Bijlage II Motivering
Tekst van het document
de bestaande woning;
b.
de bouw van maximaal twee twee-onder-één-kap-woningen;
c.
aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten en/of bed&breakfast in hoofd- en bijgebouwen, met dien verstande dat:
d. 1.
maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de gebouwen tot een maximum van 100 m2 mag worden gebruikt;
2.
er geen detailhandel wordt uitgeoefend behoudens een beperkte verkoop in het klein van ter plaatse vervaardigde producten en direct in verband met de aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten;
3.
het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu en de agrarische bedrijfsvoering in de omgeving mag opleveren en geen afbreuk mag doen aan het karakter van de omgeving;
4.
er geen activiteiten mogen plaatsvinden die in de regel worden uitgeoefend op een industrieterrein of bedrijventerrein;
5.
het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans;
6.
er geen etalages en vitrines mogen zijn;
7.
er gelijktijdig niet meer dan twee medewerkers werkzaam mogen zijn; 30
Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
8.
er geen bedrijfsmateriaal buiten op het perceel opgeslagen mag worden;
9.
er geen activiteiten mogen plaatsvinden die vergunningplichtig of meldingsplichtig
zijn
krachtens
het
Bal
(voorheen
Wet
milieubeheer). met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. 1.2 Nadere detaillering bestemmingsomschrijving a. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van wonen - kinderdagverblijf aan huis’ is tevens een kinderdagverblijf aan huis toegestaan; b. In afwijking van artikel 1.1.d.1 geldt ter plaatse van de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van wonen - kinderdagverblijf aan huis’ deze oppervlakte als maximum voor een kinderdagverblijf aan huis. 1.3 Bouwregels 1.3.1 Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a.
het hoofdgebouw dient opgericht te worden binnen het bouwvlak;
b.
goothoogte maximaal 6 m;
c.
bouwhoogte maximaal 10 m;
d.
inhoud nieuwe woningen maximaal 800 m3 per woning;
e.
voor de bestaande woning geldt als maximale inhoud en goot- en bouwhoogte de bestaande inhoud en goot- en bouwhoogte;
f.
de voorgevel van het hoofdgebouw dient opgericht te worden ter plaatse van de aanduiding ‘gevellijn’.
1.3.2 Kelders zijn uitsluitend onder de woning en overige gebouwen toegestaan. 1.3.3 Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen uitgesloten – nieuwe oprichting geurgevoelige objecten’ mogen geen nieuwe geurgevoelige objecten (zoals mantelzorgwoning) worden gebouwd;
31 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
1.3.4 Bijgebouwen en overkappingen voldoen aan de volgende kenmerken: a.
afstand tot zijgevel van het hoofdgebouw maximaal 15 m dan wel de bestaande afstand;
b.
afstand tot achtergevel van het hoofdgebouw maximaal 25 m dan wel de bestaande afstand;
c.
gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 5 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel de bestaande afstand;
d.
gezamenlijke oppervlakte maximaal bij overige woningen 50 m2 dan wel de bestaande gezamenlijke oppervlakte;
e.
goothoogte maximaal 3 m;
f.
bouwhoogte maximaal 5 m.
1.3.5 Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal: a.
erf-
en
perceelsafscheidingen
vóór
(het
verlengde
van)
verlengde
van)
1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw 1 m; b.
erf-
en
perceelsafscheidingen
achter
(het
1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw 2 m; c.
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 m.
1.3.6 Herbouw van een woning is uitsluitend toegestaan op de bestaande locatie met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.3.1. 1.4 Afwijking van de bouwregels 1.4.1 erf- en terreinafscheidingen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 1.3.5 onder a voor het oprichten van naar de openbare weg gekeerde erf- en terreinafscheidingen tot een hoogte van maximaal 1.80 m, mits dit uit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is.
32 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
5 5.1
ASPECTEN MILIEU EN FYSIEKE LEEFOMGEVING
MILIEU In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante aspecten op het gebied van milieu en wordt bekeken of en in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bestaande en toekomstige bedrijvigheid om zodoende kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Doormiddel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen.
5.1.1
Bedrijven- en milieuzonering Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, en anderzijds milieugevoelige functies als (bedrijfs)woningen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, kinderopvang e.d. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009), die voor het eerst in 1986 verscheen en daarna een aantal malen is geactualiseerd, is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal aspecten de mate van ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandstap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Heumen, binnen het buurtschap Worsum. Op de locatie Worsumseweg 1 te Overasselt wordt de agrarische activiteit (varkenshouderij) beëindigd. De vergunningen voor de veehouderij worden ingetrokken. De diverse bedrijfsopstallen, eerder in gebruik voor het varkensbedrijf, worden gesloopt (circa 3.000 m2). De huidige bedrijfswoning en het karakteristiek bakhuis blijft behouden. De bedrijfswoning zal worden omgezet naar een burgerwoning en er worden twee twee-onder-één-kap woningen gerealiseerd. In de nabije omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven (melkrundveehouderijen), burgerwoningen en overige niet-agrarische functies, 33 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
zoals een loon-/grondverzetbedrijf en recreatieve functies zoals een camping, B&B’s en winkeltjes gelegen. Het plan betreft het beëindigen van de veehouderij, wat gepaard gaat met een afname in geur-, ammoniak- en fijnstof emissie vanuit de planlocatie. Daarnaast leidt het tot een afname van gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Dit alles leidt lokaal tot een beter woon- en leefklimaat voor de woningen in de directe omgeving. De woningen leiden niet tot en belasting op de omgeving. In het kader van de omgekeerde werking dient er wel gekeken te worden naar de omliggende functies/bedrijven. De nieuwe woningen dienen met betrekking tot de in de omgeving gelegen bedrijven op voldoende afstand te liggen opdat zij deze niet belemmeren in de bedrijfsvoering. In de directe omgeving van de planlocatie is aan de IJkelaarstraat 2 een melkveehouderij gevestigd. Achter op het perceel bij deze melkveehouderij wordt tevens een boerencamping met 50 kampeerplaatsen geëxploiteerd. Daarnaast bevindt zich aan de Worsumseweg 6 een melkveehouderij. Verder bevindt zich in de directe nabijheid van de planlocatie een loon-/grondverzetbedrijf aan de Worsumseweg 8 en een bouwbedrijf aan de Sleeburgsestraat 3b. In onderstaande tabel zijn per functie de minimaal gestelde afstanden conform de lijst van de VNG weergegeven.
Daarbij is aangegeven wat de afstand tussen het bouwvlak van de bedrijven en de nieuwe woningen zal zijn. Tabel 1 Richtafstanden bedrijvenen milieuzonering
Bedrijf Melkveehouderij (IJkelaarstraat 2) Boerencamping (IJkelaarstraat 2) Melkveehouderij (Worsumseweg 6) Loon/grondverzetbedrijf (Worsumseweg 8) Bouwbedrijf (Sleeburgsestraat 3b) Varkenshouderij (Valkstraat 28) Schapenhouderij (Kasteelsestraat 10a)
Afstand in meters Geur Stof Geluid
Gevaar
100
30
30
0
Afstand tot planlocatie 50
30
0
50
30
>50
100
30
30
0
>50
30
10
30
10
>250
10
30
50
10
>150
200
30
50
0
>600
50
30
30
0
>950
Aan de richtafstand voor geur tot de agrarische bedrijven aan de IJkelaarstraat 2 en de Worsumseweg 6 wordt niet voldaan. In navolgende paragraaf 5.1.4 wordt nader ingegaan op het aspect ‘geur’. Aangetoond wordt hierin dat voldaan wordt aan de minimale aan te houden afstand tot deze melkveehouderijen. Hierdoor worden de belangen van deze agrarische bedrijven niet geschaad. Anderzijds zullen de woningen geen hinder ondervinden van deze in de omgeving liggende agrarische functies en is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op grond van voorgaande kan geconcludeerd worden dat er op grond van bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor onderhavig plan. Er wordt voor de nieuwe woningen voldaan aan de benodigde afstanden tot omliggende functies. 34 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
5.1.2
Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
35 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Doorwerking plangebied Ten behoeve van de bouw van twee twee-onder-één-kap woningen op het perceel aan de Worsumseweg 1 is door Bodeminzicht een vooronderzoek NEN5725, een bodemonderzoek verdachte (deel)locaties NEN5740 en bodemonderzoek overige verdachte locatie NEN 5740 uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek beschreven. Dit onderzoek is tevens toegevoegd als bijlage. Conclusies en advies Vooronderzoek NEN5725
Uit het verrichte vooronderzoek zijn (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Het betreft de werkplaats met olie opslag, de spoelplaats en de bovengrondse dieseltank. In het kader van beëindiging van bedrijfsactiviteiten worden deze beschouwd als verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). In het kader van een functieveranderingbouw van woningen komt het overige terrein in aanmerking voor verkennend bodemonderzoek. Met het oog op het agrarische/bedrijfsmatige gebruik wordt het overige terrein beschouwd als verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE). Ter plaatse van de voormalige boomgaard wordt de bovengrond aanvullend onderzocht op OCB’s. De bodem ter plaatse van druppelzones van asbesthoudende daken zonder goot worden als verdacht beschouwd op aanwezigheid van asbest en PCB. De overige bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. Bodemonderzoek verdachte (deel-)locaties NEN5740
De aanwezigheid van de voormalige bovengrondse dieseltank, werkplaats en spoelplaats hebben niet geleid tot verhoogde gehaltes aan onderzochte stoffen in vaste bodem of grondwater. Bodemonderzoek overige verdachte locatie NEN5740
De ondergrond van meetpunt 30 is sterk verontreinigd met koper. Tevens is het bodemtraject 0,6 tot 0,8 m-mv verdacht op aanwezigheid van asbest in een concentratie boven de interventiewaarde. Bodemonderzoek druppelzones
Ter plaatse van de onderzochte druppelzones zijn geen gehaltes aan PCB’s, asbest en/of respirabele asbestvezels aangetoond in concentraties die aanleiding vormen voor bodemsanering of aanvullend onderzoek.
36 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Advies Ter plaatse van meetpunten 30 is een sterk verhoogd gehalte aan koper aangetoond. Geadviseerd wordt nader onderzoek te verrichten naar de ernst en omvang van deze verontreiniging conform NTA5755. Tevens is een stukje asbesthoudend materiaal aangetroffen in de bodemlaag 0,6 tot 0,8 m-mv. geadviseerd wordt verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 te verrichten op het terreindeel tussen de stallen 5 en 7. Het nader onderzoek en verkennend asbestonderzoek zal voorafgaand aan het onherroepelijk worden van de omgevingsplanactiviteit bouwen (ruimtelijk) worden uitgevoerd. Dit omdat het agrarisch bedrijf nog altijd in bedrijf is en de stallen bereikbaar moeten blijven. Zonder het pad (met in de bovenste laag beton), wat voor het nader onderzoek en verkennend asbestonderzoek opengehaald moet worden, is het niet mogelijk om bij de stallen te komen. 5.1.3
Lucht Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. Met name in aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden ten aanzien van PM10. Overasselt en de gemeente Heumen liggen echter niet binnen een aandachtsgebied als hiervoor bedoeld. Ook is de gemeente Heumen geen agglomeratie als bedoeld in artikel 2.38 Omgevingsregeling. Gemeente Heumen toetst aan luchtkwaliteit en de representatieve blootstelling als het initiatief in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. NIBM projecten De wet maakt namelijk onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren.
Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Besluit kwaliteitseisen leefomgeving geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor veehouderijen wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM situatie. Deze gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof. 37 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Goed woon en leefklimaat Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. Doorwerking plangebied Het plan draagt met de realisatie van 4 woningen NIBM bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de beëindiging van de varkenshouderij is juist sprake van een aanzienlijke verbetering van de luchtkwaliteit. Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2025 (gegevens 2023) de volgende waarden: Fijn stof PM10 14,14 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Fijn stof PM2,5 8,024 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Stikstof NO2 11,17 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. In het kader van het aspect ‘Luchtkwaliteit’ zijn er dan ook geen belemmeringen. 5.1.4
Geur De regels met betrekking geur staan in paragraaf 5.1.4.6 van het BKL. Deze regels zijn, tezamen met het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de regels van de bruidsschat het toetsings- en beoordeling kader voor geur bij omgevingsplanactiviteiten en wijzigingen van het omgevingsplan. Doorwerking plangebied In de bruidsschat van het Omgevingsplan Heumen is in artikel 22.101 tabel 22.3.12 opgenomen dat voor geur enkel een minimale aan te houden afstand van 50 meter aangehouden dient te worden ten aanzien van dieren zonder geurnormen, zoals melkvee en voor voormalige bedrijfswoningen en Ruimte-voor-Ruimte woningen ter plaatse van veehouderijen. Met onderhavige ontwikkeling is sprake van ruimtevoor-ruimte woningen. Er zijn in de directe omgeving enkele agrarische bedrijven gelegen waar aan getoetst dient te worden. Het bouwvlak van het agrarische bedrijf aan de IJkelaarstraat 2 (melkveehouderij) bevindt zich op een afstand van minimaal 50 meter ten opzichte van het bouwvlak van de dichtstbijzijnde nieuwe woning en tevens de huidige bedrijfswoning. De nieuwe woningen en de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning vormen dan ook geen belemmering voor dit agrarische bedrijf. Daarnaast bevindt zich aan de Worsumseweg 6 een melkveehouderij.
Het bouwvlak van het agrarisch bedrijf tot het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning en tevens de huidige bedrijfswoning bedraagt eveneens minimaal 50 meter. Overige agrarische bedrijven in de omgeving bevinden zich op ruim voldoende afstand, zoals de varkenshouderij aan de Valkstraat 28 (meer dan 600 meter), de rundvee/schapenhouderij aan de Kasteelsestraat 10a (950 meter), de varkenshouderij aan de Vosseneindseweg 50 (700 meter) en de rundvee/varkenshouderij aan de Garstkampsestraat 7 (900 meter). Concluderend 38 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
kan worden gesteld dat agrarische bedrijfsactiviteiten in de omgeving geen hinder zullen ondervinden van de realisatie van de woningen en de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning. Anderzijds is sprake van goed woon- en leefklimaat, aangezien voldaan wordt aan de minimale aan te houden afstand van 50 meter ten aanzien van het bouwvlak van de nieuwe woningen en (bedrijfs)woning tot het bouwvlak van nabijgelegen agrarische bedrijven. Er kan daarmee een goed woon- een leefklimaat ter plaatse gegarandeerd worden. Het aspect geur is daarmee geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.1.5
Gezondheid Voor toetsing van het aspect volksgezondheid bij initiatieven in relatie tot veehouderijen, wordt de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxinetoetsingskader 1.0’ gehanteerd. Door middel van dit toetsingskader wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het toetsingskader heeft alleen betrekking op pluim-vee- en varkenshouderijen. Binnen een straal van 250 meter liggen geen pluimvee- of varkenshouderijen. Het endotoxinetoetsingskader vormt daarmee geen belemmering. In het kader van het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonen-den’ is het tevens van belang of in de nabije omgeving van de locatie zich een geitenhouderij bevindt. Uit het rapport komt naar voren dat een ver-hoogde kans op longontsteking bestaat voor omwonenden in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. Binnen een afstand van 2 kilometer ten opzichte van de locatie zijn geen geitenhouderijen gelegen. De dichtstbijzijnde geitenhouderij aan de Wegelaar 1 te Balgoij bevindt zich op een afstand van meer dan 5 kilometer ten opzichte van de planlocatie. Het aspect ‘gezondheid’ vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.6
Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en specifieke activiteiten (windturbines etc.). In de Omgevingswet vormt geluid vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn regels via het Aanvullingsspoor geluid geïntegreerd in de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: 39 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Geluidsgevoelige gebouwen Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van bronnen afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl.
Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In een omgevingsplan is in de bruidsschat het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Doorwerking plangebied Wegverkeer De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom van Overasselt, aan de Worsumseweg en Heegseveldweg. Deze wegen vormen een 60 km/uur zone.
Voor de bouw van een woning in een 60 km/uur zone geldt dat een akoestisch onderzoek naar wegverkeer noodzakelijk is. Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. 40 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Conclusies en aanbevelingen Bespreking resultaten en aanbevelingen Op basis van de beschikbare verkeersgegevens is er een rekenmodel opgezet en is de gevelbelasting berekend als gevolg van de Worsumseweg, de Heegseveldweg, de IJkelaarstraat, de Garstkampsestraat, de Hamelbergstraat en de Sleebrugsestraat. Van deze wegen zijn de Worsumseweg, de Heegseveldweg, de IJkelaarstraat welke overloopt in de Garstkampsestraat, de Hamelbergstraat en de Sleebrugsestraat gelegen in een geluidaandachtsgebied, derhalve is de gevelbelasting afkomstig van bovenstaande wegen getoetst aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ter plaatse van de gevels van de beoogde twee-onder-één-kap woningen aan de Worsumseweg 1 te Overasselt bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de gemeentelijke wegen ten hoogste 50 dB. Derhalve wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Bespreking geluidsbelasting Bbl Binnen het Besluit bouwwerken leefomgeving, Artikel 4.103. is geregeld dat een waarde van 33 dB in de woning als gevolg van omgevingslawaai moet zijn gewaarborgd. Tevens wordt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, Artikel 4.102. vermeld dat de karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) voor woningen ten minste 20 dB dient te bedragen. De gezamenlijke geluidbelasting bij de beoogde twee-onder-één-kap woningen bedraagt ten hoogste 50 dB.
Om het binnenniveau met een waarde van 33 dB, volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, te waarborgen dient de benodigde gevelwering ten minste 17 dB bedragen. Bespreking goede ruimtelijke ordening Ter hoogte van de beoogde twee-onder-één-kap woning, welke zuidoostelijk in het gebied ligt, heerst een overwegend redelijke milieukwaliteit bij de buitenruimte gelegen tussen de weg en de voorgevel van de woningen. Verder heerst er een overwegend goede milieukwaliteit in de rest van het plangebied. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er overwegend sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden verondersteld, met in achtneming van bovenstaande opmerkingen dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Conclusie Ter plaatse van de gevels van de beoogde twee-onder-één-kap woningen aan de Worsumseweg 1 te Overasselt bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de gemeentelijke wegen ten hoogste 50 dB. Derhalve wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. De gezamenlijke geluidbelasting bij de beoogde twee-onder-één-kap woningen bedraagt ten hoogste 50 dB. Om het binnenniveau met een waarde van 33 dB, volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, te waarborgen dient de benodigde gevelwering ten minste 17 dB bedragen.
Ter hoogte van de beoogde twee-onder-één-kap woning, welke zuidoostelijk in het gebied ligt, heerst een overwegend redelijke milieukwaliteit bij de buitenruimte gelegen tussen de weg en de voorgevel van de woningen. Verder heerst er een overwegend goede milieukwaliteit in de rest van het plangebied. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er overwegend sprake is van een goed woon- en 41 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
leefklimaat. Hierdoor kan worden verondersteld, met in achtneming van bovenstaande opmerkingen dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Railverkeer In de directe omgeving is geen spoorlijn gelegen. Er is daarmee geen sprake van railverkeerslawaai. Industrielawaai Met de voorgenomen ontwikkeling worden 4 nieuwe woningen en daarmee geluidgevoelige objecten opgericht. Conform paragraaf 4.1.1 liggen de nieuwe woningen op voldoende afstand van omliggende bedrijven. Voldaan wordt aan de richtafstanden voor geluid tot omliggende bedrijven. Het aspect geluid zal geen belemmering zijn voor de planvorming. 5.1.7
Trillingen In paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Heumen zijn regels m.b.t. het aspect ‘trillingen’ opgenomen. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (Opa). Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Heumen. Doorwerking plangebied In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 2 twee-onder-één-kap woningen en omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning in het buitengebied van de gemeente Heumen. In de directe nabijheid van de planlocatie zijn geen bedrijven of andere activiteiten aanwezig welke in grote mate trillingen veroorzaken. Hiermee vormt het onderdeel ‘trillingen’ geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.1.8
Externe veiligheid Omgevingsveiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor omgevingsveiligheid bestaat onder meer uit instructieregels in afdeling 5.1.2 Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). De risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. 42 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied wordt vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De gemeenten moeten in die gebieden rekening houden met het risico van brand, explosie of gifwolken en bepalen in hun omgevingsplan de benodigde beschermende maatregelen binnen zo’n aandachtsgebied.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. De gemeente kan in een aandachtsgebied een deelgebied aanwijzen als voorschriftengebied. Dit betekent dat in een deelgebied in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied kan worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)
43 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Doorwerking plangebied Onderstaand is de planlocatie aan de Worsumseweg 1 te Overasselt binnen de risicokaart weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied niet aangeduid wordt als risicovolle inrichting.
Figuur 8 Uitsnede risicokaart Externe veiligheid, Worsumseweg 1 (rood omcirkeld).
Daarnaast is het plangebied niet gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour en invloedsgebied) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. De op afstand aangegeven locaties met een risicocontour zijn onder andere een tankstation (met lpg) en opslagtank bij Recreatiecentrum Heumens Bos. Het plangebied ligt op ruime afstand tot deze risicobronnen, namelijk meer dan 1.000 meter respectievelijk 750 meter. Daarnaast ligt op meer dan 950 meter afstand de Maas, waar vervoer van gevaarlijke stoffen op plaats kan vinden. Ook deze transportverbinding ligt op ruim voldoende afstand tot de planlocatie. Ten aanzien van externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen. 5.1.9
Kabels en leidingen Aangezien er met het initiatief bouwwerkzaamheden plaatsvinden en de bodem wordt geroerd, zal er voorafgaand aan de werkzaamheden een Klic-melding worden uitgevoerd om duidelijkheid te verkrijgen over de eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen.
5.2
WATER Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Vanwege dit belang moeten bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.
44 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
De Omgevingswet stelt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat bij het vaststellen van een omgevingsplan het waterbelang moet worden gewogen. Bij de totstandkoming van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Bij het wegen van het waterbelang wordt de waterbeheerder benaderd voor een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten die worden meegewogen zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. Het wegen van het waterbelang heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij het wegen van het waterbelang. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Aanleiding tot het opstellen van de waterparagraaf is het doorlopen van de watertoets ten behoeve van de voorgenomen planontwikkeling op onderhavige locatie.
Het doel van de waterparagraaf is een toelichting te geven op de waterhuishoudkundige aspecten van het plan en de benodigde informatie aan te leveren met betrekking tot de toekomstige berging en afvoer van hemelwater. De waterbeheerder voor de planlocatie is het waterschap Rivierenland. Beleid waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ opgesteld. Het programma beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.
De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Onderstaand een uitsnede van de legger. Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027 ‘Samen toekomstgericht en klimaatbestendig watersysteem’
werken
aan
een
De gemeente Heumen heeft het beleidsplan Water en Riolering 2023-2027 opgesteld. In dit beleid zet de gemeente haar ambities en doelen uit het GRP 20182022 voort en wordt invulling gegeven aan hun watertaken en zorgplichten. Uit de evaluatie is naar voren gekomen dat de gemeente goed op koers ligt, waardoor het niet nodig is om haar ambities te veranderen. Doel beleid Het (afval)watersysteem heeft de volgende belangrijke functies: -
Het beschermen van de volksgezondheid; 45
Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
-
Het schoonhouden van de bodem en het oppervlaktewater; Het verminderen van overlast en het voorkomen van schade door hevige regenval; Het voorkomen en beperken van structureel nadelige gevolgen van te hoge- of te lage grondwaterstanden.
Met dit beleid wil de gemeente ervoor zorgen dat deze functies gewaarborgd blijven, om op deze manier bij te dragen aan een veilige en gezonde leefomgeving nu en in de toekomst. De gemeente streeft naar integratie van de volgende vier waterstromen: -
Stedelijk afvalwater; Hemelwater (regenwater); Grondwater; Oppervlaktewater.
Hiermee wil de gemeente een duurzame toekomstgerichte en klimaat bestendige inrichting van de openbare ruimte behouden en realiseren. Voor wat betreft het huishoudelijk afvalwater in het buitengebied geldt dat deze op doelmatige wijze verwerkt moet worden. Voor het hemelwater geldt dat iedere perceeleigenaar zich bewust moet zijn van haar eigen verantwoordelijkheid voor het verwerken van het hemelwater op eigen terrein. Afvalwater en hemelwater moeten gescheiden ingezameld, afgevoerd en verwerkt worden. Ook moet rekening worden gehouden met klimaatadaptatie. Verder gaat bij het verwerken van het hemelwater de voorkeur uit naar een natuurlijke en bovengrondse verwerking (vasthouden in retentie of afvoer naar oppervlaktewater). In onderhavige situatie is dit het geval. Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de nieuwe woningen wordt gescheiden van het hemelwater. Het hemelwater afkomstig van de daken wordt vastgehouden en geborgen in de omliggende sloot op eigen terrein. Het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op een nieuw aan te leggen drukrioolunit. Ook worden klimaat adaptieve maatregelen getroffen, doordat onder meer sprake is van een forse afname van het verhard oppervlak in de nieuwe situatie. Hiermee is onderhavige ontwikkeling in lijn met de gestelde doelen en werkwijze in het beleidsplan Water en Riolering 2023-2027.
46 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Figuur 9 Uitsnede legger, Worsumseweg 1 (rood omcirkeld).
Doorwerking plangebied Bodem en grondwater Op de bodemkaart van Nederland is af te lezen dat de gronden binnen het plangebied bestaan uit kalkloze poldervaaggronden; zavel en lichte klei. Binnen het plangebied komt deels grondwatertrap IVu en deels grondwatertrap VIIo voor. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand ligt op 50 cm-mv respectievelijk 90 cm-mv. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand ligt op 116 cm–mv respectievelijk 151 cm– mv. Het maaiveld binnen het plangebied varieert. Waar bebouwing aanwezig is ligt het maaiveld variërend op circa 12,74 cm-mv tot circa 15,99 cm-mv. Buiten de aanwezige bebouwing in het plangebied ligt het maaiveld een stuk lager op circa 9,27 cm-mv tot circa 9,34 cm-mv. Oppervlaktewater De planlocatie grenst aan de noord-, oost- en zuidzijde aan een C-watergang. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of boringsvrije zone. Riolering Bij de bestaande bedrijfswoning binnen de planlocatie is reeds een drukriool aanwezig. Voor de nieuwe woningen zal een nieuwe drukrioolunit (moederkast) worden gerealiseerd. Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de vier nieuwe woningen zal hierop worden aangesloten. Klimaatadaptatie Klimaatadaptatie houdt in dat de samenleving zich aanpast aan het veranderende klimaat en de schadelijke gevolgen ervan probeert te beperken.
Het veranderde klimaat is al enige tijd zichtbaar door hittegolven, hoosbuien en droogte. Om schadelijke gevolgen van klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan, zijn bij ontwikkelingen klimaatadaptatiemaatregelen nodig. 47 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Met onderhavig plan wordt invulling gegeven aan klimaatadaptatie. Op de kaart van de klimaatatlas van Waterschap Rivierenland is af te lezen dat binnen het plangebied nauwelijks tot geen sprake is van risico op wateroverlast, wat tevens in de huidige situatie het geval is. Gezien de gronden binnen het plangebied bestaan uit kalkloze poldervaaggronden; zavel en lichte klei, is de bodem redelijk geschikt voor infiltratie. Met onderhavig plan is sprake van een forse afname van het verhard oppervlak. Het hemelwater afkomstig van het dakoppervlak van de nieuwe twee-onder-éénkap woningen zullen langzaam afgevoerd worden naar de aanwezige eigen sloot aan de noordoostzijde van het plangebied. Hierdoor wordt de bodem aangevuld met hemelwater. Ook kan hemelwater afkomstig van het dakoppervlak in een regenton opgevangen worden, waarbij het hemelwater hergebruikt kan worden in tijde van droogte voor het besproeien van de tuin, of kan een (regen)vijver (wadi) aangelegd worden in de nieuw aan te leggen tuin. Als deze sloot bij piekbuien vol loopt, zal het water afstromen in het omliggende groen. Binnen het plangebied is voldoende groen aanwezig. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast en wordt omgeven door veel groen in de vorm van tuin.
Gezien de flinke afname van het verhard oppervlak met de sloop van de stallen, er in de huidige situatie geen sprake is van wateroverlast en het plangebied omgeven wordt door veel groen en sloten, is het risico op wateroverlast bij piekbuien gering. Tevens wordt met onderhavig plan hittestress zoveel mogelijk tegengegaan door de aanleg van tuinen met voldoende groen (bomen en beplanting) bij de nieuwe tweeonder-één-kap woningen en/of de aanleg van groene daken om hittestress te beperken. Op basis van voorgaande kan gesteld wordt dat in voldoende mate ingespeeld wordt op klimaatadaptatie. In navolgende kopje ‘Ontwikkeling’ wordt nader ingegaan op de waterhuishouding in de nieuwe situatie. Ontwikkeling In onderhavige situatie is sprake van het realiseren van twee twee-onder-één-kap woningen. De nieuwe woningen zullen worden ontsloten middels de bestaande inrit aan de Worsumseweg, welke doorgetrokken zal worden naar de nieuwe tweeonder-één-kap woning aan de Worsumseweg. De twee-onder-één-kap woning aan de Heegseveldweg zal worden ontsloten middels de bestaande inrit, welke verplaatst zal worden. Door de sloop van de stallen zal met de bouw van de nieuwe woningen en de aanpassing van de verharding zoals de inritten, het verhard oppervlak in de nieuwe situatie fors afnemen. Zie onderstaande tabellen 1 en 2.
48 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Tabel 1 Verhard oppervlak huidige situatie
Tabel 2 Verhard oppervlak nieuwe situatie
Verhard oppervlak Huidige situatie 5 Stallen Garage / werkplaats Erfverharding bedrijfsbebouwing Totaal
Aantal m2
rondom
3.091 271,5 2.200 5.562,50
Verhard oppervlak Aantal m2 Nieuwe situatie 2 Twee-onder-één-kap woningen (2x300 600 m2) 4 Bijgebouwen (4x50 m2) 200 Erfverharding (incl. inrit, parkeerplaatsen 1.740 en terrassen) Nieuwbouw loods 120 Totaal 2.660 De bedrijfswoning en het bakhuisje worden in tact gelaten. Deze zijn dus niet meegenomen in de berekening van het verhard oppervlak. Uit de tabel is op te maken dat het verhard oppervlak door de ontwikkeling met 2.902,50 m2 zal afnemen. Er hoeft dan ook geen compensatie plaats te vinden. Het hemelwater afkomstig van het dakoppervlak van de nieuwe twee-onder-éénkap woningen en nieuwe loods zullen worden afgekoppeld op de aanwezige sloot (C-watergang) aan de noordoostzijde van het plangebied. Ook kan het hemelwater afkomstig van het dakoppervlak in een regenton opgevangen worden of een (regen)vijver aangelegd worden in de nieuw aan te leggen tuinen, waarbij het hemelwater hergebruikt kan worden in tijde van droogte voor het besproeien van de tuinen.
Figuur 10 Ligging sloot situatieschets
49 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
De sloot aan de noordoostzijde van het plangebied is door initiatiefnemer zelf in 1997 aangelegd als waterbergingsvoorziening, waarop in de huidige situatie het hemelwater afkomstig van de daken van de bestaande bedrijfsbebouwing wordt afgekoppeld. Bovendien zijn de achterliggende agrarische gronden in eigendom van initiatiefnemer. De sloot aan de noordoostzijde van het plangebied bevindt zich dan ook op eigen gronden. Initiatiefnemer heeft deze sloot in eigen beheer en onderhoud. Jaarlijks wordt door initiatiefnemer deze sloot onderhouden. Daarnaast loopt deze sloot verder door en parallel aan de Heegseveldweg. De bestaande inrit aan de Heegseveldweg zal in de nieuwe situatie worden verplaatst. Dit betekent dat de bestaande inrit zal komen te vervallen en de sloot hier weer doorgetrokken zal worden. Ter plaatse van de locatie voor de nieuwe inrit aan de Heegseveldweg zal de sloot op deze locatie gedempt moeten worden om hier verharding aan te brengen ten behoeve van de nieuwe inrit. Er wordt hiervoor een melding bij het waterschap ingediend. De sloot ter hoogte van de Heegseveldweg wordt jaarlijks onderhouden door de gemeente. De nieuwe woningen worden landschappelijk ingepast en worden omgeven door veel groen in de vorm van tuinen.
Voor het hemelwater wat valt op de nieuwe erfverharding (inrit, parkeerplaatsen, terrassen) is het van belang dat de erfverharding onder afschot (1%-0,5%) aangelegd wordt om een goede afstroming van het hemelwater te bevorderen en/of kan gebruik gemaakt worden van halfverharding of waterpasserende verharding. Het hemelwater wat valt op de erfverharding (inrit, parkeerplaatsen, terrassen) zal langzaam afvloeien in het groen/tuin. Het afgekoppelde hemelwater dient aan de kwaliteitseisen te voldoen. Om verontreinigingen te voorkomen mogen geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Voor de beoogde ontwikkeling is ook het digitale wateradvies/watertoets uitgevoerd (zie bijlage). Hieruit blijkt dat er sprake is van gering waterschapsbelang. Deze hebben met name betrekking op hemelwaterafvoer. Gezien sprake is van een forse afname van het verhard oppervlak, in de huidige situatie het hemelwater afkomstig van de bedrijfsbebouwing ook al afgekoppeld wordt op de sloot en geen sprake is van wateroverlast, kan gesteld worden dat de hemelwaterafvoer afkomstig van de nieuwe woningen en loods op de eigen sloot naar verwachting zonder problemen zal verlopen. De waterschapsbelangen vormen geen belemmering voor de voortgang van het plan.
Zoals hiervoor aangegeven zal ter plaatse van de locatie voor de nieuwe inrit aan de Heegseveldweg de sloot op deze locatie gedempt moeten worden om hier verharding aan te brengen ten behoeve van de nieuwe inrit. Er wordt hiervoor een melding bij het waterschap ingediend. Samenwerking met waterbeheerder De ruimtelijke onderbouwing is door de gemeente Heumen voorgelegd aan het waterschap Rivierenland. 50 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
5.3
NATUUR Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het plangebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming.
5.3.1
Gebiedsbescherming In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen zijn geïmplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van Natura 2000-gebieden van belang. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, ed. Doorwerking plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 7,5 kilometer afstand, Natura 2000-gebied Sint Jansberg. Voor de beoogde ontwikkeling is een Aerius-berekening uitgevoerd. De totale depositie van de aanlegfase evenals de gebruiksfase is kleiner dan 0,00 mol per hectare per jaar. Het aspect stikstofemissie is geen belemmering voor het plan. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zal het voorgenomen initiatief op deze locatie ook anderszins niet leiden tot negatieve effecten op de gebiedsbescherming. Concluderend kan gesteld worden dat de ontwikkeling van de twee-onder-één-kap woningen niet zal leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten in de omgeving.
Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: ecologische hoofdstructuur (EHS)). De NNN is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter) nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten.
51 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Figuur 11 Ligging Worsumseweg 1 (blauwe cirkel) ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk
De locatie waar de nieuwe twee-onder-één-kap woningen zijn gesitueerd zijn op een afstand van circa 110 meter gelegen van het Gelders Natuurnetwerk. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot versnippering of oppervlakteverlies van dit groen. 5.3.2
Soortenbescherming De Omgevingswet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen, is het verplicht de resterende schade te compenseren. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling is sprake van de bouw van twee twee-onder-éénkap woningen in het agrarisch bouwvlak aan de Worsumseweg 1 te Overasselt. In ruil voor beëindiging van het agrarisch bedrijf en de sloop van agrarische bebouwing mogen twee twee-onder-één-kap woningen worden gerealiseerd. Voor onderhavige ontwikkeling is een quickscan Flora en Faunaonderzoek uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. In het onderzoek wordt de volgende conclusie getrokken. Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Omgevingswet, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2.
Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 52 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloopwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing.
De specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) blijft onverminderd van toepassing. Het aspect natuur is geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
5.4
CULTUURHISTORIE Ruimtelijke plannen dienen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. De planlocatie is gelegen binnen een landschap wat wordt gekenmerkt als “rivierterrasontginning op hogere plateaus”. Binnen het vigerende tijdelijk deel omgevingsplan gemeente Heumen is het mogelijk om cultuurhistorische waarden in omgevingsplannen te beschermen. De bestaande langgevelboerderij op de planlocatie, is nader aangeduid met betrekking tot het beschermen van cultuurhistorische waarden als historische nederzettingslocatie. In onderstaande uitsnede van de Cultuurhistorische waardenkaart Heumen wordt dit duidelijk. Deze boerderij blijft behouden.
53 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt
Figuur 12 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Heumen
Het bakhuisje op het perceel is als beeldbepalend/karakteristiek pand aangemerkt. Het bakhuisje blijft behouden. Buiten dat het plangebied cultuurhistorische waarde heeft zijn er in de omgeving ook nog verschillende cultuurhistorische elementen gelegen, zoals historische nederzettingslocaties waaronder boerderijen en beeldbepalende / karakteristieke panden. De gewenste planvorming heeft geen negatief effect op cultuurhistorische waarden, doordat de bestaande langgevelboerderij en het bakhuisje op het perceel geheel in tact gelaten worden en de nieuwe woningen op afstand liggen van deze boerderij en omliggende beeldbepalende / karakteristieke panden.
5.5
ARCHEOLOGIE Archeologische waarden dienen bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen expliciet meegewogen te worden en waar mogelijk worden ontzien. Archeologisch erfgoed dient bij uitgangspunt te worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. In gebieden met een hoge en middelhoge indicatieve verwachting dient in principe een verkennend booronderzoek te worden uitgevoerd. Binnen het vigerende tijdelijk deel omgevingsplan gemeente Heumen ligt op de planlocatie een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Ook op de ‘Archeologische waarden- en verwachtingskaart Gemeente Heumen’ is af te lezen dat het plangebied is aangemerkt als een terrein van hoge archeologische waarde. Onderstaande figuur laat een uitsnede zien van de archeologische waardenen verwachtingskaart. In artikel 29.2.1 van het vigerende tijdelijk deel omgevingsplan is opgenomen dat voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2 een rapport overlegd moet worden, waarin de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate is vastgesteld. In artikel 29.2.3 is opgenomen dat het overleggen van een rapport niet nodig is, indien wordt aangetoond dat de grond dieper dan 40 cm is gewoeld. 54 Motivering Bopa Worsumseweg 1 Overasselt