CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ruimtelijke motivering

Raad 13 maart 2025, gemeente HeumenBij agendapunt: Verlenen positief bindend advies omgevingsvergunning Rijksweg 38-4027.566 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

54

BOPA Rijksweg 38-40

In de huidige situatie is de locatie grotendeels onverhard. Uitsluitend ter plaatse van de inrit is er een halfverharding aanwezig. Het overige perceel is grotendeels vrij van begroeiing en biedt voldoende infiltratie mogelijkheden. Verder is er op het achterste agrarische perceel gedeelte een schuur aanwezig. Deze schuur heeft een oppervlak van ca. 35m² Toekomstige situatie Ter plaatse van het plangebied wordt één vrijstaand woonhuis toegevoegd. In de huidige situatie is er nauwelijks sprake van verhard oppervlak. Het verharde oppervlak zal in de toekomstige situatie toenemen, door de te realiseren oprit en woning. De schuur achterdoor op het perceel blijft behouden. Deze schuur maakt echter onderdeel uit van de bebouwing ten behoeve van het agrarische perceel. De woning mag een maximale inhoud van 800m³ hebben. Ruim berekend kan hierbij worden uitgegaan van een bouwoppervlak van 10 bij 12 meter. Dit komt neer op 120m². Bij een hoogte van 3 meter per dieping, komt dit neer op 360m³ per verdieping. Het toekomstige woonhuis zal gerealiseerd worden als twee laags met kap. De inhoud per verdieping vermenigvuldig met het aantal lagen komt neer op 900m³ (360x2,5). Dit is 100m³ meer dan toegestaan. Geconcludeerd kan worden dat een oppervlak van 120m² een mooi uitgangspunt biedt voor de toekomstige woning.

Naast het woongebouw is binnen de huidige bouwregels een oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen toegestaan van gezamenlijk 50m². In totaal zal het oppervlakte aan gebouwen op het perceel dus maximaal 170m² bedragen. Daarnaast wordt er aan de noordelijke perceelsgrens een oprit gerealiseerd tussen de bestaande schuur op het agrarische perceel en de Rijkseg. Deze oprit zal een lengte hebben van circa 65 meter. Bij een breedte van 3 meter komt dit neer op bijna 200 m² aan oprit. Deze oprit wordt gerealiseerd als halfverharding in de vorm van open bestrating of bijpassende siersplit. Halfverharding mag bij de berekening van de bergingsopgave voor 50% worden meegenomen, mits in he waterhuishoudkundigplan aannemelijk kan worden gemaakt dat 50% van de 200 m² (T=100) daadwerkelijk ter plaatse in de bodem kan infiltreren. Voor de onderstaande berekening is de halfverharding voor 100% meegenomen. In het waterhuishoudkundigplan voor de omgevingsvergunning bouwen zal het aspect water nader worden uitgewerkt. Naast de oprit is het denkbaar dat de initiatiefnemer een terras aanlegt dat wordt betegeld of voorzien van klinkers of eventueel natuursteen. Hier wordt uitgegaan van 50m². Bestaande situatie / (o.a. /

Toekomstige situatie 170m² 200m²

Gebouwen Half-verharding oprit) Overige verharding / 50m² Totaal Figuur: Weergave huidig en toekomstig verhard oppervlak

Verschil 170 200 50 420 m²

Het bovenstaande zou betekenen dat er 420m² aan nieuw te realiseren verharding gecompenseerd moet worden. Bij de half-verharding wordt ervan uitgegaan dat alle bestrating en/ of bijpassende siersplit nieuw aangelegd zal worden. De infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan worden gedimensioneerd conform 664 m3/ha (T=100+ 10%) gerekend over het aantal m² nieuwe verharding. Op basis van de nieuw te realiseren ontwikkelingen bedraagt de te realiseren bergings- en infiltratieopgave voor het terrein in totaal 27.89m³ (420 x 0,0664). Het ruime perceel biedt voldoende mogelijkheden om afgerond 28m³ aan hemelwater te bergen en te infiltreren. Vooralsnog zijn de maatregelen ten behoeve van waterberging gepland op het achterterrein. Waterberging zal waarschijnlijk worden gerealiseerd in de vorm van permeobuizen aangevuld met grind, infiltratiekratten of vergelijkbare oplossingen. De exacte locatie, omvang en invulling zal nog nader worden

BOPA Rijksweg 38-40

55

bepaald. 4.9.2.4 Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen, doordat het perceel in de huidige situatie nog niet bewoond is. Het voornemen zorgt voor de toename van een huishouden op het rioolstelsel. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande gemengde vuilwater rioleringsstelsel onder het fietspad aan de Rijksweg. De kosten voor de aansluiting op het gemengde vuilwaterriool zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Doordat er sprake is van een enkele woning wordt er geen negatief effect op het rioolstelsel verwacht. 4.9.3 Conclusie Water Het perceel biedt voldoende ruimte om infiltratiekratten, permeobuizen of andere oplossingen aan te brengen om de toegenomen verharding te compenseren. Deze voorzieningen zijn gezien de ruime hoogte boven de GHG kansrijk en goed mogelijk. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Ecologie

4.10.1 Inleiding Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.10.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.

Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: Óf er soorten aanwezig zijn;

56

BOPA Rijksweg 38-40

En indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Toetsing De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. Deze definitie zorgt ervoor dat voor het uitvoeren van een activiteit gecontroleerd moet worden of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Omdat er afgeweken wordt van de agrarische functie en er mogelijk begroeiing wordt verwijderd, dient er een Quickscan Flora & fauna te worden uitgevoerd. Daarmee wordt helder of er, en zo ja welke, beschermde soorten op het terrein aanwezig zijn of het terrein gebruiken. Afhankelijk van de effecten van het plan op de flora en fauna kan het nodig zijn dat compenserende maatregelen worden genomen of dat het plan moet worden aangepast. 4.10.2.1 QuickscanFlora en Fauna Met het voornemen wordt de realisatie van een vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Om dit mogelijk te maken moet worden afgeweken van de bestaande functie. Voor de realisatie van het plan zijn ingrepen noodzakelijk in het bestaande perceel. Om de functiewijziging en de inrichting van het terrein mogelijk te maken moet worden aangetoond dat met het plan geen negatief effect heeft op beschermde soorten. Hierom is door Aelmans Milieu een Quickscan Flora en Fauna (rapportnr. AMO230659, d.d.

22 maart 2024; Bijlage 5) uitgevoerd. Het locatiebezoek heeft plaatsgevonden op 6 maart 2024. De resultaten van de Quickscan Flora en Fauna worden hieronder weergegeven. Resultaten De quickscan heeft als doel om vast te stellen of de beoogde ingrepen van invloed kunnen zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gespecificeerde soorten. Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel Rijksweg 38-40 te Malden kan worden uitgesloten dat de voorgenomen bouwwerkzaamheden een negatieve invloed hebben op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet en het Bal. In de bomen zijn geen gaten of holen aanwezig. Deze zijn voor vleermuizen derhalve ongeschikt als verblijfplaats. De bomen maken geen onderdeel uit van een lijnvormig element. Voor de geplande ingreep blijven alle aanwezige bomen en hagen behouden. Bomen kunnen tijdens het broedseizoen niet jaarrond beschermde nesten bevatten. Door de geplande ingreep kunnen deze nesten verstoord worden. Werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is zal voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.

Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (LNN /Natura 2000). Er is waarschijnlijk geen sprake van een Natura2000-activiteit. De ruimtelijke ontwikkeling leidt vermoedelijk niet tot een toename van de stikstofdepositie op de naburige Natura 2000 gebieden. Om te bepalen of dit het geval is, wordt een Aerius-berekening uitgevoerd.

BOPA Rijksweg 38-40

57

Aanbevelingen Zorgplicht Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden en dus van de weg (N844) af. Natuurinclusief bouwen Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kan de nieuwe woning meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, maar ook aan het aanplanten van inheemse bomen en struiken.

Conclusie Het aspect 'Soortenbescherming' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10.3 Gebiedsbescherming Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

4.10.3.1 Natura2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Toetsing ligging t.o.v. Natura 2000 Nabij het plangebied zijn meerdere Natura 2000 gebieden gelegen. Deze liggen tussen de circa 6,5 en 7,5 kilometer van het plangebied af. Het gaat om Natura2000-gebieden Rijntakken, De Bruuk en Sint Jansberg. Op de kaart hieronder is de afstand tussen de verschillende gebieden geïllustreerd.

58

BOPA Rijksweg 38-40

Figuur: Ligging plangebied t.o.v. Natura2000-gebieden Op basis van bovenstaande weergave, wordt duidelijk dat het voornemen niet gelegen is binnen Natura2000-gebieden en er uitsluitend sprake is van een mogelijke externe werking. 4.10.3.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.

Toetsing ligging t.o.v. Gelders Natuurnetwerk Ten noorden van de Veldweg en ten noordoosten van de locatie aan de overkant van de Rijksweg zijn gebieden gelegen die onderdeel uitmaken van het Gelders Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde deel ligt op circa 30 meter afstand. Hierbij is er sprake van een deel van het EHS-werk in de vorm van een ecologische verbindingszone.

BOPA Rijksweg 38-40

59

Figuur: Ligging Gelders Natuurnetwerk

De onderdelen van het Gelders Natuurnetwerk maken onderdeel uit van de groene verbindingszone tussen de Haterste Vennen in het westen en het bosgebied ten oosten van Malden. Deze ecologische verbindingszone bestaat uit droge natuur.

60

BOPA Rijksweg 38-40

Figuur: Groene verbindingszone van Oost naar West tussen Nijmegen en Malden

BOPA Rijksweg 38-40

61

Op basis van onderstaande weergave, wordt duidelijk dat het voornemen niet gelegen is binnen NNN en er uitsluitend sprake is van een mogelijke externe werking. 4.10.3.3 Stikstof Voor voorliggende ruimtelijke motivering is door Pouderoyen Tonnaer een stikstofnotitie incl. bijlagen (Pouderoyen Tonnaer, projectnummer p222482.002, d.d. 14 februari 2024, Bijlage 6) opgesteld. De resultaten hiervan zijn hieronder weergegeven. Resultaten Op basis van dit bouwplan zijn ten aanzien van het aspect stikstof verschillende fasen te onderscheiden: 1. 2.

Realisatiefase: tijdelijke effecten ten gevolge van bouw- en aanlegactiviteiten; Gebruiksfase: effecten voor onbepaalde tijd na ingebruikname van de nieuwbouw.

Navolgend worden de stikstofrelevante activiteiten per fase beschreven. Daarbij is in eerste instantie de emissie als gevolg van het planvoornemen in kaart gebracht. Dat wil zeggen de emissie die aan de orde is in de realisatiefase en de nieuwe gebruiksfase. Indien de emissie van stikstof in deze fases niet leidt tot een significantie toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden (d.w.z. een toename groter dan 0,00 mol/ha/jaar), dan kan het planvoornemen doorgang vinden zonder vergunningsplicht ten aanzien van de Omgevingswet.

Realisatiefase Er wordt met het planvoornemen één woning gerealiseerd. Op dit moment is er nog geen informatie over de in te zetten mobiele werktuigen, de duur van de inzet en de bouwjaren/ stageklassen van deze werktuigen. Om toch een beoordeling te maken ten aanzien van de emissies in de realisatiefase is een worst-case scenario uitgewerkt. Er is in dit kader aansluiting gezocht bij de Handreiking woningbouw en Aerius opgesteld door het rijk, bijgevoegd in bijlage 1. Voor de bouw van de woningen is aangesloten bij de kengetallen. Hierin wordt het kengetal van 3 kg NOx/ per ruime woning gehanteerd. Om een worst-case-scenario te schetsen wordt aangenomen er 6 kg NOx vrij zal komen tijdens de bouwfase. Conclusie realisatiefase De bovenstaande gegevens zijn ingevoerd in de AERIUS calculator en bijgevoegd in bijlage 2 van de notitie. Uit deze berekening volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Rekening houdend met voorgaande conclusies kunnen significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van de realisatie fase worden uitgesloten.

Gebruiksfaseo.b.v. Verkeer De woning wordt gasloos gerealiseerd. In de gebruiksfase is derhalve alleen sprake van een verkeersgeneratie. Er worden met het projectvoornemen uitgegaan van een verkeersgeneratie één vrijstaande woning. Voor de berekening wordt de typologie van een “koop, vrijstaand” gehanteerd. Op basis van de CROW normen geldt een maximumnorm van 8,2 bewegingen per wooneenheid per etmaal voor 1 woning in een niet stedelijk gebied in het centrum. Afgerond resulteert dit in 9 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de het berekenen van de stikstofemissies tijdens de gebruiksfase moet worden bepaald wanneer het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld. In de toekomstige situatie zal dit direct op de Rijksweg zijn. Voor de worst-case-scenario uitwerking wordt verondersteld dat het verkeer pas bij de rotonde van de Rijksweg, Droogsestraat en Heiweg opgaat in het heersende verkeersbeeld. Er is een stagnatiepercentage van 5% verondersteld op dit traject.

62

BOPA Rijksweg 38-40

Conclusie gebruiksfase De bovenstaande gegevens zijn ingevoerd in de AERIUS calculator en bijgevoegd in bijlage 3 van de notitie. Uit deze berekening volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Rekening houdend met voorgaande conclusies kunnen significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase worden uitgesloten.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat op basis van een worst case scenario doorrekening significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden. Uit de notitie blijkt dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Het planvoornemen is hierdoor niet vergunningsplichtig in het kader van de Omgevingswet. 4.10.3.4 Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten.

Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158). Toetsing Op de locatie is geen sprake van houtopstanden. Wel staan er enkele bomen en struiken op het terrein. Er hoeven geen bomen of struiken te worden verwijderd voor de realisatie van het woonhuis. Een kapvergunning is daarom niet noodzakelijk. Met het planvoornemen worden bomen en planten toegevoegd aan het perceel, waardoor de ecologische waarde wordt verbeterd. In Bijlage 2 is naast de landschappelijke inpassing ook een beplantingsplan opgenomen. Hierin zijn de aan te planten soorten, inclusief maat en plantafstand verwerkt. Met beplantingsplan wordt naast de landschappelijke inpassing van de tuin en erfafscheiding, ook 1000m² natuurcompensatie gerealiseerd. Deze natuurcompensatie wordt behaald door de aanplant van een bomenrij bestaande uit 21 bomen in de maat 8-10. Doordat de bomen op een afstand van 5 tot 8 meter worden gerealiseerd, ontstaat er een aaneengesloten bomenrij. Middels deze bomenrij worden de voormalige houtopstand op het perceel aan de Rijksweg gecompenseerd.

De natuurcompensatie wordt op gerealiseerd op de naastgegen percelen, kadastraal bekend als, gemeente Heumen, sectie G, nummers 5832 en 5834, met een gezamenlijk oppervlak van 1.055m². De aan te planten bomen hebbent naast een positief effect op de uitstraling van het plan ook een positief effect op het klimaat en de biodiversiteit. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'Houtopstanden' geen belemmering vormt voor het planvoornemen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BOPA Rijksweg 38-40

63

4.11

Archeologie & cultuurhistorie

4.11.1 Algemeen De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Deze regels hebben betrekking op beschadiging, het conserven en in stand houden van archeologische monument. Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m² in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m² vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels. Hieronder wordt beschreven op welke manier wordt omgegaan met archeologie en cultuurhistorische waarden. 4.11.2

Archeologie

4.11.2.1 Beleid Rijksbeleid Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek en de eventuele op te leggen maatregelen dient te dragen. Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de (voormalige) Monumentenwet 1988 via de Wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007). Met het in werking treden van de Erfgoedwet op 1-7-2016 is de Monumentenwet 1988 grotendeels vervallen. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, nog van toepassing. Hoofdstuk V regelt de Archeologische Monumentenzorg.

Provinciaalbeleid Als provincie gelden er in Gelderland wettelijke verplichtingen op het vlak van Archeologie. In Gelderland

64

BOPA Rijksweg 38-40

moeten archeologische bodemvondsten worden onderzocht, behouden en toegankelijk gehouden. Gemeentelijk beleid Voor de gemeente Heumen is archeologisch beleid met een bijbehorende archeologische waarden- en verwachtingskaart opgesteld (RAAP-rapport 2739, vastgesteld in 2013). Op deze kaart locaties met een bepaalde verwachtingswaarde aangeduid. Op basis hiervan dient te worden beoordeeld of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 4.11.2.2 Toetsing Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het verplicht om de archeologische waarden bij ruimtelijke planvorming te betrekken, met name bij plannen waarbij bodemwerkzaamheden uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om het bekende en nog niet bekende bodemarchief. Uitgangspunt hierbij is dat de archeologische waarden zoveel mogelijk behouden moeten blijven en niet aangetast mogen worden. Toepassing Van toepassing is het archeologisch beleid met de bijbehorende archeologische waarden- en verwachtingskaart (RAAP-rapport 2739, vastgesteld in 2013). Op deze kaart is de locatie aangeduid als een gebied met een lage verwachting. lage verwachting: Laag voor archeologische resten uit alle perioden.

Archeologische resten afgedekt door een >50 cm dikke conserverende laag en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd (profieltype 7) of archeologische resten vlak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar (profieltypen 8 en 9)

Figuur: Uitsnede archeologische beleidskaart Ter plaatse van de locatie is er daarnaast géén sprake van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Binnen het bestemmingsplan Buitengebied Heumen, geldt dat, wanneer er sprake is van een hoge verwachting bij grondwerkzaamheden dieper dan 30cm een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Bij 'Waarde - Archeologie 1' is archeologisch onderzoek vereist bij bodemwerkzaamheden groter dan 500m² en dieper dan 40cm. Bij 'Waarde - Archeologie 2' is archeologisch onderzoek vereist bij bodemwerkzaamheden groter dan 2.500m² en dieper dan 40cm.

BOPA Rijksweg 38-40

65

Afgezien van het feit sprake van een zeer lage verwachting, waarbij bij terrein geen dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' heeft, worden bij de realisatie van het woonhuis worden geen werkzaamheden verricht die groter zijn dan 500m². 4.11.2.3 Conclusie Er zijn geen bedenken dat mogelijke archeologie waarden worden aangetast. Mochten eventuele archeologische waarden worden aangetroffen, is de archeologische zorgplicht van toepassing. Het aspect 'Archeologie' vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.11.3

Cultureel erfgoed en cultuurhistorie

4.11.3.1 Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed. De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is. In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl).

Deze regels gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten verplaatsing van beschermde monumenten gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand aantasting van de omgeving van een beschermd monument aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen 4.11.3.2 Toetsing Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is het cultureel erfgoed geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan middels een Buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA) beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het beschermen en het voorkomen van aantasting van cultureel erfgoed.

66

BOPA Rijksweg 38-40

Figuur: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart , RAAP-rapport 2739 Op basis van de door RAAP opgestelde Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heumen (rapport 2739), blijkt dat veel panden langs de Rijksweg aangeduid zijn met een rood ruitje. Het rode ruitje staat voor een beeldbepalend/ karakteristiek pand. Daarnaast is de Rijksweg aangeduid met een paarse markering. Deze markering geeft aan dat de Rijksweg een weg is die teruggaat tot de periode 1832 - 1900. De bruine aanduiding (kd1) heeft betrekking op een droge kampontginning met plaatselijk essen. Dit geeft aan dat het een gebied is dat in het verleden al gebruikt is voor bewoning. De ontginning heeft tot de uiteindelijke bebouwing van het gebied geleid. Voor dit project geldt dat het van belang is dat het toekomstige woonhuis aansluit bij de cultuurhistorische en beeldbepalende panden aan de Rijksweg en het waardevolle karakter van de weg in stand gehouden wordt. Om deze reden is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan is toegevoegd als Bijlage 1 bij deze motivering. 4.11.3.3 Conclusie cultureel erfgoed Ter plekke van onderhavig plangebied is sprake van cultureel erfgoed in de vorm van beeldbepalende panden.

Uit bovenstaande toetsing is echter gebleken dat het cultureel erfgoed niet worden aangetast en geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan gemeente Heumen. Door de toekomstige woonhuis te laten aansluiten bij het straatbeeld, is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.11.4 Conclusie De aspecten 'Archeologie' en 'Cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

BOPA Rijksweg 38-40

67

4.12

Leidingen

Zoals omschreven in 4.8 Omgevingsveiligheid (Externe Veiligheid) lopen door het projectgebied geen bovenen/of ondergrondse leidingen die een planologische bescherming genieten. Er is dus op dat gebied geen sprake van (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden. Aanwezige leidingen leveren geen belemmeringen op voor onderhavig planvoornemen en het afwijken van het omgevingsplan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13

Duurzaamheid en klimaat

4.13.1

Duurzaamheid

4.13.1.1 Wettelijk kader Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

4.13.1.2 Toepassing Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen. Verbeteren energieprestatie: Zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen. Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen. Natuurinclusief bouwen. Beoordeling Aangenomen kan worden dat de nieuwste standaard op het gebied van bouwen en energie zal worden toegepast. De toekomstige woning zal middels een berekening worden getoetst aan de BENG-norm. De BENG staat in dit geval voor bijna-energieneutraal gebouw. Sinds 1 januari 2021 moeten in Nederland alle nieuwe gebouwen 'bijna-energieneutraal' zijn. Door middel van een zonneboiler ten behoeve van warmwater, een warmtepomp of zonnepanelen ten behoeve van stroom, kan er gezorgd worden voor een zelfvoorzienend huis. Naast de BENG-norm is er aandacht voor een toekomstige bestendige waterberging en duurzaam materiaalgebruik. Hiermee wordt er voldoende invulling gegeven aan de energietransitie.

68

BOPA Rijksweg 38-40

4.13.2

Klimaat

4.13.2.1 Wettelijk kader Klimaat(adaptatie) Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld. 4.13.2.2 Toepassing Klimaatrisico Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Klimaatrisico' geraadpleegd. Op de kaart wordt weergegeven waar de risico’s van klimaatverandering hoog zijn. Hoe groener de kleur, hoe hoger het risico.

Het klimaatrisico op deze kaart laat zien waar men last kan hebben van een hoge gevoelstemperatuur (hittestress) én waar wateroverlast kan ontstaan na een hevige regenbui. Dat zijn vooral buurten met veel stenen.

Figuur: Uitsnede kaart 'Klimaatrisico' De locatie aan de Rijksweg krijgt op deze kaart geen score, omdat er sprake is van een locatie in het buitengebied. De locatie aan de Rijksweg bevindt zich hierdoor niet in het meetgebied. De noordkant van Malden krijgt een score tussen 3.6 en 3.9. Dit zijn scores behorende bij lichte groentinten. Voor deze locaties is sprake van een laag klimaatrisico. Water op straat na een extreme bui

BOPA Rijksweg 38-40

69

Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Water op straat na een extreme bui' geraadpleegd. Op de kaart zie je de mogelijke hoeveelheid water dat op straat kan komen te staan na een hevige bui. Hoe donkerder de kleur hoe dieper het water in die straat. De kaart is gemaakt met een rekenmodel. Voor het model is een regenbui gebruikt die in het huidige klimaat eens per 100 jaar voorkomt. De meeste schade door hoosbuien treedt op wanneer het water (over de stoepen) gebouwen instroomt.

Figuur: Uitsnede kaart 'Water op straat na een extreme bui' Volgens de kaart wordt er na een extreme bui nauwelijks water op het maaiveld verwacht. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) blijkt het perceel echter lager te liggen dan de weg. De rijbaan van de Rijksweg ligt op een hoogte van 13,4 m+NAP, terwijl het fietspad gelegen is tussen de 13,1 en 13,2 m+NAP. Het perceel zelf is gelegen op circa 13 m+NAP. De rijbaan van de Rijksweg ligt hiermee fors hoger waardoor regenwater naar het fietspad en vervolgens het perceel kan stromen. Het advies is om voldoende hoog te bouwen om waterstromen van hoger liggende gebieden tegen te houden. Geadviseerd wordt een bouwpeil van minimaal 13,45 m+NAP (13,2 + 0,25).

70

BOPA Rijksweg 38-40

Figuur: Uitsnede hoogteprofiel Maatregelen Voor de concrete ontwikkeling, wordt invulling gegeven aan de bevordering van klimaatadaptatie, door het nemen van enkele maatregelen. De maatregelen zijn genomen om risico's op wateroverlast, droogte en hittestress te beperken. De maatregelen zijn hieronder omschrijven. Waterberging en -infiltratie (het (watertoets)proces is tevens opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving); Een bouwpeil van minimaal 13,45 m+NAP om instroming van water te voorkomen. Schaduwwerking van hagen en bomen; Warmtewerend en verkoelend inrichten volgens de nieuwste standaarden; Groene inrichting van de leefomgeving.

4.14

Gezondheid

Het bevoegd gezag moet een afweging maken of vanwege (onzekere) gezondheidsrisico's uit voorzorgmaatregelen nodig zijn. Een voorbeeld om uit voorzorg maatregelen te nemen zijn bijvoorbeeld de gezondheidseffecten van geitenhouderijen. Onduidelijk is nog waar deze effecten precies vandaan komen, maar duidelijk is dat er gezondheidseffecten zijn in de nabijheid van geitenhouderijen. In navolgende paragrafen worden de belangrijkste gezondheidsaspecten, endotoxine en geitenhouderijen beschreven. Daarnaast wordt ook aangegeven op welke wijze het plan bijdraagt aan het bevorderen van een positieve gezondheid.

BOPA Rijksweg 38-40

71

4.14.1

Endotoxine

4.14.1.1 Wettelijk kader De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM1 0) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is in de Provincie Noord-Brabant door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In april 2018 is tevens de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Deze tool wordt in Noord-Brabant ingezet, in Gelderland biedt deze tool geen wettelijk grondslag en wordt hierdoor alleen als indicatie gebruikt. Aangehouden wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine.

Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. 4.14.1.2 Toetsing Middels I-GO Veehouderijen (Gelderland) is beoordeeld welke veehouderijen er in de nabije omgeving zijn gevestigd. De dichtstbijzijnde veehouderij in de vorm van een varkenshouderij is gelegen aan de Jufferstraat 1 in Malden. De afstand van de locatie aan de Rijksweg tot aan de varkenshouderij bedraagt circa 450 meter. Op 1,3 kilometer afstand van de locatie aan de Rijk is aan de Hatersteweg 36 ook een varkenshouderij gelegen. Aan de Westerkanaaldijk 9 in Malden bevindt zich een varkenshouderij met meer dan 500 varkens. Deze is gelegen op ruim 1,5 kilometer. Verder bevindt zich op 2,5 kilometer afstand aan de Bosweg 14 een schapenhouderij met circa 80 schapen. Binnen een straal van 2 kilometer rondom de locatie aan de Rijksweg zijn daarnaast geen geitenhouderijen gelegen. Conclusie Op basis van de afstand van 450 meter tot de dichtstbijzijnde varkenshouderij, kan worden geconcludeerd dat in de onmiddelbare omgeving van onderhavig plangebied geen kippen-/varkenshouderijen zijn gelegen. Aan richtafstanden tot 200 meter ruim voldaan. Hiermee is geen sprake van een gevaar op basis van endotoxine.

72

BOPA Rijksweg 38-40

4.14.2

Hoogspanningsverbindingen

4.14.2.1 Wettelijk kader Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Het belang van gezondheidsbescherming speelt dus een belangrijke rol en moet zorgvuldig worden afgewogen tegen andere onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en de rechtstreeks daarbij betrokken belangen. Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor het eerste gezondheidsaspect 'magneetvelden' geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Ten aanzien van het gezondheidsaspect 'geluid' geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen. Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de gezondheidsaspecten (magneetveld en geluid) die hoogspanningsverbindingen kunnen veroorzaken. De toepassing van deze gezondheidsaspecten op onderhavige Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) ten behoeve van de afwijking van het omgevingsplan is hierna beschreven. 4.14.2.2 Toetsing Met onderhavige afwijking van het Omgevingsplan wordt voorzien in een functie ten behoeve van wonen. De meest dichtbijgelegen hoogspanningsverbinding bevindt zich op een afstand van circa 2 kilometer tot aan het plangebied en is gelegen in de buurt van de A73. Op navolgende kaart worden de meest dichtbijgelegen hoogspanningsverbindingen tot het plangebied afgebeeld.

BOPA Rijksweg 38-40

73

Ligging plangebied t.o.v. hoogspanningsverbindingen Gemeten vanaf de locatie aan de Rijksweg is de dichtsbijzijnde hoogspanningsleiding is gelegen op 2 kilometer afstand. Dit betreft een 150 kV verbinding. De dichtstbijzijnde 380 kV verbinding is gelegen op 4,7 kilometer afstand. Magneetvelden Het Rijk adviseert aan het bevoegd gezag om bij het toelaten van nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen of het wijzigen van bestaande hoogspanningsverbindingen rekening te houden met magneetvelden. De magneetvelden zijn mogelijk van invloed op de gezondheid van omwonenden. Geluid De bovengrondse delen van de hoogspanningsverbinding kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen.

Conclusie De afstand tussen de locatie en de hoogspanningsverbindingen zorgt ervoor dat er geen hinder ondervonden wordt op locatie.

74

BOPA Rijksweg 38-40

4.14.3

Geitenhouderijen

4.14.3.1 Wettelijk kader Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico's op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies. Omwonenden binnen 1,5 tot 2 kilometer afstand van een geitenhouderij hebben een verhoogd risico op een longontsteking. Er wordt een consistent verband gevonden tussen de aanwezigheid van (melk)geitenhouderijen op afstanden van 1,5 tot 2 kilometer en een verhoogd risico op longontsteking. Boven de 1,5 kilometer neemt het risico exponentieel af, waardoor het risico boven de 2 kilometer nihil is.

4.14.3.2 Toetsing Binnen twee kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. 4.14.4

Gewasbeschermingsmiddelen

4.14.4.1 Wettelijk kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden. 4.14.4.2 Toetsing Ligging t.o.v. aanwezige spuitzones Binnen een afstand van 50 meter tot het voornemen worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Agrarische gronden binnen een zone van 50 m, met bestaande woningen in de buurt In de nabijheid van het plangebied is agrarische grond gelegen waar mogelijk bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt tot normaal verbruik. Echter dient ter plaatse reeds rekening te worden gehouden met de aanliggende woningen. Het plangebied is aangrenzend aan twee woonbestemmingen. Deze woonbestemmingen zijn reeds beschermd voor het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat ontstaan door gewasbeschermingsmiddelen.

BOPA Rijksweg 38-40

75

4.14.5

Positieve gezondheid

4.14.5.1 Wettelijk kader Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd. Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. Deze zijn nader uitgewerkt in de regels van het omgevingsplan.

Ten behoeve van deze Buitenplanse omgevingsplanacitviteit (BOPA) zijn de relevante bijdragen aan positieve gezondheid geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. 4.14.5.2 Toetsing Hieronder wordt aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de kernwaarden van positieve gezondheid middels het voornemen. Door het aanpassen van een agrarische functie naar een woonfunctie ontstaat er een verbetering van het leefklimaat voor de omwonenden. Het agrarische gebruik heeft ongewenste effecten op de buren. Doordat deze functie komt te verdwijnen zullen ook de buren positieve effecten ondervinden. De toekomstige bewoners hebben de groene verbindingszone op loopafstand. Leven op korte afstand van de natuur nodigt uit om naar buiten te gaan. De realisatie van het woonhuis op deze locatie heeft een positief effect op de gezondheid en de kwaliteit van leven, voor zowel de bewoners als de omwonenden.

4.15

Project-mer-beoordeling

4.15.1 Wettelijk kader Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de MER is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de MER. Op deze manier vormt de MER een hulpmiddel voor de besluitvorming.

76

BOPA Rijksweg 38-40

Een omgevingsplan of een afwijking daarvan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a. b. 1. 2.

de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

4.15.2 Toepassing In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. Toetsing

Beoordelingskader project-mer-beoordeling Het projectvoornemen valt onder de categorie J11 zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor deze ontwikkelingen geldt geen mer-plicht (kolom 2). Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt in het kader van een omgevingsplan een mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Op basis van Bijlage V van het Omgevingsbesluit geldt voor het opstellen van een BOPA (vergunning) géén mer-beoordelingsplicht, tenzij een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (BOPA) nodig is. Dit besluit tot het verlenen van de vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, vormt op basis van artikel 11.8 lid 3 Omgevingsbesluit het mer-beoordelingplichtige besluit in plaats van het omgevingsplan. Dat is hier het geval. De regelgeving zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit is de 'Nederlandse vertaling' van Europese regelgeving. In artikel 16.43 lid 3 sub a is opgenomen dat het bevoegd gezag bij beoordeling rekening moet houden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. Dit betreffen de criteria: 1.

Kenmerken van het project;

BOPA Rijksweg 38-40

77

2. Plaats van het project; 3. Kenmerken van het potentiële effect van het project. In deze paragraaf wordt invulling gegeven aan deze drie criteria.

1. Kenmerkenvan het project De kenmerken van onderhavig project zijn in Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2 van voorliggende ruimtelijke motivering uitgebreid omschreven. Er is hierbij geen sprake van cumulatie met andere projecten. De risico's voor de menselijke gezondheid en het risico van zware ongevallen en/of rampen zijn in Hoofdstuk 4 in overweging genomen en vormen geen belemmering voor het projectvoornemen. 2. Plaats van het project De locatie is op dit moment in gebruik als agrarische grond. Het projectgebied is niet gelegen binnen een gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarde, landschappelijke waarde, cultuurhistorische waarde. Ook betreft de locatie geen waterwingebied. 3. Kenmerkenvan het potentiële effect van het projet In Hoofdstuk 4 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan (geen) negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten. De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere project-m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Dit volgt ook uit eerdere beoordelingscriteria die deze conclusie staven. Op basis van de voorgaande wetgeving werden drempelwaarden gegeven, waarmee op voorhand kon worden bepaald of mogelijk effecten te verwachten zijn. In het voormalige Besluit m.e.r.

waren twee lijsten (onderdelen C en D) opgenomen in de bijlage bij dat besluit. Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk was, moest worden bepaald (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschreed, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied lag (3) of er belangrijke milieugevolgen te verwachten waren. Het planvoornemen ziet toe op de volgende activiteiten die waren genoemd in de Bijlage behorende bij het Besluit m.e.r., Onderdeel D: D11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Drempelwaarden: 1. 100 ha of meer 2. 2.000 woningen of meer; 3. een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m² of meer. Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201901439/1/R1) is gezien de zeer beperkte omvang met dit voornemen geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft daarmee geen m.e.r.plichtige activiteit. Het project voor het realiseren van een enkele vrijstaande woning met een inhoud van maximaal 800m³ is een activiteit die niet is genoemd in het Besluit m.e.r. (onderdeel D11.2). Gezien de zeer beperkte omvang van het project is een M.e.r.-beoordeling niet benodigd.

Aanvullend geldt dat bij elke activiteit die leidt tot een toename van stikstofdepositie, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Uit de resultaten van de beoordeling van het aspect stikstof (4.10.3.3 Stikstof) ligt het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Sint Jansberg' op circa 6,5 kilometer afstand. Dit Natura2000-gebied wordt gevolgd door het Natura2000-gebied 'Rijntakken' op circa 6,6 kilometer afstand. Het voornemen leidt tot circa 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Uit de Aerius-berekeningen (Bijlage 6 Notitie beoordeling Stikstof (incl. Aerius-berekening) blijkt dat het voornemen niet leidt tot effecten op omliggende op Natura 2000 gebieden. Het opstellen van een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

78

BOPA Rijksweg 38-40

Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. 4.15.3 Conclusie Er zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van het bovenstaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BOPA Rijksweg 38-40

79

80

BOPA Rijksweg 38-40

Hoofdstuk 5 conclusie

Afweging van belang en

Voor de beoogde activiteiten in de fysieke leefomgeving dient op grond van artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet een omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ten behoeve van de beoogde vergunningverlening is voorliggende motivering opgesteld. Tegen het project bestaan in het kader van de fysieke leefomgeving en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren, aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q. randvoorwaarden wordt voldaan: 1. 2. 3.

4.

het project is niet strijdig met het Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid; door de realisering van het project treden geen conflicterende belangen op ten aanzien van bedrijven en woningen in de omgeving; de aspecten van de fysieke leefomgeving gezondheid, milieubelastende activiteiten, geluid, buitenlucht, geur, bodem, wegen, verkeer, parkeren, omgevingsveiligheid, natuur, water en watersystemen, cultureel erfgoed, landschap, stedenbouw, bedrijfsmatige activiteiten, kabels en leidingen vormen geen beletsel voor de realisatie van het project; de financiële consequenties van het project worden volledig gedragen door de initiatiefnemer.

Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat bij realisatie van het voorliggende project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BOPA Rijksweg 38-40

81

82

BOPA Rijksweg 38-40

Hoofdstuk 6 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Algemeen

In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

6.2

Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15096605/1