CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij raadsvoorstel 9.3 NL.IMRO.0531.bp52Noordoevers.3001 Toelichting

raadsvergadering openbaar 6 mei 2024, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Noordoevers, fase 122.298 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De I/C verhouding (Intensiteit/Capaciteit) voor de Veersedijk zonder projectgebied bedraagt in 2018 maximaal 38% en zal in 2040 op basis van een autonome ontwikkeling toe zijn genomen tot 54%. Wanneer de voorziene ontwikkelingen worden toegevoegd aan het verkeersmodel zal de I/C-verhouding in 2040 toe zijn genomen tot 61%. Deze toename ten opzichte van de autonome toekomstige situatie is beperkt en zal niet leiden tot verkeershinder op het gebied van verkeersdoorstroming. Uit een worst-case benadering blijkt dat de wachttijd minder dan 15 seconden zal zijn bij het uitrijden van het projectgebied bij het gebruik van slechts één enkele in- en uitrit. Op de Veersedijk is geen wachttijd. Hierdoor is er een goede afwikkeling van het kruispunt. De verkeersbewegingen worden verdeeld over de verschillende in- en uitritten die in het plangebied zijn voorzien. De afwikkeling wordt daardoor alleen nog maar beter. Verkeersveiligheid Er wordt een dubbelrichtingsfietspad en een trottoir aangelegd binnen het projectgebied. Dit is positief voor de verkeersveiligheid. Echter, bij de uitwerking van het project moet voldoende aandacht besteed worden aan o.a. de aansluitingen op de Veersedijk in relatie tot de oversteekbewegingen en de toegankelijkheid voor minder validen in relatie tot de dijkhelling en de trappen. Bereikbaarheid

Noordoevers fase 1

32

Er wordt in de gehele regio gewerkt aan het programma N3/A15/A16: aanpak Drechtsteden. Dit heeft als doel om de bereikbaarheid van de Drechtsteden te waarborgen. Door onderhavig plan zullen er meer auto's op de wegen rond Hendrik-Ido-Ambacht komen. Dit heeft echter maar een beperkt effect op de N3/A15/A16. Daarnaast heeft het een beperkt tot geen effect op de doorstroming van het openbaar vervoer (OV). Om het OV te stimuleren moet er een goede loop/fietsroute worden gecreëerd naar de dichtstbijzijnde ov-haltes. Het gaat hier om de halte winkelcentrum Hoog-Ambacht op ongeveer één kilometer afstand. Hier ligt een goede route via de Watersnip en Zilverreiger. Parallel daaraan ligt een vrijliggend voetpad. Verder is de Waterbus gelegen aan de Noordeinde. Op termijn wordt er een vrijliggend fietspad aan de Veersedijk / Noordeinde aangelegd. Dit wordt reeds naast het plangebied aangelegd. Hierdoor worden bewoners gestimuleerd om gebruik te maken van het OV. Conclusie Het planvoornemen heeft een parkeerbehoefte van 348 parkeerplaatsen. Deze worden aangelegd voor ingebruikname van de woningen. Hierdoor wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Bij de ontwikkeling van het project zal de verkeersgeneratie toenemen met 1.544 mvt per etmaal. De I/C verhouding stijgt hierdoor van 54% naar 61%. Dit is een beperkte stijging.

De afwikkeling van verkeer bij de in- en uitritten van het project is goed. Er zal door de ontwikkeling van het project geen extra verkeershinder zijn.

5.4

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden. Tot slot heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4) en besluiten deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46). Luchtkwaliteitseisen De Wet milieubeheer (Wm) biedt de volgende grondslagen voor de onderbouwing dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit: 1. het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden (art. 5.16 lid 1 sub a); 2. het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub c); 3. er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van het project is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art.

5.16 lid 1 sub b onder 1); 4. er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 2); 5. het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub d). Wanneer een plan voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden. Onderzoek Planbijdrage Voor de ontwikkeling is een NIBM-toets uitgevoerd om de planbijdrage te toetsen. De notitie is toegevoegd aan bijlage 4.

Noordoevers fase 1

33

Op basis van de geldende CROW normen voor de betreffende type woningen en de verschillende horeca is in het verkeersonderzoek de worst-case verkeersgeneratie van het gebied bepaald op 1.544 ritten verkeer per werkdag. Voor het luchtkwaliteitsonderzoek wordt gekeken naar de gemiddelde verkeersgeneratie per weekdag in plaats van per werkdag. Hiervoor is deze verkeersgeneratie gedeeld door een factor 1,11. De verkeersgeneratie van het gebied komt daarmee uit op 1.404 ritten verkeer per weekdag. In het verkeersonderzoek is geen onderscheid gemaakt tussen licht verkeer en zwaar vrachtverkeer. Omdat de ontwikkeling met name woningen en voor een klein deel horeca (type restaurant en café/bar/cafetaria) betreft, wordt verwacht dat het aandeel vrachtverkeer te verwaarlozen is. Worst-case is aangenomen dat 2,5% van de verkeersgeneratie uit vrachtverkeer bestaat. Deze verkeersgeneratie zou kunnen leiden tot een toename in de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de omgeving. Om te bepalen of de toename als gevolg van de verkeersgeneratie in betekende mate is voor de luchtkwaliteit in de omgeving, is de door het Ministerie van I&W en InfoMil ontwikkelde NIBM ('niet in betekenende mate') rekentool (versie april 2022) gebruikt. Deze rekentool berekent de verkeersbijdrage met worst-case verspreidingskenmerken.

De oplevering van het project vindt naar verwachting gefaseerd plaats tussen 2023 en 2026. Er is gerekend met het jaar waarin de laatste woningen zullen worden opgeleverd, 2026 omdat in dit jaar voor het eerst de volledige verkeersdruk wordt verwacht. In onderstaande afbeelding zijn de resultaten van de berekening getoond. Uit de berekening blijkt dat de maximale bijdrage van de verkeersgeneratie in het plangebied Niet In Betekenende Mate is voor de luchtkwaliteit.

Figuur 5.3: Uitvoer van de NIBM-rekentool Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse, is getoetst aan de wettelijke grenswaarden en lokale streefwaarden voor luchtkwaliteit. De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht neemt deel aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). De ambitie van de partijen van het Schone Lucht Akkoord (SLA) is om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren. De deelnemers werken er naartoe om in 2030 te voldoen aan de advieswaarden (uit 2005) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM). Onderstaande tabel toont de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 en PM2,5 in de directe omgeving van het project Noordoevers. Deze cijfers zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool. Uit de cijfers blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de grenswaarden en dat daarmee sprake is van

Noordoevers fase 1

34

een aanvaardaar woon- en leefklimaat.

Figuur 5.4: Maximale concentraties binnen 1 kilometer rond het project Noordoevers uit de NSL-Monitoringstool Conclusie Uit onderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de lokale luchtkwaliteit. Hierdoor is aannemelijk gemaakt dat het plan op grond van art 5.16 lid 1 sub c voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Daarnaast is aannemelijk gemaakt dat het plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Uit de cijfers van de NSL-monitoringstool blijkt dat er sprake is van een aanvaardbare situatie.

5.5

Geluidhinder

Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting.

Noordoevers fase 1

35

De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen. Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen.

De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A). Nestgeluid Op industrieterreinen kan door afgemeerde schepen onder andere door draaiende generatoren flinke geluidhinder worden geproduceerd. Dat wordt nestgeluid genoemt. In het huidige recht Is niet goed geregeld dat met dit geluid rekening wordt gehouden bij het situeren van geluidgevoelige functies. Om dit bij ruimtelijke planlocaties, waarin voorzien wordt in geluidgevoelige functies, binnen de grenzen van de provincie Zuid-Holland te betrekken is de Omgevingsverordening Nestgeluid opgesteld (vastgesteld d.d. 12-10-2022). Onderzoek Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor wegverkeer- en industrielawaai. Dit rapport is toegevoegd aan bijlage 5 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Daarin wordt onderstaande geconcludeerd ten aanzien van wegverkeer- en industrielawaai. Wegverkeerslawaai Geluidbelasting van de zoneplichtige wegen in het kader van de Wgh Ten gevolge van het wegverkeer op de Veersedijk wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden op de nieuwbouw.

De geluidbelasting is, zonder maatregelen, ten hoogste 59 dB ten gevolge van deze weg. De ten hoogste toelaatbare waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Een onderzoek naar maatregelen is van toepassing voor deze weg. Maatregelen Schermen langs de wegen rondom het plangebied zijn niet doeltreffend, mogelijk of wenselijk. Een geluidreducerend wegdektype (dunne deklaag B) op de Veersedijk reduceert de geluidbelasting met ongeveer 3 dB. De reductie is nog niet voldoende om te voldoen aan de voorkeurswaarde. De maximale geluidbelasting is na bronmaatregelen 55 dB. Vanuit onderhoud en beheer dient nagegaan te worden of bronmaatregelen hier mogelijk/ wenselijk zijn. Aangezien (met of zonder bronmaatregelen) niet kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde en schermen niet mogelijk zijn, dienen voor een deel van de woningen hogere waarden te worden vastgesteld. Geluidbelasting van de niet zoneplichtige weg in het kader van een goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting van de Onderdijkse Rijweg beoordeeld waar sprake is van een 30 km/uur regime. Ten gevolge van deze weg is de geluidbelasting ten hoogste 40 dB. In het kader van een goede ruimtelijk ordening wordt dit in stedelijk gebied

Noordoevers fase 1

36

beoordeeld als “goed”. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van strijdigheid met de eisen aan een goed leefklimaat vanwege deze weg. Geluidseffecten op bestaande woningen Ten gevolge van de verkeersgeneratie van de nieuwbouw is er bij bestaande woningen rondom het plangebied geen sprake van een geluidseffect van 1,5 dB of meer (max. 0,6 dB vanwege verkeersgeneratie, max 0,7 dB vanwege refelctie). In het kader van een goede ruimtelijk ordening wordt dit in stedelijk gebied toelaatbaar geacht. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van strijdigheid met de eisen aan een goed leefklimaat. Industrielawaai De berekeningen zijn met het zonebeheermodel van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht uitgevoerd (in beheer bij de omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid). De situatie waarmee de zone van het industrieterrein is vastgesteld in 2016 is hierbij als uitgangspunt gehanteerd en dit betreft de situatie met de vergunde ruimte en de gereserveerde ruimte. Uit de rekenresultaten volgt dat: de vuistregel voor de richtwaarde van de GGD van 52 dB(A) niet wordt overschreden. de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden. Nestgeluid De bestaande ligplaatsen voor binnenvaartschepen langs het plangebied komen te vervallen. Binnenschepen worden uitgesloten in de planregels van onderhavig plan (art. 1.37, art. 5.1, onder c en art.

5.3) De ligplaatsen voor binnenvaartschepen in de omgeving liggen niet in de directe nabijheid van het plangebied. Hiermee zal zich geen nestgeluid vanwege binnenvaartschepen voordoen binnen het plangebied. De kleine schepen die wel worden toegestaan zullen bestaan uit pleziervaart, ook hiervan valt geen hinder vanwege nestgeluid te verwachten. Vast te stellen hogere waarden Ten gevolge van de Veersedijk is het advies hogere waarden vast te stellen van maximaal 55 dB indien bronmaatregelen mogelijk zijn en anders 59 dB zonder toepassing van bronmaatregelen. Voor de appartementen en woningen van het Kraanspoor is het te adviseren om een hogere waarde vast te stellen van 51 dB ten gevolge van industrielawaai. De hogere waarde dient vastgesteld te worden om de geluidzone van 50 dB(A) rond het industriegebied effectief niet kleiner te maken, zodat ook bij eventuele toekomstige woningbouw getoetst dient te worden aan de nu geldende geluidzone. Aangezien sprake is van vast te stellen hogere waarden, dient voldaan te worden aan de eisen uit het gemeentelijk beleid: Geluidsluwe gevel: uit de rekenresultaten blijkt dat bij alle woningen sprake is van een geluidsluwe gevel.

Geluidsluwe buitenruimte: hier aan wordt voldaan wanneer ook bij het meest zuidelijke appartementenblok (zuidblok van De Werf) aan de noordzijde buitenruimtes (balkons) worden gerealiseerd of een soortgelijke oplossing. Dit geldt alleen in de situatie wanneer geen bronmaatregelen worden gerealiseerd. Voor de binnenwaarde van de nieuwe woningen dient te worden voldaan aan 33 dB (wegverkeer) en 35 dB(A) (industrie) (art 3.3, lid 1 Bouwbesluit). Cumulatieve waarden en WHO-normen De milieukwaliteit van het plan conform methode Miedema kan omschreven worden als 'goed' tot 'matig'/ 'tamelijk slecht', afhankelijk of wel of geen bronmaatregelen worden getroffen. De gecumuleerde geluidbelasting bij de nieuwe woningen is maximaal 64 dB zonder maatregelen en 60 dB inclusief bronmaatregelen (dunne deklagen B). Gesteld kan daarom worden dat de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat als ook rekening wordt gehouden met de eisen uit het geluidbeleid. Conclusie

Noordoevers fase 1

37

Ten gevolge van de Veersedijk is geadviseerd een hogere waarden vast te stellen van maximaal 55 dB indien bronmaatregelen mogelijk zijn en anders 59 dB zonder toepassing van bronmaatregelen. Voor de woningen en de appartementen Kraanspoor is het te adviseren om een hogere waarde vast te stellen van 51 dB ten gevolge van industrielawaai. Aan de eisen van het gemeentelijk geluidbeleid ten aanzien van geluidluwe gevels en buitenruimten kan worden voldaan.

5.6

Trillingen

Trillingen ontstaan doordat een bron een kracht uitoefent op de bodem, al dan niet via een gebouw. Trillingen kunnen veroorzaakt worden door onder meer machines, verkeer over oneffen wegoppervlakten of railverkeer. Voor trillinghinder bestaan geen wettelijke normen. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan het echter noodzakelijk zijn om het aspect trillinghinder nader te beschouwen en na te gaan of onevenredige trillinghinder kan ontstaan. Onderzoek De Betuweroute gaat door het plangebied heen. Dit betreft een ondergrondse spoorverbinding. In 1999 heeft TNO onderzoek gedaan naar de trillingsniveaus in de omgeving van de geboorde tunnels. Dit leidde tot een advies van de Betuweroute aan zijn toekomstige 'buren' over een te hanteren veilige afstand. in juli 2004 heeft TNO een rapport uitgebracht over de mogelijke hinder van laagfrequent geluid en trillingen voor specifiek de Volgerlanden. De resultaten waren gebaseerd op trillingsmetingen in de omgeving van de Sophiaspoortunnel. Er zijn testritten en metingen uitgevoerd met een trein door de Sophiaspoortunnel voor laagfrequent geluid en trillingen. Ten behoeve van de metingen is een meetplan opgesteld. Het doel van het in het meetplan beschreven onderzoek is het bepalen van laagfrequent geluid- en trillingsniveaus vanwege treinpassages en het vertalen van de uitkomsten naar hindercontour en maatregelen.

Het rapport 'Geluid- en trillingsmetingen tijdens de passage van een testtrein door de Sophiaspoortunnel' (TNO, maart 2007) beschrijft de uitvoering van de metingen en de resultaten voor wat betreft de vastlegging van de hindercontour. Dit rapport is toegevoegd aan bijlage 6. In het rapport wordt geconcludeerd dat de hindercontour van de Sophiaspoortunnel in De Volgerlanden kan worden vastgesteld op 35 meter afstand vanaf de hartlijn, op maaiveld, van de dichtstbijzijnde tunnelbuis. Buiten deze contour is de kans op hinder vanwege trillingen of laagfrequent geluid voldoende laag. Conclusie De dichtsbijzijnde woningen komen op meer dan 35 meter afstand te liggen vanaf de hartlijn, op maaiveld, van de dichtstbijzijnde tunnelbuis. Geconcludeerd kan worden dat de kans op hinder vanwege trillingen voldoende laag is.

5.7

Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid beschouwt de risico's ten gevolge van een ongeval bij de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Het milieuaspect externe veiligheid is getoets in het kader van dit bestemmingsplan. Wettelijk kader Externe veiligheid is in de basis vastgelegd in de onderstaande besluiten: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen opgenomen. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) legt de bijbehorende rekenvoorschriften, afstandseisen etc. vast. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit bevat de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vastgelegd. Externe veiligheid kent de risicomaten plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Deze gelden

Noordoevers fase 1

38

voor risicovolle inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is het risico op een plaats nabij een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats verblijft, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. De 10-6 per jaar PR-contour geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten (conform artikel 1 Bevi) en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat de ontwikkeling van kwetsbare objecten zijn uitgesloten binnen de 10-6 contour en beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-5-contour. De ontwikkeling van beperkt kwetsbare objecten tussen de 10-5 en de 10-6 contour vindt alleen plaats mits de risico's zijn afgewogen en voorwaarden worden gesteld. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) betreft de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute of buisleiding en een ongewoon voorval binnen die inrichting of op die transportroute of buisleiding waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. De weergave van het GR is in de vorm van een fN-curve.

Deze geeft het logaritmisch verband tussen het aantal dodelijke slachtoffers (N) en de cumulatieve kans (f) op de mogelijke ongevallen met gevaarlijke stoffen die tot dit aantal slachtoffers kunnen leiden. Het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde. Verantwoording groepsrisico De verantwoording van het groepsrisico (VGR) is een wettelijke verplichting voor het bevoegd gezag om naast de kwantitatieve waarde van het groepsrisico de aanwezige risico's te kunnen afwegen. Hierbij is het bevoegd gezag verplicht om de veiligheidsregio om advies te vragen. In het Bevb, Bevt en het Bevi zijn voorwaarden opgenomen wanneer en in welke mate het groepsrisico moet worden verantwoord. De mate van verantwoording is in veel gevallen afhankelijk van de hoogte en de toename van het groepsrisico ten gevolge van het planvoornemen en het type risicobron. Voor de verantwoordingsplicht is tevens het advies van de veiligheidsregio van belang. Dit advies gaat in op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van een inrichting, buisleiding of transportroute. Onderzoek Het plangebied maakt maximaal 176 woningen en 385 m2 horeca mogelijk.

Conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de woningen als kwetsbare objecten en de horeca als beperkt kwetsbaar object te beschouwen. In het kader van een bestemmingsplanherziening is een onderzoek naar het milieuaspect externe veiligheid daarom relevant. Het externe veiligheid onderzoek is toegevoegd aan bijlage 7. Inventarisatie relevante risicobronnen Op basis van de Signaleringskaart is onderzocht welke risicobronnen in de omgeving van het plangebied relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de risicobronnen ten opzichte van het plangebied weer. Een risicobron is relevant wanneer het invloedsgebied over het plangebied valt.

Noordoevers fase 1

39

Figuur 5.5: Ligging risicobronnen t.o.v. het globale plangebied, aangegeven in rood (Uitsnede Signaleringskaart-EV)

Figuur 5.6: Overzicht risicobronnen Bovenstaande tabel laat zien dat er vijf relevante risicobronnen zijn. Hieronder worden deze risicobronnen beoordeeld voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hogedruk aardgasleiding A-555 De buisleiding ligt binnen het plangebied. De PR10-6-per jaar contour vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het groepsrisico van de buisleiding ter hoogte van het plangebied blijft in de toekomstige situatie ook onder de 0,023 maal de oriëntatiewaarde.

Noordoevers fase 1

40

Conform het Bevt dient in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid advies gevraagd te worden aan de veiligheidsregio. Spoortraject Betuweroute Kijfhoek – Meteren (route 202) Het spoortraject ligt binnen het plangebied. Het spoortraject ligt in een tunnel dit betekent dat het plaatsgebonden risico en het groepsrisico niet relevant zijn. Conform het Bevt dient in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid advies gevraagd te worden aan de veiligheidsregio. Spoortraject Kijfhoek aansluiting Zuid – Dordrecht (route 35) Het spoortraject ligt op 2.500 meter ten oosten van het plangebied. De PR10-6 per jaar contour ligt niet over het plangebied; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Bepaling van de hoogte van het groepsrisico is niet relevant; wel ligt het planvoornemen binnen het invloedsgebied van 4.000 meter. Conform het Bevt dient in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid advies gevraagd te worden aan de veiligheidsregio. Vaarweg Noord, corridor Rotterdam – Duitsland De vaarweg ligt op 690 meter ten oosten van het plangebied. De PR10-6 per jaar contour ligt niet over het plangebied; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Bepaling van de hoogte van het groepsrisico is niet relevant; wel ligt het planvoornemen binnen het invloedsgebied van 1.070 meter.

Conform het Bevt dient in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid advies gevraagd te worden aan de veiligheidsregio. Autosnelweg A16: Knp. Ridderkerk-Zuid - afrit 22 (Zwijndrecht) De autosnelweg ligt op 2.500 meter ten zuiden van het plangebied. De PR10-6 per jaar contour ligt niet over het plangebied; het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Bepaling van de hoogte van het groepsrisico is niet relevant; wel ligt het planvoornemen binnen het invloedsgebied van 4.000 meter. Conform het Bevt dient in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid advies gevraagd te worden aan de veiligheidsregio. Verantwoordingsplicht groepsrisico Conform het Bevt en Bevb dient het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen beperkt te worden verantwoord. Rampenbestrijding en zelfredzaamheid zijn hierbij de belangrijkste elementen. De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid heeft een advies gegeven in het kader van de verantwoordingsplicht groepsrisico. Ten aanzien van de hogedruk aardgasleiding adviseert zij om rekening te houden met de house burning distance (HBD). De HBD ligt op 230 meter van de leiding. Het plangebied valt hier geheel binnen.

Omdat het plangebied buiten de PR10-7 per jaar contour ligt adviseert de veiligheidsregio geen extra aanvullende bouwkundige maatregelen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen (de woningen en de horeca die het planvoornemen mogelijk maakt). Wel adviseert zij om de woningen op een zo groot mogelijke afstand van de buisleiding te realiseren en de bewoners te informeren betreffende het handelingsperspectief bij een mogelijk ongeval. Met het bovenstaande advies sorteert de veiligheidsregio voor op de komst van de Omgevingswet. Binnen de aandachtsgebieden van hogedruk aardgasleidingen stelt zij voor om onder bepaalde voorwaarden voorschriftengebieden vast te stellen binnen de HBD, het vaststellen van een voorschriftengebied is voor dit planvoornemen niet nodig. In verband met het ontstaan van een gifwolk ten gevolge van een mogelijk ongeval bij een risicobron in de omgeving adviseert de veiligheidsregio om de nieuwbouw uit te rusten met mechanische ventilatie die handmatig afsluitbaar is. Binnen het plangebied is extra aandacht voor vluchtroutes (van de buisleiding af) en bluswatervoorzieningen. Daarnaast wenst de veiligheidsregio om betrokken te blijven bij de uitwerking van het inrichtingsplan. Met inachtneming van bovenstaande is het groepsrisico voldoende verantwoord.

Noordoevers fase 1

41

Conclusie Het planvoornemen betreft de ontwikkelingen van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen invloedsgebieden van meerdere risicobronnen. Het plaatsgebonden risico van deze risicobronnen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Daarnaast heeft het planvoornemen geen invloed op het groepsrisico van de verschillende risicobronnen. De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid heeft conform het Bevt en Bevb een formeel advies uitgebracht in het kader van de verantwoording groepsrisico.

5.8

Bodemkwaliteit

Wettelijk kader/inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Onderzoek Ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling Noordoever fase I te Hendrik-Ido-Ambacht dient in het kader van de RO-procedure en het bouw- en woonrijp maken de actuele milieuhygienische kwaliteit van de bodem in beeld te worden gebracht. Bij wijziging van een bestemming dient te worden onderzocht of de bodemkwaliteit in overeenstemming is met het geplande bodemgebruik of dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Om te toetsen of de bodemkwaliteit geen belemmeringen vormt voor de beoogde functies is een bureaustudie uitgevoerd naar de bodemkwaliteit aan de hand van de beschikbare bodemkwaliteitsgegevens, welke hieronder staan weergegeven:

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de percelen in het verleden in gebruik zijn geweest als scheepswerf/-sloperij. Als gevolg van deze bedrijfsmatige activiteiten zijn ter plaatse van het plangebied

Noordoevers fase 1

42

diverse bodemverontreinigingen ontstaan. Op “vlekkenkaart” (figuur 5.7) is weergegeven welke bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied verwacht kan worden: Ter plaatse van het gele gebied is sprake van een ernstige bodemverontreiniging met immobiele verontreinigingen (ophooglaag met een dikte van 0,5 tot 3,5 m; heterogeen verontreinigd met zware metalen, PAK, minerale olie en PCB's); Ter plaatse van de blauwe gebieden is sterke grond en/of grondwaterverontreiniging aanwezig bestaande uit “mobiele” verontreinigingen (minerale olie); Ter plaatse van het rode gebied is een sterke abestverontreiniging in de grond aanwezig.

5.7: Vlekkenkaart bodemverontreinigingen Noordoevers (Tritium advies, d.d. 29-8-2017) De bodem binnen het plangebied dient door bodemsanering geschikt te worden gemaakt voor de toekomstige gebruiksfunctie “wonen”. Dit kan door middel van het afdekken (isolatielaag) of het (deels) verwijderen van de verontreinigingen of een combinatie van beide. De uiteindelijke saneringsaanpak hangt af van het type verontreiniging (mobiel of inmobiel) en de toekomstige gebruiksfunctie van de locatie (bijvoorbeeld tuin, bebouwing of infrastructuur). Ten aanzien van de spots met “mobiele” verontreinigingen (minerale olie) dient te worden nagegaan of er sprake is van verspreidingsrisico's (spoedeisende sanering). Hiervoor dient de verontreiniging voldoende en recent te zijn onderzocht. Conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), artikel 6.2.c kan een omgevingsvergunning pas in werking treden nadat door het bevoegd gezag is bepaald dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en is ingestemd met het saneringsplan of een melding in het kader van het Besluit uniforme saneringen (BUS). Vanaf 1 januari 2024 is het met de komst van de Omgevingswet mogelijk dat in plaats van een BUS-melding of saneringsplan er een melding milieu belastende activiteit (MBA) saneren moet worden gedaan.

Conclusie Als gevolg van eerdere gebruik als scheepswerf/-sloperij zijn ter plaatse van het plangebied diverse bodemverontreinigingen ontstaan. Dit betreffen immobiele en mobiele verontreinigingen en asbestverontreiniging. Voorafgaand aan de realisatie van het plan dient aanvullend bodemonderzoek te worden uitgevoerd, zal een saneringsplan worden opgesteld en zullen de noodzakelijke saneringsmaatregelen moeten worden getroffen om het terrein geschikt te maken voor de beoogde bestemming. De economische uitvoerbaarheid zal niet in het gedrang komen. Deze kosten komen conform afspraak voor rekening van de initiatiefnemer.

5.9

Water

Wettelijk kader / inleiding

Noordoevers fase 1

43

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets omvat het gehele proces van het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van wateraspecten in plannen en besluiten. Dit resulteert uiteindelijk in de waterparagraaf. De waterparagraaf is 'een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding'. In de waterparagraaf neemt de initiatiefnemer het wateradvies op van de waterbeheerder, motiveert de eventuele afwijkingen hiervan en stelt eventuele compenserende of mitigerende maatregelen voor. Waterparagraaf Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste beleidsuitgangspunten die van toepassing zijn voor de watertoets van onderhavig bestemmingsplan. Landelijk en Europees beleid De basis van het nationale waterbeleid is vastgelegd in het nationaal waterplan. De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan.

In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico's (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Het Nationaal Waterplan geeft de ambities weer in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is een verdere uitwerking van het nationaal beleid. In het NBW hebben het rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zich als taak gesteld om de wateropgave in beeld te brengen en oplossingsrichtingen uit te werken. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren. Specifiek voor de locatie is het beleidslijn Grote Rivieren van toepassing. In deze beleidslijn wordt voor de gebieden rond de grote rivieren aangegeven welke activiteiten toegestaan zijn. De locatie Noordoevers valt in 'het bergend regime' van de rivier.

Dit is het gedeelte van het rivierbed waar in principe alle activiteiten kunnen worden toegestaan, mits deze voldoen aan de gestelde rivierkundige voorwaarden. Beleid waterbeheerders In het plangebied hebben we te maken met een tweetal waterbeheerders: het waterschap Hollandse Delta en Rijkswaterstaat. In onderstaande tekst wordt het beleid van beide beheerders beschreven. Het waterschap Hollandse Delta Het waterbeleid van Waterschap Hollandse Delta is verwoord in: Waterbeheerprogramma, 2022-2027 Keur WSHD Waterbeheerprogramma 2022 -2027 Het waterbeheerprogramma (WBP) bevat het meerjarige beleid en de doelen van waterschap Hollandse Delta. In het programma zijn doelen uitgewerkt voor de thema's Waterveiligheid, Voldoende water, Schoon water en Waterketen. In het waterbeheerprogramma worden de doelen voor de planperiode 2022-2027 beschreven en hoe die te bereiken. Het waterschap Hollandse Delta zet in op toekomstig bestendig waterbeheer waarbij de volgende sporen worden gevolgd: Klimaatverandering tegengaan door minder energie uit fossiele bronnen te gebruiken. Circulair werken zodat handelen geen negatieve impact meer hebben op onze planeet.

Noordoevers fase 1

44

Assets steeds duurzamer ontwerpen, aanleggen, beheren en onderhouden. De inrichting van het beheergebied aanpassen aan de consequenties die de klimaatverandering nu al heeft. Dat doen op een “groene” manier, door zo veel mogelijk mee te bewegen met de natuur en zo ook de biodiversiteit te bevorderen. Samen met gemeenten, de landbouwsector en andere actoren werken aan het herstel van de sponswerking van de bodem om water te bergen in natte perioden en te anticiperen op langdurige droge perioden. Dat betekent ook dat anders wordt omgegaan met hemelwater. De doelen voor de planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). Lange termijn doelstellingen zijn: Dijken en duinen zijn voldoende sterk en voldoen aan de wettelijke normen Gewerkt wordt niet alleen aan het beperken van de kans op een overstroming, maar ook aan het beperken van de gevolgen Dijken en duinen hebben maatschappelijke meerwaarde De waterveiligheidstaak wordt op een duurzame wijze uitgeoefend Zorg voor genoeg water; niet te veel en niet te weinig. Zorgen voor gezond water, dat bruist van leven. Water verbindt en is van meerwaarde voor natuur en mens, voor stad en platteland. Kostenefficiënte prestaties bij aanvaardbare risico's en veilige omstandigheden.

Minimaliseren negatieve milieu-impact vanuit de bedrijfsvoering (fossiele of schaarse grondstoffen en broeikasgasemissies) Samenwerken met ketenpartners als ware de waterketen één bedrijf. Creëren waarde uit afvalwater en zuiveringsslib Keur WSHD De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Voor sommige werkzaamheden zijn in de keur algemene regels opgesteld. Als aan deze regels wordt voldaan, is geen watervergunning nodig. De werkzaamheden moeten wel bij het waterschap worden gemeld. Rijkswaterstaat Beleidslijn Grote Rivieren De realisatie van het plan vindt voornamelijk plaats in het beheergebied van Rijkswaterstaat. Het waterbeleid van Rijkswaterstaat voor het rivierbed staat in de beleidslijn grote rivieren. De beleidslijn bevat een afwegingskader waaraan nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren moeten voldoen. Voor nieuwe of uitbreiding van bestaande activiteiten in het rivierbed is in veel gevallen een vergunning op grond van de Waterwet nodig.

De volgende randvoorwaarden voor activiteiten in het rivierbed gelden: Behouden van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed in hoogwatersituaties; Ontwikkelingen tegengaan die de mogelijkheid tot rivierverruimingen door verbreding en verlaging van het rivierbed onmogelijk maken. Om te voorkomen dat projecten in een vergevorderd stadium door de beleidsregels geen doorgang vinden zijn er enkele specifieke uitzonderingen gemaakt voor activiteiten en locaties. De Noordoevers in Hendrik-Ido-Ambacht behoren tot deze locatie. Op deze locatie zijn de beleidsregels niet van toepassing. Een watervergunning blijft wel nodig. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Voor dit gebied geldt het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voor grote rivieren. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Onderdelen die vanuit de Barro van toepassing zijn zodat: een veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;

Noordoevers fase 1

45

er geen belemmering is voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Bij de Rietbaan is een vrijwaringszone van 5 meter aanwezig. Gemeentelijk beleid De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft een Hoogwaterbestrijdingsplan opgesteld voor buitendijks gebied, 'Hoogwaterbestrijdingsplan buitendijks gebied' uit oktober 2012. Dit plan heeft als doel duidelijkheid te scheppen over welke maatregelen de gemeente neemt bij een bepaalde waterstand en is samengesteld met het Waterschap Hollandse Delta en de gemeente Zwijndrecht. In de onderstaande beschrijving van het plangebied en watersysteem worden de maatregelen benoemd die worden genomen voor onderhavig plan. Daarnaast heeft de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht het convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend en ligt er een Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023, waarin beschreven staat hoe om te gaan met de zorgplichten voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwatermaatregelen. In een anterieure overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente zijn afspraken hierover vastgelegd.

Beschrijving plangebied en watersysteem Gebiedsbeschrijving De buitendijkse locatie de Noordoevers aan de Rietbaan een zijtak van de Noord in het zuidoosten van Hendrik-Ido-Ambacht wordt ontwikkeld tot een woongebied. De locatie was in het verleden in gebruik als scheepssloperij met grootschalige hallen en loodsen. De woningbouwontwikkeling is in zijn geheel buitendijks. Wegen, fiets- en voetpaden en groeninpassing wordt deels buitendijks en deels binnendijks ontwikkeld. De binnendijkse ontwikkeling valt buiten het plangebied, omdat het hier binnen de bestemming past. Tot enkele jaren geleden waren in het plangebied enkele loodsen op het terrein aanwezig. In de huidige situatie ligt het terrein grotendeels braak met een enkel bedrijfspand. Bestaande watersysteem Het plangebied ligt voor het overgrote deel in het buitendijkse gebied langs de Rietbaan, een zijtak van de Noord en daarmee in het 'beheergebied van Rijkswaterstaat'. Er is geen ander oppervlaktewater aanwezig dan het water van de Rietbaan. In het midden van het plangebied is nog een bedrijfswoning aanwezig. In de huidige situatie schijnt de DWA riolering (Droog Weer Afvoer) door de dijk te lopen, maar de exacte ligging is niet bekend (verslag ABB, 24-04-2019). Hemelwater infiltreert in de bodem of stroomt af richting de Rietbaan.

Noordoevers fase 1

46

Figuur 5.8: Plangebied (binnen rode contour) en ligging waterkering met beschermingszones (geel en groen) De ontwikkelingslocatie ligt grotendeels in de kernzone en beschermingszone van de primaire waterkering. De deelontwikkeling 'de Werf' (zuidoostelijk deel) ligt gedeeltelijk buiten de beschermingszone van de waterkering. Toekomstige plan en het watersysteem Ten opzichte van de bestaande situatie worden woningen buitendijks, maar deels binnen de beschermingszone van de waterkering, gebouwd. De Werf ligt gedeeltelijk buiten de beschermingszone. Er vindt een verhardingstoename plaats in het plangebied. In de huidige situatie is in totaal ca. 7.900 m2 verharding aanwezig. De totale toekomstige verharding is ca. 15.000 m2. Er is dus een toename van ca 7.100 m2. Deze verhardingstoename bevindt zich buitendijks. Er vindt niet tot nauwelijks bebouwing plaats binnen het 'rivierprofiel'. Afvoer van hemelwater zal versneld afvoeren op het watersysteem van de rivier. Voor de afvoer van vuilwater vanuit de woningen moet worden aangesloten op de bestaande binnendijks gelegen riolering, hierdoor wordt op twee locaties de waterkering gekruist. Gevolgen van het plan op het watersysteem Waterkering Bouwen binnen de kernzone en de beschermingszones van de waterkering is aan regels verbonden. De keur van het waterschap is hierop van toepassing.

Rekening dient te worden gehouden met bebouwingsbeperkingen binnen en tot een bepaalde afstand en diepte van de kering. Er mag daarnaast geen negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering ontstaan. Voor bouwwerken binnen of nabij de waterkering is een vergunning noodzakelijk van Waterschap Hollandse Delta. Er bestaat een risico dat er schade ontstaat aan de waterkering ten gevolge van de ontwikkeling. Herstel van deze schade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ook voor een eventuele bemaling voor aanleg van de DWA-riolering door de waterkering is een vergunning noodzakelijk.

Noordoevers fase 1

47

Waterberging Buitendijks vindt een toename plaats van het verhard oppervlak. Daarnaast worden aan de zijde van de rivier damwanden geplaatst voor de huidige damwanden. De vrijwaringszone kan hiervoor worden verplaatst (Verslag 10-1-2018 tussen RWS, WSHD, ABB). Voor deze activiteit is een vergunning noodzakelijk. Uit afspraken tussen de ontwikkelaar en Rijkswaterstaat (mail 2-3-2020) is afgesproken dat er voor de afname van het waterbergend vermogen geen watercompensatie benodigd is. In de beleidslijn Grote rivieren is het plan ook opgenomen als pijplijnproject (activiteit) waarbij het project gevrijwaard wordt van de beleidsregels voor grote rivieren. Omdat het plan is opgenomen als pijplijnproject is het plangebied meegenomen in de plannen van de rivieren van Rijkswaterstaat. Hierdoor is er voldoende rekening gehouden met de ruimte voor water(buffer). Daarnaast heeft de gemeente de hoogte van het toekomstige maaiveld onderzocht en bepaald op circa 3,3+ NAP. De aangehouden hoogte heeft een kans van overstroming eens in de 100 jaar. Dit wordt door het bevoegd gezag als aanvaardbaar risico aangehouden. Doordat het maaiveld wordt verhoogd, verlaagt het overstromingsrisico. Tevens worden er bouwkundige maatregelen toegepast. Veel woningen hebben op de eerste verdieping hun woonkamer en daarbij wordt gelet op voldoende vluchtmogelijkheden.

Op sommige plekken wordt de kade meer dan 0,5m verplaatst. Daar is compensatie/berging wel van toepassing. De watercompensatie hiervoor wordt gerekend van gemiddeld hoogwater (NAP+ 0.92 m.) tot aan de Hoogwaterreferentie (NAP+ 3.12 m). De totale benodigde compensatie betreft 659,4 m3, oftewel 299,7 m2. Deze compensatie zal worden gerealiseerd in de omgeving van de Noordoevers. Schoon hemelwater (HWA) van dakoppervlakken kan rechtstreeks afvoeren op het water van de Rietbaan. Waterkwaliteit De waterkwaliteit van de Rietbaan/de Noord zal door de ontwikkeling niet of nauwelijks worden beïnvloed. Tijdelijke situatie Gedurende het stormseizoen (1 oktober tot 1 april) zijn er geen werkzaamheden toegestaan in de kern en de beschermingszones van de waterkering. Conclusie De impact van de woningbouw ontwikkeling op het oppervlaktewatersysteem is gering. Wel zijn de werkzaamheden van invloed op de waterkering. Voorafgaand aan de bouwactiviteiten zijn vergunningen noodzakelijk in het kader van de waterwet.

5.10

Ecologie

Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS),

Noordoevers fase 1

48

beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Onderzoek Voor het planvoornemen is een natuurtoets uitgevoerd, deze is toegevoegd aan bijlage 8 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Het plangebied is gelegen tussen de Veersedijk en de Rietbaan (water). Het betreft een braakliggend terrein met restanten van het voormalig gebruik (kraan op rails en funderingen). Aan de zuidzijde is tevens plaats voor het te water laten van boten. Binnen het plangebied zijn een aantal bomen (gewone es, lijsterbes, gewone vlier) en struiken (wilde braam) aanwezig. Binnen het plangebied was geen water aanwezig en door de beschoeiing kan het plangebied ook moeilijk worden bereikt door soorten gebonden aan water. Onderzoek naar soorten gebonden aan water is derhalve niet noodzakelijk. Het plangebied wordt ontwikkeld voor woningbouw. Om dit te bereiken dienen bomen gekapt te worden. In de nieuwe situatie komt er weer groen terug. Gebiedsbescherming Natura 2000 Hoofdstuk 2 van de Wnb richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Met deze Europese richtlijnen worden habitats en soorten van Europees belang beschermd. Deze gebieden staan bekend als Natura 2000-gebieden.

Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen (of momenteel nog zijn aangemeld), te voorkomen, bepaalt de Wnb dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (conform artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wnb). Het plangebied ligt in de nabijheid van enkele Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Boezems Kinderdijk en ligt op ongeveer 6 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 5.9). Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 km afstand van het plangebied.

Figuur 5.9: Ligging van het plangebied ten opzichte van de beschermde Natura 2000-gebieden (Ministerie van LNV, 2021). De enige mogelijk relevante storingsfactoren als gevolg van de voorziene ontwikkelingen zijn verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie. Negatieve effecten vanwege verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht zijn niet op voorhand uitgesloten. Voor zowel de aanlegwerkzaamheden als het toekomstige gebruik van het terrein dient dan ook een

Noordoevers fase 1

49

AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. De extra stikstofdepositie binnen de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase is in beeld gebracht om te beoordelen of er mogelijk sprake is van een vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. De ontwikkeling van woningen en horeca voorziet in een gasloze ontwikkeling. eveneens worden de gebouwen zonder (open)haarden en zonder rookgaskanalen opgeleverd. Daarmee blijft alleen de toename van het verkeer vanwege de te realiseren woningen en horeca over als bron van stikstofemissie. Deze verkeerstoename is doorgerekend in AERIUS (zie bijlage 10). Uit deze berekening volgt geen toename van de stikstofdepositie (0,00 mol N/ha/j). Naast de emissies van het gebruik, zijn er ook emissies van verschillende aanlegfasen. De maatgevende jaren zijn 2024, waarin de meeste emissies plaatsvinden door aanleg, en 2028, waarin de emissies plaatsvinden door zowel gebruik als aanleg. Voor beide maatgevende jaren is geen toename van de stikstofdepositiebijdrage berekend (0,00 mol N/ha/j), zie ook bijlage 10 voor de resultaten. Er kan worden geconcludeerd dat significant negatieve effecten als gevolg van de gebruiksfase en aanlegfase kunnen worden uitgesloten. Er is hierdoor voor de gebruiksfase en aanlegfase geen vergunningplicht om het project uit te voeren.

Natuurnetwerk Nederland Het NNN-beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening, hierin zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Bij dit onderdeel is onderzocht of het plangebied in of nabij het NNN ligt. Hiervoor is gebruik gemaakt van interactieve kaart van de provincie Zuid-Holland. Op grond van de aard van de ingreep en de afstand tot beschermde gebieden wordt bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 100 meter ten zuidoosten van het plangebied (zie figuur 5.10). Het betreft een N14.01 Rivier-en beekbegeleidend bos.

Figuur 5.10: De Ligging van het plangebied (weergegeven in rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN) Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in gebieden die zijn aangewezen als NNN-gebied. Binnen de provincie Zuid-Holland is een toets van externe werking niet nodig. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van omliggende NNN-gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Er hoeven geen extra maatregelen getroffen te worden met betrekking tot het NNN. Houtopstanden Voor het onderdeel Houtopstanden is onderzocht of de bescherming van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb, binnen het project van toepassing is. Op basis van de kaart "Komgrenzen ZH Wnb" valt het plangebied binnen de bebouwde kom en derhalve onder de APV. Op basis van de APV vallen de te

Noordoevers fase 1

50

kappen bomen onder een houtopstand. Echter is alleen voor het vellen van een houtopstand die onderdeel uitmaakt van de "Groene Kaart" een melding nodig. Gezien de bomen binnen het plangebied niet op de "Groene Kaart" staan, zijn er geen vervolgstappen noodzakelijk. Wel is een kapvergunning noodzakelijk binnen de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Soortbescherming Hieronder wordt de (mogelijke) aanwezigheid van onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten beschreven en wordt voor de aanwezige habitats beoordeeld of ze geschikt zijn voor onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Tevens is per (mogelijk) voorkomende soort(groep) een effectbeoordeling opgenomen en worden eventuele vervolgstappen beschreven. De bestaande bedrijfswoning aan de Veersedijk 253 is niet meegenomen in het onderzoek. In onderhavig bestemminsplan wordt niet voorzien in de sloop van dit gebouw. Vaatplanten Op basis van de verspreidingsgegevens kan ridderspoor in de omgeving van het plangebied voorkomen. Tijdens het veldbezoek is deze niet waargenomen. Wel zijn de soorten boerenwormkruid, ruig fijnstraal, wilde braam, wilde lijsterbes, wilde vlier, akkerdistel, bezemkruiskruid, bonte leeuwenbek en kornoelje waargenomen. Deze soorten duiden op een verstoorde en voedselrijke bodem. Vrijwel alle beschermde vaatplanten zijn gebonden aan natuurgebieden, schrale gronden of extensief beheerde gronden.

Dergelijk habitat is niet aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van verspreidingsgegevens en/of de habitatanalyse kan het voorkomen van beschermde vaatplanten redelijkerwijs worden uitgesloten. Grondgebonden Zoogdieren De verspreidingsgegevens van de NDFF duiden op het voorkomen van de steenmarter 1,5 km ten zuiden van het plangebied. Binnen het plangebied is tijdens het veldbezoek geen geschikte locatie voor verblijfplaatsen van de steenmarter aangetroffen. Het ontbrak aan dichte struwelen. Het gebied is mogelijk wel geschikt als foerageergebied. Het voorkomen van de steenmarter is daarom niet geheel uit te sluiten binnen het plangebied. Vleermuizen Op basis van de verspreidingsgegevens kunnen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis en ruige dwergvleermuis voorkomen. In de bomen binnen het plangebied zijn geen waarnemingen van geschikte holtes die kunnen dienen als verblijfplaats. Ook is de bedrijfswoning op Veersedijk 253 onderzocht. Hier ontbrak het aan voegen en kieren om in of achter te schuilen. Ook waren er geen scheve dakpannen aanwezig, waardoor mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen onder de dakpannen minimaal is. Binnen het plangebied zijn eveneens geen mogelijke vliegroutes aanwezig. Wel is het potentieel geschikt als foerageergebied, waardoor de aanwezigheid van vleermuizen niet kan worden uitgesloten.

Vanwege de aanwezigheid van ander foerageergebied in de nabijheid van het plangebied betreft het hier geen essentieel foerageergebied. Er is ten behoeve van de sloop van een woonhuis op Veersedijk 271 in 2019 een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen binnen het plangebied (Adviesbureau mertens B.V. (2019), Vleermuizen en broedvogels ter plaatse van en direct rond Veersedijk 267-273 te Hendrik-Ido-Ambacht. Rapportnummer: 2019.3346). Dit rapport is toegevoegd aan bijlage 9 van de toelichting van dit bestemmingsplan. In dit onderzoek zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en essentiele foerageergebieden uitgesloten. Tevens is ten tijde van het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan het woonhuis aan de Veersedijk 271 reeds gesloopt. Vogels Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF en veldbezoek is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Van de volgende broedvogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn vanuit de literatuur waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend: ransuil, buizerd, boomvalk en sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen, waardoor het voorkomen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13998633/1