CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ontwerp Bestemmingsplan Zonnepark Teerse Sluispolder – versie 26 oktober

Raad 18 april 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Zonnepark Teerse Sluispolder27.662 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Spoorweglawaai In de Wet geluidhinder zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van spoorweglawaai. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Dit aspect kan daarom verder buiten behandeling worden gelaten. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de buurt van een geluidgezoneerd industrieterrein. Een zonnepark is voorts niet aangemerkt als een geluidzoneringsplichtige inrichting. Het onderdeel industrielawaai kan daarom verder buiten beschouwing worden gelaten. 4.2.2 Onderzoek Een zonnepark betreft geen geluidgevoelig object of terrein. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek als bedoeld in de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk. Het project voorziet ook niet in de aanleg of reconstructie van een weg.

Voor akoestische effecten van het zonnepark wordt verwezen naar de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’ (par. 4.4). 4.2.3 Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan.

Hoofdstuk 4

30

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.  Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.

 Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek In dit geval is er sprake van het oprichten van een zonnepark. Een zonnepark kent een zeer lage verkeersaantrekkende werking (zie par. 4.1.1). Er zal uitsluitend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden gesteld dat het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat er geen sprake is van een gevoelige functie, is een onderzoek naar de achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leefklimaat niet aan de orde. 4.3.3 Conclusie Het plan is niet bezwaarlijk vanuit luchtkwaliteitsoogpunt.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Hoofdstuk 4

31

Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Zonneparken worden als zelfstandige categorie niet benoemd in de VNG-brochure. Ten aanzien van de zonnepanelen zelf kan redelijkerwijs worden gesteld, dat geen milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is. Voor de bijbehorende transformators kan enige geluidproductie overdag worden verwacht. Deze zijn het best vergelijkbaar met de in de VNG-brochure vermelde categorie ‘elektriciteitsdistributiebedrijven <10 MVA’ (milieucategorie 2). De totale capaciteit van het zonnepark is weliswaar ca. 20 MVA, maar deze capaciteit wordt verdeeld over diverse transformatoren met elk een aanzienlijk kleinere capaciteit. De richtafstand van de transformatoren tot omliggende woningen dient daarmee in beginsel ten minste 30 meter te bedragen. Het plangebied en de directe omgeving kunnen als ‘rustig buitengebied’ worden aangemerkt, waardoor deze reguliere richtafstand van toepassing is. Aanvullend kan worden vermeld dat een zonnepark een type A-inrichting is volgens het Activiteitenbesluit.

De inrichting zal daarom moeten voldoen aan de maximale geluidsniveaus en langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als genoemd in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Daarbij geldt dat daarbij de best beschikbare technieken moeten worden toegepast. Het gebied is gelegen tussen de A73 en het Maas-Waalkanaal in een overwegend agrarisch gebied. In de directe omgeving van het plangebied is weinig bebouwing aanwezig. Aan de Westerkanaaldijk is een aantal woningen gelegen. De afstand van het zonnepark tot deze woningen bedraagt minimaal ca. 150 meter. De woningen liggen daarmee ruimschoots buiten de richtafstand ten opzichte van (transformatoren behorende bij) het zonnepark. Overige woningen bevinden zich op nog grotere afstand. Gelet op de zeer ruime afstand tot aanliggende woningen is het de verwachting dat er geen verslechtering zal plaatsvinden van het woon- en leefklimaat. De transformatororen zijn verder alleen actief als 3

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

32

er zon is. ’s-Nachts zal er daarom geen geluidproductie plaatsvinden. Van geluidsoverlast afkomstig van de transformatoren zal daarom geen sprake zijn. Elektromagnetische straling Voor de specifieke functie van een zonnepark dient tevens aandacht te worden besteed aan elektromagnetische straling afkomstig van de transformatoren. Uit onderzoek van het RIVM over gezondheid en elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations is geconcludeerd dat de sterkte van de velden afneemt wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT (jaargemiddelde) wordt bereikt op een afstand van 7 meter van het transformatorstation. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangenomen bij situaties van langdurige blootstelling. Aangezien er geen woningen zijn gelegen op een afstand van minder dan 7 meter, maar de afstand hiertoe aanzienlijk groter is, is nader onderzoek op het gebied van elektromagnetische straling niet noodzakelijk. Er zijn in dit opzicht geen risico’s of bezwaren verbonden aan het plan. 4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen oprichting van een zonnepark in het plangebied.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.

4.5.2 Onderzoek Volgens de definitie van de Wet geurhinder en veehouderijen is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen en menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Een zonnepark is, gelet op deze definitie, niet aan te merken als een geurgevoelig object. Er is slechts sporadisch en kortdurend sprake van verblijf door mensen. De voorgenomen ontwikkeling van een zonnepark levert dan ook geen belemmeringen op voor veehouderijen en vice versa.

Hoofdstuk 4

33

4.5.3 Conclusie Vanuit het aspect geurhinder bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling van een zonnepark in het plangebied.

4.6 Kabels en leidingen 4.6.1 Toetsingskader Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. 4.6.2 Onderzoek In het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart (zie ook de navolgende paragraaf 4.7 ‘Externe veiligheid’) en de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen planologisch relevante kabels en/of leidingen voor. Circa 200 meter ten westen van het plangebied is een bovengrondse hoogspanningsverbinding aanwezig. Gelet op deze afstand vormt het ontwikkelen van een zonnepark in het plangebied geen belemmering voor het functioneren en onderhouden van deze verbinding. 4.6.3 Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het plan.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren:

Hoofdstuk 4

34

lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied liggen de snelweg A73 en het Maas-Waalkanaal. Beide zijn aangemerkt als transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Aan de overzijde van het kanaal zijn bovendien twee buisleidingen gelegen. Voor het overige zijn er geen relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied gelegen. Voor de snelweg en het kanaal ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen. Gezien de aard van de beoogde functie is er geen sprake van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object dan wel handelingen met gevaarlijke stoffen in de zin van het Bevi. Daarnaast zijn er in de toekomstige situatie geen personen permanent in het plangebied aanwezig. Hooguit is er sprake van incidentele aanwezigheid van personen voor het beheer en onderhoud van de zonnepanelen en het terrein. De planontwikkeling leidt niet tot een toename van personen. De wijziging is in het kader van het groepsrisico dan ook niet relevant te achten. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet

Hoofdstuk 4

35

in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Hoofdstuk 4

36

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek De ontwikkeling behelst de realisatie van een zonnepark van ca. 22 hectare op gronden, die momenteel onbebouwd en vrijwel geheel agrarisch in gebruik zijn. Negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten zijn bij een dergelijke ontwikkeling op voorhand niet uitgesloten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in de bijlagen.

Hierna worden de voornaamste bevindingen uit het onderzoek beschreven. Opgemerkt wordt dat ten tijde van de uitvoering van de quickscan flora en fauna de exacte inrichting van het gebied nog niet bekend was; deze is gebaseerd op de conceptuele invulling van het gebied en de destijds bekende kaders. De uiteindelijk invulling is hiermee in lijn en is representatief voor de bevindingen. Uitzondering hierop vormt de realisatie van een natuurvriendelijke oever aan de zuidwestkant van het plangebied langs de Tochtsloot. Ten aanzien van dit voornemen is daarom een aanvullende beoordeling in de vorm van een veldbezoek en notitie gemaakt. Deze aanvullende notitie is eveneens opgenomen in de bijlagen. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Rijntakken”, bevindt zich op circa 6,8 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de grote afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Ook een toename van stikstofdepositie ten gevolge van het plan kan op voorhand worden uitgesloten.

Ten aanzien van het toekomstige gebruik is van belang dat de verkeersaantrekkende werking minimaal is (zie nader par. 4.1.1, waar dit aspect is beschouwd). Er worden geen gasgestookte installaties gerealiseerd, die voor een toename van stikstofdepositie kunnen zorgen. Gezien de minimale stikstofuitstoot ten gevolge van het plan in relatie tot de grote afstand tot Natura 2000-gebieden kunnen significant negatieve effecten op basis van expert judgement/ algemene ervaringscijfers op voorhand worden uitgesloten. Nadere toetsing ten aanzien van Natura 2000-gebied is daarom niet aan de orde.

Hoofdstuk 4

37

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. De provincie Gelderland beschermt de bestaande natuur in het Gelders natuurnetwerk (GNN) en versterkt de samenhang door natuurgebieden in het Gelders natuurnetwerk uit te breiden en verbindingszones aan te leggen in de Groene ontwikkelingszone (GO), zie ook par. 3.2 over dit beleid. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Het plangebied is gelegen aangrenzend aan het GNN, en deels binnen de GO (zie par. 3.2). Het betreft de meest noordwestelijke strook van het plangebied. Met betrekking tot het GNN zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN niet worden aangetast. Met betrekking tot het GO betreft dit deel van het plangebied momenteel bemest grasland zonder enige biodiversiteit. In de toekomstige situatie wordt deze zone voor slechts 50% ingericht als zonnepark en zal het complete gebied worden voorzien van gras-klavermengsels met lijnvormig haagstruweel. Ook zal het totale terrein ingericht als grasland met gras-klavermengsels. Het terrein van het zonnepark zelf zal daarnaast, ondanks de begrazing middels schapen, toegankelijk blijven voor klein wild. Hierdoor neemt de biodiversiteit en natuurwaarde van het terrein enkel toe. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN/GO wordt niet noodzakelijk geacht. Aanvullend wordt opgemerkt dat ten aanzien van het GO een versterkingsplan is opgesteld, dat met de provincie is afgestemd. In par. 3.2 is hierop reeds uitvoerig ingegaan. Naar deze paragraaf wordt verder verwezen. Beschermde houtopstanden Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden verloren gaan is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

Soortenbescherming Resultaten quickscan en inspectie natuurvriendelijke oever Vogels In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil aangetroffen. Wel kunnen in het opgaand groen binnen en rond het plangebied mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Op de akkers kan incidenteel een kievit of graspieper tot broeden komen. De akkers en graslanden zijn zeer beperkt essentieel leefgebied voor soorten met jaarrond beschermd nest. De akkers zijn momenteel grootschalig en soortenarm, waardoor dit voor een soort als steenuil of kerkuil suboptimaal leefgebied is. In de nieuwe situatie ontstaat meer hoogwaardig leefgebied voor deze soorten, waardoor de hoeveelheid geschikt leefgebied enkel toeneemt. Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het bouwrijp maken van het plangebied

Hoofdstuk 4

38

buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen, maar doorgaans wordt een periode van 15 maart tot minimaal 15 juni gehanteerd. In deze periode mogen dus geen werkzaamheden plaatsvinden waarmee broedvogels kunnen worden gestoord. Hiermee zal bij de uitvoering van het plan rekening worden gehouden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Verlichting gericht en uitschijnend op opgaand groen en het open water dient te worden vermeden. Dergelijke verlichting wordt in het plan niet toegepast. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er derhalve geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen. Verder kunnen de lijnvormige elementen, zoals bomenrijen en sloten, langs de randen van het plangebied dienen als foerageergebied en vliegroutes voor vleermuizen. Licht schijnend of uitstralend op deze elementen dient eveneens te worden vermeden, om overtredingen te voorkomen.

Ook van dergelijke verlichting is in het plan geen sprake. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als haas, vos en veldmuis zullen in het plangebied actief zijn. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. De niet vrijgestelde soorten wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter, boommarter, eekhoorn, bever en das kunnen in het plangebied en de omgeving in principe voorkomen, maar gebleken is dat deze soorten, met uitzondering van de das, niet in het plangebied voorkomen. Gezien het kale karakter van het plangebied en het intensief gebruik als akker- en grasland betreft het hier namelijk geschikt leefgebied voor wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter en boommarter. In de omgeving is veelvuldig geschikt leefgebied aanwezig en het is niet uitgesloten dat deze soorten incidenteel binnen het plangebied voorkomen. Verblijfplaatsen zijn echter niet aanwezig. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen. Het is op voorhand niet uitgesloten dat de bever voorkomt in de aan het plangebied grenzende Tochtsloot, dan wel de watergangen in het plangebied.

Aan de watergangen in het plangebied vinden geen wijzigingen plaats. Echter is het niet uitgesloten dat de realisatie van een natuurvriendelijke oever aan de Tochtsloot zou kunnen leiden tot negatieve effecten op deze soort. Daarom is nader beschouwd of er sprake is van potentiële negatieve effecten. Uit de in de bijlagen opgenomen notitie blijkt dat dit niet het geval is. Voor de das vormt het plangebied wél een geschikt habitat. In de oostelijke hoek van het plangebied is een dassenburcht aanwezig. Deze ligt echter op ruime afstand van de gebieden waar zonnepanelen en bijbehorende voorzieningen worden opgericht (>100 meter). Ook rondom het plangebied liggen enkele dassenburchten. Het plangebied is verder deels aan te merken als essentieel (primair) foerageergebied (ca. 18,5 hectare) en deels als secundair foerageergebied (ca. 17,5 hectare). Primair foerageergebied betreft de belangrijkste habitat voor de das, daar waar jaarrond veel eetbare biomassa

Hoofdstuk 4

39

te vinden is. Dit bestaat uit oude en structuurrijke bossen, en vochtig (bemest) grasland. Bemest grasland is met name geschikt bij intensief begraasde weilanden met kort gras (idealiter maximaal 5 cm). Foerageergebied waar voedsel in lagere dichtheden te vinden is, of maar in bepaalde delen van het jaar, is secundair foerageergebied. Hieronder vallen akkers en ruigten. Afbeelding 4.1 geeft de verdeling tussen primair en secundair dassenfoerageergebied in de huidige situatie weer. Tevens is hierop het toekomstige gebruik c.q. de toekomstige inrichting aangegeven. Hieruit blijkt dat het zonnepark circa 11,7 hectare primair en ca. 6,8 hectare secundair foerageergebied beslaat. De natuur (incl. landschappelijke inpassing en extensieve dagrecreatie) beslaat in totaal 16,6 hectare binnen het plangebied. Hiervan betreft circa 6,4 hectare primair foerageergebied en circa 10,2 hectare secundair foerageergebied.

Afbeelding 4.1 indicatie primair en secundair dassenfoerageergebied in de huidige situatie, incl. toekomstige inrichting. NB: onderdeel ‘recreatie’ niet meer aan de orde in definitieve planvorming.

Omdat een overtreding van de Wnb ten aanzien van de das op voorhand niet was uitgesloten is een ontheffing aangevraagd. Hiervoor is een ontheffing Wnb verkregen (zie nader het kopje ‘Ontheffing Wet natuurbescherming’, verderop in deze paragraaf). Daar is ook beschreven op welke wijze bij de uitwerking en inrichting van het plan rekening is gehouden met de aanwezigheid van deze soort. Reptielen Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, knoflookpad, poelkikker, heikikker, boomkikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander kunnen in de omgeving voorkomen. In het plangebied gaat geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid voor deze soorten verlo-

Hoofdstuk 4

40

ren. De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Negatieve effecten op deze soortgroep kunnen worden uitgesloten. Er gaat geen oppervlaktewater verloren als gevolg van het plan. Ongewervelde soorten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Geschikt leefgebied voor dergelijke soorten ontbreekt in het plangebied. Vaatplanten Gezien het aanwezige biotoop en intensief gebruik van het plangebied is de aanwezigheid van beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke soorten zijn niet aangetroffen en niet te verwachten. Hierdoor zijn negatieve effecten eveneens uitgesloten. Ontheffing Wet natuurbescherming ten aanzien van de das Ten aanzien van de das is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd, omdat het project leidt tot het beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art. 3.10 lid 1d Wnb). De benodigde ontheffing is door de provincie Gelderland op 28 oktober 2022 verleend (kenmerk 2022-003003, opgenomen in de bijlagen).

Het plan is in dit opzicht dan ook uitvoerbaar. In het plan is zoveel als redelijkerwijs mogelijk rekening gehouden met deze soort om de negatieve effecten te minimaliseren. Hierna wordt beschreven op welke wijze dit gebeurt. Uitgangspunten behoud en/of verbetering foerageergebied das Met betrekking tot foerageergebied zijn er allereerst richtlijnen vanuit het Kennisdocument Das, om het te verwijderen leefgebied te mitigeren. Van het oppervlakte te verwijderen primair foerageergebied dient 120% nieuw leefgebied te worden ingericht en beheerd. Bij het verwijderen van secundair leefgebied betreft het 50% van de oppervlakte. Van deze richtlijn kan worden afgeweken, bijvoorbeeld door het verbeteren van knelpunten in de verbindingen van de das. Wanneer binnen het plangebied foerageergebied van de das aanwezig is, is het belangrijk om dit leefgebied in kaart te brengen. Zie hiertoe afbeelding 4.1, eerder in deze paragraaf. Belangrijk is om zoveel mogelijk primair foerageergebied te behouden, waardoor de omvang van de mitigatie kleiner blijft. Daarnaast dient het toekomstige foerageergebied op geschikte, toegankelijke locaties te liggen ten opzichte van de dassenburchten en aanwezige verbindingen. Uitgangspunt is dat er jaarrond een voldoende en een gevarieerd voedselaanbod op bereikbare afstand van de burcht aanwezig is.

In Bijlage 3 is aangegeven op welke wijze het plangebied geschikt kan blijven als foerageergebied voor de das. Hierbij is een aantal elementen van belang. Allereerst moet de inrichting van het zonnepark waarborgen dat belangrijke onderdelen van het leefgebied van de das verbonden worden, bij voorkeur middels lijnvormige beplanting in de vorm van hagen. Naast de dassenburcht in de compensatiezone in de oostkant van het plangebied, is de faunapassage nabij het maïsdoolhof ten noordoosten van het plangebied van belang, evenals de ecologische verbindingszone aan de noordwestkant

Hoofdstuk 4

41

(deze zijn beide links van het plangebied op de luchtfoto van afbeelding 4.1). Deze leefgebieden worden in het plangebied met elkaar verbonden door een netwerk van lijnvormige beplantingsstructuren (hagen, sloten), zowel rondom de clustering met panelen als tussen de velden door. Het betreft zowel noordwest-zuidoostelijke als zuidwest-noordoostelijke structuren. Met name laatstgenoemde structuren zijn van essentieel belang. De bestaande lijnvormige structuur ter plaatse van het perceel van Staatsbosbeheer wordt hierbij behouden. Met deze maatregelen blijft de onderlinge verbondenheid van het leefgebied behouden, al dan niet verbeterd ten opzichte van de haagarme huidige situatie. De das is een opportunistische alleseter, met de regenworm als favoriete maaltijd. Om de regenwormenpopulatie te stimuleren wordt, naast het plaatsen van de semi-transparante en waterdoorlatende zonnepaneelopstelling, de grond ingezaaid met een gras-klavermengsel. Naast het verhogen van de biodiversiteit in de ondergrond is het voor de das van belang om het grasland te bemesten. Aangezien het in het zonnepark door de beperkte hoogte van de opstellingen met panelen niet mogelijk is om koeien tussen de panelen te laten grazen, wordt er gekozen voor schapenbegrazing.

Voor de compensatiezone aan de kanaalzijde kan wel voor begrazing met koeien worden gekozen, aangevuld met het inzaaien van gras-klavermengsel en het aanplanten van lijnvormig haagstruweel. Om de toegang tot het complete foerageergebied te garanderen zal het hekwerk op minimaal 20 centimeter worden geplaatst. Met deze inrichtingsprincipes blijft het plangebied geschikt als leefgebied voor de das, waar deze soort voldoende voedsel kan vinden en voldoende mogelijkheden heeft om zich tussen de verschillende leefgebieden in voort te bewegen. Hoewel er weinig bekend is over het gebruik van een zonnepark door de das, zijn er wel voorbeelden bekend waar binnen het zonnepark dassenwissels en graafputjes zijn aangetroffen, en waar in een aangelegde grondwal een nieuwe dassenpijp is aangetroffen. Hierdoor lijkt het erop dat de ruimte tussen en rond de panelen geschikt is als jaarrond foerageergebied van de das. Navolgend wordt concreter per zone aangegeven op welke wijze het plangebied geschikt blijft als dassenfoerageergebied. Verbeteren foerageergebied in paneelvrije zone De mitigatie wordt allereerst opgevangen door de oppervlaktes buiten het zonnepark optimaal in te richten. Deze verbeteringsmaatregelen bestaan uit het inzaaien met inheems kruidenmengsel en het aanleggen van (lijnvormige) beplantingen.

Op de graslanden worden maatregelen genomen om de regenwormenstand te bevorderen, zoals het inzaaien van een gras-klavermengsel, beweiding door koeien of schapen, beperken van hetgeen gebruik van pesticiden, stikstofmeststoffen en grondontsmettingsmiddelen, en, indien nodig, het opbrengen van ruige stalmest. Door de actieve begrazing wordt getracht het gras niet hoger dan 5 centimeter te laten worden. Aangezien het overgrote gedeelte van het nieuw in te richten compensatiegebied aan de kanaalzone momenteel akkerland en/of zeer jong grasland is, wordt verwacht dat de nieuwe situatie een aanzienlijke verbetering vormt ten aanzien van het huidige intensief agrarische landgebruik. Hierdoor wordt de Groene Ontwikkelzone zowel voor de das geschikt leefgebied. Verbeteren en/of in standhouden foerageergebied in zonnepark Binnen het hekwerk (tussen en rond de zonnepanelen) is niet veel bekend over het gebruik door de das. De oppervlakte direct onder de zonnepanelen bereikt doorgaans geen hoge vegetatiedichtheid, en is daarmee redelijkerwijs niet zeer geschikt als foerageergebied voor de das. Echter, de toepassing

Hoofdstuk 4

42

van semi-transparante bifacial panelen is nieuw, waardoor er nog geen ecologisch onderzoek beschikbaar is om deze hypothese te meten. Gezien deze panelen het mogelijk maken om het overgrote gedeelte van de ondergrond van daglicht te voorzien, is de kans groot dat de ondergrond zich ook onder de panelen kan herstellen. Er zijn wel voorbeelden bekend waar binnen het zonnepark dassenwissels en graafputjes zijn aangetroffen, en waar in een aangelegde grondwal een nieuwe dassenpijp is aangetroffen. Hierdoor lijkt het erop dat de ruimte tussen en rond de panelen geschikt is als jaarrond foerageergebied voor de das. Het beheer van de vegetatie tussen de zonnepanelen is complexer door de smalle ruimtes tussen de panelen en de aanwezige apparatuur. Door de beperkte hoogte van de panelen kan hier niet gebruik worden gemaakt van begrazing door koeien. Begrazing door schapen wordt wel veelvuldig toegepast, maar lijkt minder geschikt dan begrazing door koeien. Desalniettemin wordt niet verwacht dat begrazing door schapen het foerageergebied zal aantasten, aangezien het inzaaien van gras-klavermengsels, in combinatie met het vermijden van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, een aanzienlijke verbetering vormen ten aanzien van het huidige intensief agrarische grondgebruik.

Behoud en verbetering van verbinding tussen leefgebieden van de das Dassen verplaatsen zich over vaste paden, wissels genoemd, welke ze generaties lang kunnen gebruiken. De wisselpaden lopen vaak langs perceelranden of landschapselementen als sloten of bosschages. Om te voorkomen dat leefgebied wordt versnipperd worden veelal faunapassages aangelegd. In het plangebied zijn diverse passages al aangelegd, zoals nabij het maïsdoolhof ten noordoosten van het plangebied, als de ecologische verbindingszone aan de noordwestkant. Om ervoor te zorgen dat het zonnepark geen nadelige invloed heeft op de verbinding van de leefgebieden van de das, wordt ervoor gezorgd dat het hekwerk minstens 20 centimeter boven het maaiveld wordt geplaatst. Daarnaast worden lijnvormige beplantingsstructuren aangebracht, zowel in noordwest-zuidoostelijke als zuidwest-noordoostelijke richting. Met name laatstgenoemde structuren zijn van essentieel belang. De bestaande lijnvormige structuur ter plaatse van het perceel van Staatsbosbeheer wordt hierbij behouden. Met deze maatregelen blijft de verbinding van het leefgebied ten minste behouden, en mogelijk verbeterd vanwege de huidige situatie met zeer weinig hagen binnen het plangebied.

Kortom, gezien de diversiteit aan maatregelen die zowel in de paneelvrije zone als in het zonnepark worden getroffen blijft het foerageergebied van de das behouden en/of verbeterd, waardoor er jaarrond een voldoende en een gevarieerd voedselaanbod op bereikbare afstand van de burcht aanwezig is. 4.8.3 Conclusie Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. De functie van de GO (ecologische verbindingszone) aan de noordwestkant wordt behouden en de ecologische waarde van de betreffende zone wordt verhoogd. Voor de GO is een versterkingsplan opgesteld conform de modellen ‘das’ en ‘hagedis’. Ten aanzien van het onderdeel soortenbescherming zijn negatieve effecten op veruit de meeste soortgroepen uitgesloten. Een uitzondering vormt de das. Het plangebied betreft deels primair en deels secundair foerageergebied voor de das. Ten aanzien van deze soort is een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd. De benodigde ontheffing is door de provincie Gelderland op 28 oktober 2022 verleend (kenmerk 2022-003003). In dit opzicht is het plan uitvoerbaar. Het plangebied wordt zo ingericht dat het geheel geschikt blijft als leefgebied voor de das, voldoende toegankelijk is en er robuuste verbindingen tussen de leefgebieden van de das worden behouden.

Hoofdstuk 4

43

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.9.2 Onderzoek Op basis van het Besluit Bodemkwaliteit en Regeling Bodemkwaliteit betreft een zonnepark geen gevoelige functie. Verder betreft een zonnepark ook geen bodembedreigende functie. Ook is er slechts beperkt sprake van bodemroerende werkzaamheden voor de realisatie van de zonnepanelen en bijbehorende voorzieningen. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.9.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Rivierenland. Rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Hoofdstuk 4

44

Provinciaal beleid In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen er voor 2027 (en eerder 2015) liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Heumen maakt onderdeel uit van het beheergebied Rijk van Maas en Waal. Kerntaken van het waterschap zijn:  Dagelijks beheer van water en dijken;  Beschermen tegen overstromingen;  Water eerlijk verdelen;  Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie);  Werken aan schoon water;  Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur.

Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven. Keur Waterschap Rivierenland 2014 Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht.

Hoofdstuk 4

45

4.10.2 Onderzoek Algemeen Het planvoornemen betreft de realisatie van een zonnepark met een oppervlakte van ca. 22 hectare. In de huidige situatie is het plangebied geheel onbebouwd en onverhard. Het plan heeft daarmee mogelijk relevante gevolgen voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van het plan is door de initiatiefnemer de digitale watertoets ingevuld (zie bijlage 5). Hieruit is gebleken dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat er nader overleg met het waterschap moet plaatsvinden bij de voorbereiding van het plan. Het waterschap heeft in het voorjaar van 2022 advies uitgebracht over het plan en een aantal opmerkingen gemaakt. Deze zijn verwerkt in het projectplan, dat als basis voor het voorliggende bestemmingsplan dient. De waterhuishoudkundige situatie zal door de realisatie van het zonnepark niet tot nauwelijks wijzigen. Onder de zonnepanelen wordt geen gesloten verharding aangelegd; het regenwater kan onbelemmerd infiltreren. Toekomstige verharding, die tot versnelde afvoer van hemelwater leidt, bestaat enkel uit een aantal nutsgebouwtjes, opstelplaatsen voor de brandweer en paden. Voor de paden is de materialisatie nog niet bekend en wordt worst case uitgegaan van volledige verharding. Het toekomstige verhard oppervlak is:  Paden ca. 5.847 m²;  Opstelplaatsen ca. 180 m²;  Nutsgebouwtjes ca. 158 m².

Totaal verhard oppervlak = 6.185 m². Voor deze toename van verhard oppervlak is een compensatieplicht aan de orde. Voor berekening van de benodigde waterberging voor ruimtelijke ontwikkelingen is in principe de bui T=10+10% maatgevend. Daarbij geldt als vuistregel van het waterschap Rivierenland dat er 436 m³ waterberging nodig is per hectare verharding. In casu betekent dit een waterbergingsopgave van (afgerond) 270 m³. Deze vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water. Dat is hier het geval. De verbreding van de Tochtsloot door middel van een natuurvriendelijke oever over de gehele noordoostkant aan de zijde van het plangebied (zie hierna onder ‘oppervlaktewater’), leidt tot ruimschoots voldoende compensatie. Het profiel van de Tochtsloot wordt over een lengte van ca. 600 meter aangepast, waarbij per meter ca. 5,5 m³ extra waterbergingsruimte ontstaat bij vergelijking tussen het bestaande nieuwe profiel. De totale extra waterberging komt daarmee op ca. 3.300 m³ en overstijgt de benodigde watercompensatie ruimschoots. De panelen en de constructie worden uitgevoerd met niet-uitloogbare materialen. Daarnaast zullen de panelen middels een kliksysteem worden bevestigd, waardoor regenwater tussen de kieren van de panelen kan druipen. Dat zorgt voor een meer evenredige verspreiding van water onder de tafels met panelen.

Oppervlaktewater Aan de zuidwestkant van het plangebied ligt een A-watergang (Tochtsloot), die tevens als KRW-watergang is aangemerkt. De bijbehorende onderhoudsstrook met een breedte van 5 meter reikt over het plangebied. Binnen deze zone worden geen zonnepanelen en bijbehorende voorzieningen bij het zonnepark geplaatst. Ook wordt geen beplanting aangebracht, die het onderhoud van de watergang belemmert, maar wordt een natuurvriendelijke oever gerealiseerd. De onderhoudsstrook is op de verbeelding middels een dubbelbestemming bestemd. Hiermee zijn de belangen van de watergang geborgd. Nieuwe ontwikkelingen mogen geen nadelige effecten hebben op KRW-watergangen en even-

Hoofdstuk 4

46

tuele maatregelen tot verbetering van deze waterlichamen niet belemmeren. De aanleg van een natuurvriendelijke oever, zoals hierna wordt beschreven, is in dit opzicht positief. Daarnaast wordt bij de keuze voor de materialisatie van de onderhoudspaden van het zonnepark gelet op het voorkomen van negatieve effecten in de vorm van bijvoorbeeld het neerkomen van steentjes in het watergangenstelsel. Ook anderszins zijn geen negatieve effecten aan de orde. De watergang zal aan de zijde van het plangebied worden voorzien van een natuurvriendelijke oever, die in overeenstemming met het waterschap wordt ingericht en door de initiatiefnemers wordt aangelegd. Hiervoor wordt een watervergunning aangevraagd. Deze kan gelet op het overleg met het waterschap naar verwachting worden verleend. In het landschappelijke inpassingsplan in de bijlagen is aangegeven waar de natuurvriendelijke oever wordt gerealiseerd. Een profiel daarvan is weergegeven in bijlage 2 en in afbeelding 4.2. Deze oever sluit aan op de al door het waterschap gerealiseerde natuurvriendelijke oever direct ten noorden van het plangebied. Zoals op het profiel zichtbaar is, wordt voorzien in een strook van 5 meter breedte tussen de natuurvriendelijke oever en de struweelhaag. Hiermee blijft onderhoud aan de watergang mogelijk.

Afbeelding 4.2: profiel natuurvriendelijke oever aan de Tochtsloot (rechts van de watergang behoort tot het plangebied), zie voor een beter leesbare weergave bijlage 2, profiel 10

De entree tot het zonnepark kruist de A-watergang ter plaatse van een nieuw te realiseren brug. Tevens zijn binnen het plangebied en aan de randen daarvan meerdere B- en C-watergangen aanwezig. Dit betreft in totaal 5 B-watergangen, die in noordoost-zuidwestelijke richting het plangebied doorkruisen en die grofweg tussen de Westerkanaaldijk en de Tochtsloot lopen. Deze B-watergangen blijven intact. Bij de opstelling van de zonnepanelen en de profielen in het landschapsplan is rekening gehouden met de aanwezigheid van deze watergangen. Op enkele plaatsen kruisen de onderhoudspaden van het zonnepark de B-watergangen. De functionaliteit en de mogelijkheden tot onderhoud en beheer van de watergangen worden niet belemmerd, omdat duikers worden gerealiseerd op de plekken waar de onderhoudspaden de watergang doorkruisen. Binnen het plangebied is één C-watergang aanwezig, die een verbinding vormt tussen 2 van de voornoemde B-watergangen (watergang 095863). Ook de C-watergang wordt behouden en enkel op één punt doorkruist door een onderhoudspad, waar een duiker wordt voorzien. De watergang kan op de huidige wijze blijven functioneren. Tot slot zijn in het noordoostelijk deel van het plangebied enkele C-watergangen aanwezig aan de randen van het plangebied.

In de nabijheid van deze watergangen zijn geen zonnepanelen en andere ingrepen beoogd, die mogelijk effect op het functioneren van deze watergangen hebben. Voor de watergangen binnen het plangebied, alsmede voor de te realiseren natuurvriendelijke oever, wordt een beheers- en onderhoudsplan opgesteld. Het gedetailleerde plan wordt uitgewerkt ten behoeve van de aan te vragen watervergunning. Het is aannemelijk dat de benodigde watervergunning kan worden verleend.

Hoofdstuk 4

47

Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. 4.10.3 Conclusie In het kader van dit plan is de reguliere watertoetsprocedure doorlopen en heeft vroegtijdig afstemming met het waterschap plaatsgevonden. Met de opmerkingen van het waterschap is rekening gehouden in het projectplan, dat in dit bestemmingsplan doorvertaald is. Hoewel de realisatie van het zonnepark tot een forse toename van verhard oppervlak leidt, worden de waterbelangen niet onevenredig geschaad. De toename aan verhard oppervlak wordt ruimschoots gecompenseerd door de aanleg van de natuurvriendelijke oever aan de noordoostkant van de Tochtsloot. Bovendien kan het regenwater onbelemmerd infiltreren. Het plan houdt op een goede wijze rekening met de waterstaatsbelangen, waarbij de inrichting van het gebied bijdraagt aan het waterbergend vermogen van het plangebied. Voor de realisatie van de natuurvriendelijke oever is een watervergunning benodigd. Gelet op de met het waterschap gevoerde afstemming is de verwachting dat deze verleend kan worden.

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Het archeologisch beleid van de gemeente Heumen is vertaald in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen enkele zones waar een archeologische verwachtingswaarde van toepassing is.

Hier geldt in het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’. Bij (bouw)werkzaamheden, waarbij grondbewerkingen dieper dan 0,40 meter onder maaiveld plaatsvinden en over een oppervlakte van meer dan 2.500 m², geldt een onderzoeksverplichting in combinatie met een omgevingsvergunningplicht. Binnen de zones met de bestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ wordt deze drempelwaarde niet overschreden. Voor de aanleg van het zonnepark zijn relatief beperkte grondingrepen benodigd. De verstoorde oppervlakte met

Hoofdstuk 4

48

een diepte van 0,40 m of meer voor het totale project wordt ingeschat op ca. 1.900 m². Slechts een deel daarvan ligt binnen de zones met de bestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’. Hierdoor is nader onderzoek in beginsel niet noodzakelijk. Zorgvuldigheidshalve is niettemin een archeologisch bureau-onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de voornaamste bevindingen besproken. Op basis van het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied bewoonbaar is geweest voor jagers-verzamelaars vanaf het laat-paleolithicum en vanaf het neolithicum voor landbouwers. Eventuele archeologische resten kunnen vooral worden verwacht op de laat-pleistocene rivierterrasvlakte en kunnen worden aangetroffen vanaf de bouwvoor tot in de top van de Maasterrasafzettingen (zandondergrond). Er geldt een middelhoge archeologische verwachting voor het aantreffen van resten vanaf het laat-paleolithicum tot en met het neolithicum. De archeologische verwachting is in de rapportage in de bijlage per periode gespecificeerd. Indien voor de aanleg van wegen, kabels en struweel dieper dan 0,4 m beneden maaiveld gegraven gaat worden binnen de delen met een middelhoge archeologische verwachting, is geadviseerd een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit te voeren (boorkernenonderzoek).

Dit onderzoek zal worden uitgevoerd voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In het ontwerpbestemmingsplan wordt de huidige dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 2’ gehandhaafd. 4.11.3 Conclusie Op basis van het uitgevoerde archeologische bureau-onderzoek geldt binnen delen van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor het aantreffen van resten vanaf het laat-paleolithicum tot en met het neolithicum. Indien voor de aanleg van wegen, kabels en struweel dieper dan 0,4 m beneden maaiveld gegraven gaat worden binnen de delen met een middelhoge archeologische verwachting, is een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen geadviseerd. Voor onderhavige bestemmingsplanwijziging is dit aspect voldoende onderzocht. De huidige archeologische dubbelbestemming wordt gehandhaafd in het ontwerpbestemmingsplan.

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13926559/1