Bijlage II Ontwerpbestemmingsplan Westerkanaaldijk 5 geanonimiseerd
Tekst van het document
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen
in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm:
* er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; * een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 30
© een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit;
* een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. Ad 1. Hiervoor is hieronder gebruik gemaakt van de Grootschalige concentatiekaart. Conclusie
Uit de Grootschalige concentratie- en depositiekaart blijkt hieronder dat er ruim onder de
grenswaarden wordt gebleven. Geconcludeerd kan worden dat door deze ontwikkeling, die in deze herziening van het
bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, de luchtkwaliteit zeker niet ‘in betekenende mate’ zal verslechteren. Aan het bepaalde omtrent luchtkwaliteit wordt dan ook voldaan. Zie de verdere toelichting hieronder. Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland
Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en -metingen en zijn bedoeld voor het geven van een
grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. Navolgende figuren geven een uitsnede weer van de Grootschalige Concentratie-
en Depositiekaart Nederland voor fijn stof en stikstofdioxide voor het jaar 2025.
e plangebied
@
\
Berg
Heumen
Fijn stof (PM10) [ug/m?] <=14 14 - 16
Yook en Middelaar
16-16 18 - 20
MH Mm
20-22 +=22
Afbeelding Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland - Fijn stof (PM10) jaar 2025
31
e plangebied
YY
Fijn stof (PM2,5) [ug/m?] <6 6-8
a
lesa
MH s-10 10-12
Middelaar
eae MM
Aol
oi2-14
Mmm >=
Afbeelding : Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland - Fijn stof (PM2,5) jaar 2025
* plangebied
el
Berg
Stikstofdioxide (NO2) [g/m] = 10
10-15
ook en Middelad
MM MM
is-20 20-25
MM Mmm
30-35 >=35
MM
25 - 30
Afbeelding Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland - Stikstofdioxide) jaar 2025 Conclusie
Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2020 de volgende waarden:
—
Fijn stof PM10 < 14 ug/ ms (grenswaarde 40 ug/ m3jaargemiddelde);
—
Fijn stof PM2,5 < 6-8 ug/ ms3(grenswaarde 25 yg/ ms jaargemiddelde);
—
Stikstofdioxide NO2 10-15 ~g/ ms (grenswaarde 40 yg/ m3 jaargemiddelde). =a
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de grenswaarden niet overschreden worden.
_—
fs) —
32
=z
— = =a | es|
Daarnaast is de NIBM tool ingevoerd. Hierbij is uitgegaan van de worst-case scenario. Het aantal parkeervoorzieningen voor 100% gevuld en wel iedere dag. De belevingsboerderij is alleen op woensdag, vrijdag, zaterdag en zondag geopend.
Uit de tool blijkt dat de bijdrage aan extra verkeer niet in betekende mate is en geen nader onderzoek nodig is.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023) +
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
120)
Aandeel vrachtverkeer
1.0%
NO> in pq/m? PM in p/m?
0,08 0,02
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate” in pg/m*
4.2.3
Situatie plangebied
Onderhavige planontwikkeling is aan te merken als NIBM.
Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavige
ontwikkeling omdat nergens de grenswaarden wordt overschreden
4.3
Stof
Voor het aspect stof geldt op grond van de Brochure Bedrijven en Milieuzonering (zie paragraaf 4.7) een afstand van: 1. 30 meter ten aanzien van rundvee 2. 30 meter ten aanzien van varkens
3. 30 meter ten aanzien van geiten, deze zijn geent voor Q-koorts
HE, dit is een woonbestemming. Ook wordt hier rundvee gehouden en gefokt. Ook
worden er aardappels,suikerbieten en overige wortel- en knolgwassen verbouwd. De afstand van het 33
bouwvlak van ERE tot de voorgevel van de woning aan de[ERE ES is ruim 120 meter. Het aspect stof zal hierdoor dan ook geen belemmering zijn.
4.4
Geur
4.4.1
Wet geurhinder en veehouderij
Voor het aspect geur bij veehouderijen is de Wet geurhinder en veehouderij lex specialis. Gezien het feit dat er agrarische bedrijven op korte afstand liggen van de onderhavige locatie wordt getoetst aan deze wet.
De eerste vraag die beantwoordt moet worden is de vraag of de zorgactiviteiten die onderdeel uitmaken van het agrarisch bedrijf worden gezien als geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Ten eerste is het van belang dat in de onderhavige situatie de zorgactiviteit deel uitmaakt van de
agrarische bedrijfsvoering. De zorg vindt plaats en maakt onderdeel uit van het agrarische bedrijf. Deze is daarbij ook gelegen binnen de grenzen van de inrichting.
Verder is het van belang dat gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie de Wet geurhinder en veehouderij enkel bescherming biedt tegen langdurige blootstelling. Dit volgt uit de
definitiebepaling van een geurgevoelig object, zoals genoemd in artikel 1 van de wet. Zoals blijkt uit de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij, is er een aantal criteria dat
relevant is om te betrekken in de beoordeling of sprake is van een geurgevoelig object. In de eerste
plaats gaat het daarbij om de verblijfsduur van menselijk wonen of verblijf. Van belang is de verblijfsduur op een dag, maar ook het aantal dagen per jaar dat sprake is van wonen of verbilijf is van belang. In de tweede plaats dient bij de beoordeling of sprake is van een geurgevoelig object rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van dagelijks dezelfde personen of steeds
wisselende personen. Als iemand elke dag weer opnieuw last heeft van geurhinder, is dat anders dan dat dit incidenteel een keer het geval is. In de derde plaats dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat er mensen ook in de nachtperiode in het object verblijven.
Een tweetal uitspraken hieromtrent zijn hieronder ingevoegd.
Een zorgboerderij is niet-geurgevoelig blijkt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juni 2010 (200906751/1/H1). Citaat uit de uitspraak: De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de zorgboerderij van [appellant] niet kan worden aangemerkt als een object voor dagrecreatie, zijnde een categorie Il-object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder x, onderdeel 22, van het Bim. De boerderij is gericht op verzorging, niet op dagrecreatie. De boerderij biedt gedurende zes dagen in de week dagopvang aan maximaal veertien 34
zorgbehoevende ouderen. Dat deze ouderen gedurende de dagopvang deeinemen aan een programma van lichte agrarische activiteiten in de rundveehouderij van [appellant], betekent niet dat de zorgboerderij als een recreatieve dagvoorziening moet worden aangemerkt. In deze uitspraak is de Raad van State van oordeel dat de zorgboerderij op het perceel van een
melkrundveehouderij geen geurgevoelig object is. In deze uitspraak is de zorg een onderdeel van een melkrundveehouderij.
Deze uitspraak van 2 juni 2010 wordt wederom bevestigd in een uitspraak 201308724/1/A1 van 15 oktober 2014. In deze laatste uitspraak op grond van de Wet geurhinder is de “oude” uitspraak van 2009 zoals hierboven aangehaald. Hierin is aangegeven dat een zorgboerderij niet juridisch-
planologisch bestemd is voor wonen en verblijf en derhalve geen geurgevoelig object. In casu is de locatie
op grond van het bestemmingsplan bestemd tot
Agrarisch. Door aan het gebruik van deze bestemming naast Agrarisch ook ‘zorgboerderij’ toe te
voegen blijft de zorg op grond van de uitspraak uit 2010 onderdeel van het agrarisch bedrijf (onlosmakelijk verbonden met het agrarisch bedrijf) en niet is bestemd tot wonen en verblijven. Nu er geen sprake is van wonen of langdurig verblijven is er geen sprake van een geurgevoelig object. Zoals in de inleiding reeds aangegeven gaat het om dag en weekendopvang en is de samenstelling van de kinderen elke dag anders. Bij de weekend opvang zullen kinderen 1x per maand of twee maanden een weekend blijven logeren op de zorgboerderij. Dit zal zijn in een afzonderlijk gebouw
achter op het bestaande erf. Deze opvang op de zorgboerderij zal zijn voor een bepaalde fase in hun leven.
4.4.2
Omgevingswet
De wetgever heeft er voor gekozen om in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (naar verwachting per 1 januari 2023 in werking) op te nemen wat een geurgevoelig object is. Hieronder is het betreffende artikel weergegeven.
35
Artikel 5191 (geurgevoelige gebouwen) 1. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als bedoeld in dat lid als het omgevingsplan in dat gedeelte niet toelaat een: a. woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied; e. bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een woonfunctie; of f. bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een gezondheidszorgfunctie met bedgebied. 3. Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een bi ipla f
ana
tei
mag worden
get
vd.
4, Het omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. 5. In het omgevingsplan kan paragraaf 5.1.4.6 overeenkomstig worden toegepast op locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Uit het bovenstaande artikel blijkt dat een zorgfunctie als onderdeel van een agrarisch bedrijf in ieder geval niet geurgevoelig is, wanneer er geen bedden zijn.
Binnen het plangebied van de SEEEEEN EM zullen 5 bedden aanwezig zijn bij de zorgboerderij
waarvan enkel in het weekend gebruik zal worden gemaakt door vijf personen, wisselend in samenstelling. Bij een zorgboerderij is geen sprake van een gezondheidszorgfunctie of een bijeenkomstfunctie voor
kinderopvang (kinderen tussen de 0 en 4 jaar). Conclusie
Op grond van het bovenstaande concludeer ik dat de zorgfunctie op het agrarisch bedrijf geen geurgevoelig object is. Nu dit het geval is, is een verdere inhoudelijke toetsing niet nodig.
4.4.3
Omgekeerde werking
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet een veehouderij voldoen aan een bepaalde
afstand tot geurgevoelige objecten of voldoen aan de waarde voor de geurbelasting ter plaatse van die geurgevoelige objecten. Dit leidt tot een bepaalde geurcontour rondom een veehouderij. Op grond van jurisprudentie op het gebied van ruimtelijke ordening mag binnen dergelijke
geurcontouren in beginsel niet gebouwd worden. Dit was ook al het geval onder de oude stankregelgeving en deze lijn is doorgetrokken naar de Wgv. Dit wordt de omgekeerde werking van
de stankregelgeving genoemd. Ter plaatse van de te realiseren geurgevoelige objecten moet beoordeeld worden of sprake is van
een aanvaardbaar verblijfsklimaat.
36
4.4.4
Situatie plangebied
Voor het aspect geur geldt op grond van de Brochure Bedrijven en Milieuzonering (zie paragraaf 4.7) een afstand van: 1. 30 meter ten aanzien van rundvee 2. 200 meter ten aanzien van varkens
3. 100 meter ten aanzien van geiten, deze zijn geént voor Q-koorts
HE, dit is een woonbestemming. Ook wordt hier rundvee gehouden en gefokt. Ook worden er aardappels, suikerbieten en overige wortel- en knolgewassen verbouwd.
Aan de afstandsrichtlijn voor het rundvee en de geiten van 100 meter wordt voldaan. De afstand
bedraagt de 120 meter afstand tot de voorgevel van de woning aan de [EEE De richtlijnsafstand voor de zeugen bedraagt 200 meter. Er zullen echter maximaal 5 kraamzeugen aanwezig zijn welke gehouden zullen worden in het huidige roundhouse. Het roundhouse is gelegen
op 180 meter van de woning aan deERS E Deze afstand is kleiner dan de richtafstand
genoemd in de Brochure Bedrijven en Milieuzonering.
De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te
verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een
milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Er wordt uitgegaan van een gemiddeld modern bedrijf. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een grotere of kleinere afstand uitgegaan kan of moet worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de richtafstanden voor dit bedrijf korter zouden kunnen zijn
Het houden van 5 kraamzeugen met biggen betekent dat absoluut sprake is van een kleiner dan gemiddeld bedrijf, waardoor gesteld kan worden dat de gewenste afstand kleiner (180 meter in
plaats van 200 meter) mag zijn dan gesteld in de Brochure Bedrijven en milieuzonering. Bovendien zijn deze varkens reeds middels een omgevingsvergunning uit 2016 vergund.
Het aspect geur zal hierdoor dan ook geen belemmering zijn.
37
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1
Algemeen
Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet
bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige
bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een
bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Zorgboerderij
Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigende bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend
betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn.
4.5.2
Situatie plangebied
Voorliggend initiatief betreft
-
Ontwikkeling lunchroom
-
Ontwikkeling boerderijwinkel
-
Ontwikkeling parkeren
-
Ontwikkeling zorglocatie
-
Ontwikkeling agrarisch bedrijf
Her perceel is jaren in gebruik geweest voor agrarische werkzaamheden. Om de loods en het gebouw
voor de zorg te realiseren vinden er bouwwerkzaamheden en bodemingrepen plaats. Het gebouw voor de zorg worden gerealiseerd op de gronden van het huidige agrarische bedrijf. In de agrarische bedrijven blijkt uit ervaring nooit verontreinigingen aanwezig te zijn. Mestputten zijn afdoende gebleken om verontreinigingen tegen te gaan. Dit komt mede door de Nederlandse richtlijn bodembescherming. Het gebouw voor de zorgfunctie wordt geen gebouw waar voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zijn. Enkel in de weekenden komen mensen met een wisselend gezelschap met een zorgindicatie ter plaatse. 38
Het zorggebouw wordt op korte termijn niet gerealiseerd. Indien noodzakelijk zal in het kader van de omgevingsvergunningen ter plaatse van de bouwlocatie
voor de zorgfunctie een bodemonderzoek conform de NEN-5740 worden gedaan.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Algemeen
Voor het agrarisch bedrijf met een bestemmingsomschrijving ” agrarisch bedrijf, zorgboerderij en recreatie’”’ gelden geen afstanden ten aanzien van gevaar ten opzichte van omwonenden. Dit omdat het hierbij niet gaat om zogenaamde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gaat in het kader van
externe veiligheid. 4.6.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het
plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 5 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
%
%
f Basisnetbhinnenvaartroutes Basisnet water
7
Buisleidingen
ot
Figuur 5: Uitsnede risicokaart (bron: www. risicokaart.nl) 39
D= OMG=VINGS ADVIS=URS
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: e
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen
die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); e
zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico
nodig is;
e
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
e
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Planspecifiek De locatie ligt op afstand van een buisleiding en binnenvaartroute (zie figuur 5) Externe veiligheid
levert geen belemmeringen op voor dit initiatief.
4.7
_Bedrijven en Milieuzonering
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van
milieubelastende activiteiten (naar SBl-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van
een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is
welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden
gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en
anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
4.7.1
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige
woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met
het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een
matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. 40
ADVIS=URS Het gebied waarin het projectgebied zich bevindt is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd
woonwijk
gebied
2
30m
10m
3.1
50m
30m
3.2
100 m
50m
4.1
200 m
100 m
42
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
1
10m
Om
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: e
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
e
laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.7.2
Externe werking plangebied
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een
situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
In de nieuwe situatie is sprake van een agrarische bestemming met een zorgboerderij, boerderijwinkel en extensieve recreatie. Voor het fokken en houden van dieren geldt een afstand van
O meter, dit betreft daarom een functie waarbij geen sprake is van het veroorzaken van hinder. Geur stof geluid gevaar
og:B [Fokken a 1413 gee 0122 EREMEE ——_| on nouden van ovenge graasdieren
15 0122 [0122 1716 0123 4849 ors ‘or2s 2120 [orae
22 (0124 (o1a8
a
GY ee ee ee ee
Sof SO tof oso
oT oo ofata2 [iG oo TG [| J4
‘(ee
jog [1 Fepsarcenfokkerjen CY | o_o | | | iG [i] Sf forss 2 [-overige graasdieren so TG [i] Yo] joss Fokkenenhoudenvanvarkens || OL AtCT| CT te Ji] ford? [0|Fotkenenhoudenvan puimwes CCC CrP CTC | for | freghippen Oa [is 7] fors7 2 Fropfokkippen enmesthuikens oof so Po oa Tis fi
fois7 [3[reendenenganzen fora? |S Foverig ptuimmee
De dichtstbijgelegen woning is
EMEP REEN Aan de [EWES wordt ook rundvee
gehouden en gefokt en worden aardappels, suikerbieten en overige wortel- en knolgewassen
verbouwd. Deze woning ligt op 120 meter van de onderhavige locatie. De aspecten stof, geluid en
gevaar worden hieronder niet verder uitgewerkt omdat de afstand tot de woning ruimschoots voldoet.
Eo
41
Voor het aspect geur (zie tevens paragraaf 4.4) geldt op grond van de Brochure voor geiten en rundvee een afstand van 100 meter. Aan deze richtafstand van 100 meter wordt voldaan.
Voor varkens geldt op grond van de Brochure een richtafstand van 200 meter. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten
concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de
milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is.
Er wordt uitgegaan van een gemiddeld modern bedrijf. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een grotere of kleinere afstand uitgegaan kan of moet worden.
Hierdoor kan gesteld worden dat de richtafstanden voor dit bedrijf korter zouden kunnen zijn. Varkens
In de bestaande roundhouse worden na realisering van dit project maximaal 5 kraamzeugen met biggen gehouden. Dit roundhouse is gelegen op 180 meter van de woning aan de Westerkanaaldijk 3.
Waarom in het kader van deze ruimtelijke onderbouwing uitgegaan kan worden van een kleinere
afstand wordt hieronder gemotiveerd. Bij 5 zeugen is zeker geen sprake van een gemiddeld modern bedrijf. Een afstand van 200 meter voor
een gemiddeld modern bedrijf behoeft dan ook niet te worden aangehouden. Een afstand van 180 meter is reéel voor het houden van 5 zeugen met biggen.
Daarbij wordt gesteld dat aan de E | REEGa ook dieren worden gehouden, een agrarische
functie aanwezig is waardoor geur afkomstig van een agrarische functie ter plaatse reeds aanwezig. Diergroepen geselecteerd voor ODRN6258
4.7.3
Interne werking plangebied
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe (gevoelige) functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De directe omgeving van het projectgebied wordt gekenmerkt door burgerwoningen, en agrarische bedrijven.
De wijziging betreft het uitbreiden van de agrarische activiteiten, activiteiten ondergeschikt aan de bestaande recreatieve functie, verkoop van regionale streekproducten in de boerderijwinkel, de 42
ontwikkeling van een zorgboerderij met dag en weekendopvang en het bouwen van een loods voor
de opslag van hooi/stro. Hierbij wordt geen gevoelige functie gerealiseerd, zodat dit aspect niet verder belicht wordt Dit betekent dat de gewenste ontwikkeling op grond van de Brochure Bedrijven en Milieuzonering past op de locatie van de initiatiefnemer en dat omliggende woningen en bedrijven geen overlast ondervinden van het initiatief.
4.8
Ecologie
4.8.1
Algemeen
De wetgeving ten behoeve van de bescherming van de natuur is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en
soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
4.8.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000- gebieden
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit
gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Op circa 7,3 km ligt het natuurgebied Sint Jansberg (limburg). Gezien de grote
afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Deze conclusie is middels een Aerius-berekening gestaafd. Deze berekening is bijgevoegd als bijlage 4
4.7.2.2 Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in
provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
43
De omgevingsverordening Gelderland heeft een kaart van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk (GNN), of de ‘Groene Ontwikkelingszone’. Op figuur 6 is dat te zien. Het plangebied is bij de rode button. ah Omegevingsverordening
ugh
(e)
a
Gelderland (februari 2022)
=) provincie Gelderland
provinciale verordening peconsolideerd (2022-02-01)
ate” v
‘
Rie Ee
he
PLEKINFO rs
DOCUMENTEN — KENMER} a
Kaarten
“
é
"
Fg 3
;
ait hg
O 1: Regels Landbouw
ann meee) §=— (2: Regels Glastuinbouw 5
eee
io
=
Weergegeven kaart
c
“
:
nse
hi
FS éSe:
3: Regels Natuur - kaart
+
O 5: Regels Natuur
1
7 *: e O 4: Regels Natuur -- kaart 2 kaart 3
Figuur 6: Ligging plangebied t.o.v. GNN (bron: Omgevingsverordening Gelderland)
In het voorgenomen initiatief is aandacht besteed aan het versterken van de ecologische en landschappelijke kwaliteit in het gebied. Dit wordt onder andere als volgt gedaan:
Het landschappelijk inpassingsplan voor het bedrijfsperceel aan de ER eamanan ERB caat uit van het toevoegen van erfbeplanting rondom het gehele perceel. Daarmee
ontstaat er voornamelijk aan de achterzijde aan de randen een foerageergebied voor de das. ° e Aan de zuid- en westzijde wordt het perceel begrensd middels een haag. De aanwezige laurierhaag wordt aangevuld met een inheemse haagbeukhaag. Het zicht op de bebouwing en parkeren wordt hierdoor verzacht.
° e Aan zuid-, oost- en noordzijde wordt het perceel begrensd middels bomenrijen waaronder overdag gegraasd kan worden. Door het plaatsen van hoogstam appelbomen afwisselend met schietwilgen kan dit gebied gebruikt worden als foerageergebied voor de aanwezige das. Daar waar de grond het niet toe laat appelbomen en wilgen te plaatsen worden elzen geplant.
° ¢ Aan de zuidwestzijde wordt een infiltratievoorziening gerealiseerd. Hier kan het hemelwater afkomstig van het nieuwe verharde oppervlak infiltreren. Bij het opstellen van het inpassingsplan is gekeken naar de eigenschappen, kwaliteiten en karakter van de locatie en het omliggende gebied, maar ook naar de bedrijfsvoering ter plaatse. Uitgangspunt voor alle nieuwe maatregelen is de toepassing van inheems plantmateriaal
44
Voor een verdere toelichting zie het landschapsplan in de losse bijlagen 1 ( 3 stuks).
4.8.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen
Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
4.7.3.2 Situatie plangebied
Het plan voorziet in het bouwen van een loods (20x30 meter), het bouwen van een gebouw voor de
zorgboerderij (15x25 meter) en het bouwen van een extra roundhouse. Deze gebouwen worden gerealiseerd op agrarische gronden. Deze gronden mogen machinaal
worden bewerkt tot een diepte van maximaal 0.40 cm. Gesteld kan worden dat hier geen dier- en plantsoorten aanwezig zijn.
Ook zullen er regionale producten toegevoegd worden aan de bestaande boerderijwinkel en zal de ondergeschikte recreatieve tak worden uitgebreid. Deze activiteiten worden verricht in bestaande gebouwen waardoor eventueel aanwezige natuurwaarden in tact blijven.
De bestemming zal agrarisch blijven met een zorgboerderij en recreatie (met ondergeschikte horeca).
Bij de bovengenoemde ontwikkelingen worden geen sloten gedempt en bomen of struiken gekapt waar eventuele flora en fauna zich zou kunnen bevinden.
De bestaande ecologische structuur wordt in het beoogde plan juist bevorderd. Er worden nieuwe
landschapselementen aangelegd waarvan diersoorten kunnen profiteren. De aanleg van
fourangeergebied voor de dassen is zeker van toegevoegde waarde. Van enige vorm van aantasting van beschermde flora en/of fauna als gevolg van vaststelling van dit plan is dan ook geen sprake.
Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor dit project.
45
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
4.9.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen
Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn
rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied
behoudens waardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
In opdracht van de gemeente Heumen heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2005 een archeologische verwachtings- en advieskaart vervaardigd. De kaart is in 2013 herzien.
De kaart heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente. De archeologische verwachtings- en advieskaart is een kaart waarop bekend en archeologische vindplaatsen en terreinen die door de provincie en rijksoverheid zijn geoormerkt als terreinen met een
archeologische status staan weergegeven. Daarnaast geeft de archeologische verwachtings- en
advieskaart een zo actueel mogelijk overzicht van nog te verwachten archeologische waarden binnen de gemeente Heumen met daaraan gekoppeld uitvoeringsgerichte adviezen ten aanzien van het gemeentelijk Archeologische Monumentenzorg beleid.
Onderhavige locatie heeft op grond van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart gedeeltelijk een middelmatige archeologische waarde en gedeeltelijk een lage archeologische waarde. Figuur 7 toont de ‘waarden- en verwachtingskaart archeologie’ van de gemeente Heumen. Het plangebied is deels gelegen in de gele zone met een middelmatige archeologische verwachting
en deels in de groene zone met een lage archeologische verwachting.
46
Lain |»
DM
«ss
gs
\_.-7 ES
nN
. od
a
k/ :
, viaSSR Rv _| \\'A \ N\
Cae
|
OWE
wy
(i
\ ©.
37,OK
FX
NX) | \\ a
xX)
Z
4,
4, e CK oe
G
\ \ Rass J;J]«| AX LAX \
iy
.\ he
SN)KI
:
NN\
{
ty7 4 AS \ ANN ge \ 27 l\wor® \ \\ | KW NX y | | i Yt \ Rov ~~ BY POA ec) | im | oh WA\ Ht
feta As
| \\ \\
bs
| Rav} Ay
(Teet fg /s chre\ Vay
ey
N
ZA)
Figuur 7: Waarden- en verwachtingskaart archeologie
(_] lage verwachting
[____] middelmatige verwachting
Laag voor archeologische resten uit alle perioden. Archeologische resten
afgedekt door een >50 cm dikke conserverende laag en daardoor waarschijniijk goed geconserveerd (prafieltype 7) of archeologische resten viak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar (profieltypen & en 9).
Midde!matig voor archeologische resten uit met name de oudere Prehistorie.
Archeologische resten afgedekt door een >50 cm dikke conserverende laag en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd (profieltype 4) of archeologische resten viak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar (profieltypen 5 en 6).
De nieuwe loods, roundhouse en het gebouw voor de zorgboerderij worden gebouwd in de groene
zone met een lage archeologische verwachting. Zie afbeelding 7 in het rood aangegeven. Er is daarom in het kader van dit bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Wel is de dubbelbestemming archeologie overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’. Deze ligt gedeeltelijk over de voorzijde van het perceel waar niet gebouwd wordt.
47
>
‘f
j
x
_
ro
.
rs
“e
TF
fo : AN + sf. / ca -
—
"4
xif o
3
Dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting 2
Figuur 8: Locatie nieuw te bouwen gebouwen
De nieuwe loods, roundhouse en het gebouw voor de zorg worden gebouwd binnen het plangebied zonder dubbelbestemming : Waarde- Archeologie 2. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die
cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige
cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2005 een archeologische verwachtings- en advieskaart vervaardigd. De kaart is in 2013 herzien.
48
In samenwerking met de gemeenten Beuningen, Druten en Wijchen is de Beleidsnota
cultuurhistorie: Samen in verscheidenheid opgesteld. De beleidsnota geeft een visie en ambitie op de omgang met het (bovengrondse) cultureel erfgoed in de vier gemeenten. De gemeenteraden van de vier gemeenten hebben de beleidsnota per gemeente vastgesteld. Bij de beleidsnota horen een waarderingskaart voor cultuurhistorische gebieden, een cultuurhistorische beleidskaart en bijlagen.
4.8.2.2 Situatie plangebied
In de onderstaande afbeelding is de planlocatie weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart van gemeente Heumen. Met het planvoornemen blijft het pad (doorlopende oranje lijnen), de
stelling 1939-1940 ( groene blokjes) en het opgaand groen dat is weergegeven op de waardenkaart behouden.
4
tote ~
UN
8) aN NX x
> ee
:
=»
.
Leigraaf
SS:
o™.
regelmatig ingedeeld broek met grasland in het rivierterrassengebied
=—=-===_ pad, voor 1832, nu verdwenen ————_kavelgrens, voor 1832
@
overig puntvormig opgaand groen (Landschapsbeheer Gelderland)
= &@ & I
stelling 1939 - 1940
49
De verkaveling blijft gelijk, binnen de grenzen van de kavel wordt de uitbreiding van het bedrijf gerealiseerd. Door het realiseren van een roundhouse, zorggebouw en opslaggebouw bij een
bestaand agrarisch bedrijf wijzigt de cultuurhistorische waarde niet. Op de waarderingskaart voor cultuurhistorische gebied van de Beleidsnota cultuurhistorie: Samen in verscheidenheid opgesteld is de locatie aangeduid als middelhoge waardering Cultuurhistorische waarderingskaart
am C[tit ultu rlandsee chap elijke wa rdering gona rdeort a
L
NM
6
YL vA ~. ffA oo
_— misdlnocg lag
| a ta }
&
iO
4
a =e
Peleeva rdeLari C4 vol culu tistoicorront h ensembio ga
oo
y,
oo
\
EX.”
é
\
4 Gf
p
q
LOM fo YK NCPR? AY é <a
foy,
4z
x ra
}
\\\ \XYA Co, q>gi vo Lo
\ YW\ SS
ms ON. LCN SN
PY
=EO
\
\
.
: ANNS \
Op de bijbehorende cultuurhistorische beleidskaart is de locatie niet opgenomen. Voor de locatie is
geen nader specifiek beleid vastgesteld.
eA WSS OC et
VXN a |
BT,
XS
Wace
a
tt
> ln as AK |i] a Qe J? KE = 4Sae Postic Ape TAORNS WN J on is. hee KY a2Ls BOS aoN OeRYyD <\S besez BAMO> OS 2 ne Ie== Bigaere
EX AA oe3B ycae Cultuurhistorischebeleidskaart n> : Xx %$ Gp | me OR a Se: Be mies Gemeenten Beuningen,Druten, Heumen enWijchen « C2. SY Ge schaal1:25.0 0 <> waWw Sh,as Pd)
Sw
<—
ss
“
aS
Neste)
mae
ANOS N aah Heris) legenda
S ©> Re SKOKNAE RAas “&S WAN\\ vay He+N
zonemet beleidsmatige vertali; ng (2ia §4.2 en 4.3)
eens. CBS, Ges Na@ 059s i aeRes
De cultuurhistorische waarden zoals genoemd op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heumen wijzigen niet door het uitbreiden van een bestaand agrarisch bedrijf binnen de verkavelingsgrenzen.
50
Hiermee kan worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie niet leidt tot een belemmering voor het planvoornemen.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de
parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling.
4.10.2 Situatie plangebied 4.9.2.1 Parkeren
In de beoogde situatie komt er een zorgboerderij bij, het aantal dieren vergroot en wordt de recreatie en boerderijwinkel uitgebreid. Voor de bestaande situatie hebben ze al parkeergelegenheid
op het erf. Er vanuitgaande dat er meer bezoekers komen zullen er ook meer parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Deze zullen ook op het eigen erf gesitueerd worden. zie figuur 9.
4
y.@ vy & y,,® ©
y.°o @’
@ oO
re
,
eu i
Jy
“a
veo*eee we 4<7 re HSA = 9
ti~w
%
i
a
st ;
Pe
“’ “$
Ss “4 S
é ww
4 Vo
Figuur 9: parkeervoorzieningen op locatie.
Voor het aantal parkeervoorzieningen wordt verwezen naar paragraaf 4.9.2.3. In deze paragraaf wordt uitgegaan van het feit dat de bezoekers gebruik maken van alle voorzieningen van de locatie. Hierbij gaat de CROW uit van maximaal 7,6 parkeerplaatsen bij een kinderboerderij. Voor een restaurant en buurtsupermarkt gelden geen parkeerkencijfers. 51
Voor de cliénten in de zorg nemen we geen parkeervoorzieningen op. Zij zullen alleen gehaald en gebracht worden.
8 parkeervoorzieningen volgens de CROW-normen is naar de feitelijke maatstaven te beperkt. Daarom is gekozen om het aantal parkeervoorzieningen groter te maken. De nieuwe
parkeervoorziening zal bestaan uit een tweetal parkeervoorzieningen, één nabij de weg met 18 parkeervoorzieningen, de andere verder op het terrein met 42 parkeervoorzieningen. In de regels van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen, zodat met de realisatie van de beoogde situatie wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9.2.2 Inritten
De inritten van het huidige agrarische bedrijf blijven in het nieuwe plan intact. Van een nieuwe inrit is
geen sprake. De bestaande inrit zal de toegang zijn voor beide parkeerplaatsen op het erf. In afbeelding 9 wordt dit weergegeven. Wat betreft de bezoekersstroom komt 65% van de bezoekers en clienten uit de richting van Nijmegen en 35% komt van de andere kant op de Westerkanaaldijk.
Dit geldt voor de bezoekers en clienten op de fiets, met de bus of met de auto. Omdat er maar 1 inrit op het erf is zullen alle bezoekers via deze inrit het bedrijf betreden en vanuit hier zich verspreiden over het erf.
4.9.2.3 Infrastructuur Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit
bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het uitbreiden van de boerderijwinkel, de lunchroom
en de zorgboerderij. Voor de bedrijfswoning blijft de bestaande parkeerplaats (prive) bij huis in tact. Hiervoor worden geen parkeervoorzieningen opgenomen. Voor de boerderij winkel zijn de cijfers van een buurtsupermarkt gebruikt en voor de lunchroon de
cijfers voor een restaurant ,die op basis van de CROW-publicatie geldt We gaan voor alle normen uit van de maximale norm voor niet stedelijk in het buitengebied.
52
D= OMG=VINGS ADVIS=URS = oe
Buurtsupermarkt
a
Parkeerkencijfers (per 100 m? bvo) Centrum
Schil centrum
Rest bebouwde
Buitengebied
kom
Aandeel laadpunten
Zeer sterk stedelijk
2.4
1,0
3,0
16
3,6
n.v.t.
n.v.t.
Weinig stede- | 1,3
3.3
2,2
4.2
3,1
5,1
n.v.t.
nv.t.
02,5%
lijk
Kinderboerderij (stadsboerderij)
Parkeerkencijfers (per gemiddelde boerderij)
Centrum
Schil centrum
Rest bebouwde
Buiten gebied
kom
min. :
max.
min. 5
max.
Aandeel
laadpun-
max.
ten
Zeer sterk stedelijk
Weinig stede-
5.4
ily
14
6,2
is2)
2,2
7.2
2.6
7.6
2,6
7,6
O2,5%
lijk
53
Restaurant
Parkeerkencijfers (per 100 m? bvo) Centrum
Schil centrum
Rest bebouwde
Buitengebied
Aan-
kom
[ia min.
max.
a
min.
;
max.
| eee min.
deel
max.
To min.
max.
| laadpun-
ten
Zeer sterk ste-
delijk
10,0
10,0
12,0
14,0
n.v.t.
n.v.t.
O-
2,5%
sensu seme [00 wo fe fino [eve ine Matig stedelijk | 8,0
10,0
8,0
10,0
12,0
14,0
n.v.t.
nv.t.
Weinig stede- | 10,0
12,0
10,0
12,0
14,0
16,0
nev.t.
nv.t.
Niet stedelijk | 10,0
12,0
10,0
12,0
14,0
16,0
n.v.t.
nv.t.
lijk
|
|
Het plangebied wordt ontsloten via een inrit aan de Westerkanaaldijk. Het gaat om een relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen.Deze vervoersbewegingen zullen over de
gehele week verspreid zijn. Het wegverkeer op de Westerkanaaldijk is agrarisch en woon-werkverkeer. De Westerkanaaldijk is
een vrij rustige weg .De inrit is zodanig gesitueerd dat de bewoners en bezoekers met ruim zicht kunnen invoegen in het normale wegverkeer. Er is geen sprake van een ontwikkeling die de
capaciteit van de aansluitende wegen en omliggende wegenstructuur en de verkeersveiligheid op onevenredige wijze aantasten. De gewenste ontwikkeling vormt geen aanleiding tot infrastructurele wijzigingen.
Planspecifiek. Het aspect 'verkeer’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan 4.11
Water
Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap.
In het Besluit Ruimtelijke Ordening, dat sinds 1 november 2013 is ingegaan, is opgenomen dat het
verplicht is om een watertoets te verrichten. Het is dan ook noodzakelijk om in de toelichting bij
ruimtelijke besluiten en plannen een waterparagraaf op te nemen. In de waterparagraaf wordt een beschrijving gegeven over de manier waarop rekening wordt gehouden met de waterhuishouding als 54
D= OMG=VINGS ADVIS=URS gevolg van het plan. In de paragraaf wordt dan ook een beschrijving gegeven van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied,
(motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de
orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt.
Beleid
Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld, met als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende
en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap
in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen. De drie speerpunten van het Waterbeheerprogramma zijn:
« Veel dijkverbeteringen: in het waterbeheerprogramma staat bescherming tegen overstromingen
voorop. In de komende jaren zullen veel dijkverbeteringen in het rivierengebied plaatsvinden. Daarbij houdt het waterschap rekening met nieuwe normen voor waterveiligheid en met de
belangen van de omgeving. Dijkverbeteringen worden op veel plaatsen innovatief uitgevoerd.
Hierdoor kan het waterschap de overlast voor de omgeving beperken en efficiénter werken. « Innovatie bij zuivering afvalwater: rioolwater is niet langer alleen maar afvalwater; het is ook een bron van nuttige energie en grondstoffen. In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap zich
voor steeds meer technieken toe te passen om grondstoffen en energie terug te winnen uit het afvalwater.
« Klimaatbestendig watersysteem: het klimaatbestendig maken van het watersysteem is een van de
aandachtspunten in het beheerprogramma
De zorg voor de bescherming van het drinkwater is een wettelijke taak van de provincie.
De provincie Gelderland heeft in de omgevingsverordening de bescherming van het water meegenomen in de kaart ‘Water en Milieu’.
Conform deze kaart liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden.
55
D= OMG=VINGS ADVIS=URS. = a
=
9
‘e
Omgevingsverordening
mten (iss ite iirseysa) TZ » Merrie
f %
“7 provincie eaek Gelderland : Uh, provinciale verordening
z
=
Y/; geconsolideerd (2022-02-01)
&
Yi4; PLEKINFO DOCUMENTEN 4 O 5: Regels Natuur - kaart 3
x
‘\
qMaasWaalke
na:
eaFan
OBs 68:: RRegelsegels NLandschap atu r -ka-rkaartt 4 72 O 7: Regels Landschap - kaart
9: Regels Water en Milieu
jalkanaal
|
©)®. 10:11: Regels Erfgoed Regels Veilige Leefomgeving
x
+
Waterhuishoudkundige situatie
Op de leggerkaarten van waterschap Rivierenland is te zien dat binnen het plangebied geen opperviaktewater ligt.
Ce Ro
aN N
? >
»
471
:
Nn
‘= Legenda
‘73, PX
‘ \
846
‘
» Primal
:
Kc
-
a
:
a *
SS oy
™ > Secundair berm
.
\, at
\ \% . % p
Oo Me P
2 ta
Tertiair
*
\
te i fi a
Primair gedeeld onderhoud
* Secundair
Sy x
>
Waterloop
>
a
.
y
;
j
7
Lge
ZB Zs
os
’
Waterstaatswerk water BB Primair
BB Primair Secundairgedeeid ondernoud
ie
\ N
se.
;
Ni
ES XN
\ .a
\
Tertiair
\
BB kunstwerk Bodemvalien
BB kunstwerk Bruggen
BB kunstwerk vaste Dammen
(| Kunstwerk Duikers ’
,
Op basis van de Keur mag binnen een zone van 7 meter van de insteek van de watergang met beschermingszone A niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Voor een 56
D= OMG=VINGS ADVIS=URS watergang met beschermingszone B geldt de zone van 1 meter. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd.
Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland.
Water in relatie tot ontwikkeling
Door het toekennen van de planologische mogelijkheid om de grond te verharden (in de vorm van
een roundhouse, een hooi- stro-opslag, een gebouw voor de zorg en parkeervoorzieningen) neemt het verhard oppervlak in relatie tot de huidige situatie toe. Gezien de toename van het opperviak van parkeerplaatsen en bouwwerken is er een compensatie nodig. Waterbeleid hemelwaterafvoer
Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Rivierenland. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Heumen als het waterschap dient binnen het projectgebied een duurzame waterhuishoudkundigsysteem gerealiseerd te worden.
Concreet betekent dit dat er spraken moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Rivierenland gelden daarbij de volgende uitgangspunten voor hemelwaterafvoer: .
¢ Afkoppelen en infiltreren van hemelwater daar waar mogelijk.
°
e Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar
watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn.
Bodem en K-waarde
Het bodemkundig informatiesysteem (BIS) geeft aan dat het bodemprofiel bestaat uit kleigronden op zandgrond Il. In het bodemprofiel is te zien dat er kleigrond is tot een diepte van 1,7m daaronder
matig grof zand.
Grondwater en oppervlaktewater
De kaart met peilgebieden van waterschap Rivierenland geeft aan dat het plangebied ligt in peilgebied: BLM019.
57
D= OMG=VINGS ADVIS=URS Het vaste grondwaterpeil van dit gebied is 7,45 mNAP. Het plangebied ligt op een hoogte van 8,35 NAP wat inhoudt dat het grondwater 0.9m onder het maaiveld staat. Aan de Noordoostzijde van het plangebied ligt aangrenzend het Maas-Waalkanaal. Het plangebied
zelf is omkaderd en doorsnede met watergangen. De watergangen rondom het plangebied zijn geklasseerd als categorie B-C (C-oostzijde) watergangen. De sloten in het plangebied zijn niet geklasseerd.
Berekening toename nieuwe verhard (dak) opperviak Uitgaande van de door het waterschap gestelde afvoer eisen van hemelwater in open water van 436 m3 waterberging per hectare aan verharding. Parkeerplaats 998 m2 Bestrating overig 537 m2
Gebouw t.bv. zorg 375 m2 Roundhouse 1480 m2
se Totaal aan bestrating en gebouwen 4162 m2 Berekening: 4162x0,0436 = 181 m3 af te voeren water.
Via dakgoten, leidingen en straatkolken wordt het hemelwater dat afkomstig is van de nieuwe stal, opslag, zorggebouw en de verharding naar de watergang afgevoerd.
Te vergraven watergang
Doormiddel van de te vergraven watergang gelegen in het projectgebied zoals aangegeven in bijlage 1, de technische uitvoerring slootvergraving.
De huidige watergang heeft een waterbergingscapaciteit van 64m3. De vergraven watergang heeft een waterbergingscapaciteit van 296 m3. Wat een extra waterbergingscapaciteit van 234 m3 oplevert.
Conclusie hemelwater
De voorkeur voor het infiltreren van hemelwater is hier niet mogelijk. Door kwelwater vanuit het Maas-Waalkanaal in combinatie met een lage K-waarde van de bodem infiltreert het water niet of te langzaam. 58
Het afvoeren van hemelwater op een al bestaande watergangen na overleg met het Waterschap
heeft hierdoor de voorkeur. Hiervoor voornemens om de watergang gelegen op eigen terrein te verbreden. Hiervoor is een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland.
Tenslotte worden geen uitlogende materialen zoals zink, koper of lood toegepast bij de bouw.
Ten behoeve van het afkaderen van het aspect water is er een watervergunning aanvraagd bij het Waterschap. Deze aanvraag is bijgevoegd in bijlage 3. Deze aanvraag is tezamen met de
landschappelijke inpassing (3 bijlagen) ingediend bij Waterschap Rivierenland. Het advies van het waterschap zal worden nagezonden. Uit telefonisch overleg met het Waterschap is gebleken dat de toegepaste handelwijze zoals hierboven weergegeven een juiste handelwijze is. Vanuit
waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen het initiatief.
Riolering
Bij de nieuwe ontwikkeling moet het afvalwater van het zorggebouw extra worden aangesloten op
de riolering. In het gebouw komen een tweetal toiletten, drie wastafels en een douche, huishoudelijke afvalwater van een omvang van 1 woning (zie onderstaande tekening). ¥
15000
x
he
P ta a=
RS, a*
Het huishoudelijk afvalwater zal aangesloten worden op het bestaande (druk)rioleringssysteem van de gemeente Heumen. Hieromtrent heeft overleg plaats gevonden tussen de gemeente Heumen en 59
D= OMG=VINGS ADVIS=URS initiatiefnemer. De noodzakelijke aanpassingen aan het stelsel met de bijbehorende kosten zijn met initiatiefnemer besproken en akkoord bevonden. Dit wordt als een civielrechtelijke verplichting vastgelegd en zodra het zorggebouw gebouwd wordt
zal de riolering aangepast worden en neemt initiatiefnemer neemt deze kosten voor zijn rekening, hiervoor is een anterieure overeenkomst gesloten.
Nutsvoorzieningen
Er zijn al 2 aansluitingen voor stroom aanwezig op het bedrijf. Het bedrijf wordt energieneutraal, de
offerte voor het leggen van zonnepanelen is reeds opgevraagd, en levert niet terug.
4.12
Milieueffetrapportage en vormvrije m.e.r. -beroordeling
Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het
opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten
die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beinvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:
1.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);
2.
Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;
3.
Plannen en activiteiten die 0.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als
MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober
2009 (HWJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 — Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen
m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een
kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een 60
m.e.r.(- beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig
bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij
wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke
hulpbronnen betreffen. 4.12.1 Situatie plangebied
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In de
onderhavige situatie is er sprake van de uitbreiding van een agrarisch bedrijf met een roundhouse, een zorgboerderij, recreatie en boerderijwinkel.
Het betreft de uitbreiding van het bestaande agrarisch bedrijf in het buitengebied met enkel gebouwen maar waar minder dieren worden gehouden dan reeds vergund middels een omgevingsvergunning uit 2016. Het aantal dieren wordt verkleind om de dieren te voorzien van een
ruimere huisvesting in het kader van dierwelzijn.
De beoordeling (vormvrij) van de milieueffecten zijn in deze toelichting verwerkt per paragraaf, zodat geen aparte rapportage per effect is opgesteld. De milieuaspecten leveren geen belemmeringen op. 4.12.2
Conclusie
Er kan worden geconcludeerd dat er in het betreffende plan wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen met vormvrije m.e.r. -beoordeling
4.13
Kabels en leidingen
Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen.
Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ont-snappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (ho-gedruk) transport van aardgas, maar ook van
olie, benzine, kerosine, chemische pro-ducten en industriéle gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen.
De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaam-heden. Denk
hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidigen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en 61
alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6.
Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor
de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. 4.13.1 Situatie plangebied
Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een
bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Besluit externe veiligheid buisleidingen
Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen
Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Verder ligt er geen hoogspanningslijn in de nabijheid van het plangebied. De kleinere leidingen
worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht.
62
5. Juridische aspecten en planverantwoording 5.1
—_Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het
maken van het juridische deel van dit plan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven
waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
5.2
Opzet regels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting
geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriéle Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd
dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar
stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het
bestemmingsplan. Dit wijzigingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het plan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Dit plan verklaard het moederplan "Buitengebied Heumen 2009" grotendeels