CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ruimtelijke onderbouwing BOPA Kerkplein 4-4a Malden

Raad 12 december 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Aanvraag bindend adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning Kerkplein 4-4A Malden27.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief 8.5.2

Situatie projectgebied

De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 2,2 kilometer van het projectgebied. Van trillinghinder door spoorwegverkeer is dan ook geen sprake. 8.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect trilinghinder is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •

het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. 8.6.2

Situatie projectgebied

In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit. Met de multifunctionele (kerk)zaal blijft de plek voor ontmoeting behouden, ook voor de verdere toekomst. Ook de binnentuinen stimuleren ontmoeting tussen bewoners. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking. 9.1.3

Situatie projectgebied

9.1.3.1 Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’ ligt op een afstand van 5,5 kilometer. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-Calculator. Het resultaat van deze berekening staat in bijlage 6. Hieronder staat de conclusie opgenomen. AERIUS-berekening

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. 9.1.3.2 Gelders Natuurnetwerk Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN ligt op circa 490 meter afstand ten oosten van het projectgebied. Gezien de afstand tot het GNN en gezien de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN (er is bijvoorbeeld geen sprake van areaalvermindering en het doorsnijden van structuren). Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aan de provincie te worden gevraagd om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2

Situatie projectgebied

In voorliggend geval kan op voorhand niet worden uitgesloten dat er beschermde soorten aanwezig zijn in het projectgebied. Daarom is door Ecofect een Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het rapport staat in bijlage 7, hierna wordt ingegaan op de conclusie. Natuurwaardenonderzoek • • •

• •

Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van stikstof mogelijk depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening is uitgevoerd (zie paragraaf 9.1.3). De planlocatie is gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland (Natuurnetwerk Gelderland). Aangezien het projectgebied buiten het Natuurnetwerk Gelderland of de Groene Ontwikkelingszone valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is. Ten aanzien van flora, vogels, zoogdieren en overige beschermde diersoorten is het project geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Ten aanzien van vleermuizen is het project mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Een nader onderzoek gebouwbewonende vleermuis wordt geadviseerd. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief •

9.3

Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de Omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden waardoor er een meldplicht of herplantplicht geldt.

Conclusie

Wat betreft gebiedsbescherming betreft het project geen Natura 2000-activiteit en vindt er geen aantasting plaats van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. Wat betreft soortenbescherming wordt het nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Het project is uitvoerbaar in die zin dat bij een ‘gunstige’ uitkomst van het nader onderzoek begonnen kan worden met de werkzaamheden. De sloopvergunning kan pas verleend worden als uit het uitgevoerde nader onderzoek blijkt dat het project geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit is. Het onderzoek moet zijn beoordeeld en goedgekeurd door het bevoegd gezag. Bij de aanvraag feitelijke omgevingsplanactiviteit voor de bouwwerkzaamheden (2e fase van de BOPA) wordt hieraan opnieuw getoetst.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 10 10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. In 2007 is het Verdrag van Malta vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988). De bepalingen van deze wet zijn op 1 juli 2016 (gedeeltelijk) overgegaan in de Erfgoedwet. Door archeologie tijdig in de planvorming te betrekken, kunnen de archeologische waarden hierin eventueel worden ingepast. Het uitgangspunt ten aanzien van de aanwezige archeologische waarden in de planvorming is, volgens rijks- en provinciaal beleid, behoud in situ (ter plekke of binnen de context van de vindplaats). De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. De Erfgoedwet is opgenomen in de Omgevingswet. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet.

Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stadsen dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In 2013 heeft de gemeenteraad van Heumen het rapport ‘Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart’ vastgesteld. Het rapport vormt de basis voor het beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Onderdeel van het rapport is de actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van 2006.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Situatie projectgebied Het projectgebied ligt in een zone met een hoge verwachting met waarschijnlijk goede conservering en onder een plaggendek van >50 cm dik. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij verstoringen groter dan 200 m2 en dieper dan 40 cm. De omvang van de geplande verstoringen overschrijdt de vrijstellingsgrenzen zoals die in het vigerende gemeentelijk archeologiebeleid zijn aangegeven. Verkennend archeologisch onderzoek is dus noodzakelijk. Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft Laagland Archeologie VOF een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek ter plaatse van het projectgebied uitgevoerd. Het projectgebied kent namelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen (bijlage 8).

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Binnen het projectgebied zijn voornamelijk enkeerdgronden, met in de overgrote, westelijke helft een cultuurgrond als onderste subhorizont, aangetroffen, karakteristiek voor oude bouwlanden. De kans op goed geconserveerde vindplaatsen onder het plaggendek van deze (voormalige) oude bouwlanden is hoog. In de natuurlijke ondergrond zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen. Om die reden is de archeologische verwachting laag vroeger dan het Neolithicum en hoog voor de perioden vanaf het Neolithicum. De B-horizont kan geheel opgenomen zijn in de A-horizont, waardoor vondstmateriaal van voor het Midden-Neolithicum verwacht kan worden. De verwachting voor vindplaatsen in-situ vroeger dan het Midden-Neolithicum is echter laag. (Resten van) Sporen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief uit het neolithicum kunnen evenwel niet worden uitgesloten. Eventuele archeologische vindplaatsen worden met de voorliggende bouwplannen met een grote parkeerkelder zeker bedreigd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems) op het westelijk buitenterrein waar een cultuurlaag als onderste subhorizont is aangetroffen. In dat deel is namelijk ook de parkeerkelder voorzien. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Proefsleuvenonderzoek Het proefsleuvenonderzoek zal worden ingediend bij de aanvraag feitelijke omgevingsplanactiviteit voor de bouwwerkzaamheden (2e fase van de BOPA).

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. De kerk in het projectgebied en de nabijgelegen Muse (schoolgebouw uit 1852) hebben wel cultuurhistorische waarde. De karakteristieke elementen in het kerkgebouw blijven behouden en de multifunctionele invulling van de kerk heeft geen negatieve impact op deze elementen. De ontwikkelingen in het projectgebied schaden ook de Muse niet. Voor de ontwikkeling is het is "Ruimtelijk en programmatisch kader Antonius Abt Kerk" d.d. 19 december 2019 van toepassing, als onderdeel van de gesloten anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Heumen. In dit document zijn verschillende stedenbouwkundige en cultuurhistorische randvoorwaarden opgenomen voor deze ontwikkeling. De afgesproken randvoorwaarden worden nageleefd. Verder wordt opgemerkt dat de fysieke ontwikkelingen geen betrekking hebben op het oostelijke gedeelte van de bestaande kerk, waar zich ook de waardevolle elementen bevinden. Deze elementen blijven behouden, waarmee de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarden.

10.4

Conclusie

Het proefsleuvenonderzoek zal worden ingediend in de 2e fase van de BOPA. Zolang deze vergunning niet verleend is, vinden geen bodemverstorende werkzaamheden plaats. Hiermee wordt in voldoende mate rekening gehouden met de bescherming van archeologische waarden. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 11 11.1

M.E.R.- BEOORDELING

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b.

de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

11.2

Situatie projectgebied

M.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig? Voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (J11) uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Kolom 2 uit Bijlage V Ob is hierbij niet van toepassing, waarmee geen merplicht geldt. Wel is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht: er is sprake van de bouw van woningen met bijbehorende parkeervoorzieningen (kolom 3). Hieronder wordt nader getoetst aan artikel 11.10, lid 3 Ob. Beschrijving project en ligging projectgebied

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief Zoals in hoofdstuk 3 is beschreven voorziet het voornemen in de sloop van de pastoriewoning en een deel van het kerkgebouw en het realiseren van 30 woningen. Een deel van het kerkgebouw wordt omgevormd tot multifunctionele (kerk)zaal. Het projectgebied ligt binnen de bebouwde kom van het dorp Heumen. De ontwikkeling leidt tot een beperkte toename van verhard oppervlak. Het projectgebied ligt op circa 5,5 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en ligt buiten het GNN. Milieueffecten project Zoals in dit hoofdstuk aan bod is gekomen zijn voor de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming onderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken blijkt dat het project geen significante negatieve gevolgen heeft voor wat betreft de onderzochte aspecten. Het nader onderzoek vleermuizen wordt uitgevoerd in de 2e fase van de BOPA. Ook uit de NIBM-berekening (luchtkwaliteit) blijkt dat het voornemen ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging.

11.3

Conclusie

Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 12 12.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie projectgebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 13 13.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In een eerder stadium zijn omwonenden reeds geïnformeerd over het voornemen door middel van een brief. Hieraan heeft de gemeente meegewerkt. Daarnaast is een inloopbijeenkomst en presentatie gehouden over de voorgenomen ontwikkeling. Ook zijn de plannen gepresenteerd tijdens de Open Monumentendag 2022 en 2023 en bij een inloopbijeenkomst van Vitaal Centrum Malden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 14

VOORSTEL OPNEMEN INITIATIEF IN OMGEVINGSPLAN

In voorliggende onderbouwing is aangetoond dat het initiatief voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit hoofdstuk is een voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan van de gemeente Heumen. Met dit voorstel kan de strijdigheid van het initiatief met het omgevingsplan (zie paragraaf 1.3.2) worden opgeheven. Op moment van schrijven werkt de gemeente Heumen aan een casco regelset voor haar omgevingsplan. Omdat deze regels nog niet in het omgevingsplan zijn opgenomen, wordt in dit voorstel nog aangesloten bij het omgevingsplan van rechtswege, te weten het bestemmingsplan “Kern Malden” (vastgesteld 13 juli 2017). Voorstel opnemen regels De activiteit dient overeen te komen met de bestemmingen ‘Maatschappelijk’ (deel kerk en multifunctionele ruimte) en ‘Wonen’ (appartementen). De overige gronden in het projectgebied krijgen de bestemming ‘Verkeer’. De ligging van het bouwvlak moet worden aangepast, om de bouw van de appartementen mogelijk te maken. Onderstaande afbeelding geeft de geografische ligging weer van de verschillende bestemmingen. Hierbij is het projectgebied aangeduid met rode omlijning, de bestemming ‘Maatschappelijk’ met bruine arcering, ‘Wonen’ met gele arcering en ‘Verkeer’ met grijze arcering.

Het bouwvlak moet zo worden aangewezen dat de onbebouwde ruimte (waaronder de binnentuinen) buiten het bouwvlak liggen, maar dat wel de bergingen in het bouwvlak liggen.

Afbeelding 14.1 Ligging bestemmingen en bouwvlak (Bron: BJZ.nu)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief Voor het bouwvlak voor de bestemmingen ‘Maatschappelijk’ en ‘Wonen’ moet een maximale bouwhoogte worden opgenomen van 11 meter. Voor bijgebouwen geldt een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 5 meter. Voor het bestemmingsvlak ‘Wonen’ moet daarnaast een aanduiding worden opgenomen dat maximaal 30 woningen zijn toegestaan. Daarnaast moet een aanduiding worden opgenomen om gestapelde woningbouw toe te staan. Op de locatie van de aan te leggen parkeergarage moet een aanduiding worden opgenomen om dit toe te staan. Op afbeelding 14.1 is de locatie van de parkeergarage met de stippellijn weergegeven. Hiervoor dienen de volgende voorwaarden te worden opgenomen: • •

gronden, voorzien van deze aanduiding, mogen, mits half verdiept, volledig worden bebouwd ten behoeve van een parkeergarage en bijbehorende hellingbaan; deze halfverdiepte parkeergarage mag een maximum bouwdiepte van 4,00 m onder peil hebben.

Ter plaatse van het bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’ moeten de regels worden gewijzigd zo dat culturele voorzieningen zijn toegestaan. Onder culturele voorzieningen wordt verstaan: ‘ontvangstruimte voor kerkelijke aangelegenheden, expositieruimten, galerie, ateliers en naar aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen zonder winstoogmerk’. De culturele voorzieningen zijn ondergeschikt aan de religieuze instelling. Daarom moet een aanduiding ‘religieuze instelling’ worden opgenomen, waarmee de kerkfunctie als primaire functie geborgd blijft en culturele voorzieningen als nevenfuncties worden aangewezen. De cultuurhistorische waarden van het bestaande kerkgebouw blijven behouden, zoals beschreven in paragraaf 10.3. Voorgesteld wordt om ter plaatse van de functie ‘Maatschappelijk’ een aanduiding op te nemen waarmee in de planregels geborgd kan worden dat deze elementen behouden blijven. Voorwaarden toetsing tweede fase BOPA Voor enkele aspecten in eerdere hoofdstukken van deze onderbouwing zijn voorwaarden genoemd waaraan de aanvraag in de tweede fase van de BOPA getoetst dient te worden. Voor het overzicht zijn hieronder deze voorwaarden opgesomd: • • • • •

toetsing aan welstandsnota (zie paragraaf 5.4.3); toetsing aan verplichte watercompensatie (zie notitie waterberging); vaststellen hogere geluidswaarde (zie paragraaf 8.1.2.1); toetsing aan uitkomsten nader onderzoek vleermuizen (zie paragraaf 9.2.2); toetsing aan uitkomsten proefsleuvenonderzoek (zie paragraaf 10.2);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1

Parkeeronderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Herontwikkeling Kerk (Kerkplein 4-4a te Malden) Parkeerbehoefte Uitgangspunten: Stedelijkheidsgraad: weinig stedelijk Stedelijk gebied: centrum Realisatie 30 woningen (waarvan 10 betaalbaar): - 15 tegen bioscoop - 6 in kerk - 9 locatie pastorie - goedkoop/betaalbaar: < €355.000 - middelduur: > €355.000 < €500.000 - duur: > €500.000 In de CROW-normen is 0,3 opgenomen voor bezoekers in de openbare ruimte Afgesproken parkeernorm is 1,3; 39 parkeerplaatsen Realisatie min. 30 parkeerplaatsen op eigen terrein

Huidige situatie

Functie Religie Wonen TOTAAL

Norm gem. Heumen Bewoners Type Zitplaatsen Vrijstaande woning

684 1

TOTAAL

1,435

Norm gem. Heumen Bewoners Type zitplaatsen

Appartement, koop, duur Appartement, koop, middelduur Appartement, koop, goedkoop

Parkeerbehoefte

Parkeerbehoefte

Bewoners

Bezoekers

Aantal

Nieuwe situatie

Functie Multifunctionele (kerk)zaal (350 personen/30% van huidig/300 m2 BVO) Wonen

Norm gem. Heumen Bezoekers 0,14 0,3

Norm gem. Heumen Bezoekers

0,0 1,4 1,4

95,8 0,3 96,1

Parkeerbehoefte

Parkeerbehoefte

Bewoners

Bezoekers

97,5

Aantal 300

0,14

0

42

3

1,23

0,30

3,675

0,9

17

1,02

0,30

17,255

5,1

10

0,91

0,30

9,1

3

30,0

51,0

81,0

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

Bijlage 2

Resultaat digitale watertoets

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Aanvraagformulier

Normale procedure in Waterschap Rivierenland Algemene informatie Aanvraag gestart Aanvraag ingediend Aanvraagnummer Bevoegd gezag E-mailadres Naam aanvraag

17-10-2023 08:27 17-10-2023 08:34 00017193 Waterschap Rivierenland Normale procedure

Op basis van onderstaande locatie

17-10-2023 08:34

1

Aanvraagformulier

Vragen en antwoorden uit de aanvraag Doe je de aanvraag voor een bedrijf, vereniging/ stichting of voor jezelf?

Bedrijf

Gegevens bedrijf. Telefoonnummer contactpersoon van de aanvraag. E-mailadres contactpersoon van de aanvraag. Wat is je adres?

een adres in Nederland

Adres in Nederland.

Naam vereniging/stichting. Persoonsgegevens. Wat is de naam van het plan?

Malden, H. Antonius Abtkerk

Geef een korte omschrijving van het plan.

Herontwikkeling kerkgebouw naar 30 woningen en een multifunctionele (kerk)zaal. Hierbij wordt deels bestaande bebouwing hergebruikt en nieuwe bebouwing gerealiseerd.

Wat is de toename aan verharding (bestrating en bebouwing) binnen het plangebied in m2?

800

Wat is het adres van het plan?

Kerkplein 4-4a, Malden

Wilt u een bijlage toevoegen van het plan?

Nee

17-10-2023 08:34

2

Aanvraagformulier

Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Normale procedure Wat moet ik doen? Gebruik alstublieft de knop ""DIRECT AANVRAGEN"" om een advies aan te vragen bij het waterschap. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. In een startoverleg kan gezamenlijk bepaald worden welke wateraspecten een rol spelen en tot welk detailniveau deze uitgewerkt dienen te worden. Dit kan ook betekenen dat er een waterhuishoudkundig plan, een geohydrologisch onderzoek of een uitgebreide analyse van het huidige watersysteem noodzakelijk is. De basis voor het overleg vormen de uitganspuntennotitie en gegenereerde adviezen voor uw planlocatie zoals u die in de Digitale Watertoets hebt ingetekend. De uitgangspunten notitie hebben we voor u toegvoegd onder het kopje 'achtergrond'.

U kunt ook contact opnemen voor overleg met onze accountmanager voor uw gemeente. U vindt deze contactgegevens hier: https://www.waterschaprivierenland nl/accountmanagers-waterschap-rivierenland-gemeente.

Achtergrondinformatie

17-10-2023 08:34

3

Aanvraagformulier Deze uitgangspuntennotitie naast de adviezen per onderwerp dat uw plangebied raakt, vormen de start voor uw overleg met het waterschap. Waterschap Rivierenland geeft in de uitgangspuntennotitie aan welke wateraspecten van belang zijn voor uw ruimtelijke plan. De adviezen per onderwerp zijn specifiek voor het plangebied dat u heeft ingetekend. De gemeente draagt ook zorg voor aspecten van de waterhuishouding. Daarom is het belangrijk om uw plan ook met hen af te stemmen. U kunt contact opnemen met uw accountmanager van Waterschap Rivierenland voor overleg. U vindt de contactgegevens hier: https://www.waterschaprivierenland nl/accountmanagers-waterschaprivierenland-gemeente

Beleid Waterschap Rivierenland Het waterbeheerprogramma is bepalend voor het beleid van Waterschap Rivierenland en wordt iedere zes jaar geactualiseerd. Het plan omvat alle watertaken van het waterschap op gebied van waterveiligheid, afvalwaterzuivering, schoon en voldoende water. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening: de Keur. In de Keur staan regels voor de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijhorende kunstwerken. In de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden beheert het waterschap ook wegen buiten de bebouwde kom (geen Rijks- of provinciale wegen). Hier is de Keur ook op van toepassing. De werkzaamheden in of nabij de watergangen, waterkeringen en wegen in beheer bij het waterschap worden getoetst aan de regels in de Keur. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn.

Klimaatadaptatie Water en ruimtelijke ordening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zeker in ons veranderende klimaat. Extreme buien worden steeds vaker afgewisseld met perioden van droogte. We blijven ernaar streven om voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar te hebben. Het waterschap heeft samen met de gemeenten de taak om te zorgen voor een klimaatbestendige inrichting van onze leefomgeving. Dit kunnen we niet alleen. U kunt een bijdrage leveren door uw plan zo klimaatbestendig mogelijk in te richten. Denk bijvoorbeeld aan groene daken of natuurvriendelijke oevers. De kwaliteit van de leefomgeving of de biodiversiteit kan zo worden vergroot. Op de website https:// bouwadaptief nl/ kunt u zich laten inspireren door klimaatadaptatieve projecten en vindt u een overzicht van mogelijke maatregelen.

Grondwater Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterpeil in sloten en vaarten. Dit peil heeft indirect effect op het grondwaterpeil. Gemeenten moeten overlast door te veel of te weinig grondwater beperken. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het grondwater op hun perceel.

Drooglegging Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. We adviseren voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Zo voorkomt u overlast door grondwater. We adviseren om onderzoek te doen in gebieden waar overlast door grondwater bekend is of waar hoge grondwaterstanden voorkomen. U kunt maatregelen nemen om overlast te voorkomen. Voorbeelden van maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte.

Infiltreren

17-10-2023 08:34

4

Aanvraagformulier Het is wenselijk dat uw plan grondwaterneutraal is. Dit kan door hemelwater te infiltreren. U houdt zo water vast voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaterstanden en de bodemopbouw dat toelaten. Het zijn de hogere gronden met een goede doorlatendheid. Onze accountmanager kan u hierover adviseren. Met een infiltratieonderzoek kunt u (laten) onderzoeken of en op welke wijze infiltratie kan plaatsvinden.

Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Het is mogelijk dat u voor een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht in aanmerking komt. De eenmalige vrijstelling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in stedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied. Zo voorkomen we dat individuele bewoners moeten compenseren voor voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, etc. Op sommige locaties is het onwenselijk om de vrijstelling in te zetten, omdat bijvoorbeeld de waterhuishoudkundige situatie dan zou verslechteren. Compenserende waterberging is dan wel nodig. Bespreek dit met de betreffende accountmanager van het waterschap.

Is de toename in verharding groter dan 500 m² in stedelijk gebied of groter dan 1500 m² in landelijk gebied dan is het mogelijk dat de vrijgestelde oppervlaktes in mindering worden gebracht. Neemt in uw plan de verharding bijvoorbeeld toe met 600 m² in stedelijk gebied, dan hoeft u met de vrijstelling maar voor 100 m² te compenseren. We gaan ervan uit dat gemeenten en organisaties deze vrijstelling op een eerder moment binnen ons beheergebied hebben ingezet. Zij hebben hier dan geen recht meer op hebben. U kunt contact opnemen met de afdeling vergunningen (vergunningen@wsrl nl) van het waterschap om deze vrijstelling aan te vragen. U moet compenserende maatregelen nemen als u niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of als u de vrijgestelde oppervlaktes overschrijdt. U zult daarover nadere afspraken moeten maken. Bespreek dit met uw accountmanager van het waterschap.

Berekenen benodigde watercompensatie De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. De vuistregel is dat er 436m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. De maximaal toelaatbare peilstijging bedraagt 0,20 meter in het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. In de rest van het beheergebied van Waterschap Rivierenland geldt een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,30 meter. Dit geldt voor plannen met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m2. De vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water en als er geen sprake is van complicerende zaken (bijvoorbeeld kwel).

In stedelijk gebied kan waterberging ook worden gerealiseerd via een waterbergingsbank (indien beschikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1500 m2 komen hiervoor in aanmerking.

Voor plannen met meer dan 50.000m² extra verharding wordt een aparte berekening gevraagd. Dit geldt ook voor plannen die waterhuishoudkundig complex zijn. Hierbij worden de volgende berekeningsuitgangspunten gehanteerd: • De maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s/u. Dit is ook de afvoer die de watergangen in het landelijk gebied nog net aankunnen. • Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% opslag vanwege de klimaatverandering (T=100+10%) mag er geen inundatie optreden. • Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatverandering (T=10+10%) moet er voor het straatpeil nog een drooglegging van 1,00 m zijn ten opzichte van zomerpeil.

Voorkeursvolgorde aanleg watercompensatie

17-10-2023 08:34

5

Aanvraagformulier Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de voorkeursvolgorde vasthouden-bergenafvoeren:

• Hergebruik en/of vasthouden Hierbij wordt het hemelwater binnen het plangebied verzameld en komt niet (direct) in het oppervlaktewater terecht. Dit kan bijvoorbeeld met groene polderdaken en wadi’s. Het ontwerp-, beheer- en onderhoudsaspect spelen een belangrijke rol bij deze voorzieningen. De initiatiefnemer dient aantoonbaar te maken dat de gerealiseerde berging kan blijven functioneren. Op hoge zandgronden met een lage grondwaterstand heeft infiltratie onze voorkeur. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) komt niet hoger dan 50 cm onder het maaiveld. U kunt de attentiekaart infiltratie met daarop kansrijke gebieden voor infiltratie bij uw accountmanager opvragen. Buiten deze gebieden is infiltratie ook mogelijk, zolang de gemiddelde hoogste grondwaterstand niet hoger komt dan 50 cm onder maaiveld. In kwelgevoelige gebieden hanteren we de gemiddeld hoogste stijghoogte, omdat het grondwater in de winter (als de rivierstanden hoog zijn) hoger onder het maaiveld komt. De gemiddeld hoogste stijghoogte mag niet hoger komen dan 50 cm onder maaiveld. Infiltratie vindt bij voorkeur plaats in de openbare ruimte (openbaar groen, bermen, etc.). In overleg met de accountmanager kan hiervan worden afgeweken.

• Bergen Onder bergen verstaan we de opvang van hemelwater in het oppervlaktewater. Het hemelwater van het plangebied wordt opgevangen in het oppervlaktewater. Hier heeft het graven van nieuw oppervlaktewater de voorkeur boven het vergroten van bestaand water. Bij gebruik van bestaand water gaat de voorkeur uit naar watergangen die niet door Waterschap Rivierenland worden onderhouden. In het algemeen geldt dat compensatie in B-watergangen de voorkeur heeft boven compensatie in A-watergangen. Als de aanvrager kan aantonen dat compensatie in een B- of A-water redelijkerwijs niet mogelijk is, kan het waterschap ook compensatie in bestaande of nieuwe C-wateren toelaten.

Bij aanleg of aanpassing van watergangen is het van belang rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaatsen voor maaiboten en opslagmogelijkheden voor slootvuil en kroos. Om water van voldoende waterkwaliteit te houden (of krijgen), is ook het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Dit wordt bevorderd door rekening te houden met voldoende waterdiepte (streven is 1 meter of juist droogvallend) en voldoende oevervegetatie (taludschuinte minimaal 1:2 of flauwer). Hierbij wordt hemelwater afgevoerd via de riolering.

• Afvoeren Hierbij wordt hemelwater afgevoerd via de riolering.

Waterkwaliteit Hieronder volgt een aantal algemene aandachtspunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: • Gebruik geen uitlogende materialen zoals zink of koper. Zo komen deze materialen niet in de sloot terecht. Gebruikt u wel uitlogende materialen, dan mag het dakwater niet rechtstreeks op de sloten worden geloosd. • Bladeren van bladverliezende bomen langs het water komen vaak in het water terecht. Dit kan de waterkwaliteit negatief beïnvloeden. U kunt de hoeveelheid bladafval in de watergang beperken door rekening te houden met de plaatsing van bomen. • Neem de ecologische waarde mee in het ontwerp van een watergang, wadi, etc. Door aandacht te hebben voor de ecologische waarde, vergroot u deze zonder al te veel moeite.

17-10-2023 08:34

6

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

Bijlage 3

Notitie waterberging

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

66

Memo Hemelwater Kerkplein 4-4a Malden 9 oktober 2024, ir J.F. van den Adel

Inleiding Aan het Kerkplein 4-4a wordt een deel van de Antonius Abt kerk en pastorie herontwikkeld. Gedeeltelijk in de kerk en gedeeltelijk nieuwbouw worden 30 appartementen gerealiseerd. Een deel van de kerk blijft kerk. Voorafgaand is als interpretatie afgesproken dat het bestaande te handhaven dak, waarvan geen functiewijziging optreedt, geen compensatie eis heeft. In deze memo wordt uiteengezet op welke wijze wordt omgegaan met de wateropgave voor de nieuwbouw.

Het gemeentelijk (hemel)waterbeleid is onder meer vastgelegd in het Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027. Voor alle nieuwbouwplannen binnen de gemeente geldt dat het regenwater niet meer op het vuilwaterriool mag worden aangesloten. Voor bestaande gebouwen geldt deze eis vanzelfsprekend niet. In de anterieure overeenkomst is hier het volgende over opgenomen:

“Voor het afstromend hemelwater van verhard oppervlak (daken en verharding) dient voor de opvang en berging van hemelwater gerekend te worden met een statische bergingseis van 66,4 mm/m2. De berging dient binnen het Plangebied te worden gerealiseerd en mag uit bovengrondse en ondergrondse bergingsvoorzieningen bestaan. Vanuit de bergingsvoorzieningen dient het hemelwater te infiltreren in de ondergrond. De voorziening dient na 48 uur weer leeg te zijn. De onderkant van de bergings-/infiltratievoorziening dient 0,50 m boven de GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) te worden aangelegd. En de voorziening dient reinigbaar en onderhoudbaar te zijn, zodat de voorziening naar behoren blijft functioneren. De exploitant dient ervoor zorg te dragen dat het beheer en onderhoud van de voorziening in de toekomst voorzien is en wordt uitgevoerd.”

Na een overzicht van de bestaande en nieuwe situatie wordt inzicht gegeven hoe voldaan kan worden aan de bergingseis. Bij de verdere planuitwerking kan voor een gelijkwaardige oplossing worden gekozen.

Pagina 1.

De huidige maaiveldhoogte loopt in zuidwestelijke richting af van 11.99 +NAP in de noordoost hoek naar 10.63 + NAP in de zuidwestelijke hoek van het kavel. Dit is een hoogteverschil van 1,36 meter. Het vloerpeil van de bestaande kerk varieert door de aflopende vloer in de kerkzaal. De dorpelhoogte van de voordeuren ligt op 12,22 + NAP. Deze heeft een hoogteverschil van ongeveer 1,30 meter ten opzichte van het Kerkplein aan de zuidzijde. De tuin achter de pastorie ligt op gemiddeld 11,10 + NAP, een hoogteverschil van circa 0,50 meter ten opzichte van het Kerkplein aan de Zuidzijde. Het terrein rondom de kerk en de bebouwing ligt overal (aanzienlijk) hoger dan de begraafplaats aan de achterzijde en het Kerkplein aan de oost- en zuidzijde. In november 2023 is bodemonderzoek uitgevoerd waaruit de bodemopbouw kan worden afgeleid. Zie onderstaand figuur ‘boring 14 november 2023’. De bodem bestaat overwegend uit matig fijn zand met bijmenging van grind. De k-waarde van fijn zand, grindig is > 10 meter/ dag en kan daarmee als zeer goed doorlatend worden gekarakteriseerd. Direct ten noordoosten van de locatie is peilbuis B46A1600 gedurende een periode van tien jaar gemonitord. Hieruit kan afgeleid dat de GHG is gelegen op circa 8,15m+NAP. Bij een maaiveldhoogte in de huidige situatie van 11,10 ligt de grondwaterstand 2,95 meter beneden maaiveld.

Zie onderstaand figuur ‘Meting peilbuis B46A1600’.

Pagina 2.





Bestaande situatie In de bestaande situatie heeft de kerk een dakoppervlakte van circa 1600m2 en de Pastorie met galerij een dakoppervlakte van circa 200m2.

Figuur: Meting peilbuis B46A1600 Pagina 3.







Figuur: Boring 14 november 2023

Er is geen oppervlaktewater nabij. Nieuwe situatie In de nieuwe situatie wordt de Pastorie gesloopt ten bate van een nieuwbouw en wordt een deel van de Pastorietuin bebouwd. Achter de kerk worden bergingen gerealiseerd. Onder een deel van het bestaande kerkdak wordt een blokje woningen gerealiseerd en een derde deel van het bestaande kerkdak wordt tuin. In de nieuwe situatie worden twee binnentuinen gerealiseerd, waarvan één een deel van de bestaande pastorietuin en één toekomstige tuin welke thans onderdeel is van de kerkzaal (bestaand dak).

Figuur: schets ontwerp binnentuin, huidige kerkzaal

Figuur: schetsontwerp binnentuin, huidige tuin pastorie

De bestaande verharding aan het Kerkplein wordt opnieuw ingericht, waar mogelijk met waterdoorlatende verharding. Pagina 4.







In de bestaande situatie ligt er onder de tuin van de pastorie, langs de naastgelegen bioscoop, een ITriool. Afgesproken is dat indien dit riool moet wijken voor de halfverdiepte parkeergarage, dat het verlies aan bergingscapaciteit in het plangebied wordt gecompenseerd.

Op basis van het schetsontwerp komen we tot het volgende verhard oppervlak waarvoor hemelwaterberging dient te worden gerealiseerd om te voldoen aan de bergingseis. Oppervlak

m2

% Verhard

m2 verhard oppervlak

Nieuwbouw

Circa 1250

100% Circa 1250

Pastorie tuin

Circa 400

50% Circa 200

Weg achter de kerk

Circa 150

100% Circa 150

Functiewijziging woningen in kerk Circa 300

100% Circa 300

Kloostertuin in de kerk

Circa 300

50% Circa 150

Voortuin Pastorie

Circa 350

80% Circa 280 Circa 2330

Compensatie IT riool

Nader te bepalen

Tabel: Verhard oppervlak waarvoor hemelwaterberging gerealiseerd dient te worden.

Toelichting tabel Verhard oppervlak (zie tevens de tekeningen in de bijlage in deze memo) Nieuwbouw In de nieuwe situatie wordt de Pastorie gesloopt ten bate van een nieuwbouw en wordt een deel van de Pastorietuin bebouwd. Dit bebouwde oppervlakte is, naar boven afgerond en zonder aftrek sloop pastorie 1100m2. Achter de kerk worden bergingen gerealiseerd met een maximaal dakoppervlak van 150m2, zonder aftrek sloop sacristie. Dit resulteert in circa 1.250 m2 verhard oppervlak, waarvoor hemelwaterberging gerealiseerd dient te worden. Pastorietuin en Kloostertuin In de nieuwe situatie worden twee binnentuinen gerealiseerd, waarvan één een deel van de bestaande pastorietuin (circa 400 m2) en één toekomstige tuin welke thans onderdeel is van de kerkzaal en onder het bestaand dak gerealiseerd zal worden (circa 300 m2). Voor beide tuinen geldt dat circa 50% wordt verhard, aanname is dat ook hiervoor hemelwaterberging gerealiseerd dient te worden. Bij de bouwaanvraag zal de definitieve inrichting en status van de tuinen bekend zijn en tevens het definitieve verhard oppervlak. Weg achter de kerk Dit betreft de weg achter de kerk langs waarmee de bergingen bereikbaar zijn. Dit resulteert in een circa 150 m2 verhard oppervlak, waarvoor hemelwaterberging gerealiseerd dient te worden.

Functiewijziging woningen in de kerk Onder een deel van het bestaande kerkdak wordt een blokje woningen gerealiseerd. Dit betreft een functiewijziging en dient meegerekend te worden in de hemelwaterberging. Dit resulteert in een circa 300 m2 verhard oppervlakte, waarvoor hemelwaterberging gerealiseerd dient te worden. Voortuin Pastorie Aan de voorzijde, waar de huidige Pastorie wordt gesloopt ten bate van een nieuwbouw, wordt deels de ingang van de parkeergarage gerealiseerd en deels blijft dit een voortuin. Bij de bouwaanvraag zal de de nitieve inrichting en status van de tuin bekend zijn en tevens het de nitieve verhard oppervlak van de ingang van de parkeergarage. Indien dit een functiewijziging betreft dient deze meegerekend te worden in de hemelwaterberging. Van de voortuin van de Pastorie wordt 80% verhard. Dit resulteert in circa 350 m2 verhard oppervlak, waarvoor hemelwaterberging is gerekend. Compensatie IT riool

fi



fi

Pagina 5.

Kerkplein Afgesproken is dat voor het deel Kerkplein in eigendom bij AdVicus geen hemelwaterberging hoeft te worden gerekend. Er is immers geen sprake van functiewijziging. Berekening verplichte hemelwaterberging Op basis van de bergingseis van 66,4mm/m2 verhard afstromend oppervlak bedraagt de totaal benodigde hemelwaterberging circa 2330m2 x 66,4mm/m2 = 155 m3. Realisatie hemelwaterberging De totaal benodigde hemelwaterberging is op basis van de stand van zaken van het schetsontwerp bijvoorbeeld goed oplosbaar door de realisatie van infiltratieputten. Verspreid over voortuin Pastorie en Kerkplein worden elf infiltratieputten aangelegd. De IT-putten zijn 2 m hoog en hebben een diameter van 3,5 m (bron: waterhuishoudkundige plan Malden centrum december 2023). De exacte locaties van de IT-putten dienen in een later stadium bepaald te worden. In onderstaande afbeelding een voorbeeld verdeling IT-putten. Het bergende vermogen van de IT-putten gezamenlijk is 165 m3 (15 m3 per put). Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de woningbouw in de H. Antonius Abt kerk en pastorie zal de waterberging, op basis van een waterhuishoudkundig plan met bijbehorende bergingsberekeningen, nader uitgewerkt worden. Dan wordt ook de wijze van waterberging definitief vastgelegd.

Figuur: voorbeeld verdeling IT-putten

Opgemerkt wordt dat in de inrit parkeergarage een drempel wordt gerealiseerd om ook in de situatie bij water op straat en op het Kerkplein, wateroverlast in de parkeergarage te voorkomen. Het bodempeil onder de half verdiepte parkeergarage ligt op circa 9,50m + NAP. Naast een relatief korte en flauwe inrit kan ook hemelwater wat valt op de inrit geïnfiltreerd worden (GHG ca 8,15m + NAP).

Bergingscapaciteit onvoldoende Pagina 6.





Het 1 op 1 compenseren van het eventueel inkorten of verleggen van het bestaande IT riool onder de Pastorie tuin dient nader bepaald te worden. Tenslotte wordt opgemerkt dat er een bestaand 800mm IT riool ligt langs de bioscoop. Met de gemeente is afgesproken dat deze bergingscapaciteit 1 op 1 wordt gecompenseerd op eigen terrein indien het inkorten van het riool nodig is voor de nieuwbouw van de half verdiepte parkeerkelder. Bij de bouwaanvraag zal de definitieve inrichting en maatvoering bekend zijn en wordt duidelijk hoeveel berging gecompenseerd moet worden op eigen terrein.

Gegeven de huidige en toekomstige hoogteverschillen wordt wateroverlast (in geval van water op straat) in de binnentuinen voorkomen en deze vloeien af naar de infiltratieputten. Wanneer de bergingscapaciteit te kort schiet kunnen de infiltratieputten overlopen op het eigen terrein bij Kerkplein en voortuin Pastorie. Dit alles gebaseerd op de huidige stand van het ontwerp. Indien blijkt dat bij het nader detailleren en doorrekenen van de waterbergingscapaciteit van het hemelwatersysteem, de bergingscapaciteit op eigen terrein onvoldoende is, dienen met de gemeente Heumen afspraken gemaakt te worden over het realiseren van hemelwaterberging in de openbare ruimte. Conclusie In deze memo is de bestaande situatie en nieuwe situatie toegelicht. Aan de hand van de bergingseis is berekend welke capaciteit waterberging op eigen terrein dient te worden gerealiseerd (circa 155 m3) en hoeveel waterberging op eigen terrein gerealiseerd kan worden door middel van infiltratieputten (ca 165 m3). Het aantal vierkante meters verhard oppervlak en functiewijziging wordt na het definitief ontwerp opnieuw bepaald waarna de exacte berging kan worden berekend. Indien nodig kan in de toekomst een gelijkwaardige technische oplossing worden gekozen om aan de opgegeven kubieke meters berging te komen. De uitvoerbaarheid van de BOPA is hiermee voor het onderdeel verwerking hemelwater aangetoond.

Pagina 7.

Figuur: Verhard oppervlak Nieuwbouw

Figuur: Verhard oppervlak Pastorie- en kloostertuin, weg achter kerk

Pagina 8.







Bijlage Toelichting tabel Verhard oppervlakte

Figuur: Voortuin Pastorie

Pagina 9.





Figuur: Verhard oppervlak Functiewijziging woningen in kerk

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

76

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Kerkplein 4-4a, Malden

23-1-2024

Status: Definitief

AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI KERKPLEIN 4-4A, MALDEN

Status: Datum: Projectnummer: Versie:

Definitief 23-1-2024 2023-529 1

INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 Inleiding ....................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Wettelijk kader ............................................................................................ 5 2.1 2.2 2.3 2.4

Algemeen ............................................................................................................................................... 5 Geluidaandachtsgebied ......................................................................................................................... 5 Grenswaarden wegverkeerslawaai ....................................................................................................... 5 Gemeentelijk geluidsbeleid ................................................................................................................... 6

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten ........................................................................................... 7 3.1 3.2

Situatie projectgebied ........................................................................................................................... 7 Verkeersgegevens.................................................................................................................................. 9

Hoofdstuk 4 Resultaten ................................................................................................. 10 4.1 4.2 4.3 4.4

Berekeningen ....................................................................................................................................... 10 Geluidsbelasting .................................................................................................................................. 10 Overschrijding standaardwaarde ........................................................................................................ 11 Maatregelen reductie geluidbelasting ................................................................................................. 11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14779548/1