CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ruimtelijke motivering

Raad 13 maart 2025, gemeente HeumenBij agendapunt: Verlenen positief bindend advies omgevingsvergunning Rijksweg 38-4027.566 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De verkeersgeneratie van een enkele woning zal opgaan in het dagelijkse verkeer op de Rijksweg.

Conclusie Ter plaatse in- en uitrit vanaf de Rijksweg is sprake van provinciale grond. De grond is in eigendom van de provincie, aangezien er sprake is van de provinciale weg de N884. Vanuit het oogpunt op wegen vanuit de provincie zorgt het voornemen niet voor een belemmering, aangezien de in- en uitrit reeds aanwezig is. Met betrekking tot de verkeersgeneratie van het plan is er sprake van een afname in piekmomenten. Gelet op het totale aantal verkeersbewegingen per jaar, zal er mogelijk sprake zijn van een lichte toename. Deze toename heeft door de gelijkmatige verdeling geen verkeershinder tot gevolg. Geconcludeerd dat kan worden dat het aspect verkeer geen belemmering voor het voornemen vormt en er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

30

BOPA Rijksweg 38-40

4.2.2 Parkeren De parkeernorm voor een vrijstaand (koop)huis in de rest bebouwde kom van een matig stedelijk gebied bedraagt maximaal 2,6 auto's. Afgerond komt dit neer op 3 benodigde parkeerplaatsen. Op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen om aan deze norm te voldoen. Naast de woning en op het woonerf van de woning is voldoende ruimte voor de aanlag van deze parkeerplaatsen op eigen terrein. Doordat de parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, zorgt het voornemen niet voor een belemmering van de omgeving. Conclusie Door te voldoen aan de maximale parkeernorm van de CROW-publicatie, wordt het realiseren van voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd. 4.2.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor voorliggend plan voor de aspecten verkeer en parkeren, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Algemeen Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het Omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

Hierna wordt beschreven welke waarden binnen onderhavig plangebied gelden en of de aanwezige bodemkwaliteit hieraan voldoet. 4.3.2 Toetsing Met onderhavige afwijking van het Omgevingsplan wordt voorzien in het realiseren van een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89g Bkl) op een bodemgevoelige locatie artikel 5.89h Bkl, namelijk de realisatie van een woonfunctie in de vorm van één vrijstaande woning. Doordat de locatie in de huidige situatie een agrarische functie heeft, dient te worden onderzocht of de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied als aanvaardbaar c.q. toelaatbaar kan worden aangemerkt voor de afwijking van de functie. Aangezien de gemeente Heumen (nog) geen lokale waarden in haar Omgevingsplan heeft vastgelegd, dient te worden getoetst aan de interventiewaarde bodemkwaliteit uit bijlage IIA van het Bal en de bruidsschat

BOPA Rijksweg 38-40

31

(hoofdstuk 22 omgevingsplan). 4.3.3 Bodemonderzoek Voor de locatie is een milieukundig bodemonderzoek in de vorm van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 inclusief vooronderzoek conform de NEN5725 uitgevoerd. De rapportage van het ten behoeve van voorliggende planontwikkeling door Aelmans Milieu uitgevoerde bodemonderzoek (rapportnr. AMO230662.001; d.d. 26 maart 2024) is toegevoegd als Bijlage 3 bij deze motivering. De resultaten, conclusies en aanbevelingen op basis van het verrichte onderzoek zijn hieronder weergegeven.

Figuur: Splitsing onderzoekslocaties tussen wonen en agrarisch in toekomst 4.3.3.1 Resultaten Tijdens de monsterselectie is rekening gehouden met twee deellocaties vanwege het uitgangspunt dat het oostelijke deel in de toekomst de functie wonen zal gaan krijgen en het westelijke deel de functie agrarisch zal behouden. Op deze wijze is het onderzoek opgesplitst in twee onderzoekslocaties met verschillende conclusies. Grond De analyseresultaten van de grond(meng)monsters staan in onderstaande tabel samengevat. In de kolommen zijn alleen die parameters vermeld, waarvan de concentraties minimaal hoger zijn dan de vastgestelde achtergrondwaarden vermeld in de Circulaire Bodemsanering (Wbb). Tevens is een indicatieve toetsing aan Besluit bodemkwaliteit (Bbk) uitgevoerd.

32

BOPA Rijksweg 38-40

Figuur: Samenvatting analyseresultaten mengmonsters

Toetsing en interpretatie van analyseresultaten Over de gehele locatie zijn bijmengingen met baksteen en kolengruis waargenomen in de toplaag. Uit de analyseresultaten blijkt dat over de hele locatie verschillende parameters in een verhoogd zijn gehalten gemeten. Oostelijk deel – toekomstige bestemmingwonen: Uit de analyseresultaten van het oostelijke deel zijn in het baksteen- en koolashoudende mengmonster MM01 van de bovengrond licht verhoogde gehalten gemeten voor de parameters koper, zink, cadmium, kwik, lood en PAK. In mengmonster MM02 van de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. De verhoogde gehalten hebben hoogstwaarschijnlijk een samenhang met de bijmenging in de vorm van koolas. De grond voldoet indicatief aan de bodemkwaliteit industrie

Westelijk deel – blijvende agrarische bestemming: Uit de analyseresultaten van het westelijke deel is in het baksteen- en koolashoudende mengmonster MM03 van de bovengrond een sterk verhoogd gehalte aan zink en een matig verhoogd gehalte aan lood gemeten. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten aan kobalt, nikkel, koper, cadmium, kwik en PAK gemeten. In

BOPA Rijksweg 38-40

33

mengmonster MM04 van de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan zink, cadmium, kwik, lood en PAK gemeten. Naar aanleiding van de analyseresultaten van mengmonster MM03 is besloten de deelmonsters niet separaat te analyseren op zink en lood. Dit is besloten omdat dit deel van het terrein geen gevoeligere functie krijgt. Daarnaast zullen op dit deel van het perceel geen graafwerkzaamheden of bouwwerkzaamheden gaan plaats vinden. Deze resultaten hebben geen effect op het oostelijke deel.

Aanbevelingen Voor het westelijk deel van de locatie geldt dat bij toekomstige bestemmingswijzigingen, vergunningaanvragen en/of graafwerkzaamheden aanvullend bodemonderzoek, het doorlopen van een Wbb-procedure en eventueel sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Indien de huidige situatie gehandhaafd blijft, zijn er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

Conclusie Resumerend kan het volgende gesteld worden: De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, momenteel niet zinvol. Tegen voorgenomen nieuwbouw op het oostelijke deel van onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren; Over het algemeen is de bodem licht verontreinigd met zware metalen en PAK. De gemeten gehalten kunnen gerelateerd worden aan het koolas wat diffuus aanwezig is op de locatie; Er zijn visueel plaatselijk een summier aantal asbestverdachte materialen aangetroffen op het westelijke terreindeel, maar in de uitkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. 4.3.4 Conclusie bodemkwaliteit Uit het onderzoek zijn voor het oostelijk deel geen overschrijdingen van de interventiewaarde bodemkwaliteit naar voren gekomen, derhalve kan de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de toekomstige woonfunctie als aanvaardbaar c.q. toelaatbaar worden aangemerkt en hoeven geen beschermende maatregelen ten aanzien van de bodem te worden genomen. De resultaten van het bodemonderzoek geven in het kader van de Omgevingsvergunningaanvraag hierdoor geen aanleiding voor het uitvoeren van een nader onderzoek. Echter, op het moment dat er voor het westelijk deel een omgevingsplanwijziging wordt gevraagd voor woningbouw, dan is een aanvullend onderzoek voor dit terreindeel wel nodig.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan middels een BOPA. Op basis van het bovenstaande is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

34

BOPA Rijksweg 38-40

4.4

Geluid

4.4.1 Algemeen Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Beoordeling of sprake is van een geluidgevoelig gebouw en/of geluidgevoelige ruimte Voor de toekomstige vrijstaande woning aan de Rijksweg, geldt dat er sprake is van een woonfunctie. Om de realisatie mogelijk te maken dient te worden afgeweken van de bestaande agrarische functie. Voor woonfuncties geldt dat er sprake is van een geluidgevoelig gebouw.

Doordat sprake is van een nieuwe ontwikkeling dient er middels akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat in het geluidgevoelig object sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Beoordeling of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied: (spoor)weg of industrie De locatie is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Rijksweg, de N844. Ter hoogte van het projectgebied heeft deze weg een maximumsnelheid van 80 km/u. Naast de Rijksweg ligt de locatie niet in het geluidaandachtsgbied van andere wegen, snelwegen, spoorwegen of industrie. 4.4.2 Toetsing Akoestisch onderzoek m.b.t. wegverkeer moet worden opgesteld om te onderbouwen: of wordt voldaan aan de voorkeurswaarde wet geluidhinder er sprake van een goed woon een leefklimaat op basis van het aspect geluid. Op de locatie aan de Rijksweg te Malden wordt een nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd. Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is uit het oog van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai (Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V; rapportnummer ROM222482.002.002.R1/JME; d.d. 27 maart 2024; Bijlage 4) uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hieronder weergegeven.

4.4.2.1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai In het onderzoek is de geluidbelasting op de gevel (gevelbelasting) berekend ten gevolge van het omliggende wegennet en getoetst aan de normstelling uit het Omgevingsplan. Tevens is bepaald wat de cumulatieve geluidbelasting ter hoogte van het nieuwbouwproject is, zodat bezien kan worden of extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn.

BOPA Rijksweg 38-40

35

Figuur: Te toetsen gevels

Resultaten wegverkeer De enige relevante geluidsbron in de omgeving van de planlocatie betreft de N844. De geluidbelasting van wegverkeer wordt als Lden waarde gepresenteerd. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de beschouwde wegen samengevat. Omdat er geen andere relevante geluidsbronnen zijn in de omgeving is de cumulatieve geluidbelasting gelijk aan de geluidbelasting zoals hieronder weergegeven.

Figuur: resultaten op regels t.g.v. Rijksweg/ N884 De geluidbelasting als gevolg van de Rijksweg overschrijdt de standaardwaarde van 50 dB op de gevels van het gebouw. Op een aantal beoordelingspunten wordt de grenswaarde van 60 dB eveneens overschreden. Om

36

BOPA Rijksweg 38-40

deze reden dienen maatregelen onderzocht te worden om aan de standaardwaarde te voldoen. Maatregelen De maatregelen ten behoeve van geluidwering kunnen in aanmerking genomen worden als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. De geluidbelasting op de gevels terugbrengen door maatregelen is echter niet mogelijk c.q. wenselijk. Door de betreffende geveldelen als “niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen”, conform Artikel 5.78y van het Bkl uit te voeren, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Een mogelijke overdrachtsmaatregel is het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger. Daar een verdubbeling van deze afstand slechts 3 dB reductie oplevert, is het vergroten van de afstand tussen weg en woning niet te kwalificeren als zijnde doeltreffend.

Niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen Het omgevingsplan kan erin voorzien dat het geluid op het gebouw hoger is dan de grenswaarde, als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die: bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde. Een dove gevel mag enkel bij uitzondering te openen delen bevatten zoals ene vluchtdeur, een voordeur mag dus niet. Het akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels zal dus nodig zijn ter waarborging van het binnenniveau. Bij toepassing van voorgenoemde maatregelen wordt conform het omgevingsplan bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.

Conclusie gevelbelasting De maximaal benodigde geluidwering van de gevel (GA;k), volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving het gezamenlijk geluid minus 33 dB met een minimum van 20 dB, bedraagt in de onderzochte situatie 31 dB. Daarom is ter waarborging van een binnenniveau van 33 dB een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Het aanvullend onderzoek hoeft echter pas uitgevoerd te worden bij de definitieve bouwaanvraag. Reden hiervoor is namelijk dat bij het onderzoek de definitieve tekeningen van de gevelopbouw(materialen) bekend moeten zijn. Dat is in dit stadium nog niet het geval. 4.4.3 Conclusie Op de vier beoordelingspunten op de oostgevel wordt de grenswaarde 60 van dB overschreden. Door de oostgevel als “niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen”, conform Artikel 5.78y van het Bkl uit te voeren, kan het plan alsnog worden gerealiseerd. Zulke gevels worden ook wel dove gevels genoemd. De uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond. Omdat de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

BOPA Rijksweg 38-40

37

Gelet op de resultaten van het akoestische onderzoek wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen oplevert, mits er een akoestisch onderzoek naar de gevelwering wordt uitgevoerd en de oostgevel als dove gevel wordt uitgevoerd. Dit zal bij het aanvragen van een technische omgevingsvergunning (bouwen) worden getoetst. Op basis van het bovenstaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Het is zeer aannemelijk dat de gemeente Heumen, waarbinnen deze omgevingsvergunningaanvraag voor een BOPA wordt opgesteld nog geen goed werkend Omgevingsplan heeft. Toetsing conform de Omgevingswet kan door het ontbreken van de paragraaf Bedrijven- en milieuzonering op basis van de nieuwe wetgeving in het Omgevingsplan nog niet worden uitgevoerd. Onze eerste ervaring is dat de gemeente onder de Omgevingswet niet om een paragraaf Bedrijven- en milieuzonering vraagt. De verwachting is dat deze paragraaf binnen gemeenten met een goed werkend Omgevingsplan wel weer wordt gevraagd. Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, toetsen wij in onderstaande paragraaf de Bedrijven- en milieuzonering via de oude methode op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). 4.5.1 Beleid Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met geluid en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties. Daarbij kan het rapport 'Milieuzonering nieuwe stijl' van de VNG gehanteerd worden alsook de staalkaart voor bedrijfsmatige activiteiten.

Bij de milieuzonering nieuwe stijl wordt per bedrijfsmatige activiteit een gebruiksruimte opgenomen, die wordt begrensd door concrete milieunormen op een standaard afstand van de activiteit. Toepassing van dit toedelingsprincipe leidt tot milieunormen die niet primair worden gesteld vanuit het belang van de bescherming van het milieu, maar vanuit een ruimtelijk belang, om te komen tot een goede ruimtelijke ordening c.q. een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Er wordt gewerkt met een milieuzonering aan de hand van een gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen. Deze ruimtelijke milieunormen bestaan náást de normen in het milieuspoor. Het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor de milieuzonering. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het Omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Hiermee krijgt ieder bedrijf zijn eigen gebruiksruimte. Dit kan per zone zijn vastgelegd, of bij bedrijven buiten een bedrijventerrein, specifiek per bedrijf.

4.5.2 Toepassing In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang, dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen, ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast dient er rekening gehouden te worden met de bedrijvingsvoering en milieuruimte van mogelijk aanwezige bedrijven. Onder de Omgevingswet wordt een bepaalde mate van gebruiksruimte per bedrijf toegestaan. Deze gebruiksruimte is in de regels van het Omgevingsplan opgenomen. In het Omgevingsplan van de gemeente

38

BOPA Rijksweg 38-40

Heumen zijn nog geen zoneringen in de vorm van interactieve kaarten opgenomen. Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in onderstaande paragraaf getoetst aan de Bedrijven- en milieuzonering via de oude methode op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). 4.5.2.1 Toetsing Om het effect van mogelijke bedrijven te beoordelen is er onderzocht of de locatie binnen een zone van een bedrijf is gelegen of andersom of de ontwikkeling leidt tot een zone over een gevoelige locatie. Toepassing In zuidoostelijke richting van de planlocatie, ligt schuin tegenover, aan de overkant van de Rijksweg een bedrijf met de aanduiding, 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid'. Op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan voortkomend uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Heumen 2009', is ter plaatse van de Rijksweg 69 een hoveniersbedrijf toegestaan. Ter plaatse van deze locatie is een oppervlakte aan bebouwing (exclusief bedrijfswoning) toegestaan van 120m² met een inhoud van 530m². De gehele bedrijfslocatie heeft een oppervlak van ca. 1.800m². De afstand van de bedrijfslocatie de tot aan de perceelgrens van de toekomstige woning bedraagt circa 25 meter. Verder is er ten noordoosten een tuincentrum gelegen. De afstand tot het perceel behorende tot het tuincentrum bedraagt ruim 100 meter.

Gemengd gebied Voor de ligging van de verschillende zones ten opzichte van de woonomgeving wordt onderscheid gemaakt tussen rustig woongebied en gemengd gebied. De locatie aan de Rijksweg valt net buiten het stedelijk gebied van Malden, maar maakt nog onderdeel uit van de bebouwingsstructuur. De locatie bevindt zich aan de Rijksweg, die een verbinding vormt tussen Nijmegen en zuidelijker gelegen woonplaatsen. Langs deze weg zijn verschillende functies gelegen, zoals wonen, horeca en bedrijvigheid. Er kan dus worden gesproken van een gemengd gebied. Op basis van de VNG-brochure mag de richtafstand hierdoor met een trap worden verlaagd.

Beoordeling Op basis van de VNG-Bedrijven- en Milieuzonering geldt voor plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven met een bedrijfsoppervlak van meer den 500m² een maximale richtafstand van 50 meter op basis van geluid. Voor geur geldt een maximale richtafstand van 30 meter en voor stof van 10 meter. Doordat sprake is van een gemengd gebied mag de richtafstand met een trap worden verlaagd. Dit betekent dat de richtafstand met een trap mag worden verlaagd van 50 naar 30 meter. De afstand van perceel tot perceel bedraagt 25 meter. Op basis van deze afstand wordt er niet voldaan aan de richtafstand. Het toekomstige woonhuis zal echter op meer dan 30 meter van de perceelgrens worden gerealiseerd. Op basis hiervan wordt er voldaan aan de richtafstand, waardoor er geen sprake is van bedrijven- en milieuzonering. 4.5.3 Conclusies In het kader van bedrijvigheid kan worden gesteld dat het plangebied buiten zowel de geur als de geluidszones van bedrijven in de omgeving ligt. Daarmee levert het aspect Bedrijven en Milieuzonering voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan geen belemmering op en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BOPA Rijksweg 38-40

39

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Inleiding Bij een evenwichtige toebedeling van functies in het omgevingsplan dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Het afwijken van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van deze Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) zijn de relevante effecten ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het Omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De resultaten hiervan zijn navolgend beschreven. 4.6.2 Toepassing In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.

In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM1 0). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Hiervoor kan het ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.

40

BOPA Rijksweg 38-40

4.6.3

Beoordeling

4.6.3.1 Aandachtsgebieden NO2 én PM10 en aandachtsgebiedenPM10

Figuur: Aandachtsgebieden NO2 en PM1 0 en aandachtsgebieden PM1 0 De aandachtsgebieden NO2 en PM1 0 en de aandachtsgebieden PM1 0 staan in artikel 5.51, lid 2 & 3 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De agglomeratie Heerlen/Kerkrade staat wel in artikel 2.38, maar is geen aandachtsgebied voor zowel NO2 als PM1 0. De aandachtsgebieden PM1 0 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit.

Toetsing De voorliggende afwijking van het omgevingsplan maakt geen van deze activiteiten mogelijk. Ook is de projectlocatie niet gelegen in een van bovengenoemde aandachtsgebieden. Het project zorgt daarnaast niet voor een verhoging van de concentratie fijnstof (en stikstofdioxide) in de aandachtsgebieden.

4.6.3.2 Milieubelastende activiteiten Voor enkele activiteiten moet de overheid de luchtkwaliteit altijd beoordelen (artikel 5.50 Bkl). Dus binnen én buiten de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende situaties:

BOPA Rijksweg 38-40

41

bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. bij het toelaten in omgevingsplan: 1. de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter 2. een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt 3. de aanleg van een autoweg of een autosnelweg Toetsing Het project bestaat uit de realisatie van een vrijstaande woning aan de Rijksweg in Malden tussen de huisnummers 38 en 40. Bij de realisatie van de woning en de uiteindelijke woonfunctie is geen sprake van milieubelastende activiteiten waarbij een verplichte beoordeling van luchtkwaliteit aan de orde is. 4.6.3.3 Uitgezonderde locaties (blootstelling) De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het Bkl).

Toetsing Er is geen sprake van een verhoogde blootstelling. Doordat de locatie in principe alleen door bewoners en bestemmingsverkeer wordt bezocht, is er sprake van een locatie waar publiek openbaar wordt blootgesteld. 4.6.3.4 Niet in betekende mate (NIBM) Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM1 0) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM1 0) niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. De beoogde activiteit betreft de realisatie van woningen en valt dus onder de standaardgevallen.

Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen Kantoren zijn NIBM als het gaat om een bruto vloeroppervlakte van maximaal: 100.000 m² bij minimaal 1 ontsluitingsweg 200.000 m² bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling Bij de kantoorfunctie wordt ook de nevengebruiksfunctie daarvan bedoeld. Een kantine kan bijvoorbeeld een nevengebruiksfunctie van een kantoorfunctie zijn.

42

BOPA Rijksweg 38-40

De NIBM-regeling geldt niet voor veehouderijen gelegen in de gemeenten Asten, Barneveld, Deurne, Ede, Nederweert, Renswoude en Scherpenzeel die jaarlijks meer dan 800 kg PM1 0 uitstoten. In deze gebieden is de fijnstofconcentratie (PM1 0 hoog, waardoor uitbreiding van de veehouderijen kan leiden tot een overschrijding van de rijksomgevingswaarde. Beoordeling Bij dit project is sprake van één woning met een uitrit op de openbare weg. Deze uitrit is in eigendom van de Provincie, doordat sprake is van een provinciale weg. De beoogde activiteit betreft de realisatie één woning en kan dus geclassificeerd worden als de standaardgevallen. De ontwikkeling blijft verder ruim onder de 1.500 woningen bij een ontsluitingsweg, waardoor de NIBM-regeling van toepassing is. 4.6.4 Verantwoording In de ruimtelijke motivering wordt omschreven waarom er geen onderzoek nodig is naar de luchtkwaliteit. De gemeente Heumen maakt geen onderdeel uit van de bovenstaande aandachtsgebieden. Daarnaast omvat het voornemen geen activiteiten zoals hierboven genoemd. Het beoogde aantal één nieuwe vrijstaande woning kan qua omvang als niet in betekende mate worden omschreven. Een onderzoek naar de luchtkwaliteit is hierdoor niet aan de orde.

NIBM Onderhavig project kan beoordeeld als NIBM, aangezien het betrekking heeft op de bouw van een beperkt aantal nieuwe woning. Het plan voldoet hiermee aan de in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gestelde luchtkwaliteitsnormen en heeft geen nadelig effect op de huidige luchtkwaliteit. Hiermee is er voldoende invulling gegeven aan de motiveringsplicht volgens de instructieregels volgens het Bkl. Er is om deze reden sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hieronder wordt verder ingegaan op de luchtkwaliteit ter plaatse. Op 15 november 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. Dit is opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2, Wm). Artikel 5.16 Wm (eerste lid) geeft aan hoe en onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden kunnen uitoefenen in relatie tot luchtkwaliteitseisen. Als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van een stof; een project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. Onderdeel c. is uitgewerkt in het Besluit en Regeling “niet in betekenende mate bijdragen” (NIBM).Voor woningbouwlocaties is als NIBM-grens aangegeven dat locaties kleiner of gelijk aan minder dan 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdragen.

4.6.5 Conclusie Het afwijken van het omgevingsplan van de gemeente Heumen zorgt niet in der mate voor een verandering in luchtkwaliteit dat de borging van een gezonde fysieke leefomgeving in geding komt.

BOPA Rijksweg 38-40

43

4.7

Geur

4.7.1 Wettelijk kader Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving'). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.

In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het omgevingsplan. 4.7.2 Toetsing Bij voorliggend plan is sprake van een nieuwe geurgevoelige object in de vorm van één vrijstaande woning. Met voorliggend plan worden echter géén nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. De geurgevoelige objecten ondervinden daarnaast geen hinder van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Middels I-GO Veehouderijen (Gelderland) is beoordeeld welke veehouderijen er in de nabije omgeving zijn gevestigd. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich op circa 450 meter afstand aan de Jufferstraat 1. Op basis van de VNG-richtafstandenlijst geldt voor het 'fokken en houden van varkens' voor geur een richtafstand van 200 meter. Gezien de afstand wordt hieraan voldaan. Naast deze varkenshouderij zijn op kortere afstand geen andere geurveroorzakende objecten gelegen. De overige in de omgeving gelegen veehouderijen komen uitvoerig aan bod in paragraaf 4.14 Gezondheid. 4.7.3 Conclusie geur Uit toetsing blijkt dat voldaan wordt aan de regels zoals gesteld zijn aan het aspect geur in het Bkl en het geldende omgevingsplan.

Daarmee is voor dit aspect sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en vormt het aspect 'Geur' geen belemmering voor het voornemen.

44

BOPA Rijksweg 38-40

4.8

Omgevingsveiligheid (Externe Veiligheid)

4.8.1 Inleiding Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.

Ten behoeve van deze afwijking van het Omgevingsplan gemeente Heumen zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.

4.8.2

Toepassing

Algemeen Plaatsgebonden risicocontour Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.

BOPA Rijksweg 38-40

45

Brand-, gifwolk- en explosieaandachtsgebied: Groepsrisico Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl.

Toetsing De te realiseren vrijstaande woning wordt beschouwd als een toegevoegd kwetsbaar gebouw. Doordat er uitsluitend sprake is van een enkele woning en de locatie voorheen in gebruik was als stalling, waar overdag geregeld mensen aanwezig waren, resulteert het voornemen hoogstens in een lichte toename van het aantal personen dat tijdens de avond- en nachturen aanwezig is binnen het plangebied. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een vrijstaand woonhuis. Gemiddeld wonen er in een Nederlands huishouden 2,12 mensen. Naar boven afgerond wordt uitgegaan van 3 toekomstige bewoners van het woonhuis. Na raadpleging van de Kaart Veilige Omgeving (Bron: Atlasleefomgeving.nl) zijn de volgende risicobronnen van invloed op onderhavige afwijking van het Omgevingsplan gemeente Heumen. Risicokaart De risicokaart geeft een overzicht van de huidige risico's in de directe omgeving van het betreffende project.

46

BOPA Rijksweg 38-40

Figuur: Uitsnede Atlas Leefomgeving Hieronder is een toelichting gegeven over het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoorweg en water. Transportroutes In westelijke richting van de locatie ligt het Maas-Waalkanaal. Over het Maas-Waalkanaal worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De rand van het explosieaandachtsgebied van het kanaal ligt op 700 meter. Het brandaandachtsgebied ligt op 570 meter afstand en het kanaal zelf ligt op 900 meter afstand. Nog verder in westelijke richting is de A73 gelegen, waarover eveneens transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Risicovolle milieubelastende activiteiten (MBA's) In de directe omgeving van het plangebied vinden geen risicovolle milieubelastende activiteiten plaats. Ten zuidwesten van de locatie is een tankstation met LPG vulpunt gelegen. De afstand tot aan het explosieaandachtsgebied bedraagt circa 440 meter. Het brandaandachtsgebied ligt op 540 meter en het tankstation zelf is op circa 570 meter gelegen. Leidingen. De locatie is niet gelegen over een buisleiding met aandachtsgebied. De afstand tot aan de buisleiding ten behoeve van het transport van gas van de Gasunie zelf bedraagt circa 160 meter. De afstand tot aan de rand van het zuidelijk gelegen brandaandachtsgebied bedraagt circa 90 meter tot aan de toekomstige woonfunctie.

BOPA Rijksweg 38-40

47

4.8.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat op basis van omgevingsveiligheid sprake is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect 'Omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor het voornemen.

4.9

Water

4.9.1 Wettelijk kader In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels: Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. 4.9.1.1 Europese Kaderrichtlijn Water (2000) Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. In de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichtingen per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewater binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een ‘goede ecologische toestand’ (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een ‘goede ecologisch potentieel’(GEP).

Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) legt de basis voor duurzaam waterbeheer en waterkwaliteit. De KRW is doorvertaald naar het nationale beleid in de verschillende Europese landen. In Nederland wordt de KRW omgezet in nationale wet- en regelgeving, zoals het Nationaal Water Programma. Het Nationaal Water Programma en de gevolgen voor het voornemen zijn hieronder verder uitgewerkt. 4.9.1.2 Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma (2022-2027) vertaalt de Europese richtlijnen naar concrete maatregelen en doelen voor Nederland, waaronder waterbeheer, waterkwaliteit en bescherming van ecologische waarden. In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering: Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld

48

BOPA Rijksweg 38-40

beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Toetsing Voor het voornemen geldt dat er, met betrekking tot het aspect 'Water', wordt ingespeeld op de gevolgen van klimaatverandering door maatregelen te treffen tegen wateroverlast. In het besluitgebied wordt voorzien in een toekomstbestendige en klimaatrobuuste infiltratievoorziening. Er volgt nog een anterieure overeenkomst waar onder andere het aanleveren van een waterhuishoudkundig plan in vastgelegd wordt alsmede het de landschappelijke inpassing. Daarnaast wordt ook het uitgangpunt van 664 m3/ha waterberging vastgelegd en de toename van 220m2 verhard oppervlak en 200 m2 verhard uitrit oppervlak en de bijbehorende verplichting om 27,89 m3 waterberging te realiseren. Naast de waterberging wordt er ook voorzien in een landschappelijke inpassing. De te planten bomen, struiken en vaste planten geven het perceel niet alleen een groene uitstraling, maar dienen ook als klimaatadaptieve maatregel.

Groen zorgt namelijk, door de waterberging, voor verkoeling, wat de hittestress vermindert. Ook wordt het voldoende hoog gebouwd om voorbereid te zijn op mogelijk water op het maaiveld door heftige regenval. Op basis hiervan draagt het voornemen bij aan het behalen van de doelen uit het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. 4.9.1.3 RegionaalWaterprogramma 2021-2027 (Provincie Gelderland) Dit programma beschrijft hoe Gelderland als provincie de komende periode aan de slag willen op het gebied van water. De waterschappen worden geacht daar rekening mee te houden in hun Waterbeheerprogramma. Daarnaast heeft het programma gevolgen voor het toetsingskader voor milieubelastende activiteiten (die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen) en wateractiviteiten als bedoeld in de Omgevingswet. Daar waar nodig zet de Provincie Gelderland aanvullende instrumenten in om onze doelen te bereiken. In dit Regionaal waterprogramma beschrijft de Provincie Gelderland de aankomende uitdagingen, de koers en hoe de Provincie Gelderland de komende tijd concreet op het gebied van water gaat bijdragen aan de ambities uit de Omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Ambities Omgevingsvisie Gaaf Gelderland: 1.

2.

3. 4.

5.

Vestigingsklimaat: Voldoende water van voldoende kwaliteit is belangrijk als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Daarom inzet op onder andere efficiënt en effectief grondwatergebruik via grondwaterbeheer, voorraadbeheer en besparen. De landbouw is een belangrijke partner voor het behalen van de doelen voor waterkwaliteit en kwantiteit en heeft daarmee zelf een belangrijke rol om water als grondstof beschikbaar te houden. Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit (visueel aantrekkelijk landschap, verkoeling in de steden, ‘hoogwaterbestendige’ woningen). Bereikbaarheid: We streven naar een goede ontsluiting over water. Dit betekent goede bevaarbaarheid voor beroepsvaart, ook in tijden van laag water. Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor (beschermde) planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer van water, oevers, onderhoudspaden, keringen en groene bergingen, doorgaan met verdrogingsbestrijding. Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge perioden, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen van wateroverlast en bescherming tegen overstromingen.

BOPA Rijksweg 38-40

49

6.

7.

Energietransitie: Het bodem- en watersysteem biedt onder andere mogelijkheden voor zonnevelden op water, waterkracht, bodemenergie, aardwarmte en aquathermie. Als we zuiniger gebruik maken van water als grondstof verbruiken we minder energieverbruik voor koelen, verwarmen etc. Circulaire Economie: Water als (herbruikbare) grondstof. Water is een belangrijke grondstof, als we er voorzorgen dat deze schoon blijft kunnen we deze goed hergebruiken.

We werken aan deze ambities door maatregelen te nemen. Deze voldoen aan de eisen van de Europese richtlijnen.

Uitgangspunten Voor het waterbeleid hanteert de Provincie Gelderland 3 uitgangspunten: Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- en watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid. We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of compenseren. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken, vragen om een gebiedsgerichte aanpak. Denk aan het verminderen van stikstof en uitstoot van CO2, de aanpak van PFAS, medicijnresten en nieuwe stoffen, aanpassing aan het veranderende klimaat, vergroten van de biodiversiteit, de stijgende vraag naar grond- en drinkwater, en ruimte voor nieuwe woningen of natuur. Deze opgaven komen samen in gebieden. Daarom is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. In relatie tot Europese doelen is het waterprogramma bindend voor de waterschappen. Het werkt door als toetsingskader voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen en wateractiviteiten als bedoeld in de Omgevingswet.

Dit waterprogramma houdt uiteraard rekening met de inhoudelijke thema’s van het Nationaal waterprogramma (NWP) van het Rijk. Ook heeft de Provincie Gelderland samen met regionale partners meegedacht toen het NWP werd opgesteld. Toetsing Het voornemen aan de Rijksweg 38-40 houdt rekening met de doelstellingen uit het Regionaal Waterprogramma 2021-2027. Het plan draagt bij aan de ambities op het gebied van 'Wonen' en 'Klimaatadaptatie' door duurzame waterberging te creëren, in combinatie met een groene inpassing van het besluitgebied. Deze aanpak voorkomt wateroverlast en hittestress, die beide versterkt worden door de gevolgen van klimaatverandering. In de huidige situatie infiltreet het meeste regenwater in de bodem. Een klein deel overtollig hemelwater van het perceel stroomt af naar het riool. Door het inrichten van duurzame waterberging kan het hemelwater in de nieuwe situatie volledig binnen het besluitgebied worden verwerkt, zonder dat het in het riool terechtkomt. Het voornemen leidt slechts tot een geringe toename van 1 woning/huishouden dat gebruikmaakt van het rioolstelsel. Deze beperkte toename kan eenvoudig worden verwerkt en de toename verharding wordt opgevangen door de verbeterde waterberging en infiltratie. Gezien het bovenstaande is het voornemen in lijn met de uitgangspunten van het Regionaal Waterprogramma 2021-2027.

Het draagt bij aan de ambities op het gebied van waterbeheer, duurzaamheid en klimaatadaptatie, en zorgt voor een toekomstbestendige inrichting van het gebied.

50

BOPA Rijksweg 38-40

4.9.1.4 Gemeentelijk waterbeleid Per gemeente verschillen de regels waarmee gerekend dient te worden. In de gemeente Heumen moet in beginsel al het hemelwater dat valt op nieuwe verharde oppervlakken op het eigen perceel worden geborgen en geïnfiltreerd. Dit is bijvoorbeeld als u nieuw gaat bouwen, de woning met een aanbouw gaat vergroten, een nieuw terras aanlegt of een schuurtje bouwt. De gemeente Heumen neemt al jaren geen regenwater meer in van nieuwe verharde oppervlakten. Bij het bouwen van een nieuwe woning, het vergroten van de woning of het verharden van de tuin, moet het regenwater op eigen perceel verzameld en geïnfiltreerd worden in de bodem. Het regenwater mag in die gevallen niet meer bij het vuilwaterriool worden aangesloten. Of oppervlakkig afstromen naar de openbare ruimte. De wijze van infiltreren staat vrij. Het water mag via infiltratiekratten, infiltratie ringen, een wadi of een nieuw te graven zaksloot in de boden infiltreren. Belangrijk is dat het op het eigen perceel gebeurd, omdat het infiltratiesysteem onderdeel uitmaakt van de woning of het pand. Bergingseisen Waterschap Rivierenland De gemeente Heumen adviseert om te rekenen met de bergingseisen van het Waterschap Rivierenland, die veelal ook als toetsing van een waterparagraaf bij een ruimtelijk plan worden gehanteerd.

De eis van het Waterschap voor solitaire infiltratiesystemen (dus zonder overloop op een sloot) is dat er 66,4 mm neerslag per aangesloten m² verhard oppervlak kan worden geborgen. Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld wadi’s of kratten, geldt als vuistregel dat er 664 m³ waterberging nodig is per hectare verharding. Er volgt na deze procedure maar voorafgaand aan de bouwaanvraag nog een anterieure overeenkomst waar onder andere het aanleveren van een waterhuishoudkundig plan in vastgelegd wordt alsmede het de landschappelijke inpassing. Daarnaast wordt ook het uitgangpunt van 664 m3/ha waterberging vastgelegd en de toename van 220m2 verhard oppervlak en 200 m2 verhard uitrit oppervlak en de bijbehorende verplichting om 27,89 m3 waterberging te realiseren.Deze bui staat voor een regenbui die statistisch gezien eens in de 100 jaar valt en 1 uur duurt. Voor het eventueel aansluiten van water of een overloop op het watersysteem van het Waterschap moet een vergunning of melding bij het Waterschap worden aangevraagd. Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergenafvoeren.

In aansluiting hierop wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie; Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang); Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders) Indien een infiltratievoorziening wordt gerealiseerd moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem bedraagt 48 tot 96 uur. Toetsing Uitgangspunt bij het voornemen is dat het hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt. In de nieuwe situatie zal het hemelwater worden geborgd en geïnfiltreerd binnen het besluitgebied. De afvoeren van de daken worden in de nieuwe situatie losgekoppeld uitgevoerd van het vuilwatersysteem. Bij de waterberging wordt gebruik gemaakt van kunstige bergingsvoorzieningen. Door het ontbreken van watergangen in of in de omgeving van het besluitgebied is het berign in open water niet mogelijk. In 4.9.2.3 Toetsing waterberging is een eerste berekening van de bergingsvereiste op basis van de eisen van het Waterschap Rivierenland opgenomen. Voor het indienen van de omgevingsvergunning bouwen, wordt het aspect water volledig uitgewerkt.

BOPA Rijksweg 38-40

51

4.9.2

Waterparagraaf

4.9.2.1 Klimaatadaptatie Water en ruimtelijke ordening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zeker in ons veranderende klimaat. Extreme buien worden steeds vaker afgewisseld met perioden van droogte. Het Waterschap Rivierenland blijft ernaar streven om voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar te hebben. Het waterschap heeft samen met de gemeenten de taak om te zorgen voor een klimaatbestendige inrichting van onze leefomgeving. Om de doelen van de gemeente en waterschappen te bereiken, moet er bij nieuwe initiatieven aandacht besteed worden aan klimaatadaptatie. Hierbij wordt gevraagd om het plan zo klimaatbestendig mogelijk in te richten. Denk bijvoorbeeld aan groene daken of natuurvriendelijke oevers. De kwaliteit van de leefomgeving of de biodiversiteit kan zo worden vergroot. De initiatiefnemers hebben zich laten inspireren door klimaatadaptatieve projecten en bijbehorende mogelijke maatregelen. Bij de realisatie van het zorgcomplex worden maatregelen getroffen door voldoende buitenruimte te bieden. De ruimtelijke ontwikkeling mag geen negatieve gevolgen hebben voor de waterhuishouding. En omgekeerd mag het watersysteem geen negatieve gevolgen hebben voor de aan de grond gegeven bestemming (functie). Dit moet zijn onderzocht en gemotiveerd. Klimaatbestendigheid Plangebied klimaatbestendig en waterrobuust inrichten.

De gevolgen van klimaatverandering (hevigere perioden van neerslag, hitte en droogte) binnen het plangebied opvangen. Wateroverlast (hemelwater en grondwater) in gebouwen voorkomen. Zorgen voor voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Beperken verharding. Bij een klimaatbui mag geen hemelwater in de gebouwen komen. Hemelwater binnen plangebied in de infiltreren of bergen. Zorgen voor voldoende infiltratie- en bergingscapaciteit. Zo mogelijk combineren waterberging en groen. Verontreiniging van bodem, water en lucht en uitputting van grondstoffen voorkomen. Toegepaste materialen en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn niet uitlogend, energiezuinig, gerecycled of recyclebaar. Natuurlijke grondwaterstanden behouden. Onttrekking of stuwing van grondwater is niet toegestaan. Toepassen drinkwaterbesparing. Hitte-eilanden voorkomen en schaduwplekken creëren. Geen kwetsbare functies of groepen op hitte-eilanden projecteren. Vegetatie afstemmen op hitte/droogte en natte perioden. Watersysteem zo mogelijk zichtbaar en beleefbaar maken. Toetsing In paragraaf 4.13.2 Klimaat wordt beschreven waar en op welke wijze het voornemen bijdraagt aan de hierboven genoemde doelen en uitgangspunten. Voor de concrete ontwikkeling, worden maatregelen genomen om het plangebied zo klimaatbestending en waterrobuust mogelijk in te richten. De maatregelen zijn hieronder omschrijven.

Waterberging en -infiltratie (het (watertoets)proces is tevens opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving); Een bouwpeil van minimaal 13,45 m+NAP om instroming van water te voorkomen. Schaduwwerking van hagen en bomen; Warmtewerend en verkoelend inrichten volgens de nieuwste standaarden; Groene inrichting van de leefomgeving.

52

BOPA Rijksweg 38-40

In het waterhuishoudigkundig plan voor de omgevingsvergunning bouwen zullen deze aspecten nader worden toegelicht. 4.9.2.2 Beschrijvingwatersysteem De locatie is gelegen aan de Rijksweg in Malden. Het maaiveld varieert nauwelijks qua hoogte. Het maaiveld bevindt zich tussen 12,9 en 13,1 meter+NAP. Het maaiveld ter plaatse van de onderzoeklocatie is hiermee gemiddeld gelegen op 13 meter+NAP. De bodemsoort ter plaatse van het besluitgebied is geclassificeerd als 'Loopopdzalgrond; grof zand' (code: cY30). Een loopodzolgrond is een bodemtype binnen het Nederlandse systeem van bodemclassificatie dat behoort tot de moderpodzolgronden. In deze podzolgronden wordt moder aangetroffen, een humusvorm waarin organisch- en mineraal materiaal niet sterk gemengd zijn. Een loopodzol heeft een matig dikke (< 50 cm), door de mens opgebrachte, donkere bovengrond. Onder dit door plaggenbemesting ontstane dek ligt het oorspronkelijke bodemprofiel. Dit is meestal een holtpodzolgrond. Naast de locatie zijn ten oosten 'Holtpodzolgronden; grof zand' en 'Hoge bruine enkeerdgronden; lemig fijn zand' gelegen.

Figuur: Uitsnede bodemkaart De locatie bevindt zich aan de rand van een 'Glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen' (code: H21). Het materiaal van vormsubgroep H21 is afkomstig uit de nu droog liggende dalen, maar het bezit niet de waaiervorm (G21). Soms komt op dit materiaal dekzand voor.

BOPA Rijksweg 38-40

53

Figuur: Uitsnede Geomorfologische kaart Op basis van het milieukundig bodemonderzoek (Bijlage 3) blijkt dat het grondwater zich op meer dan 5 meter onder het maaiveld bevindt. De locatie maakt onderdeel uit van grondwatertrap VIIId. Op basis van deze grondwatertrap bevindt zich de gemiddeld hoogte grondwaterstand (GHG) dieper dan 140cm onder het maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) dieper dan 180cm onder het maaiveld. Dit komt overeen met het bodemonderzoek. Infiltratie is gezien het perceeloppervlak en de ruime hoogte boven de GHG kansrijk en goed mogelijk. In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen A-, B- of C-watergangen gelegen. Ten westen van het plangebied is het Maas-Waalkanaal gelegen. Langs het Maas-Waalkanaal is een A-Watergang (W002965) gelegen, die in westelijke richting onder het kanaal doorstroomt. Deze watergang ligt op ca. 900 meter. Doordat er nog geen bebouwing aanwezig is, wordt hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd. Doordat het perceel nog niet is bewoond, is er geen sprake van afvalwater. Hierdoor is het perceel ook nog niet aangesloten op het riool. 4.9.2.3 Toetsing waterberging De ruimtelijke motivering dient te worden voorzien van een waterparagraaf, waarin is aangegeven hoe met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding wordt omgegaan. Uitgangspunt is dat het hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt.

In de nieuwe situatie zal het hemelwater worden geborgd en geïnfiltreerd binnen het plangebied. De afvoeren van de daken, bestaand en nieuw, worden losgekoppeld uitgevoerd van het vuilwatersysteem. De infiltratie van het hemelwater zorgt niet voor een verandering van het waterhuishoudkundige systeem. Het hemelwater zal in de nieuwe situatie net als voorheen infiltreren op eigen terrein, door hemelwatergoten en pijpen aan te sluiten op infiltratievoorzieningen op eigen terrein. De bestaande en toekomstige situatie en de daar uitvloeiende bergingsopgave zijn hieronder uitgewerkt. Huidige situatie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15096605/1