CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ruimtelijke onderbouwing BOPA Kerkplein 4-4a Malden

Raad 12 december 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Aanvraag bindend adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning Kerkplein 4-4A Malden27.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Daarbij streeft de gemeente een zorgvuldig gebruik van de ruimte na; 3. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn klimaatadaptief (anticiperen op klimaatverandering) en natuurinclusief (bijdragen aan de (lokale) biodiversiteit en natuurwaarden); 4. Zorgvuldig ruimtegebruik is het vertrekpunt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegepast te worden. Transformatie en herontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied (inbreiding) gaat boven uitbreiding;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief 5. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan – of doen in ieder geval geen afbreuk aan – een veilige, gezonde en groene fysieke leefomgeving. Thema’s fysieke leefomgeving De fysieke leefomgeving is een veelomvattend begrip en wordt vanuit verschillende thema’s vormgegeven. Met vier thematische hoofdstukken geeft de gemeente invulling aan de thema’s die in de fysieke leefomgeving een rol spelen. In voorliggend geval zijn met name het thema ‘vitale en verbonden dorpen’ en aspect ‘wonen’ relevant. Met de huidige druk op de woningmarkt en de verstedelijkingsdruk vanuit Nijmegen heeft de gemeente te maken met een grote woningbouwopgave. In Malden ziet de gemeente kansen om te bouwen voor de regionale behoefte. De gemeente levert onder meer met de invulling van de ruimtelijke kaders en ambities uit het Masterplan Centrum Malden een bijdrage aan de nieuwbouwopgave. In de periode tot en met 2033 geeft de gemeente verder invulling aan de woningbouwopgave door het principe van inbreiden boven uitbreiden te hanteren. Daarom verleent de gemeente alleen medewerking aan woningbouwinitiatieven op bestaande versteende locaties in de kernen inclusief de daarvoor benodigde voorzieningen. Hierdoor ontstaat wel druk op het groen binnen de projectgebieden. Het is van belang de bestaande groenstructuur te behouden en waar mogelijk te versterken.

Daarnaast constateert de gemeente een (groeiende) behoefte aan kleinere woningen/appartementen (voor starters en senioren), woningsplitsing en bijzondere woonvormen. Ontwikkelingsrichting Het projectgebied ligt in het deelgebied ‘Malden’. Hieronder wordt de ontwikkelingsrichting beschreven voor zover relevant voor het voornemen. De gemeente wil de verblijfskwaliteit van het centrum en het kernwinkelgebied versterken. Daarom gaat de gemeente onder meer de bijbehorende openbare ruimte vergroenen en klimaatbestendig maken. De gemeente bouwt in Malden voor de regionale behoefte, in eerste instantie in het centrum en de Kanaalzone. Dit zijn de belangrijkste woningbouwlocaties voor de periode tot en met 2033. 5.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Heumen Het initiatief wordt nu stapsgewijs getoetst aan de Omgevingsvisie Heumen. Past het initiatief binnen de hoofdambities van de omgevingsvisie? Zoals eerder vermeld voorziet het initiatief in het realiseren van 30 woningen. De woningen worden gasloos en volgens de meest recente BENG-normen gebouwd, waarbij wordt voorzien in groene buitenruimte en voldoende compensatie voor verharding (zie hoofdstuk 7). Bij de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (zie hoofdstuk 8). Hiermee wordt voldaan aan de hoofdambities.

Past het initiatief binnen de leidende principes die de gemeente voor ontwikkelingen gebruikt? De beoogde woningen zijn gelijkvloers en daarmee geschikt voor senioren. Een deel van de woningen valt in de categorie ‘betaalbare koop’, waardoor deze ook geschikt zijn voor starters. De locatie bevindt zich in stedelijk gebied en een groot deel van het projectgebied is reeds verhard. Door de aanleg van groene buitenruimtes en voldoende capaciteit voor waterberging is het plan klimaatadaptief en wordt een bijdrage geleverd aan het lokale natuurlijke ecosysteem. Uit de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragraaf 4.2) blijkt dat de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Ook is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen. Hiermee wordt voldaan aan de leidende principes. Past het initiatief binnen de thema’s die spelen in de fysieke leefomgeving? Zoals eerder vermeld voorziet de ontwikkeling in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave. Het projectgebied maakt uit van het Masterplan Centrum Malden en is dus passende locatie voor het verder invullen van de woningbouwopgave. Zoals eerder gezegd is het projectgebied grotendeels verhard en wordt voor de verharding voorzien in voldoende compensatie (waterberging en groene buitenruimtes).

De woningen zijn geschikt voor zowel starters als senioren. Hiermee is het initiatief passend binnen de thema’s die spelen in de fysieke leefomgeving.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief Past het initiatief binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het deelgebied waar het ligt? Uit bovenstaande alinea’s kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling passend is binnen de ambities, principes en thema’s in de fysieke leefomgeving. Omdat het projectgebied ook deel uitmaakt van het Masterplan Centrum Malden wordt gesteld dat het voornemen passend is binnen de gewenste ontwikkelingsrichting voor de kern Malden. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Heumen. 5.4.2

Beleidsnotitie woonbeleid gemeente Heumen 2024-2030

5.4.2.1 Algemeen De druk op de woningmarkt is sinds jaren enorm groot. Daar waar de Rijksoverheid zo’n 15 jaar terug nog dacht dat Nederland ‘af’ was wat woningbouw betreft, blijkt al jaren dat dit geenszins het geval is. Het tekort aan met name betaalbare woningen is sinds de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog nooit zo groot geweest. Na de Randstad is de Groene Metropoolregio ArnhemNijmegen de regio waar de grootste tekorten zijn. De gemeente Heumen valt onder deze Groene Metropoolregio. Op 16 maart 2023 heeft de raad ingestemd met de Woondeal 2.0 en besloten om de samenwerkingsagenda Woondeal 2.0 regio Arnhem-Nijmegen als uitgangspunt te hanteren bij de herijking van lokaal ruimtelijk en volkshuisvestelijk beleid. 5.4.2.2 Uitvoering woningbouwopgave Uitgangspunt is dat alle kernen kunnen groeien. Daarbij hanteert de gemeente een aantal criteria. Inbreiding gaat voor uitbreiding. Als er uitgebreid kan worden, kan dat uitsluitend grenzend aan de bebouwde kom. In het buitengebied worden in principe geen woningen gebouwd, behalve woningen die passen in de regelingen voor vrijkomende agrarische bebouwing. De gemeente zet ook in op flexibel programmeren.

Dat houdt in dat plannen die passen bij de actuele vraag en toegevoegde waarde voor de woningvoorraad de ruimte en prioriteit krijgen, terwijl bij plannen die niet (tijdig) tot ontwikkeling komen of waar geen behoefte aan is, of niet passend is binnen de opgave, de capaciteit wordt afgeschaald of ingetrokken. Daarbij wordt rekening gehouden met de grootte van plannen, passend bij de kern. De gemeente gaat uit van een percentage van de totale opgave verdeeld over de kernen, naar rato van het aantal inwoners per kern en niet van absolute aantallen. Op die manier kunnen er verhoudingsgewijs per kern ongeveer evenveel woningen toegevoegd worden, passend bij de opgave. Dit leidt tot onderstaand overzicht dat de gemeente expliciet als indicatief en richtinggevend beschouwen. Bovendien hanteert de gemeente een marge om flexibel te kunnen blijven inspelen op initiatieven van zowel de gemeente als van ontwikkelaars. Kern

Inwoners

Percentage

Aantal woningen

Malden

11.205

67

570

Heumen

1.875

11

94

Overasselt

2.640

16

136

Nederasselt

825

6

50

Totaal

16.545

100

850

De gemeente hanteert hierbij differentiatieregels bij ieder nieuwbouwproject van zowel de gemeente als van ontwikkelaars. Dit komt voort uit de Woondeal 2.0. Voor particuliere projecten hanteert de gemeente deze differentiatie vanaf 10 nieuwbouw woningen met ingang van 1 oktober 2023. Bij minder dan 10 woningen acht de gemeente de haalbaarheid van onderstaande differentiatie niet realistisch. Concreet betekent dit: •

67 % betaalbaar = minstens 30% sociale huur; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief • •

minstens 35% middenhuur of betaalbare koop tot €355.000; inspanning voor betaalbare koop tot €250.000.

5.4.2.3 Plancapaciteit en regionale opgave De gemeente Heumen heeft een totale plancapaciteit van 1.210. Dit betekent dat er een planvoorraad is voor 1.210 woningen die zich in een meer of minder gevorderd stadium verkeren. De woningbouwopgave bedraagt 850 woningen. Dit betekent dat de gemeente Heumen op dit moment over een plancapaciteit beschikt van 142%. Vanuit de Woondeal wordt verwacht dat iedere gemeente over een plancapaciteit van 130% beschikt. Hiermee voldoen wij ruim aan de norm en dit is ook nodig. De genoemde plancapaciteit is altijd een momentopname (februari 2023) en is aan verandering onderhevig. Er moet immers met planuitval rekening gehouden worden. Niet alle plannen komen tot uitvoering om uiteenlopende redenen: zo blijken plannen soms financieel niet haalbaar, zijn er gronden van derden nodig waar geen overeenstemming over komt of trekt een initiatiefnemer of ontwikkelaar zich terug. Om die reden wil de gemeente op voorhand niet afschalen naar een lagere plancapaciteit. In principe focust de gemeente op realisatie van de regionale opgave op de locatie Kanaalzone in Malden. Wegens risico op (gedeeltelijke) planuitval moeten echter andere locaties waar substantieel woningen toegevoegd kunnen worden ook in beeld blijven (voor eventuele verdichting) om aan de regionale opgave te kunnen voldoen.

5.4.2.4 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie Van de 30 woningen worden er 10 woningen in het betaalbare segment gerealiseerd. Dit vloeit voort uit de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Heumen (zie paragraaf 3.1.3). Zoals al eerder vermeld was de Woondeal 2.0 destijds nog niet vastgesteld. Wel werd voldaan aan het toen geldende beleid omtrent woningbouw. Voor het kwantitatieve deel kan worden geconcludeerd dat het voornemen passend is binnen de vereiste plancapaciteit binnen de gemeente Heumen. Het voornemen is in overeenstemming met de ‘Beleidsnotitie woonbeleid gemeente Heumen 2024-2030’. 5.4.3

Welstandsnota 2019 gemeente Heumen

5.4.3.1 Algemeen In april 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Heumen de ‘Welstandsnota 2019’ vastgesteld. In de Welstandsnota 2019 is vastgelegd op welke wijze het welstandstoezicht in de gemeente Heumen is geregeld. Deze nota geeft de uitgangspunten voor wanneer een voorgenomen bouwwerk aan welstand wordt getoetst en bevat de criteria die in het geval van toetsing gelden. 5.4.3.2 Gebiedsgerichte welstandscriteria Aan welke welstandscriteria bouwplannen voor nieuwe hoofdgebouwen worden getoetst, verschilt in de gemeente Heumen per gebiedstype. De gebiedstypes die worden onderscheiden zijn stedenbouwkundig samenhangend en vertonen kenmerkende architectonische eigenschappen. Deze bestaande kwaliteiten vormen de basis van het welstandstoezicht in de gebouwde omgeving. In de welstandsnota zijn verschillende deelgebieden opgenomen. Het projectgebied valt binnen het welstandsgebied ‘Nieuwbouw centrum’. 5.4.3.3 Welstandsgebied ‘Nieuwbouw centrum’ Voor het welstandgebied ‘Nieuwbouw centrum’ gelden de volgende voorwaarden: Plaatsing • •

Het ruimtelijk karakter is gebaseerd op de gerealiseerd en/of nog beoogde centrumkwaliteiten van het gebied. Het overwegend half open bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden aan ruime openbare ruimten wordt in stand gehouden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief • •

Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek van de bestaande bebouwing in de omgeving. Panden zijn gericht naar de openbare ruimte.

Massavorm • • • •

De massa en vorm van nieuwbouw wordt zorgvuldig ingepast tussen de bestaande bebouwing. De bouwhoogte wordt afgestemd op de bouwhoogte (van 3 tot 5 bouwlagen) van de belendende omgeving. Verspringingen in de dakgoothoogte blijven binnen de uitersten van de naastgelegen bebouwing. De vormgeving van het dak is afgestemd op de stijl van het betreffende pand.

Gevelopbouw en -indeling •

• • •

Waar tussenruimten tussen de panden gelijk of kleiner is dan 2x de gemiddelde gevelbreedte van de naastliggende panden, sluit nieuwbouw aan bij de kenmerken van de bebouwing in de directe omgeving. Bij grotere tussenruimten is een grotere vrijheid in stijlkenmerken, ritmiek, gevelopeningen en toevoegingen toegestaan. De geleding van de gevel is verticaal gericht. Alle gevels gericht naar, of zichtbaar vanuit de openbare ruimte, zijn ten minste op voetgangersniveau voorzien van gevelopeningen. Blinde gevels zijn, zeker op begane grondniveau, niet toegestaan. Plaatsing en behandeling van de hoofdentree krijgt bijzondere aandacht.

Materiaal en kleur • • • •

Gevels bestaan in hoofdzaak uit baksteen. Glas, spiegelende oppervlakken, kunststof kunnen alleen worden toegepast bij beplating van gedeelten van gevels, als het past bij de belendende panden. De kleuren van in het zicht komende dakbedekking en gevels zijn op elkaar afgestemd. Het gebruik van sterk contrasterende kleuren in grote vlakken is niet toegestaan.

5.4.3.4 Toetsing initiatief aan de ‘Welstandsnota 2019 gemeente Heumen’ Ten tijde van de aanvraag feitelijke omgevingsplanactiviteit voor de bouwwerkzaamheden (2e fase van de BOPA) zal het ontwerp door de gemeente worden getoetst aan de geldende welstandscriteria. De stedenbouwkundige opzet is reeds beoordeeld door de gemeentelijk stedenbouwkundige en akkoord bevonden. 5.4.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) 6.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan hand van de kaart ‘Externe veiligheid’ op Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de kaart ‘Externe veiligheid’ staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen. In afbeelding 6.1 is een uitsnede van de kaart ‘Externe veiligheid’ met betrekking tot het projectgebied (rode ster) en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

Afbeelding 5.1

Uitsnede kaart ‘Externe veiligheid’ (Bron: Atlas van de Leefomgeving)

Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; is niet gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Maascorridor Op een afstand van circa 445 meter ten westen van het projectgebied bevindt zich de Maascorridor. Dit betreft een binnenvaartroute waarover onder andere gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Zoals zichtbaar in afbeelding 6.1 ligt het projectgebied niet binnen het brandaandachtsgebied of het explosieaandachtsgebied. Over de binnenvaartroute worden diverse gevaarlijke stoffen vervoerd. Het gaat onder andere om de stofcategorieën LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3. Voor de diverse stofcategorieën gelden verschillende 1%-lethaliteitsafstanden. Voor de stofcategorieën LT1 en GT3 bedraagt deze respectievelijk 600 meter en 1.070 meter. Deze lethaliteitsafstanden overlappen het projectgebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de bestaande situatie, alsmede de hoge personendichtheid rondom het projectgebied, wordt op voorhand geconcludeerd dat het groepsrisico niet onevenredig toeneemt. Een nader onderzoek externe veiligheid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Hierna volgt een beperkte groepsrisicoverantwoording. •

• •

Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen bij een calamiteit, een gebied/object goed te kunnen bereiken. In het voorliggend geval blijft de bereikbaarheid van het projectgebied onveranderd. Er wordt vanuit gegaan dat het centrumgebied van Malden goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Ontvluchten van het gebied: Het projectgebied kan in meerdere richtingen worden ontvlucht. Bij calamiteit op de Maascorridor kan in zowel noordelijke, oostelijke als zuidelijke richting worden gevlucht. (Zelf)redzaamheid: (Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. In het voorliggend geval betreft het woningen en een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief multifunctionele (kerk)zaal. Van bewoners van een reguliere woning alsmede bezoekers van een (kerk)zaal wordt over het algemeen verwacht dat deze zelfredzaam zijn. Gelet op de doelgroep zal een deel van de bewoners bestaan uit senioren. De initiatiefnemer stelt deze bewoners nadrukkelijk op de hoogte van de risico’s en de mogelijkheden zelfredzaamheid te vergroten, door middel van een vluchtplan. Daarnaast is tevens aannemelijk dat te allen tijde personen aanwezig zijn die anderen kunnen veiligstellen (andere bewoners en/of bezoekers van de multifunctionele zaal). 6.3

Conclusie

Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3 Provinciaal beleid Het regionaal waterprogramma 2021-2027 bevat het waterbeleid van de provincie. Water speelt een grote en veelzijdige rol in Gelderland. Water om te drinken, over te varen en in te zwemmen. Water voor landbouw, natuur en landschap. Maar water kan ook zorgen voor overstromingen. En door klimaatverandering neemt de kans op droogte toe en stijgt de kans op hevige neerslag. Daarom werkt de provincie samen met haar partners aan een watersysteem van de toekomst. In het Regionaal waterprogramma 2021-2027 beschrijft de provincie hoe ze dit wil doen. 7.1.4

Beleid Waterschap Rivierenland

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 “Versterken. Verbinden. Vergoenen." is bepalend voor het waterbeleid. Het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2022-2027) wil bereiken, met wie, hoe ze dat doen en waarom. In het WBP zijn voor het waterbeheer in het beheergebied van het waterschap Rivierenland gegeven en de opgaven gedefinieerd. Ook geeft het waterschap aan hoe ze deze opgaven samen met anderen wil oppakken en inspelen op initiatieven van derden. In het WBP staan de volgende principes centraal: 1. De natuurlijke kenmerking van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor het werk wat het waterschap; 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied; 3. Het waterschap is zuinig op water en grondstoffen; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is de focus; 5. Het waterschap pakt uitdagingen op binnen deze generatie en wentelt deze niet af; 6. Waterbeheer van de toekomst: het waterschap maakt maatschappelijk verantwoorde keuzes; 7. Met elkaar wordt gezorgd voor een toekomstbestendig rivierengebied. 7.1.5

Beleid gemeente Heumen

Het (hemel)waterbeleid van de gemeente Heumen is onder meer vastgelegd in het Beleidsplan water en riolering Heumen 2023-2027. Voor alle nieuwbouwplannen binnen de gemeente Heumen geldt dat het regenwater op eigen perceel verzameld en verwerkt dient te worden. Het regenwater mag niet meer bij het vuilwaterriool worden aangesloten of oppervlakkig afstromen naar de openbare ruimte. De gemeente Heumen conformeert zich aan het beleid van het waterschap. De eis vanuit het waterschap voor solitaire infiltratiesystemen (dus zonder overloop op een sloot) dienen minimaal 66,4 mm/m² verhard oppervlak te kunnen bergen. Bij een systeem met een overloop op het watersysteem van het waterschap moet minimaal 43,6 mm/m² verhard oppervlak geborgen worden, waarbij maximaal 1,5 l/s/ha op het watersysteem mag worden geloosd. Voor het aansluiten van water of een overloop op het watersysteem van het waterschap moet een vergunning worden aangevraagd of gemeld worden. De wijze van infiltreren, bergen en verwerken van het hemelwater op eigen terrein is ter invulling van de perceeleigenaar. Bij de keuze en aanleg van een voorziening dient te worden voorkomen dat er afvalwater in het hemelwatersysteem wordt geloosd. Daarnaast dient gebruik te worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwproducten en werkwijzen.

Er wordt derhalve geadviseerd gebruik te maken van niet uitloogbare bouwmaterialen of materialen die voorzien zijn van een keurmerk. Daarnaast dient een voorziening bij voorkeur inspecteerbaar en reinigbaar te zijn. Het systeem dient binnen 48 uur weer leeg te zijn zodat de volledige bergingscapaciteit weer beschikbaar is. De gemeente adviseert binnen stedelijk gebied om minimaal 20 tot 30 mm in een voorziening te bergen met een overloop op eigen terrein. De overloop mag daarbij geen overlast voor de omgeving opleveren.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied

Het waterschap Rivierenland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets en vervolgens indienen van de aanvraag. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de standaard waterparagraaf van de watertoets van toepassing is. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing. 7.3.1

Algemeen

Grondwater

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterpeil in sloten en vaarten. Dit peil heeft indirect effect op het grondwaterpeil. Gemeenten moeten overlast door te veel of te weinig grondwater beperken. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het grondwater op hun perceel. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Het waterschap adviseert voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,00 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,30 meter. Zo wordt overlast door grondwater voorkomen. Het waterschap adviseert om onderzoek te doen in gebieden waar overlast door grondwater bekend is of waar hoge grondwaterstanden voorkomen. Het is wenselijk dat het plan grondwaterneutraal is. Dit kan door hemelwater te infiltreren. Zo wordt water vastgehouden voor drogere perioden. Dit kan alleen in gebieden waar de grondwaterstanden en de bodemopbouw dat toelaten. Het zijn de hogere gronden met een goede doorlatendheid. Watercompensatie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, kan aanleg van extra waterberging noodzakelijk zijn. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd.

Het is mogelijk voor een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht in aanmerking te komen. De eenmalige vrijstelling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in stedelijk gebied. Is de toename in verharding groter dan 500 m² in stedelijk gebied dan is het mogelijk dat de vrijgestelde oppervlaktes in mindering worden gebracht. Neemt in het plan de verharding bijvoorbeeld toe met 600 m² in stedelijk gebied, dan hoeft met de vrijstelling maar voor 100 m² gecompenseerd te worden. Er moeten compenserende maatregelen worden genomen als het plan niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of als de vrijgestelde oppervlaktes worden overschreden. De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. De vuistregel is dat er 436m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. De maximaal toelaatbare peilstijging bedraagt 0,30 meter. Dit geldt voor plannen met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m2. De vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water en als er geen sprake is van complicerende zaken (bijvoorbeeld kwel). In stedelijk gebied kan waterberging ook worden gerealiseerd via een waterbergingsbank (indien beschikbaar).

Plannen met een toename van het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1.500 m2 komen hiervoor in aanmerking. Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren: •

•

•

Hergebruik en/of vasthouden - Hierbij wordt het hemelwater binnen het projectgebied verzameld en komt niet (direct) in het oppervlaktewater terecht. Dit kan bijvoorbeeld met groene polderdaken en wadi’s. Het ontwerp-, beheer- en onderhoudsaspect spelen een belangrijke rol bij deze voorzieningen. De initiatiefnemer dient aantoonbaar te maken dat de gerealiseerde berging kan blijven functioneren. Op hoge zandgronden met een lage grondwaterstand heeft infiltratie de voorkeur. Buiten deze gebieden is infiltratie ook mogelijk, zolang de gemiddelde hoogste grondwaterstand niet hoger komt dan 50 cm onder maaiveld. Infiltratie vindt bij voorkeur plaats in de openbare ruimte (openbaar groen, bermen, etc.). Bergen - Onder bergen wordt de opvang van hemelwater in het oppervlaktewater verstaan. Het hemelwater van het projectgebied wordt opgevangen in het oppervlaktewater. Hier heeft het graven van nieuw oppervlaktewater de voorkeur boven het vergroten van bestaand water. Bij gebruik van bestaand water gaat de voorkeur uit naar watergangen die niet door Waterschap Rivierenland worden onderhouden. Afvoeren - Hierbij wordt hemelwater afgevoerd via de riolering.

Waterkwaliteit Hieronder volgt een aantal algemene aandachtspunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: •

Gebruik geen uitlogende materialen zoals zink of koper. Zo komen deze materialen niet in de sloot terecht. Gebruikt u wel uitlogende materialen, dan mag het dakwater niet rechtstreeks op de sloten worden geloosd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief • •

7.3.2

Bladeren van bladverliezende bomen langs het water komen vaak in het water terecht. Dit kan de waterkwaliteit negatief beïnvloeden. De hoeveelheid bladafval in de watergang kan beperkt worden door rekening te houden met de plaatsing van bomen. Neem de ecologische waarde mee in het ontwerp van een watergang, wadi, etc. Door aandacht te hebben voor de ecologische waarde, kan deze zonder al te veel moeite worden vergroot. Projectspecifiek

Initiatiefnemer en de gemeente Heumen hebben overleg gevoerd over de waterhuishoudkundige aspecten van het project. Naar aanleiding hiervan is een memo opgesteld met daarin de nadere uitwerking van de waterberging. Naar aanleiding hiervan heeft initiatiefnemer een notitie waterberging opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 3. De conclusie is hieronder opgenomen. Notitie waterberging In deze memo is de bestaande situatie en nieuwe situatie toegelicht. Aan de hand van de bergingseis is berekend welke capaciteit waterberging op eigen terrein dient te worden gerealiseerd (circa 155 m3) en hoeveel waterberging op eigen terrein gerealiseerd kan worden door middel van infiltratieputten (ca 165 m3). Het aantal vierkante meters verhard oppervlak en functiewijziging wordt na het definitief ontwerp opnieuw bepaald waarna de exacte berging kan worden berekend. Indien nodig kan in de toekomst een gelijkwaardige technische oplossing worden gekozen om aan de opgegeven kubieke meters berging te komen. De uitvoerbaarheid van de BOPA is hiermee voor het onderdeel verwerking hemelwater aangetoond.

7.4

Conclusie

Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd, waarbij nadere uitwerking op een later moment volgt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Situatie projectgebied

Het voornemen maakt de bouw van 30 woningen mogelijk. De appartementengebouwen worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. 8.1.2.1 Wegverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het projectgebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de volgende wegen: • • •

Rijksweg (N844) Groesbeekseweg Broekkant

Door BJZ.nu is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Hierna wordt op de conclusies ingegaan. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai De geluidbelasting als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 39 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. De geluidbelasting als gevolg van de N844 bedraagt hoogstens 54 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB uit het Bkl. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 60 dB uit het Bkl. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Ten tijde van de vergunningverlening dient een bouwakoestisch onderzoek uitgevoerd te worden waarin wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de vereiste gevelwering van 21 dB. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Advies omgevingsdienst Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is beoordeeld door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen. In haar advies geeft de ODRN aan dat de standaardwaarde van 53 dB op één beoordelingspunt wordt overgeschreden. De overschrijding bedraagt 1 dB.

Standaard wordt uitgegaan van een gevelisolatie van 20 dB, maar met de huidige reguliere bouwmaterialen is de gevelisolatie hoger. De vereiste binnenwaarde van 33 dB kan dan ook zonder aanvullende bouwmaatregelen eenvoudig worden gehaald. De geluidbelasting van 54 dB moet wel in het omgevingsplan worden vastgelegd (overeenkomstig artikel 5.78u Bkl). In het akoestisch onderzoek is aangegeven dat er redelijkerwijs geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om deze waarde te verminderen. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt dat formeel een bouwakoestisch onderzoek nodig is om aan te tonen dat voldaan wordt aan de vereiste binnenwaarde van 33 dB. Uit het advies van de omgevingsdienst blijkt echter dat de vereiste binnenwaarde van 33 dB zonder aanvullende bouwmaatregelen eenvoudig kan worden gehaald. Een bouwakoestisch onderzoek is dan niet nodig. Het vaststellen van een hogere geluidsbelasting is als voorwaarde opgenomen in hoofdstuk 14 van deze onderbouwing. Hiermee wordt geconcludeerd dat ten aanzien van wegverkeerslawaai wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief 8.1.2.2 Railverkeer- en industrielawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het projectgebied is gelegen (circa 2,2 kilometer). In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. De invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt in de volgende paragraaf behandeld.

8.1.2.3 Solitaire bedrijvigheid Om geluidhinder te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ (mei 2019). Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval wordt voor het project de systematiek van de uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ aangehouden. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. Het projectgebied is gelegen in het centrum van Malden waar sprake is van functiemenging. In de nabijheid van het projectgebied komen maatschappelijke functies, detailhandel, woningen en centrumfuncties voor. Gezien het vorenstaande wordt in dit geval uitgegaan van een gebied met functiemenging. Functiemenging Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden.

De ‘Staat van Bedrijven (SvB) - functiemenging’ bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Situatie projectgebied Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is voor deze functie geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Wel kunnen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief luchtwarmtepompen mogelijk leiden tot geluidsoverlast. Sinds april 2021 geldt een geluidsnorm voor warmtepompen uit het Bouwbesluit. Op de erfscheiding mag hooguit 40 dB te horen zijn en onder bepaalde omstandigheden hooguit 45 dB. Deze norm is vastgesteld voor een enkele warmtepomp. Het plaatsen van meerdere warmtepompen leidt tot een cumulatief effect van geluid. Via verschillende maatregelen kan geluidsoverlast worden beperkt: het plaatsen van stille warmtepompen die geen gebruik maken van een ventilator, het plaatsen van een geluiddempende kast om de warmtepomp en het plaatsen van de warmtepompen op het dak van de gebouwen. Initiatiefnemer houdt zich aan het Bouwbesluit en zal rekening houden met cumulatieve effecten. Een kerkfunctie/multifunctionele (kerk)zaal betreft wel een milieubelastende functie. Een dergelijke functie is het beste ter vergelijken met een categorie B activiteit, waardoor sprake moet zijn van een bouwkundige afscheiding ten opzichte van gevoelige objecten. In voorliggend geval is de (kerk)zaal bouwkundig afgescheiden van bestaande en toekomstige woningen. Er is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van (toekomstige) omwonenden. Vanwege de vrijheid van godsdienst is het luiden van de klokken in het kerkgebouw uitgezonderd van een toets aan geluidgrenswaarden.

Bij dit voornemen blijft de kerkfunctie (gedeeltelijk) bestaan. Het luiden van de klokken verandert dan ook niet ten opzichte van de huidige situatie. Van toename van geluid is dus geen sprake. Tot slot wordt opgemerkt dat de klokken slechts voor een korte aaneengesloten tijd per keer worden geluid. Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Rondom het projectgebied komen veel verschillende functies voor. Het betreffen allemaal ten hoogste categorie B functies, met uitzondering van de naastgelegen bioscoop (categorie C). Inpandig van de bioscoop is een bovenwoning aanwezig en aan de westzijde van de bioscoop zijn eveneens woningen aanwezig. De woningen in het projectgebied zijn bouwkundig afgescheiden van de bioscoop. Daarom kan gesteld worden dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten aanzien van het aspect verkeer zorgt de bioscoop voor enige verkeersgeneratie. Gesteld wordt dat de verkeersgeneratie relatief gering is en niet leidt tot geluidsoverlast. Ook het verkeer op de Broekkant, waar het verkeer van de bioscoop op wordt ontsloten, levert geen te hoge geluidsbelasting (zie bijlage 4).

De woningen leveren hiermee geen extra belemmeringen op voor de bedrijfsvoering van de bioscoop. Op het Kerkplein vinden enkele keren per jaar evenementen plaats en wordt iedere week een markt gehouden. Het Kerkplein is niet formeel aangewezen als evenemententerrein. Vanuit het beleid voor evenementen volgt dat de duur en regelmaat van het evenement van belang is om het effect van het evenement op de woon- en leefomgeving te bepalen. De grootste evenementen op het Kerkplein zijn de kermis, 4-daagse en rond kerst. Bij de evenementen geldt afhankelijk van de duur en regelmaat een vergunningsplicht wanneer het evenement in strijd is met het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Wanneer sprake is van een vergunningsplicht kan de gemeente reguleren op grond van ruimtelijke aanvaardbaarheid. In voorliggend geval worden geluidgevoelige functies toegevoegd. Echter is er geen sprake van een belemmering van de evenementen, wanneer deze niet vergund zijn. De gemeente Heumen maakt bij elke aanvraag een afweging, en heeft een bevoegdheid en geen plicht om een vergunning te verlenen. Voor kleinere evenementen zonder vergunningsplicht wordt gesteld dat deze niet leiden tot een significante aantasting van het woonen leefklimaat. 8.1.4

Conclusie

Wat betreft wegverkeerslawaai is ter plaatse van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten aanzien van railverkeerslawaai en industrielawaai geldt dat het projectgebied zich niet binnen een geluidaandachtsgebied bevindt. Tot slot is gemotiveerd dat ten aanzien van solitaire bedrijvigheid de (kerk)zaal en plaatsing van warmtepompen niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat van (toekomstige) omwonenden. Daarnaast is binnen het projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De woningen leveren geen extra belemmeringen op voor de bedrijfsvoering van de naastgelegen bioscoop. Voor grotere evenementen wordt bij de vergunningsaanvraag het woon- en leefklimaat afgewogen en voor kleinere evenementen is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat. De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie projectgebied

In voorliggend geval heeft Dumea een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten en de conclusie van dit onderzoek zijn hierna opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het onderzoeksrapport dat in bijlage 5 van deze onderbouwing is opgenomen. Verkennend bodemonderzoek In de bovengrondmengmonsters zijn lichte verhogingen zink (BM1) en lood (BM2) aangetroffen. In het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het mengmonster is tevens een matige verhoging lood aangetroffen. Naar aanleiding van deze matige verhoging zijn de separate deelmonsters geanalyseerd op lood. In de separaat geanalyseerde deelmonsters is een verhoging ten opzichte van de interventiewaarde aangetroffen ter plaatse boorpunt 12. In de overige deelmonsters zijn geen verhogingen of verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. Dit is vermoedelijk een uitschieter op het algemene verontreinigingsbeeld en kan derhalve als lokale ‘spot’ worden beschouwd. De omvang van de verontreiniging in gehalten boven de interventiewaarde is niet exact bekend, maar zal (veel) kleiner zijn dan 25 m3 aan bodemvolume. Daarom wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en bestaat er vanuit de Wet Bodembescherming geen saneringsnoodzaak. In het grondwatermonster zijn geen verhogingen aangetroffen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief Conform besluit bodemkwaliteit wordt de grond ter plaatse van boorpunt 12 geclassificeerd als Niet toepasbaar en de grond ter plaatse van boorpunt 5 als Klasse wonen. De overige boven- en ondergrond kan worden geclassificeerd als Altijd toepasbaar. Aangezien geen partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Bbk als indicatief beschouwd te worden. Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd. Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. 8.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2

Situatie projectgebied

Om te beoordelen of het voornemen ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Hierbij is gerekend met de verkeersgeneratie zoals berekend in paragraaf 3.2.2 en met 5% vrachtverkeer. Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBMtool weer. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief

Afbeelding 8.1

Berekening bijdrage luchtkwaliteit (Bron: NIBM-tool)

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het voornemen ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging. 8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

BOPA Kerkplein 4-4a, Malden Definitief vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie projectgebied

Het toevoegen van een woning geldt als het toevoegen van een geurgevoelig object. De beoogde woningen liggen binnen de bebouwde kom, waardoor vanuit de ‘bruidsschat’ een afstand van minimaal 100 meter tot veehouderijen met dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld dient te worden aangehouden. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich op circa 920 meter van het projectgebied. Het betreft een paardenfokkerij. Voor paarden is geen emissiefactor vastgesteld. Aan de minimale afstand wordt voldaan, dus wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 8.4.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14779548/1