigen leefomgeving van de cliënt is bij voorkeur de leeromgeving. De omgeving biedt hulpbronnen en steun en het is zaak die te (helpen) benutten. Inzet van de begeleiding is ook de gemeenschap responsiever te maken voor de behoeften van de doelgroep, waaronder vrouwen met geweldservaringen (Sullivan & Bybee, 1999). Voor cliënten belangrijke personen kunnen als ankerpunten dienen bij de opbouw van een nieuw bestaan. Het contextbeginsel komt in het vijfde en zesde krachtprincipe terug: werken in de natuurlijke omgeving en de samenleving als hulpbron. Continuïteitsbeginsel De gemeenschap is vertrek- en eindpunt van de begeleiding van kwetsbare mensen. Een opname of verblijf in een intramurale voorziening is bij voorkeur een tijdelijke onderbreking in het leven in de gemeenschap. Er is continuïteit in de begeleiding in plaats, tijd en persoon. Elke cliënt heeft een vaste begeleider of mentor. Begeleiders worden getraind in vasthoudendheid. De begeleider volgt en blijft in contact met de cliënt, soms hinderlijk als het nodig is. Begeleiders leren tussen alle bedrijven door te reflecteren en tijdens de evaluatie met de cliënt samen feedback te geven op het begeleidingsproces (‘wat gaat goed, wat kan beter’).
De inhoud van de interventies is op elkaar afgestemd en congruent en er is nazorg en follow-up. Het continuïteitsbeginsel is gerelateerd aan het vierde krachtprincipe: de werkrelatie is primair en essentieel. Professionaliteitbeginsel Het zijn vakmensen die de werkwijze uitvoeren; ervaren professionals met omschreven competenties die in staat zijn tot aanpassing van de werkwijze aan individuele cliënten, in staat zijn tot zelfreflectie en het afleggen van verantwoording over het eigen handelen en die met bijscholing, intervisie en supervisie door hun organisatie worden gesteund. Ook het professionaliteitsbeginsel is aan het vierde krachtprincipe gerelateerd, namelijk de werkrelatie is primair en essentieel.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 25
4. Onderzoek 4.1
Onderzoek naar de uitvoering
Door Impuls en de Impuls Academie zijn in de periode 2015 t/m 2020 diverse evaluatieactiviteiten uitgevoerd om zicht te krijgen op het bereik van Krachtwerk in Nederland, de mate van modelgetrouwe uitvoering van de interventie door teams, de praktijkervaringen met Krachtwerk en de factoren die meespelen bij de implementatie van de interventie. Hierna volgen per onderzoeksvraag de uitgevoerde activiteiten, de gebruikte bronnen en de resultaten. De onderzoeksvragen zijn: 1. Wat is het bereik van Krachtwerk? 2. Is Krachtwerk in de praktijk uitgevoerd zoals beoogd? 3. Wat zijn de ervaringen met Krachtwerk? 4. Wat zijn bevorderende en belemmerende factoren bij de implementatie van Krachtwerk? 5. Wat zijn op basis van de resultaten van de evaluatie verbetersuggesties voor Krachtwerk? Wat is het bereik van Krachtwerk? In de laatste 10 jaar (2010-2020) is Krachtwerk geïmplementeerd in 75 organisaties, verspreid over heel Nederland (zie figuur hierna). In de eerste vijf jaar werd Krachtwerk vooral toegepast in de maatschappelijke opvang, de vrouwenopvang en opvang voor dak- en thuisloze jongeren (Wolf, Jonker & Jansen, 2015; Wolf & Jonker, 2016). Sindsdien is Krachtwerk in andere sectoren en werkvelden ingevoerd, zoals in sociale wijkteams van gemeenten (WMO en jeugdzorg), in organisaties voor arbeidsbemiddeling, opvang voor exgedetineerden en opvang voor vluchtelingen.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 26
Aantallen trainingen Krachtwerk In de periode van 2010-2020 zijn bij de Impuls Academie diverse soorten trainingen Krachtwerk afgenomen. Tabel 2 Afgenomen trainingen Krachtwerk 2010-2020 Krachtwerk basistrainingen
591
Krachtwerk coaching
25
Krachtwerk teamondersteuning
29
Krachtwerk ondersteunend personeel
61
Krachtwerk management
18
•
•
In de periode 2010 tot 2020 is aan 5600 professionals een bewijs van deelname/certificaat verstrekt na het succesvol afronden van de basistraining. Daarnaast hebben in deze periode 114 interne coaches de 7-daagse opleiding tot coach Krachtwerk met goed gevolg afgerond. Deelnemers kunnen na goed gevolg van de trainingen zelf accreditatiepunten aanvragen. Met name in de afgelopen vijf jaar zijn in toenemende mate op verzoek van organisaties verdiepingen op maat ontwikkeld en aangeboden (boostersessies, bijscholings-/opfrisdagen, inspiratiedagen) voor zowel de uitvoerend professionals als de Krachtcoaches. Naast de ondersteuning die trainers gaven, zijn diverse medewerkers van de Impuls Academie bij organisaties op werkbezoek gegaan om het MT en middenkader te adviseren bij de verdere implementatie en borging van Krachtwerk binnen de organisatie.
Evaluatie van basistraining Krachtwerk Vanaf de start – in 2010 – is de basistraining geëvalueerd. Deze evaluatie is tussentijds aangepast, mede omdat het vernieuwde methodiekboek (Wolf, 2016) leidde tot diverse aanscherpingen in de basistraining. Om die reden heeft de informatie over de ervaringen van deelnemers met de basistraining betrekking op de jaren 2018 en 2019, en hebben de rapportcijfers over de trainingen betrekking op de jaren 2016 t/m 2019 (Al Shamma, Jonker & Wolf, 2020). • De basistraining krijgt van deelnemers (n=843) gemiddeld een 8. Dit cijfer ligt wat hoger dan het cijfer van gemiddeld 7,6 dat deelnemers in de beginfase aan de training gaven (Wolf, Jonker & Janssen, 2015). • De ‘training en trainer’ krijgen van deelnemers (n=655) een gemiddelde score van 4,43 (6 items) en het ‘resultaat van de training’ geven zij een gemiddelde score van 4,23 (5 items; antwoordschaal van 1 helemaal oneens tot 5 helemaal eens). Items bij ‘training en trainer’ zijn o.a.: ‘Ik vind dat de trainer goed heeft aangesloten bij mijn leervragen en wensen’ en ‘Ik vond de trainer inhoudelijk deskundig’. Items bij ‘resultaat van training’ zijn o.a.
‘Ik heb er vertrouwen in dat ik het geleerde kan toepassen in mijn werksituatie’ en ‘Ik kan een cliënt ondersteunen bij het opstellen van een actieplan.’ Is Krachtwerk in de praktijk uitgevoerd zoals beoogd? Audits van modelgetrouwheid Krachtwerk Om na te gaan in hoeverre Krachtwerk in de praktijk door begeleiders wordt uitgevoerd zoals bedoeld, zijn in het najaar van 2020 modelgetrouwheidsmetingen gedaan (zie p. 14-15): vier in de vrouwenopvang en zes in de maatschappelijke opvang (Van Tol & Wolf, 2020). De gemiddelde scores van de audits zijn 3; geen van de 10 beoordeelde teams werkten volledig modelgetrouw (dat is bij een score van gemiddeld 4 en hoger). De indicatoren met een modelgetrouwe score zijn ‘case load ratio’ en ‘hoopgevend gedrag’. Winst valt te behalen op met name de indicatoren ‘contacten in de natuurlijke omgeving’ (score gemiddeld 1,4; spreiding scores 1 tot 2); ‘integratie van de krachteninventarisatie in het actieplan’ (score gemiddeld 2,65, spreiding van 1 tot 4) en ‘aanboren van natuurlijke hulpbronnen’ (score gemiddeld 2,6, spreiding van 1 tot 4). De scores laten zien dat het ondersteunen van contacten in de natuurlijke omgeving voor alle teams erg lastig is te realiseren, terwijl integratie van de krachteninventarisatie in het actieplan en aanboren van natuurlijke hulpbronnen het ene team aanmerkelijk beter afgaat dan het andere.
De audits geven zicht op de belemmerende en bevorderende factoren bij de implementatie en borging van Krachtwerk. Daarover straks Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 27
meer. Eerst wordt ingegaan op waarom teams bij specifieke indicatoren nog niet geheel werken volgens de Krachtwerk methodiek. Integratie van de krachteninventarisatie in het actieplan Begeleiders blijken vooral moeite te hebben met de vertaling van de uitkomsten van de krachteninventarisatie in acties in het actieplan. De inventarisatie van krachten moet zicht geven op drie, hooguit vier prioriteiten van cliënten met het oog op langetermijn hersteldoelen. Die lange-termijn hersteldoelen zijn uitgangspunt voor het actieplan. Uit de dossieranalyse blijkt dat slechts bij één van de 10 onderzochte teams meer dan 80% van de langetermijndoelen in de actieplannen samenhing met de krachteninventarisatie. De overige teams voldeden niet aan de modelgetrouwheid op deze eis; 6 teams scoorden een 1 (≤ 60%) , één team een 2 (61-70%) en twee teams een 3 (71-80%). Coaches en teamondersteuners denken dat dit komt door een gebrek aan inzicht bij begeleiders in het belang van de krachteninventarisatie en de samenhang ervan met het actieplan. Ook vereist dit dat begeleiders zowel een krachteninventarisatie als een actieplan met cliënten maken, maar dat is niet altijd het geval. Contacten in de natuurlijke omgeving Binnen organisaties is niet altijd duidelijk wat valt onder ‘natuurlijke omgeving’.
Te vaak wordt gedacht dat de kamer van de cliënt binnen de opvang ook valt onder de natuurlijke omgeving. Het meest zien begeleiders cliënten op kantoor. Dit gebeurt soms uit veiligheidsoverwegingen, omdat de begeleider dan beter ‘in beeld’ is. Begeleiders zien ook niet altijd het nut in van het werken in de natuurlijke omgeving van een client, en vinden het vaak makkelijker en tijdsefficiënter om op kantoor achter de computer meteen dingen te kunnen regelen en te registreren. Soms menen cliënten dat er op kantoor meer gebeurt en meer stappen worden gezet in de hulpverlening. Vaker nog missen binnen oragnisaties de voorwaarden (zoals budget, tijd) om meer in de natuurlijke omgeving van clienten te werken, en bijvoorbeeld tijdens een wandeling of in een café, met een kopje koffie, de hulp te bespreken en wordt dit binnen organisaties nog weinig gepromoot. Aanboren van natuurlijke hulpbronnen Het met clienten samen aanboren van natuurlijke hulpbronnen moet blijken uit ingevulde actieplannen. Uit de dossieranalyse blijkt dat in de actieplannen weinig gewag wordt gemaakt van de benutting van natuurlijke hulpbronnen. Vooral de opvang met kortdurende trajecten heeft moeite met de focus op natuurlijke hulpbronnen.
Teamondersteuners en coaches geven aan dat binnen een korte periode veel praktische zaken moeten worden geregeld, zoals een uitkering aanvragen en regelingen treffen over schulden. De focus op natuurlijke hulpbronnen komt daarmee pas later in het traject aan de orde, hoewel soms té laat als cliënten onverwacht eerder uitstromen. De meeste aandacht van begeleiders zou uitgaan naar het in kaart brengen en stimuleren van het steunnetwerk van cliënten. Omdat dit bij clienten nogal eens gevoelig ligt door eerdere teleurstellingen in vrienden of familie en het wegvallen van veel contacten - vinden begeleiders dit vaak een lastig onderwerp om aan te snijden en soms wensen cliënten hun eigen contacten liever gescheiden te houden van het begeleidingstraject. Wat zijn de ervaringen met Krachtwerk? Evaluatie van Krachtwerk bij inwoners die gebruik maken van wijkteams en brede toegang De gemeente Nieuwegein besloot bij de keuze voor Krachtwerk voor toepassing in sociale wijkteams en de brede toegang voor een evaluatie van de implementatie van deze basismethodiek. Een deelonderzoek richtte zich op hoe inwoners van Nieuwegein de ondersteuning van Geynwijs ervaren en wat zij hiervan het meest helpend of waardevol vinden. Dit onderzoek, dat een jaar na de implementatie van Krachtwerk werd uitgevoerd, omvatte 15 interviews met inwoners.
Centraal staat hun eigen verhaal (Tol, Jonkers & Wolf, 2020). Hierna volgen enkele resultaten, nl. over de krachtgerichte benadering en het werken met het Krachtkompas. Inwoners merken dat professionals aandacht hebben voor hun krachten en mogelijkheden, bijvoorbeeld doordat zij complimenten geven (‘Je bent goed bezig geweest en dat ze trots is; dat zijn toch wel dingen die heel lang niet gezegd zijn of gevoeld door mij’) en wijzen op dingen die een inwoner leuk vindt (‘ze herinnerde zich alles van wat ik leuk vond’). Ook noemen zij de focus die juist op positieve zaken ligt: ‘er Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 28
werd gekeken naar wat er wél is in plaats van wat er níet is’ – en het goed luisteren naar wat zij vertellen en nodig zeggen te hebben. Die focus op het positieve is voor hen heel belangrijk. Zij - volwassenen en kinderen - voelen zich meer gezien in wie ze daadwerkelijk zijn; geen ‘patiënt’ of ‘slechte leerling’. De aandacht voor ‘goede’ in plaats van ‘nare’ eigenschappen helpt hen bovendien ‘een stukje verdriet te verwerken’ en meer ‘uit de put te komen’. Ook voelen inwoners zich meer op hun gemak en ook gewaardeerd door de professional. Aandacht voor krachten geeft inwoners meer zelfvertrouwen: ‘Dat geeft toch meer het gevoel van hé, je doet het wél goed, zeg maar’. En ook doet het het nodige met hun motivatie om verder te groeien: ‘… dan motiveert ze me ook heel erg om daarin verder te gaan, om ermee door te gaan’. Het merendeel van de inwoners vindt het Krachtkompas erg waardevol als hulpmiddel in de ondersteuning. Positief aan het Krachtkompas vinden inwoners ‘…dat je ook gewoon ziet wat er wél lukt en waar je wél goed in bent en wat wél fijn is in je leven’. Inwoners krijgen door het Krachtkompas een ‘positiever inzicht’ in zichzelf: ‘…je laat mensen de goede kant van zichzelf ook inzien’. Ook werkt het Krachtkompas bewustwordend, bijvoorbeeld van vrienden en andere bronnen van steun uit de eigen leefomgeving: ‘Toen zag je hem wel van: “Oh ja, dat is inderdaad ook”.
Dat is iets vanzelfsprekends, dat die vriendengroep er is, en dat was ineens niet meer vanzelfsprekend’. Ook werden inwoners zich door het Krachtkompas meer bewust van de dingen die ze leuk vinden, hun doelen, en waar ze meer tijd aan zouden willen besteden: ‘Het gaf me meer aandacht aan dingen waar ik meer tijd aan zou kunnen doen…’. Het Krachtkompas geeft inwoners inzicht in wie ze zijn. Ze leren nieuwe dingen over zichzelf die ze eerst nog niet wisten: ‘Dingen die ik dan niet van mezelf dacht, komen dan ineens een beetje naar voren’. Echter, dit kan voor sommigen ook ‘confronterend’ zijn. Het Krachtkompas ervaren inwoners als ‘een stuk van jezelf’. Het Krachtkompas werkt ‘verhelderend’ voor de hulpvraag – ‘…dan heb je een overzichtelijk overzicht van waar je mee zit’ – en biedt een ‘aantal uitgangspunten’ voor hoe verder. Het ondersteunt in de gesprekken tussen inwoner en professional. Het Krachtkompas werkt met steekwoorden en bullet points en wordt volgens inwoners daarom makkelijker bij een gesprek gepakt dan een geschreven verslag. Eén inwoner meent dat het kompas in toekomstige gesprekken kan helpen om te kijken welke stappen al zijn gezet. Sommige inwoners geven aan zelf nog wel naar het Krachtkompas te kijken ter bekrachtiging van zichzelf: ‘Kijk nou eens wat je allemaal al bent en hoe het allemaal gaat’. Ook kinderen reageren positief op het Krachtkompas.
Het bevordert de betrokkenheid van het kind bij het gesprek met de professional vanwege het ‘doe-aspect’. In plaats van alleen vragen te beantwoorden, plakken kinderen in het Krachtkompas foto’s van belangrijke personen en maken zij tekeningen van bijvoorbeeld handen en knuffels: ‘Het was voor hem ook gewoon leuk om te doen’. Het kind wordt op een creatieve manier gestimuleerd om na te denken over zichzelf: ‘En dat het, ja, hem aan het denken zet en dat hij zelf moet nadenken en zelf dingen moet opschrijven’. Inwoners vinden dat door de ondersteuning van Geynwijs in hun leven wat is veranderd, met de nodige impact. Veranderingen ervaren inwoners onder meer in relaties, met bijvoorbeeld vrienden (‘Ik ben opener geworden naar mijn vrienden’), partner en kinderen (‘Ik zie mijn kinderen weer’; ‘…niet de hele tijd de boze moeder te hoeven zijn’), en binnen het gezin in het algemeen: ‘…de sfeer is heel duidelijk verbeterd, ja. We hebben een wat andere rol weer gekregen… gewoon een ouder-puberrelatie’. Ook het krijgen van passende ondersteuning is voor veel inwoners een belangrijke verandering: ‘De life coach heb ik nu, dat is voor mij het belangrijkste’, ‘dat d’r ondersteuning is die d’r al die tijd niet geweest is’, ‘dat er medicatie is voor mijn zoon’.
Bij het krijgen van passende ondersteuning horen soms ook tests en onderzoeken die bijdragen tot de juiste indicatie of meer zelfinzicht: ‘Dit heeft mij opgeleverd dat ik aan mijn directe omgeving kan uitleggen wat mijn probleem is’, ‘Mijn studiekeuze heb ik kunnen maken door de hulp van haar’. Ook noemen inwoners vaak hun ‘gezondheid’, daarbij verwijzend naar welbevinden of mentale gezondheid: ‘Hij draagt wat minder ballast mee op zijn schouders’, ‘wij hebben daardoor ook een stukje minder zenuwen’, ‘Ik ben al 56 weken clean’, ‘…ik heb gewoon veel meer rust’,‘…dat ik minder kritisch ben naar mezelf’ en ‘…meer open-minded denken voor mezelf’. En inwoners signaleren positieve veranderingen in hun persoonlijk functioneren en geven aan beter te weten wat zij willen en ook meer regie te kunnen nemen: ‘…hij kan duidelijk betere keuzes maken’, ‘Ik ben zelfstandiger’, ‘Ik let meer op mijn eigen grenzen’, ‘…dat ik nu dingen wat beter aan kan pakken’; ‘…ik sta sterker voor mezelf in hetgeen dat ik wil bereiken’, ‘Dat ik zelfstandig, zelf mijn eigen leven beheers’. De beschikbaar gestelde hulpmiddelen versterken die zelfregie ook: ‘Die scootmobiel geeft de mogelijkheid om even alleen weg te gaan’; ‘Die rolstoel zou dan uiteindelijk gewoon betekenen dat ik in mijn eigen stoel Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 29
de sport kan beoefenen, en daarin dus ook meer beweging en prettiger erin zit, omdat die gewoon voor mij gemaakt is’. Resultaten van audits en enquête bij organisaties Perspectief van cliënten Ervaringen van cliënten met Krachtwerk zijn tijdens de audits bij 10 teams eind 2019 verzameld via interviews en vragenlijstonderzoek (beide N=50). Het merendeel (84%) vulde samen met de begeleider een krachteninventarisatie in. Over de krachteninventarisatie zijn de meeste van deze cliënten positief (71%), 18% staat hier relatief neutraal tegenover en 11% is er minder over te spreken. De cliënten met een positieve reactie ervaren dat de krachteninventarisatie hen ‘sterk’ en ‘krachtig’ maakt, zelfvertrouwen geeft, positief doet blijven in een situatie met veel negativiteit, meer inzicht geeft in eigen krachten en wat de persoon wél kan, houvast en overzicht geeft, motivatie geeft om te werken aan het eigen herstel, weer laat stilstaan bij wensen en dromen voor de toekomst, rust geeft en ‘helpt om dingen weer op de rit te krijgen’. Cliënten die minder met de krachteninventarisatie hadden, vonden het moeilijk om na te denken over eigen krachten of deze zelf al te kennen en hiervoor geen krachteninventarisatie nodig te hebben. Ook bleek het bespreken van bepaalde leefgebieden, zoals familie en kinderen, voor sommige cliënten moeilijk, want erg confronterend.
Enkele cliënten dachten dat de krachteninventarisatie meer een mening was van iemand anders over hen of een document dat meer bedoeld was voor hun begeleider, waar ze zelf niet veel aan hadden. “Ik kan krachten van mezelf zien waar ik zelf geen aandacht op had. Ik zelf stond er niet bij stil dat ik zoveel krachten had, dat ik zoveel goeie dingen had. Om dat te doen is een soort van wake-up call.” “Als je dan zoiets hebt… dat je wél de positieve dingen uit jezelf haalt, dan word je toch weer wat meer gemotiveerd. En dan is alles niet zo zwart-wit. Het helpt mij om te bedenken wat ik wil en waar ik naartoe wil in mijn leven.” “Toen ik hier binnenkwam, keek ik vooral naar het negatieve. Het is ook belangrijk om naar het positieve te kijken. Als je weet wat goed gaat, weet je ook wat fout gaat. Zelfkennis, denk ik. Dat zorgt dat ik meer rust heb, dat ik weet wat mijn valkuilen zijn en weet waar ik goed in ben. (…) Het heeft mij wel geholpen dingen weer op de rit te krijgen.” “Ik weet niet of het voor mij echt nut heeft om dat te doen. Maar het is misschien wel handig voor mijn begeleiders. Dat zij daar wat mee kunnen. Maar voor mij persoonlijk heeft het niet echt veel invloed ergens op.” Het merendeel van de cliënten (90%) vulde samen met een begeleider een actieplan in.
De meesten van hen zijn hierover positief (76%); 6% staat hier relatief neutraal tegenover en 18% is er minder over te spreken. Cliënten met een positieve reactie ervaren het actieplan als een handig hulpmiddel om ‘te zien dat je vooruit gaat’, ‘positief te blijven’, zicht te houden op de nog te zetten stappen naar een doel toe en om te bedenken waarop actie moet worden ondernomen. Ook vinden zij het actieplan structuur bieden, motiverend om met eigen doelen bezig te blijven en ‘na te jagen’ en houvast en duidelijkheid bieden. Cliënten die minder met het actieplan hadden, vonden dit niet nodig omdat ze zelf al goed wisten wat ze moesten doen of een planning in hun hoofd te hebben. Bij enkelen voelde het actieplan als ‘opgelegd’, iets waar per se aan vastgehouden moest worden, terwijl zij liever niet aan een schema wilden ‘vast zitten’. “In de opvang kan je heel snel in een sleur komen, dat je denkt van ‘laat allemaal maar’, een beetje hospitaliseren… (…) Door een actieplan blijf je wel ermee bezig. Dan word je geactiveerd.” “Om doelen te stellen om na te streven, dat is altijd motiverend om positief te blijven.” “… dan zit je aan een schema vast. (…) Dan moet je je daar aan houden en daar ben ik nooit zo goed in. ‘Het gaat zoals het gaat’, zeg ik altijd.” Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 30
“Voor mij is het niet nodig dat alles op papier staat.” “Het helpt echt. Zo heb je zelf ook overzicht van wat je zelf wil, van hoe je gegroeid bent…” Perspectief van begeleiders Ervaringen van begeleiders met Krachtwerk zijn verzameld tijdens de 10 audits eind 2019 via vragenlijstonderzoek (N=82). Begeleiders benoemen als sterke punten van de methodiek onder meer de positieve insteek, de nadruk op het bieden van hoop, het cliënten inzicht geven in hun krachten en mogelijkheden waardoor zij groeien als persoon en zelfvertrouwen ontwikkelen, het motiveren en bevorderen van herstel en eigen regie, het vieren van successen met cliënten en het centraal stellen van hun toekomstwensen. “Het sterkste punt van Krachtwerk vind ik bewustwording bij cliënten van de krachten en talenten die ze al bezitten. Vaak zie ik bij cliënten een negatief zelfbeeld en vinden ze het lastig om sterke kanten van zichzelf te benoemen. Wanneer je dit doet als begeleider zie je cliënten groeien.” “Het zorgt ervoor dat de cliënt weer in zichzelf gaat geloven.” “De wijze van benaderen en ondersteunen is fantastisch. De regie blijft bij de cliënt.” “Dat er gewerkt wordt vanuit vertrouwen in de mogelijkheden die de cliënt heeft. De relatie tussen cliënt en begeleider is een belangrijke basis, het bieden van hoop en perspectief en het tempo van de cliënt goed volgen.
Successen vieren.” “Het stimuleert mensen om na te denken waar zijn/haar krachten liggen en dit in te zetten in het traject. Verder nodigt de methode uit om out-of-the-box te denken, wat zowel voor de cliënt als begeleider goed is, in tijden dat sommige zaken soms op de automatische piloot gaan. Dit komt ook naar voren bij bijvoorbeeld een TKB. Dit vind ik heel prettig.” Over de toepassing van Krachtwerk binnen de eigen organisatie zijn begeleiders redelijk te spreken (gemiddelde score 3.6 (SD=0.3); schaal van 1 ‘helemaal niet’ tot en met 5 ‘uitstekend’. Dit geldt ook voor de in de organisatie gecreëerde voorwaarden voor de toepassing van Krachtwerk (gemiddelde score 3.4 (SD=0.4). Als belangrijke voorwaarden voor een nog betere implementatie van Krachtwerk noemen begeleiders onder meer: meer tijd, regelmatige bijscholing en intervisie, voldoende coaching, minder strakke kaders voor de toepassing van Krachtwerk, een efficiënter digitaal systeem, meer personeel, een breder draagvlak binnen de organisatie, eenduidige instructie met betrekking tot de uitvoering van Krachtwerk, het uitdragen van de methodiek ook vanuit het management naar de medewerkers toe, uitvoering van TKB’s, en meer uitwisseling van kennis onderling.
Begeleiders merkten hierover onder meer het volgende op: “Ik zou graag meer tijd willen hebben per cliënt om Krachtwerk beter te kunnen uitvoeren.” “TKB’s structureel volgen. Elkaar scherp houden, ook door middel van één keer per maand gesprekken voeren met je coach: waarin en hoe kun je samen met de cliënt nog meer bereiken?” “Dat het praktisch wat minder tijdrovend wordt ingericht in ons systeem.” “Bij het management zouden ze meer van Krachtwerk moeten weten en dit zelf ook gebruiken in hun werk.” “Coaching aan iedereen moet goed neergezet worden. TKB’s uitvoeren. Voor het onderhouden van kennis en van elkaar leren is het denk ik goed om af en toe korte momenten van kennis overdracht te hebben voor belangrijke elementen.”
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 31
Perspectief van teamondersteuners en coaches Het perspectief van teamondersteuners (N=9) is tijdens de audits bij de 10 teams eind 2019 onderzocht door het houden van mondelinge interviews. Sterke kanten van de methodiek vinden teamondersteuners het bieden van hoop waardoor cliënten weer in zichzelf gaan geloven, de regie die bij de cliënt blijft, het kijken naar krachten en kwaliteiten, de confrontatie kunnen aangaan zonder verlies van verbinding, de gelijkwaardige samenwerking in de werkrelatie, de open, positieve benadering van cliënten, het geregeld stilstaan bij wat goed gaat waardoor de voortgang goed in beeld blijft en de specifieke mindset gericht op het zoeken naar oplossingen. Ook vinden teamondersteuners Krachtwerk voor medewerkers een fijne methode, omdat het ook hoopgevend is voor begeleiders ‘Je wordt er gewoon niet zo snel uitgeput van’ en ook voor de organisatie omdat het aangeeft ‘hoe je binnen je organisatie met anderen om kan gaan.’ “De erkenning van ‘hoop’, hoe belangrijk hoop is binnen een traject. Zeker bij onze vrouwen. Die komen met heel weinig hoop binnen. Krachtwerk heeft het begrip ‘hoop’ ontdaan van de wolligheid, maar gewoon gezegd: ‘Hoop, daar kun je aan werken’. (…) Ik geloof dat dat een essentieel verschil is met alle andere methodieken.
Als dat je het menselijke stuk professioneel maakt.” “Het maakt niet uit wie je bent of hoe je in mekaar steekt. Met iedereen kun je op basis van wat die wél kan gaan kijken hoe die weer zo goed mogelijk en zo zelfstandig mogelijk deelneemt. Dus in die zin vind ik het een hele mooie positieve methodiek die niet discrimineert of kijkt naar wat je mankeert.” “De eigen regie van de cliënt en het kijken naar kwaliteiten: wat kan iemand. Niet van: we hebben deze cliënt en welke problemen brengt die met zich mee. Nee, we hebben Piet, en Piet is een zorgzame man. (…) Ik denk dat dat heel goed werkt voor kwetsbare mensen die vaak horen dat het allemaal niet goed is.” “Het confronteren vind ik ook heel krachtig. Als je ziet dat het uit de pas loopt, dat je goed krachtig terug kan geven: dit is wat ik zie en ik moet hier nu ingrijpen. En dat doe ik daarom en daarom. Omdat je wil dat iemand op de goeie plek terecht komt. Dat het niet zo’n cliënt-hulpverlenersverhouding is waarin je gepamperd wordt. Maar gewoon vanuit een gelijkwaardige samenwerking.” Het perspectief van de coaches is tijdens de audits bij 10 teams eind 2019 meegenomen via mondelinge interviews (N=10) en vragenlijstonderzoek (N=22).
Sterke punten van Krachtwerk zijn volgens de coaches ‘dat het niet ‘zweverig’ is, ‘zeer positief en realistisch, biedt toekomst’, cliënten die leren de eigen regie ‘te pakken’, het bieden van hoop, het overzicht op heden, verleden en toekomst met het inzicht voor cliënten in: ’waar kom ik vandaan?’ en ‘waar ga ik naartoe?’ en ‘waar sta ik nu?’, het motiverende van Krachtwerk en cliënten in beweging krijgen door de focus op krachten en mogelijkheden en ‘vooral kijken naar wat wérkt en dat groter maken.’ “Het zien van mensen zoals ze zijn. We verzinnen niet iets voor een cliënt. De cliënt heeft zelf zijn eigen doelen en zijn eigen hoop. En tegelijkertijd geven we ook bij een cliënt terug ‘dit is de maatschappij waarin ik wat moet voldoen, waarin jij wat moet voldoen’. En hoe kunnen we die doelen bereiken binnen die kaders van de maatschappij?” “Dat je de regie mag terugleggen bij de cliënt en dat als dingen niet lopen, dat je best mag teruggeven van ‘dit werkt niet, voor ons niet of voor jou niet of voor andere partijen niet’. We hoeven geen cliënten te pamperen. Het leven is zoals het is en we kijken naar jou, naar jouw kwaliteiten. Hoe kan jij je redden in deze wereld, zeg maar, en welke kant wil jij op?” “Dat je het overzicht hebt van heden, verleden en toekomst. En dat iemand ook inzicht krijgt in ‘waar kom ik vandaan?’ en ‘waar ga ik naartoe?’ en ‘waar sta ik nu?’.
Maar ook dat je iemand verantwoordelijk kan laten maken voor zijn eigen situatie. Dat je kan vragen: ‘Wat ga jíj doen om dat doel te bereiken wat je wil in de toekomst?” “Ik ben ervan overtuigd dat ieder mens kwaliteiten heeft die ze in kunnen zetten in lastige periodes in het leven. En dat je daar soms ook echt een ander bij nodig hebt om inzichtelijk te maken wat die krachten zijn. Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 32
Ik sta er echt voor dat dat een manier is die bij elke doelgroep aansluit. En dat het mijn nieuwsgierigheid is en mijn uitdaging om dat bij elk individu weer uit te zoeken.” Perspectief van organisaties Ervaringen met Krachtwerk zijn in het voorjaar van 2020 met een schriftelijke vragenlijst verzameld bij de contactpersonen bij maatschappelijke opvanginstellingen (respons 9 van 24 aangeschreven4) die Krachtwerk vaak al enige jaren in hun organisatie gebruiken. De contactpersonen, de meesten vanaf het eerste uur betrokken bij de implementatie van Krachtwerk, werken gemiddeld ruim dertien jaar (uiteenlopend van 2 tot 35 jaar) bij hun organisatie. De contactpersonen waarderen de methodiek in hun organisatie met een 7,7 gemiddeld (schaal van 0 tot 10; laagste score 7, hoogste score 8). Voor Krachtwerk is volgens de contactpersonen gekozen omdat dit goed aansluit bij de visie van organisatie, de methode uitgaat van de eigen kracht en mogelijkheden van de client, en omdat Krachtwerk een erkende, goed onderbouwde methodiek is. Krachtwerk voldoet volgens de contactpersonen grotendeels aan de verwachtingen die er bij de introductie van de methodiek waren.
Als sterke kanten van Krachtwerk worden ervaren: de krachtgerichte basishouding van Krachtwerk als uitgangspunt in de samenwerking met de cliënt, de aandacht voor een goede werkrelatie met een respectvoller en hoopgevender benadering van cliënten, de focus op de hulpbronnen van cliënten en de eenvoud van de instrumenten, en het beperkte aantal ervan. “Krachtwerk heeft ervoor gezorgd dat de cliënt centraal staat in het begeleidingstraject. De principes van Krachtwerk zorgen ervoor dat er daadwerkelijk gekeken wordt naar mogelijkheden van mensen. Het aansluiten bij de cliënt en het investeren in de relatie zorgt ervoor dat cliënten de juiste hulp ontvangen. Mensen worden gezien. Ook biedt de methodiek de mogelijkheden om actief in te grijpen als het niet goed gaat met de cliënt.” “Krachtwerk gaat uit van (versterking/herstel van) de eigen mogelijkheden van de cliënt. Dat 'dwingt' medewerkers ook om op zoek te gaan naar de eigen kracht van cliënten en hun eigen regierol te versterken.” “Krachtwerk is een erkende, goed onderbouwde methodiek die past bij de visie en missie van onze organisatie.
Krachtwerk biedt medewerkers tools om dit in hun werk uit te dragen naar cliënten en hen op een positieve wijze te ondersteunen in hun proces.” De meesten (N=6) vinden dat de introductie van de methodiek in de organisatie (destijds) goed is verlopen, twee vinden van niet en één antwoordt ‘weet niet’. Bij de meeste organisaties was voor dit proces een projectleider aangesteld. Wat betreft de borging menen vijf contactpersonen dat hun organisatie hiervoor voldoende middelen en of menskracht heeft vrijgemaakt, twee weten niet of dit zo is en twee geven aan dat dit niet het geval is. Het draagvlak voor Krachtwerk binnen de organisatie krijgt een 7,4 gemiddeld (schaal van 1=’geen enkel draagvlak’ tot en met 10=’buitengewoon veel draagvlak’). De contactpersonen geven zonder uitzondering aan dat hun organisatie in de toekomst met de methodiek wil blijven werken.
Bevorderend bij de implementatie en borging van Krachtwerk binnen organisaties vinden betrokkenen: • Heldere visie op het gebruik van Krachtwerk binnen de organisatie • Breed draagvlak voor krachtgericht werken binnen alle lagen van organisatie • Enthousiasme van cliënten en begeleiders om met de methodiek te werken • Voldoende tijd voor begeleiders om Krachtwerk toe te passen • Goed werkklimaat • Bijscholing en het ‘levend’ houden van de methodiek, ook door regelmatige evaluaties • Informatieverspreiding over nieuwe ontwikkelingen binnen Krachtwerk • Leren van teams op andere locaties • Investeren in borging van Krachtwerk via interne coaches Krachtwerk
4 Dit zijn organisaties die vanaf 2017 een training Krachtwerk hebben afgenomen, voluit voor Krachtwerk
kozen. Dit is ook de periode waarin is gewerkt met het ‘nieuwe’ methodiekboek Krachtwerk (Wolf, 2016). Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 33
• •
Facilitering van Krachtwerk vanuit de organisatie Regelmatige evaluatie van het gebruik van Krachtwerk, ook om methodiek levend te houden.
“Ik denk dat ze binnen de organisatie meer moeten met opfris-, sprokkel- en themadagen, dat soort dingen. Dat mensen op een positieve manier weer opgefrist en gestimuleerd worden. Met name de mensen die al langer geleden de methodiek hebben gehad.” “Dat het MT en de ondersteuning helemaal doordrongen zijn van het krachtgericht werken, ook in de contacten met mekaar. En vanuit hieruit elkaar benaderen.” “Ik zou willen dat dat nog breder getrokken wordt dan alleen om die cliënt heen. Want dan wordt het een gedragen geheel. In alle faciliterende onderdelen zou krachtgericht werken nog beter doorgevoerd kunnen worden en het nut van krachtgericht werken en hoe je in mekaar steekt. Ik denk dat je Krachtwerk meer eigen kan maken als je iedereen in je instelling daar wat in meegeeft.” “Het moet geborgd en gefaciliteerd worden vanuit de organisatie. Wil je dat er teamkrachtbesprekingen zijn, dan moet je ervoor zorgen dat mensen daar de tijd voor krijgen en dat er in gefaciliteerd wordt.
Wil je dat ze dossiervorming doen, zorg dan gewoon dat de dossiervorming die ze moeten doen in lijn staat mét.” Belemmerend bij de implementatie en borging van Krachtwerk binnen organisaties vinden betrokkenen: • Geen eenduidige boodschap over Krachtwerk vanuit de organisatie naar begeleiders toe • Verwarring over blijven werken met meerdere methodieken • Vertrek of wisseling van medewerkers & teamondersteuners • Geen scholing nieuwe medewerkers • Tijdsdruk bij begeleiders en hoge administratieve druk • Opnemen van werkbladen in registratiesysteem en/of aanpassingen in systeem • Functiedifferentiaties bij uitvoering en coördinatie van krachtgerichte trajecten • Slechte sfeer in voorziening of team • Hoog ziekteverzuim • Bezuinigingen, geen budget voor training van (extra) coaches • Reorganisatie in organisatie of fusering met andere instelling • Druk op de organisatie, financieel of politiek, bv door zorgverzekeraars en/of gemeenten “Ik merk dat mensen heel snel de neiging hebben om naar de waan van de dag te gaan. Dan schiet het toch in controle, beheersbaarheid. Druk, druk, druk. Dat soort mechanismes.” “Als er druk staat op de organisatie, of het nou financieel is of politiek, dan… valt men terug in oud gedrag en zegt men tegen de cliënt: ‘Het is handig dat je doet wat wij zeggen, dan komt het wel goed met jullie’.
Dan staat je Krachtwerk onder druk.” “Daarnaast heb je toch ook belangen van buitenaf, wat je allemaal moet verantwoorden, zorgen dat het allemaal op orde is. Indicaties en beschikkingen. Dat staat soms haaks op rust, op ontwikkeling, op de focus op Krachtwerk.” “We hebben strubbelingen gehad met Regas, waardoor het werken met Krachtwerk veel tijd kostte. Dan hebben we het puur over de administratie ervan. Dat is wel demotiverend, als je heel goed bezig bent, maar de techniek laat je in de steek. Of het kost heel veel extra handeling om dat goed te rapporteren. Dat zijn wel dingen die invloed hebben gehad op Krachtwerk.” “Er zijn taken bijgekomen en de formatie is nu inmiddels op orde gebracht. Dat was het niet. Het was op sommige plekken onvoldoende, wat invloed heeft gehad op de uitvoering van Krachtwerk.”
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 34
Wat zijn bevorderende en belemmerende factoren bij de doorontwikkeling en kwaliteitsborging van Krachtwerk? Op basis van alle verzamelde informatie in de procesevaluatie is een overzicht gemaakt van bevorderende en belemmerende factoren bij de doorontwikkeling en kwaliteitsborging van Krachtwerk (onderzoeksvraag 4). Bevorderende factoren •
De methodiek zelf, die veel inspiratie geeft en veel in beweging zet, bij cliënten maar ook bij de begeleiders en soms ook in teams en in de organisatie. Als de grootste kracht en winst van de methodiek worden wel genoemd de hoopgevende en positieve bejegening, de focus op krachten, talenten en mogelijkheden van cliënten, cliënten de regie geven en de gelijkwaardigheid in de werkrelatie. De werkbladen van Krachtwerk zijn voor veel cliënten ondersteunend. Ook het nieuwe Krachtkompas heeft bij cliënten een positieve doorwerking, en zal daarom breder worden ingezet. Cliënten, maar ook professionals en teamondersteuners/coaches zijn (zeer) positief over de nieuwe aanpak.
•
De Impuls werkplaats, onderdeel van Impuls bij het Radboudumc, blijft Krachtwerk en de evaluatie en doorontwikkeling van deze methodiek ondersteunen en faciliteren, zoals de toetsing van de modelgetrouwheid mede door inzet van hiervoor opgeleide medewerkers van participerende organisaties.
•
De Impuls Academie, onderdeel van Impuls bij het Radboudumc, is uitgegroeid tot een professioneel opleidingsinstituut, gecertificeerd door Cedeo. De Impuls Academie heeft haar gecertificeerde trainingen vernieuwd en geïnvesteerd in verdiepende modules (‘Werken aan eigen regie en kracht’, ‘Werken in de natuurlijke omgeving’ en ‘Krachtkompas’). De Impuls Academie heeft ruime ervaring in de toepassing van Krachtwerk bij diverse doelgroepen in uiteenlopende settingen. Indien organisaties Krachtwerk willen toepassen bij een nieuwe doelgroep wordt in een ‘matchingsproces’ onderzocht of dit passend is en zo ja, welke aanpassingen in de methodiek of de trainingen eventueel nodig zijn, vanzelfsprekend met behoud van de kern van Krachtwerk. Organisaties die voor Krachtwerk kiezen kunnen van de Impuls Academie ondersteuning krijgen bij de implementatie en borging van Krachtwerk.
•
Het succes van Krachtwerk is mede te danken aan de inzet en het vakmanschap van de hoofdtrainers en de trainers (opgeleid door hoofdtrainers via het train-de-train principe).
•
Krachtwerk voorziet in een gemeenschappelijke, eenduidige taal die positief en hoopgevend is in relatie tot cliënten.
Belemmerende factoren •
Met de decentralisaties (2015) zijn organisaties voor de financiering van de dienstverlening en opvang sterk afhankelijk geworden van de gemeenten. De vraag is of gemeenten de toepassing van Krachtwerk op waarde weten te schatten en iets over hebben voor het krachtgerichte, herstelondersteunende werk met cliënten en de borging van de kwaliteit ervan.
•
Door de crisis en decentralisaties zijn de budgetten van organisaties minder ruim, zijn er bezuinigingen en staan veel organisaties voor grote veranderingen. Reorganisaties, fusies, herinrichting van het zorgaanbod, (verdere) functie- en taakdifferentiatie, onrust onder personeel en afvloeiing van getrainde krachten (op alle niveaus) zetten invoering en borging van Krachtwerk onder druk.
•
Er zijn organisaties die de krachtgerichte methodiek instrumenteel inzetten en begeleiders afrekenen op bijvoorbeeld frequentie van gemaakte krachteninventarisaties en actieplannen.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 35
•
Het meer krachtgericht maken van de organisatie vergt veel aandacht en activiteit. De sterk veranderende context vraagt veel van organisaties. Reëel is de kans dat het management van de organisatie zich minder door de principes van een lerende organisaties en de krachtprincipes van de methodiek laat leiden.
•
Er kan volgens coaches en teamondersteuners inhoudelijk beter en meer modelgetrouw met de werkbladen worden gewerkt De werkbladen krachteninventarisatie en actieplan vinden sommige begeleiders niet heel cliëntvriendelijk en gebruik van de werkbladen is bij anderstaligen, laaggeletterden en mensen met een (licht) verstandelijke beperkingen moeilijk.
•
Werkbladen zijn vaak opgenomen in registratiesystemen van organisaties. Dat is volgens betrokkenen ‘makkelijker werkbaar’. Opneming in de registratiesystemen geeft echter ook verlies doordat de werkbladen niet altijd modelgetrouw in de systemen komen, het gebruik van de werkbladen in het contact met cliënten wordt meer geformaliseerd en het vergroot de kans dat het een formulier wordt voor begeleiders. Cliënten kunnen het dan als niet als ‘eigen’ ervaren, wat juist wel de bedoeling is. Soms gebruiken organisaties de werkbladen naast eigen formulieren wat begeleiders extra werk geeft en ook maakt dat er verschillende modellen naast elkaar blijven bestaan (probleemgericht en krachtgericht).
•
Het methodisch werken in relatie met organisaties in het lokale netwerk vraagt aandacht, omdat veel organisaties sterk probleemgericht met cliënten werken.
Wat zijn verbetersuggesties voor Krachtwerk? Op basis van alle verzamelde gegevens in het kader van de procesevaluatie zijn er verbetersuggesties gegeven voor Krachtwerk (onderzoeksvraag 5). Hierna volgt een opsomming, met daarbij de acties die voor die verbetering zijn ondernomen: • Investeringen in de borging van Krachtwerk in de organisaties met het oog op een (meer) modelgetrouwe uitvoering door begeleiders door middel van coaching op de werkvloer en het aanbieden van verdiepende modules Krachtwerk. Modules die op afzienbare tijd beschikbaar komen zijn: ‘Werken met natuurlijke hulpbronnen’, om begeleiders te versterken in hoe zij natuurlijke hulpbronnen kunnen aanboren om daarmee op dit punt meer modelgetrouw te gaan werken en ‘Werken met het Krachtkompas’, om begeleiders te leren hoe zij het Krachtkompas in het contact met cliënten het beste kunnen gebruiken. De module ‘Werken aan eigen regie en kracht’ is ontwikkeld voor cliënten zelf, zodat zij - onafhankelijk van professionals - met hun eigen ontwikkeling aan de slag kunnen. • Beschikbaar maken van werkbladen voor niet-Nederlandstaligen. Er zijn inmiddels vertalingen van de krachteninventarisatie en het actieplan in het Arabisch, Turks, Frans, Engels en Pools. • Minder talig maken van werkbladen. Hier is eerst actie op ondernomen door de ontwikkeling van het Krachtkompas.
• Organisaties aanmoedigen om de werkbladen van Krachtwerk niet in hun registratiesysteem op te nemen en het niet als toetsingskader te gebruiken voor het afleggen van verantwoording aan financiers, zoals gemeenten en zorgverzekeraars. • Organisaties aanmoedigen, voor zover nodig, zorg te dragen voor jaarlijkse bijscholing van begeleiders. • Begeleiders aanmoedigen tot meer zelfstudie en het nemen van verantwoordelijkheid voor eigen professionaliteit. • Communicatie naar praktijk en beleid (gemeenten) over Krachtwerk voor meer inzicht in wat Krachtwerk is. En om misverstanden over (de toepassing van) Krachtwerk weg te nemen, zoals het volgens bepaalde regels moeten werken met werkbladen in registratiesystemen. • Bij organisaties uitvoeren van modelgetrouwheidsmetingen, elke twee jaar een steekproef bij enkele teams, mede ten behoeve van de procesevaluatie van de methodiek; nodig voor de erkenning van de methodiek voor de databank Effectieve sociale interventies.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 36
4.2 Onderzoek naar de behaalde effecten Onderzoek in Nederland In Nederland is het volgende effectonderzoek naar de krachtgerichte methodiek bij dak- en thuisloze jongeren uitgevoerd. A. Krabbenborg, Boersma, van der Veld, van Hulst, Vollebergh & Wolf (2015) B. Onderzoeksopzet In 2011 startte Impuls een grootschalig onderzoek naar de effectiviteit van de krachtgerichte basismethodiek bij dak- en thuisloze jongeren (Houvast). De onderzoeksvragen van deze studie waren: (1) Hoe modelgetrouw wordt de Houvastmethodiek uitgevoerd zes maanden na implementatie? (2) Is de Houvastmethodiek effectiever dan de standaardbegeleiding (‘care as usual’) van dakloze jongeren? Om de onderzoeksvragen te beantwoorden is gebruik gemaakt van een cluster gerandomiseerde interventiestudies met een controlegroep. De tien deelnemende voorzieningen zijn willekeurig toegewezen aan een experimentele groep (N = 5) en een controlegroep (N = 5). Vervolgens zijn de medewerkers van de voorzieningen in de experimentele groep getraind in de Houvastmethodiek. De medewerkers in de controlegroep bleven werken zoals zij gewend waren. Nadat de trainingen waren afgerond, is gestart met het interviewen van dakloze jongeren in beide groepen. Ongeveer een half jaar nadat medewerkers in de experimentele groep waren getraind is de modelgetrouwheid in de vijf experimentele voorzieningen gemeten.