CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ontwerp Bestemmingsplan Zonnepark Teerse Sluispolder – versie 26 oktober

Raad 18 april 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Zonnepark Teerse Sluispolder27.662 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 4

49

4.12.2 Onderzoek In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of elementen aanwezig. Ook maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beleidsmatig als cultuurhistorisch waardevol gebied aangemerkt gebied. De locatie (compositie) van de zonnepanelen zal aansluiten bij de bestaande verkaveling van het gebied. Met de landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de bestaande gebiedskenmerken en deze kavelstructuur. Het zonnepark is daarbij een vervolgontwikkeling op de ontstaansgeschiedenis van het gebied als energielandschap (zie het Gebiedsplan Energielandschap A73 Heumen, beschreven in par. 3.3). 4.12.3 Conclusie Het plan leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden.

4.13 Explosieven 4.12.1 Toetsingskader In de omgeving van het plangebied is in de Tweede Wereldoorlog gevochten. Ten tijde van de bezetting had de omgeving van Heumen regelmatig te maken met (geallieerde) bombardementen en beschietingen. Het is daarom in grote delen van de gemeente niet uitgesloten dat er ook nu nog onontplofte oorlogsmunitie (OO) wordt aangetroffen, in het bijzonder in gebieden waar sindsdien weinig activiteit heeft plaatsgevonden. 4.12.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark, landschappelijke inpassing en bijbehorende voorzieningen. De ontwikkeling vindt plaats in een groot gebied, dat momenteel agrarisch wordt gebruikt. Vanwege de benodigde ingrepen en omdat het op voorhand niet uitgesloten is dat er, met name dieper in de grond, nog OO kunnen worden aangetroffen, is een quickscan OO uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat het plangebied is getroffen bij bombardementen of beschietingen. Ook zijn er in en nabij het plangebied geen geschutsopstellingen en schuttersputten aanwezig. Op basis van de bevindingen kan het plangebied worden vrijgegeven voor de beoogde werkzaamheden. 4.12.3 Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het plan.

Hoofdstuk 4

50

4.14 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Toets m.e.r.-plicht Binnen het plangebied wordt een zonnepark gerealiseerd op agrarische gronden. Het realiseren van een zonnepark en de daarbij behorende voorzieningen (waaronder landschappelijke inpassing en inrichting) komt niet voor in bijlage C van het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.- beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. Op basis van recente jurisprudentie (zie o.a. de uitspraak ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) is vastgesteld dat de realisatie van een zonnepark op zichzelf geen stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een landinrichtingsproject of een industriele installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Het onderhavige plan voorziet echter naast de realisatie van een zonnepark tevens in relatief grootschalige realisatie van landschappelijke inpassing en aanpassingen van de landschappelijke inrichting, onder meer in de vorm van versterking van de Groene Ontwikkelingszone, de aanleg van hagen en het realiseren van een natuurvriendelijke oever.

Gezien de aard en omvang van deze werkzaamheden, is het niet uitgesloten dat het project toch moet worden beschouwd als een landinrichtingsproject (categorie D9). De drempelwaarde voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (125 hectare) wordt echter niet overschreden. Hierdoor is enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit de paragraaf 'Ecologie' (par. 4.8) blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Omdat het plan (mogelijk) als landinrichtingsproject moet worden beschouwd conform categorie D9 van het Besluit m.e.r., maar het in omvang ruimschoots onder de drempelwaarden voor een directe m.e.r.-beoordelingsplicht blijft, heeft voor dit bestemmingsplan een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hiertoe is een aanmeldingsnotitie opgesteld, die in de bijlagen bij deze toelichting is opgenomen. In de aanmeldingsnotitie zijn de kenmerken, de plaats en de potentiële effecten van het plan beschouwd en is onderzocht of deze aanleiding geven tot het uitvoeren van een MER. De conclusie is dat hiervoor op basis van deze criteria geen aanleiding bestaat. Daarom is middels een separaat besluit door de gemeente op basis van de aanmeldingsnotitie besloten, dat geen m.e.r.-procedure behoeft te worden doorlopen en er geen MER behoeft te worden opgesteld. Dit besluit is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting.

Hoofdstuk 4

51

4.15 Reflectie en duisternis Zonnepanelen worden vaak in verband gebracht met reflectie van licht. Moderne zonnepanelen hebben echter niet veel reflecties om de eenvoudige reden dat licht dat gereflecteerd wordt niet effectief is voor het opwekken van elektriciteit. Het percentage reflecties betreft ca. 3 à 5% bij een normale lichtinval. De reflecties (voor zover nog aanwezig) hangen daarbij af van de locatie (stand en hoogte spiegelend vlak) en de stand van de zon (de tijd en de tijd van het jaar). De hoek van de invallende lichtstraal bepaalt de hoek van de uitvallende lichtstraal. Hoe steiler de helling van de panelen, hoe groter de kans op hinder. Wanneer de panelen vrij vlak (35 graden of minder) worden opgesteld, gaat de reflectie veelal omhoog. Dan is er voor de omgeving geen hinder door reflectie. Logischerwijs is achter de zonnepanelen ook geen sprake van een spiegelend effect. De zonnepanelen op deze locatie worden gerealiseerd in een hellingshoek van ca. 10-15 graden (zie het dwarsprofiel in par. 2.2.2), ruimschoots minder dan 35 graden dus. Onevenredige hinder door reflectie is door de beperkte hellingshoek bij de gekozen opstelling daarom niet te verwachten. De minimale nog resterende reflectie wordt door het haagstruweel rondom het zonnepark opgevangen. Met betrekking tot duisternis kan worden opgemerkt dat het project geen lichtuitstraling zal hebben.

Er is op het terrein geen sprake van verlichting.

4.16 Afweging belangen De gewenste ontwikkeling van een zonnepark is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Om het initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan te worden herzien. In de voorliggende toelichting zijn de verschillende belangen beschouwd en is het initiatief beleidsmatig, ruimtelijk en milieuhygiënisch verantwoord. In deze paragraaf vindt een overkoepelende belangenafweging plaats. Het initiatief levert een significante bijdrage aan een zeer belangrijke doelstelling, namelijk de transitie naar duurzame vormen van energieopwekking. Tegen de gewenste ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en landschappelijk oogpunt geen overwegende bezwaren. Door middel van de voorgestelde landschappelijke inpassing, wordt het zonnepark goed ingepast in het landschap, met specifieke aandacht voor de landschappelijke kenmerken van het gebied, de relatie tot omwonenden en voor de ecologische kwaliteiten van het gebied. In de voorgaande hoofstukken van deze toelichting is verder beschreven dat het initiatief in totaliteit een positief effect kan hebben op de biodiversiteit binnen het gebied. Het verlies aan foerageergebied voor de das wordt zoveel mogelijk beperkt en wordt gecompenseerd. Hierdoor blijft de functie van het gehele gebied als leef- en foerageergebied voor de das behouden.

Ook ten aanzien van andere beschermde soorten treden er per saldo geen negatieve effecten op. Door de aanleg van een gemengd struweel en grasland, alsmede het beperken van landbouwactiviteiten op de percelen, zijn er kansen voor biodiversiteit. Voorts is in het kader van participatie in overleg met stakeholders en de lokale omgeving gekeken naar een optimale invulling van het zonnepark, waarbij rekening is gehouden met:  het houden van voldoende afstand ten opzichte van omwonenden en behouden van zoveel mogelijk zichtlijnen;  een robuuste landschappelijke inpassing, waardoor bijvoorbeeld de omwonenden geen rechtstreeks zicht op de zonnepanelen hebben;

Hoofdstuk 4

52

compensatie voor verlies van leefgebied van beschermde soorten en creëren van ecologische meerwaarde door slimme inrichting van het zonnepark en toevoegen van de juiste compensatieelementen; voldoende rendabiliteit voor het zonnepark.

Aan de voorwaarden, die zowel het rijks-, provinciaal als gemeentelijk beleid stelt, wordt met de ontwikkeling voldaan. Daarnaast wordt de ontwikkeling niet belemmerd door aanwezige omliggende functies en treedt andersom geen onevenredige overlast voor omliggende functies op. Gelet op de afstand tot omliggende woonpercelen, is er ook naar verwachting ook geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Bovendien zal geen schade wordt toegebracht aan omringende natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet bezwaarlijk is en derhalve in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 4

53

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de realisatie van een zonnepark in het plangebied juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast zoveel mogelijk afgestemd op het vigerende bestemmingsplan. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Heumen nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

54

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook zijn aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben.

Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen:  Agrarisch;  Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden;  Waarde – Archeologische verwachting 2 (dubbelbestemming);

Hoofdstuk 5

55

Waterstaat – Beschermingszone watergang (dubbelbestemming).

Agrarisch en Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden De huidige bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden’ zijn binnen het gehele plangebied behouden. De gronden blijven daarmee bestemd voor onder meer de uitoefening van agrarische bedrijvigheid, behoud en ontwikkeling van landschappelijke beplanting, ecologische en landschappelijke waarden, extensief recreatief medegebruik en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het verschil tussen beide bestemmingen is dat binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden’ de ontwikkeling en het behoud van landschappelijke en ecologische waarden meer naar voren komt. Voor onderhavig plan zijn de te behouden en te versterken waarden op het gebied van landschap en ecologie uitgewerkt in het als bijlage opgenomen landschappelijke inpassingsplan. De zones waarin landschappelijke inpassing en versterking van ecologische waarden binnen beide bestemmingen centraal staan, zijn aangeduid met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – landschappelijke inpassing’. Verder is binnen de bestemmingen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zonnepark’ opgenomen. Uitsluitend binnen dit gebied is de ontwikkeling van een zonnepark met bijbehorende panelen, transformatoren en overige voorzieningen mogelijk.

Hieraan is de voorwaardelijke verplichting gekoppeld, dat de landschappelijke inpassing en inrichting conform het in de bijlage opgenomen inrichtingsplan en conform de daarin opgenomen profielen tijdig moet worden gerealiseerd. De struwelen aan de zuidoost- en de noordzijde van het plan moeten voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden al worden gerealiseerd; de overige landschappelijke inpassing dient binnen één jaar na gereed zijn van het zonnepark te zijn gerealiseerd. Deze landschappelijke inpassing moet in stand worden gehouden zolang het zonnepark in het plangebied in bedrijf is. Voor het oprichten van bebouwing zijn in de bouwregels nadere regels opgenomen. Hierbij is een specifieke regeling voor het zonnepark van toepassing. De overige bouwregels komen overeen met de huidige bestemmingen. Waarde – Archeologische verwachting 2 Deze dubbelbestemming is gehandhaafd op de plandelen waar deze thans al van toepassing is. De betreffende gronden zijn mede bestemd voor de veiligstelling en bescherming van de archeologische waarden. Er geldt een onderzoeks- en vergunningplicht voor het bebouwen van de gronden en het uitvoeren van overige werkzaamheden, waarbij de bodem wordt geroerd dieper dan 40 cm onder maaiveld en over een oppervlakte van meer dan 2.500 m².

Waterstaat – Beschermingszone watergang Deze dubbelbestemming is opgenomen op de gronden aan de zuidwestelijke rand van het plangebied, evenwijdig aan de (te verbreden) A-watergang. Rondom de A-watergang geldt een beschermingszone van 5 meter breed, die dient ten behoeve van het onderhoud en de instandhouding van de betreffende watergang. Voor deze zone is daarom een dubbelbestemming opgenomen. Hierin zijn beperkingen gesteld aan het bebouwen van de gronden en aan het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. Binnen deze zone worden overigens geen zonnepanelen of andere voorzieningen behorend bij het zonnepark mogelijk gemaakt.

Hoofdstuk 5

56

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. In het voorliggende geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Tussen gemeente en initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten waarmee de financiële uitvoerbaarheid van het plan wordt gewaarborgd. Verder zal de ontwikkeling van het zonnepark (deels) gefinancierd worden vanuit de SDE++ subsidie. Als voorwaarde om in aanmerking te komen voor de SDE++ subsidie is de herziening van het bestemmingsplan opgesteld. Tevens zijn in de anterieure overeenkomst afspraken gemaakt omtrent de exploitatietermijn van het zonnepark (25 jaar na aansluiting op het elektriciteitsnet).

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 Awb geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. De uov schrijft voor dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Vaststellingsprocedure. De Wro bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Er is in dit geval geen formele inspraakprocedure doorlopen, maar er is voor

Hoofdstuk 6

57

gekozen om stakeholders en andere belanghebbenden in de omgeving vroegtijdig en uitvoerig te betrekken bij de voorbereiding van het plan. Aldus is een uitvoerige omgevingsdialoog gevoerd, die het houden van inspraak niet nodig maakt. Hierna worden achtereenvolgens de omgevingsdialoog, het vooroverleg en de vaststellingsprocedure beschreven. 6.2.1 Omgevingsdialoog Zoals reeds aangegeven heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden met betrokken stakeholders en belanghebbenden in de omgeving van het plangebied. Dit is reeds in het kader van de tenderuitvraag en ook bij de verdere uitwerking van het plan gebeurd. In overleg met de gemeente Heumen hebben projectontwikkelaars GroenLeven en Enovos, Energiecoöperatie Heumen en Wiek-II voortijdig een communicatieplan opgesteld met als doel om omwonenden en belanghebbenden in een vroeg stadium te informeren en consulteren, zowel over de totstandkoming van het zonnepark als de financiële mogelijkheden om in het park te participeren. De communicatiedoelstellingen voor het plan zijn als volgt:  Bevorderen van samenwerking en draagvlak door juiste inpassing in het gehele gebied.  Verhogen van acceptatie en draagvlak door een integrale visie op het gehele gebied.  Streven naar minimaal 50% lokaal eigendom in het project (mits ECH voldoende inleg in het project kan realiseren), waarbij GroenLeven streeft naar 100% voor haar deel van het plan.

Het participatietraject op basis van het communicatieplan is in het projectplan, dat is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting, uitvoerig beschreven. Kortheidshalve wordt naar deze bijlage verwezen. Lokale ondernemers zullen ook een speciale rol spelen tijdens de realisatie en het onderhoud van het park, denkende aan werkzaamheden als het plaatsen van hekwerk, het verzorgen van de catering tijdens de opening, het zaaien van gras-klavermengsel of de verzorging van het groenonderhoud middels schapen. Voor het realiseren van de derde doelstelling heeft ECH te kennen gegeven dat het de ambitie heeft om (mede-)eigenaar van het project te worden. ECH is al langer actief in de gemeente Heumen en zij wil er duurzame energie opwekken, opslaan en zo lokaal mogelijk distribueren. ECH draagt zorg dat er minimaal 50% eigen vermogen bij de leden wordt opgehaald door de uitgifte van participaties (aandelen, leningen of obligaties) en zorgt, indien noodzakelijk, voor aanvullende financiering door een lening bij de bank, OostNL of andere financieringspartijen. Indien het uiteindelijk niet lukt om 50% van de participaties aan lokale participanten te verkopen, kan er ook voor crowdfunding worden gekozen om de lokale participatie op een andere wijze te realiseren. Tevens wordt een gebiedsfonds ingericht conform de ‘Gedragscode Zon op Land’.

Aangezien initiatiefnemers omwonenden en belanghebbenden in een vroeg stadium bij de totstandkoming en financiële mogelijkheden van het zonnepark hebben betrokken, is getracht om ieders belang, waar mogelijk, mee te nemen in het bestemmingsplan. Dit heeft geresulteerd in diverse aanpassingen met betrekking tot onder meer de situering van de zonnepanelen, de inrichting van de landschappelijke inpassing en de invulling van de natuurcompensatie. Zoals aangegeven is in het projectplan, dat is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting, een uitgebreide weergave van de gevoerde participatie en de resultaten daarvan opgenomen. Hiernaar wordt verwezen voor een volledige toelichting op dit proces en de doorgevoerde aanpassingen aan het plan.

Hoofdstuk 6

58

De omgevingsdialoog is vormgegeven door middel van persoonlijke gesprekken/overleggen met betrokkenen, alsmede enkele informatiebijeenkomsten. Op 4 november 2021 is een inloopavond georganiseerd voor omwonenden en andere belangstellenden. Hiervan is een verslag gemaakt, dat in de bijlagen is opgenomen. Verder zijn in het voorjaar van 2022 twee gesprekken gevoerd met de direct omwonenden om de (landschappelijke) inpassing van het zonnepark nader af te stemmen op hun belangen. De rest van het participatietraject is uitvoerig beschreven in het projectplan, dat eveneens in de bijlagen is opgenomen. Hiernaar wordt kortheidshalve verwezen. Samenvattend is voorafgaand aan de start van de formele procedure een uitvoerig en zorgvuldig participatietraject doorlopen, waarbij binnen het redelijke rekening is gehouden met de wensen en belangen van de diverse betrokkenen. 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Bij voorbereiding van dit bestemmingsplan vond op basis van artikel 3.1.1 Bro overleg plaats met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan, aan de betrokken instanties toegestuurd. Daarnaast heeft met de provincie Gelderland ambtelijke afstemming plaatsgevonden bij de voorbereiding van het plan en heeft initiatiefnemer overleg met het waterschap Rivierenland gepleegd. Dit is voortijdig (najaar 2021) opgestart. Het waterschap heeft in het voorjaar van 2022 advies uitgebracht over het project. De opmerkingen uit dit advies zijn verwerkt in het definitieve projectplan, dat zijn vertaling in onderhavig bestemmingsplan heeft gekregen. Met de provincie heeft met name afstemming plaatsgevonden over het versterkingsplan voor de Groene Ontwikkelingszone. Door de provincie, de brandweer en het waterschap zijn vooroverlegreacties ingediend. Deze hebben gedeeltelijk geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan en het landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan.

6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan indienen. Omdat de coördinatieregeling in dit geval wordt toegepast, wordt ook de ontwerp omgevingsvergunning voor het bouwen gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd en bestaat eveneens de mogelijkheid om een zienswijze tegen dit besluit in te dienen. Eventuele zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien door de gemeente. Hierbij wordt tevens aangegeven of er aanleiding is tot wijzigingen in het plan.

Hoofdstuk 6

59

Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld door de gemeenteraad. Tevens wordt de definitieve omgevingsvergunning voor het bouwen verleend. 6.2.4 Beroep Na vaststelling worden het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor de tweede maal voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien binnen de beroepstermijn geen beroep wordt ingesteld, zijn het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning na het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen.

Hoofdstuk 6

60

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Kaart landschapsplan en dwarsprofielen Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Aanvullende notitie Flora en Fauna Bijlage 5: Advies beheer en inrichting zonneparken t.b.v. das Bijlage 6: Ontheffing Wet Natuurbescherming Bijlage 7: Berekening en invulling versterking GO Bijlage 8: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 9: Digitale watertoets Bijlage 10: Archeologisch onderzoek Bijlage 11: Onderzoek explosieven Bijlage 12: M.e.r.-notitie Bijlage 13: Projectplan Zonnepark Teersche Sluispolder Bijlage 14: Verslag inloopbijeenkomst

Hoofdstuk 6

61

Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 7

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

8

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Agrarisch Agrarisch met waarden - Landschap en natuur Waarde - Archeologische verwachting 2 Waterstaat - Beschermingszone watergang

8 11 14 16

Hoofdstuk 3

Algemene regels

18

Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels

18 19 20

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

21

Artikel 10 Artikel 11

Overgangsrecht Slotregel

21 22

2

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

REGELS

Hoofdstuk 6

63

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

plan

het bestemmingsplan Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder met identificatienummer NL.IMRO.0252.BUbpZonneparkTSP-OW01 van de gemeente Heumen; 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, met uitzondering van een glastuinbouwbedrijf; 1.6

archeologische verwachting

een gebied waar naar verwachting relatief veel terreinen voorkomen met archeologische waarden; 1.7

archeologische waarde

een terrein waarin zich voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen bevinden, die behouden dienen te worden; 1.8

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9

bestaand

a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald;

4

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

1.10

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak; 1.11

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.12

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.13

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens een plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.14

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.15

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.16

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.17

ecologische waarden

de aan een gebied, middels een theoretische benadering toegekende waarde voor soorten planten, dieren en vegetatietypen, waarbij het gangbaar is zich met name te richten op de bescherming, zeldzaamheid en bedreigdheid van de natuurwaarde van de aanwezige planten, dieren en vegetatietypen; 1.18

extensief recreatief medegebruik

recreatief gebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat geen specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden, zwem- en vislocaties; 1.19

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

5

1.20

gebruiken

gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven; 1.21

landschappelijke waarden

de aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens); 1.22

natuurvriendelijke oever

oeverconstructie met een geleidelijke overgang tussen water en land, ingericht voor het behoud en de versterking van ecologische en/of landschappelijke waarden; 1.23

normaal onderhoud, gebruik en beheer

een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt; 1.24

peil

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse; 1.25

uitvoeren

uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven; 1.26

zonnepark

een complex van duurzame energievoorzieningen, waarbij energie op basis van zonkracht wordt opgewekt, met daarbij behorende voorzieningen, waaronder transformatoren en kabels.

6

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

Artikel 2 2.1

Wijze van meten

Algemeen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

de oppervlakte van een gebouw tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.2

Inhoud

Voor de berekening van de inhoud van een bouwwerk wordt tevens meegeteld ruimte die door vier wanden, scheidingsmuren en/of dakvlakken is omsloten, maar niet door middel van een dak is afgesloten. De inhoud van deze ruimte wordt gemeten tussen de bovenzijde van de vloer, de binnenzijde van de wanden, scheidingsmuren en/of dakvlakken en de projectie van het dak, waarbij de hoogte van deze projectie wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde hoogte van de vier wanden, scheidingsmuren en/of dakvlakken. 2.3

Hart van de lijn

Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de verbeelding en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

7

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt niet is toegestaan op een afstand van minder dan 50 m van burgerwoningen; b. een zonnepark, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch zonnepark'; c. ontwikkeling en behoud van landschappelijke beplanting, natuurvriendelijke oevers, ecologische en landschappelijke waarden in het algemeen en conform Bijlage 1 bij deze regels ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing' in het bijzonder; d. behoud en herstel van landschappelijke beplanting; e. extensief recreatief medegebruik; f. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Gebouwen

Gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen, die voldoen aan de volgende kenmerken: a. bouwhoogte maximaal 3 m; b. oppervlakte maximaal 15 m². 3.2.2

Bebouwing ten dienste van een zonnepark

Bebouwing ten dienste van een zonnepark ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch zonnepark' voldoet aan de volgende kenmerken: a. bouwhoogte van zonnepanelen, inclusief bijbehorende installaties en constructies maximaal 2,5 m; b. bouwhoogte van overige bebouwing ondersteunend aan het zonnepark maximaal 4 m. 3.2.3

Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan bedoeld in lid 3.2.2, voldoen aan de volgende kenmerken: a. bouwhoogte van vlaggenmasten maximaal 6 m; b. bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten behoeve van de afscherming van een zonnepark maximaal 2,20 m; c. bouwhoogte van naar de openbare weg gekeerde erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld onder b., maximaal 1 m; d. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 2 m.

8

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

3.2.4

Voorwaardelijke verplichting

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken ten dienste van een zonnepark, zoals bedoeld in artikel 3.1 onder b, wordt uitsluitend verleend onder de volgende voorwaarden: a. voor aanvang van de betreffende bouwwerkzaamheden dient de landschappelijke inpassing in de vorm van struweel aan de zuidoost- en de noordzijde van deze bestemming, een en ander zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels, conform de uitgangspunten, dwarsprofielen en randvoorwaarden in de betreffende bijlage te zijn gerealiseerd; b. uiterlijk na afloop van het eerstvolgende plantseizoen na gereed komen van de in de aanhef bedoelde bouwwerken, dient de volledige landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels, conform de uitgangspunten en randvoorwaarden in de betreffende bijlage te zijn gerealiseerd; c. voor aanvang van de betreffende bouwwerkzaamheden, dient te zijn verzekerd dat wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming, al dan niet door middel van een verkregen ontheffing en/of door het treffen van maatregelen. 3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1

Voorwaardelijke verplichting

Het gebruiken van gronden en bebouwing voor een zonnepark, zoals bedoeld in artikel 3.1 onder b, is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de in artikel 3.2.4 onder a. en b. bedoelde landschappelijke inpassing dient na realisatie in stand te worden gehouden tot het moment van beëindiging van het in de aanhef bedoelde gebruik; b. aan de in artikel 3.2.4 onder c. bedoelde voorwaarden dient blijvend te worden voldaan tot het moment van beïndiging van het betreffende gebruik. 3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1

Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 3.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van gronden met meer dan 1 m vanaf het bestaande peil, tenzij noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering; b. het vellen en rooien van bomen en ander houtgewas en het verrichten van handelingen, die ernstige beschadiging of de dood van bomen en ander houtgewas ten gevolge kunnen hebben; c. de aanleg van voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. 3.4.2

Voorwaarden

a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoetgekomen. b. Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1 onder c wordt verleend dient tevens te worden aangetoond dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. 3.4.3

Advies

Alvorens te besluiten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een deskundige op het gebied van natuur en landschap.

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

9

3.4.4

Uitzonderingen vergunningplicht

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; c. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die worden uitgevoerd voor de realisatie van het in Bijlage 1 bij de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan; d. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die worden uitgevoerd om de landschappelijke inpassing en inrichting als bedoeld in Bijlage 1 bij de regels na verloop van de in artikel 3.3.1 opgenomen voorwaardelijke verplichting al dan niet gedeeltelijk te verwijderen; e. het periodiek vellen van hakhout.

10

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

Artikel 4 4.1

Agrarisch met waarden - Landschap en natuur

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt niet is toegestaan op een afstand van minder dan 50 m van burgerwoningen; b. een zonnepark, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch zonnepark'; c. ontwikkeling en behoud van landschappelijke beplanting, natuurvriendelijke oevers, ecologische en landschappelijke waarden in het algemeen en conform Bijlage 1 bij deze regels ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing' in het bijzonder; d. extensief recreatief medegebruik; e. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. 4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen

Gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen, die voldoen aan de volgende kenmerken: a. bouwhoogte maximaal 3 m; b. oppervlakte maximaal 15 m². 4.2.2

Bebouwing ten dienste van een zonnepark

Bebouwing ten dienste van een zonnepark ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch zonnepark' voldoet aan de volgende kenmerken: a. bouwhoogte van zonnepanelen, inclusief bijbehorende installaties en constructies maximaal 2,5 m; b. bouwhoogte van overige bebouwing ondersteunend aan het zonnepark maximaal 4 m; 4.2.3

Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan bedoeld in lid 4.2.2, voldoen aan de volgende kenmerken: a. bouwhoogte van vlaggenmasten maximaal 6 m; b. bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten behoeve van de afscherming van een zonnepark maximaal 2 m; c. bouwhoogte van naar de openbare weg gekeerde erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld onder b., maximaal 1 m; d. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 2 m. 4.2.4

Voorwaardelijke verplichting

Het gebruiken van gronden en bebouwing voor een zonnepark, zoals bedoeld in artikel 4.1 onder b, is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. voor aanvang van de betreffende bouwwerkzaamheden dient de landschappelijke inpassing in de vorm van struweel aan de zuidoost- en de noordzijde, een en ander zoals opgenomen in Bijlage 1 bij

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

11

deze regels, conform de uitgangspunten, profielen en randvoorwaarden in de betreffende bijlage te zijn gerealiseerd; b. uiterlijk na afloop van het eerstvolgende plantseizoen na gereed komen van de in de aanhef bedoelde bouwwerken, dient de volledige landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels, conform de uitgangspunten en randvoorwaarden in de betreffende bijlage te zijn gerealiseerd; c. voor aanvang van de betreffende bouwwerkzaamheden, dient te zijn verzekerd dat wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming, al dan niet door middel van een verkregen ontheffing en/of door het treffen van maatregelen. 4.3

Specifieke gebruiksregels

4.3.1

Voorwaardelijke verplichting

Het gebruiken van gronden en bebouwing voor een zonnepark, zoals bedoeld in artikel 3.1 onder b, is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de in artikel 4.2.4 onder a. en b. bedoelde landschappelijke inpassing dient na realisatie in stand te worden gehouden tot het moment van beëindiging van het in de aanhef bedoelde gebruik; b. aan de in artikel 3.2.4 onder c. bedoelde voorwaarden dient blijvend te worden voldaan tot het moment van beïndiging van het betreffende gebruik. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1

Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ontginnen, verlagen van de bodem of afgraven, ophogen en egaliseren van gronden; b. het aanleggen en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het vellen en rooien van bomen en ander houtgewas en het verrichten van handelingen, die ernstige beschadiging of de dood van bomen en ander houtgewas ten gevolge kunnen hebben; d. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. 4.4.2

Voorwaarden

a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoetgekomen. b. Alvorens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 onder b wordt verleend dient tevens te worden aangetoond dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. 4.4.3

Advies

Alvorens te besluiten over de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een deskundige op het gebied van natuur en landschap.

12

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

4.4.4

Uitzonderingen vergunningplicht

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; c. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die worden uitgevoerd voor de realisatie van het in Bijlage 1 bij de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan; d. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die worden uitgevoerd om de landschappelijke inpassing en inrichting als bedoeld in Bijlage 1 bij de regels na verloop van de in artikel 4.3.1 opgenomen voorwaardelijke verplichting al dan niet gedeeltelijk te verwijderen; e. het periodiek vellen van hakhout; f. het ontginnen, verlagen van de bodem of afgraven, ophogen en egaliseren van gronden en/of het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de realisatie van een zonnepark ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zonnepark'.

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

13

Artikel 5 5.1

Waarde - Archeologische verwachting 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. 5.2

Bouwregels

5.2.1

Rapport

Bij een aanvraag voor een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 2.500 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.

5.2.2

Voorschriften aan vergunning

Indien het oprichten van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd kan leiden tot aantasting van archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders op basis van een bij de bouwaanvraag in te dienen archeologisch rapport in ieder geval een van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen, of; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.2.3

Uitzondering

Het overleggen van een rapport is niet nodig: a. indien wordt aangetoond dat de grond dieper dan 40 cm is gewoeld of indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, welke is getoetst door een archeologische deskundige, afdoende is vastgesteld; b. indien wordt aangetoond dat geen grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 2.500 m² worden uitgevoerd voor het oprichten van het bouwwerk. 5.2.4

Advies

Alvorens de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen, vraagt het bevoegd gezag een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg om advies. 5.3 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 5.3.1

Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen, ontginnen, verlagen, afgraven of egaliseren van gronden;

14

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

b. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 2.500 m²; c. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; d. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte van de aan te brengen verharding 2.500 m² of meer bedraagt; e. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het aanleggen van drainage; g. het graven of dempen van sloten, watergangen of vijvers. 5.3.2

Uitzondering

Het in 5.3.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan. 5.3.3

Verlenen vergunning

De omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in 5.3.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologische waarden. 5.3.4

Voorschriften aan vergunning

Voor zover de in 5.3.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen leiden tot een aantasting van archeologische waarden, kan de vergunning worden verleend en kan aan de vergunning in ieder geval een van de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen of; c. de verplichting de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.3.5

Rapport

De omgevingsvergunning als bedoeld in 5.3.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 5.3.6

Advies

Alvorens de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in 5.3.1 te verlenen, vraagt het bevoegd gezag een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg om advies.

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

15

Artikel 6 6.1

Waterstaat - Beschermingszone watergang

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor beheer en onderhoud van een watergang. 6.2

Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de watergang. 6.3

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2 voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de andere bestemming(en), mits: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de waterloop; b. vooraf advies wordt ingewonnen van de beheerder van de waterloop. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1

Verboden werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere gesloten oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem; c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse kabels of leidingen; d. het wijzigen van het bestaande bodemniveau door ophogingen of afgravingen of het verrichten van andere graafwerkzaamheden; e. het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen of beplantingen welke dieper wortelen dan 0,75 meter. 6.4.2

Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in artikel 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing: a. voor normale onderhoudswerkzaamheden; b. voor werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; c. voor werken of werkzaamheden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en bodemgebruik; d. voor normaal spitwerk tot een diepte van niet meer dan 0,30 meter; e. voor werken en werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn, dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning kunnen worden uitgevoerd; f. voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die worden uitgevoerd voor de realisatie van het in Bijlage 1 bij de regels opgenomen landschappelijk inpassingsplan.

16

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

6.4.3

Toelaatbaarheid werken en werkzaamheden

Werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door de uitvoering daarvan, dan wel de daarvan herzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen: a. geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende waterloop.

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

17

Hoofdstuk 3 Artikel 7

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

18

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

Artikel 8 8.1

Algemene gebruiksregels

Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval begrepen: a. detailhandel; b. stort- en/of opslagplaats van grond, vuilnis, afvalstoffen en/of al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen en materialen, anders dan als opslag ten behoeve van het normale gebruik behorende bij de betreffende bestemming; c. staan- of ligplaats voor kampeermiddelen; d. sport- of wedstrijdterrein; e. het beproeven van voertuigen, voor het beoefenen van de modelvliegsport en voor het houden van wedstrijden, racen of crossen met motorvoertuigen en bromfietsen.

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

19

Artikel 9 9.1

Algemene afwijkingsregels

Bevoegdheid

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. de regels en toestaan dat bouw- of aanduidingsgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; b. het houden van kortdurende festiviteiten van sociaal-culturele aard voor een aaneengesloten periode van maximaal 7 dagen per activiteit. 9.2

Voorwaarden omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.1 kan slechts worden verleend, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

20

Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)

Hoofdstuk 4 Artikel 10 10.1

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%. c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 10.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13926559/1