Bijlage II Concept NRD planMER RES 2.0 Groene Metropoolregio
Tekst van het document
RES Arnhem-Nijmegen Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau planMER RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen 21 september 2022
Project Opdrachtgever
Document
Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
RES Arnhem-Nijmegen Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau planMER RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen Definitief 02 21 september 2022 130735/22-013.480
130735 K.A. Haans MSc Ir. A.H.J. van Kuijk
F.D. Kesmer MSc, R. de Jong MSc M.M.K. Vanderschuren MSc, K.A. Haans MSc K.A. Haans MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding en achtergrond
5
1.2
Plangebied
6
1.3
De noodzaak van een planMER
7
1.4
Doel van de NRD
8
1.5
Scope van het planMER
9
1.6
Bevoegd gezag en initiatiefnemers
9
1.7
Leeswijzer
10
2
KADERS VANUIT WETGEVING, BELEID EN RICHTLIJNEN
11
2.1
Europees
11
2.2
Nationaal
11
2.3
Provinciaal
12
2.4
Regionaal beleid
15
2.5
Gemeentelijk beleid
18
2.6
Wetgeving en beleid voor wind- en zonne-energie
20
3
ONDERZOEKSAANPAK
21
3.1
Doel en diepgang van het planMER
21
3.2
Vier stappen
21
3.3
Stap 0: startpunt en uitgangspunten onderzoeken planMER
22
3.4
Stap 1: kansen- en belemmeringenkaarten
22
3.5
Stap 2: ontwikkeling reële alternatieven
28
3.6
Stap 3: effectenonderzoeken alternatieven
28
4
VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN
30
4.1
Het voornemen
30
4.2
Stap 1: Kansen- en belemmeringenkaarten
32
4.3
Stap 2: ontwikkeling reële alternatieven
38
4.4
Stap 3: effectenonderzoek alternatieven
44
5
REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU EFFECTENONDERZOEK ENERGIETECHNIEKEN
45
5.1
Plan- en studiegebied
45
5.2
Referentiesituatie
45
5.3
Ingreep-effectrelaties energietechnieken
45
5.4
Beoordelingsschaal
47
6
REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU EFFECTENONDERZOEK WARMTE
52
6.1
Onderzoeksaanpak warmtebronnen
52
6.1.1 6.1.2
54 56
6.2
6.3
Ingreep-effectrelaties warmtebronnen Aanpak effectanalyse warmtebronnen
Onderzoeksaanpak warmteopslag
57
6.2.1 6.2.2
58 59
Ingreep-effectrelaties warmteopslag Aanpak effectanalyse warmteopslag
Onderzoeksaanpak warmtedistributie
59
6.3.1 6.3.2
59 60
Ingreep-effectrelaties warmtedistributie Aanpak effectanalyse warmtedistributie
6.4
Kennisleemten, monitoring en evaluatie
62
7
PROCES EN PARTICIPATIE
63
7.1
M.e.r.-procedure
63
7.2
Inspraak en advies
64
7.2.1 7.2.2
64 64
Participatie Advies Commissie voor de m.e.r.
Laatste pagina
Bijlage(n)
65
Aantal pagina's
I
Autonome ontwikkelingen
4
II
Sturende criteria natuur quickscan
10
III
Lijst met regionaal georganiseerde stakeholders
2
IV
Begrippenlijst
3
1 INLEIDING Voor u ligt de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Deze NRD is onderdeel van het proces om de Regionale Energie Strategie 2.0 (RES 2.0) op te stellen voor de Groene Metropoolregio (GMR) ArnhemNijmegen. De GMR heeft het Rijk in de RES 1.0 een bod gedaan om in 2030 1,62 TWh duurzame energie op te wekken door windturbines, zonnevelden en zon op dak. Daarnaast onderzoekt de GMR de mogelijkheden voor het gebruik van diverse warmtebronnen in de regio. Deze NRD is de eerste stap in de milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.-procedure). De m.e.r.-procedure wordt doorlopen ter onderbouwing van de milieueffecten van windturbines, zonnevelden en het gebruik van warmtebronnen. In deze NRD beschrijven we wat we gaan onderzoeken en hoe we dit gaat doen. De NRD kan daarom worden gelezen als een plan van aanpak voor de milieueffectrapportage. Deze NRD gaat in op de achtergronden van de diverse plannen in de regio, beschrijft de te doorlopen processtappen en de te onderzoeken alternatieven. Daarnaast geven we aan welk beoordelingskader de basis vormt voor de milieuonderzoeken voor het op te stellen planmilieueffectrapport (planMER). Het planMER biedt de bevoegde gezagen vanuit de milieuaspecten beslisinformatie voor het bepalen van de zoekgebieden voor windturbines en zonnevelden in de RES 2.0.
Daarnaast neemt de provincie Gelderland de zoekgebieden voor windturbines op in de nieuwe windvisie.
Definities m.e.r., MER, RES en planMER Binnen de procedure van milieueffectrapportage worden de afkortingen m.e.r. en het MER gebruikt. De m.e.r. duidt de procedure van milieueffectrapportage aan, zoals het onderzoek, de inspraak en alle bijkomende adviezen. De afkorting MER staat voor het eindproduct, het milieueffectrapport. Dit rapport betreft een NRD en wordt opgesteld voor de Regionale Energiestrategie 2.0 (RES 2.0). De RES 2.0 is een kaderstellend plan waaruit toekomstige besluiten volgen voor de ontwikkeling van energie- en warmteprojecten in de RES-regio Arnhem Nijmegen. Het planMER toetst de milieueffecten van (zoek)gebieden, om op deze manier milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. Het planMER is een instrument dat geschikt is voor de planstudiefase met milieubeoordeling op strategisch en relatief abstract niveau.
1.1
Aanleiding en achtergrond
Energieopwekking met behulp van fossiele brandstoffen leidt tot uitstoot van broeikasgassen zoals CO 2. Met name door menselijk handelen is de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer toegenomen. Dit veroorzaakt klimaatverandering in de vorm van opwarming van de aarde. Met het Klimaatakkoord van Parijs (2015) hebben 192 landen afgesproken de opwarming te beperken tot maximaal 2 °C. Deze internationale afspraken zijn in de afgelopen jaren vertaald naar afspraken en doelstellingen op nationaal niveau, die onder andere betrekking hebben op energiebesparing en de opwek van duurzame, fossielvrije energie. De afspraken zijn vervolgens vertaald in nationaal, provinciaal en regionaal beleid, zoals het landelijk Klimaatakkoord uit 2019, het Gelders Energieakkoord en de Regionale Energie Strategie (RES 1.0) Regio Arnhem-Nijmegen (zie hoofdstuk 2).
5 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
De GMR Arnhem-Nijmegen (hierna: de regio) heeft een bod gedaan om 1,62 TWh duurzame elektriciteit grootschalig op te wekken in 2030. Dit is de bijdrage van de regio aan de nationale opgave van 35 TWh duurzame elektriciteit op land1. Dit bod is vastgelegd in de RES 1.0. De regio wil deze doelstelling onder andere realiseren door de ontwikkeling van zonnevelden, grootschalig zon op dak en windturbines. In het bod is uitgegaan van een verhouding van 89 % opgesteld vermogen aan zonnevelden en zon op dak, en 11 % opgesteld vermogen aan windturbines. Deze opwektechnieken verschillen in ruimtebeslag per hoeveelheid op te wekken elektriciteit. Afbeelding 1.1 illustreert het verschil in ruimtebeslag tussen windturbines en zonnevelden. De huidige verhouding tussen zon en wind is in het bod uit de RES 1.0 niet evenwichtig. De capaciteit van het elektriciteitsnet wordt namelijk niet optimaal benut. Daarnaast zorgt de verhouding uit de RES 1.0 tussen zon en wind voor hogere kosten, omdat elektriciteitsnetten uitgebreid en verzwaard moeten worden, enkel voor de inpassing van zonne-energie. In de RES 1.0 hebben de deelnemers afgesproken om te werken aan een betere verhouding tussen zon en wind. Daarom verkent de regio extra gebieden boven op de zoekgebieden voor wind om tot een meer evenwichtige verhouding te komen tussen wind en zon.
Daarnaast is het gebruik van warmtebronnen onderdeel van de RES 1.0. In de RES 1.0 is een eerste basis gelegd met betrekking tot warmte. Er is echter geen specifieke doelstelling aan het gebruik van warmtebronnen gekoppeld.
Afbeelding 1.1 Verschil in ruimtebeslag windturbines en zonnevelden (bron: Nationaal Programma Regionale Energiestrategie)
1.2
Plangebied
Het plangebied is het gebied waarbinnen gezocht wordt naar een geschikte invulling voor de realisatie van het voornemen. Afbeelding 1.2 laat het plangebied en de 16 deelnemende gemeenten zien.
1
In het licht van de verhoogde doelstelling van 55% CO2-reductie in 2030 en de mogelijke stijgende elektriciteitsvraag zullen het Rijk en de medeoverheden bespreken of de doelstelling van 35 TWh herijkt dient te worden. Dit zal worden bezien in samenhang met het Nationaal Plan Energiesysteem (2050) en de vraagontwikkeling (op basis van de input van de werkgroep ‘extra opgave’). Het Rijk en de medeoverheden streven ernaar om in het najaar van 2022 meer duidelijkheid te hebben over de herijking van de doelstelling met aandacht voor het scheppen van de juiste randvoorwaarden.
6 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 1.2 Plangebied Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
1.3
De noodzaak van een planMER
Europese en nationale wetgeving schrijven voor dat voor activiteiten met potentieel significante milieueffecten een m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Dit hangt mede af van de aard en omvang van de activiteit. Het doel van deze m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over de invulling van de RES 2.0. Het opstellen van een planMER helpt om alle (ruimtelijke) belangen en claims zichtbaar te maken en onderling af te wegen. De gevolgen voor onder meer het landschap, de natuur en de leefomgeving worden op een navolgbare- en toetsbare wijze in beeld gebracht. Het vaststellen van de RES 2.0 zal leiden tot een serie besluiten om de energietransitie te realiseren in de regio. De afspraken in de RES 2.0 moeten uiteindelijk, per deelnemende gemeente en door de provincie worden vastgelegd in een ruimtelijk besluit, zoals bijvoorbeeld een Omgevingsvisie en/of Omgevingsplan. De voorgenomen ontwikkelingen hebben betrekking op een plan dat is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1, eerste lid, en 3.6, eerste lid, onderdelen a en b) en daarmee in kolom 3 in categorie D22.2 van het Besluit m.e.r. (zie tabel 1.1). Onder de Omgevingswet (inwerkingtreding 1 januari 2023) wordt dit een Omgevingsplan. Hiermee ontstaat met de RES 2.0 een ruimtelijk plan dat de oprichting van grootschalige duurzame energie mogelijk maakt.
In artikel 2, lid 3 van het Besluit m.e.r. is bepaald dat een dergelijk plan direct plan-m.e.r.-plichtig is, omdat deze een activiteit mogelijk maakt die voldoet aan de drempelwaarden zoals opgenomen in kolom 2. Daarmee geldt voor de voorgenomen ontwikkelingen, en dus voor de RES 2.0, een plan-m.e.r.-plicht. Voorgaande blijkt ook uit onderzoek van de werkgroep ‘RES en plan-m.e.r.’1. Voor de zonnevelden die mogelijk worden gemaakt via de RES 2.0 bestaat geen m.e.r.-plicht. Recent is een procedure doorlopen bij de Raad van State. Hierin heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geconcludeerd dat een zonneveld niet valt in categorie D22.1 (installatie voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770). Aangezien er wel sprake is van een kaderstellend plan, waarbij er een samenhang bestaat tussen windturbines en zonnevelden, heeft het nog op te stellen planMER ook betrekking op de zonnevelden.
1
https://www.commissiemer.nl/actueel/nieuws/resen-zijn-meestal-plan-mer-plichtig.
7 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Tabel 1.1 Categorie uit het Besluit m.e.r. van toepassing op de ontwikkeling
D 22.2
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark
in gevallen waarin de
de structuurvisie, bedoeld
het besluit bedoeld in artikel 6.5,
activiteit betrekking
in de artikelen 2.1, 2.2 en
onderdeel c, van de Waterwet, het
heeft op:
2.3 van de Wet
besluit, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
1
een gezamenlijk
ruimtelijke ordening, en
van de Wet windenergie op zee of de
vermogen van
de plannen, bedoeld in
besluiten waarop afdeling 3.4 van de
15 megawatt
de artikelen 3.1, eerste
Algemene wet bestuursrecht en een
(elektrisch) of
lid, 3.6, eerste lid,
of meer artikelen van afdeling 13.2
meer; of
onderdelen a en b, van
van de wet van toepassing zijn dan
10 windturbines
die wet
wel waarop titel 4.1 van de Algemene
2
of meer
wet bestuursrecht van toepassing is
De m.e.r.-procedure waar deze NRD onderdeel van uitmaakt, heeft tot doel om de besluitvorming over de RES 2.0 te ondersteunen. Het planMER draagt hieraan bij door voorkeuren en risico’s voor de uitvoerbaarheid vanuit het milieu inzichtelijk te maken. Daarnaast brengt het planMER de milieueffecten in beeld tussen de nog te bepalen zoeklocaties. Het planMER is een instrument dat geschikt is voor de planstudiefase met milieubeoordeling op strategisch en relatief abstract niveau, ter ondersteuning van bijvoorbeeld de verdeling tussen wind- en zonne-energie in de regio en de daarbij behorende zoekgebieden. Bij de nadere uitwerking op projectniveau wordt een zogenaamd projectMER ingezet. Dit omvat gedetailleerder onderzoek naar de gevolgen van het desbetreffend project op het milieu. Deze NRD is het startpunt van een planMER.
1.4
Doel van de NRD
Deze NRD heeft tot doel om betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de inhoud en diepgang van het op te stellen planMER en hen te raadplegen over hun zienswijzen. De reacties betrekken we in de verdere uitvoering van het onderzoek. Daarnaast worden in deze NRD de kaders voor de milieuonderzoeken bepaald. Hiermee is de NRD een belangrijke stap in de procedures richting de RES 2.0. De NRD leggen we apart voor advies voor aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-m.e.r.). De binnengekomen reacties (zienswijzen) en adviezen verwerken we in een reactienota. De bevoegde bestuursorganen stellen de NRD en de reactienota gezamenlijk vast. De NRD en de reactienota vormen hiermee het uitgangspunt voor het opstellen van het planMER. Participatie is een belangrijk onderdeel van deze NRD (zie hoofdstuk 7). De inhoud van de thema’s, de bijbehorende onderzoeken en de te onderzoeken alternatieven, worden mede opgehaald in een participatief proces en zijn beschreven in deze NRD.
8 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
1.5
Scope van het planMER
Het planMER dat aansluitend aan deze NRD wordt opgesteld geeft antwoord op de volgende vraag: Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van ten minste 1,62 TWh12 duurzame elektriciteitsambitie, regionale warmtebronnen en de benodigde energieinfrastructuur binnen de Groene Metropoolregio, en hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden ingevuld aan de hand van vier thematische alternatieven? Het planMER biedt feitelijke beslisinformatie aan de bevoegde bestuursorganen over welke gebieden in de regio geschikt zijn (geen milieubelemmeringen), geschikt te maken zijn (zachte milieubelemmeringen) en niet geschikt (harde milieubelemmeringen) zijn voor grootschalige energieopwek in 2030 op basis van milieueffecten. Het doel is vergunningverlening voor de energieprojecten uiterlijk op 1 januari 2025 om realisatie voor 2030 mogelijk te maken. De provincie Gelderland stelt gelijktijdig een windvisie op. De resultaten van het planMER van de regio worden opgenomen in de windvisie van de provincie. Naast de zonnevelden en windturbines brengen we de milieueffecten van warmtebronnen op hoofdlijnen in beeld. Waterkracht is geen onderdeel van het planMER. Hoewel bij de ontwikkeling van waterkracht milieueffecten worden verwacht, zijn de mogelijkheden voor waterkracht in de regio beperkt.
Hierdoor is een vergelijking van locaties binnen de regio niet goed mogelijk. Bij concrete waterkrachtprojecten, kunnen de milieueffecten in beeld worden gebracht via bijvoorbeeld een projectMER. In het planMER onderzoeken we nadrukkelijk geen specifieke locaties. Ook volgt er uit het planMER geen rangschikking van locaties of een voorkeursalternatief. De bevoegde bestuursorganen zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor de keuze van zoekgebieden voor de opwek van wind- en zonne-energie. Hierover vindt afstemming plaats op regioniveau. De zoekgebieden die de bevoegde bestuursorganen vastleggen, worden opgenomen in de RES 2.0. De RES 2.0 kan vervolgens worden doorgevoerd in het provinciaal en gemeentelijk beleid.
1.6
Bevoegd gezag en initiatiefnemers
Bij een m.e.r. is sprake van 3 formele rollen: een bevoegd gezag, een initiatiefnemer en adviseurs. Het bevoegd gezag is de instantie die het m.e.r.-plichtige besluit vaststelt (de RES 2.0). Hiervoor zijn de gemeenteraden van de 16 regiogemeenten en de Gelderse Provinciale Staten bevoegd gezag. De Provinciale Staten stellen daarnaast het provinciale windbeleid vast. De initiatiefnemer is degene die het plan opstelt. In dit geval zijn dat voor de RES 2.0 de colleges van B&W van de 16 gemeenten in de GMR Arnhem-Nijmegen en het college van Gedeputeerde Staten (GS). De dagelijkse besturen (DB) van de 3 waterschappen die deelnemen aan de RES GMR nemen kennis van het plan. Daarnaast zijn er diverse adviseurs, die adviseren over de inhoud van het planMER. Belangrijk daarbij is de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-m.e.r.), maar ook andere overheden en insprekers.
1
Het aandeel zon-op-dak van 0,49 TWh wordt in het planMER niet getoetst op milieueffecten.
2
In het licht van de verhoogde doelstelling van 55 % CO2-reductie in 2030 en de mogelijk stijgende elektriciteitsvraag zullen het Rijk en de medeoverheden bespreken of de doelstelling van 35 TWh herijkt dient te worden. Dit zal worden bezien in samenhang met het Nationaal Plan Energiesysteem (2050) en de vraagontwikkeling (op basis van de input van de werkgroep ‘extra opgave’). Het Rijk en de medeoverheden streven ernaar om in het najaar van 2022 meer duidelijkheid te hebben over de herijking van de doelstelling met aandacht voor het scheppen van de juiste randvoorwaarden.
9 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
1.7
Leeswijzer
Voorliggende NRD beslaat 7 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 presenteert het beleidskader, met een toelichting op de relevante beleidsstukken, wetten en regelgeving. Hoofdstuk 3 geeft inzicht in de onderzoeksaanpak, hoofdstuk 4 licht de activiteit, de locatieonderbouwing van het plangebied en de alternatieven toe. In hoofdstuk 5 worden de beoordelingskaders voor de beschrijving van de milieueffecten van de energietechnieken toegelicht, met het daarbij behorend overzicht van de beoordelingscriteria. Hoofdstuk 6 behandelt de reikwijdte en detailniveau voor de warmtebronnen. Ten slotte geeft hoofdstuk 7 een toelichting op het te doorlopen proces en het participatie- en communicatieproces.
10 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
2 KADERS VANUIT WETGEVING, BELEID EN RICHTLIJNEN Wet- en regelgeving en beleid stellen randvoorwaarden aan en bevatten ambities voor de ontwikkeling van de RES 2.0. In dit hoofdstuk beschrijven we de algemeen geldende kaders vanuit wetgeving, beleid en richtlijnen. Naast deze algemene kaders, zijn voor elk thema specifieke kaders van toepassing. Deze lichten we toe in hoofdstuk 5 en 6.
2.1
Europees
Europese Green Deal De Green Deal heeft als doel om de Europese Unie (EU) klimaatneutraal te maken tegen 2050. Het realiseren van deze transitie is een prioriteit voor de Commissie Von der Leyen. Deze doelstelling ligt in lijn met het klimaatakkoord van Parijs om de klimaatopwarming te houden op een maximale stijging van 2 °C. Tegelijkertijd streeft men ernaar om de klimaatopwarming binnen de 1,5 °C houden. Om deze doelstellingen te bereiken wil de EU tegen 2030 de uitstoot van broeikasgassen met 55 % laten dalen. Om die reden introduceert de EU wetgevende voorstellen die vallen onder het ‘Fit-for-55’-pakket. De opwarming van de aarde is nauw verbonden met verschillende beleidsdomeinen zoals energie, vervoer, milieu, staatssteun en aanbesteden. De EU streeft naar de integratie van duurzaamheid binnen deze beleidsdomeinen. Veel van het voorgestelde beleid zal uiteindelijk op lokaal en regionaal niveau moeten worden uitgevoerd.
2.2
Nationaal
Klimaatakkoord De Nederlandse CO2-reductieopgave voor 2050 komt voort uit het internationale Verenigde Naties Klimaatakkoord van Parijs (Parijs, 2015). In 2017 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het internationale Klimaatakkoord, waardoor de opgave voor 2050 wettelijk is vastgelegd. De huidige doelstellingen voor de energietransitie komen voort uit de Europese Klimaatwet (Fit-for-55, 2021): 1 emissies van broeikasgassen liggen in 2030 55 % lager dan in 1990; 2 klimaatneutraliteit in 2050. In het nationale Klimaatakkoord (2019) 1 is uitgewerkt hoe Nederland de doelstellingen wil bereiken. Het nationale Klimaatakkoord vormt het kader voor de Regionale Energiestrategie (RES). In de RES wordt op regionaal niveau (in 30 regio’s) de strategie vastgelegd voor de omschakeling van een maatschappij die draait op voornamelijk fossiele energie naar een fossielvrije energievoorziening. De RES (zie paragraaf 2.3) moet bijdragen aan het realiseren van de doelstelling om 35 TWh (terawattuur) 2 aan elektriciteit op land op te wekken per 2030, of eerder indien mogelijk. Met de RES worden decentrale overheden in staat gesteld een goed plan met maatschappelijke acceptatie op te stellen. Hierbij verkennen provincies, gemeenten, 1
Zie: https://www.klimaatakkoord.nl/.
2
Een Terawattuur staat gelijk aan 1 miljard Kilowattuur (kWh). Ter referentie: een Nederlands huishouden verbruikt jaarlijks circa 3.500 kWh aan elektrische energie. Bron: https://www.klimaatakkoord.nl/elektriciteit/vraag-en-antwoord/eenheden-vanenergie-en-vermogen.
11 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
waterschappen, netbeheerders en - in de meeste gevallen - burgers gezamenlijk de (on)mogelijkheden voor duurzame elektriciteit, meestal in de vorm van wind- of zonne-energie. Verhoging doelstellingen In het licht van de verhoogde doelstelling van 55 % CO2-reductie in 2030 en de mogelijk stijgende elektriciteitsvraag zullen het Rijk en de medeoverheden bespreken of de doelstelling van 35 TWh herijkt dient te worden. Dit zal worden bezien in samenhang met het Nationaal Plan Energiesysteem (2050) en de vraagontwikkeling (op basis van de input van de werkgroep ‘extra opgave’). Het Rijk en de medeoverheden streven ernaar om in het najaar van 2022 meer duidelijkheid te hebben over de herijking van de doelstelling met aandacht voor het scheppen van de juiste randvoorwaarden. In een kamerbrief van 2 juni 2022 (kenmerk: DGKE-K / 22219034) heeft de Minister voor Klimaat en Energie aangegeven dat zowel in het licht van het Urgenda-vonnis als de realisatie van de 55 % reductie in 2030, een versnelling van de emissiereductie noodzakelijk. Om met voldoende zekerheid het aangescherpte doel van 55 % reductie in 2030 te realiseren, wil het kabinet zich bij de uitwerking van het klimaatbeleid richten op 60 % emissiereductie, zodat ook bij tegenvallers de 55 % reductie niet in het geding is. De besluitvorming over de aanscherping van het beleidsprogramma vindt plaats in het voorjaar van 2023.
Nationale Omgevingsvisie De Rijksoverheid kiest in de Nationale Omgevingsvisie1 voor het realiseren van de opgave van duurzame energie voor de kwaliteit van de omgeving en het combineren van functies. Grootschalige clustering van de productie van duurzame energie (door windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden) heeft de voorkeur. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met andere waarden, zoals landschappelijke kenmerken, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water en bodem, én maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Daarnaast is de voorwaarde dat bewoners betrokken zijn, invloed hebben en meeprofiteren in de opbrengsten. Omgevingswet Op 1 januari 2023 treedt Omgevingswet in werking. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in één nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Wanneer de RES 2.0 wordt vastgelegd in een programma geldt een plan-m.e.r.-plicht zodra het programma ‘kaderstellend’ is voor m.e.r.-plichtige besluiten (zie paragraaf 1.3). Het begrip ‘kaderstellend’ moet ruim worden uitgelegd.
Een programma is al kaderstellend als het ‘de toon zet voor’ vervolgbesluitvorming. Voor een RES is het hierbij van belang of het document (indicatieve) criteria of voorstellen bevat voor ruimtelijke keuzes, omvang of wijze van uitvoering van energieprojecten. In dit geval worden er zoekgebieden vastgelegd in de RES 2.0, waarmee de RES 2.0 een kaderstellend plan is.
2.3
Provinciaal
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De provincie Gelderland wil in 2050 volledig klimaatneutraal zijn. In 2030 wil de provincie een broeikasgasreductie van 55 % in Gelderland. Dit bereikt de provincie door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. De provincie stimuleert innovatie en het uitrollen van bewezen technieken. De provincie streeft naar een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten. Voor het opwekken, opslaan en transporteren van duurzame energie is ruimte nodig; veel ruimte. Windturbines, zonnevelden, warmtecentrales, (mest-)vergisters, 1
Zie: https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/.
12 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
waterkrachtcentrales moeten een plek krijgen in het Gelderse landschap, wil de provincie haar ambitie halen. Dit raakt de leefomgeving van alle Gelderlanders en kan conflicteren met andere Gelderse kwaliteiten – zoals de natuur, het rivierenlandschap met de uiterwaarden en het erfgoed.
Afbeelding 2.1 Visieschets voor het gesprek over energietransitie (bron: omgevingsvisie Gaaf Gelderland)
Beleidslijn windenergie Als bijlage bij de Omgevingsvisie is de beleidslijn windenergie opgenomen. Deze is vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van Gelderland op 26 februari 2019. Deze beleidslijn verduidelijkt de bedoeling van de provincie met de Visieschets (afbeelding 2.1) voor het gesprek over Energietransitie. De beleidslijn beschrijft hoe en waar de provincie windturbines gerealiseerd wil zien. Dit beleid verwoordt de hiervoor geldende provinciale benadering. Omgevingsverordening De Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerd op 1 februari 2022) beschrijft de regels behorende bij de Omgevingsvisie. Er wordt op hoofdlijnen onderscheid gemaakt tussen de opwek van grootschalige windenergie en zonne-energie. Windenergie In paragraaf 2.7.1 zijn de ‘Instructieregels windturbines’ opgenomen. Artikel 2.62 stelt dat een bestemmingsplan dat de oprichting van een windturbine of windturbinepark mogelijk maakt, aandacht besteedt aan: 1 de ruimtelijke kenmerken van het landschap; 2 de maat, schaal en inrichting in het landschap; 3 de visuele interferentie met een nabijgelegen windturbine of windturbines; 4 de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap; 5 de beleving van de windturbine of het windturbinepark in het landschap.
Daarnaast stelt artikel 2.63 dat windturbines niet geplaatst mogen worden in rustgebieden voor winterganzen, de weidevogelgebieden en delen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Met betrekking tot windturbines in Gelders natuurnetwerk (GNN) volgt uit artikel 2.39 dat dit alleen is toegestaan als er geen nadelige gevolgen zijn voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het GNN. Nieuwe activiteiten binnen Groene ontwikkelingszones (GO) (artikel 2.52) zijn alleen toegestaan als de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in de bijlage ‘Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene
13 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
ontwikkelingszone’, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. In artikel 1a.3 zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot afwijkruimte van de instructieregels. Voor weidevogelgebieden geldt op basis van artikel 2.51a dat een nieuw bestemmingsplan in ieder geval windturbines niet toe staat. Hier kan middels de bepalingen in artikel 1a.2 niet van worden afgeweken. De bepalingen in artikel 1a.3 ten aanzien van afwijkruimte van de instructieregels voor windturbines in rustgebieden voor winterganzen, delen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, GO en GNN zijn de volgende: a er is sprake van een groot openbaar belang; b er zijn geen reële alternatieve locaties beschikbaar; c er worden tijdig effectieve compenserende maatregelen getroffen met het oog op de betrokken provinciale belangen. Als groot openbaar belang wordt onder andere de duurzame opwekking van energie beschouwd, voor zover dit een significante bijdrage levert aan de regionale, provinciale of landelijke energiedoelstelling. Wel geldt dat er compensatie plaats dient te vinden van hetgeen bepaald is in afdeling 2.6 (natuur en landschap) van de Omgevingsverordening. De overblijvende effecten dienen gelijkwaardig te worden gecompenseerd in overeenstemming met paragraaf 2.6.2.
Voor de instructieregels ter bescherming van het GNN (onder andere artikel 2.39) geldt dat alleen afgeweken kan worden als er geen reële alternatieven zijn. Dit wijkt af van de bepaling met betrekking tot alternatieve locaties, waarbij gekeken dient te worden naar alternatieve locaties. Artikel 2.42 biedt de volgende afwijkingsruimte specifiek voor windturbines: 1 voor een locatie binnen het gebied dat is aangeduid als Gelders natuurnetwerk, zijn windturbines onder voorwaarden mogelijk als de compensatie voor windturbines en omliggende verharding bestaat uit maatregelen waarbij: a de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met bijlage ‘Gelijkwaardige natuurbeheertypen’; b de oppervlakte aan natuur die verloren gaat voor 200 % wordt gecompenseerd; 2 de initiatiefnemer legt de wijze van compensatie van de kernkwaliteiten en de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Zonnevelden Voor zonnevelden zijn de hierboven genoemde voorwaarden eveneens van toepassing (met uitzondering van artikel 2.42 en 2.62). In aanvulling hierop zijn in paragraaf 2.7.4 de ‘Instructieregels zonnevelden in het buitengebied’ opgenomen.
Artikel 2.65a (gebieden of locaties voor zonnevelden) stelt het volgende: - als een bestemmingsplan zonnevelden in het buitengebied mogelijk maakt, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik rekening gehouden met: a de bijdrage van zonne-energie aan de lokale energiebehoefte; b de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied en op daken van gebouwen in die behoefte te voorzien; c de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van gebieden of locaties waar zonnevelden mogelijk zijn en de wijze waarop deze kwaliteit behouden of blijvend versterkt kan worden; d de samenhang met het omringende landschap; e de consequenties voor het elektriciteitsnet; en f het huidige grondgebruik; - het bestemmingsplan verzekert een gebruikstermijn van maximaal 30 jaar en dat na beëindiging van het gebruik het zonneveld wordt verwijderd; - het bestemmingsplan bepaalt in welke mate de bij aanleg en gebruik van een zonneveld gerealiseerde versterking van de ruimtelijke kwaliteit na verwijdering van het zonneveld in stand wordt gehouden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met in ieder geval de bepalingen uit artikel 2.39 en 2.51a. Geconcludeerd kan worden dat er mogelijkheden zijn voor de ontwikkeling van windturbines en
14 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
zonnevelden binnen enkele aangewezen natuurgebieden en landschappen (niet van toepassing voor weidevogelgebieden). Hiervoor dient voldaan te worden aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 1a.3. Gelders Klimaatplan 2021 - 2030 Het Gelders Klimaatplan 2021 - 20301 staat voor een broeikasgasreductie van 55 % ten opzichte van 1990 in 2030. In Gelderland werken 6 regio’s aan een RES. Doorgerekend naar rato van potentie lijkt een Gelderse bijdrage van 3,4 TWh aan de landelijke doelstelling realistisch, zoals blijkt uit het Gelders Klimaatplan. Een optelling van de biedingen uit de 6 RES’en leidt tot 6,5 TWh. In RES 2.0 en verder zal de realiteitswaarde van de biedingen blijken, omdat de plannen dan concreter worden uitgewerkt. Als in de praktijk blijkt dat niet alle locaties daadwerkelijk ontwikkeld kunnen worden, verwacht de provincie dat alternatieven nodig zijn. Dit kan door op zoek te gaan naar nieuwe locaties, ofwel door te zoeken naar extra CO2-reductie binnen andere domeinen om de doelen voor 2030 te halen.
2.4
Regionaal beleid
Regionale Energiestrategie (RES 1.0) Regio Arnhem-Nijmegen De RES 1.0 voor de GMR Arnhem-Nijmegen is in 2021 vastgesteld door de bevoegde gezagen. In de RES 1.0 heeft de regio samen met maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners de mogelijkheden onderzocht voor het opwekken van duurzame elektriciteit op land en het gebruik van warmtebronnen. De RES 1.0 gaat over de opwekking van duurzame elektriciteit via windturbines, zonnevelden en zon op grote daken (>15 kWP), de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de benodigde opslag en energie infrastructuur. Voor de keuzes die gemaakt zijn in de RES is een afwegingskader opgesteld (afbeelding 2.2). De criteria binnen dit afwegingskader zijn de ruimtelijke kwaliteit in relatie tot de opgave, het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak, de energieopbrengst en kostenefficiëntie (systeemefficiëntie) van de maatregelen. Er is ook gekeken naar kansen om de energieopgave te combineren met andere geplande of gewenste ingrepen in het landschap, de zogenaamde integraliteit (koppelkansen). Tot slot is de kansrijkheid van grootschalige opwekking van zon- en windenergie getoetst aan belemmerend beleid rond bijvoorbeeld natuur, defensie, veiligheid, landschap en cultuurhistorie.
Afbeelding 2.2 Afwegingskader RES 1.0
De regio draagt met 1,62 TWh bij aan de landelijke ambitie van 35 TWh opwekking via onder andere zonnevelden, grootschalig zon op dak en windturbines. De basis is de inzet op de mogelijkheden van zonnepanelen op grote daken. Daar is 0,49 TWh aan opgesteld vermogen voorzien. Binnen de regionale
1
Geraadpleegd via website provincie Gelderland ‘Een klimaatneutraal Gelderland’.
15 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
zoekgebieden gaat het om 0,92 TWh aan vermogen door zonnevelden en windturbines en buiten regionale zoekgebieden nog eens 0,20 TWh (afbeelding 2.3).
Afbeelding 2.3 Bod RES 1.0 verdeeld per locatie
Op het niveau van de RES 1.0 is ook gekeken naar de gebieden in de regio waar de ontwikkeling van grote warmtenetten kansrijk is. Rond deze bovenlokale (of soms zelfs bovenregionale) warmtebronnen zal de komende jaren een structureel gesprek plaatsvinden met alle betrokken partijen, om af te stemmen op welke wijze deze bronnen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet om de warmtetransitie te doen slagen. Uiteindelijk is de RES 1.0 vastgesteld met daarin de zoekgebieden voor de realisatie van windturbines en zonnevelden (afbeelding 2.4). Daarnaast zijn er nog enkele aanvullende verkenningsgebieden voor windturbines vastgelegd, om zo meer mogelijkheden voor windenergie in beeld te brengen (afbeelding 2.5). Deze gebieden tellen niet mee in het bod van 1,62 TWh van de RES 1.0, maar wil de regio in het RES 2.0 proces nader onderzoeken.
16 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 2.4 Bod RES 1.0 regionale zoekgebieden
Afbeelding 2.5 Verkenningsgebieden wind in RES 2.0
17 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
2.5
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisies De Omgevingsvisies van de gemeenten in de regio zijn kaderstellend voor de ontwikkelingen binnen de regio. De Omgevingsvisie is 1 van de instrumenten uit de Omgevingswet. Deze nieuwe wet gaat in op 1 januari 2023. Er is daarom alleen gekeken naar de omgevingsvisies binnen de gemeenten en niet naar bijvoorbeeld (veelal verouderde) structuurvisies. Tabel 2.1 toont een beknopt overzicht van de Omgevingsvisies binnen de regio Arnhem-Nijmegen. Elke gemeente moest voor eind 2021 ook een Transitievisie Warmte hebben vastgesteld. Gemeenten maken het tijdspad inzichtelijk: wanneer kunnen welke wijken of buurten van het aardgas worden afgekoppeld?
Tabel 2.1 Overzicht van de omgevingsvisies van de gemeenten binnen de GMR Gemeente
Omgevingsvisie
Beschrijving
Voortgang
Arnhem
Omgevingsvisie Arnhem 2040
de Omgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving van Arnhem. Het geeft een beeld van Arnhem in 2040 als een groene, vitale stad met ruimte voor meer inwoners en bedrijvigheid. In de Omgevingsvisie zijn de opweklocaties voor wind en zon en het zoekgebied zon uit de RES 1.0 opgenomen
opstellen Omgevingseffect Rapport (OER) voor concept
Berg en Dal
Omgevingsvisie Berg en Dal
de gemeente Berg en Dal is op dit moment een koersdocument aan het opstellen om oplossingen voor de vraagstukken te zoeken en de visie op hoofdlijnen te bepalen. Het huidige beleid is opgenomen in het Actieplan Duurzaamheid
voorbereiding
Beuningen
Omgevingsvisie Beuningen 2040
de Omgevingsvisie richt zich op 5 ambities, waaronder een energieneutraal en klimaatbestendig Beuningen. De gemeente faciliteert de energietransitie: verduurzaming van de energiebronnen en bijbehorende infrastructuur (duurzame opwekking van energie: windenergie, zonne-energie et cetera)
vastgesteld in december 2021
Doesburg
nader te bepalen
nader te bepalen
nader te bepalen
Druten
Omgevingsvisie Druten 2035
in de omgevingsvisie legt de gemeente vast hoe de gemeente ook in 2035 een fijne plek is om te wonen, werken, leven en genieten
voorbereiding opstellen concept
Duiven
Omgevingsvisie Duiven
in de Omgevingsvisie benoemt de gemeente dat het in 2050 energieneutraal wil zijn. De realisatie van grootschalige opwek van hernieuwbare energie (zon en wind) is hiervoor nodig. Het uitgangspunt is dat de gemeente Duiven een bijdrage levert aan de versnelling van de energietransitie, passend bij de maat en ruimtelijke kwaliteiten van de gemeente. In de Omgevingsvisie zijn expliciet de zoekgebieden wind en zon aangewezen die in de gemeente Duiven vallen binnen het zoekgebied WZ5 van de RES 1.0 regio Arnhem Nijmegen
vastgesteld in februari 2022
18 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Gemeente
Omgevingsvisie
Beschrijving
Voortgang
Heumen
Omgevingsvisie Heumen
de Omgevingsvisie verwoordt de doelstellingen en ambities van de gemeente Heumen ten aanzien van de fysieke leefomgeving voor de komende 10 jaar
opstellen koersdocument
Lingewaard
Omgevingsvisie Lingewaard
de gemeente werkt aan het opstellen van een concept Omgevingsvisie. Hierin staat onder andere benoemd dat de gemeente een positieve houding heeft ten opzichte van initiatieven voor windmolens. De A15-zone is een kans voor de ontwikkeling van duurzame opwek van energie
opstellen concept Omgevingsvisie
Nijmegen
Omgevingsvisie 2020 - 2040
in de Omgevingsvisie staan uitgangspunten voor het gebruik van de ruimte in Nijmegen. Het doel is om uiterlijk in 2045 energieneutraal en aardgasvrij te zijn. In de Omgevingsvisie is een kaart opgenomen waarbij gebieden voor potentiële windturbines en zonnevelden zijn aangewezen
vastgesteld in oktober 2020
Overbetuwe
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040
de omgevingsvisie is een integrale en toekomstbestendige koers voor de leefomgeving in Overbetuwe. Er wordt benoemd dat de gemeente inzet op clustering van grootschalige opwek in de zone rondom de A15 en de Betuweroute en dat hier ruim 500 TJ aan duurzame stroom gaat worden opgewekt
vastgesteld in oktober 2019
Rheden
Omgevingsvisie Rheden
de Omgevingsvisie Rheden wordt op dit moment opgesteld. Naar verwachting wordt deze vastgesteld medio 2023
voorbereiding
Renkum
Omgevingsvisie Renkum 2040
in de Omgevingsvisie Renkum 2040 is de RES 1.0 verwerkt. De gemeente zet in op zon op dak en zonnevelden. Windenergie is hierbij tot 2030 niet in beeld
vastgesteld in januari 2022
Rozendaal
Omgevingsvisie Rozendaal
inhoud nog niet bekend
voorbereiding
Westervoort
Omgevingsvisie Westervoort
Westervoort wil in de toekomst een duurzaam thuis, een gezonde, sociale en veilige omgeving, een vitale economie en een goede bereikbaarheid voor haar inwoners realiseren. De gemeente wil bijdragen aan de RES. De gemeente Westervoort werkt mee aan alle RESopgaven. Noch in de RES 1.0, noch in de Omgevingsvisie Westervoort zijn er mogelijkheden opgenomen voor zoekgebieden voor de grootschalige opwek van wind- en zonne-energie
vastgesteld in september 2021
Wijchen
Omgevingsvisie Druten
de gemeente zit in de voorbereidende fase voor de Omgevingsvisie. De centrale hierbij zal zijn: hoe zet de gemeente Wijchen eruit in 2035?
voorbereiding
Zevenaar
Omgevingsvisie Zevenaar
de omgevingsvisie voor Zevenaar is de strategische, integrale lange termijnvisie (2040) voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie zit in de voorbereidende fase
voorbereiding
19 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
2.6
Wetgeving en beleid voor wind- en zonne-energie
Bovenstaande paragrafen beschrijven op hoofdlijnen de wettelijke kaders en beleidskaders die van toepassing zijn voor de ontwikkeling. Daarnaast is ook milieuwetgeving van toepassing op de voorgenomen ontwikkelingen. Bij het planMER wordt per milieuthema de relevante wetgeving en beleid beschreven en toegelicht. Zodra er duidelijkheid is over nieuwe nationale en provinciale kaders, bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit en de provinciale Omgevingsverordening, worden die, indien redelijkerwijs mogelijk, meegenomen in het planMER.
20 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
3 ONDERZOEKSAANPAK In dit hoofdstuk lichten wij de toegepaste onderzoeksaanpak toe.
3.1
Doel en diepgang van het planMER
Het planMER heeft tot doel om de besluitvorming voor de RES 2.0 te ondersteunen. Het planMER draagt hieraan bij door mogelijkheden en risico’s voor de uitvoerbaarheid vanuit milieuperspectief inzichtelijk te maken. Daarnaast brengen we met het planMER de effecten in beeld die verschillen tussen locaties en/of tussen de verschillende energie- en warmtetechnieken. Het gaat daarbij om onderscheidende milieueffecten met een effectduur die langer is dan de aanlegfase, zie onderstaand kader. Tijdelijke effecten in het planMER Tijdelijke effecten die na de aanlegfase voorbij zijn (zoals een tijdelijke invloed op het landschap of op ruimtegebruik door aanlegwerkzaamheden), beschouwen we in het planMER niet, tenzij deze een risico vormen voor de uitvoerbaarheid. Tijdelijke effecten zijn over het algemeen niet bepalend voor de keuze van gebieden of een keuze tussen de verschillende energie- en warmtetechnieken. Effecten die weliswaar optreden tijdens de aanlegfase, maar een langere doorwerking hebben (zoals stikstofdepositie), worden eveneens niet beschouwd in het planMER. Dit kan, evenals overige tijdelijke effecten, worden beschouwd in een projectMER voor concrete projecten. In het planMER wordt nader toegelicht welke effecten niet worden beschouwd en waarom.
De diepgang van de effectanalyses in het planMER heeft een detailniveau dat aansluit bij het detailniveau van de keuzes die voorliggen in de RES 2.0. Het gaat daarbij om de keuze voor zoekgebieden, de keuze voor een techniek en de mate waarin een mix tussen de technieken wordt ingezet. Op dit moment is het enkel mogelijk om generieke analyses uit te voeren die vanuit milieuaspecten mede richting geven aan de keuze voor zoekgebieden en/of technieken.
3.2
Vier stappen
Het plan-m.e.r.-proces doorloopt verschillende stappen. De RES 1.0 is het startpunt voor het planMER en geeft richting aan de scope van de onderzoeken. Zo heeft de RES 1.0 de doelstelling voor energieopwek en de kansrijke energie- en warmtetechnieken vastgelegd, zie paragraaf 2.4. In het planMER onderzoeken we in hoeverre deze technieken ook vanuit milieuperspectief geschikt zijn. Op hoofdlijnen bestaat het m.e.r.-proces voor RES Arnhem-Nijmegen uit de volgende stappen (zie afbeelding 3.1).
21 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Afbeelding 3.1 Stappenplan plan-m.e.r.-proces
Stap 0: startpunt en uitgangspunten onderzoeken planMER
Stap 1: kansen- en belemmeringenkaarten
Stap 2:
Stap 3:
ontwikkeling reële alternatieven
effectonderzoeken reële alternatieven
Stappen 0, 1 en 2 leiden tot de reële alternatieven en zijn beschreven in deze NRD. Stap 3 behoort tot het planMER.
3.3
Stap 0: startpunt en uitgangspunten onderzoeken planMER
Doel, proces en resultaat Het doel van stap 0 is om het voornemen en de uitgangspunten voor de onderzoeken vast te stellen als basis van het planMER. Hierbij staat de volgende vraag centraal: welke doelen en technieken gaan wij in het planMER onderzoeken en worden vervolgens in de RES overwogen? In stap 0 wordt de doelstelling voor duurzame opwekking van elektriciteit bepaald. Het bod van de RES 1.0 wordt geanalyseerd vanuit de huidige situatie, zodat het planMER uitgaat van de meest recente informatie (peildatum: 1 januari 2022). Er zijn namelijk al plannen ontwikkeld of in ontwikkeling, die bijdragen aan het bestaande bod. Daarnaast beschrijven we de onderdelen van de RES (energietechnieken en warmtetechnieken) die in het planMER worden beoordeeld vanuit milieuoogpunt. Hierbij worden de kenmerken van de windturbines (onder andere ashoogte, vermogen), zon op land (onder andere oriëntatie en omvang in hectares), warmtebronnen en warmte-infrastructuur bepaald. De technieken die de regio heeft vastgesteld in RES 1.0 zijn leidend.
3.4
Stap 1: kansen- en belemmeringenkaarten
Doel, proces en resultaat Het doel van de eerste stap is om binnen de regio gebieden uit te sluiten waar de opwek van wind- en/of zonne-energie en/of duurzame warmteproductie vanuit (milieu-)wetgeving niet is toegestaan. Om de milieueffecten van de energie- en warmtetechnieken en bijbehorende infrastructuur te kunnen onderzoeken en beoordelen, worden eerst de referentiesituatie, de wettelijke en regelgevende kaders en beleidskaders in beeld gebracht. Deze wettelijke- en regelgevende kaders en beleidskaders geven een beeld van de (on)mogelijkheden voor de ontwikkeling van duurzame energie in de regio en worden vertaald in kansen- en belemmeringenkaarten. Voor warmte stellen we geen specifieke kansen- en belemmeringenkaarten op (zie hoofdstuk 6 voor een nadere toelichting). In deze stap worden alle harde belemmeringen1 (ook wel uitsluitende criteria genoemd) in een GIS-database opgenomen. Resultaat hiervan zijn kaarten voor windturbines en zonnevelden, waarop de uit te sluiten gebieden zijn weergegeven. Deze kaart geeft daarmee een beeld van de maximale zoekruimte binnen de RES-regio en vormt de basis voor stap 2. De harde belemmeringen uit RES 1.0 vormen de basis voor deze stap, zie afbeelding 3.2. Vervolgens worden deze harde restricties gevalideerd en waar nodig geactualiseerd of aangevuld.
Daarmee geeft deze stap invulling aan het advies van de Commissie m.e.r.2 (zie toelichtend kader).
1
Een harde belemmering is een fysieke belemmering of een belemmering met een no go aanduiding vanuit wet- en regelgeving.
2
Advies Commissie m.e.r.: https://www.commissiemer.nl/docs/mer/p35/p3589/3589_advies_milieu-informatie.pdf.
22 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Navolgbaarheid zoekgebieden RES 1.0 - Advies Commissie m.e.r. op RES 1.0 ‘Het is op basis van de beschikbare informatie voor de Commissie niet duidelijk op basis van welke (milieu)afwegingen de zoekgebieden tot stand zijn gekomen. De RES 1.0 geeft namelijk goede belemmeringenkaarten én een duidelijk eindbeeld/kaart, maar het is onvoldoende navolgbaar hoe dit eindbeeld zijn vorm heeft gekregen’.
Afbeelding 3.2 Harde belemmeringen uit RES 1.0
Harde belemmeringen Harde belemmeringen zijn fysieke beperkingen, of beperkingen vanuit wet- en regelgeving, die de ontwikkeling van wind- en/of zonne-energie en bijbehorende infrastructuur op een bepaalde locatie onmogelijk maakt. Het planMER maakt onderscheid tussen 2 type harde belemmeringen: 1 fysieke objecten: dit zijn bijvoorbeeld gebouwen en infrastructuur (wegen, spoorwegen, buisleidingen, bestaande windturbines). Het is hier fysiek niet mogelijk om een zonneveld, windturbines, warmtebron of energie-infrastructuur te realiseren; 2 beperkingen vanuit wet- en regelgeving: dit legt beperkingen op vanuit onder andere geluid, veiligheid, waterkwaliteit en waterveiligheid. Deze beperkingen worden hieronder nader toegelicht. Beperkingen vanuit wet- en regelgeving Wettelijke beperkingen gelden onder andere voor: 1 geluid: in het Activiteitenbesluit is vastgelegd hoeveel geluid een windturbine maximaal mag veroorzaken op de gevel van gevoelige bestemmingen zoals een woning of ziekenhuis; 2 slagschaduw: in het Activiteitenbesluit is de maximale slagschaduwduur op de gevel van gevoelige bestemmingen vastgelegd;
23 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
3
4
veiligheid: in het Handboek Risicozonering Windturbines 20201 is vastgelegd welke afstanden minimaal moeten worden aangehouden tot kwetsbare objecten zoals woningen, beperkt kwetsbare objecten zoals bedrijven en woningen in het buitengebied, BZRO en inrichtingen; infrastructuur: veiligheidsafstanden rijkswegen, hoofdwaterwegen en spoorwegen.
Status van het Activiteitenbesluit De geluid-, slagschaduw- en veiligheidsnormen die gelden voor windparken zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Op 30 juni 2021 oordeelde de Raad van State in een uitspraak over het Windpark Delfzijl, dat deze normen vanuit milieuperspectief moeten worden onderbouwd met een planMER. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat laat hiervoor momenteel een planMER opstellen. In paragraaf 5.5 wordt nader toegelicht hoe hier in de m.e.r.-procedure mee omgegaan wordt. Zachte belemmeringen (nee, tenzij en ja, mits) Naast wettelijke beperkingen vanuit hinder en veiligheid, gelden ook vanuit beleid belemmeringen. Onder zachte belemmeringen vallen richtafstanden, adviesafstanden die voortkomen uit beleid en regelgeving die afwijkingen mogelijk maken. Een voorbeeld van een zachte belemmering is de veiligheidscontour rond snelwegen. De veiligheidscontour is opgenomen in de Handreiking Risicozonering Windturbines, maar in de praktijk zijn er mogelijkheden om hiervan af te wijken.
Ontwikkelingen in of nabij Natura 2000-gebieden Ontwikkelingen in of nabij Natura 2000-gebieden kunnen leiden tot significante effecten op de instandhouding van beschermde soorten en Habitats. Projecten zijn enkel vergunbaar als significante effecten kunnen worden uitgesloten. Als dit op m.e.r.-niveau niet mogelijk is, is een aanvullende toetsing nodig: een Passende Beoordeling (PB). De PB is een nader onderzoek naar mogelijk significante effecten, daarbij worden ook mitigerende maatregelen uitgewerkt (zie ook afbeelding 3.3). Vervolgens wordt getoetst of significante effecten met deze maatregelen zijn uit te sluiten. Als dit nog steeds niet mogelijk is, dient een ADC-toets doorlopen te worden waarin het volgende wordt aangetoond: 1 A: er zijn geen alternatieven beschikbaar; 2 D: er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang; 3 C: er worden compenserende maatregelen getroffen om de algehele samenhang van Natura 2000 te waarborgen. Als bovenstaande punten in de ADC-toets niet voldoende kunnen worden aangetoond, is het project vanuit de Wet natuurbescherming niet vergunbaar.
Afbeelding 3.3 Onderzoekstraject bij projecten waarvoor significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten
MER
Passende Beoordeling
ADC-toets
Mortaliteitsnorm wespendief Uit eerdere effectenonderzoeken voor windparken nabij Natura 2000-gebied de Veluwe, bleek de Wespendief de meest beperkende soort (belangrijkste aandachtsoort) voor het plaatsen van windturbines nabij dit natuurgebied2. De Veluwe vormt binnen Nederland het kerngebied van de Wespendief en de kwaliteit van het gebied is bepalend voor de dichtheden van deze soort. Het uitgangspunt bij het plaatsen van windturbines is dat de populatie Wespendieven op de Veluwe (specifiek gezegd: het instandhoudingsdoel voor het Natura 2000-gebied) niet achteruit mag gaan als gevolg van aanvaringen met windturbines. Volgens de Natura 2000-doelstellingen zouden er minimaal 100 broedparen aanwezig moeten zijn. Dat zijn er nu naar schatting 94. 1
Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020), versie 1.1, 20 mei 2020.
2
Onderzoek Altenburg & Wymenga: https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/rapportage_windenergie_op_en_rond_veluwe_ps2021-104.pdf.
24 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Het ecologisch onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga heeft in 2020 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van windturbines binnen de Veluwe op de instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen soorten met als beperkende soort de wespendief. Als wordt uitgegaan van een 1 %-mortaliteitsnorm1 van 0,26 Wespendiefslachtoffers per jaar, leiden windturbines op de Veluwe in alle scenario’s tot een overschrijding van de 1 %-norm. Hieruit blijkt dat binnen een zone van 1 km rond de Veluwe, geen windturbines ontwikkeld kunnen worden (in ieder geval in de periode tot 2030). Rekening houdend met bestaande initiatieven, is binnen een zone van 1 tot 8 km rondom de Veluwe, ruimte voor de ontwikkeling van 4 tot 11 nieuwe windturbines. Met toepassing van een stilstandsvoorziening neemt de ruimte toe tot maximaal 9 tot 22 windturbines binnen de zone van 1 tot 8 km tot de Veluwe. Daarmee is natuur ook in een zone van 8 km rondom de Veluwe een beperkend criterium. Er wordt op dit moment nog onderzoek gedaan onder welke randvoorwaarden activiteiten wel mogelijk zijn in de zone van 1 tot 8 km. De provincie heeft nog geen formeel besluit genomen over deze zone in haar provinciale verordening.
Een formeel besluit wordt wel ruim voor 1 januari 2025 verwacht en dus is in het planMER rekening gehouden met de zones van 1 km (harde belemmering vanwege de 1 %-norm) en 1 tot 8 km (zachte belemmering) rondom de Veluwe. Belemmeringen windturbines In tabel 3.1 en 3.2 staan de gehanteerde afstanden voor de verschillende aspecten met de bijbehorende status. Voor de kansen en belemmeringenkaarten (zie paragraaf 4.2) is onderscheid gemaakt tussen: 1 fysieke belemmeringen voor fundering (nee); 2 afstanden uit besluiten, regelgeving en wetgeving (nee en nee, tenzij); 3 adviesafstanden uit beleid en handboeken (nee, tenzij en ja, mits). Molenaarswoningen Bij windparkontwikkelingen zijn veelal omwonenden ook initiatiefnemer en mede-eigenaar van het windpark. Windturbines komen dan dichter bij de woningen te staan, waardoor de geluidnormen worden overschreden. Om dit op te lossen wordt onderscheidt gemaakt naar de status van deze specifieke woningen als een zogenaamde ‘molenaarswoning’ of een ‘woning in de sfeer van de inrichting’. Daarmee gelden de wettelijke normen niet meer en mag de geluidbelasting hoger zijn dan de wettelijke normen. Hiervoor moet er in juridisch opzicht wel sprake zijn van een binding met het windpark, bijvoorbeeld organisatorisch, functioneel of technisch. Door de zogenaamde molenaarswoningen worden de beschikbare gebieden in met name het buitengebied groter.
In deze NRD zijn de molenaarsgebieden nog niet meegenomen, in de planMER-fase zullen we onderzoeken hoe dit op regionale schaal toch meegenomen kan worden in de effectonderzoeken. Gedacht kan worden aan het waarborgen van de veiligheidscontour van ½ rotordiameter voor beperkt kwetsbare objecten en vervolgens het ‘negeren’ van de geluidscontouren rond deze objecten. Hierbij moet worden voorkomen dat overlappende geluidscontouren worden genegeerd, omdat het aantal molenaarswoningen in verhouding moet staan tot het aantal windturbines.
1
De '1 %-norm voor additionele sterfte' houdt in: voor een soort wordt eerst bepaald wat de gemiddelde jaarlijkse natuurlijke sterfte is in het te beschouwen gebied (dat kan een land zijn, een regio of een Natura 2000-gebied). Vervolgens wordt berekend of, als gevolg van de te beoordelen activiteit (hier: windpark), de extra jaarlijkse sterfte gemiddeld meer dan 1 % bedraagt van de natuurlijke sterfte. Deze 1 %-norm wordt gehanteerd als uitgangspunt om te bepalen of concrete gevallen de te verwachten aantallen aanvaringslachtoffers door windturbines de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied aantasten of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten voor de instandhouding waarvoor het gebied is aangewezen.
25 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Tabel 3.1 Harde belemmeringen wind (nee) Nummer
Aspect
Afstand
Status
1
kwetsbare objecten
PR10-6
artikel 3.15a, lid 1, van het Activiteitenbesluit
2
beperkt kwetsbare objecten (PR10-5)
½ rotordiameter
artikel 3.15a, lid 2, van het Activiteitenbesluit
3
rijkswegen en provinciale wegen
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
4
hoofdwaterwegen
½ rotordiameter
Waterwet
5
spoorwegen
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
6
bovengrondse hoogspanningslijn
½ rotordiameter
fysieke belemmering voor windturbinebladen
7
ondergrondse hoogspanningslijn
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
8
buisleidingen
object + 15 m
fysieke belemmering voor fundering
9
Rijksmonumenten
begrenzing object op kaart
erfgoedwet
10
geluidsgevoelige objecten
geluidscontour op basis van 47 dB met mitigerende maatregelen1
wet geluidhinder
11
weidevogelgebieden
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland, Artikel 2.51a, en artikel 1a.2
12
wespendief
Veluwe + 1 km
zorgplicht vanuit Wro
Tabel 3.2 Zachte belemmeringen wind (nee, tenzij en ja, mits) Nummer
Aspect
Afstand
Status
1
rijkswegen
½ rotordiameter
vergunning op basis van Wet beheer Rijkswaterstaatwerken (Wbr) (nee, tenzij)
2
spoorwegen
½ rotordiameter + 7,85 m
spoorwegenwet (nee, tenzij)
3
molenbiotopen
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
4
waterkeringen
begrenzing object op kaart
Waterwet (nee, tenzij)
5
buisleidingen
PR 10-6 contour
advies door leidingbeheerder (Gasunie, vanuit handboek) (ja, mits)
6
BRZO en inrichtingen
PR10-6
Activiteitenbesluit (ja, mits)
7
stiltegebieden
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
8
ganzenrustgebied
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
9
Gelders Natuurnetwerk
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
10
Natura 2000
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
11
grondwaterbeschermingsgebied
begrenzing op kaart
afdeling 3.2 Omgevingsverordening Gelderland (Nee, tenzij)
1
In paragraaf 5.5 staat beschreven hoe in het planMER omgegaan wordt met de uitspraak van Raad van State ten aanzien van het Activiteitenbesluit.
26 | 64
Witteveen+Bos | 130735/22-013.480 | Definitief 02
Nummer
Aspect
Afstand
Status
12
waterwingebieden
begrenzing op kaart
afdeling 3.2 Omgevingsverordening Gelderland (nee, tenzij)
13
waardevol open gebied
begrenzing op kaart
artikel 2.55 Omgevingsverordening Gelderland (ja, mits)
14
Nationaal Landschap
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (ja, mits)
15
Nieuwe Hollandse Waterlinie
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening Gelderland (ja, mits)
16
Romeinse Limes
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening- Gelderland (ja, mits)
17
Wespendief
1 - 8 km rond Veluwe
1 %- mortaliteitsnorm (ja, mits)
18
groene ontwikkelingszones
begrenzing op kaart
Omgevingsverordening- Gelderland (ja, mits)
Belemmeringen zonnevelden In tabel 3.3 en 3.4 staan de gehanteerde afstanden voor de verschillende aspecten met de bijbehorende status. Voor de kansen en belemmeringenkaarten is onderscheid gemaakt tussen: 1 fysieke belemmeringen (nee); 2 afstanden uit besluiten en wetgeving (nee en nee, tenzij); 3 adviesafstanden uit beleid en handboeken (nee, tenzij en ja, mits).