Bijlage II Concept NRD planMER RES 2.0 Groene Metropoolregio
Tekst van het document
Tabel 3.3 Harde belemmeringen zon (nee) Nr.
Aspect
Afstand
Status
1
panden
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
2
hoogspanning
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
3
rijkswegen
13 m
fysieke belemmering
4
provinciale wegen
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
5
rijksmonumenten
begrenzing op kaart
Erfgoedwet
6
spoorlijn
5m
fysieke belemmering
7
woningen
40 m
kwetsbaar object
8
buisleidingen
5m
fysieke belemmering
9
hoofdvaarwegen
begrenzing op kaart
fysieke belemmering
10
weidevogelgebied
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland
Tabel 3.4 Zachte belemmeringen zon (nee, tenzij, of ja, mits) Nr.
Aspect
Afstand
Status
1
waterwingebied
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
2
groene ontwikkelingszones
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (ja, mits)
3
stiltegebied
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
4
molenbiotopen
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
27 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Nr.
Aspect
Afstand
Status
5
historische buitenplaatsen
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
6
Romeinse Limes
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (ja, mits)
7
Nieuwe Hollandse Waterlinie
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (ja, mits)
8
waardevol open gebied
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (ja, mits)
9
Nationale landschappen
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (ja, mits)
10
Gelders natuurnetwerk
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
11
Natura 2000
begrenzing op kaart
Wet natuurbescherming
12
ganzenrustgebieden
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
3.5
Stap 2: ontwikkeling reële alternatieven
Doel, proces en resultaat Stap 2 bestaat uit het ontwikkelen van reële alternatieven. Met alternatieven laten wij zien op welke verschillende manieren de opgave voor grootschalige opwek kan worden ingevuld en brengen we de milieueffecten in beeld. Op deze manier onderzoeken we of er alternatieven zijn die mogelijk minder nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Stap 2 heeft tot doel om positief en negatief sturende criteria te definiëren en op basis daarvan de reële alternatieven te ontwikkelen. In het planMER onderzoeken en beoordelen we de milieueffecten van deze reële alternatieven. Hierbij geldt dat alleen voor de energietechnieken (wind- en zonne-energie) alternatieven worden ontwikkeld. Voor warmtebronnen geldt vanwege de lokale milieueffecten een meer generieke beoordeling (zie hoofdstuk 6). Sturende criteria Op basis van de effectanalyses die in stap 2 zijn uitgevoerd en het participatieproces, worden sturende criteria in beeld gebracht. Dit zijn criteria die voorkeuren aangeven (positief sturende criteria) of gebieden juist minder wenselijk maken (negatief sturende criteria). De sturende criteria volgen uit de RES 1.0, het participatieproces met bestuurders, ambtenaren en regionale stakeholders, maar ook uit een quickscan natuur die in het kader van deze NRD is uitgevoerd.
Ontwikkeling van reële alternatieven De uitgangspunten in de RES 1.0 en de resultaten van het participatieproces en quickscan natuur geven inzicht in de positief en negatief sturende criteria op basis waarvan reële alternatieven ontwikkeld kunnen worden. Elk alternatief is daarbij gebaseerd op een leidend (ontwerp)principe.
3.6
Stap 3: effectenonderzoeken alternatieven
Doel, proces en resultaat In deze stap onderzoeken en beoordelen we de milieueffecten van de alternatieven. Doel is om op basis daarvan de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven in beeld te brengen. Het planMER ondersteunt daarmee vanuit de milieuaspecten overleggen en discussies binnen de regio over de (on)wenselijkheid van bepaalde keuzes. Daarnaast wordt in deze stap een expliciete koppeling gemaakt tussen de resultaten van het planMER en de RES 1.0 kaart (inclusief de aanvullende verkenningsgebieden wind, zie afbeelding 3.4). In deze stap zullen vanuit milieuperspectief de zoek- en verkenningsgebieden gebieden uit de RES 1.0 mogelijk worden herbevestigd, of worden randvoorwaarden of aandachtspunten voor deze gebieden meegegeven. Daarnaast brengt deze stap in beeld of er andere gebieden geschikt zijn voor de ontwikkeling van wind- en zonne-energie.
28 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 3.4 Aanvullende verkenningsgebieden wind. Als ook deze verkenningsgebieden met windturbines worden ingevuld, is het potentieel mogelijk om een verhouding van 18 % wind en 82 % zon te realiseren
Effectanalyses alternatieven De alternatieven worden beoordeeld aan de hand van een beoordelingskader. De wijze van beoordeling is beschreven in hoofdstuk 4 van de voorliggende NRD. Hierbij wordt, indien van toepassing, rekening gehouden met bestaande (milieu-)onderzoeken. Gevoeligheidsanalyses De gevoeligheidsanalyses hebben als doel om de zoekgebieden voor wind en zon die voortkomen uit het planMER in perspectief te plaatsen van de RES 1.0 en het energiesysteem van de regio. De volgende gevoeligheidsanalyses zijn in het planMER voorzien: 1 validatie zoekgebieden uit de RES 1.0 en aanvullende verkenningsgebieden wind: in deze analyse wordt beschouwd in hoeverre de zoekgebieden en de verkenningsgebieden uit de RES 1.0 vanuit milieuperspectief uitvoerbaar zijn en of daarbij maatregelen en/of randvoorwaarden gelden om deze gebieden geschikt te maken; 2 analyse netcongestie (input van regio en netbeheerder Liander): in deze analyse worden aandachtspunten vanuit netcongestie toegelicht. Hieruit kunnen voorkeuren volgen voor de verhouding tussen wind- en zonne-energie. De milieueffecten van de benodigde energie infrastructuur worden niet onderzocht, omdat deze voor de aansluiting van energieprojecten enkel tijdelijk van aard zijn. Randvoorwaarden Met name voor windenergie gelden vanuit milieu vaak randvoorwaarden waaraan het voornemen moet voldoen.
Randvoorwaarden hebben bijvoorbeeld betrekking op de landschappelijke inpassing van een project.
29 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
4 VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN In dit hoofdstuk zijn de kansen- en belemmeringenkaarten te vinden en worden de alternatieven uitgewerkt voor wind- en zonne-energie.
4.1
Het voornemen
Het planMER helpt om de milieueffecten van de mogelijke invullingen van het bod van 1,62 TWh uit RES 1.0 inzichtelijk te maken. Zo brengt het planMER de gevolgen voor onder meer het landschap, de natuur en de leefomgeving in beeld. Door een planMER op te stellen, krijgt de regio inzicht in de keuzemogelijkheden voor de RES 2.0 en kunnen verschillende belangen tegen elkaar worden afgewogen. Alle overheden in de regio kunnen die milieu-informatie later hergebruiken bij haar eigen planprocedures. Het planMER gaat alleen in op de onderdelen warmte en duurzame elektriciteit uit de RES 1.0. Dit zijn de onderdelen die de grootste ruimtelijke impact hebben. De milieueffecten door bijvoorbeeld besparing of de verduurzaming van mobiliteit zijn klein of hebben zelfs louter positieve effecten op het milieu. Voor duurzame elektriciteit en warmte beschrijft het planMER de milieueffecten die van invloed zijn op de locatiekeuze en/of op de keuze voor een bepaalde energie- of warmtetechniek. De volgende technieken voor de opwek van duurzame elektriciteit vallen binnen de scope van het planMER: - wind op land; - zon op land. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de mogelijkheden voor de ontwikkeling van verschillende typen warmtebronnen. Waterkracht is geen onderdeel van het planMER.
Hoewel bij de ontwikkeling van waterkracht milieueffecten worden verwacht, zijn de mogelijkheden voor waterkracht in de regio beperkt. Hierdoor is een vergelijking van locaties binnen de regio niet goed mogelijk. Zon op dak buiten scope van het planMER De effecten van zon op dak worden in het planMER niet nader onderzocht. Voor deze ontwikkelingen worden bestaande daken gebruikt, waardoor de milieueffecten en ruimtelijk gebruik beperkt zijn. Milieueffecten zijn daarom naar verwachting niet doorslaggevend voor de haalbaarheid van zon op dak. De mate waarin zon op dak wordt toegepast, is wel van invloed op het benodigde oppervlak wind en zon op land. In het planMER wordt daarom uitgegaan van een opwek van 0,49 TWh door zon op dak, zoals benoemd in de RES 1.0. Criteria windturbines en zonnevelden Voor de vertaling van de kansen- en belemmeringenkaarten naar de kaarten met alternatieven, gelden een aantal randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden bepalen de technische ruimte van het speelveld in het planMER. De toegepaste criteria borgen een goede ruimtelijke ordening en voorkomen dat windturbines en zonnevelden als confetti over de regio worden verspreid. Dit sluit aan bij de ruimtelijke afspraken in de RES 1.0.
30 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Referentieturbines Voor windenergie worden 2 turbinetypen onderzocht (zie afbeelding 4.1): 1 operationele windturbines (circa 3,6 MW) met een ashoogte van 120 m en een rotordiameter van 117 m; 2 innovatieve windturbines (circa 7,0 MW) met een ashoogte van 166 m en een rotordiameter van 160 m.
Afbeelding 4.1 Referentieturbines
3,6 MW Turbine
7,0 MW Turbine
De referentieturbines geven samen een realistische bandbreedte aan mogelijke windturbines weer. Anno 2022 is enerzijds een windturbine op land kleiner dan 120 m ashoogte en een turbinevermogen van minder dan circa 3,6 MW niet realistisch. Dit komt onder andere vanwege het vervallen van de SDE-subsidie. Anderzijds is een windturbine op land met een ashoogte hoger dan 166 m en een tiphoogte van meer dan 246 m richting 2030 de bovengrens. Grotere windturbines (in omvang en vermogen) worden momenteel enkel gerealiseerd op zee, mede vanuit toenemende omgevingseffecten (geluid, slagschaduw, visuele verstoring) naarmate de windturbine in hoogte toeneemt. Definitie windpark In het planMER passen wij de volgende criteria toe voor het ontwikkelen van alternatieven voor windenergie: - een nieuw windpark bestaat uit minstens: ꞏ 2 windturbines bij een lijnstelling; ꞏ 3 windturbines voor een geclusterde opstelling; - nieuwe losstaande (solitaire) windturbines worden alleen onderzocht als deze aansluiten bij een bestaand windpark; - uitbreiding van bestaande windparken gebeurt alleen met windturbines met dezelfde hoogte om een rommelig beeld (beeldinterferentie) te voorkomen. Definitie zonnevelden In het planMER passen wij de volgende criteria toe voor het ontwikkelen van alternatieven voor zonnevelden: - een zonneveld heeft een vermogen van meer dan 2 MW.
Dit ligt in lijn met de afspraken in de RES 1.0; - er wordt, tenzij anders vermeld, uitgegaan van zonnevelden met een zuidoriëntatie, vanwege een groter ruimtebeslag voor dezelfde hoeveelheid energie-opwek in vergelijking met een oost-west oriëntatie (zie afbeelding 1.1). Op die manier berekenen we de benodigde ruimte op een ‘veilige’ manier, op projectniveau kan het ruimtebeslag dan minder zijn; - er wordt uitgegaan van multifunctionele zonnevelden (zonneveld gecombineerd met andere functies) vanwege het uitgangspunt van koppelkansen en dubbel ruimtegebruik in de RES 1.0, en de zonnebrief van minister Jetten1; 1
Kamerbrief over rol zonne-energie in energietransitie, d.d. 20 mei 2022.
31 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
-
voor ieder een opgesteld vermogen van 1 MW wordt uitgegaan van een bandbreedte tussen 1,0 hectare en 1,5 hectare benodigd oppervlakte. Met de 1,0 hectare per 1 MW sluiten we aan bij huidige zonprojecten, door ook 1,5 hectare per 1 MW te onderzoeken, bieden we meer ruimte voor combinaties van functies. Het minimum opgesteld vermogen van 2 MW blijft onverminderd het uitgangspunt.
4.2
Stap 1: Kansen- en belemmeringenkaarten
Afbeelding 4.2 Stappenplan, stap 1
Stap 0: startpunt en uitgangspunten onderzoeken planMER
Stap 1: kansen- en belemmeringenkaart en
Stap 2: ontwikkeling reële alternatieven
Stap 3: effectenonderzoeken reële alternatieven
Kansen en belemmeringenkaart windturbine operationeel Afbeelding 4.3 toont de harde belemmeringen voor een operationele windturbine (120 m ashoogte). De toegepaste harde belemmeringen zijn toegelicht in tabel 3.1 in paragraaf 3.4. Op afbeelding 4.4 zijn de zachte belemmeringen, zoals benoemd in tabel 3.2 in paragraaf 3.4 opgenomen. Afbeelding 4.5 is een kansen- en belemmeringenkaart voor een operationele windturbine (120 m). Deze kaart toont de gebieden die geschikt, mogelijk geschikt zijn en niet geschikt zijn voor de ontwikkeling van windturbines met een ashoogte van 120 m. Hierbij worden gebieden die samenvallen met harde belemmeringen beschouwd als niet geschikt. De gebieden waar zachte belemmeringen van toepassing zijn, zijn aangemerkt als mogelijk geschikt. De resterende gebieden zijn geclassificeerd als geschikt.
Afbeelding 4.3 Operationele windturbine (120 m) met harde belemmeringen
32 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 4.4 Operationele windturbine (120 m) met zachte belemmeringen
Afbeelding 4.5 Kansen- en belemmeringenkaart operationele windturbine (120 m)
Kansen en belemmeringenkaart windturbine innovatief Afbeelding 4.6 toont de harde belemmeringen voor een innovatieve windturbine (166 m ashoogte). De toegepaste harde belemmeringen zijn toegelicht in tabel 3.1 in paragraaf 3.4. Op afbeelding 4.7 zijn de zachte belemmeringen, zoals benoemd in tabel 3.2 in paragraaf 3.4 opgenomen.
33 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 4.8 is een kansen- en belemmeringenkaart voor een innovatieve windturbine (166 m). Deze kaart toont de gebieden die geschikt, mogelijk geschikt zijn en niet geschikt zijn voor de ontwikkeling van windturbines met een ashoogte van 166 m. Hierbij worden gebieden die samenvallen met harde belemmeringen beschouwd als niet geschikt. De gebieden waar zachte belemmeringen van toepassing zijn, zijn aangemerkt als mogelijk geschikt. De resterende gebieden zijn geclassificeerd als geschikt.
Afbeelding 4.6 Innovatieve windturbine (166 m) met harde belemmeringen
34 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 4.7 Innovatieve windturbine (166 m) met zachte belemmeringen
Afbeelding 4.8 Kansen- en belemmeringenkaart innovatieve windturbine
35 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Kansen en belemmeringenkaart zon op land Afbeelding 4.9 toont de harde belemmeringen voor zonnevelden, zoals toegelicht in paragraaf 3.4 (tabel 3.3). Op afbeelding 4.10 zijn de zachte belemmeringen voor zonnevelden weergegeven (zie tabel 3.4, paragraaf 3.4). Afbeelding 4.10 is een kansen- en belemmeringenkaart voor zonnevelden. Deze kaart toont welke gebieden op basis van harde en zachte belemmeringen geschikt, mogelijk geschikt zijn en niet geschikt zijn voor de ontwikkeling van zonnevelden. Hierbij worden gebieden die samenvallen met harde belemmeringen beschouwd als niet geschikt. De gebieden waar zachte belemmeringen van toepassing zijn, zijn aangemerkt als mogelijk geschikt. De resterende gebieden zijn geclassificeerd als geschikt.
Afbeelding 4.9 Zon met harde belemmeringen
36 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 4.10 Zon met zachte belemmeringen
Afbeelding 4.11 Kansen- en belemmeringenkaart zon
37 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
4.3
Stap 2: ontwikkeling reële alternatieven
Afbeelding 4.12 Stappenplan, stap 2
Stap 0: startpunt en uitgangspunten onderzoeken planMER
Stap 1: kansen- en belemmeringenkaart en
Stap 2: ontwikkeling reële alternatieven
Stap 3: effectenonderzoeken reële alternatieven
Sturende criteria voortkomend uit werksessies en quickscan natuur Op basis van de effectanalyses die in stap 2 zijn uitgevoerd, worden sturende criteria in beeld gebracht. Dit zijn criteria die voorkeuren aangeven (positief sturende criteria) of gebieden juist minder wenselijk maken (negatief sturende criteria). De sturende criteria volgen uit het participatieproces met bestuurders, ambtenaren en regionale stakeholders en een quickscan natuur. Ontwikkeling van reële alternatieven De resultaten van het participatieproces en de quickscan natuur geven inzicht in de positief en negatief sturende criteria op basis waarvan reële alternatieven ontwikkeld kunnen worden. Elk alternatief is daarbij gebaseerd op een leidend (ontwerp)principe: - alternatief RES 1.0: een alternatief dat uitgaat van de zoekgebieden uit de RES 1.0; - alternatief Leefomgeving: een alternatief met zo min mogelijk effecten op de leefomgeving; - alternatief Landschap: een alternatief met zo min mogelijk landschappelijke impact; - alternatief Natuur: een alternatief met zo min mogelijk ecologische impact; - alternatief Energiesysteem: een alternatief met een zo evenwichtig mogelijke verdeling (50/50 %) tussen wind- en zonne-energie (vanuit netcongestie en de stabiliteit van het energieaanbod).
Alternatief RES 1.0 Het alternatief RES 1.0 onderzoekt de milieueffecten van de zoekgebieden voor wind en/of zon die in de RES 1.0 zijn aangewezen (afbeelding 4.16). De in de RES 1.0 benoemde uitgangspunten gelden als de uitgangspunten voor het alternatief. Door de RES 1.0 als basisalternatief op te nemen kunnen de milieueffecten van de andere vier alternatieven goed worden vergeleken met de zoekgebieden uit de RES 1.0.
38 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 4.16 Zoekgebieden uit RES 1.0
Alternatief Leefomgeving Het alternatief Leefomgeving heeft als doel zoekgebieden voor wind en zon te definiëren die zoveel mogelijk rekening houden met de leefomgeving. Om kansrijke gebieden voor wind en zon te definiëren die aansluiten bij het doel van dit alternatief, vermijdt dit alternatief gebieden die vanuit geluidhinder, slagschaduw en externe veiligheid potentieel zorgen voor hinder voor bewoners en gebruikers in het gebied. Gebieden die worden vermeden in dit alternatief, naast de harde belemmeringen voor wind en zon, zijn de volgende: - externe veiligheid: rijkswegen, spoorwegen hoofdwaterwegen, waterkeringen, buisleidingen, BRZObedrijven en inrichtingen; de gebruikers van de infrastructuur en bedrijven worden hiermee extra beschermd; - geluidhinder: de 45 dB Lden contour1 rond alle woningen en de contouren van de bestaande geluidbelasting boven de 63 dB Lden2 vanuit het cumulatieve geluidniveau (data toegepast van Atlas voor Leefomgeving); - stiltegebieden.
Sturende criteria Leefomgeving De volgende principes zijn leidend voor het alternatief Leefomgeving: - windturbines worden zo ver weg mogelijk van woningen gerealiseerd; - rekening houden met bestaande geluidbelasting om extra geluidhinder te beperken; - er wordt maximaal rekening gehouden met de veiligheidscontouren; - er wordt rekening gehouden met windturbines met een ashoogte van 166 m, deze brengen de grootste hindercontouren in beeld.
1
Deze 45 dB Lden contour (in dit geval 530 m afstand in plaats van 385 m afstand bij 47 dB Lden) hangt samen met de uitspraak Raad van State met betrekking tot de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit. De 45 dB Lden is een advieswaarde van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie). Paragraaf 5.5 bevat een toelichting over hoe wij hiermee omgaan in het planMER.
2
De 63 dB Lden volgt uit het Actieplan Geluid 2018-2022 van de provincie Gelderland en wordt gezien als plandrempel. Bij deze waarde is vanuit gezondheidskundig oogpunt de kwalificatie ’onvoldoende‘ van toepassing volgens de methodiek ’Gezondheidseffectscreening’.
39 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 4.13 toont de gebieden die overblijven als bovengenoemde gebieden vermeden worden. De overgebleven gebieden vormen samen het alternatief Leefomgeving.
Afbeelding 4.13 Alternatief Leefomgeving
Alternatief Landschap Het alternatief Landschap heeft als doel zoekgebieden voor wind en zon te definiëren die zoveel mogelijk rekening houden met de landschappelijke waarden. Om kansrijke gebieden voor wind en zon te definiëren die aansluiten bij het doel van dit alternatief, wordt in dit alternatief aangesloten bij de bouwstenen die zijn vastgelegd in voorliggende landschapsanalyses. Voor het Gelders landschap en de RES 1.0 zijn diverse landschapsanalyses uitgevoerd. In het alternatief Landschap worden deze analyse optimaal benut door de landschappelijke bouwstenen te vertalen naar principes voor zoekgebieden voor wind en zon. Het alternatief Landschap baseert zich op: - de landschapsanalyse voor Regionale Energiestrategie 1.0 (H+N+S): in het kader van de RES 1.0 zijn ruimteateliers georganiseerd. Het resultaat van de ruimteateliers zijn kaarten (modellen) met geschikte potentiële zoekgebieden voor zon en wind met een landschappelijke inpassing. Hiervoor heeft H+N+S per landschapstype bouwstenen ontwikkeld voor de inpassing van wind en zon; - Gelderse Streekgidsen: samen met Gelderse gemeenten heeft de provincie Gelderland voor elke streek in Gelderland een streekgids landschap ontwikkeld. In deze 11 gidsen staan de kwaliteiten van het landschap per streek.
In het alternatief Landschap is het doel om rekening te houden met deze kwaliteiten bij het verkennen van zoekgebieden voor wind en zon; - ZonneWIJzer, Gelderse gebiedsgids voor zonnevelden (Gelders Energieakkoord, 20191): de ZonneWIJzer is een handreiking met aanbevelingen om tot een goed ontwerp van een grond- of watergebonden zonneveld te komen. De ZonneWIJzer geeft handvatten voor een goede ruimtelijke inpassing, rekening houdend met landschappelijke karakteristieken. Ook maakt de ZonneWIJzer 1
https://www.geldersenergieakkoord.nl/downloads/KC-001-1_GelderseZonneWijzer_v15.pdf.
40 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
mogelijke functiecombinaties inzichtelijk, zoals gecombineerde functies met agrarisch grondgebruik, waterberging en/of recreatie. Sturende criteria landschap Model 3 uit de landschapsanalyse voor de RES 1.0 (door H+N+S) is een resultaat van de ruimteateliers waarin de verschillende landschapstypen in de regio gebruikt zijn om de energietransitie te structureren. Het alternatief Landschap wordt ontwikkeld op basis van leidende principes die zijn toegepast in dit model. Afbeelding 4.13 toont Model 3. Dit model zal in het planMER verder worden uitgewerkt op basis van een landschapsanalyse, waarbij de bovengenoemde 3 onderzoeken worden gecombineerd tot een alternatief Landschap voor de RES-regio Arnhem Nijmegen. De volgende principes zijn leidend voor het alternatief Landschap en zullen nader worden uitgewerkt in het planMER: - windturbines en zonnevelden langs bestaande infrastructuur; - zonnevelden rondom de bestaande gebouwde omgeving; - zonnevelden in combinatie met waterberging en natuur; - windturbines in nieuwe open plekken van natuur; - zonnevelden in natuurgebiedsranden.
Afbeelding 4.13 Model 3 - Onderscheidende landschappen - indicatie alternatief landschap (H+N+S)
Alternatief Natuur Het alternatief Natuur heeft als doel zoekgebieden voor wind en zon te definiëren die rekening houden met de meest waardevolle gebieden vanuit het thema natuur. Om kansrijke gebieden voor wind en zon te definiëren die aansluiten bij het doel van dit alternatief, worden in het alternatief de volgende gebieden vermeden: - alle Natura 2000-gebieden;
41 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
-
-
alle GNN-gebieden (voor windenergie geldt een uitzondering voor de gebieden die in de provinciale Omgevingsverordening zijn opgenomen als ‘Gelders natuurnetwerk windturbines onder voorwaarden mogelijk’); een zone van 8 km rondom Natura 2000-gebied de Veluwe om verstoring van het leefgebied van de wespendief tegen te gaan (alleen wind); weidevogelgebieden; Groene ontwikkelingszones; verstoringszones rondom Natura 2000-gebieden en GNN-gebieden (alleen voor wind); ganzenrustgebieden.
Voor de natuurgebieden geldt ten aanzien van windenergie dat rekening is gehouden met het voorkomen van overdraai. Hiervoor is ½ rotordiameter afstand aangehouden. Gebieden met beschermde soorten niet uitgesloten in alternatief natuur - nader onderzoek vereist De grenzen van de gebieden met een hoge concentratie van beschermde soorten is onzeker waardoor de concentraties van beschermde soorten niet is uitgesloten in het alternatief Natuur. In het planMER onderzoeken wij op basis van openbare data of deze beschermde soorten wel daadwerkelijk in die gebieden voorkomen en wat de mogelijke milieueffecten zijn van wind- en zonnevelden op de beschermde soorten. Afbeelding 4.14 toont de gebieden die overblijven als bovengenoemde gebieden vermeden worden. De overgebleven gebieden vormen samen het alternatief Natuur.
Afbeelding 4.14 Alternatief Natuur
Alternatief Energiesysteem Het alternatief Energiesysteem heeft als doel zoekgebieden voor wind en zon te definiëren die rekening houden met de beschikbare netcapaciteit en de samenhangende maatschappelijke kosten. Om kansrijke gebieden voor wind en zon te definiëren die aansluiten bij het doel van dit alternatief, worden in het alternatief de volgende gebieden vermeden:
42 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
-
-
gebieden op meer dan 10 km afstand van de onderstations Arnhem, Elst, Kattenberg, Nijmegen, Renkum en de tot 2030 te realiseren onderstations Oosterhout, nabij Zevenaar/Duiven en nabij NijmegenOost/Berg en Dal1 (er is uitgegaan van een zoekgebied en geen specifieke locatie); gebieden die niet geschikt zijn voor zowel wind- als zonne-energie. Het alternatief gaat vanuit de principes netefficiëntie en optimale inpasbaarheid op het stroomnet, uit van gecombineerde wind- en zongebieden.
Sturende criteria alternatief Energiesysteem Voor een zo efficiënt mogelijk gebruik van de beschikbare ruimte op het elektriciteitsnet en de laagste maatschappelijke kosten voor verzwaring van het elektriciteitsnet, zijn de volgende sturende criteria toegepast: - windturbines en zonnevelden worden altijd gecombineerd vanuit de principes netefficiëntie en optimale inpasbaarheid op het stroomnet. Ook maakt dit een gecombineerde aansluiting op dezelfde elektriciteitskabel mogelijk; - een grotere afstand tot onderstations leidt tot langere elektriciteitskabels en zorgt voor hogere kosten; - alleen onderstations met beschikbare netcapaciteit tot 2030 worden meegenomen in het alternatief, hierbij is rekening gehouden met geplande onderstations (zie voetnoot 17); - gebieden op meer dan 10 km afstand van een onderstation met capaciteit worden niet beschouwd in het alternatief2; - zonnevelden met oost-west opstelling zijn beter voor de netcapaciteit, omdat deze een consistentie in opbrengst kennen verspreid over de dag; - windturbines met ashoogte van 120 m worden hier beschouwd, omdat dit zorgt voor grotere zoekgebieden, hierdoor worden gebieden die mogelijk geschikt zijn voor windenergie niet op voorhand uitgesloten.
Voor de beoordeling van de mate van geschiktheid in het kader van het energiesysteem is onderscheid gemaakt in de volgende categorieën: - ongeschikt: gebieden waar realisatie van een gecombineerd wind- en zonneveld juridisch niet haalbaar wordt geacht in het kader van de wet- en regelgeving (harde belemmeringen) en/of waar een afstand van meer dan 10 km geldt tot de genoemde onderstations; - mogelijk geschikt: gebieden waar de realisatie van een gecombineerd wind- en zonneveld op een afstand van 5 tot 10 km rond de hierboven genoemde onderstations mogelijk is; - geschikt: gebieden waar de realisatie van een gecombineerd wind- en zonneveld binnen 5 km rond de hierboven benoemde onderstations mogelijk is. Afbeelding 4.15 toont de gebieden die overblijven als bovengenoemde gebieden vermeden worden en de sturende criteria worden toegepast. De overgebleven gebieden vormen samen het alternatief Energiesysteem.
1
Op de genoemde stations is op basis van de rapportage: https://www.regioan.nl/media/netimpactrapportage_AN_1_0_Verzonden2.pdf, geraadpleegd op 14-07-22, ruimte beschikbaar of komt ruimte beschikbaar in de periode tot 2025. Gebieden op meer dan 10 kilometer afstand van de onderstations zorgen voor hoge kosten voor de benodigde netinfrastructuur.
2
Het minimaliseren van transport van energie is een van de ontwerpprincipes van netbeheerder Liander om optimaal gebruik te maken van het energiesysteem. De toegepaste afstanden van 0 - 5 km en 5 - 10 km passen bij de systematiek van Liander..
43 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 4.15 Alternatief Energiesysteem
4.4
Stap 3: effectenonderzoek alternatieven
Afbeelding 4.17 Stappenplan, stap 3
Stap 0: startpunt en uitgangspunten onderzoeken planMER
Stap 1: kansen- en belemmeringenkaart en
Stap 2: ontwikkeling reële alternatieven
Stap 3: effectenonderzoeken reële alternatieven
De in de voorgaande stap benoemde alternatieven worden in het planMER onderzocht op de effecten. Dit gebeurt aan de hand van de beoordelingsschaal en het beoordelingskader zoals toegelicht in hoofdstuk 5.
44 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
5 REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU EFFECTENONDERZOEK ENERGIETECHNIEKEN Dit hoofdstuk geeft een toelichting op het beoordelingskader en effectbeoordeling voor energietechnieken (wind- en zonne-energie) voor het op te stellen planMER. De effectbeoordeling voor warmtetechnieken wordt vervolgens in hoofdstuk 6 toegelicht.
5.1
Plan- en studiegebied
In deze NRD en het op te stellen planMER worden de termen plangebied en studiegebied gehanteerd. Het plangebied is het gebied waarbinnen gezocht wordt naar een geschikte invulling van de voorgenomen activiteit. Het plangebied is gepresenteerd in afbeelding 1.2. Hierbinnen wordt gezocht naar kansrijke zoekgebieden voor wind en zon. Het studiegebied is het gebied waarbinnen de milieueffecten worden onderzocht. De omvang van het studiegebied verschilt per milieuaspect en is afhankelijk van de verwachte omvang en reikwijdte van de effecten. In sommige gevallen is het studiegebied daarmee van een andere omvang dan het plangebied, waarbij de regionale grenzen kunnen worden overschreden.
5.2
Referentiesituatie
De alternatieven worden in het planMER beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie omvat de huidige situatie inclusief de autonome ontwikkelingen binnen het studiegebied. In het planMER wordt daarom onderscheid gemaakt tussen de huidige situatie en de referentiesituatie: - huidige situatie: de feitelijke staat van de leefomgeving en de gerealiseerde projecten per 1 januari 2022; - referentiesituatie: de situatie die tot en met 2030 zou ontstaan als gevolg van de zogeheten autonome ontwikkelingen, dat wil zeggen de situatie die in de toekomst zal ontstaan als het voornemen niet wordt gerealiseerd. Autonome ontwikkelingen zijn op zichzelf staande ontwikkelingen waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden of waarover besluitvorming in voorbereiding is, die zonder de voorgenomen activiteiten ook zouden plaatsvinden. In het planMER worden zowel de huidige situatie (per milieuaspect) als de autonome ontwikkelingen uitgebreid beschreven. Autonome ontwikkelingen In bijlage I is een overzicht opgenomen van de relevante autonome ontwikkelingen. Het betreft hierbij ontwikkelingen die zorgen voor een ruimtebeslag in aanvulling op het bestaande bebouwde gebied. Deze kunnen mogelijk een beperking opleggen ten aanzien van de ontwikkeling van grootschalige opwek middels wind- en zonne-energie.
Ontwikkelingen binnen de bestaande stedelijke contouren zijn niet opgenomen in bijlage I, omdat deze beperkt ruimtebeslag opleggen voor de ontwikkeling van grootschalige wind- en zonne-energie.
5.3
Ingreep-effectrelaties energietechnieken
De realisatie van wind op land en zon op land heeft effecten op verschillende milieuaspecten. Een ingreepeffectrelatie beschrijft welke effecten op hoofdlijnen te verwachten zijn door de realisatie van wind op land
45 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
of zon op land. Tabel 5.1 laat de maatgevende ingreep-effectrelaties voor windenergie en zonne-energie zien.
Tabel 5.1 Ingreep-effectrelaties wind- en zonne-energie Techniek
Milieuaspect
Effect
Criterium
windenergie
natuur
verstoring of vernietiging beschermde gebieden en soorten
-
landschap
aantasting van landschappelijke waarden en structuren
-
aantasting van cultuurhistorische waarden
-
invloed op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde)
archeologie
verstoring of vernietiging van archeologische waarden
-
invloed op bekende archeologische waarden invloed op verwachte archeologische waarden
geluid
geluidhinder op omliggende woningen
-
invloed op geluidgevoelige bestemmingen binnen geluidscontouren
slagschaduw
slagschaduw op omliggende woningen
-
invloed op kwetsbare objecten
veiligheid
risico op een ongeval door omvallen of bladbreuk van een windturbine
-
invloed op kwetsbare objecten
risico op aanvaring met vliegverkeer
-
invloed op luchtvaartveiligheid
grondwater
kans op doorboring scheidende kleilagen met fundering windturbines en risico op omhoog trekken van zout grondwater door bemaling
-
risico op verzilting
natuur
verstoring of vernietiging beschermde gebieden en soorten
-
effecten op habitattypen en soorten Natura 2000-gebieden effecten op beschermde soorten Wnb effecten op overige natuurgebieden
landschap
aantasting van landschappelijke waarden en structuren
-
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken invloed op landschapstype en structuur
cultuurhistorie
aantasting van cultuurhistorische waarden
-
invloed op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde)
archeologie
verstoring of vernietiging van archeologische waarden
-
invloed op bekende archeologische waarden invloed op verwachte archeologische waarden
ruimtegebruik
46 | 64
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken invloed op landschapstype en landschapsstructuur
cultuurhistorie
-
zonne-energie
effecten op habitattypen en soorten Natura 2000-gebieden effecten op beschermde soorten Wnb effecten op overige natuurgebieden
oppervlakteverlies voor andere gebruiksfuncties
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
invloed op ruimtegebruik
5.4
Beoordelingsschaal
Effecten op het milieu en de omgeving als gevolg van de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden zijn te verdelen in effecten tijdens de aanlegfase, de gebruiksfase (gebruik, onderhoud, reparaties) en de verwijderingsfase. De tijdelijke effecten worden in het planMER niet onderzocht. Om de effecten van de windturbines en zonnevelden per aspect te kunnen vergelijken worden deze op basis van een plus- en minschaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 5.2. Deze beoordelingsschaal wordt in het planMER voor elk criterium nader gespecificeerd.
Tabel 5.2 Beoordelingsschaal Score
Toelichting
--
sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
-
negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0
geen effect ten opzichte van de referentiesituatie
+
positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
++
sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
5.5
Beoordelingskader energietechnieken
Deze paragraaf toont het beoordelingskader voor elektriciteit. De ingreep-effectrelaties (zie paragraaf 5.3) vormen de basis voor de invulling van het beoordelingskader. Uitgangspunt voor dit planMER is dat de effectanalyses en -beoordelingen bijdragen aan de besluitvorming over: - toe te passen opwektechnieken (zon of wind); - de zoekgebieden voor grootschalige opwek. Niet alle criteria uit de ingreep-effectrelaties sluiten aan bij dit uitgangspunt. Daarom maakt het beoordelingskader onderscheid tussen: - criteria die worden beschreven en beoordeeld, omdat deze inzicht geven in onderscheidende effecten die bijdragen aan de locatiekeuze of keuze voor wind of zon. Dit zijn de maatgevende criteria die bijdragen aan de besluitvorming over locaties en techniek op regionaal niveau; - criteria die enkel worden beschreven, omdat deze criteria voornamelijk inzicht geven in locatie specifieke aandachtspunten die relevant zijn voor de nadere uitwerking van projecten. De criteria zijn in deze fase van de RES minder sterk van invloed op de keuze voor een bepaalde energietechniek of locatie (nietmaatgevend). Bij het opstellen van het beoordelingskader zijn verder de volgende uitgangspunten gehanteerd: - in dit planMER worden alleen langdurige effecten onderzocht.
Dit zijn effecten met een langere doorwerking dan de tijdelijke effecten die door de aanlegwerkzaamheden worden veroorzaakt; - bij de alternatievenontwikkeling is een aantal gebieden bij voorbaat uitgesloten (de zogenaamde harde belemmeringen). Deze onderdelen komen daarom niet terug in het beoordelingskader: ꞏ overlap met bebouwing; ꞏ overlap met infrastructuur (weg, spoorweg, vaarweg), inclusief veiligheidsafstanden; ꞏ overlap met (bekende) bestaande kabels en leidingen, inclusief veiligheidsafstanden. Sommige criteria zijn enkel van toepassing op of windenergie ofwel zonne-energie. Dit is tussen haakjes aangegeven bij het aspect of het criterium. Tabel 5.3 laat het beoordelingskader voor energietechnieken zien. Aansluitend is voor enkele criteria een nadere toelichting opgenomen.
47 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Tabel 5.3 Beoordelingskader energietechnieken Aspect
Criterium
Methode
(Niet-) maatgevend?
invloed op de bodemkwaliteit
GIS-analyse op basis van overzicht spoedlocaties bodemverontreinigingen Arnhem-Nijmegen
niet-maatgevend
risico op zettingen
kwalitatieve analyse op basis van bodemtypen
niet-maatgevend
risico op verzilting
kwalitatieve quickscan
niet-maatgevend
invloed op waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
Bodem en Water (relevant voor wind en zon) bodemkwaliteit
grondwater
Natuur (relevant voor wind en zon)1 beschermde soorten en habitattypen Natura 2000-gebied
effecten op habitattypen en soorten Natura 2000-gebied
kwalitatieve quickscan
maatgevend
overige beschermde soorten
effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming
kwalitatieve quickscan
maatgevend
GNN-gebieden
effecten op kernkwaliteiten GNNgebieden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
overige beschermde gebieden
weidevogelgebieden, ganzenrustgebied, stiltegebieden en groene ontwikkelingszones
kwalitatieve quickscan
maatgevend
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken
kwalitatieve quickscan
maatgevend
invloed op landschapstype en -structuur
kwalitatieve quickscan
maatgevend
cultuurhistorie
invloed op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde)
kwalitatieve quickscan
maatgevend
archeologie
aantasting van bekende archeologische waarden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
aantasting van verwachte archeologische waarden
kwalitatieve quickscan
maatgevend
invloed op (beperkt) kwetsbare objecten
analyse indicatief bereik PR10-5 en PR10-6. Voor windenergie op basis van Handboek risicozonering windturbines
maatgevend
invloed op andere risicobronnen
analyse aanwezige risicobronnen en daaruit volgende beperkingen
maatgevend
invloed op luchtvaartveiligheid
analyse hoogtebeperkingen op basis van Viewer Hoogtebeperkingen Luchtvaart en Defensieradar
maatgevend
Landschap, cultuurhistorie en archeologie (relevant voor wind en zon) landschap
Veiligheid (relevant voor wind) externe veiligheid
luchtvaartveiligheid
Leefomgeving (relevant voor wind en zon)
1
Bijlage II bevat een uitgebreide onderbouwing van de natuurgebieden die wel of niet vermeden dienen te worden. Deze onderbouwing vormt de basis voor de effectonderzoeken ten aanzien van het thema natuur.
48 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Aspect
Criterium
Methode
(Niet-) maatgevend?
geluid (relevant voor wind en zon)
overschrijding geluidsnorm op geluidgevoelige objecten (gebruiksfase)
kwantitatieve- en GIS-analyse geluidcontouren
maatgevend
geluidbelasting onder de norm (gebruiksfase)
kwantitatieve- en GIS-analyse geluidcontouren
niet-maatgevend
invloed op kwetsbare objecten door slagschaduw
kwalitatieve analyse o.b.v. contouren slagschaduw
niet-maatgevend
GIS-analyse naar oppervlakteverlies
maatgevend
slagschaduw (relevant voor wind)
Gebruiksfuncties (relevant voor zon) ruimtegebruik
invloed op ruimtegebruik
Toelichting op enkele criteria beoordelingskader Uitspraak Raad van State, herbeoordeling algemene normen geluid, slagschaduw en veiligheid door uitspraak Raad van State Op 30 juni 2021 heeft de Raad van State uitgesproken dat de algemene normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling formeel moeten worden onderzocht. Op grond van het Europees recht moeten deze in Nederland gehanteerde normen met een milieubeoordeling opnieuw worden bepaald dan wel herzien. Tot afronding van deze milieubeoordeling, mogen in Nederland geen besluiten worden genomen over windturbineparken waarbij de geluids-, slagschaduw- en veiligheidsonderzoeken zonder verdere onderbouwing zijn gebaseerd op de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Tijdelijke overbruggingsregeling en planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving Op 16 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijzigings-AmvB met tijdelijke overbruggingsregeling bestaande windturbineparken. In de AmvB is een tijdelijke overbruggingsregeling opgenomen met algemene milieuregels voor reeds bestaande, vergunde windturbineparken.
De overbruggingsregeling is bedoeld voor de periode totdat nieuwe algemene milieuregels voor windturbines zijn vastgesteld op basis van een zorgvuldig proces waar het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving deel van uitmaakt. Het opstellen van het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving is gestart (NRD en reactienota zijn gepubliceerd1). De overbruggingsregeling geldt alleen voor windturbineparken waarvoor op 30 juni 2021 al definitieve toestemmingen in het ruimtelijke spoor en het milieuspoor waren verleend. Voor nieuwe windparken gelden de Rijksregels voor windturbines in het Activiteitenbesluit door de uitspraak niet meer. Dit is nu juridisch vastgelegd in de overbruggingsregeling, die ook de vergelijkbare regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) buiten werking stelt. De nieuwe, nog op te stellen regels voor windturbineparken treden volgens de voorlopige planning in werking nadat de Omgevingswet inwerking is getreden. Tot die tijd moet het bevoegd gezag voor nieuwe windparken voorschriften opnemen in de omgevingsvergunning of een maatwerkbesluit. Uit de reactienota behorende bij de NRD voor het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving blijkt dat het planMER naast de 45 dB en 47 dB Lden normen, ook de 37, 40, 43 en 50 dB Lden normen onderzoekt. Daarnaast wordt er verwezen naar het onderzoek dat in gaat op afstandsnormen voor windturbines 2.
In het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving worden de resultaten van dit onderzoek meegenomen. Omdat het op dit moment onduidelijk is wat de nieuwe normen worden, is gekozen om in het planMER uit te gaan van de ‘bestaande’ geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit, met daarbij de kanttekening dat in het alternatief Leefomgeving (zie paragraaf 4.3) uitgegaan wordt van de 45 dB Lden contour rond geluidgevoelige objecten, welke de Wereldgezondheidsorganisatie als advieswaarde geeft. Dit is passend bij het detailniveau 1
https://www.platformparticipatie.nl/windturbinebepalingen/voornemen+windturbinebepalingen/default.aspx.
2
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/04/21/onderzoek-afstandsnormen-windturbines.
49 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
van het planMER en de omvang van het plangebied. Hierbij geldt de kanttekening dat, mochten de resultaten uit het planMER Windturbinebepaling Leefomgeving van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat tijdig bekend zijn, wij zo ver als redelijkerwijs mogelijk de resultaten verwerken in het planMER voor de RES 2.0. In de verdere uitwerking van de zoekgebieden in de RES 2.0, middels bijvoorbeeld een projectMER zal in ieder geval nadere invulling worden gegeven aan de normen die op dat moment gelden. Indien nodig kan een lokale afweging gemaakt worden. Laagfrequent geluid Laagfrequent geluid is geluid dat zich in het grensgebied tussen normaal hoorbaar en onhoorbaar geluid bevindt en vaak mechanisch geproduceerd wordt, onder andere door windturbines. In de discussie rondom windturbines en gezondheid wordt vaak de vraag gesteld of laagfrequent geluid van windturbines effecten kan hebben op de menselijke gezondheid. Uit de ‘Factsheet Laagfrequent Geluid’ uit 2020 van het RIVM over laagfrequent geluid blijkt dat hier geen eenduidig antwoord op te geven is en dat de ene persoon meer effecten ondervindt dan de ander. Er is geen Nederlandse wettelijke norm voor specifiek laagfrequent geluid van windturbines, omdat laagfrequent geluid wordt meegewogen in de norm van 47 dB Lden.
Het RIVM heeft eveneens geconcludeerd dat geen aparte beoordeling nodig is boven op de huidige geluidsnorm. Veiligheid In het planMER wordt getoetst aan de ligging van objecten binnen de PR10-5 en PR10-6. De PR-contour is de plaatsgebonden risicocontour. De PR10-6 is de contour waarbij de kans 1 op een miljoen is dat iemand overlijdt ten gevolge van een ontwikkeling, de PR10-5 betreft de contour waarbij de kans 1 op 100.000 is. In het planMER wordt, conform de nieuwe methodiek onder de Omgevingswet, getoetst aan ligging van zeer kwetsbare objecten (gebouwen, zoals basisscholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen), kwetsbare objecten (gebouwen en locaties, zoals woonfuncties en evenementlocaties >5.000 personen) en beperkt kwetsbare objecten (gebouwen en locaties, zoals kleine kantoorgebouwen (<1.500 m2) en restaurants). Het onderscheid in kwetsbaarheid komt voort uit de verschillen in het aantal personen dat aanwezig is, de duur dat personen aanwezig zijn en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De veiligheidsanalyse toetst ook aan het groepsrisico. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep van 10, 100 of 1.000 personen als rechtstreeks gevolg van een calamiteit veroorzaakt door een activiteit. Het groepsrisico is geen onderdeel van Activiteitenbesluit en het Handboek Risicozonering Windturbines.
Daarmee is de analyse voor het groepsrisico geen onderdeel van de wettelijke besluitvorming. Omdat inzicht in het groepsrisico echter wel relevant is voor een goede ruimtelijk ordening, wordt dit afgewogen in het planMER. Indien relevant wordt een groepsrisicoberekening gemaakt conform de nieuwe aanpak onder de Omgevingswet. Hierbij wordt getoetst aan aandachtsgebieden met omliggende beschermingsschillen tegen gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Landschap De effecten op landschap kunnen als volgt worden geordend: - effecten op de karakteristieke kernkwaliteiten van het landschap; - visuele effecten (die representatief voor aantal en grootte windturbines, verlichting, draaisnelheid et cetera). Kwaliteit van de ingreep (die de effecten verzachten, compenseren of zelfs tot een beter landschap kunnen leiden): - aansluiting van de opstelling bij de structuurbepalende landschapselementen; - kwaliteit van de opstelling (eventuele leesbare geometrie, interferentie tussen opstellingen et cetera). Hierbij sluiten we aan bij de resultaten van de reeds uitgevoerde landschapsanalyses, zoals benoemd in paragraaf 4.3 onder het alternatief Landschap.
50 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Toelichting niet-beschouwde onderwerpen Gezondheid Rond de ontwikkeling van windturbines bestaan zorgen met betrekking tot gezondheid. Windturbines veroorzaken geluid (inclusief laagfrequent geluid) en slagschaduw, dit is niet alleen hinderlijk, maar kan ook gevolgen hebben voor de gezondheid. Met name voor geluidhinder is een verband aangetoond met gezondheidsklachten (onderzoek ‘Gezondheidseffecten van windturbinegeluid: een update’ van het RIVM uit 2020). Omdat de effecten op gezondheid met name raken aan geluid, wordt het aspect ‘gezondheid’ niet als apart criterium behandeld in het planMER. Tijdens de verdere uitwerking van de zoekgebieden, middels bijvoorbeeld een projectMER, kan gezondheid als milieuthema beschouwd worden.
51 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
6 REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU EFFECTENONDERZOEK WARMTE 6.1
Onderzoeksaanpak warmtebronnen
Geen kansen- en belemmeringenkaart warmte Voor warmtetechnieken bestaan nog veel leemten in kennis. Ook wetgeving en beleid omtrent warmte zijn minder duidelijk dan de regels voor energietechnieken zoals wind- en zonne-energie. Bovendien variëren warmtetechnieken sterk in omvang en toepassing, waarmee niet op voorhand een algemene belemmeringenkaart is te maken. Ter illustratie: een woonwijk is ongeschikt voor realisatie van geothermie, maar biedt kansen voor een (kleinschalige) collectieve bodemlus in combinatie met een warmtepomp. Dit betekent dat de kansen en belemmeringen dusdanig samenhangen met de warmtetechniek, dat dit hoofdstuk geen algemene kansen- en belemmeringenkaart voor warmte laat zien. In het planMER worden de kansen en belemmeringen per warmtetechniek op hoofdlijnen beschouwd en in beeld gebracht. Warmtekaart als basis voor alle warmtebronnen De regio heeft voor de RES 1.0 een de warmtestructuurkaart opgesteld (afbeelding 6.1). Voor elk cluster zijn 3 tot 5 mogelijke warmtebronnen benoemd. Hier zijn alleen de belangrijkste bronnen genoemd. Het kan zijn dat meer of meerdere warmtebronnen interessant zijn voor een specifieke warmte vraagcluster, zoals wijken, dorpen of bedrijventerreinen. De resultaten zijn verwerkt tot een eerste, indicatieve warmtestructuurkaart voor de regio.
Deze kaart geeft een indicatie van: - waar in de regio de meeste vraag is naar warmte; - welke duurzame warmtebronnen daar het meest geschikt zijn als vervanging van aardgas. De warmtestructuurkaart biedt een basis voor het gesprek over de verdeling van de warmte die in onze regio beschikbaar is. Belangrijk is te vermelden dat deze kaart een momentopname is, gebaseerd op beschikbare data uit 2019. Het zegt niet of een alternatief warmtesysteem ook te realiseren is. De gegevens waarop de conceptkaart is gebaseerd, blijft de regio in de toekomst actualiseren. Ook zullen inzichten uit voorgaand onderzoek, onder meer op gebied van aquathermie en geothermie, tot aanpassingen leiden.
52 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 6.1 Warmtekaart (RES 1.0, maart 2020)
De RES 1.0 benoemt in totaal acht warmtebronnen. Dit betreft, geprioriteerd in volgorde van benoeming, de volgende bronnen: 1 biomassa: houtachtige biomassa: verbranden; natte biomassa: vergisten; 2 restwarmte: industrie; condensatiewarmte; datacenters; TEA: RWZI, AWZI en rioolgemalen; 3 omgevingswarmte: open WKO’s; ondiepe geothermie; conventionele geothermie; aquathermie TEO: oppervlaktewater, gemalen, stuwen; aquathermie TEA: riothermie. Voor alle warmtebronnen geldt dat de toepassing en effecten van individuele of collectieve warmtepompen ter ondersteuning van de warmteopwaardering van de warmtebron niet worden beschouwd. Deze leiden tot (zeer) lokale effecten die niet passen bij het detailniveau van het planMER. Bovendien veroorzaken deze warmtepompen geen onderscheidende milieueffecten die bijdragen aan de keuze voor een locatie of techniek. De mogelijke milieueffecten kunnen daarmee in per project nader worden onderzocht. Voorliggende paragraaf presenteert de ingreep-effectrelaties (6.1.1) en onderzoeksaanpak (6.1.2) voor de effectanalyse op hoofdlijnen voor warmtebronnen.
53 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
6.1.1
Ingreep-effectrelaties warmtebronnen
Ingreep-effectrelaties geothermie Tabel 6.1 laat de ingreep-effectrelaties zien voor geothermie.
Tabel 6.1 Ingreep-effectrelaties geothermie Ingreep
Effect
Criterium
uitvoeren boring geothermieputten (> 500 m diepte) (aanlegfase)
aantasting opbouw en stabiliteit ondergrond
risico op (acute) diepe bodemdaling en ondiepe zettingen
aantasting of verspreiding bodemverontreinigingen
invloed op bodemkwaliteit
veranderingen in de samenstelling van het grondwater
invloed op waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones invloed op de grondwaterkwaliteit
gebruiksfase geothermie-installatie
tijdelijk ruimtebeslag op natuur
effecten op Natura 2000- en NNN-gebieden effecten op overige beschermde natuurgebieden
verstoring beschermde soorten
effecten op beschermde soorten effecten op Natura 2000- en NNN-gebieden effecten op overige beschermde natuurgebieden
aantasting of vernietiging archeologische waarden
effecten op archeologische waarden
aantasting of vernietiging cultuurhistorische waarden
effecten op cultuurhistorische waarden
veiligheidsrisico’s met gevolgen op mensen
invloed op externe veiligheid
geluidemissie tijdens aanleg- en gebruiksfase
overschrijding geluidsnorm op geluidsgevoelige objecten
ruimtebeslag in Natura 2000- en NNNgebieden
effecten op Natura 2000- en NNN-gebieden
ruimtebeslag in overige beschermde natuurgebieden
effecten op overige beschermde natuurgebieden
aantasting ruimtelijk-visuele kenmerken
effecten op ruimtelijk-visuele kenmerken
Ingreep-effectrelaties aquathermie Aquathermie is warmtewinning uit water. Aquathermie kan worden toegepast op verschillende waterbronnen, namelijk: - winning van thermische energie uit oppervlaktewater (TEO); - winning van thermische energie uit afvalwater (TEA); - winning van thermische energie uit drinkwater (TED). TEA is de winning van thermische energie uit de waterketen, zoals warm douche- en (af)waswater vanuit woningen. Dit warme water komt uit in de waterketen en verliest daar haar warmte. Met TEA wordt deze warmte gewonnen en ingezet om woningen te verwarmen. Hetzelfde geldt voor TED, waarbij thermische energie wordt gewonnen uit drinkwater. Bij beide vormen van aquathermie zijn individuele of collectieve warmtepompen nodig en wordt, in de meeste gevallen, gebruik gemaakt van een WKO-systeem. Daarmee zijn de ingrepen benodigd voor TEA en TED beperkt tot ingrepen op een klein schaalniveau. Deze ingrepen, en de daaruit volgende milieueffecten, passen niet bij het detailniveau van het planMER en worden daarom niet nader beschouwd.
54 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Het planMER beschouwt alleen de effecten van TEO (thermische energie uit oppervlaktewater) in combinatie met een WKO-systeem op hoofdlijnen. TEO is ook mogelijk zonder WKO-systeem, maar dit is enkel relevant bij kleinschalige toepassing. Deze kleinschalige toepassingen passen niet bij het detailniveau van het planMER. Daarom dient voor TEO zonder WKO-systeem per projectonderzoek plaats te vinden en beschouwt dit planMER enkel TEO in combinatie met een WKO-systeem. Tabel 6.2 laat de ingreepeffectrelatie van TEO zien die in het planMER wordt beschouwd.
Tabel 6.2 Ingreep-effectrelaties aquathermie Ingreep
Effect
Criterium
warm- en koudwaterlozing na winning van koude en warmte uit oppervlaktewater
verandering samenstelling, temperatuur en stroming oppervlaktewater
effect op de oppervlaktewaterkwaliteit
Voor de ingreep-effectrelaties die volgen uit toepassing van een open WKO-systeem wordt verwezen naar de ingreep-effectrelaties onder ‘open WKO’s’. Voor de ingreep-effectrelaties met betrekking tot ruimtebeslag in natuurgebieden (Natura 2000, NNN en overige gebieden) en aantasting van cultuurhistorische en archeologische waarden wordt verwezen naar de ingreep-effectrelaties van geothermie, zie tabel 6.3. Echter is de benodigde installatie voor TEO van dusdanig kleine omvang vergelijkbaar met een transformatorhuisje in stedelijk gebied1 - dat de verwachte effecten beperkter zijn dan bij geothermie. Ingreep-effectrelaties open WKO’s De ingreep-effectrelaties van open WKO’s komen op hoofdlijnen overeen met de ingreep-effectrelaties van geothermie. Daarom wordt hiervoor verwezen naar tabel 6.1. De ingreep verschilt in de diepte van de boring: de boring voor open WKO’s vindt plaats op een diepte minder dan 500 m. Daarnaast is de benodigde (bovengrondse) installatie voor een WKO-systeem van dusdanig kleine omvang, dat de ingreepeffectrelaties gerelateerd aan ruimtebeslag en aantasting van belevingswaarden in aanmerkelijk mindere mate optreden dan bij geothermie. Bij open WKO’s is sprake van onttrekking en lozing van grondwater. Deze ingreep-effectrelatie is uitgelicht in tabel 6.3.
Tabel 6.3 Ingreep-effectrelaties open WKO’s Ingreep
Effect
Criterium
aanleg en gebruik (onderhoud) van de WKO-putten
onttrekking en lozing van grondwater uit de reservoirs in het watervoerend pakket
invloed op de grondwaterkwaliteit, de oppervlaktewaterkwaliteit en de oppervlaktewaterkwantiteit
Voor externe veiligheid is geen representatief vergelijkbaar onderzoek gevonden wat een indicatie geeft voor een minimaal aan te houden afstand tot kwetsbare objecten. De afstand van 100 m is daarom niet van toepassing op WKO-systemen. Externe veiligheid dient daarom per project te worden afgewogen. Ingreep-effectrelaties biomassa Tabel 6.4 laat de ingreep-effectrelaties voor biomassa zien. De uitstoot van CO2 wordt hierbij buiten beschouwing gelaten omdat dit niet aansluit bij het detailniveau van het planMER2. 1
Met een omvang van circa 3-4 m (l), bij 2 m (b) bij 2,5 m (h).
2
Over de uitstoot van CO2 door verbranding van biomassa is landelijk veel discussie. De EU heeft het verbranden van biomassa als CO2-neutraal bestempeld. Dit omdat de vrijgekomen CO2 uit de lucht is gehaald tijdens het groeiproces van de planten. Omdat planten tijdens de groei CO2 opnemen, die bij de verbranding of vergisting weer vrijkomt, wordt gesproken over een kort cyclisch proces.
55 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Tabel 6.4 Ingreep-effectrelaties biomassa Ingreep
Effect
Criterium
verbranding, vergisting en vergassing biomassa om biogas te produceren. Dit wordt opgewaardeerd tot groen gas
stikstofemissie
stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden
verbranding biomassa om water te verwarmen.
emissie van geur, geluid en stof
invloed op geurhinder, geluidhinder en luchtverontreiniging (stof)
veiligheidsrisico’s met gevolgen op mensen
invloed op externe veiligheid
Voor de ingreep-effectrelaties met betrekking tot ruimtebeslag in natuurgebieden (Natura 2000, NNN en overige gebieden) en aantasting van cultuurhistorische en archeologische waarden wordt verwezen naar de ingreep-effectrelaties van geothermie, zie tabel 6.1.
6.1.2
Aanpak effectanalyse warmtebronnen
Effectbeoordeling warmtebronnen De effectanalyse voor warmtebronnen omvat een analyse op hoofdlijnen. Dit maakt dat de effecten niet worden beoordeeld zoals de effecten van energietechnieken worden beoordeeld. Zo worden voor de warmtebronnen geen kansrijke (groen) en kansrijk te maken (geel) gebieden aangeduid op kaart. Op dit moment is onvoldoende informatie beschikbaar om een betrouwbaar onderscheid te kunnen maken tussen kansrijke gebieden en kansrijk te maken gebieden. Interpretatie effectbeoordelingen warmte De effectbeoordelingen van warmte dienen anders geïnterpreteerd te worden dan die van energietechnieken. Waar bij energietechnieken de effectbeoordelingen worden toegekend op basis van gegronde onderzoeken naar bekende milieueffecten van windturbines en zonnevelden, worden de milieueffecten van warmtetechnieken beperkt onderzocht. De effectbeoordelingen voor warmtetechnieken betreffen daarom een eerste inschatting van de aard van de milieueffecten. Een sterk negatieve beoordeling (--) betekent voor warmte dat op basis van de kenmerken van het gebied mogelijk sprake is van grote effecten die een risico vormen voor de uitvoerbaarheid van de onderzochte warmtetechnieken.
Wel wordt per warmtebron weergegeven welke gebieden vanuit milieuperspectief bij voorkeur vermeden worden (oranje) en op welke locaties de milieueffecten een risico voor de uitvoerbaarheid kunnen vormen (doorzichtig). Onderstaande kleurcodering (tabel 6.5) sluit aan bij de milieubelemmeringenkaarten voor de verschillende energietechnieken. Onderstaande tabel laat de toelichting voor deze beoordelingen zien. De effecten die niet onder een van deze beoordelingen vallen, worden samengevat in een tabel met aandachtspunten voor de vervolgfases. Het planMER maakt een eerste schifting in voorkeurslocaties uit de warmtestructuurkaart door de milieuaspecten uit het planMER te projecteren op deze voorkeurslocatie. Hiermee is de potentie voor alle benoemde warmtebronnen afgezet tegen de effectbeoordeling van milieueffecten.
56 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Tabel 6.5 Algemene maatlat beoordeling warmtebronnen Beoordeling