Bijlage I Ontwerp Bestemmingsplan Zonnepark Teerse Sluispolder – versie 26 oktober
Tekst van het document
Bestemmingsplan Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder Gemeente Heumen Ontwerp
Bestemmingsplan Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder Gemeente Heumen Ontwerp
Rapportnummer:
P04854
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0252.BUbpZonneparkTSP-OW01
Datum:
18 oktober 2023
Opdrachtgever:
GroenLeven
Projectteam BRO:
JvdA, RTa, MvdS, IBl
Concept:
december 2021, november 2022
Voorontwerp:
april 2023
Ontwerp:
oktober 2023
Vaststelling: Bron foto kaft:
Sebastian Ganso via Pixabay
Beknopte inhoud:
Realisatie van een zonnepark, inclusief landschappelijke inpassing en ecologische voorzieningen in de Teersche Sluispolder te Heumen.
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
TOELICHTING
Hoofdstuk 6
62
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 5 5 6
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie
6 7
2.1.1 Begrenzing plangebied 2.1.2 Beschrijving huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
7 8 11
2.2.1 Achtergrond van het initiatief 2.2.2 Beschrijving van het initiatief
11 11
3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
18 18
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.4 Klimaatakkoord 3.2 Provinciaal beleid
18 19 19 20 21
3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland 3.2.3 Gelders energie akkoord 3.3 Gemeentelijk beleid
21 22 25 26
3.3.1 Structuurvisie Heumen 2025 3.3.2 Gebiedsplan Energielandschap A73 Heumen
26 27
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
29 29
4.1.1 Verkeer 4.1.2 Parkeren 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid
29 29 29 29
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie
Inhoudsopgave
29 30 30
1
4.3 Luchtkwaliteit
31
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
31 31 31 31
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur agrarisch
31 32 33 33
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen
33 33 34 34
4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Externe veiligheid
34 34 34 34
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie
34 35 35 35
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Bodem
35 37 43 44
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water
44 44 44 44
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Archeologie
44 46 48 48
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Cultuurhistorie
48 48 49 49
4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Explosieven
49 50 50 50
4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie
50 50 50
Inhoudsopgave
2
4.14 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.15 Reflectie en duisternis 4.16 Afweging belangen
51 52 52
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen
54 54 54 55
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
57 57 57
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Vaststellingsprocedure 6.2.4 Beroep
58 59 59 60
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Kaart landschapsplan en dwarsprofielen Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Aanvullende notitie Flora en Fauna Bijlage 5: Advies beheer en inrichting zonneparken t.b.v. das Bijlage 6: Ontheffing Wet Natuurbescherming Bijlage 7: Berekening en invulling versterking GO Bijlage 8: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 9: Digitale watertoets Bijlage 10: Archeologisch onderzoek Bijlage 11: Onderzoek explosieven Bijlage 12: M.e.r.-notitie Bijlage 13: Projectplan Zonnepark Teersche Sluispolder Bijlage 14: Verslag inloopbijeenkomst
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding De toename in uitstoot van broeikasgassen (waaronder CO 2) brengt negatieve gevolgen voor ons klimaat met zich mee. De temperatuurstijging die hier mee gepaard gaat zorgt o.a. voor steeds frequentere extreme klimatologische gebeurtenissen als hevige regenbuien, langdurige droogteperiodes en zeespiegelstijging. Om klimaatverandering een halt toe te roepen is in 2015 door de Rijksoverheid op de VN-klimaattop in Parijs ingestemd met een internationaal klimaatakkoord. Het akkoord heeft als doel: de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. In 2019 is hierover door de Eerste Kamer de Klimaatwet aangenomen. De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. Het streven is naar 95% minder CO 2 uitstoot in 2050 met als tussenstation 49% in 20301. Dit jaar nog zijn de EU lidstaten overeengekomen dat de uitstoot in de periode tot 2030 verder beperkt moet worden tot maar liefst 55% ten opzichte van 1990. Een aanscherping die past bij de conclusie dat overheden actiever maatregelen moet nemen, uit het onlangs gepubliceerde IPCC-rapport. De gemeente Heumen heeft de ambitie om in de periode tot en met 2030 in totaal voor 40 hectare aan zonneparken binnen haar gemeentelijk grondgebied te realiseren in het kader van de noodzakelijke energietransitie.
Om invulling aan deze ambitie te geven is de locatie Teersche Sluispolder, gelegen ten noordwesten van Malden, heeft de gemeente een tender uitgeschreven voor de realisatie van een zonnepark van ca. 20 hectare groot. Het planvoornemen is door GroenLeven, in samenwerking met de gemeente Heumen, Enovos Green Power Nederland en twee lokale grondeigenaren, nader uitgewerkt. Het wordt door één initiatiefnemer, GroenLeven (hierna ook te noemen: initiatiefnemer), ingediend. Bij de ontwikkeling van het plan is door initiatiefnemer, in samenspraak met de gemeente, ruim aandacht geschonken aan de landschappelijke inpassing, recreatief medegebruik, natuurwaarden en compensatie. De realisatie van een zonnepark is niet mogelijk binnen de ter plaatse geldende (agrarische) bestemmingen. Om het planvoornemen mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan, dan wel een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan, noodzakelijk. In dit geval is gekozen voor een herziening van het bestemmingsplan, waarbij de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen gecoördineerd wordt aangevraagd. Dit betekent dat de omgevingsvergunning voor het bouwen parallel loopt met de herziening van het bestemmingsplan. Op 16 december 2021 is tot toepassing van de gecoördineerde procedure besloten. Onderhavig bestemmingsplan geeft nieuwe kaders voor het bebouwen en gebruiken van de gronden.
In de voorliggende toelichting wordt het initiatief verantwoord.
1
Als er gesproken wordt over vermindering dan is dat in vergelijking met de situatie in 1990
Hoofdstuk 1
4
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Heumen, ten noordwesten van Malden en ten zuiden van Nijmegen. Het gebied ligt tussen de Westerkanaaldijk aan de noordoostzijde (gelegen parallel aan het Maas-Waalkanaal) en de Burchtselaan aan de zuidwestzijde, met ca. 200 meter verderop de A73. Ten noordwesten van het plangebied ligt een bosgebied. Ten zuidoosten van het plangebied liggen voornamelijk agrarische gronden. Op afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied in groter verband weergegeven.
Nijmegen
Wijchen
Malden
Heumen
Molenhoek
Overasselt Afbeelding 1.1: ligging plangebied (bron: Bing Maps)
De percelen maken onderdeel uit van het aangewezen zoekgebied Energielandschap A73, voortgekomen uit het proces van de ‘ontwerp ruimtelijke visie duurzame energie’ waarin verkend is op welke plekken binnen het grondgebied van de gemeente grootschalige opwek het best zou kunnen landen.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’ van toepassing. Dit plan is vastgesteld op 16 december 2010 en is thans geheel onherroepelijk. In het plangebied zijn de volgende bestemmingen van toepassing: Enkelbestemming ‘Agrarisch’ (gehele plangebied, uitgezonderd meest noordwestelijke perceel; Enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap en natuur’, inclusief gebiedsaanduiding ‘ehs natuur’, op het meest noordwestelijke perceel;
Hoofdstuk 1
5
Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ (gedeeltelijk). Afbeelding 1.2 geeft een weergave van de huidige bestemmingen weer. De realisatie van een zonnepark is niet mogelijk binnen de huidige bestemmingen. Hiervoor is een herziening van het bestemmingsplan gewenst.
Afbeelding 1.2: uitsnede huidig bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van de huidige situatie en van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.1.1 Begrenzing plangebied Het plangebied beslaat een gebied van ca. 36 hectare in het buitengebied van de gemeente Heumen, ten noordwesten van Malden en ten zuiden van Nijmegen. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Heumen, sectie I, perceelnummers 7, 8, 9 (ged.), 11, 12, 13 (ged.), 897 en 1052. De percelen 7, 8, 9, 11, 897 en 1052 zijn in particulier eigendom. Perceelnummer 12 is in eigendom van Staatsbosbeheer en perceelnummer 13 in eigendom van de gemeente Heumen. Afbeelding 2.1 geeft de kadastrale situatie weer.
9 11 1052 12
897
7
8 13
Afbeelding 2.1: kadastrale situatie en begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het gebied ligt tussen de Westerkanaaldijk, die parallel aan het Maas-Waalkanaal loopt, aan de noordoostzijde en de Burchtselaan aan de zuidwestzijde, met ca. 250 meter verderop de A73. Aan de noordoostkant grenst het plangebied tevens aan een agrarische bedrijfslocatie, een cluster met 5 recent gebouwde woningen aan de Westerkanaaldijk en het maïsdoolhof Malden. Aan de zuidwestkant vormt een A-watergang langs de Burchtselaan de grens van het plangebied. Ten noordwesten van het plangebied ligt het bosgebied Hatertse Broek, dat grenst aan de wijk Weezenhof aan de zuidkant van
Hoofdstuk 2
7
Nijmegen. Ten westen, zuiden en zuidoosten van het plangebied liggen voornamelijk agrarische gronden, afgewisseld met andere functies, zoals natuur, een landgoed, een bovengrondse hoogspanningsverbinding en een bedrijfsperceel. 2.1.2 Beschrijving huidige situatie Het plangebied zelf bestaat in de huidige situatie vrijwel volledig uit agrarisch percelen. Het perceel van Staatsbosbeheer (perceelnummer 12), dat het gebied tussen de Westerkanaaldijk en de Burchtselaan doorkruist over een breedte van ca. 7 meter, vormt hierop een uitzondering. Dit perceel is ingericht met opgaand groen (meidoorn). De omliggende agrarische percelen zijn deels als akkerland en deels als weiland/grasland ingericht. Dit gebruik wijzigt per afzonderlijk perceel in de loop der jaren van tijd tot tijd, zie ook afbeelding 2.3. Het meest noordwestelijke perceel (nr. 1052) maakt onderdeel uit van de provinciale Groene Ontwikkelzone (GO), zie hierover nader par. 3.2.
Afbeelding 2.2: luchtfoto plangebied en directe omgeving (bron: Google Maps)
Hoofdstuk 2
8
2011
2013
2015
2017
Afbeelding 2.3: grondgebruik plangebied en omgeving door de jaren hen (bron: topotijdreis.nl)
Het plangebied is in de huidige situatie geheel onbebouwd. Er is ook geen verharding aanwezig. In afbeeldingen 2.4 tot en met 2.6 is een beeld van de huidige situatie in het plangebied opgenomen.
Hoofdstuk 2
9
Afbeelding 2.4: weilanden, greppel en solitaire boom centraal in het plangebied (bron: BRO)
Afbeelding 2.5: zicht over het plangebied vanaf zijde Westerkanaaldijk (bron: BRO)
Afbeelding 2.6: zicht op plangebied aan noordwestzijde (bron: BRO)
Hoofdstuk 2
10
2.2 Toekomstige situatie 2.2.1 Achtergrond van het initiatief Om te kunnen voldoen aan de maatregelen die voortvloeien uit het internationaal klimaatakkoord uit 2015 heeft de gemeente Heumen, middels een routekaart, de ambitie gesteld in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn. Om dit te bereiken zet de gemeente in op de volgende speerpunten: energiebesparing; kleinschalige energieopwekking; grootschalige energieopwekking. Het initiatief voor de realisatie van een zonnepark op de onderhavige locatie komt voort uit de ambitie van de gemeente Heumen om in de periode tot en met 2030 in totaal voor 40 hectare aan zonneparken binnen haar gemeentelijk grondgebied te realiseren om daadwerkelijk invulling te geven aan het laatstgenoemde speerpunt ‘grootschalige energieopwekking’. Op 24 september 2020 heeft de gemeenteraad van Heumen vastgesteld dat ingezet zal worden op de realisatie van ca. 20 hectare zonnevelden op de locatie Teersche Sluispolder. Op basis van dit besluit is in januari 2021 een tender uitgeschreven. Initiatiefnemer heeft hierop ingeschreven en een projectvoorstel ingediend. Het initiatief betreft feitelijk een samenvoeging van twee lokale initiatieven van twee lokale grondeigenaren in het gebied. Het initiatief ziet niet alleen op de realisatie van een zonnepark, maar ook op de daarbij behorende landschappelijke inpassing en natuurcompensatie (zie nader par.
2.2.2). Het college heeft vervolgens op 8 juni 2021 besloten principemedewerking te verlenen aan verdere uitwerking van dit plan. De twee lokale grondeigenaren hebben in samenwerking met initiatiefnemer GroenLeven en Enovos Green Power Nederland een integraal initiatief ontwikkeld, waarbij tevens nauw overleg met betrokken stakeholders uit de omgeving is gepleegd. Het streven is om Zonnepark Teersche Sluispolder onder te brengen in 50% lokaal eigendom (voor het plandeel van initiatiefnemer GroenLeven is het streven 100%). Om daar invulling aan te geven is tijdens de initiatieffase de samenwerking opgestart met Energie Coöperatie Heumen (ECH). Zij streven naar een mede-eigenaarschap van Zonnepark Teersche Sluispolder van minimaal 50%. Hiertoe is inmiddels een Letter of Intent tussen beide partijen gesloten, die nog verder zal worden uitgewerkt door middel van een samenwerkingsovereenkomst. 2.2.2 Beschrijving van het initiatief Beschrijving op hoofdlijnen Het plangebied kent een oppervlakte van ca. 36 ha, waarbinnen een zonnepark wordt gerealiseerd met een oppervlak van 22 ha (oppervlakte betreft de zonnepanelen incl. tussenruimten). De overige gronden worden ingezet als natuurcompensatie en bieden ruimte voor de landschappelijke inpassing. Dit laatste is met name gericht op de instandhouding van het leefgebied van de in deze omgeving veel voorkomende das.
De panelen worden in lijn met de bestaande verkavelingspatronen gerealiseerd in een zuidopstelling. Afbeelding 2.7 geeft de positionering van de panelen indicatief weer (zie bijlagen 1 en 2 voor een betere weergave van deze afbeelding). Aan de zuidwestkant van het gebied wordt een inkoopstation voorzien, dat een bouwhoogte van (maximaal) 4 meter krijgt overeenkomstig het gebiedsplan Heu-
Hoofdstuk 2
11
men. Verder komen er meerdere transformatoren in het gebied. Het gebied met panelen zal op minimaal 285 meter afstand van het Maas-Waalkanaal gerealiseerd worden, om hiermee voldoende afstand ten opzichte van de omwonenden aan de Westerkanaaldijk te creëren. Dit is 35 meter meer dan de minimaal voorgeschreven afstand op basis van de tender. Daarnaast geeft het de mogelijkheid om een robuuste zone tussen het kanaal en de panelen te creëren waardoor het open agrarische landschap behouden blijft. Door de gekozen opstelling, waarbij de panelen zoveel mogelijk richting het zuidwesten (zijde A73) zijn gepositioneerd, wordt de impact op het uitzicht voor de omwonenden zoveel mogelijk beperkt. Doordat er ook twee percelen van de gemeente voor het zonnepark (gedeeltelijk) beschikbaar zijn, kan een nog grotere afstand in acht worden genomen. De omliggende gronden worden landschappelijk ingepast en natuurlijk ingericht. Deze aspecten worden hierna separaat toegelicht. Het zonnepark wordt gedurende 25 jaar aansluiting op het elektriciteitsnet geëxploiteerd en zal daarna worden ontmanteld. De instandhoudingstermijn van het zonnepark en de landschappelijke inpassing is 25 jaar.
Afbeelding 2.7: Inrichtingsplan toekomstige situatie met opstelling zonnepanelen indicatief weergegeven; zie weergave in betere kwaliteit, inclusief legenda, in bijlage 2
Opstelling van zonnepanelen De zonnepanelen worden ingericht met een zuidopstelling, waarbij telkens 3 panelen portret worden geplaatst. De panelen krijgen, inclusief plaatsingsconstructie, een hoogte van 2,5 meter. Afbeelding 2.8 geeft een dwarsdoorsnede weer van de opstelling van de panelen.
Hoofdstuk 2
12
Om de bodemkwaliteit te borgen wordt er gekozen voor gedeeltelijk transparante bifacial panelen, die ervoor zorgen dat 6-9% van het zonlicht de grond raakt (zie afbeelding 2.9 voor beeldvorming van lichtdoorval tussen zonnecellen van bifacial paneel). Dat lijkt weinig, maar is voldoende om gedurende de dag 90% van de grondoppervlakte van zonlicht te voorzien, wat essentieel is voor de ontwikkeling van diverse flora en fauna onder de panelen. Daarnaast zullen de panelen middels een kliksysteem worden bevestigd, waardoor regenwater tussen de kieren van de panelen kan druipen. Dat zorgt voor een meer evenredige verspreiding van water onder de constructies met panelen. Ook wordt er gekozen om de constructies met panelen op twee meter afstand van elkaar te plaatsen, zodat de gras-klavermengsels tussen de panelen voldoende zonlicht verkrijgen om tot bloei te komen. Deze combinatie van maatregelen draagt bij aan het in stand houden en/of verbeteren van de bodemkwaliteit, wat essentieel is voor de kwaliteit van het foerageergebied van de das en het bevorderen van de algehele biodiversiteit.
Afbeelding 2.8: dwarsprofiel opstelling panelen
Afbeelding 2.9: beeldvorming van lichtdoorval tussen zonnecellen van bifacial zonnepaneel
Hoofdstuk 2
13
Ecologische uitgangspunten Het aspect ecologie vormt een centraal thema bij de ontwikkeling van zonneparken in het algemeen en voor de onderhavige ontwikkeling in het bijzonder. Zo ligt het meest noordwestelijke perceel (perceelnummer 1052) binnen een ecologische verbindingszone en de provinciale Groene Ontwikkelingszone. Binnen de Groene Ontwikkelingszone aan de noordwestkant van het plangebied wordt maximaal 50% van de betreffende zone ingericht als zonnepark. De overige 50% zal worden ingericht met robuuste natuur (begraasd grasland met gras-klavermengsel met lijnvormig haagstruweel), die de ecologische waarde van het perceel aanzienlijk vergroot. Zie hierover uitgebreid par. 3.2.2. Het overige plangebied is niet aangemerkt als Groene Ontwikkelzone, maar vormt, ondanks het intensieve agrarische gebruik van de grond, een belangrijk leefgebied voor de das. Aan de oostkant van het plangebied op perceel 897 aan de Westerkanaaldijk is een dassenburcht gesitueerd (zie afbeelding 2.10 groen omcirkeld). Deze ligt binnen het compensatiegebied en niet binnen het gebied waar panelen worden voorzien. Verder bestaat het plangebied uit primair en secundair foerageergebied voor de das. Het is daarom noodzakelijk dat het plangebied geschikt blijft als leefgebied voor de das. Hierop wordt in de paragraaf ‘ecologie’ (par. 4.8) nader ingegaan.
Afbeelding 2.10: locatie dassenburcht in plangebied
Landschappelijke inpassing De ontwikkeling van nieuwe grootschalige zonneparken op land heeft een impact op het landschap. Een zorgvuldige landschappelijke inpassing is dan ook vereist, waarbij het belangrijk is te kijken naar de wijze waarop logisch aangesloten kan worden bij de kenmerken van de omgeving. Daarom is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, dat vergezeld gaat van een uitvoerige toelichting op de uitgangspunten en randvoorwaarden. De uitwerking hiervan wordt navolgend beknopt beschreven. Voor een volledige beschouwing wordt verwezen naar de bijlage. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing en inrichting is uitgegaan van een beschouwing op drie nauw met elkaar samenhangende schaalniveaus, te weten: het landschap, de kavel en het object. Per schaalniveau zijn ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld, met het Gebiedsplan Energielandschap A73 als leidraad, om te komen tot een goede landschappelijke inpasbaarheid van het zonnepark.
Hoofdstuk 2
14
De landschappelijke inpassing is in afbeelding 2.11 weergegeven. Na de afbeelding worden de voornaamste inrichtingsmaatregelen beschreven en toegelicht. Voor een uitvoerige toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting.
Afbeelding 2.11: landschappelijke inpassing en toekomstige inrichting
Hoofdstuk 2
15
Bufferzone noordoostzijde Het (noord)oostelijk gedeelte van het plangebied, dat is gelegen aan de Westerkanaaldijk, dient als een bufferzone tussen het Maas-Waalkanaal en de velden waar zonnepanelen worden opgericht. Hiermee wordt voldoende afstand ten opzichte van de omwonenden aan de Westerkanaaldijk gecreeerd. Daarnaast geeft dit de mogelijkheid om een robuuste zone tussen het kanaal en de panelen te creëren waardoor het open agrarische landschap behouden blijft. Dit gebied wordt ingezet en ingericht als compensatiegebied voor de das. Binnen dit gebied worden gras-klavermengsels ingezaaid, mogelijk aangevuld met inheems kruidenmengsel, en wordt haagstruweel, specifiek gericht op de das, gerealiseerd. Het grotendeels open karakter blijft hiermee behouden en de ecologische waarde op basis van de voorgaand beschreven uitgangspunten wordt aanzienlijk vergroot. De dassenburcht, die binnen deze zone aan de oostkant ligt, wordt behouden. De hagenstructuur sluit aan op deze burcht. Randen Langs de noordoostelijke rand van het zonnepark zal tevens een robuuste landschappelijke inpassing worden gerealiseerd, bestaande uit meerdere onderdelen. In afbeelding 2.12 is hiervan een dwarsdoorsnede opgenomen. De breedte is minimaal 10 meter.
De velden met zonnepanelen worden hier verder begeleid door robuuste haagstructuren, die enerzijds het zicht vanuit de woningen aan de Westerkanaaldijk ontnemen en anderzijds voor verbindingen tussen de leefgebieden van de das zorgt.
Afbeelding 2.12: dwarsdoorsnede robuuste landschappelijke inpassing en bufferzone noordoostzijde van het zonnepark
Ook de overige randen van de zonnevelden worden ingepast met hagen, die enerzijds van voldoende hoogte zijn om het zicht op de panelen grotendeels te ontnemen, maar anderzijds niet te hoog om de netto opbrengst van de zonnepanelen te verminderen. Hierbij krijgen de hagen aan de zuidoostkant in ieder geval een hoogte van ca. 4 meter en een breedte van 10 meter. De onderhoudszone ten opzichte van de watergang aan de zuidwestkant van het plangebied wordt hierbij gerespecteerd. De landschappelijke inpassing aan de randen is minimaal 10 meter breed. Voor de Groene Ontwikkelingszone geldt een breedte van minimaal 25 meter (zie hierna). Aan de zuidwestzijde van het plangebied zal de watergang (Tochtsloot) worden voorzien van een natuurvriendelijke oever. Zie daarover ook par. 4.10 (waterparagraaf). Groene Ontwikkelingszone De Groene Ontwikkelingszone aan de noordwestkant van het plangebied wordt voor de helft ingevuld met zonnepanelen en de andere helft wordt als compensatiegebied voor de das ingericht. De breedte van de landschappelijke inpassing is minimaal 25 meter. Binnen deze zone worden, net als in de bufferzone, gras-klavermengsels ingezaaid, mogelijk aangevuld met inheems kruidenmengsel, en wordt haagstruweel, specifiek gericht op de das, gerealiseerd. De huidige beperkte ecologische waarde van de ecologische verbindingszone wordt hiermee aanzienlijk versterkt.
Meer informatie over de invulling van de Groene Ontwikkelingszone is te vinden in par. 3.2.2 van deze toelichting.
Hoofdstuk 2
16
Inpassing tussen en onder de zonnepanelen De landschappelijke inpassing richt zich niet alleen op de buitenranden van het zonnepark en het plangebied. Voor het behoud van voldoende (ecologische) waarde van het gebied is het ook van belang dat de juiste keuzes worden gemaakt bij de inrichting van de velden met zonnepanelen en de ruimtes daartussen. Naast de al eerder beschreven keuze voor gedeeltelijk transparante bifacial panelen, die ervoor zorgen dat 6-9% van het zonlicht de grond raakt, wordt hieraan invulling gegeven door lagere haagstructuren tussen de velden met zonnepanelen te realiseren, die geschikt zijn als leefgebied voor en verbinding met andere leefgebieden van de das. Onder de panelen worden gras-klavermengsels en/of inheemse kruidenmengsels ingezaaid. De meidoornhaag op het perceel van Staatsbosbeheer wordt behouden. Door deze combinatie van inrichtingsmaatregelen wordt de bodemkwaliteit op peil gehouden en de ecologische waarde van het gebied behouden dan wel versterkt. Beheer, onderhoud en beweiding Om de beoogde effecten van de voorgestelde inpassings- en inrichtingsmaatregelen te kunnen laten slagen, is een doelmatig beheer en onderhoud van het gebied cruciaal. In de bijlagen bij het landschappelijk inpassingsplan is voor de diverse landschapselementen een richtlijn voor aanplant, sortiment en beheer opgenomen.
Het beheer en onderhoud wordt op een zo natuurlijk mogelijke wijze voorzien door middel van beweiding. Op het zonnepark zelf zal dit met schapen gebeuren, omdat de zonnevelden voor koeien niet geschikt (want te laag) zijn. Het grasland wordt hierdoor voldoende kort gehouden, zodat het zonnepark efficiënt blijft functioneren. Bemesting bevordert daarnaast de bodemkwaliteit en ecologische waarde. Hoewel het positieve effect bij beweiding met runderen groter is, kleven aan schapenbeweiding meer dan voldoende voordelen. In de natuurcompensatiezones aan de noordoost- en noordwestkant van het plangebied kan beweiding (ook) door koeien plaatsvinden. De initiatiefnemer draagt zorg voor het beheer van de planlocatie en het zonnepark. De landschappelijke inpassing (hagen en hekwerk) wordt tijdens de hele exploitatieperiode goed en voldoende intensief onderhouden. De hagen krijgen de eerste jaren tijdens droogte voldoende water zodat zij tot de gewenste hoogte kunnen uitgroeien. De hagen worden onderhouden op de onderhoudshoogte zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan, waarbij de hagen rondom het eigenlijke zonnepark aan de zijde van de Westerkanaaldijk en de zuidoostzijde een beheerhoogte van minstens 4 meter hebben. De hagen buiten het zonnepark worden op een zodanige hoogte onderhouden dat het uitzicht niet onnodig wordt beperkt.
Deze hoogten zijn opgenomen in de profielen. De maai- en snoeifrequentie wordt hierop afgestemd. De natuurvriendelijke oever wordt beheerd in afstemming met het waterschap. Verder is het zonnepark voldoende toegankelijk voor controle en onderhoud. Het is niet nodig hiervoor permanente parkeervoorzieningen te realiseren. Onderhoud en controle kunnen plaatsvinden via de inrit bij een bestaande, te vervangen brug aan de zuidwestzijde van het zonnepark. Hier wordt een aantal grastegels aangelegd, waar men tijdens controle en onderhoud kan parkeren.
Hoofdstuk 2
17
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die momenteel gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen.
Hoofdstuk 3
18
Conclusie Het realiseren van een zonnepark levert een belangrijke bijdrage aan een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, welke ook in 2050 CO2 arm is. Specifiek voor zonneparken is aandacht besteed in de Uitvoeringsagenda van de NOVI. Hierin wordt de voorkeursvolgorde voor energietransitie (zonneladder) benoemd, namelijk: 1. het realiseren van zonnepanelen op daken en gevels; 2. onbenutte terreinen in bebouwd gebied benutten; 3. in landelijk gebied (stortplaatsen, bij RWZI’s, etc.); 4. landbouw- en natuurgronden. Zoals in paragraaf 3.3 zal worden toegelicht, is het realiseren van zon op daken en/of bebouwd gebied niet voldoende om te kunnen voldoen aan de doelstelling van duurzame energietransitie binnen de gemeente Heumen. Het realiseren van zonneparken in het landelijk gebied, en in dit geval landbouwgrond, is noodzakelijk. Daarbij is de onderhavige locatie als meest geschikte locatie voor het eerste deel van deze opgave (ca. 22 hectare) naar voren gekomen. Van belang hierbij is dat de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied niet te veel worden aangetast en de (maatschappelijke) meerwaarde in acht wordt genomen. In paragraaf 2.2 is beschreven hoe met deze principes rekening is gehouden. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in lijn is met de NOVI.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Conclusie Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan, omdat er geen nationale belangen in het geding zijn en het initiatief juist bijdraagt aan een cruciale opgave vanuit het Rijksbeleid. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.2 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet 2
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
19
binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark in het landelijk gebied van de gemeente Heumen. De gronden hebben in de huidige situatie een agrarische bestemming. Initiatiefnemers en de gemeente Heumen willen gezamenlijk een nieuwe invulling geven aan het gebied door op een passende locatie een zonnepark te realiseren, welke bijdraagt aan de transitie naar duurzame energie. Het zonnepark heeft een omvang van ca. 22 hectare. De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of de beschreven ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Een zonnepark wordt gelet op de eerder geciteerde definitie (art. 1.1.1 Bro) niet beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724.
De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. 3.1.4 Klimaatakkoord Op 28 juni 2019 heeft het kabinet Rutte III het Klimaatakkoord gepresenteerd. Het Klimaatakkoord is een overeenkomst tussen veel organisaties en bedrijven in Nederland om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan. Daarmee wordt de opwarming van de aarde beperkt. Het belangrijkste doel van het Klimaatakkoord is de CO 2-uitstoot in 2030 met 49% verminderen vergeleken met 1990. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Aan de hand van verschillende maatregelen en afspraken met diverse sectoren dienen deze doelen te worden gerealiseerd. Voor energie is de afspraak gemaakt dat in 2030 70% van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen dient te worden gegenereerd. Om dit te bewerkstellingen zijn dertig regio’s benoemd die de ruimte krijgen om te bepalen hoe zij aan de doelstellingen van het Klimaatakkoord kunnen voldoen. De gemeente Heumen valt onder de energieregio Arnhem-Nijmegen. Onderhavige ontwikkeling is in lijn met de afspraken uit het Klimaatakkoord. Het zonnepark voorziet in een periode van circa 25 jaar voor duurzame (hernieuwbare) energie door middel van zonne-energie. Het levert daarmee een bijdrage aan de landelijke doelstellingen om de CO2-uitstoot te verminderen.
Conclusie De ontwikkeling is in lijn met het Klimaatakkoord en geeft invulling aan concrete maatregelen om de daarin gestelde doelen te kunnen bereiken.
Hoofdstuk 3
20
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Daarna zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld. Op dit moment is de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, vastgesteld op 19 december 2018, van toepassing. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: een duurzame economische structuur(versterking); het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en de kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat met een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Dit betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland. In de Omgevingsvisie zijn de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid vastgelegd. Dit ziet onder meer op de voor onderhavig initiatief relevante thema’s energie, natuur en landschap.
In afbeelding 3.1 is een uitsnede opgenomen uit de themakaart ‘Ruimtelijk beleid’, waarin gebieden zijn aangewezen waar opwek van zonne- en windenergie mogelijk is. Hierop is het gebied waarbinnen met onderhavig initiatief zonnepanelen kunnen worden gerealiseerd indicatief in zwart kader aangegeven. Dit gebied ligt vrijwel geheel binnen de aanduiding ‘grote zonneparken mogelijk’ (lichtgroene vlak) en voor een klein gedeelte binnen de aanduiding ‘grote zonneparken onder voorwaarden mogelijk’ (oranje vlak).
Afbeelding 3.1: uitsnede themakaart Ruimtelijk Beleid uit Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, met zoekgebied zonnepanelen in plangebied indicatief aangegeven in zwart kader (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Hoofdstuk 3
21
De onderhavige locatie is op provinciaal niveau aangewezen als mogelijke locatie voor een groot zonnepark. De zone die binnen de aanduiding ‘grote zonneparken onder voorwaarden mogelijk’ ligt, betreft het meest noordwestelijke perceel. Dit maakt onderdeel uit van de Groene Ontwikkelingszone, waarvoor het beleid nader is uitgewerkt in de Omgevingsverordening Gelderland (zie hierna par. 3.2.2). De begrenzing van de genoemde zones komt overeen met de afspraken uit de Regionale Energiestrategie 1.0 (RES 1.0). Een zeer miniem deel van het zonnepark ligt nét buiten het gebied van de RES 1.0 en het zoekgebied voor grote zonneparken. Wel is er in de RES 1.0 afgesproken dat deze kleine afwijking moet worden afgehecht in het bestuurlijk overleg platform circulaire economie. Dit gebeurt tijdens het bestuurlijk overleg van de Groene Metropoolregio van 4 oktober 2023. Conclusie Het initiatief past binnen het ruimtelijk beleid van de provincie Gelderland, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van januari 2023.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften. Zoals in de voorgaande subparagraaf al is aangegeven, behoort het noordwestelijke perceel binnen het plangebied tot de Groene Ontwikkelingszone (GO), zie ook afbeelding 3.2, lichtgroene vlak. De noordelijk daarvan gelegen gronden behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN reikt niet binnen het plangebied. Hieraan wordt verderop in deze paragraaf nader getoetst.
Hoofdstuk 3
22
Afbeelding 3.2: uitsnede themakaart ‘Natuur en landschap’ uit Omgevingsverordening Gelderland (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie Voor het overige zijn in de Omgevingsverordening geen regels opgenomen, die voor onderhavig initiatief van belang zijn. Het oprichten van een nieuw zonneveld is binnen een weidevogelgebied niet toegestaan (art. 2.51a). Het plangebied ligt echter niet in een dergelijk gebied. Toets aan provinciaal beleid Bij de aanleg van grote zonneparken vindt de provincie aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit en het landschappelijk ontwerp belangrijk. Een goede vormgeving is van belang voor de betrokkenheid en het draagvlak van de omwonenden. In par. 2.2 van deze toelichting zijn de keuzes voor de inrichting van het gebied uitvoerig toegelicht. Hierin is uitdrukkelijk rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit, in het bijzonder aan de randen van het gebied en met het creëren van ecologische meerwaarde. Bij de totstandkoming van het plan zijn belanghebbende partijen uitvoerig betrokken (zie nader par. 6.2 hierover). Zoals beschreven ligt het plangebied gedeeltelijk binnen de GO. Art. 2.52 van de verordening maakt het onder voorwaarden mogelijk om nieuwe ontwikkelingen binnen de GO toe te staan, mits er per saldo geen negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het GO optreden. Conform art. 2.53b van de verordening dient het bestemmingsplan een versterkingsplan te bevatten.
Voor zonneparken in een GO hanteert de provincie de regel dat zonneparken in de GO voor (ten minste) 50% worden ingericht met elementen die bijdragen aan versterking van kernkwaliteiten. Bij realiseren van bijzonder hoge kwaliteit kan daarvan worden afgeweken. De kernkwaliteiten natuur en landschap en ontwikkelingsdoelen GO voor deelgebied 59 Groot Nijmegen zijn van toepassing in het plangebied. Deze zijn als volgt beschreven.
Hoofdstuk 3
23
Kernkwaliteiten deelgebied 59 Groot Nijmegen Kernkwaliteiten deelgebied natuur en landschap stadslandschap rond Nijmegen; bosrestanten (parken) op de stuwwal, wielen en moerassen binnendijks langs de Waal en bossen en kleinschalig cultuurlandschap tussen de stuwwal en de rivierduingordel aan de zuidkant
ecologische verbinding Teerse Sluispolder Parel Personnenbos: zeer oude boslocatie met goed ontwikkeld Eiken-haagbeukenbos, bijzonder in het rivierengebied; essenhakhout, bosanemoon, rode kornoelje, boszegge; rijke vogelstand; dassen
leefgebied das leefgebied steenuil elementen van de stuwwal en het rivierenlandschap alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied
Aardkundige waarden +: Stuwwal van Nijmegen; Rivierduincomplex van Wijchen
Waardevol open gebied of verkaveling -
Parel +
Natte landnatuur ja, Hatertse broek, Doddendaal
Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap GNN (omvorming, natuurontwikkeling) ontwikkeling droge en vochtige bossen en moerassen; terugdringing verdroging ontwikkeling ecologische verbindingszone Overasseltse Vennen - Bergharen met water en moeraszones en opgaande landschapselementen (bosjes, singels)
ontwikkeling ecologische verbindingszone Teerse Sluispolder met singels en hagen, bosjes, graslanden en andere elementen van het agrarisch cultuurlandschap
ontwikkeling populatie dassen vermindering barrièrewerking Maas-Waalkanaal, A73, A50, A326, N271, N324, N844, N845 en N847 ontwikkeling populaties van water-, oever- en moerasvogels ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schraallanden ontwikkeling biotopen voor vlinders, reptielen en amfibieën en vogels van cultuurlandschappen ontwikkeling oude polderstructuren en andere cultuurhistorische patronen en beheersvormen (hakhout: Elshof, Hatertse Broek, Personnenbos)
Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap Groene Ontwikkelingszone ontwikkeling droge en vochtige bossen en moerassen; terugdringing verdroging ontwikkeling ecologische verbindingszone Overasseltse Vennen - Bergharen met water en moeraszones en opgaande landschapselementen (bosjes, singels)
ontwikkeling ecologische verbindingszone Teerse Sluispolder met singels en hagen, bosjes, graslanden en andere elementen van het agrarisch cultuurlandschap
ontwikkeling populatie dassen vermindering barrièrewerking Maas-Waalkanaal, A73, A50, A326, N271, N324, N844, N845 en N847 ontwikkeling populaties van water-, oever- en moerasvogels ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schraallanden ontwikkeling biotopen voor vlinders, reptielen en amfibieën en vogels van cultuurlandschappen
Hoofdstuk 3
24
ontwikkeling oude polderstructuren en andere cultuurhistorische patronen en beheersvormen (hakhout: Elshof, Hatertse Broek, Personnenbos)
Ecologische verbindingen met evz-model Teersche Sluispolder (Rijk van Nijmegen - Land van Maas en Waal): das, kamsalamander.
Ter plaatse van het GO in het plangebied is op dit moment een goed functionerende ecologische verbindingszone aanwezig. Niettemin is de ecologische waarde van deze zone op zichzelf beschouwd beperkt. Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van zonnepanelen op minder dan 50% van de gronden binnen de GO conform de provinciale regels. De totale oppervlakte van het zonneveld binnen het GO is ca. 2,4 hectare. De overige gronden worden natuurlijk ingericht met haagstruweel, gras- en klavermengel, bloem- en kruidenrijk grasland en droge natuurgraslanden, specifiek gericht op het versterken van het leefgebied voor zowel dassen als hagedisachtigen. De ecologische verbindingszone krijgt hiermee niet alleen een verbindende functie, zoals thans het geval is, maar wordt ook op zichzelf waardevol leefgebied voor dassen en andere soorten. De zone krijgt door de beoogde inrichting een duidelijke bufferfunctie tussen het zonnepark en de gronden behorend tot het GNN. Aldus wordt een duidelijke meerwaarde gecreëerd, waarmee de kernkwaliteiten van het gebied, zoals bovenstaand beschreven, worden versterkt. Hiermee wordt voldaan aan de provinciale stelregel voor de ontwikkeling van zonneparken in de GO. De kernkwaliteiten van het deelgebied binnen de GO worden niet aangetast. Aan het bepalen van de voorgaand beschreven inrichting van de GO, ligt een versterkingsplan ten grondslag.
Dit plan is afgestemd met de provincie. In de bijlagen bij deze toelichting is een berekening van de benodigde versterking opgenomen op basis van de ruimtelijke ingrepen in de GO en is aangegeven hoe deze vereiste wordt ingevuld. Berekend is dat minimaal 2.700 versterkingspunten benodigd zijn ter compensatie van de ontwikkeling van een deel van het zonnepark binnen het GO (ca. 2,4 hectare). De versterkingsmaatregelen bestaan uit een natuurvriendelijke oever, struweel-/scheerhagen, kruiden- en faunarijke akkers, schrale zones, struweel en takkenhopen (modellen ‘das’ en ‘hagedis’). Deze maatregelen beslaan in totaal ruim 3 hectare en komen overeen met 4.190 versterkingspunten. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste van 2.700 versterkingspunten. De betreffende maatregelen zijn opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1). De berekening van de GO-versterking is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. De realisatie van het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de planregels. Er kan worden geconcludeerd dat er per saldo geen negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het GO optreden. Door middel van de genoemde voorwaardelijke verplichting is de realisatie en instandhouding van de versterking juridisch geborgd.
Aanvullend wordt nog opgemerkt dat de inrichting van de rest van het plangebied zodanig is, dat ecologische verbindingen tussen de GO en overige gebieden worden gecreëerd, die de functie van de ecologische verbindingszone verder versterken. Geconcludeerd wordt dan ook dat het plan voldoet aan de provinciale Omgevingsverordening. 3.2.3 Gelders energie akkoord In het netwerk van het Gelders Energieakkoord werken bijna 250 Gelderse organisaties samen. Inzet van het akkoord is: 55% minder CO2-uitstoot in 2030 en een klimaatneutrale provincie in 2050.
Hoofdstuk 3
25
Het zonnepark draagt bij aan de doelen waar de provincie met het Gelders Energie Akkoord naar streeft, namelijk betaalbare en hernieuwbare energievoorziening en energieneutraliteit in 2050. Zonne-energie is een belangrijk onderdeel bij de productie van hernieuwbare energie. Deze was in december 2021 voor ca. 5% ingevuld. Duidelijk is dus dat passende initiatieven die hieraan verdere invulling geven noodzakelijk zijn. Met onderhavig plan wordt hieraan een significante bijdrage geleverd, gezien de omvang van het plan.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Heumen 2025 In de 'Structuurvisie Heumen 2025' is de visie op het ruimtelijk beleid tot 2025 neergelegd. Het is een structuurvisie die van toepassing is op het gehele grondgebied van de gemeente Heumen en die interactief, samen met de gemeenschap is opgesteld. De Teersche Sluispolder Het plangebied ligt in De Teersche Sluispolder. De Teerschse Sluispolder is gelegen ten westen van het Maas-Waalkanaal en grenst in het noorden aan Nijmegen, in het zuiden aan het dorp Heumen en het vennengebied en Heumensbos in het westen. Het is een overwegend agrarisch gebied dat doorsneden wordt door de A73. Van noord naar zuid loopt ook de Tochtsloot of Leigraaf dwars door het gebied grenzend aan de zuidwestelijke rand van het plangebied. Het gebied is verder relatief ongerept. Aan de noordzijde van het gebied bevinden zich het maïsdoolhof en het speelparadijs; dit grenst aan het plangebied. De Teersche Sluispolder is een belangrijke schakel in het landschap ten zuiden en westen van Nijmegen. Het is één van de schaars overgebleven groene verbindingen tussen de Nijmeegse Heuvelrug en spoelvlakte en de Overasseltse Vennen (rivierduinenstrook).
In het verleden zijn hiervoor investeringen gedaan zoals het aanplanten van hagen en bossen, het aanleggen van zogenaamde dassentunnels onder de A73, het terugbrengen van het oorspronkelijke profiel in weiden aan de westzijde van de A73 enzovoort. Voor het gebied is een Gebiedsplan ontwikkeld. Hierop wordt in de volgende subparagraaf ingegaan. De landbouwgronden met veelal monocultuur zoals grasland met veelal één grassoort (Engels Raaigras), mais, aardappelen e.d. bevatten weinig ecologische waarden, maar dienen wel als foerageergebied van o.a. de dassen uit het Hatertsebroek. Bij de uitwerking in inrichting van het plan is met de huidige kwaliteiten én ontbrekende kwaliteiten in de Teersche Sluispolder rekening gehouden. Ecologische verbindingszone Het noordwestelijk deel van het plangebied is aangewezen als onderdeel van een ecologische verbindingszone tussen de Hatertse en Overasseltse Vennen ten westen van het plangebied (voorbij de A73) en Heumensoord ten oosten van het plangebied (voorbij het Maas-Waalkanaal). Het beleid ten aanzien van de ecologische verbindingszone sluit aan op het provinciaal beleid voor de Groene Ontwikkelingszone, zoals voorgaand is beschreven (par. 3.2.2). Hier is geconcludeerd dat het plan bijdraagt aan het behouden en versterken van de betreffende zone als ecologische verbindingszone. De modellen EVZ-das en EVZ-hagedis zijn hierin toegepast.
Duurzame energie
Hoofdstuk 3
26
De gemeente Heumen is een duurzame gemeente, waarin duurzaam wordt omgegaan met grond, ruimte, energie en grond- en bouwstoffen. Deze ambitie maakt dat ruimtelijke ontwikkelingen duurzaam dienen plaats te vinden. Ten eerste vraagt dit om een duurzaam en zuinig ruimtegebruik. De zogenaamde Ladder voor Duurzame Verstedelijking staat daarbij centraal. Dit betekent dat eerst wordt gekeken naar het hergebruik van bebouwing/terreinen, vervolgens naar inbreidingsmogelijkheden en tenslotte pas naar uitbreidingslocaties. De inrichting van locaties en het bouwen op locaties vindt duurzaam plaats, conform regionale afspraken ten aanzien van duurzaam bouwen. Verder wordt ingezet op een multifunctioneel gebruik van (maatschappelijke) gebouwen en terreinen. Het initiatief geeft invulling aan de duurzaamheidsopgave, die de gemeente zichzelf heeft gesteld. Deze opgave kan niet volledig middels voorzieningen op daken en hergebruik van bebouwing/terreinen worden ingevuld. Daarom is ook gekeken naar een geschikte plek ik het landelijk gebied, waar onder de juiste voorwaarden een zonnepark kan worden ontwikkeld. Op de onderhavige planlocatie kan dit en is rekening gehouden met de landschappelijke en ecologische waarden en kernkwaliteiten. Conclusie Het initiatief is in overeenstemming met de Structuurvisie Heumen 2025.
3.3.2 Gebiedsplan Energielandschap A73 Heumen De gemeenteraad van Heumen heeft in september 2020 de opwek van 160 TJ in 2050 als stip op de horizon gezet om energie- en klimaatneutraal te worden. Om dit te verwezenlijken is onderzoek verricht naar een geschikte locaties, waarna het gebied tussen globaal de A73 en het Maas-Waalkanaal is aangewezen als zoekgebied voor grootschalige energieopwekking. De uitgangspunten voor ontwikkeling en inpassing van zonnevelden in dit gebied zijn opgenomen in het ‘Gebiedsplan Energielandschap A73’ (oktober 2021). Het gebiedsplan schrijft voor dat de ontwikkeling aan de ene kant uitgangspunt vormt voor het gebiedsplan, en aan de andere kant gelden de voorwaarden uit het gebiedsplan ook voor de verdere uitwerking van het project. In het gebiedsplan zijn o.b.v. uitgangspunten en analyses op de volgende thema’s voorkeuren geformuleerd waarmee bij de ontwikkeling van een zonnepark rekening moet worden gehouden. Deze worden hierna opgesomd. De benoemde uitgangspunten zijn specifiek voor het plangebied door vertaald naar concrete inrichtingsvereisten, welke zijn beschreven in het als Bijlage 1 opgenomen landschappelijk inpassingsplan. In par. 2.2.2 zijn deze uitgangspunten ook reeds geschreven. Hierna is (cursief) beknopt aangegeven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met deze thema’s.
Voor een uitgebreidere verantwoording wordt verwezen naar de genoemde bijlage en par. 2.2.2. Aansluiten bij bestaande landschappelijke structuren Aansluiting en versterking van de bestaande landschappelijke en ecologische structuren in het gebied. Naast ruimtelijke structuren zoals hagen, struweel en boomsingels gaat het ook om behoud en mogelijk versterking van natuur- en landschapswaarden en biodiversiteit. Bij het bepalen van de positionering en omvang van de velden met zonnepanelen is hiermee nadrukkelijk rekening gehouden. Deze sluiten aan op de bestaande landschappelijke structuren en zijn ook zodanig dat het plangebied voldoende waarde als foerageergebied voor onder meer de das behoudt. Ook de aanleg van bloem- en kruidenrijk grasland en een natuurvriendelijke oever dragen daaraan bij. Gelders Natuur Netwerk en Groene Ontwikkelingszones Vanuit het natuurnetwerk is het van belang dat de koppelingen in oost-westrichting worden versterkt. Dit is met name belangrijk voor kleine zoogdieren en specifiek voor de das. Ook in noord-
Hoofdstuk 3
27
zuidrichting liggen kansen om het natuurnetwerk te versterken. Hier liggen kansen om in samenwerking met het waterschap (delen van) de oever van de Tochtsloot aan één zijde natuurvriendelijk in te richten. Het Gelders Natuur Netwerk reikt niet over het plangebied, de Groene Ontwikkelingszone (GO) wel. Voor laatstgenoemde zone is in afstemming met de provincie een versterkingsplan opgesteld. De kernkwaliteiten van de GO worden in voldoende mate versterkt. Routing Er zijn weinig doorsteken tussen de doorgaande routes in het gebied, met name voor langzaam verkeer. Meerdere mogelijkheden voor bijvoorbeeld wandelrondjes ontbreken. Daarnaast is de verkeersveiligheid voor langzaam verkeer een belangrijk aandachtspunt. Een recreatieve doorsteek van het plangebied is in het planvormingsstadium overwogen en in het participatietraject met betrokkenen voorgesteld. Deze is echter niet wenselijk geacht om onder meer ecologische redenen en met het oog op de belangen van omwonenden. Na afweging van de verschillende belangen is daarom deze ambitie niet nader uitgewerkt in het plan. Koppelkansen In het gebied liggen koppelkansen voor functies als landbouw, natuur en waterberging (piekopvang). Daarnaast kunnen recreatieve initiatieven worden ingepast of routes worden versterkt. Belangrijk hierin is het behoud van een kleinschalig karakter.
Natuur vormt een onlosmakelijk onderdeel van het plan en de toekomstige inrichting. Onderdeel daarvan is ook de realisatie van een natuurvriendelijke oever. Het waterbergend vermogen van het gebied wordt eveneens versterkt. Voor wat betreft de koppeling met recreatieve onderdelen wordt verwezen naar de voorgaande overwegingen. Landschappelijke inpassing en zicht Ten aanzien van het zicht op de panelen en de landschappelijke inpassing van zonnevelden is aangegeven dat dit ten alle tijden belangrijk is. Vooral vanaf de Burchtselaan zullen de panelen uit het zicht moeten worden aangelegd door deze landschappelijk in te passen. Vanuit het gebied is specifiek de wens geuit om te zorgen dat panelen niet zichtbaar zijn vanuit de woningen binnen het plangebied. Een aantal erven ligt in de rand van het zoekgebied. Bij de ontwikkeling van zonnevelden zal zorgvuldig moeten worden omgegaan met de landschappelijke inpassing rondom deze erven. Dit is geborgd door robuuste landschappelijke inpassing van minimaal 10 meter breedte aan de randen van het plangebied. Aan de zijde van de GO is de breedte zelfs minimaal 25 meter. Bij de positionering van de zonnevelden en de landschappelijke inpassing is ook rekening gehouden met de zichtmogelijkheden van omwonenden, onder meer door voldoende afstand te houden en door een knik aan de brengen in de noordoostelijke hoek.
Geconcludeerd wordt dat het plan passend is binnen de uitgangspunten en randvoorwaarden van de Gebiedsvisie. Deze zijn leidend geweest bij de uitwerking van het initiatief en de bijbehorende landschappelijke inpassing.
Hoofdstuk 3
28
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Verkeer In de huidige situatie bestaat het projectgebied voornamelijk uit agrarische gronden. De nieuwe functie heeft een verwaarloosbare verkeersaantrekkende werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van incidenteel verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer van het zonnepark en de groene inpassing. Hierbij is uitgegaan van maximaal 4 motorvoertuigen (kleine busjes) bewegingen per maand. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. De inrit naar het park is voorzien aan de zuidwestkant van het park, ter plaatse van een bestaande, te vervangen brug. In de aanlegfase van het zonnepark zal wel (tijdelijk) een toename plaatsvinden van verkeer. Het gaat hier onder meer om vrachtwagens en busjes die de materialen komen leveren. Gelet op de tijdelijkheid van de verkeersbewegingen en het feit dat het niet om wezenlijke verkeersaantallen zal gaan, zal het initiatief geen negatieve effecten in verkeerskundig opzicht opleveren. Initiatiefnemer zal de hinder bovendien zoveel mogelijk beperken door verkeersveilige maatregelen, zoals bebording. 4.1.2 Parkeren Het zonnepark betreft een bedrijfsmatige functie, maar van vaste werknemers of verblijvende personen ter plaatse is geen sprake. Incidenteel zal er sprake zijn van een parkeerbehoefte bij onderhouds, beheer-, controlewerkzaamheden, e.d.
In dat geval kan gebruik worden gemaakt van parkeerruimte bij de inrit. Hier worden enkele grastegels aangelegd, die daarvoor geschikt zijn. De incidentele parkeerbehoefte kan daarmee in voldoende mate worden opgevangen op eigen terrein. Gelet op de beperkte aanwezigheid van personen voor onderhouds-, beheer-, controlewerkzaamheden is het aanleggen van permanente parkeerplaatsen niet noodzakelijk. 4.1.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het plan.
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
Hoofdstuk 4
29
de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied