Bijlage IV Werkblad Interventie Krachtwerk Methodisch werken aan participatie en zelfregie
Tekst van het document
In totaal hebben 251 jongeren deelgenomen aan het onderzoek. We rapporteren hier de resultaten van de eerste twee metingen. Het eerste interview was kort nadat jongeren waren ingestroomd in een residentiële voorziening of gestart waren met ambulante begeleiding. Het tweede interview vond plaats op het moment dat jongeren uitstroomden of stopten met de ambulante begeleiding tot maximaal een half jaar na het eerste interview. Ten tijde van het eerste interview waren de respondenten tussen 17 en 26 jaar oud, met een gemiddelde leeftijd van 20 jaar. De meerderheid was man (68%) en was langer dan drie maanden dakloos (60%). Iets minder dan de helft van de jongeren (49%) was niet in Nederland geboren of had tenminste één ouder die niet in Nederland geboren was. Het opleidingsniveau van de jongeren was over het algemeen laag: 32% van hen had alleen de basisschool afgerond en 43% had een vmbo- of mbo- (niveau 1 - 2) diploma. De primaire uitkomstmaat van dit onderzoek was algemene kwaliteit van leven, gemeten met twee items van de verkorte versie van het Quality of Life Interview (Lehman, Kernan & Postrado, 1995). Secundaire uitkomstmaten zijn de volgende.
• Functionele en sociale uitkomstmaten: tevredenheid met sociale contacten, familierelaties, financiën en gezondheid, gemeten met de verkorte versie van het Quality of Life Interview (Lehman e.a., 1995) en het wel of niet hebben van werk of het volgen van een opleiding. • Zorgbehoeften: het wel of niet hebben van zorgbehoeften op 19 leefgebieden, gemeten met een aangepaste versie van de verkorte Quality of Life and Care Index (Wennink & Van Wijngaarden, 2004). • Geestelijke gezondheid en middelengebruik: de ernst van symptomen van depressie, angst en somatisatie, gemeten met subschalen van de Brief Symptom Inventory (Derogatis, 1975), en het wel of niet hebben gebruikt van alcohol, softdrugs en harddrugs in de afgelopen 30 dagen, gemeten met een item van de EuropASI (McLellan, Luborsky, Cacciola & Griffith, 1992). • Krachtgerichte uitkomstmaten: de mate van autonomie, competentie en verbondenheid met anderen, gemeten met de Basic Psychological Needs schaal (Deci & Ryan, 2000) en veerkracht (Wagnild & Young, 1993). C. Resultaten Modelgetrouwheid Een half jaar na afronding van de trainingsactiviteiten is de mate van modelgetrouwheid in een voorziening gemeten. Scores voor de modelgetrouwheid liepen van 1 (niet modelgetrouw) tot 5
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 37
(volledig modelgetrouw) op 10 indicatoren waarbij de gemiddelde score op deze indicatoren gold als totaalscore. De indicatoren zijn: (1) focus op krachtgerichte begeleidingstrajecten, (2) caseload ratio, (3) teamkrachtbespreking, (4) coaching, (5) krachteninventarisatie, (6) integratie van de krachteninventarisatie, (7) actieplan, (8) contacten in de natuurlijke omgeving, (9) natuurlijke hulpbronnen en (10) hoopgevend gedrag. Volgens de Amerikaanse norm geldt een score vanaf 4 als voldoende modelgetrouw. Hoewel de methodiek enthousiast is ontvangen door medewerkers, blijkt uit de totaalscores van de modelgetrouwheidsschaal dat medewerkers (nog) niet voldoende werkten conform de principes en hulpmiddelen van Houvast. De scores op de indicatoren ‘caseload ratio’ en ‘teamkrachtbespreking’ waren voldoende in vier van de vijf opvangvoorzieningen en de scores op de indicator ‘krachteninventarisatie’ was voldoende in drie van de vijf opvangvoorzieningen. De scores op de overige zeven indicatoren waren bij alle voorzieningen onvoldoende. Effectiviteit Met univariate variantieanalyses voor herhaalde metingen (repeated measures ANOVA) en logistische regressie-analyses is onderzocht of er verschil in vooruitgang was op vooraf bepaalde uitkomstmaten tussen jongeren die begeleiding hadden ontvangen volgens de Houvastmethodiek en jongeren die de gebruikelijke begeleiding hadden gekregen.
De resultaten laten zien dat in het algemeen de jongeren na instroom vooruitgaan op algemene kwaliteit van leven (p ≤ .001, ηp2 = .23). Verder verbeteren jongeren significant op: tevredenheid met familierelaties (p ≤ .001, ηp2 = .11), tevredenheid met hun financiën (p ≤ .001, ηp2 = .17), het wel of niet hebben van dagbesteding (McNemar toets, p < .05), de mate van depressie (p ≤ .001, ηp2 = .05), tevredenheid met gezondheid (p ≤ .01, ηp2 = .03), het aantal leefgebieden waarop een zorgbehoefte is (p ≤ .001, ηp2 = .10) en de mate van autonomie (p ≤ .05, ηp2 = .02), competentie (p ≤ .01, ηp2 = .03) en veerkracht (p ≤ .001, ηp2 = .11). Jongeren gingen er na instroom op achteruit wat betreft tevredenheid met sociale relaties (p ≤ .05, ηp2 = .02). Er zijn bij geen van de uitkomstmaten verschillen gevonden tussen de jongeren in de experimentele groep en de jongeren in de controlegroep. We zien daarentegen wel een significant verschil in de reden van uitstroom. Een lager percentage van de jongeren in de experimentele groep heeft het zorgtraject negatief afgerond in vergelijking met de jongeren in de controlegroep (χ2(3) = 11.78, p < .05). In de controlegroep zijn bijvoorbeeld meer jongeren uit de voorziening gezet vanwege ontoelaatbaar gedrag.
Tevens ontving een groter percentage van de jongeren in de experimentele groep nog begeleiding op het moment dat ze voor een tweede keer werden geïnterviewd (χ2(1) = 5.88, p < .05). Kanttekeningen Bij het interpreteren van deze resultaten is het van groot belang om te beseffen dat er ten tijde van het tweede interview met de jongeren nog onvoldoende gewerkt was volgens de Houvastmethodiek. Hierdoor kan geen conclusie getrokken worden over het wel of niet effectief zijn van deze methodiek. Het is goed mogelijk dat in het geval van modelgetrouw werken volgens de methodiek, jongeren hier meer baat bij hebben dan wanneer zij de gebruikelijke begeleiding ontvangen. Om dit vast te stellen is onderzoek noodzakelijk naar de langetermijneffecten van de modelgetrouwheid en de effectiviteit van de Houvastmethodiek.
Onderzoek naar vergelijkbare interventies in het buitenland Naast het onderzoek naar de Houvastmethodiek in Nederland is er in het buitenland onderzoek gedaan naar de effectiviteit van vergelijkbare interventies die op het Strengths model zijn gebaseerd. In het voorjaar van 2015 heeft Impuls een literatuursearch uitgevoerd waarin vooral in de Engelstalige literatuur is gezocht naar het Strengths model (van onder andere Rapp) en herstel- en empowermentversterkende interventies in relatie tot huiselijk geweld, als ook naar casemanagementmodellen, rehabilitatie en interventies voor volwassen en jong volwassen dakloze mensen. Een rapport is beschikbaar met een beschrijving van de toegepaste zoekstrategie voor het vinden van publicaties over de effectiviteit van krachtgerichte interventies,
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 38
de gevonden studies en de resultaten (De Vet, 2015). Hierna volgt een beknopte weergave van de opzet en resultaten van elk van de gevonden relevante studies met eventuele kanttekeningen. •
•
•
•
•
Modrcin, Rapp & Poertner (1988) Aan deze gerandomiseerde studie namen 89 mensen jong volwassen psychiatrische patiënten met multiproblematiek deel. Tijdens de nulmeting en vier maanden later zijn bij cliënten, begeleiders en anderen uit de omgeving van de cliënt verschillende instrumenten afgenomen en is informatie verzameld uit cliëntdossiers. Uit de stapsgewijze discriminantanalyse, met 21 deelnemers in de experimentele groep en 23 in de controlegroep, bleek dat zes maten − sociale vaardigheden (beoordeeld door begeleider), vaardigheden voor zelfstandig wonen (beoordeeld door iemand uit de omgeving van cliënt), stresstolerantie, vrijetijdsbesteding, prosociaal gedrag en beroepstraining − voor een optimale onderscheiding van de condities zorgden. Op al deze maten presteerde de experimentele groep beter, behalve bij de beoordeling van sociale vaardigheden door begeleiders. Een kanttekening bij deze studie is dat door de grote uitval van respondenten mogelijk een selectiebias is ontstaan. Macias, Kinney, Jackson & Vos (1994) In deze gerandomiseerde studie zijn cliënten met een psychiatrische aandoening die problemen ondervonden op verschillende leefgebieden, willekeurig toegewezen aan krachtgerichte begeleiding bovenop de gebruikelijke zorg (N=22) of alleen de gebruikelijke zorg (psychosociale rehabilitatie; N=24).
Ongeveer anderhalf jaar na het begin van de studie scoorden cliënten die krachtgerichte begeleiding hadden ontvangen beter dan cliënten in de controlegroep op vijf uitkomstmaten die betrekking hadden op hun (mentale) gezondheid en functioneren. De effectgrootte varieerde daarbij van d=.72 tot d=1.34. Deze resultaten werden (deels) bevestigd door zowel de beoordelingen van familieleden en medewerkers als de uit cliëntdossiers verzamelde informatie. Macias, Farley, Jackson & Kinney (1997) In dit pretest-posttest onderzoek met een controlegroep ontvingen cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening krachtgerichte begeleiding (N=63) of de bestaande, informele begeleiding (N=64). Na negen maanden waren cliënten die krachtgerichte begeleiding ontvingen er significant op vooruit gegaan wat betreft inkomen en sociale steun. Dit was niet het geval bij de controlegroep. De fysieke gezondheid van cliënten in de experimentele groep bleef stabiel, terwijl deze in de controlegroep significant verslechterde (effectgrootte niet bekend). Er waren geen significante verschillen tussen de groepen wat betreft de overige tien uitkomstmaten, maar volgens de begeleiders waren cliënten die krachtgerichte begeleiding ontvingen er wel significant op vooruit gegaan tijdens de onderzoeksperiode qua symptomatologie.
Een belangrijke kanttekening is dat door verbroken randomisatie en selectieve uitval de groepen mogelijk niet vergelijkbaar waren. Stanard (1999) Bij dit pretest-posttest onderzoek met een controlegroep zijn de medewerkers van het ene ggzcentrum getraind in krachtgericht werken, terwijl men in het andere centrum de gebruikelijke begeleiding bleef aanbieden. Deelnemers waren cliënten met een psychiatrische aandoening die hen beperkte in het dagelijks leven, waarvan er 29 uit het experimentele centrum en 15 uit het controlecentrum tweemaal (nulmeting en drie maanden later) geïnterviewd konden worden. Ten opzichte van de controlegroep waren er bij cliënten in de experimentele groep verbeteringen in kwaliteit van leven (d=.78) en beroepstraining of opleiding (d=.98), maar niet bij de woonsituatie, symptomen en frequentie of duur van hospitalisatie. Een kanttekening is dat er bij de nulmeting verschillen bestonden tussen de groepen, hoewel er geen significante relaties waren tussen deze variabelen en de uitkomstmaten. Björkman, Hansson & Sandlund (2002) Een steekproef van alle mensen uit een verzorgingsgebied met een chronische psychiatrische aandoening en beperkt functioneren is uitgenodigd voor dit gerandomiseerde onderzoek en toegewezen aan krachtgerichte begeleiding (N=33) of de gebruikelijke zorg van voorheen (N=44).
Na 36 maanden was de zorgbehoefte bij cliënten met krachtgerichte begeleiding meer afgenomen dan bij controlecliënten (d=-.45), op zes andere uitkomstmaten was er geen significant verschil. Cliënten in de experimentele groep waren met de ontvangen hulp wel significant meer tevreden op Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 39
•
•
•
•
4.3
vijf subschalen (effectgrootte van d=.59 tot d=.85) en over het algemeen (d=.76). Tot slot bleek uit analyse van informatie uit cliëntdossiers een significant effect van de krachtgerichte begeleiding op het aantal dagen gehospitaliseerd (d=-.38). Rapp, Otto, Lane, Redko, McGathab & Carlson (2008) In deze gerandomiseerde studie zijn voor verslavingsbehandeling doorverwezen drugsgebruikers toegewezen aan ofwel de typische dienstverlening in afwachting van een behandelprogramma of aan één van twee experimentele condities: één sessie motiverende gespreksvoering of vijf sessies krachtgerichte begeleiding. De uitkomstmaat was of deelnemers voor hun verslaving in behandeling waren genomen. Na drie maanden bleek dat deelnemers die krachtgerichte begeleiding hadden ontvangen vaker in behandeling waren (55%) dan de deelnemers toegewezen aan de gebruikelijke dienstverlening (39%) of motiverende gespreksvoering (45%). Toewijzing aan krachtgerichte begeleiding was een significante voorspeller van in behandeling genomen zijn (odds ratio=2.13). Song & Shih (2010) De deelnemers van dit pretest-posttest onderzoek zonder controlegroep − 65 door hun partner mishandelde vrouwen − ontvingen krachtgerichte begeleiding. Na drie maanden konden 26 vrouwen weer geïnterviewd worden en na negen maanden zes vrouwen.
De respondenten ervoeren na drie maanden een vermindering van depressieve symptomen (d=-.68) en een vergroting van hun empowerment (d=.59) en tevredenheid met het leven (d=.33). Hun aanpassingsvermogen was echter niet significant veranderd. Veranderingen na negen maanden waren niet significant ten opzichte van het vorige meetmoment. Kanttekeningen zijn dat door het ontbreken van een controlegroep niet met zekerheid te zeggen is dat de resultaten aan de begeleiding toe te schrijven zijn. Bovendien is door de grote uitval van respondenten mogelijk een selectiebias ontstaan (hoewel de geïnterviewden qua sociaal-demografische kenmerken niet afweken van de uitgevallen deelnemers). Saewyc & Edinburgh (2010) In het kader van dit pretest-posttest onderzoek zonder controlegroep namen 65 van huis weggelopen en seksueel uitgebuite meiden (tussen 12 en 15 jaar oud) deel aan een krachtgericht begeleidingstraject, met optionele deelname aan een wekelijkse empowermentgroep. Wat betreft de beschermende factoren gaven de respondenten na 12 maanden aan dat zij beter in staat waren om met hun moeders over problemen te praten, naar school gaan leuker vonden, meer onderwijsambities hadden, betere cijfers haalden en meer zelfvertrouwen hadden (effectgrootte niet bekend). Veranderingen met betrekking tot andere beschermende factoren waren niet significant.
Daarnaast was op alle risicofactoren na 12 maanden een significante verbetering te zien (effectgrootte niet bekend). Een aantal nadelen van deze studie is het ontbreken van een controlegroep, de beperkte informatie over het aantal uitgevallen deelnemers en het ontbreken van een verwijzing naar het gevolgde krachtgerichte model. Fukui, Goscha, Rapp, Mabry, Liddyn & Marty (2012) Aan dit pretest-posttest onderzoek zonder controlegroep, waarbij getrouwheid aan het Strengths model als covariaat werd meegenomen, deden 14 teams mee die tijdens de nulmeting begeleiding boden aan 1.195 cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening. Eerst werd getoetst of cliënten tijdens de onderzoeksperiode van 18 maanden significante vooruitgang hadden geboekt, wat voor alle uitkomstmaten het geval was, met uitzondering van het aantal cliënten dat regulier werk had. Door modelgetrouwheid als een over tijd variërende covariaat aan de modellen toe te voegen, werd het effect van tijd verwaarloosbaar: de verbetering over tijd voor alle uitkomstmaten, met uitzondering van zelfstandig wonen, was te danken aan de verbetering van de modelgetrouwheid.
Praktijkvoorbeeld
De casus gaat over een vrouw met twee kinderen die gevlucht is wegens huiselijk geweld en dreiging met eerwraak. Voordat ze werd uitgehuwelijkt deed ze in Turkije de kunstacademie en heeft ze gezongen op het conservatorium. Zij had vele sociale contacten en was zelfredzaam.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 40
Zij is uitgehuwelijkt aan haar in Nederland wonende neef, met wie ze zeven jaar getrouwd is geweest. In die periode werd zij door haar schoonfamilie als slaaf behandeld. Ze heeft weinig zelfvertrouwen meer. Dit wil ze langzaam weer herstellen. • In het eerste gesprek met deze cliënt komt ze erg timide over en kijkt ze veel naar beneden. In het tweede gesprek zijn we gestart met het invullen van de krachteninventarisatie. Zij gaf aan het leuk te vinden om na te denken en te praten over haar kwaliteiten, talenten en krachten. Zij zei letterlijk: ‘Dit programma is goed voor mij’. Ze voelde zich duidelijk meer ontspannen dan tijdens het eerste gesprek. Ik kon aan haar merken dat het haar goed deed om te praten over de dingen waar zij goed in is en wat zij allemaal in huis heeft. Ik ben ervan overtuigd dat dit de opbouw van onze werkrelatie heeft bespoedigd. Doordat ik tijdens de training zelf een krachteninventarisatie heb ingevuld, realiseer ik me ook beter hoe een cliënt dit mogelijk ervaart. • Tijdens de eerste fase van de begeleiding was ze vooral bezig met het opzeggen en leeghalen van haar huurwoning. Ik heb aan de hand van de krachteninventarisatie samen met haar gekeken naar welke hulpbronnen zij daarbij in kon zetten. Door hierbij de juiste krachtgerichte vragen te stellen, merkte ik dat zij geprikkeld werd om zelf actie te ondernemen.
Daarnaast bekrachtigde ik haar positief in wat zij zelf al had gedaan. • Op basis van de krachteninventarisatie heb ik samen met haar het actieplan ingevuld. Doordat achter elk doel van het actieplan een naam en data staan, werd het voor de cliënt gelijk heel inzichtelijk en concreet. Ze heeft haar eigen agenda naast het actieplan gelegd en meteen ingevuld. Het actieplan vormt dus echt een werkagenda. Uit de KI kwam naar voren dat deze cliënte in Turkije de kunstacademie heeft gevolgd en dat zij erg graag haar talenten weer wil benutten. Dit doel behoorde niet tot één van de vier prioriteiten, maar omdat zij in het verleden daar veel kracht uit haalde, heb ik voorgesteld samen het Van Abbemuseum te bezoeken. Daar zag ik een heel andere kant van haar. Zij was erg enthousiast en ging alles tot in detail bekijken. Zij vertelde over hoe zij voorheen modellen tekende en schilderde en welke technieken zij gebruikte. Ik heb de kunst aangegrepen om een gesprek aan te gaan over het maken van eigen keuzes en het aangaan van relaties, waarin zij openhartig vertelde over hoe zij daar in het verleden mee omging en hoe zij daar nu in staat. Bij dit gesprek heb ik heel bewust copingvragen ingezet, omdat ik het heel waardevol vind om te weten hoe iemand in het verleden met tegenslagen omging en welke kwaliteiten iemand gebruikt om daar weer uit te komen.
Ik denk dat dit bezoek zeker heeft bijgedragen aan de opbouw van zowel haar zelfvertrouwen als het versterken van onze werkrelatie. Ik heb laatst deze casus in de teamkrachtbespreking ingebracht. Dit leverde interessante inzichten en verdere aanknopingspunten in de begeleiding op. Ik wil nu het reeds door het LEK gemaakte genogram bekijken om samen met de cliënt na te gaan of er breuken in (familie)relaties zijn die hersteld kunnen worden. Op basis hiervan kunnen we een ecogram opstellen. Ook wil ik een taxatie van draagkracht met haar maken en beter zicht krijgen op de risico’s op terugval (qua relaties).
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 41
5. Samenvatting werkzame elementen In het realiseren van de interventie onderscheiden we de volgende werkzame elementen. • De eigen regie van de cliënt in de begeleiding (3, 5) • De focus op krachten, talenten en mogelijkheden, zonder ontkenning van problemen (3, 5) • Motivatie niet vooraf veronderstellen, maar met de cliënt samen in het traject produceren (3, 5). • Een werkrelatie die is gebaseerd op respect, vertrouwen en wederkerigheid (2, 3, 5, 6). • De duidelijke structuur van het krachtgerichte begeleidingstraject (2, 3). • Een uitgebreide inventarisatie van de individuele krachten (in verleden, heden en met oog op toekomst) en de hulpbronnen in de omgeving op tien leefgebieden aan de hand van het werkblad krachteninventarisatie (5). • Het maken van eigen keuzes van cliënten voor wat belangrijk is om aan te werken en het stellen en werken aan kleine, haalbare doelen aan de hand van het werkblad actieplan (3, 5). • Werken aan het vernieuwen, ontwikkelen en uitbreiden van het handelingsvermogen van cliënten door aansluiting op actueel handelingsvermogen en door in alledaags voorkomende situaties ‘samen te doen’ (3, 5, 6). • Werken aan een betere aansluiting tussen wat de cliënt wil en kan en wat de omgeving vereist en biedt door systeeminterventies, door aanpassing individuele competenties en systeemkenmerken (5, 6).
• Doorbreken en aanpassen van disfunctionele, destructieve, soms ook gewelddadige interactiepatronen in het systeem (3, 6). • Werken aan verandering van kernovertuigingen door ‘kijkwijziging’, feiten anders leren interpreteren, ook leren de positieve punten te benoemen (3, 5). • Positieve ervaringen van cliënten met de begeleiding (3, 5, 6). Verklaring classificatie veronderstelde werkzame elementen: 2 = Veronderstelling ontwikkelaar 3 = Wetenschappelijke of theoretische onderbouwing 5 = Praktijkervaringen 6 = Wetenschappelijk effectonderzoek.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 42
6. Aangehaalde literatuur Al Shamma, S., Jonker I., & Wolf, J. (2020). Evaluatie van de basistraining Krachtwerk: 2018-2019. Interne notitie. Nijmegen: Impuls -Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Arnold, E. & Rotheram-Borus, M. (2009). Comparisons of prevention programs for homeless youth. Prevention science: the official journal of the Society for Prevention Research, 10(1), 76-86. Arnold, E., Walsh, A., Oldham, M. & Rapp, C. (2007). Strengths-based case management: implementation in high-risk youth. Families in society: the journal of contemporary social services, 88(1), 86-94. Beijersbergen, M. & Wolf, J. (2009). De CQ-index voor de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en zwerfjongerenopvang. Nijmegen: UMC St Radboud, Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg. Bell, H. (2003). Strengths and secondary trauma in family violence work. Social Work, 48, 513–522. Bijl, R., Boelhouwer, J., Pommer, E. & Andriessen, I. (2015). De sociale staat van Nederland 2015. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau. Björkman, T., Hanson, L. & Sandlund, M. (2002). Outcome of case management based on the strengths model compared to standard care. A randomised controlled trial. Social psychiatric epidemiology, 37, 147152. Bond, G.R., Evans, L., Salyers, M., Williams, J. & Kim, H-W. (2000). Measurement of fidelity in psychiatric rehabilitation.
Mental health services research, 2(2): 75-87. Bos, T., Reijmers, E., Scherpenisse, R., Jonker, I. & Wolf, J. (2012). Systeem gericht werken: een verkenning van werkzame elementen. Nijmegen: UMC St Radboud, Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg. Bransen E., Boesveldt N., Nicholas, S. & Wolf, J. (2001). Openbare Geestelijke gezondheidszorg voor sociaal kwetsbare mensen: verslag van een onderzoek naar de huidige praktijk van de OGGZ voor sociaal kwetsbare mensen. Utrecht: Trimbos-instituut. Bybee, D.I. & Sullivan, C.M. (2005). Predicting re-victimization of battered women three years after exiting a shelter program. American Journal of Community Psychology, 36, 85-96. Campbell, J. & Soeken, K. (1999). Forced sex and intimate partner violence: Effects on women’s health. Violence Against Women, 5, 1017-1035. Christians, M., Dries, L. van den & Wolf, J. (2014). Op eigen kracht. Werkboek voor zelfmanagement. Impuls - Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg. Nijmegen: Radboudumc. Cleek, E., Wofsy, M., Boyd-Franklin, N., Mundy, B. & Howell Lcsw, T. (2012). The family empowerment program: an interdisciplinary approach to working with multi-stressed urban families. Family Process, 51(2), 207-217. Deci, E. & Ryan, R. (2000). The ‘what’ and ‘why’ of goal pursuits: Human needs and self determination of behavior, Lawrence Erlbaum Ass., 11(4), 227-268. Derogatis, L. (1975).
Brief Symptom Inventory. Baltimore: Clinical Psychometric Research.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 43
Dutton, M. (1996). Working with battered women. In Sess, 2, 63-80. Edgar, B. (2010). Wat is thuisloosheid. Hoe kan thuisloosheid gedefinieerd worden? In: Expertbijdragen Europese Consensusconferentie Dakloosheid. Georganiseerd door Feantsa op 9-10 december 2010 te Brussel. Federatie Opvang (2008). Factsheet aanpak huiselijk geweld. Amersfoort: Federatie Opvang. Fukui, S., Goscha, R., Rapp, C., Mabry, A., Liddy, P. & Marty, D. (2012). Strenghts model case management fidelity scores and client outcomes. Psychiatric services, 63, 7. Gezondheidsraad (2011). Broodnodig. De ontwikkeling van kennis voor de openbare geestelijke gezondheidszorg. Den Haag: Gezondheidsraad, 2011(2). Gondolf, E.W. & Fisher, E.R. (1988). Battered women as survivors: An alternative to treating learned helplessness. Lexington, MA: Lexington Books. Hagemann-White, C. (2001). European research on the prevalence of violence against women. Violence Against Women, 7(7), 732-759. Heise, L., Ellsberg, M. & Gottemoeller, M. (1999). Ending Violence against Women. Baltimore, MD: Johns Hopkins University School of Public Health, Center for Communications Programs, Population Information Program. Hemert, A. van & Wolf, J. (2011). Wat is OGGZ? Epidemiologisch bulletin, 46(2/3), 14-22. Herman, J. (1993). Trauma en herstel, de gevolgen van geweld van mishandeling thuis tot politiek geweld. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
Hoff, S., & Vrooman, C. (2011). Dimensies van sociale uitsluiting. Naar een verbeterd meetinstrument. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Huber, M., Vliet, M. van, Giezenberg, M. & Knottnerus, J. (2013). Towards a conceptual framework relating to ‘Health as the ability to adapt and to self manage’, Operationalisering gezondheidsconcept. Driebergen: Louis Bolk Instituut. Jansen, C., Jonker, I. & Wolf, J. (2009). Passende begeleiding in de eerste opvang van mishandelde vrouwen. Nijmegen: UMC St Radboud, Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg. Jehoel-Gijsbers, G. (2004). Sociale uitsluiting in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Johnson, D., Krystal, J. & Southwick, S. (2008). Posttraumatic stress disorder and acute stress disorder. Current Diagnosis and Treatment in Psychiatry, 2, 366-377. Jones, C., Griffiths, R., Humphris, G. & Skirrow, P. (2001). Memory, delusions, and the development of acute posttraumatic stress disorder-related symptoms after intensive care. Critical Care Medicine, 29(3), 573-580. Jonker, I., Jansen, C., Christians, M. & Wolf, J. (2014). Appropriate care for shelter-based abused women: concept mapping with Dutch clients and professionals. Violence Against Women, 20(4), 465-80. Jonker, I., Luijtelaar, M. van & Wolf, J. (2009). Effectieve interventies voor mishandelde vrouwen in opvangvoorzieningen.
Nijmegen: UMC St Radboud, Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 44
Jonker, I., Sijbrandij, M. & Wolf, J. (2012). Toward Needs Profiles of Shelter-Based Abused Women: A Latent Class Approach. Psychology of Women Quarterly 2012; 36 (I) 38-53. Krabbenborg, M., Boersma, S., Veld, W. van der, Hulst, B. van, Vollebergh, W. & Wolf, J. (2015). The effectiveness of Houvast: A strengths-based intervention for homeless young adults. London: BMC Public Health. Laan, G. van der (2001). Hulpverlening in de marge; enige werkzame bestanddelen van methodisch handelen, Sociale Interventie, 22-34. Laan, G. van der (2007). Professionaliteit en ambachtelijkheid. Sociale interventie, 16(2), 25-34. Lehman, A., Kernan, E. & Postrado, L. (1995). Toolkit for evaluating quality of life for persons with severe mental illness. Baltimore: Human Services Research Institute. Macias, C., Farley, O., Jackson, R. & Kinney, R. (1997). Casemanagement in the context of capitation financing: an evaluation of the strengths model. Administration and policy in mental health, 24, 6. Macias, C., Kinney, R., Farley, O., Jackson, R. & Vos, B. (1994). The role of case management within a community support system: partnership with psychosocial rehabilitation. Community mental health journal, 30, 4. McFarlane, J. (2002). An intervention to increase safety behaviors of abused women. Results of a randomized clinical trial. Nursing Research, 51, 347-354.
McGrew J., Bond G., Dietzen, L., Salyers, M. (1994). Measuring the fidelity of implementation of a mental health program model. J Consult Clin Psychol. 62(4): 670. McLellan, A., Luborsky, L., Cacciola, J. & Griffith, J. (1992). A new measure of substance abuse treatment: Initial studies of the Treatment Services Review. J Nerv Ment Dis, 180:101-110. Ministerie van Justitie.(2002). Privé geweld - Publieke zaak. Den Haag: Ministerie van Justitie. Mitchell, R. & Hodson, C. (1983). Coping with domestic violence: Social support and psychological health among battered women. American Journal of Community Psychology, 11, 629-654. Modrcin, M., Rapp, C. & Poertner, J. (1988). The evaluation of case management services with the chronically mentally ill. Evaluation and program planning, 11, 307-314. Movisie (2011). Factsheet. Huiselijk geweld: aard en omvang, gevolgen, hulpverlening en aanpak. Te downloaden van www.huiselijkgeweld.nl. Movisie (2014). Feiten en cijfers Huiselijk geweld. Postmus, J., Severson, M., Berry, M. & Yoo, J. (2009). Women’s experiences of violence and seeking help. Violence against women, 15, 852-868. Rapp, C. & Goscha, R. (2006). The strengths model, case management with people with psychiatric disabilities. New York: Oxford University Press. Rapp, C. & Goscha, R. (2012). The Strengths Model: A Recovery-Oriented Approach to Mental Health Services.
New York: Oxford University Press.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 45
Rapp, C., Otto, A., Timothy Lane, D., Redko, C., McGatha, S. & Carlson, R. (2008). Improving linkage with substance abuse treatment using brief case management and motivational interviewing. Drug and alcohol dependence, 94, 172-182. Saewyc, E. & Edinburgh, M. (2010). Restoring Healthy Developmental Trajectories for Sexually Exploited Young Runaway Girls: Fostering Protective Factors and Reducing Risk Behaviors. Journal of adolescent health, 46, 180-188. Saleebey, D. (2006). The strengths perspective in social work practice. Boston: Pearson/Allyn & Bacon. Saunders, D. (1994). Posttraumatic stress symptom profiles of battered women: a comparison of survivors in two settings. Violence Vict., 9(1), 31-44. Sijbrandij, M., Jonker, I. & Wolf, J. (2008). Cliëntprofielen van vrouwen met geweldservaringen in de vrouwenopvang. Nijmegen: UMC St Radboud, Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg. Sleegers, J. (red.) (2006). Niemand over de schutting. Professionalisering van de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg. Rotterdam: GGz G4| p/a Bavo RNO groep. Song, L. & Shih, C. (2010). Recovery form partner abuse: the application of the strengths perspective. International journal of social welfare, 19, 23-32. Stanard, R.(1999). The effect of training in a strengths model of case management on client outcomes in a community mental health center. Community mental health journal, 35, 2. Sullivan, C.
& Bybee, D. (1999). Reducing Violence using community-based advocacy for women with abusive partners. Journal of Consulting & Clinical Psychology, 67(1), 43-45. Tjaden, P. & Thoennes, N. (2000). Full Report of the prevalence, incidence, and consequences of violence against women: Findings from the National Violence Against Women Survey. Research Report. Washington D.C.: National Institute of Justice. Tol, P. van, Jonkers, I., & Wolf, J. (2020). Krachtgerichte ondersteuning werkt! Inwoners over Krachtwerk bij de brede toegang in de gemeente Nieuwegein. Nijmegen: Impuls – Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Tol, P. van & Wolf, J. (2020). Krachtwerk: uitgevoerd zoals beoogd? Verslag van audits 2019. Nijmegen: Impuls – Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Interne notitie. Vanderplasschen W., Wolf, J., Rapp, R. & Broekaert, E. (2007). Effectiveness of different models of case management for substance-abusing populations. Journal of Psychoactive Drugs, 39(1), 81-95. Veen, H. van der & Bogaerts, S. (2010). Huiselijk geweld in Nederland: overkoepelend synthese-rapport van het vangst-hervangst-, slachtoffer- en daderonderzoek 2007-2010. Den Haag: WODC. Verwijs, R. & Lünneman, K. (2012). Partnergeweld. Achtergrond en risicofactoren. Utrecht: Verwey-Jonker instituut. Vet, R. de (2015).
Literatuuronderzoek naar effectiviteit van de krachtgerichte basismethodiek. Nijmegen: Impuls – onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Vries, S. de & Bouwkamp, R. (1993). Psychosociale hulpverlening in het maatschappelijk werk. Houten/Zaventem: Bohn Stafleu van Loghum. Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 46
Vries, S. de (2008). Basismethodiek, psychosociale hulpverlening. Houten: Bohn Stafleu van Loghum. Vygotsky, L. (1962). Thought and language. Cambridge, MA: MIT Press (oorspronkelijk gepubliceerd in 1934). Wagnild, G. & Young, H. (1993). Development and psychometric evaluation of the resilience scale. Journal of Nursing Measurement, 1, 165-178. Wennink, J. & Wijngaarden, B. van (2004). Quality of Life and Care (QoLC). Kwaliteit van leven en vervulling zorgwensen. Utrecht: Trimbos-instituut. Wolf, J., Bransen, E. & Nicholas, S. (2001). Mensen in de marge; kenmerken van sociale kwetsbaarheid. Justitiële Verkenningen, 27(6),19-38. Wolf, J. (2002). Een kwestie van uitburgering; oratie. Amsterdam: SWP. Wolf, J., Zwikker, M., Nicholas, S., Bakel, H. van, Reinking, D. & Leiden, I. van (2002). Op achterstand. Een onderzoek naar mensen in de marge van Den Haag. Utrecht: Trimbos-instituut. Wolf, J., Jonker, I., Nicholas, S., Meertens, V. & Pas, S. te (2006). Maat en baat van de vrouwenopvang. Onderzoek naar vraag en aanbod. Amsterdam: SWP. Wolf, J., & Jansen, C. (2011). Krachtwerk: Basismethodiek in de vrouwenopvang. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud. Wolf, J. & Jansen, C. (2011). Krachtwerk Werkboek. Basismethodiek in de vrouwenopvang. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud. Wolf, J., Jansen, C. & Christians, M. (2012).
Herstelwerk werkboek: een krachtgerichte basismethodiek voor kwetsbare mensen. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud. (a) Wolf, J., Jansen, C. & Christians, M. (2012). Werkboek Houvast. Krachtgericht werken met jongeren. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud. Wolf, J. (2012). Herstelwerk: een krachtgerichte basismethodiek voor kwetsbare mensen. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud. Wolf, J. (2012). Handleiding voor een krachtgericht begeleidingstraject. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud. Wolf, J. (2012). Hulpmiddelenwaaier voor een krachtgericht begeleidingstraject. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud. Wolf, J., Al Shamma, S. & Dries, D. van den (2014). Tax-Su pilot rapport. Nijmegen: Impuls Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Wolf, J. (2015). Niemand tussen wal en schip. Referentiekader maatschappelijke zorg voor mensen in multiprobleemsituaties. Nijmegen: Impuls - onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Wolf, J., Jonker, I. & Jansen, N. (2015). Procesevaluatie krachtgerichte basismethodiek. Nijmegen: Impuls – onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 47
Wolf, J. (2016). Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie. Bussum: Uitgeverij Coutinho. Wolf, J. & Jansen, N. & Van Tol, P. (2019). Kwaliteitskader modelgetrouwheidsmetingen. Nijmegen: Impuls Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Wolf, J., Albers, E., Baudoin, J., & Jonker, I. (2020). Werkboek Training coaching Krachtwerk. Nijmegen: Impuls - Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Wolf, J., Albers, E. & Jonker, I. (2020). Werkboek Krachtwerk. Nijmegen: Impuls - Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Wolf, J., Albers, E. & Jonker, I. (2020). Draaiboek basistraining Krachtwerk. Informatie voor trainers. Nijmegen: Impuls - Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc. Wolf, J.R.L.M. & Jonker, I.E. (2020). Pathways to Empowerment: The Social Quality Approach as a Foundation for Person-Centered Interventions. International Journal of Social Quality. Vol 19, 1: 29-56. Doi: 10.3167/IJSQ.2020.100103. Zlotnick, C., Johnson, D., & Kohn, R. (2006). Intimate partner violence and long-term psychosocial functioning in a national sample of American women. Journal of Interpersonal Violence, 21, 262-275.
Krachtwerk, methodisch werken aan participatie en zelfregie 48