Bijlage bij raadsvoorstel 9.3 NL.IMRO.0531.bp52Noordoevers.3001 Toelichting
Tekst van het document
Noordoevers fase 1
51
van jaarrond beschermde nesten geen belemmering vormt. In het plangebied en de directe omgeving kunnen wel algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest voorkomen. In het plangebied is geschikt leefgebied (bomen en struiken) aanwezig voor vogelsoorten om tot broeden te komen. Aanwezigheid van algemene broedvogels is daarom in het plangebied niet uitgesloten. Amfibieën De verspreidingsgegevens uit de NDFF wijzen op het voorkomen van de alpenwatersalamander ter plaatse van Papendrecht op 1,5 km ten oosten van het plangebied. Het betreft een waarneming buiten natuurlijk verspreidingsgebied van de alpenwatersalamander. Binnen het plangebied zijn geen permanente watervoerende elementen aanwezig. Op basis van habitatgeschiktheid en verspreidingsgegevens is het voorkomen ter plaatse van het plangebied uitgesloten. Ongewervelden Op basis van de verspreidingsgegevens kan de rivierrombout (Categorie Habitatrichtlijn) voorkomen binnen en in de omgeving van het plangebied. Doordat de oevers langs het plangebied en de ter-water-latingsplaatsen zijn beschoeid, zijn er geen plaatsen die geschikt zijn voor de larven van de rivierrombout om uit te sluipen langs het plangebied. Het voorkomen van beschermde ongewervelden is hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Wel kunnen de soorten sporadisch zwervende individuen langs en binnen het plangebied voorkomen.
De soorten zijn echter zeer mobiel en goed in staat het plangebied te ontvluchten ten tijde van de uitvoer van de werkzaamheden. Effectenbeschrijving- en beoordeling Onderstaand zijn de mogelijk negatieve effecten voor de voorkomende beschermde soorten beschreven en beoordeeld. Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting kunnen steenmarters worden verstoord. Binnen het plangebed zijn geen geschikte verblijfplaatsen waargenomen. Het plangebied is mogelijk wel geschikt als foerageergebied. Gezien het ontbreekt aan geschikte verblijfplaatsen en in de omgeving van het plangebied alternatief leefgebied aanwezig is, is er geen sprake van essentieel foerageergebied. Steenmarters zijn mobiel en goed in staat uit te wijken naar alternatief leefgebied in de omgeving. Hierdoor zijn overtredingen op verbodsbepalingen met betrekking tot steenmarters uitgesloten. De kap van bomen en verwijderen van het bramenstruweel kan leiden tot vernietiging van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van steenmarter. De werkzaamheden leiden daardoor potentieel tot een overtreding van 3.10, lid 1a en 1b van de Wnb. Voor algemeen voorkomende beschermde soorten (zoals konijn en muizen) bestaat in de Provincie Zuid Holland een algemene vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen.
Om deze reden hoeft voor de optredende verstoring door het verwijderen van de ondergroei en/of het deels dempen van de watergang, geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om doding of verwonding zo veel mogelijk te voorkomen. De maatregelen komen overeen met de maatregelen om invulling te gegeven aan de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming), voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten. Voor vogels geldt dat wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen broedende vogels in het plangebied en de directe omgeving kunnen worden verstoord. De kap van bomen kan leiden tot vernietiging van jaarrond beschermde nesten, en verstoring en/of doding van broedvogels. De werkzaamheden leiden daardoor potentieel tot een overtreding van 3.1, lid 1, 2 en 4, van de Wnb. Er dient wel buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van de mogelijk voorkomende beschermde soorten in en rondom het plangebied en de hierboven beschreven effecten. Ook is beschreven of nader vervolgonderzoek noodzakelijk is en of eventueel ontheffing noodzakelijk is.
Noordoevers fase 1
52
Figuur 5.11: Overzicht van voorkomende en niet uitgesloten soorten in het onderzoeksgebied, de mogelijk optredende negatieve tijdelijke en permanente effecten, en welk verbodsartikel van toepassing is. Er is ook aangegeven of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Algemene zorgplicht Voor alle soorten, beschermd of niet, geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Om hieraan te kunnen voldoen dienen: 1. De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht 2. Na zonsondergang wordt het gebruik van kunstlicht zoveel mogelijk beperkt en uitstraling van licht naar de omgeving voorkomen; 3. Bij het bouwrijp maken en het kappen van de bomen binnen het plangebied, wordt er één richting opgewerkt, zodat kleine dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben om te vluchten; 4. Voor de uitvoering van de werkzaamheden wordt enkel gebruik gemaakt van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten en beschadiging van hun leefgebied voorkomen; 5.
Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden (opnieuw) geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog. Voorgenoemde maatregelen en toepassen van preventieve dan wel mitigerende maatregelen dienen door een ecologisch deskundige te worden bewaakt. Hiertoe dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Dit ecologisch werkprotocol dient tijdens de werkzaamheden op locatie aanwezig te zijn. Conclusie Middels een AERIUS-berekening is aangetoond dat er geen toename van de stikstofdepositie (0,00 mol N/ha/j) zal plaatsvinden in de gebruiksfase en de aanlegfase. Hiermee kunnen significant negatieve effecten binnen omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling (gebruiksfase en aanlegfase) op voorhand worden uitgesloten en is het project niet vergunningplichtig in het kader van stikstofdepositie. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in gebieden die zijn aangewezen als NNN-gebied. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van omliggende NNN-gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Er hoeven geen extra maatregelen getroffen te worden met betrekking tot het NNN.
Noordoevers fase 1
53
Er is geen sprake van de kap van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb en/of de APV. Er zijn daarom geen vervolgstappen nodig voor het kappen van bomen in het kader van de Wnb. Binnen de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht is wel een kapvergunning benodigd voor het kappen van de bomen binnen het plangebied. Ten aanzien van wettelijk beschermde soorten is het voor de algemene broedvogels en vleermuizen noodzakelijk om voorzorgsmaatregelen te treffen, zoals werken buiten het broedseizoen of de verstoringsafstand of specifiek voor vleermuizen werken bij daglicht of met gebruik van aangepaste verlichting. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing benodigd is in het kader van de Wnb.
5.11
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat uiteindelijk over naar de Omgevingswet. Tot die tijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige danwel te verwachten monumenten. Cultuurhistorie Bij ruimtelijke ordening wordt een integrale afweging gemaakt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte, waaronder cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Sinds 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Onderzoek Archeologisch bureauonderzoek Een archeologisch bureauonderzoek is verricht met betrekking tot het plangebied aan de Veersedijk te Hendrik-Ido-Ambacht. Dit onderzoek is toegevoegd aan bijlage 11 van de toelichting van het bestemmingsplan.
Het plangebied is momenteel braakliggend en heeft een omvang van circa 2,9 ha. Op sommige plaatsen is het plangebied nog verhard met klinkers of asfalt en bevindt zich nog één bedrijfswoning, gelegen aan de Veersedijk 253 (1956). Voorheen bevond zich aan de Veersedijk 271 (1920 – slechte staat) ook nog een bedrijfswoning. Deze is onlangs gesloopt. Voorafgaand aan de ontwikkelingen dient in kaart gebracht te worden of zich binnen het plangebied behoudenswaardige archeologische waarden kunnen bevinden, die tegen de achtergrond van de geplande bodemingrepen gevaar lopen. Gezien de aard van de ingrepen kunnen de geplande ingrepen naar verwachting mogelijk tot in het relevante archeologisch niveau reiken. Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een lage archeologische verwachting voor alle perioden tot aan het begin van de 19e eeuw. De pleistocene riviervlakte bevindt zich op een diepte van ongeveer 14 tot 16 meter beneden maaiveld, met daarboven jonge rivierafzettingen vanaf de Late Middeleeuwen. Dit diepere niveau (dat alleen door heipalen wordt bedreigd) is waarschijnlijk al geërodeerd door de Biesbosch en de Noord stroomgordels. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat na de herbedijking van 1331-1336 buitendijks kwam te liggen. Het plangebied kwam daarmee in een dynamisch milieu te liggen, onder invloed van de schurende werking van de rivier.
Bij het onderzoek in de Sophiapolder (direct aan de overzijde van de Rietbaan) werd in eerste instantie in het bureauonderzoek uitgegaan van de kans op bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen in de top van het veen en afdekkende kleilaag met al dan niet oeverafzettingen. Het
Noordoevers fase 1
54
vervolgonderzoek aldaar (boringen en begeleiding van de graafwerkzaamheden) heeft echter uitgewezen dat er geen sprake was van een potentieel archeologisch niveau. Pas op de Kadastrale Minuut van 1811-1832 is sprake van enige bebouwing binnen het plangebied, met enkele huisjes langs de dijk. Vanaf het einde van de 19e eeuw wordt het terrein in gebruik genomen als scheepssloperij. Op topografisch kaartmateriaal is te zien dat de bebouwing binnen het terrein gedurende de tijd voortdurend wisselt, voornamelijk met bedrijfsbebouwing, hallen etc., en mogelijk wat bedrijfswoningen. Het plangebied is voorzien van een kade en opgehoogd, op basis van het AHN bedraagt deze ophoging plaatselijk 2 meter of meer. Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting voor alle perioden tot aan de Nieuwe tijd / 19e eeuw. Vanaf dat moment verschijnt er wat spaarzame bebouwing langs de dijk. Vanaf het einde van de 19e eeuw wordt het terrein in gebruik genomen als scheepssloperij en vindt er allerhande grondverzet plaats, met wisselende bebouwing (bedrijfsbebouwing, hallen etc., en mogelijk wat bedrijfswoningen). Verder wordt het terrein waar nodig gesaneerd, opgehoogd en geëgaliseerd. Op basis van het bureauonderzoek is er geen sprake van een waardevolle/behoudenswaardige vindplaats binnen het plangebied.
Daarom zijn geen verdere stappen geadviseerd in het kader van de archeologische monumentenzorg (AMZ), en wordt geadviseerd het gebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is daarom van het plangebied afgehaald. Cultuurhistorie In de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland wordt de Veersedijk aangeduid als een historisch landschappelijke lijn. De Rietbaan betreft een historisch landschappelijk vlak. De voorziene ontwikkelingen liggen hier tussenin. Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig. Tevens is er geen sprake van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Op de Stolklocatie bevinden zich een aantal industriële relicten die behouden blijven of op een nieuwe manier zichtbaar worden gemaakt voor de toekomst. De historische spoorkraan is hier de meest opvallende van. Maar ook het kraanspoor, de scheepshelling en de insteekhaven zijn nog getuigen van de scheepsloperijen die op deze locatie gevestigd waren. Hiermee wordt recht gedaan aan historische elementen die zich bevinden in het plangebied door het invulling te geven in het stedenbouwkundig plan. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is er geen sprake van een waardevolle/behoudenswaardige vindplaats binnen het plangebied. Het advies is om het plangebied vrij te geven.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is van het plangebied afgehaald. Doordat de ontwikkeling plaatsvindt buiten beschermd stads- en dorpsgezicht, en omdat er geen Rijksen gemeentelijke monumenten aanwezig zijn, vormt cultuurhistorie geen belemmering voor het planvoornemen. Wel zijn aanwezige historische elementen binnen het plangebied opgenomen in het stedenbouwkundig plan.
5.12
Ontplofbare oorlogsresten (OO)
Kader In Nederland zijn in de (Eerste en) Tweede Wereldoorlog (WOII) veel munitie en explosieven achtergebleven in de (water)bodem, die niet tot ontploffing zijn gekomen: conventionele explosieven (CE). Op het moment dat in de nabijheid van deze niet-gesprongen explosieven trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze alsnog afgaan. Denk bijvoorbeeld aan werkzaamheden als graven, boren, heien en grondverzet. Dit levert gevaar op voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, uitvoerders en andere personen in de omgeving van de werkzaamheden. Om de risico's van ongewenst afgaan van CE zo veel mogelijk te beperken, is voldoende en goed vooronderzoek (en indien nodig vervolgstappen opsporing) door een deskundige belangrijk. De verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar (en de ruiming van) eventuele explosieven ligt in eerste instantie bij de RWS, als opdrachtgever/initiatiefnemer van de graaf- en
Noordoevers fase 1
55
grondwerkzaamheden. Het opsporen van CE die als gevolg van WOII in de (water)bodem zijn achtergebleven, mag op grond van het Arbobesluit alleen plaatsvinden door bedrijven die hiervoor gecertificeerd zijn. Bijlage XII bij de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling bij de Arbowet) bevatte het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE). Deze is sinds per 1 januari 2020 vervangen door het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO). In het CS-OOO staat beschreven welke bronnen in het vooronderzoek (tenminste) moeten worden geraadpleegd en op welke wijze de beoordeling van het bronnenmateriaal moet plaatsvinden. Hiermee is de 'minimale onderzoeksinspanning' voor het vooronderzoek omschreven. Resultaten In het gebied van de oostelijke- en zuidelijke ronding van het eiland IJsselmonde is in 2018 door Expload Explosieven Adviseurs in samenwerking met de firma Saricon een historisch vooronderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd (Bijlage 12). De voorziene ontwikkelingen van onderhavig bestemmingsplan vallen binnen het onderzoeksgebied.
Figuur 5.12: Begrenzing onderzoeksgebied vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten (Expload, d.d. 13-12-2018) Uit een inventarisatie en analyse van historisch bronnenmateriaal kon worden vastgesteld dat er in het onderzoeksgebied zoals in figuur 5.12 is weergegeven sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van OO. Ten zuiden van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is een verdachte locatie vastgesteld met mogelijk brisante afwerpmunitie (geallieerd). Echter, de grens van de verdachte locatie reikt niet over het plangebied. Conclusie Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
Noordoevers fase 1
56
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische planopzet
Standaard en plansystematiek
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Alleen de regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. De plantoelichting bevat de achtergronden, onderzoeken en motieven van het plan. De toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang, maar kan daarnaast van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. De juridische planopzet en de inhoud van de toegekende bestemmingen worden in dit hoofdstuk toegelicht. Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voortvloeiende uit de Wro is het plan mede gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Op de verbeelding zijn bestemmingen toegekend aan de diverse aanwezige functies. Bij het opstellen van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT).
6.2
Toelichting op de regels
Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen De gronden met de bestemming Groen zijn bestemd voor groen, water, speelvoorzieningen, kunstvoorwerpen, onder- en/of bovengrondse voorzieningen ten behoeve van het inzamelen van huishoudelijk afval, straatmeubilair, voet- en fietspaden en nutsvoorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Daarnaast is binnen de bestemming een ondergrondse spoorverbinding aangeduid, deze is aangeduid met 'tunnel'.
Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied De gronden met de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied zijn bestemd voor verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemming. Daarnaast zijn bijbehorende voorzieningen toegestaan zoals groen, parkeervoorzieningen, kunstvoorwerpen, (ontsluitings)wegen, paden, onder- en/of bovengrondse voorzieningen ten behoeve van het inzamelen van huishoudelijk afval, speelvoorzieningen, straatmeubilair, reclame-uitingen en water. Ook zijn nutsvoorzieningen toegestaan. Gebouwen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak. Dit betreft een gebouw ten behoeve van de veiligheidsregio en is aangegeven met de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - voorziening hulpdiensten'. Buiten het bouwvlak zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
Noordoevers fase 1
57
toegestaan. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 10 m. Binnen de bestemming is een ondergrondse spoorverbinding aangeduid, deze is aangeduid met 'tunnel'. Ook is een aanduiding 'terras' opgenomen. Hier is een terras toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - kraan' is de reeds aanwezige cultuurhistorische kraan toegestaan. Voor eventueel medegebruik van deze kraan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Artikel 5 Water De gronden met de bestemming Water is opgenomen voor het verkeer te water en waterhuishoudkundige doeleinden. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Aanlegplaatsen voor kleine schepen met bijbehorende aanlegsteigers zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - aanlegplaats'. Artikel 6 Wonen De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor woningen, al dan niet met niet-publiekgerichte aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven. Horecabedrijven uit ten hoogste categorie A, B en C van de lijst van horeca-activiteiten zijn toegestaan, met dien verstande dat het uitsluitend op de begane grond is toegestaan met een maximum van 385 m2 bvo. Daarnaast zijn (gebouwde) parkeervoorzieningen toegestaan en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, (dak)tuinen, groen, paden, nutsvoorzieningen en water.
Ook is een aanduiding 'terras' opgenomen. Hier is een terras toegestaan. Het oprichten, veranderen of uitbreiden van gebouwen is toegestaan indien aangetoond kan worden dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en in stand zullen worden gehouden. Bij de beslissing op de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt voor de beoordeling of sprake is van voldoende parkeerplaatsen de beleidsregel 'Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018' (vastgesteld d.d. 8 juli 2019) en diens rechtsopvolger(s) betrokken. Tevens dienen de parkeerplaatsen bereikbaar te zijn vanaf de openbare weg. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De bouwhoogte van hoofgebouwen is aangegeven in de verbeelding. Alleen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' is gestapelde woningbouw toegestaan. Aaneengebouwde woningbouw is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - aaneengebouwde woningen'. Een vrijstaande woning is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' en een twee-aaneen woning is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen'. In totaal mag het aantal woningen niet meer dan 176 bedragen. Aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Waarbij de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen ten hoogste 30 m2 bedraagt per woning.
De gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hooste 50% van het bouwperceel, met een maximum van 80 m2 bij grondgebonden woningen en 10 m2 per woning bij gestapelde woningen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Binnen deze bestemming is de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf in maximaal milieucategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie. De omvang van de activiteit bedraagt ten hoogste 25% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 50 m². Daarbij mag het gebruik geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en en er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Ook mag het gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu opleveren en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving. De activiteit moet bovendien worden uitgeoefend door de bewoner. De uitoefening van horecabedrijven uit categorie D van de Lijst van horeca-activiteiten zijn niet toegestaan binnen deze bestemming. Voor het realiseren van de woningen moet voldaan worden aan het bij dit bestemmingsplan behorende Besluit hogere waarden Wet geluidhinder.
Artikel 7 Leiding - Gas De gronden met de bestemming Leiding - Gas zijn behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) tevens bestemd voor een aardgastransportleiding. Ten behoeve van deze bestemming
Noordoevers fase 1
58
zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Bouwwerken ten dienste van secundaire bestemmingen mogen uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Aan de leiding is door het opgenomen omgevingsvergunningenstelsel een nadere planologische bescherming gegeven. Voordat een omgevingsvergunning wordt verleend zal vooraf door burgemeester en wethouders advies in worden gewonnen bij de leidingbeheerder. Artikel 8 Waterstaat - Waterkering De gronden met de bestemming Waterstaat - Waterkering zijn behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) tevens bestemd voor de waterkering. Op deze gronden mogen ten behoeve van deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Bouwwerken ten dienste van secundaire bestemmingen mogen uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Hoofdstuk3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 10 Algemene bouwregels In deze regels zijn algemene bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen in het plan gelden. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin staat dat de in dit bestemmingsplan aangewezen gronden slechts in gebruik genomen mogen worden onder de voorwaarde dat er voldoende parkeerplaatsen zijn gerealiseerd conform de beleidsregel 'Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018' (of diens rechtsopvolger) en in stand worden gehouden. Artikel 11 Algemene aanduidingsregels Onder de algemene aanduidingsregels is de aanduiding 'Geluidzone - industrie' opgenomen. Binnen deze zone mogen geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd, tenzij hogere waarden verleend worden als de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en voldaan wordt aan de Wet geluidhinder. Vervanging van bestaande geluidgevoelige objecten is toegestaan indien wordt voldaan aan de bepalingen van de Wet geluidhinder.
Daarnaast is de aanduiding 'Vrijwaringszone - vaarweg' opgenomen. De gronden met deze aanduiding zijn, behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud van een goede doorvaart van de scheepvaart. Op de gronden mogen ten behoeve deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Ook geldt hier een specifieke gebruiksregel voor de vrijwaringszone dat deze aanduiding van toepassing is op de gronden 5 meter landinwaarts, gemeten vanaf de kadelijn. Indien er steigers met meerpalen of vlonders voor de kade aanwezig zijn geldt de buitencontour van deze bouwwerken als nieuwe kadelijn. Artikel 12 Algemene gebruiksregels Onder de algemene gebruiksregel is een verplichting ten aanzien van waterberging opgenomen. Voor het verplaatsen van de kade dient watercompensatie plaats te vinden. Dit zal worden gerealiseerd in de omgeving van Noordoevers. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels In deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
Noordoevers fase 1
59
Artikel 14 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsregel opgenomen waarmee Burgemeester en wethouders de in het plan opgenomen bestemmingen kunnen wijzigen ten behoeve van een overschrijding van de bestemmingsgrenzen. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Artikel 16 Slotregel Deze regel bevat de citeerregel van het plan.
Noordoevers fase 1
60
Hoofdstuk 7
7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te geven over de uitvoerbaarheid van het plan. In deze paragraaf wordt ingegaan op de economische (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het planvoornemen wordt door de initiatiefnemer voorbereid en uitgevoerd. Exploitatieplan Volgens de Wro moet de gemeente een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal op een andere wijze is gegarandeerd. In dit geval is voor het planvoornemen een anterieure overeenkomst afgesloten tussen intitiatiefnemer en gemeente Hendrik-Ido-Ambacht. Conclusie Gelet op het bovenstaande is de conclusie dat het plan financiëel uitvoerbaar is.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak en maatschappelijk overleg Op grond van artikel 3.1.6 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Op 30 november 2022 heeft een bewonersavond plaatsgevonden. Het verslag van de bijeenkomst is toegevoegd aan bijlage 13. Ook zijn door de initiatiefnemer gesprekken gevoerd met de directe stakeholders. In november 2022 is de informatieavond voor bestemmingsplan de Noordoevers fase 1 geweest waar ook wensen en ideeën van omwonenden/geïnteresseerden zijn binnen gekomen. Waar mogelijk zijn de wensen en ideeën verwerkt. Onderstaand betreft een korte omschrijving: De inritten op de dijk en het fietspad zijn op elkaar afgestemd op verkeersveiligheid. Wandelroutes zijn aangepast en toegankelijk gemaakt voor mindervaliden. Ook is een oversteek voor mindervaliden toegevoegd. Speelaanleidingen zijn in de groenzone toegevoegd. Er zijn meer bomen en bosschages in het plan aangebracht. Verdere optimalisatie van steigers zijn verwerkt. Enkele appartementen van circa 70 m2 gebruiksoppervlakte en een studio is toegevoegd. Diverse appartementen zijn levensloopbestendig gemaakt.
Overleg met andere overheden Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het conceptontwerp bestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties, waaronder rijks- en gemeentelijke instanties. Voor de wijze waarop de reacties zijn verwerkt wordt verwezen naar de Nota Vooroverleg in bijlage 14.
Noordoevers fase 1
61
Daarnaast is het planvoornemen uitvoerig besproken tussen initiatiefnemer en Rijkswaterstaat. Zienswijzen Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken voor een ieder ter visie gelegen. Er zijn vier zienswijzen binnengekomen op het ontwerpbestemmingsplan. De nota van zienswijzen is toegevoegd aan bijlage 15. In de nota zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord. Ook is een overzicht gegeven van de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan en de ambtshalve wijzigingen.
Noordoevers fase 1
62