Bijlage II Concept NRD planMER RES 2.0 Groene Metropoolregio
Tekst van het document
Toelichting algemeen
0
neutraal
effecten leiden niet tot een verslechtering van milieukwaliteiten ten opzichte van de referentiesituatie. Vanuit milieuperspectief hebben deze gebieden de voorkeur
-
negatief
effecten leiden tot een verslechtering van milieukwaliteiten ten opzichte van de referentiesituatie en/of zijn strijdig met vigerend beleid. Vanuit milieuperspectief hebben deze gebieden niet de voorkeur
--
sterk negatief
effect is vanwege de aard en omvang, of vanwege strijdigheid met milieu- en/of veiligheidswetgeving beperkt acceptabel. Daarbij zijn de mogelijkheden om effecten te mitigeren naar verwachting beperkt. Hierdoor vormen de effecten een risico voor de uitvoerbaarheid
Onderzoeksaanpak geothermie Naast de warmtestructuurkaart is relatief veel onderzoek uitgevoerd naar de kansen voor geothermie in Nederland en de milieueffecten van geothermie. De provincie Gelderland heeft recent een potentieonderzoek uitgevoerd naar geothermie in Gelderland1. Hierdoor is voldoende relevante en regiospecifieke informatie beschikbaar over geothermie in algemene zin, de milieueffecten van geothermie en de mogelijkheden voor geothermie in de regio. De effecten die volgen uit de ingreep-effectrelaties worden op hoofdlijnen beschreven. Hierbij wordt ter onderbouwing gebruik gemaakt van bronmateriaal. Voor de milieuthema’s laat de effectanalyse een beknopte uiteenzetting zien van de mogelijke verbodsbepalingen vanuit wetgeving, de te verwachte effecten en de aan te raden vervolgstappen. Tot slot worden de effecten beoordeeld conform de beoordelingsmethodiek uit tabel 6.1 en worden de aandachtspunten voor vervolgfases uiteengezet. Onderzoeksaanpak aquathermie en open WKO’s Voor aquathermie en open WKO’s worden de effecten beschouwd die op basis van de ingreep-effectrelaties de grootste milieueffecten lijken te veroorzaken. De effecten van open WKO-systemen komen op veel vlakken overeen met de milieueffecten van geothermie. Voor de vergelijkbare effecten wordt daarom verwezen naar geothermie.
De overige milieueffecten voor aquathermie en open WKO-systemen worden beschouwd aan de hand van bronmateriaal en vigerende wettelijke- en beleidskaders. Voor beide bronnen bestaat de effectanalyse uit een beknopte beschrijving van deze effecten, gevolgd door een conclusie en effectbeoordeling en uiteenzetting van aandachtspunten voor de vervolgfase. Onderzoeksaanpak biomassa De warmtebronnen biomassa hebben betrekking op het verbranden of vergisten van biomassa. Hiervoor is een centrale benodigd waar biomassa zoals mest, slib, GFT, reststromen of overige biomassa wordt verbrand of vergist. Voor dergelijke centrales zijn richtafstanden bepaald om hinder op woningen te beperken. Deze richtafstanden zijn middels zoneringen vastgelegd in de Handreiking bedrijven van milieuzonering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Deze handreiking bevat een lijst met een integrale benadering op aan te houden afstanden tussen het bedrijf en woningen voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. Deze richtafstanden vormen de basis voor de effectanalyse voor biomassa. Omdat deze richtafstanden op beide bronnen van toepassing zijn, worden de effecten van groen gas en biomassa samen beschouwd. Tot slot bevat de effectanalyse een effectbeoordeling en aandachtspunten voor vervolgfases.
6.2
Onderzoeksaanpak warmteopslag
Warmteopslag kan ondergronds (hoge temperatuuropslag (HTO) of thermische putten) en bovengronds (bovengrondse tankopslag). Diepe ondergrondse warmteopslag is opslag in bodemlagen op een diepte van meer dan 50 m. Ondiepe ondergrondse warmteopslag is opslag in constructies die minder diep zijn dan 1
https://www.witteveenbos.com/fileadmin/Downloads/Div._documenten/Publieksrapportage_Potentieonderzoek_Geothermie_Geld erland.pdf.
57 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
50 m. De omvang van opslaginstallaties varieert en hangt af van de aangesloten warmtebronnen, de benodigde opslagcapaciteit en de (variabiliteit van de) warmtevraag. De milieueffecten van ondergrondse warmteopslag verschillen van bovengrondse warmteopslag. Daarom zijn zowel de ingreep-effectrelaties als de effectanalyse opgesplitst in een deel voor ondergrondse warmteopslag en een deel voor bovengrondse warmteopslag. Collectieve ondergrondse warmteopslag is nog niet breed toegepast in Nederland en de rest van de wereld. Bovendien vormen juridische-, financiële en milieutechnische belemmeringen van HTO en thermische putten een risico voor de haalbaarheid van dergelijke projecten. Omdat weinig referentieprojecten voorhanden zijn, beperkt de effectanalyse voor warmteopslag zich tot een analyse op hoofdlijnen.
6.2.1
Ingreep-effectrelaties warmteopslag
Ingreep-effectrelaties ondergrondse warmteopslag Tabel 6.9 presenteert de ingreep-effectrelaties voor ondiepe (<50 m) ondergrondse warmteopslag. De ingreep-effectrelaties voor diepe ondergrondse opslag (>50 m) zijn op hoofdlijnen vergelijkbaar met de ingreep-effectrelaties van geothermie. HTO vindt plaats op dieptes die vergelijkbaar zijn aan- of minder diep zijn dan geothermieprojecten en dieper dan open WKO-projecten. De diepte van de thermische put hangt af van de benodigde omvang en de oppervlakte. Hoe groter de oppervlakte, hoe minder diep de put hoeft te zijn. Beide variabelen hebben eigen voor- en nadelen, zoals ruimtebeslag, effecten op de bodem en effecten op grondwater.
Tabel 6.6 Ingreep-effectrelaties ondiepe ondergrondse warmteopslag (thermische putten) Ingreep
Effect
Criterium
graafwerkzaamheden voor aanleg van de thermische put
aantasting opbouw en stabiliteit ondiepe ondergrond
risico op zettingen
aantasting of verspreiding bodemverontreinigingen
invloed op bodemkwaliteit
tijdelijk ruimtebeslag in Natura 2000- en NNN-gebieden
effecten op Natura 2000- en NNNgebieden
tijdelijk ruimtebeslag in overige beschermde natuurgebieden
effecten op overige beschermde natuurgebieden
verstoring beschermde soorten
effecten op beschermde soorten
aantasting of vernietiging archeologische waarden
effecten op archeologische waarden
aantasting of vernietiging cultuurhistorische waarden
effecten op cultuurhistorische waarden
geluidemissie tijdens aanleg- en gebruiksfase
overschrijding geluidsnorm op geluidsgevoelige objecten
veranderingen in de samenstelling van het grondwater
invloed op waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones
bemalingswerkzaamheden voor aanleg van de thermische put
invloed op de grondwaterkwaliteit gebruiksfase van de thermische put
58 | 64
ruimtebeslag in Natura 2000- en NNN-gebieden
effecten op Natura 2000- en NNNgebieden
ruimtebeslag in overige beschermde natuurgebieden
effecten op overige beschermde natuurgebieden
aantasting ruimtelijk-visuele kenmerken
effecten op ruimtelijk-visuele kenmerken
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Ingreep-effectrelaties bovengrondse warmteopslag De ingreep-effectrelaties van bovengrondse warmteopslag hebben betrekking op de bovengrondse tankopslag. De ingreep-effectrelaties zijn op hoofdlijnen vergelijkbaar met de ingreep-effectrelaties van ondergrondse warmteopslag. Daarom wordt hiervoor verwezen naar tabel 6.6. De verschillen zitten in: 1 voor bovengrondse warmteopslag leidt bemaling door de beperkte omvang niet tot onderscheidende effecten, waardoor dit geen onderdeel uitmaakt van de effectanalyse; 2 de effecten op de bodem, het grondwater en het ruimtebeslag treden in mindere mate op dan bij ondergrondse warmteopslag, doordat ingrepen in de bodem beperkter zijn in omvang en diepte; 3 de landschappelijke effecten van een bovengrondse opslagtank zijn groter dan de landschappelijke effecten van HTO. Een thermische put is over het algemeen lager dan een opslagtank, waarmee ook deze naar verwachting minder landschappelijke effecten veroorzaakt.
6.2.2
Aanpak effectanalyse warmteopslag
De warmtebronnen restwarmte, geothermie, biomassa, zonthermie en warmtepompen kunnen gebruik maken van ondergrondse- of bovengrondse warmteopslag. De effectanalyse voor warmteopslag is daarom relevant voor deze warmtebronnen. Effectbeoordeling warmteopslag De uitgangspunten voor de beoordeling van milieueffecten van warmteopslag zijn gelijk aan de uitgangspunten voor warmtebronnen. Ook hier worden neutrale, negatieve en sterk negatieve beoordelingen toegekend en weergegeven op kaart. Onderzoeksaanpak ondergrondse warmteopslag De effectanalyse voor ondergrondse warmteopslag focust zich op de effecten van HTO en thermische putten. Voor beide opslagtechnieken worden de milieueffecten in beeld gebracht, waarbij in veel gevallen een verwijzing is opgenomen naar de effectanalyses onder warmtebronnen. HTO lijkt immers in veel aspecten op een open WKO-systeem en geothermie, waardoor ook de milieueffecten vergelijkbaar zijn. Voor beide technieken ligt de focus op de onderscheidende milieueffecten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van warmtebronnen. Zo wordt voor thermische putten meer aandacht besteed aan de effecten door ruimtebeslag en de effecten op de ruimtelijk visuele kenmerken. Bij de effectanalyse worden daarom de onderscheidende effecten apart beschreven en worden de overige milieueffecten -die vergelijkbaar zijn met warmtebronnen- enkel samengevat.
Tot slot worden de milieueffecten beoordeeld en op kaart weergegeven en worden de aandachtspunten voor de vervolgfases uiteengezet. Onderzoeksaanpak bovengrondse warmteopslag De effectanalyse voor bovengrondse warmteopslag focust zich op de effecten van bovengrondse tankopslag. Net als voor ondergrondse warmteopslag, wordt ook hier zoveel mogelijk verwezen naar de effectanalyse van warmtebronnen. De bovengrondse warmteopslag onderscheidt zich van de ondergrondse bronnen door de effecten bovengronds, zoals ruimtebeslag en effecten op ruimtelijk visuele kenmerken. Ook hier worden enkel deze onderscheidende effecten apart beschreven en worden de overige milieueffecten samengevat.
6.3
Onderzoeksaanpak warmtedistributie
6.3.1
Ingreep-effectrelaties warmtedistributie
De realisatie van een warmtedistributienetwerk heeft effecten op verschillende milieuaspecten. Tabel 6.7 beschrijft welke ingreep-effectrelatie op hoofdlijnen te verwachten zijn voor het ondergrondse warmtenet.
59 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Tabel 6.7 Ingreep-effectrelaties warmtedistributie Ingreep
Effect
Criterium
werkzaamheden aanleg warmtenet (graafwerkzaamheden, bemaling en boringen)
aantasting opbouw en stabiliteit ondergrond
risico op (acute) diepe bodemdaling en ondiepe zettingen
aantasting of verspreiding bodemverontreinigingen
invloed op bodemkwaliteit
veranderingen in de samenstelling van het grondwater
invloed op waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones invloed op de grondwaterkwaliteit
tijdelijk ruimtebeslag in Natura 2000- en NNN-gebieden
effecten op Natura 2000- en NNN-gebieden
tijdelijk ruimtebeslag in overige beschermde natuurgebieden
effecten op overige beschermde natuurgebieden
verstoring beschermde soorten
effecten op beschermde soorten
aantasting of vernietiging cultuurhistorische waarden
effecten op cultuurhistorische waarden
aantasting of vernietiging archeologische waarden
effecten op archeologische waarden
geluidemissie tijdens aanleg- en gebruiksfase
overschrijding geluidsnorm op geluidsgevoelige objecten
kruisingen wegen, spoorwegen, vaarwegen en kabels en leidingen
kruisingen met bestaande infrastructuur
belemmering toekomstig ruimtegebruik
effecten op toekomstig ruimtegebruik
Het milieuaspect externe veiligheid wordt niet beschouwd. Dit omdat voor het transport van warmte door buisleidingen op het gebied van externe veiligheid geen wettelijke eisen gelden met betrekking tot het plaatsgebonden risico en groepsrisico.
6.3.2
Aanpak effectanalyse warmtedistributie
Effectbeoordeling warmtedistributie De milieueffecten als gevolg van de aanleg van het warmtenet worden niet beoordeeld. Dit omdat de effecten van de aanleg van het warmtenet in mindere mate spelen op regio- of gebiedsniveau, maar meer op specifieke locaties. Daarnaast zijn de effecten sterk afhankelijk van de ingreep ter plaatse en kan een deel van de effecten worden weggenomen door toepassing van maatregelen zoals een HDD-boring. Zo kan
60 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
aantasting van een archeologisch monument worden vermeden door een kleine tracéwijziging of kan onder het monument doorgeboord worden. Ook kan (mits minder dan circa 1 km) onder een natuurgebied worden doorgeboord. Daarnaast kan een warmteleiding in een natuurgebied worden aangelegd als voldaan wordt aan (strenge) voorwaarden. Het rood of oranje aanduiden van gebieden of locaties op kaart leidt daarmee tot een overschatting van effecten en dus tot een vertekend beeld van de mogelijkheden voor aanleg van het warmtedistributienetwerk. De effectanalyse beperkt zich daarmee tot een beschrijving van wat (niet) haalbaar is op grond van wetgeving en beleid. Onderzoeksaanpak warmtedistributie De effectanalyse voor warmtedistributie beperkt zich tot de effecten van de aanleg en het gebruik van het ondergrondse warmtenet. Voor deze onderdelen betreft de effectanalyse een beschrijving van de milieueffecten op hoofdlijnen. De kansen voor realisatie, de beoogde tracés, de technische kenmerken en de hoeveelheid en locatie van benodigde bovengrondse installaties zijn namelijk onbekend. Deze hangen alle direct samen met de locaties en technische kenmerken van de warmtebronnen. Realisatie van een hoge- of middentemperatuur geothermiebron vraagt om een ander type warmtenet en bijbehorende bovengrondse installaties dan realisatie van een lagetemperatuur aquathermiebron.
Daar komt bij dat de locatie van de warmtebron bepalend is voor de ligging van het warmtenet en daarmee ook van de milieueffecten van het warmtenet. Dit maakt dat de effectanalyse een beschrijving op principeniveau betreft. Hierbij wordt niet altijd specifiek ingegaan op gebiedseigenschappen van de regio. Zo worden bijvoorbeeld de gebiedseigenschappen van natuurgebieden (bijvoorbeeld leefgebieden specifieke soorten) en gebiedsspecifieke landschappelijke waarden buiten beschouwing gelaten. Of, waar en hoe een warmtenet in of nabij de natuurgebieden in de regio komt te liggen is namelijk onbekend. Hetzelfde geldt voor het doorkruisen van landschappelijk waardevolle gebieden. Ook beschrijft deze effectanalyse geen effecten op het detailniveau van een wijk, buurt of woning. Deze effecten zijn dusdanig afhankelijk van de eigenschappen van de wijk, buurt of woning (dichtheid, aanwezige leidingen, woningeigenschappen) dat deze niet passen bij het detailniveau van het planMER. Wel bevat het planMER voor het ondergrondse warmtenet en de bovengrondse installaties per milieuthema een effectbeschrijving op hoofdlijnen. Hierbij wordt per milieuthema (bodem, water, natuur, landschap, et cetera) beschreven wat de te verwachten effecten zijn op deze thema’s. De thema’s waarvoor de effecten op hoofdlijnen worden beschreven, volgen uit de ingreep-effectrelaties.
Per milieuthema wordt naast de effectbeschrijving op hoofdlijnen aangegeven of, en zo ja, welke gebieden vanuit dat milieuthema bij voorkeur vermeden worden. Voor het ondergrondse warmtenet beperkt de effectbeschrijving zich tot effecten gedurende de aanlegfase. Dit omdat tijdens de gebruiksfase in principe geen effecten optreden. Er geldt ook voor de warmtedistributie dat niet elk effect een risico vormt voor de uitvoerbaarheid van het project. De omvang van de effectbeschrijvingen loopt hierdoor uiteen. Daarnaast worden de effecten van aanleg van het warmtenet naar verwachting op hoofdlijnen vergelijkbaar met de aanleg van hoogspanningskabels. Daarom wordt bij sommige thema’s verwezen naar de effectbeschrijving bij elektriciteit. Ook zijn de daar beschreven wettelijke- en beleidskaders in veel gevallen ook van toepassing op de warmtedistributie. Uitgangspunten effectanalyse warmtedistributie Warmtedistributie bestaat uit het ondergronds warmtenet en bovengrondse installaties. Veel beide onderdelen zijn nog veel factoren onbekend. Daarom zijn uitgangspunten gedefinieerd die achtergrondinformatie bieden voor de effectanalyse.
Onder onbekende factoren worden onder andere de factoren verstaan: - de aansluiting op het type warmtebron; - de aansluiting op het type afnemer, zoals kassen of woningen; - de omvang van het warmtenet (regionaal, sub regionaal, lokaal); - de omvang van de buisleidingen; - de omvang en de hoeveelheid benodigde bovengrondse installaties. Varieert ten minste per warmtebron, omvang van het warmtenet en het type afnemer.
61 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Bovenstaande ontbrekende factoren maken dat de effectanalyse warmte zich beperkt tot een analyse op hoofdlijnen. Om een beeld te geven van de aard en omvang van het warmtedistributienet, worden de onderstaande uitgangspunten gehanteerd. Deze uitgangspunten worden gebruikt voor het bepalen van de effecten op hoofdlijnen. Daarnaast geven deze uitgangspunten een beeld van de te verwachten bandbreedte van mogelijke effecten van de warmtedistributie. Diameter en lengte warmtetransportleidingen De diameter van een warmtetransportleiding varieert met de omvang van het warmtenet. Een regionaal warmtenet, heeft baat bij een grotere buisleiding dan een lokaal warmtenet. Hoe groter de diameter, hoe meer warm water door de buis gevoerd kan worden. De diameter van de verschillende warmtenetten betreft: 1 een regionaal warmtenet: binnendiameter van 500 mm en een buitendiameter van 700-900 mm. Van toepassing op de aanvoer- en retourleiding. Inzet voor warmtebronnen met grote warmtepotentie, zoals restwarmte of grote geothermiebronnen; 2 een subretinaal warmtenet: binnendiameter tussen de 200 en 500 mm (aanvoer- en retourleiding). Inzet voor warmtebronnen met midden- tot hoge warmtepotentie, zoals kleinere restwarmtebronnen of geothermiebronnen; 3 een lokaal warmtenet: binnendiameter van circa 200 mm (aanvoer- en retourleiding).
Inzet voor warmtebronnen met beperkte warmtepotentie, zoals aquathermie. De lengte van de warmtetransportleiding varieert. Met name voor warmtebronnen als geothermie en aquathermie is een warmteleiding van circa 1,5 km het maximum. Dit omdat de warmteverliezen toenemen bij grotere transportafstanden. Voor een regionaal warmtenet kan de lengte oplopen tot tientallen kilometers. Hiervoor zijn persleidingen benodigd die de warmte onder druk van de restwarmtebron naar een (buffer)locatie pompen. Vanuit daar wordt de warmte opgewaardeerd of juist gecascadeerd (trapsgewijs proces) en ingevoerd op sub-regionale of lokale warmtenetten. Aanlegmethode en diepte Een warmtetransportleiding kan, net als een hoogspanningskabel, worden aangelegd in open ontgraving of met een gestuurde boring. De aanlegdiepte bij open ontgraving is circa 2 m. Bij aanleg met een boring kan de diepte oplopen tot 35 m. Dit kan nodig zijn voor kruising van een kanaal, snelweg of brede spoorweg. Voor beide aanlegtechnieken kan bemaling nodig zijn om de leidingen in den droge aan te kunnen leggen. Dit is afhankelijk van de grondwaterstand ter plaatse. Isolatie Warmtetransportleidingen zijn goed geïsoleerd. Warmte-uitstraling naar de bodem treedt hierdoor niet tot nauwelijks op. Er kan sprake zijn van minimale effecten op de bodem, het grondwater of ecologie. Dit zijn effecten die erg lokaal optreden.
Deze maken daarom geen onderdeel uit van het planMER.
6.4
Kennisleemten, monitoring en evaluatie
In het planMER wordt aangegeven welke kennisleemten er bestaan en wat hun betekenis voor de besluitvorming is. Dit geldt voor zowel de energietechnieken wind en zon, als het onderdeel warmte. Bij het optreden van kennisleemten wordt de mate van betekenis beoordeeld en wordt zo nodig een monitoringsprogramma opgesteld. Met een monitoringsprogramma kan worden bepaald of de gemeten effecten overeenkomen met de voorspelde effecten en of andere of aanvullende maatregelen nodig zijn om de effecten te beperken. Deze gegevens kunnen tevens worden gebruikt voor de evaluatie van de besluitvorming tijdens of na afloop van de activiteiten ten behoeve van het ontwikkelen van grootschalige opwek in de regio.
62 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
7 PROCES EN PARTICIPATIE 7.1
M.e.r.-procedure
Het te doorlopen m.e.r.-proces bestaat op hoofdlijnen uit 2 fasen: 1 de NRD-fase; 2 de planMER-fase. Voorliggende NRD en het op te stellen planMER maken deel uit van een m.e.r.-procedure om beslisinformatie te bieden voor een besluit over de RES 2.0 en de windvisie van de provincie Gelderland. De gemeenteraden, Provinciale Staten en Algemene Besturen van de waterschappen stellen de RES 2.0 vast. De Provinciale Staten stellen de windvisie vast. De gemeenten zijn vervolgens verantwoordelijk voor de uitwerking van de RES 2.0 in beleid. Voor de uitvoering van projecten is aanvullend mogelijk een project-m.e.r.-procedure van toepassing. Er loopt nog een onderzoek in samenwerking met het Nationaal Programma RES welk detailniveau nodig is om de indirecte werking van de RES 2.0 te vergroten: als juridische basis voor een vergunningsaanvraag 'bouwwerk in strijd met de planologische voorschriften' en om vergunningverlening zo gemakkelijker te maken (zie ook paragraaf 1.4). NRD-fase De NRD markeert de start van de plan-m.e.r.-procedure. In dit NRD is uiteengezet welke alternatieven worden onderzocht in het planMER. Ook laat de NRD het beoordelingskader zien waaruit blijkt op welke milieuaspecten de alternatieven worden onderzocht en op welke wijze de milieueffecten worden beoordeeld. Het milieuonderzoek zoals gepresenteerd in dit NRD wordt uitgevoerd in het planMER.
PlanMER-fase Het planMER maakt de geschikte en geschikt te maken zoekgebieden voor wind- en zonne-energie binnen de regio inzichtelijk. Het planMER biedt daarmee handvatten aan de regio om haar ambitie voor grootschalige opwek een stap verder te brengen. Het planMER biedt een transparante en integrale milieuafweging in het maken van de locatiekeuze(s) op hoofdlijnen. Het planMER bevat en/of beschrijft in ieder geval de volgende onderdelen: 1 het doel van het voornemen; 2 een beschrijving van het voornemen en de ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen’ alternatieven, zowel (bijvoorbeeld) qua ligging als qua uitvoeringswijze; 3 welke plannen er eerder voor deze activiteit zijn vastgesteld en welke alternatieven daarin waren opgenomen; 4 voor welke besluit(en) het m.e.r. wordt gemaakt en welke besluiten met betrekking tot het voornemen al aan het planMER vooraf zijn gegaan; 5 een beschrijving van de ‘huidige situatie en de autonome ontwikkeling’ in het plangebied; 6 welke gevolgen het voornemen en de alternatieven hebben voor het milieu en een motivering van de manier waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven en een vergelijking van die gevolgen met de ‘autonome ontwikkeling’; 7 effectbeperkende c.q. mitigerende maatregelen;
63 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
8 9
leemten in kennis; een publiekssamenvatting.
7.2
Inspraak en advies
7.2.1
Participatie
De RES GMR streeft naar nieuwe energie van, voor en door de regio. Daarom worden belanghebbenden vroegtijdig betrokken bij dit onderzoek. De gedachte achter participatie en de ervaring hiermee is dat intensieve samenwerking met de omgeving leidt tot betere projecten. Onder andere door ruimtelijke inpassing van het project die beter aansluit op de omgeving, doordat belanghebbenden meedenken, gebiedskennis en ideeën aandragen en doordat begrip voor elkaars belangen en standpunten toeneemt door samenwerking. In de regio wordt samengewerkt, maar wordt ook gekeken naar wie waarvoor aan de lat staat. Zo past de regio het uitgangspunt uit de RES 1.0 ‘Lokale autonomie waar dat kan en benutten van de kracht van de regio waar dat moet’ toe. Zo ook op gebied van participatie. Het planMER is een onderzoek op regionaal niveau, daarom zijn regionale stakeholders uitgenodigd om deel te nemen in de dialogen om de NRD te vormen. Regionaal georganiseerde partijen die met hun belang verbonden zijn aan de RES worden beschouwd als regionale stakeholders. Zij zijn actief in de GMR en vertegenwoordigen lokale of landelijke achterban in de regio. De regionale stakeholders hebben meegedacht in 3 omgevingsdialogen over welke milieueffecten worden onderzocht en hoe gedetailleerd (zie bijlage III voor de lijst met regionale stakeholders). In het najaar van 2022 wordt deze NRD gepubliceerd.
Dan kan eenieder een reactie geven op deze NRD. Dit wordt een zienswijze genoemd. Aanvullend wordt in november 2022 voor iedereen die geïnteresseerd is een online informatieavond georganiseerd. We beantwoorden de zienswijzen in een reactienota en deze geven mogelijk aanleiding tot aanpassingen in de onderzoeksaanpak voor het planMER.
7.2.2
Advies Commissie voor de m.e.r.
De Cie-m.e.r. is een onafhankelijke commissie van deskundigen die adviseert in het kader van de m.e.r.-procedure. De inzet van de Cie-m.e.r. is deels verplicht en deels vrijwillig. Het is vrijwillig om de Cie-m.e.r. een advies te vragen in het voortraject, waar de NRD onderdeel van uitmaakt. Voor het planMER geldt een verplichting de Cie-m.e.r. om advies te vragen. Tijdens de NRD-fase geeft de Cie-m.e.r. een advies over het NRD dat ter inzage wordt gelegd. Hiervoor brengt de Cie-m.e.r. mogelijk ook een bezoek aan het plangebied. Op basis van de ontvangen adviezen van de Cie-m.e.r. en de inspraakreacties en adviezen, wordt de NRD met een reactienota vastgesteld. De Cie-m.e.r. geeft eveneens een advies op de inhoud van het planMER (een toetsingsadvies). Eventueel geven de zienswijzen en het advies van de Commissie m.e.r. aanleiding tot het maken van een aanvulling op het planMER, bijvoorbeeld om een aantal zaken wat verder uit te diepen of nadere accenten te leggen.
64 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Bijlage(n)
I BIJLAGE: AUTONOME ONTWIKKELINGEN Tabel I.1 Autonome ontwikkelingen Thema
Project/plan
Omvang/type
Status
Stadsblokken-Meinerswijk
bouw circa 400 woningen, transformatie steenfabriek terrein en ontwikkelen evenemententerrein. Ontwikkeling natuurgebied Meinerswijk
Raad van State
woningbouw
Reomie-terrein Ooij
woningbouw, aantal nader te bepalen
nader te bepalen
bedrijventerrein
Uitbreiding bedrijventerrein Groesbeek
uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein van Groesbeek richting het oosten. Plan in verkennende fase
verkenning
energie-infrastructuur
Transformatorstation Beek
realisatie nieuw transformatorstation nabij Beek
voorbereiding vergunningen
zonnevelden
diverse zonneparken
er worden zes zonneparken verkend of deze zijn in voorbereiding van een vergunningsaanvraag. Twee liggen in het zoekgebied tussen Leuth en Millingen aan de Rijn, twee in het zoekgebied ten noordoosten van Groesbeek, één bij de RWZI bij Kekerdom/Millingen aan de Rijn en één op vuilstort “De Dukenburg”, nabij de Bruuk.
in voorbereiding
zandwinning
zandwinning Ooijse Graaf
zandwinningslocatie Ooijse Graaf, m.e.r.procedure wordt gestart
in voorbereiding
windturbines
Ontwikkeling Windpark Beuningen
5 windturbines met maximale tiphoogte van 245 m ten zuiden van de A73 en ten westen en oosten van de A50
Raad van State
zonnevelden
Ontwikkeling zonnevelden
4 zonnevelden ten zuiden van de A73 en ten oosten van de A50 met gezamenlijk oppervlakte van circa 40 hectare
onherroepelijke vergunning
grondbank
Grondbank
de grondbank bevindt zich in de noordoostoksel van knooppunt Ewijk. Hier vindt ontwikkeling plaats van de verondieping van een voormalige zandwinplas. Tevens wordt er een geluidswal ontwikkeld
nader te bepalen
zandwinning en recreatie
Beuningse plas
ten zuidoosten (tussen de ARN en de A73) van het dorp Beuningen wordt er een zandwinproject opgestart. Hierdoor zal er
project in uitvoering,
Arnhem woningbouw
Berg en Dal
Beuningen
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage I | Definitief 02
Thema
Project/plan
Omvang/type
Status
in de toekomst een recreatieve waterplas: De Beuningse Plas ontstaan. De komende jaren wordt deze plas uitgegraven en zal de omgeving worden ingericht. Het idee is dat het project in 2035 is afgerond
zandwinning gestart
Geertjesgolf
Geertjesgolf betreft een zandwinproject in ontwikkeling gelegen in het Winssensche Veld ten zuiden van Winssen en in de uiterwaarden van de Waal bij Deest. Gedurende 15 jaar zal in dit gebied zand (beton- en metselzand en ophoogzand) en grind worden gewonnen voor de bouwgrondstoffenvoorziening. De binnendijks in de polder gelegen plassen die door de winning zullen ontstaan worden ingericht als natuur- en recreatiegebied. Tevens zullen er natuurwaarden aan de randen van het gebied worden gerealiseerd
eindsituatie bereikt, zandwinning gestart
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
zonneveld
zonneveld Larendeel
zonneveld met oppervlakte van 26 hectare ten zuiden van de N322, nabij Molenhoek
vergund
zonneveld
zonneveld Zevent
zonneveld met oppervlakte van circa 28 hectare ten zuiden van de N322 en Puiflijk
vergund
zonneveld
zonneveld Uivermeertjes
drijvend zonneveld op de voormalige zandwinning van de Uivermeertjes ter hoogte van de Laarstraat te Deest, netto 17 hectare
vergund
zonneveld
zonneveld Hooge Bobbert
zonneveld ten zuidwesten van Puiflijk, netto 6,6 hectare
vergund
zonneveld
zonneveld Groenendael
zonneveld aan de Ulandsestraat te Druten
in ontwikkeling
infrastructuur
doortrekken A15
de A15 wordt vanaf knooppunt Ressen als autosnelweg met 2x2 rijstroken doorgetrokken naar de A12 tussen Duiven en Zevenaar. Tussen Duiven en Zevenaar komt een nieuw knooppunt. De verwachting is dat de doortrekking eind 2025 gereed is
Raad van State
zonneveld
zonneveld nabij InnoFase
ontwikkeling zonneveld van circa 45 hectare in gebied naast InnoFase binnen zoeklocatie WZ5 van de RES 1.0
in ontwikkeling
bedrijventerrein
drie zoekgebieden bedrijventerreinen
aangewezen zoekgebieden in Omgevingsvisie voor uitbreiding bedrijventerreinen (aansluitend op bestaand bebouwd gebied)
in ontwikkeling
woningbouw
twee uitbreidingslocaties wonen en één reserve woningbouwlocatie
aangewezen uitbreidingslocatie wonen (Ploen-Noord en Plakse Weide) en reserve woningbouwlocaties (Biezenkampen), aangrenzend aan bestaand bebouwd gebied
in ontwikkeling
zandwinning
Doesburg niet van toepassing Druten
Duiven
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage I | Definitief 02
Thema
Project/plan
Omvang/type
Status
woningbouw
woningbouw Kanaalzone
plan voor realisatie circa 700 woningen in Kanaalzone aan westzijde Malden, op locatie huidige sportvelden
nader te bepalen
woningbouw
plan Zilverberg
bouw van 70 tot 100 woningen tussen Zilverbergweg en Kruisbergsestraat in Overasselt
in ontwikkeling
zonneveld
zonneveld Teersche Sluispolder
zonneveld met zo’n 42.000 zonnepanelen in het Energielandschap A73, nabij Heumen
in ontwikkeling (voorontwerpbestemmingsplan)
doortrekken A15
de A15 wordt vanaf knooppunt Ressen als autosnelweg met 2x2 rijstroken doorgetrokken naar de A12 tussen Duiven en Zevenaar. De snelweg kruist het Pannerdensch Kanaal met een brug. De verwachting is dat de doortrekking eind 2026 gereed is
Raad van State
bedrijventerrein De Grift
uitbreiding bedrijventerrein De Grift in noorden Nijmegen uitbreiden tussen De Griftdijk, A15 en de A325
voorbereiding bestemmingsplan
nader te bepalen
nader te bepalen
nader te bepalen
Heumen
Lingewaard infrastructuur
Nijmegen bedrijventerrein
Overbetuwe nader te bepalen Rheden woningbouw
woningbouw ziekenhuislocatie Velp ‘Masterplan IJsseldistrict’
ontwikkeling circa 800 woningen
uitwerking masterplan
zandwinning
zandwinning Havikerwaard
zandwinning en aanleg water en natuur deels in
deels in uitvoering, MIRT-traject een tweede fase
nader te bepalen
nader te bepalen
Westervoort-Noord
uitbreidingslocatie wonen ten noorden van stedelijk gebied Westervoort
in ontwikkeling
nieuwbouw Wijchen-West
circa 1.300 woningen aan westzijde van Wijchen. Het gebied wordt aan de westelijke zijde begrensd door de provinciale weg N845, aan de noordzijde door de Hernenseweg, aan de oostzijde door de Randweg Noord/Westerdreef en aan de zuidzijde door de Ravensteinseweg
voorbereiding uitvoering
Renkum nader te bepalen
nader te bepalen
Rozendaal geen relevante ontwikkelingen voorzien Westervoort woningbouw Wijchen woningbouw
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage I | Definitief 02
Thema
Project/plan
Omvang/type
Status
woningbouw
nieuwbouw Huurlingsedam
woningbouw aan zuidoostzijde van Wijchen, tussen Oosterweg, N324 en Huurlingsedam
voorbereiding uitvoering
bedrijventerrein
uitbreiding Bijsterhuizen
uitbreiding bedrijventerrein Bijsterhuizen met circa 40 hectare tussen A325m Schoenaker, Nieuwe Wetering en Wilhelminalaan
nader te bepalen
zonneveld
zonneveld Kampbroek
zonneveld aan de Kambroek 5 te Hernen. Netto 11 hectare
vergund
zonneveld
zonneveld Bankhoef
zonneveld aan de Bankhoeve en het Papenstraatje te Leur
in ontwikkeling
doortrekken A15
de A15 wordt vanaf knooppunt Ressen als autosnelweg met 2x2 rijstroken doorgetrokken naar de A12 tussen Duiven en Zevenaar. Tussen Duiven en Zevenaar komt een nieuw knooppunt. De verwachting is dat de doortrekking eind 2025 gereed is
Raad van State
Zevenaar infrastructuur
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage I | Definitief 02
II BIJLAGE: STURENDE CRITERIA NATUUR MIDDELS EEN QUICKSCAN Voor het beoordelen van het thema natuur is een quickscan uitgevoerd om inzicht te krijgen in mogelijke risico’s en voorkeuren voor wat betreft wind- en zonne-energie locaties ten aanzien van waardevolle en/of beschermde natuurgebieden en beschermde soorten. Deze bijlage bevat de basis voor de beoordeling van de effecten op natuur. In deze quickscan1 is onderscheid gemaakt tussen het scenario voor de realisatie van een windpark en dat voor de realisatie van een zonneveld. Wind- en zonnevelden verschillen immers sterk van elkaar wat betreft het effect op beschermde natuurwaarden (gebieden en soorten). Bij zonnevelden wordt een relatief groot gebied bedekt met zonnepanelen. In de gebruiksfase zijn de effecten gering en voornamelijk beperkt tot ruimtebeslag. Bij windparken is het directe ruimtebeslag relatief beperkt. Effecten treden met name op tijdens de gebruiksfase doordat de draaiende rotorbladen aanvaringsslachtoffers veroorzaken onder vogels en vleermuizen en een verstorende werking kunnen hebben op vogels.
Voor de beoordeling van de mate van geschiktheid in het kader van natuurwetgeving- en beleid, is in de quickscan onderscheid gemaakt in de volgende categorieën: - ongeschikt: ꞏ gebieden waar realisatie van wind- dan wel zonneveld juridisch niet haalbaar wordt geacht in het kader van natuurwetgeving- en beleid; ꞏ gebieden waar realisatie van wind- dan wel zonneveld in theorie onder voorwaarden mogelijk is, doch waarvan de kans op goedkeuring vanuit natuurwetgeving- en beleid zeer laag wordt ingeschat; - mogelijk geschikt: gebieden waar de realisatie van wind- dan wel zonneveld onder voorwaarden mogelijk is, waarvan de kans op goedkeuring vanuit natuurwetgeving- en beleid als matig-hoog wordt ingeschat; - geschikt: gebieden waar de realisatie van wind- dan wel zonneveld zonder strenge voorwaarden (mits eventueel beperkte mitigerende maatregelen ten aanzien van beschermde soorten) juridisch haalbaar wordt geacht in het kader van natuurwetgeving- en beleid.
Tabel II.1 Sturende criteria natuur - wind en zon Sturende criteria
Mate van geschiktheid
Onderbouwing
weidevogelgebied
ongeschikt voor wind en zon
voor weidevogelgebieden geldt op basis van artikel 2.51a in de Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerd op 1 februari 2022) dat een nieuw bestemmingsplan in ieder geval een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe staat. Hier kan middels de bepalingen in artikel 1a.2 niet van worden afgeweken. Bij de realisatie van een wind- of zonneveld moet er dus rekening mee worden gehouden dat deze buiten de contouren van de genoemde weidevogelgebieden worden gerealiseerd
1
In de quickscan natuur is enkel getoetst op de effecten in de gebruiksfase van het te realiseren wind- of zonneveld. Tijdelijke effecten die na de aanlegfase voorbij zijn (zoals een tijdelijke invloed op het landschap of op ruimtegebruik door aanlegwerkzaamheden), worden in het planMER immers niet beschouwd, tenzij deze een risico kunnen vormen voor de uitvoerbaarheid. Tijdelijke effecten zijn over het algemeen niet bepalend voor de keuze voor zoekgebieden of een keuze tussen de verschillende energie- en warmtetechnieken. Effecten die optreden tijdens de aanlegfase, maar een langere doorwerking hebben (zoals stikstofdepositie), worden eveneens niet beschouwd in het planMER. Dit kan, evenals overige tijdelijke effecten worden beschouwd in een projectMER voor concrete energieprojecten.
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage II | Definitief 02
Sturende criteria
Mate van geschiktheid
Onderbouwing
impact op Natura2000 gebieden
ongeschikt voor wind en zon
gezien voor de aangewezen habitattypen van beide Natura 2000-gebieden telkens een behoud- dan wel een uitbreidingsdoelstelling geldt, is bij ruimtebeslag binnen deze habitattypes sowieso sprake van een negatief effect op de instandhoudingsdoelstelling(en) (IHD). Dit effect is tevens niet te mitigeren. Het realiseren van een windpark binnen de contouren van aangewezen habitattypen wordt dan ook juridisch niet haalbaar geacht. Het is van belang dat bij realisatie van een wind- of zonneveld, het ruimtebeslag in ieder geval buiten de contouren van deze habitattypen plaatsvindt
impact op GNN gebieden
ongeschikt voor wind
hoewel het GNN door de provincie Gelderland wordt aangemerkt als 'niet kansrijk' voor de ontwikkeling van windenergie, wordt in de beleidslijn Windenergie van de provincie ook gesteld dat deze gebieden niet geheel op voorhand worden uitgesloten. Zie regel “binnen deelgebieden van GNN gereserveerd voor windenergie” voor de mogelijk geschikte gebieden voor wind binnen GNN.
impact op GNN gebieden
mogelijk geschikt zon
volgens de provinciale omgevingsverordening is binnen het GNN een andere bestemming dan natuur (zoals wind- of zonne-energie) alleen mogelijk indien (i) er sprake is van groot openbaar belang, (ii) er geen reële alternatieven aanwezig zijn en (iii) de negatieve effecten op de kernkwaliteiten en het oppervlak van het gebied en de ecologische samenhang binnen het gebied zoveel mogelijk worden beperkt, en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd
binnen deelgebieden van GNN gereserveerd voor windenergie
mogelijk geschikt voor wind
voor windturbines geldt dat deze onder voorwaarden zijn toegestaan in de hiervoor voorziene verkenningsgebieden, waar de effecten op de kernkwaliteiten op voorhand als beperkt worden ingeschat. Deze delen van het GNN liggen in zones langs Rijkswegen. Oprichting van windturbines is in deze delen van het GNN mogelijk als samen met de realisatie van de windturbines maatregelen worden getroffen die per saldo aantasting van de kernkwaliteiten van het GNN voorkomen. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden. Voor het plaatsen van windturbines in het verkenningsgebied voor windenergie in het GNN dient het oppervlak van natuur dat verloren gaat voor 200 % gecompenseerd te worden. De versterking wordt vastgelegd in een natuurversterkingsplan
ganzenrustgebied1
mogelijk geschikt wind en zon
in ganzenrustgebieden geldt een 'ja, mits'-beleid van de provincie Gelderland. Windparken en zonnevelden zijn hier weliswaar enkel toegestaan indien (artikel 2.51b): - uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt; en - na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft
groene ontwikkelingszones
mogelijk geschikt voor wind en zon
de GO bestaat uit gebieden rond het GNN, waaronder weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden, en vormt een ecologische verbinding tussen delen van het GNN. In de GO is er sprake van terughoudend beleid van de provincie Gelderland ten aanzien van de ontwikkeling van wind- of zonne-energie. Nieuwe kleinschalige ontwikkelingen zijn onder voorwaarden wel mogelijk
waardevol open gebied
mogelijk geschikt voor wind en zon
voor waardevolle open gebieden is de grootschalige openheid de belangrijkste kernkwaliteit. Daarom geldt als uitgangspunt dat ruimtelijke ingrepen die de openheid aantasten niet zijn toegestaan. Open gebieden zijn soms ook kansrijke plekken voor het opwekken van windenergie. Met het oog op de maatschappelijke opgave voor duurzame energie, is het daarom onder voorwaarden mogelijk om een windturbinepark met meer dan 3 windturbines op te richten in open gebieden. De voorwaarden (Omgevingsverordening artikel 2.62) zijn dat bij het bestemmingsplan aandacht wordt besteed aan de volgende punten: a. de ruimtelijke kenmerken van het landschap; b. de maat, schaal en inrichting in het landschap; c. de visuele interferentie met een nabij gelegen windturbine of windturbines; d. de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap; e. de beleving
1
Het ganzenrustgebied overlapt volledig het stiltegebied.
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage II | Definitief 02
Sturende criteria
Mate van geschiktheid
Onderbouwing van de windturbine of het windturbinepark in het landschap. Bij realisatie van een wind- of zonneveld binnen de grenzen van het waardevol open gebied dient de initiatiefnemer de wijze van compensatie van de kernkwaliteiten en de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed vast te leggen in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan
zone van 1- 8 km rondom Natura 2000-gebied Veluwe
mogelijk geschikt voor wind
in het onderzoek van Altenburg & Wymenga1 is bepaald dat de wespendief de meest beperkende soort is (belangrijkste aandachtsoort) voor het plaatsen van windturbines bij dit natuurgebied; de Veluwe vormt binnen Nederland het kerngebied van de wespendief. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat de realisatie van een windpark buiten de Veluwe onder voorwaarden mogelijk is. De meest relevante criteria daarbij zijn het aantal beoogde turbines en de afstand van de Veluwerand waarop deze worden geplaatst. Op basis van dit onderzoek is vastgesteld dat de plaatsing van (in totaal) 10 turbines op alle afstanden tussen 1– 8 km van de Veluwerand mogelijk is zonder dat dit significant negatieve effecten heeft op de wespendiefpopulatie. Bij 25 turbines is dit pas mogelijk op een afstand van minimaal 5 km. Grote aantallen turbines, zoals 75 of 100, zijn zonder effectieve mitigerende maatregelen niet mogelijk binnen een afstand van 8 km van de Veluwe. Met toepassing van mitigerende maatregelen zoals een stilstandsvoorziening neemt de ruimte voor windturbines nabij de Veluwe wel toe. Er wordt op dit moment nog onderzoek gedaan onder welke randvoorwaarden (met welke maatregelen) realisaties van windprojecten nabij de Veluwe mogelijk zijn
zone van 1 - 8 km rondom Natura 2000-gebied Veluwe
geschikt voor zon
op voorhand worden geen belangrijke knelpunten vanuit natuurwet- en beleid verwacht
zone van 10 km rondom Natura 2000-gebied Rijntakken
mogelijk geschikt voor wind
het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen voor broedvogels, waarvan de verspreiding tijdens het broedseizoen beperkt blijft tot de leefgebieden binnen het Natura 2000-gebied zelf, of hooguit tot een halve kilometer daarbuiten in geval van de roerdomp. Een aantal van de aangewezen niet-broedvogels kan echter op grotere afstand van het Natura 2000-gebied foerageren. Ganzen bijvoorbeeld kunnen tot maximaal 30 kilometer afstand van de slaapplaats foerageren2. Binnen 10 kilometer van slaapplaatsen in de directe omgeving (grootste slaapplaats3 in de Rhederlaag, kleinere slaapplaatsen in de Hondsbroeksche Pleij, Meinerswijk en Immerlooplas) liggen veel geschikte foerageergebieden. Het is daarom aannemelijk dat het overgrote deel van de aangewezen ganzen van Rijntakken binnen 10 kilometer afstand van deze slaapplaatsen foerageert. Naar verwachting is de realisatie van een windpark in deze zone enkel onder voorwaarden (gepaste mitigerende maatregelen) mogelijk
zone van 10 km rondom Natura 2000-gebied Rijntakken
geschikt voor zon
op voorhand worden geen belangrijke knelpunten vanuit natuurwet- en beleid verwacht
1
E. Klop, J. Stahl, H. Sierdsema, P. Alefs, J. Latour 2020. Windenergie op en rondom de Veluwe. Effecten op Wespendief en andere soorten. A&W rapport 20-140, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwalden.
2
Nolet, B.A., J.M. Baveco & H. Kuipers, 2009. Evaluatie opvangbeleid 2005 - 2008 overwinterende ganzen en smienten. Deelrapport.
3
Een modelberekening van de capaciteit van opvanggebieden voor overwinterende ganzen en smienten. Alterra, Wageningen.
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage II | Definitief 02
Beschermde soorten Gezien de grootte van de regio, is het niet mogelijk om op niveau van individuele soorten een beoordeling te doen van het potentieel voorkomen. Wel is hieronder voor zowel wind- als zonnevelden een overzicht gegeven van waar risicosoorten voornamelijk worden verwacht en waar het risico op overtredingen met betrekking tot beschermde soorten groot is. Het betreft een analyse op hoofdlijnen op basis van een deskundigenoordeel. Risico voor beschermde soorten bij realisatie windpark Bij de realisatie van een windpark, zijn vogels en vleermuizen1 de belangrijkste risicosoorten. Effecten treden met name op tijdens de gebruiksfase doordat de draaiende rotorbladen aanvaringsslachtoffers veroorzaken onder vogels en vleermuizen en een verstorende werking kunnen hebben op vogels (door o.a. geluid en slagschaduw). Effecten op andere diersoorten dan vogels en vleermuizen zijn zeer beperkt tot afwezig. Voor deze soorten (bv. kleine ongewervelde dieren) gelden naar verwachting enkel zeer lokale directe effecten door het fysiek verdwijnen of ongeschikt worden van habitat ter plaatse van de mast met fundering. Windturbines kunnen negatieve gevolgen hebben voor vogels. Er is kans op directe sterfte door aanvaring met de rotorbladen of de mast. Daarnaast kunnen de turbines de leefgebieden van vogels verstoren.
Hiermee wordt rekening gehouden bij de planning van een windturbinepark. Sovon heeft in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderzocht waar veel vogelsoorten voorkomen die kwetsbaar zijn voor windparken. Met gegevens over de verspreiding, aantallen en vliegbewegingen van deze vogelsoorten zijn kaarten (zie afbeelding II.1) gemaakt met gebieden waar naar verwachting de risico’s van windturbines op kwetsbare soorten het grootst zijn2. Op basis van deze kaart is te zien dat de hoogste risicozones binnen de regio zich in het oosten van de regio bevinden, in de zone langs de Waal en de Nederrijn.
1
Vleermuissoorten die relatief vaak als slachtoffer worden aangetroffen zijn ‘aerial hawkers’. Het betreft met name soorten die in open omgeving op grotere hoogte jagen. In Nederland lopen vooral gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis risico.
2
Sierdsema H., Foppen R., van Els P., Kampichler C. & Stahl J. 2021. Achtergronddocument windenergie gevoeligheidskaart vogels. Sovon-rapport 2021/09. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage II | Definitief 02
Afbeelding II.1 Risicokaart1 broedvogels en niet-broedvogels i.r.t. windturbines; deelkaart regio Arnhem Nijmegen; Het kaartbeeld geeft in kleuren het relatieve verschil weer tussen gebieden van de kans dat windturbines een negatief effect zullen hebben op zowel broed- als niet-broedvogelpopulaties. In roodtinten de gebieden met de hoogste kans, in oranje en geel de gebieden met de laagste kans. Voor nadere uitleg van de interpretatie en de beperkingen van deze kaartbeelden2 zie Sovon-rapport 2021/09
Ten aanzien van de wet natuurbescherming soortenbescherming een aantal aandachtspunten met betrekking tot de locatiekeuze voor een windpark. Zo is het, om risico’s voor vogels en vleermuizen -en dus voor overtreding van de wet natuurbescherming- te beperken, van belang dat het windpark bij voorkeur wordt gerealiseerd: - buiten de hoge risicozone voor vleermuizen, zoals weergeven in afbeelding II.1; - op een minimumafstand van 200 m van voor vleermuizen relevante landschapselementen (bomenrij, haag, bos(rand), waterloop en oever, kuststrook)3. Omdat aanvaringslachtoffers (vogels en vleermuizen) nooit geheel zijn te voorkomen, is voor de realisatie van een windpark altijd een ontheffing Wnb (inclusief mitigatie- en compensatieplan) nodig. Risico voor beschermde soorten bij realisatie zonneveld Bij de realisatie van zonnevelden zijn de grootste effecten te verwachten voor vogels; dit is dan ook de belangrijkste risicogroep voor dit type projecten. Aanleg van zonnevelden of het plaatsen van zonnepanelen kan de betreffende locatie geheel of gedeeltelijk ongeschikt maken als leefgebied voor vogels. Het gaat om 1
Deze kaart laat niet de daadwerkelijke aanwezigheid van vogels zien. En ook niet de sterfte, of verstoring als er een windturbine in het gebied zou komen te staan. Het is een verwachting van een risico bij plaatsing van windturbines op een bepaalde plek. Deze verwachting is berekend op basis van wat men weet over de aanwezigheid van soorten en de kennis van hun leefgebiedseisen. En de kaart geeft een beeld van alleen de voor windturbines kwetsbare vogelsoorten.
2
Sierdsema H., Foppen R., van Els P., Kampichler C. & Stahl J. 2021. Achtergronddocument windenergie gevoeligheidskaart vogels. Sovon-rapport 2021/09. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Sovon (2021). Gevoeligheidskaart vogels, https://stats.sovon.nl/pub/publicatie/18101, geraadpleegd op 04-07-2022.
3
https://www.eurobats.org/sites/default/files/documents/pdf/Advisory_Committee/AC10_Doc_9_Report_IWG_WindTurbines.pdf.
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage II | Definitief 02
verlies en aantasting van foerageer-, broed-, rust- en slaapplaatsen op land en water. Het afvangen van licht door de panelen kan ook een negatieve invloed hebben op het onderwaterleven en bodemleven en dat kan weer negatieve effecten hebben op de voedselbeschikbaarheid voor vogels1. Ten aanzien van de wet natuurbescherming soortenbescherming een aantal aandachtspunten met betrekking tot de locatiekeuze voor een zonneveld. Zo is het, om risico’s voor vogels - en zo ook een overtreding van de Wnb - zoveel mogelijk te voorkomen, van belang dat de zonnevelden niet worden geplaatst in belangrijke vogelgebieden (N2000, GNN/GO, ganzenrustgebied, weidevogelgebied, waardevol open gebied). Voor de keuze van een geschikte zonneveldlocatie wordt een voorkeursvolgorde gehanteerd: (1) eerst op daken en gevels van gebouwen, (2) dan onbenutte terreinen zonder natuurwaarden in bebouwd gebied, (3) infrastructurele werken en gronden in bebouwd gebied, en (4) tot slot in het landelijk gebied op gronden met geen of zeer weinig belang voor vogels en andere natuurwaarden. Zodra de locatie van een zonneveld bekend is moet nader onderzoek worden gedaan naar de aanwezige beschermde soorten - met name vogelsoorten (belangrijkste risicogroep) - en de functie van het terrein voor deze soorten, zodat een schatting kan worden gemaakt van de impact van de locatiekeuze.
Tabel II.2 Overzicht IHD typen/soorten en globale inschatting van risico op significant negatieve effecten IHD bij realisatie van wind- of zonneveld in het betreffende Natura 2000-gebid Type/ soortgroep
Aangewezen habitattype/soort
Aantal op of boven doelstelling/trend *
Risico significant negatief effect bij realisatie windpark?
Risico significant negatief effect bij realisatie zonneveld?
Habitattype
H2310, H2320, H2330, H3130, H3160, H3260A, H4010A. H4030, H5130, H6230, H6410, H7110B, H7140A, H7150, H7230, H9120, H9190, H91D0, H91E0C
n.v.t.
hoog, negatief effect bij ruimtebeslag binnen habitattype (oppervlakteverlieshabitat)
hoog, negatief effect bij ruimtebeslag binnen habitattype (oppervlakteverlies habitat
Habitatsoort
gevlekte witsnuitlibel
?/? (SvI waarschijnlijk gunstig)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in vennen van Natura 2000 (verlies leefgebied)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in vennen van Natura 2000 (verlies leefgebied)
vliegend hert
?/? (SvI waarschijnlijk gunstig)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in oud eikenbos en beukeneikenbos met hulst binnen Natura 2000 (verlies leefgebied)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in oud eikenbos en beuken-eikenbos met hulst binnen Natura 2000 (verlies leefgebied)
rivierdonderpad
?/? (SvI waarschijnlijk gunstig)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in/aan waterlopen (verlies leefgebied)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in/aan waterlopen (verlies leefgebied)
beekprik
?/? (SvI waarschijnlijk gunstig)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in/aan waterlopen (verlies leefgebied)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in/aan waterlopen (verlies leefgebied)
1
Vogelbescherming Nederland, https://www.vogelbescherming.nl/over-ons/standpunten/standpunt-zonne-energie, geraadpleegd op 4 juli 2022.
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage II | Definitief 02
Type/ soortgroep
broedvogel
Aangewezen habitattype/soort
Aantal op of boven doelstelling/trend *
Risico significant negatief effect bij realisatie windpark?
Risico significant negatief effect bij realisatie zonneveld?
drijvende waterweegbree
?/? (svI waarschijnlijk gunstig)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in/aan waterlopen (verlies leefgebied)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in/aan waterlopen (verlies leefgebied)
kamsalamander
?/? (svI gunstig)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in landbouwenclaves/bosranden binnen Natura 2000 (verlies leefgebied)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in landbouwenclaves/bosranden binnen Natura 2000 (verlies leefgebied)
meervleermuis
?/? (svI gunstig)
matig, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag nabij bunkers (aantasting winterverblijf) en waterrijke gebieden (aantasting/verlies foerageergebied) én mogelijk negatief effect bij onderbreking landschap structuren (obstructie vliegroute) en bij in werking treden turbines (verstoring & beperkt aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag nabij bunkers (aantasting winterverblijf) en waterrijke gebieden (aantasting/verlies foerageergebied)
wespendief
nee/-
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen bos (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen bos (verlies leefgebied)
nachtzwaluw
ja/+
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
ijsvogel
ja/?/
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
draaihals
ja/-
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
zwarte specht
nee/=
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
boomleeuwerik
nee/=
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage II | Definitief 02
Type/ soortgroep
Aangewezen habitattype/soort
Aantal op of boven doelstelling/trend *
Risico significant negatief effect bij realisatie windpark?
Risico significant negatief effect bij realisatie zonneveld?
treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico) duinpieper
nee/-
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
roodborsttapuit
ja/+
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
tapuit
nee/-
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
grauwe klauwier
ja/=
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
Rijntakken Habitattype
H3150, H3260B, H6120, H6430A, H6430B, H6430C, H6510A, H6510B, H9120, H91E0A, H91E0B, H91E0C, H91F0
n.v.t.
hoog, negatief effect bij ruimtebeslag binnen habitattype (oppervlakteverlieshabitat)
hoog, negatief effect bij ruimtebeslag binnen habitattype (oppervlakteverlies habitat
Habitatrichtlij nsoort
zeeprik, rivierprik, elft, zalm, bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, bever, otter
?/?
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in waterpartijen binnen Natura 2000 (verlies leefgebied)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag in waterpartijen binnen Natura 2000 (verlies leefgebied)
kamsalamander
?/?
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
meervleermuis
?/?
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Bijlage II | Definitief 02
Type/ soortgroep
Aangewezen habitattype/soort
Aantal op of boven doelstelling/trend *
Risico significant negatief effect bij realisatie windpark?
Risico significant negatief effect bij realisatie zonneveld?
broedvogel
dodaars
ja/+
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
aalscholver
nee/+
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
roerdomp, eoudaap, grote karekiet, porseleinhoen, kwartelkoning, watersnip, zwarte stern, ijsvogel
nee/?
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
oeverzwaluw
ja/?
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
blauwborst
ja/=
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
laag, mogelijk licht negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)
fuut, aalscholver nonnetje
nee/-
hoog, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied) en bij in werking treden turbines (verstoring & aanvaringsrisico)
matig, mogelijk negatief effect bij ruimtebeslag binnen leefgebied (verlies leefgebied)