Bijlage bij raadsvoorstel 9.3 NL.IMRO.0531.bp52Noordoevers.3001 bijlagenboek
Tekst van het document
•
Verschillende ensembles kunnen worden verbonden met een tussenstuk dat de fysieke verbinding vormt tussen twee ensembles.
Herkenbaarheid - laagbouw
Herkenbaarheid - hoogbouw
•
•
Twee ensembles zijn onderscheidend ten opzichte van elkaar in gebouwvorm en/of volume, zodat de losse bouwmassa’s duidelijk herkenbaar zijn.
•
Qua kleur en/of materialisatie zijn ensembles afwijkend, wat bijdraagt aan de afzonderlijke herkenbaarheid.
Woningen op een rij vormen één ensemble. Binnen dit ensemble zijn woningen wel individueel of per duo herkenbaar, bijvoorbeeld door de dakvorm of gevelopeningen.
•
De kopgevel wordt ontworpen als eindgevel, waarop ruimte is voor een verbijzondering, passend bij werfarchitectuur. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan letters, cijfers, vormen, afbeeldingen, een afwijkend raam en/of beplanting.
•
Twee ensembles zijn onderscheidend ten opzichte van elkaar in massa. Hier liggen kansen om onderscheid te maken in bouwhoogte, verschijningsvorm en/of positie t.o.v. de rooilijn.
Herkenbare gebouwvormen die ter inspiratie kunnen dienen.
Laagbouw: Ensembles zijn onderscheidend in massa.
Laagbouw: aanééngesloten laagbouw vormt een ensemble.
16
Hoogbouw: gebouwen presenteren zich als afzonderlijke ensembles.
Hoogbouw: verschillende ensembles zijn herkenbaar in verschijningsvorm.
17
2.3 Buitenruimten Voor de buitenruimten die grenzen aan de openbare ruimte, worden beeldkwaliteitseisen opgenomen, zodat zowel de woonbeleving, als de kwaliteit van de openbare ruimte worden gewaarborgd. Balkons worden vormgegeven als duidelijke toevoeging van het gebouw en loggia’s zijn onderdeel van de bouwmassa. Op deze manier wordt bijgedragen aan de karakteristieken van de scheepswerfsarchitectuur.
Balkons, terrassen en loggia’s
Afmetingen van buitenruimten boven openbaar gebied
•
Een loggia is onderdeel van de gebouwmassa. De materialisatie komt overeen met het bouwvolume.
•
Balkons kragen bij voorkeur maximaal 2,5m uit t.o.v. de gevel, om een kwalitatieve beleving van het maaiveld te behouden.
•
Balkons en terrassen worden vormgegeven als functioneel volume dat later aan het gebouw is toegevoegd. Materialisatie mag hierbij afwijken van het hoofdmateriaal van de gevel.
•
Voor de plint is het belangrijk dat in de architectuur rekening wordt gehouden met een royale optische hoogte. De buitenruimtes van de onderste verdiepingen worden zorgvuldig ontworpen met aandacht hiervoor.
•
Een hybride variant tussen een loggia en een balkon biedt kansen voor de kwalitatieve beleving vanaf het maaiveld.
Buitenruimten - algemeen •
Buitenruimten dragen bij aan het architectonisch beeld en versterken de scheepswerfsarchitectuur.
•
Architectuur wordt ingezet om de buitenruimte te accentueren en de privacy te verbeteren. Bijvoorbeeld door middel van steunberen, hekwerken of plantenbakken. De openheid en relatie tussen woningen en de kade is hierbij een belangrijk uitgangspunt.
Terrassen op het dek •
Terrassen op het dek, grenzend aan collectief groen worden als eenheid ontworpen.
Bij het ontwerp van buitenruimten boven openbare ruimte, wordt rekening gehouden met de kwalitatieve beleving vanaf het maaiveld.
6m
3m
Laagbouw: Buitenruimten in relatie tot de openbare ruimte.
Architectuur wordt ingezet om buitenruimten op het maaiveld te accentueren.
18
Hoogbouw: loggia’s (en setbacks) zijn onderdeel van de hoofdvorm, balkons vormen een toegevoegd element.
Architectuur van balkons versterkt de scheepswerfarchitectuur.
19
2.4 Gevelindeling en dakbeëindiging Gevelindeling - algemeen
Gevelindeling - laagbouw
Gevelindeling - hoogbouw
Dakbeëindiging - hoogbouw
De herkenbaarheid van ensembles en de gewenste architectuur worden versterkt door de gevel. Dit komt terug in de materialisatie en de detaillering.
•
Om de grote schaal van de bebouwing te benadrukken, kan de gevel van twee verdiepingen architectonisch worden samengevoegd.
•
•
Daken bieden kansen voor verduurzaming. Waar mogelijk worden deze uitgevoerd met zonnepanelen en/of vegetatiedak.
•
•
Ondanks dat de woningen onderdeel zijn van een groter ensemble, worden woningen individueel of per duo herkenbaar ontworpen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting komen door een herkenbare kapvorm, penanten en/of een gevelopening over meerdere verdiepingen.
•
Een bijzondere kapvorm draagt bij aan de karakteristieke identiteit van Noordoevers. De architect wordt uitgedaagd om de dakbeëindiging in te zetten om de scheepswerfsarchitectuur te versterken.
•
Installaties op het dak zijn beperkt zichtbaar vanaf het maaiveld of installaties vormen een functionele uitzondering die de architectuur versterkt.
• •
•
Voor de gevel van het hele ensemble wordt één hoofdmateriaal gebruikt dat rondom zorgt voor de herkenbaarheid ervan. Om de gevel te verbijzonderen worden gevelopeningen geaccentueerd in de gevelarchitectuur. Bellentableaus, brievenbussen en installaties mogen aan de gevel worden gemaakt, passend bij de karakteristieke Scheepwerfsarchitectuur.
Dakbeëindiging - laagbouw •
Zonwering wordt per ensemble ontworpen, zodat de eenheid van een ensemble behouden blijft. Deze wordt optioneel aangeboden in de VVE-voorwaarden.
Laagbouw: twee verdiepingen kunnen architectonisch worden samengevoegd.
De kapvorm en materialisatie sluiten aan bij het industriële karakter van de scheepswerfarchitectuur.
Gevelopeningen krijgen een verbijzondering. Bijvoorbeeld door een rollaag.
20
De gevel is verticaal opgedeeld in minimaal twee herkenbare delen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting komen d.m.v. een setback, een dubbelhoge plint of een trapsgewijze dakbeëindiging.
•
Om deze opdeling te versterken, krijgen beide delen een een andere uitstraling. Bijvoorbeeld door een andere kleur of materialisatie te kiezen per geveldeel.
•
Per geveldeel wordt een passende gevelindeling gekozen, middels de positie van kozijnen en/of buitenruimten.
•
De plint is uitnodigend en bij publieke functies zo transparant, mogelijk ontworpen, wat bijdraagt aan levendigheid op het maaiveld. Het maaiveld wordt hierbij ingezet om deze functies te versterken.
Hoogbouw: gevelopdeling kan tot uiting komen door een trapsgewijze dakbeëindiging of een duidelijk herkenbare plint.
Hoogbouw: de gevel is horizontaal opgedeeld in twee herkenbare delen.
21
2.5 Verbindingsstukken tussen ensembles
2.6 Accenten
Om de hoofdvorm van ensembles te versterken, worden verbindende stukken (zoals entrees van garages) ontworpen als later toegevoegd element. Dit principe kan ook worden toegepast om ensembles met dezelfde hoogte op te splitsen.
Aan Noordoevers zullen een aantal iconen komen: herkenbare bouwwerken die uniek zijn en de identiteit van De Noordoevers zullen vormen. De cultuurhistorische kraan op het kraanspoor is hiervan een goed voorbeeld. De kraan krijgt in het toekomstige plan een plek en behoudt zijn uitstraling.
Parkeervoorzieningen worden meegenomen in het ontwerp, zodat deze de woonbeleving en de openbare ruimte zo min mogelijk verstoren. Parkeerplekken voor bewoners worden zoveel mogelijk op eigen terrein (of in parkeerdekken) gerealiseerd en versterken de scheepwerfsarchitectuur.
Ook zullen er nieuwe accenten worden toegevoegd volgens het principe van de scheepwerfsarchitectuur. Op deze manier wordt de historie nieuw leven ingeblazen.
•
•
Het gebouw is herkenbaar als eenvoudig volume dat qua architectuur ondergeschikt is aan de woningen.
•
Het gebouw heeft een industrieel karakter, refererend naar oude scheepsloodsen.
Dijkwoningen •
De dijkwoningen bevinden zich langs de dijk. Hierbij kan gerefereerd worden aan de historische dijkwoningen van Hendrik-Ido-Ambacht; bijvoorbeeld de woningen van eigenaren van de scheepswerven.
•
De woningen zijn een losse korrel aan de voet van de dijk die contrasteert met de grotere volumes van de achterliggende industriële complexen.
Silo
Overdekt parkeren •
Gebouw hulpdiensten
•
De entrees van de parkeergarages worden vormgegeven als later toegevoegde functionele ensembles. Bijvoorbeeld door middel van afwijkende materialisatie en/of een verspringende gevel.
•
Het dak van de parkeerdekken wordt voornamelijk ingericht als daktuin. Dit wordt zorgvuldig meeontworpen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen collectief en particulier groen.
Een tussenstuk heeft een afwijkende materialisatie en/of verspringende gevel.
De silo vormt een herkenningspunt vanaf het water. waardoor het ensemble dominanter mag zijn t.o.v. naastgelegen gebouwen. Het ensemble onderscheidt zich qua vorm, kleur en/of materialisatie van naastgelegen ensembles.
Accenten mogen als “functionele uitzondering” dominant aanwezig zijn..
22
Accenten worden ingezet om aan te sluiten bij het karakter van de plek.
De woningen van eigenaren van de scheepswerven waren aan de dijk gelegen.
Accenten: B&B op hoogte, waarbij helder is wat later is toegevoegd.
23
3. BEELDKWALITEIT OPENBARE RUIMTE
3.1 Onderverdeling van 3 deelgebieden De contextuele verankering van de openbare ruimte van de Noordoevers wordt vormgegeven in een identificerende beeldkwaliteit die respect toont voor de plek, de cultuurhistorie en zijn nieuwe gebruikers. Daarom introduceren we drie duidelijke ensembles die met elkaar één coherent geheel zullen vormen. We definiëren een beeldkwaliteit voor de kade, buitendijkse architectuur en buitendijks landschap. Kade Aan de Noordoevers worden enkele bijzondere plekken gecreëerd zodat daar programmering kan plaatsvinden die gefocust is op recreatie, verblijfskwaliteit en de relatie tot het water. De openbare ruimte van de kade wordt daarom hoogwaardig ingericht in relatie tot de architectuur met een industrieel karakter die stoer en robuust aan het water ligt. Enkele cultuurhistorische iconen zullen daarbij de plek definiëren en daarbij ook een gebruikswaarde toevoegen aan het plein. Aandacht voor de relatie binnen-buiten moet gezocht worden in programma zoals horeca die gepaard gaat met terrasruimtes op de kade. Beleefbaarheid aan het water wordt mogelijk door steigerconstructies die ook de werking van eb en vloed verdragen.
Onderverdeling van 3 deelgebieden: kade, buitendijkse architectuur en buitendijks landschap
25
Buitendijkse architectuur De openbare ruimte rondom de buitendijkse architectuur gaat sterk de relatie aan met de beeldkwaliteit van het industriële karakter die in de gebouwen zit. Robuuste, neutrale en duurzame materialen zorgen voor een duidelijk beeld die de interactie aangaat met de gebouwen. Zowel op maaiveld als deels op daktuinniveau worden groenstructuren toegepast die een natuurlijk ogend beeld uitstralen passend in de landschappelijke context. Signing en imago van de architectuur wordt stedenbouwkundig aangezet op de koppen van de diverse gevels. Buitendijks landschap De kwaliteit van de openbare ruimte zal zich ook duidelijk moeten verhouden tot de vergroening en het diversifiëren in landschapselementen die passend zijn in de landschappelijke context. Bij de landschappelijke inrichting van de openbare ruimte wordt gekozen om het groen zoveel mogelijk richting het water door te trekken zodat het contact zoekt met de rivier. Grote grasvelden met inheemse bomen en struiken en extensieve graslanden op de dijkzones die ecologisch interessant zijn vormen het beeld.
3.2 Kade Kademuur en sleephelling
kademuur
Kademuur en sleephelling
muur
Het toepassen van een kademuur die beeld maakt van op het water richting de gebouwen maar ook andersom, is een van de hoofdstructuren van het gehele projectgebied.
groene kade sleephelling
De oorspronkelijke sleephelling waar vroeger de boten opgetrokken werden, wordt teruggebracht en krijgt een nieuwe betekenis in deze ontwikkeling. Een tijdloze en gebruiksvriendelijke vormgeving van de helling tussen de twee kademuren waar eb en vloed zijn werking op zullen hebben. De gebruikskwaliteit voor zowel vaardiensten als voor evenementen, moet centraal staan. Hoogwaardige kademuur
Kadeplein en steiger
De sleephelling als verblijfsplek
steiger
Kadeplein en steiger
verlaagde kade
Het kadeplein wordt de plek waar ontmoeten, verblijven en circuleren centraal staat. Het verbijzondert zich door zijn hoogwaardige inrichting in materialisatie en moet de gebruikskwaliteit in zich dragen om zowel terrassen een plek te geven als evenementen te kunnen organiseren. De beleefbaarheid naar het water toe wordt voorzien door steigers te koppelen aan de kade die als aanlegplek voor boten kunnen dienen of als verblijfruimte gebruikt kunnen worden.
Kadeplein
26
De getijdewerking zal invloed hebben op de constructie van deze steigers zodat deze meeveren met het steeds veranderende waterpeil.
Duurzame steigerconstructie
27
Landschapselementen
Landschapselementen
groene oeverzone
Op de kade zien we ruimte voor enkele solitaire bomen die het stedelijke plein aanvult, waarbij gekozen wordt naar boomsoorten die overleven en gedijen op deze ruige plek aan het water.
solitaire kadebomen
Verder worden de groene overgangszones tussen land en water ingericht als kruidenrijke graslandzones met oevervegetatie en meerstammige boomsoorten die in een waterrijke context tot hun recht komen.
Meerstammig waterrijke boom
Solitaire bomen aan kade
Cultuurhistorische waarden
Cultuurhistorische waarden
Bewust zijnde welke industriële identiteit de plek in zich draagt, respecteren we bestaande cultuurhistorische relicten die bewaard gebleven zijn en zetten deze in met een hernieuwde betekenis op een iconische plek in het plan. Zo wordt de kraan op de kade geplaatst op zijn stalen rails die verwerkt zitten in het plein. Die vormt niet alleen het nieuwe icoon van Noordoevers, maar ook een programma magnaat voor het plein en evenementen kan zijn. Denk hierbij aan een uitkijkpunt op de Noord, een verhoogd terrasplatform of toekomstige horeca.
cultuurhistorische relicten eye catchers
Kraan in bestaande context
28
Bij de sleephelling hebben we een tweede aanleiding om de cultuurhistorische betekenis van het sleepblok een hernieuwde betekenis te geven. Dit vergt verder onderzoek en programmering, helder mag zijn dat dit in het industriële karakter zal vormgegeven worden.
Hernieuwde cultuurhistorische betekenis
29
3.3 Buitendijkse architectuur Routing rondom architectuur
Routing rondom architectuur
gebakken klinkers
Om de drie ensembles van gebouwen op een structurele manier te verbinden in de openbare ruimte, is het wenselijk aan een eenduidig en consequent routenetwerk van materialisatie aan te houden die zicht tot elkaar verhoudt. Hierbij wordt gezocht naar een materialisatie die dezelfde beeldkwaliteit heeft van de gebouwen, maar zich losmaakt van kleur. Een eenduidig materiaal, in eenzelfde kleurstelling vormt hier de basis.
Eenduidige materialisatie als route
Relatie binnen - buiten
Cohesie tussen gebouw en maaiveld
Delftse stoepen/stoepzone
Relatie binnen - buiten In de openbare ruimte rondom de gebouwen worden overgangszones ontworpen die de betekenis leggen tussen binnen en buiten. Bij een publieke functie in de plint, wordt de overgangszone op het maaiveld op diverse plekken gebruikt om deze functie te versterken. Op deze manier wordt bijgedragen aan de levendigheid op het maaiveld. Het maaiveld wordt hierbij ingezet om deze functies te versterken. Afscheidingen van buitenruimten grenzend aan de openbare ruimte worden ontworpen in de geest van de scheepwerfsarchitectuur.
Plint aan de woningen
30
Delfste stoep, grenzend aan de openbare ruimte
31
Imago/signing
Imago/signing
positie signing
Een industriële en herkenbare identiteit als verbijzondering aan de kopgevels van de architectuur, zorgt ervoor dat ook vanaf de dijkzijde een herkenbare beeldkwaliteit waargenomen kan worden.
zichtlijn op signing
Het zijn geen toevoegingen maar onlosmakelijke onderdelen van de architectuur. Het benoemen van gebouwnamen, gebouwnummers of bewegwijzering moet in eenzelfde stijl toegepast worden met het industriële karakter als basis. Industriële herkenbare signing
Parkeren en routing
Parkeren en routing
privé parkeren
Het systematisch bundelen van parkeren wordt versterkt door eenzelfde beeldkwaliteit toe te passen in materialisatie over de gehele site. Dit zorgt voor een logische routing en geleiding naar de parkeerplaatsen. Het onderscheid wordt hierin gemaakt door rijweg anders te materialiseren dan de parkeerplaatsen.
openbaar parkeren
De routing richting de parkeerplaatsen zou op een robuuste en industriële manier kunnen gematerialiseerd worden, waarbij de parkeerplaatsen op een neutralere en integere manier vormgegeven worden.
P P
P P
P
P
P P P
P
P
P
P
P
P
P
P
P
Robuuste/industriële route
32
Neutrale en integere materialisatie
33
Landschapselementen
Landschapselementen
daktuinen
Op verschillende niveaus in het plan worden groenstructuren geïntegreerd. Op maaiveld niveau worden de parkeerplaatsen omzoomd door landschappelijke hagen. Boven de parkeerplaatsen en tussen de gebouwen worden daktuinen geïntroduceerd die verschillende kwaliteiten in zich dragen.
struiken/heesters meerstam hagen/groene erfafscheiding
Het vormt een natuurlijk, robuust, divers en ecologisch beeld van verschillende grassen en inheemse planten en bomen. Daarmee vergroenen we de relatie binnen-buiten. Het is een plek waar de afwatering van daken ingezet kan worden als watervoorziening voor groen, het zijn grote oppervlaktes waar biodiversiteit en ecologische waarden substantieel hun plek kunnen krijgen, het is klimaat adaptief voor de woningen en parkeerplaatsen en het geeft het plan een toekomstgericht landschapsbeeld.
Watersysteem
Natuurlijke en robuuste onderbegroeiing
Inheemse bomen en heesters
Krattensysteem als waterberging
Hemelwater als watervoorziening daktuin
waterretentie afwatering
34
35
3.4 Buitendijks landschap Landschapselementen
Landschapselementen
dijkzone
Bij de landschappelijke inrichting van de openbare ruimte wordt gekozen om het groen zoveel mogelijk richting het water door te trekken zodat het contact zoekt met de rivier.
bloemrijk grasland bomen hoogstam
Grote grasvelden met inheemse bomen en struiken en extensieve graslanden op de dijkzones die ecologisch interessant zijn vormen het beeld.
struiken/heesters meerstam
Kruidenrijke dijkvegetatie
Bezoekersparkeren en routing
Grasveld met inheemse bomen
Bezoekersparkeren en routing
openbaar parkeren
Het systematisch bundelen van parkeren voor bezoekers zorgt voor een logische routing en geleiding naar de parkeerplaatsen. De routing richting de parkeerplaatsen zou op een robuuste en industriële manier kunnen gematerialiseerd worden, waarbij de parkeerplaatsen op een neutralere en integere manier vormgegeven worden.
P P
P
P P
P P
P
P
Robuuste/industriële route
36
Neutrale en integere materialisatie
37
RAPPORT Vormvrije m.e.r.-beoordeling De Noordoevers fase 1 Klant:
Terra Nova
Referentie: BI1743-MI-RP-221006-1120 Status:
S0/P01.01
Datum:
20 maart 2024
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Jonkerbosplein 52 6534 AB Nijmegen Mobility & Infrastructure Trade register number: 56515154 +31 88 348 70 00 T reception.nij-jo@nl.rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Ondertitel: Referentie: BI1743-MI-RP-221006-1120 Status: P01.01/S0 Datum: 20 maart 2024 Projectnaam: Noordoevers Projectnummer: BI1743 Auteur(s): M.K.
Opgesteld door: M.K. Gecontroleerd door: N.B. Datum: 6 oktober 2022 Goedgekeurd door: H.K Datum: 6 oktober 2022
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
i
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Inleiding
1
1.2
Waarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling?
1
2
Planvoornemen
3
3
Criteria voor de effectenbeoordeling
5
4
Toetsing
6
4.1
Kenmerken van het project
6
4.2
Locatiekenmerken van het project
7
4.3
Kenmerken van de potentiële effecten
7
4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.3.6 4.3.7 4.3.8
Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Natuur Water Bodem Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
7 8 9 10 10 12 13 14
5
Conclusie
15
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
ii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Inleiding
De initiatiefnemer is voornemens om maximaal 176 wooneenheden en 385 m bvo horeca te ontwikkelen met de bijbehorende ondersteunende functies, in het plangebied Noordoevers in Hendrik Ido Ambacht. De ontwikkeling is binnen de regels van de huidige bestemmingsplannen niet toegestaan. Daarom is een herziening van deze bestemmingsplannen noodzakelijk. 2
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van het bestemmingsplan dient er een besluit te worden genomen over de noodzakelijkheid van het doorlopen van een m.e.r. procedure. De voorliggende aanmeldingsnotitie bevat de informatie op basis waarvan het bevoegd gezag besluit of er een m.e.r. procedure noodzakelijk is.
1.2
Waarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling?
De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. Afhankelijk van het soort en de omvang van de voorgenomen activiteit dient een m.e.r.-procedure of een m.e.r.- beoordelingsprocedure uitgevoerd te worden. Of er sprake is van een verplichting voor een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling is op te maken uit de bijlagen C en D bij het Besluit m.e.r. Als er sprake is van een activiteit genoemd in die bijlagen kan vervolgens aan de hand van de drempelwaarde (omvang) bepaald worden of sprake is van een m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht, zie figuur 1.
Figuur 1: uitleg drempelwaarde besluit m.e.r.
De woningbouwontwikkeling is te beschouwen als een activiteit zoals genoemd in categorie 11.2 uit de Dlijst van Besluit m.e.r. Het gaat respectievelijk om “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’’. De omschrijving van de drempelwaarden behorend bij deze categorie zijn opgenomen in tabel 1.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
1
Projectgerelateerd
Tabel 1: Omschrijving drempelwaarden categorie D11.2 Cat.
Activiteit
Gevallen
Plannen
Besluiten
D11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van de categorie. Hoewel de drempelwaarden niet worden overschreden moet op grond van artikel 2 lid 5 sub b van het Besluit milieueffectrapportage een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd worden. Het betreft een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De initiatiefnemer van een activiteit waarvoor een plicht tot een m.e.r.-beoordeling geldt, moet dat voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. In dit project is deze mededeling vormgegeven door het opstellen van voorliggende aanmeldingsnotitie. De voorliggende aanmeldingsnotitie bevat de informatie op basis waarvan het bevoegd gezag besluit of er sprake is van "belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu", die het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk/noodzakelijk maken. Op basis van deze m.e.r.-beoordeling kunnen er twee uitkomsten zijn: • Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden: er dient een m.e.r.-procedure doorlopen te worden. • Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op: er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
2
Projectgerelateerd
2
Planvoornemen
Locatie De locatie van de voormalige scheepsloperijen van Stolk en bedrijven ARBEZ en Van Vliet wordt herontwikkeld tot een nieuw woongebied. Het plangebied heeft een omvang van circa 2,9 ha. Het plangebied is momenteel grotendeels braakliggend terrein, met restanten van het voormalig gebruik (kraan en funderingen). Het toekomstig woongebied is gelegen tussen de Veersedijk en de Rietbaan (watergang). Aan de overzijde ligt de Sophiapolder. Ten westen van het plangebied ligt, binnendijks, het gebied de Volgerlanden. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich enkele woningen. Ten noorden van het plangebied liggen woningen en is bedrijvigheid aanwezig. Het plangebied is in onderstaande afbeelding zichtbaar.
Figuur 2:Ligging plangebied
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
3
Projectgerelateerd
Planbeschrijving De initiatiefnemer is voornemens om maximaal 176 wooneenheden en 385 m2 bvo horeca te ontwikkelen met de bijbehorende ondersteunende functies zoals groen en parkeermogelijkheden. Er komen appartementen, grondgebonden woningen, een vrijstaande woning en een twee-aaneen woning.
Figuur 3: Stedenbouwkundig plan
De stedenbouwkundige visie richt zich op het creëren van een aantrekkelijk buitendijks woon- en leefmilieu dat refereert aan het historische verleden en de landschappelijke kwaliteiten van de plek, met de volgende planessenties: 1. Behouden van industriële elementen; 2. Versterken karakter binnen- en buitendijks; 3. Water openbaar maken voor bezoekers; 4. Activeren van oevers door programma; 5. Land en water verbinden; 6. Stedenbouw op basis van oudere maritieme industriële bebouwing. Op de ontwikkellocatie blijven sporen van de geschiedenis van de locatie herkenbaar. De historische spoorkraan is hier de meest opvallende van. Maar ook het kraanspoor, de scheepshelling en de insteekhaven zijn nog getuigen van de scheepsloperijen die op deze locatie gevestigd waren. Deze industriële relicten blijven behouden of worden op een nieuwe manier zichtbaar gemaakt. Ze worden versterkt door de stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische uitwerking van de voorziene ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. Aan de zijde van de Rietbaan is ruimte gereserveerd voor 385 m 2 bvo horeca op de begane grond. Door deze positie profiteert de horeca van zowel uitzicht over de Rietbaan en de Sophiapolder. Hiernaast komt een kleine insteekhaven voor passanten met kleine boten. Aan de kop van de insteekhaven komt een kleine opslagfunctie ten behoeve van de veiligheidsdienst.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
4
Projectgerelateerd
3
Criteria voor de effectenbeoordeling
De beoordeling van het voornemen in voorliggende aanmeldingsnotitie is gekoppeld aan de richtlijnen in bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie criteria met uitgangspunten benoemd: kenmerken van de activiteit, plaats van de activiteit en kenmerken van het potentiële effect. Het gaat daarbij om de volgende punten: 1)
Plaats van het project; Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: i. wetlands; ii. kustgebieden; iii. berg- en bosgebieden; iv. reservaten en natuurparken; v. gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG; vi. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde milieunormen reeds worden overschreden; vii. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; viii. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
2)
Kenmerken van het project; Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
3)
Kenmerken van het potentiële effect; Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 (zoals hiervoor genoemd) in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); b. het grensoverschrijdende karakter van het effect; c. de orde van grootte en de complexiteit van het effect; d. de waarschijnlijkheid van het effect; e. de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
5
Projectgerelateerd
4
Toetsing
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de herziening van het bestemmingsplan. Al deze onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen van de toelichting van het bestemmingsplan “Noordoevers fase 1”. In de tabellen in de navolgende paragrafen vindt de beoordeling plaats aan de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. De criteria zijn in het vorige hoofdstuk toegelicht.
4.1
Kenmerken van het project
Criteria
Beschrijving
Omvang van het project
Het plangebied heeft een omvang van circa 2,9 ha.
Cumulatie met andere projecten
Bestemmingsplan De Volgerlanden-Oost is onherroepelijk vastgesteld en de realisatie is bovendien al in voorbereiding en uitvoering. Cumulatie met dit project hoeft dus niet te worden beschouwd, omdat deze ontwikkeling als autonoom kan worden beschouwd. Deze m.e.r.-beoordeling is opgesteld voor Noordoevers fase 1. Ten zuiden van het plangebied zullen meer woningen in de toekomst gerealiseerd worden. Het gaat hierbij om de woningbouwontwikkeling de Noordoevers in de gemeenten Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht. Uit het verkeersmodel van Drechtsteden en Alblasserwaard blijkt dat zowel de woningbouwontwikkeling van de Noordoevers in Hendrik-Ido-Ambacht als de woningbouwontwikkeling van de Noordoevers in Zwijndrecht zijn opgenomen in het verkeersmodel. Dit is dus ook meegenomen in het verkeersonderzoek en beschouwd. Daarnaast is uit de stikstofdepositie-onderzoeken voor beide nieuwbouwprojecten (in Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht) gebleken dat de depositietoename kleiner is dan 0,00 mol/ha/j. Daarom hoeven cumulatie-effecten ten aanzien van stikstof niet te worden beschouwd voor deze projecten. In de directe nabijheid van het project spelen geen andere projecten waarmee cumulatie van effecten te verwachten is.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
De ontwikkeling van de voorziene activiteit legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
De activiteit produceert geen relevante afvalstoffen die in het bijzonder in overweging moeten worden genomen. De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatiefase en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik van de woningen en horeca. Voor de afvoer van vuilwater vanuit de woningen wordt aangesloten op de bestaande riolering. Daarnaast wordt er binnen het plangebied voorzien in voorzieningen ten behoeve van het inzamelen van huishoudelijk afval.
Verontreiniging en hinder
Er is geen sprake van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting. Mogelijk treedt in de bouwfase enige hinder op als gevolg van geluid of verkeer. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de betreffende milieuaspecten en de potentiële effecten voor die aspecten. Als gevolg van eerdere gebruik als scheepswerf/-sloperij zijn ter plaatse van het plangebied diverse bodemverontreinigingen ontstaan. Dit betreffen immobiele en mobiele verontreinigingen en asbestverontreiniging. Voorafgaand aan de realisatie van het plan dient aanvullend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Risico voor ongevallen
Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht. In het gebied wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. De activiteit zelf levert in de aanlegfase en gebruiksfase geen extra risico op milieukundige ongevallen. Het plan heeft geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
6
Projectgerelateerd
4.2
Locatiekenmerken van het project
Criteria
Beschrijving
Bestaand grondgebruik
Het plangebied is momenteel grotendeels braakliggend terrein, met restanten van het voormalig gebruik (kraan en funderingen). Aan de zuidzijde is een hellingbaan aanwezig voor het ter water laten van boten. Binnen het plangebied zijn een aantal bomen aanwezig. Binnen het plangebied is geen water aanwezig.
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied
De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen.
Opnamevermogen milieu met aandacht voor beschermde gebieden
Gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, bergen, bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Boezems Kinderdijk en ligt op ongeveer 6 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 5). Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 km afstand van het plangebied. Wetlands, kust-, berg- en bosgebieden of reservaten zijn in de omgeving niet aanwezig. Het plangebied ligt ook niet in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Niet aan de orde. Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Het plangebied ligt in stedelijk gebied.
4.3
Kenmerken van de potentiële effecten
In deze paragraaf worden per milieuaspect de kenmerken van de potentiële effecten beschreven, als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Waar mogelijk en relevant worden daarbij de volgende criteria beschouwd: • Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) • Grensoverschrijdend karakter • Orde van grootte en complexiteit effect • Waarschijnlijkheid effect • Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
4.3.1
Verkeer
Voor het planvoornemen is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Uit het verkeersmodel (RVMK Drechtsteden 2018) blijkt dat er op een werkdag circa 7.000 motorvoertuigen (mvt) op de Veersedijk ter hoogte van het projectgebied rijden in 2018. Uit een verkeerstelling van oktober 2019 bleken dit circa 7.400 mvt per werkdag te zijn. In de ochtendspits zijn dit zo'n 600 mvt/u en in de avondspits zo'n 700 mvt/u. Uit het verkeersmodel RVMK Drechtsteden 2040 Hoog blijk dat er in de autonome toekomstige situatie in 2040 circa 10.400 mvt per uur op de Veersedijk ter hoogte van het projectgebied zullen rijden. Met daarbij in de ochtendspits 700 mvt/u en in de avondspits 1000 mvt/u.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
7
Projectgerelateerd
De maximale capaciteit voor een gebiedsontsluitingsweg is ongeveer 1.800 mvt/u. De I/C verhouding (Intensiteit/Capaciteit) voor de Veersedijk zonder projectgebied bedraagt in 2018 maximaal 38% en zal in 2040 op basis van een autonome ontwikkeling toe zijn genomen tot 54%. Wanneer de voorziene ontwikkelingen worden toegevoegd aan het verkeersmodel zal de I/C-verhouding in 2040 toe zijn genomen tot 61%. Deze toename ten opzichte van de autonome toekomstige situatie is beperkt en zal niet leiden tot verkeershinder op het gebied van verkeersdoorstroming. In het verkeersonderzoek is een worst-case scenario onderzocht wat leidt tot een totale verkeersgeneratie van 1.544 mvt per werkdag. Dit is een beperkte stijging, die door de bestaande infrastructuur goed kan worden verwerkt. De afwikkeling van verkeer bij de in- en uitritten van het project is goed. Er zal door de ontwikkeling van het project geen extra verkeershinder zijn.
4.3.2
Geluid
Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor wegverkeer- en industrielawaai. In het rapport is het volgende geconcludeerd. Wegverkeerslawaai Geluidbelasting van de zoneplichtige wegen in het kader van de Wgh Ten gevolge van het wegverkeer op de Veersedijk wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden op de nieuwbouw. De geluidbelasting is, zonder maatregelen, ten hoogste 59 dB ten gevolge van deze weg. De ten hoogste toelaatbare waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Een onderzoek naar maatregelen is van toepassing voor deze weg. Maatregelen Een geluidreducerend wegdektype (dunne deklaag B) op de Veersedijk reduceert de geluidbelasting met ongeveer 3 dB. De reductie is nog niet voldoende om te voldoen aan de voorkeurswaarde. De maximale geluidbelasting is na bronmaatregelen 55 dB. Deze bronmaatregel is (financieel) doelmatig. Vanuit onderhoud en beheer dient nagegaan te worden of bronmaatregelen hier mogelijk/wenselijk zijn. (Aanvullende) diffractoren en schermen langs de wegen rondom het plangebied zijn niet doeltreffend, mogelijk of wenselijk. Aangezien (met of zonder bronmaatregelen) niet kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde en diffractoren en schermen niet mogelijk/doeltreffend zijn, dienen hogere waarden te worden vastgesteld.
Geluidbelasting van de niet zoneplichtige weg in het kader van een goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting van de Onderdijkse Rijweg beoordeeld waar sprake is van een 30 km/uur regime. Ten gevolge van deze weg is de geluidbelasting ten hoogste 40 dB. In het kader van een goede ruimtelijk ordening wordt dit in stedelijk gebied beoordeeld als “goed”. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van strijdigheid met de eisen aan een goed leefklimaat vanwege deze weg. Geluidseffecten op bestaande woningen Ten gevolge van de verkeersgeneratie van de nieuwbouw en reflecties naar de omgeving is er bij bestaande woningen rondom het plangebied geen sprake van een geluidseffect van 1,5 dB of meer. In het kader van een goede ruimtelijk ordening wordt dit in stedelijk gebied toelaatbaar geacht. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van strijdigheid met de eisen aan een goed leefklimaat.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
8
Projectgerelateerd
Industrielawaai De berekeningen zijn met het zonebeheermodel van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht uitgevoerd (in beheer bij de omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. De situatie waarmee de zone van het industrieterrein is vastgesteld in 2016 is hierbij als uitgangspunt gehanteerd en dit betreft de situatie met de vergunde ruimte en de gereserveerde ruimte. Uit de rekenresultaten volgt dat: • de vuistregel voor de richtwaarde van de GGD van 52 dB(A) niet wordt overschreden. • de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden. Nestgeluid De bestaande ligplaatsen voor binnenvaartschepen langs het plangebied komen te vervallen. De ligplaatsen voor binnenvaartschepen in de omgeving liggen niet in de directe nabijheid van het plangebied. Hiermee zal zich geen nestgeluid vanwege binnenvaartschepen voordoen binnen het plangebied. De kleine schepen die wel worden toegestaan zullen bestaan uit pleziervaart, ook hiervan valt geen hinder vanwege nestgeluid te verwachten. Vast te stellen hogere waarden Ten gevolge van de Veersedijk is het advies hogere waarden vast te stellen van maximaal 55 dB indien bronmaatregelen mogelijk zijn en anders 59 dB zonder toepassing van bronmaatregelen. Voor de waterwoningen en de appartementen Kraanspoor is het te adviseren om een hogere waarde vast te stellen van 51 dB(A) ten gevolge van industrielawaai.
De hogere waarde dient vastgesteld te worden om de geluidzone van 50 dB(A) rond het industriegebied effectief niet kleiner te maken, zodat ook bij eventuele toekomstige woningbouw getoetst dient te worden aan de nu geldende geluidzone. Voor de binnenwaarde van de nieuwe woningen dient te worden voldaan aan 33 dB (wegverkeer) en 35 dB(A) (industrie) (art 3.3, lid 1 Bouwbesluit). Aangezien sprake is van vast te stellen hogere waarden, dient voldaan te worden aan de eisen uit het gemeentelijk beleid. Op basis van het Voorlopig ontwerp (VO) kan gezegd worden dat wordt voldaan aan de vereisten aan geluidluwe gevels en buitenruimtes wanneer ook bij het meest zuidelijke appartementenblok (zuidblok van De Werf) aan de noordzijde buitenruimtes (balkons) worden gerealiseerd. Dit geldt alleen in de situatie wanneer geen bronmaatregelen worden gerealiseerd. Cumulatieve waarden en WHO-normen De milieukwaliteit van het plan conform methode Miedema kan omschreven worden als ‘goed’ tot ‘matig’/ ‘tamelijk slecht’ (wel/geen bronmaatregelen). De gecumuleerde geluidbelasting Lcum bij de nieuwe woningen is maximaal 64 zonder maatregelen en 60 inclusief bronmaatregelen (dunne deklagen B). Gesteld kan worden dat de gecumuleerde geluidbelasting op zich niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat als ook rekening wordt gehouden met de eisen uit het geluidbeleid.
Conclusie Er is geen sprake van negatieve geluidseffecten voor de omgeving als gevolg van het planvoornemen.
4.3.3
Luchtkwaliteit
Voor de ontwikkeling is een NIBM (niet-in-betekenende-mate) -toets uitgevoerd. Indien een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt, die lager is dan de NIBM grens, dan is het toetsen van het project aan de grenswaarden niet nodig en kan het project zonder verdere maatregelen doorgaan. Uit de NIBM-toets blijkt dat de ontwikkeling niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de lokale luchtkwaliteit. Hierdoor is aannemelijk gemaakt dat het plan op grond van art 5.16 lid 1 sub c voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
9
Projectgerelateerd
de Wet milieubeheer. Het planvoornemen is derhalve uitvoerbaar vanuit oogpunt van luchtkwaliteit en er is geen sprake van negatieve effecten voor de omgeving.
4.3.4
Externe veiligheid
Er is geen sprake van realisatie van een risicovolle inrichting, welke kan leiden tot eventuele effecten en risico’s met betrekking tot externe veiligheid.
4.3.5
Natuur
Voor het planvoornemen is een natuurtoets uitgevoerd. Daarin wordt onderstaande geconcludeerd. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt in de nabijheid van enkele Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is Boezems Kinderdijk en ligt op ongeveer 6 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 5). Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 km afstand van het plangebied.
Figuur 4: Ligging van het plangebied ten opzichte van de beschermde Natura 2000-gebieden (Ministerie van LNV, 2021).
De enige mogelijk relevante storingsfactoren als gevolg van de voorziene ontwikkelingen zijn verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie. Negatieve effecten vanwege verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht zijn niet op voorhand uitgesloten. Voor zowel de aanlegwerkzaamheden en als het toekomstige gebruik van het terrein dient dan ook een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. De extra stikstofdepositie binnen de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase is in beeld gebracht om te beoordelen of er mogelijk sprake is van een vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. De ontwikkeling van woningen en horeca voorziet in een gasloze ontwikkeling. Daarmee blijft alleen de toename van het verkeer vanwege de te realiseren woningen en horeca over als
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
10
Projectgerelateerd
bron van stikstofemissie. Deze verkeerstoename is doorgerekend in AERIUS. Uit deze berekening volgt geen toename van de stikstofdepositie (0,00 mol N/ha/j). Naast de emissies van het gebruik, zijn er ook emissies van verschillende aanlegfasen. De maatgevende jaren zijn 2024, waarin de meeste emissies plaatsvinden door aanleg, en 2028, waarin de emissies plaatsvinden door zowel gebruik als aanleg. Voor beide maatgevende jaren is geen toename van de stikstofdepositiebijdrage berekend (0,00 mol N/ha/j). Er kan worden geconcludeerd dat significant negatieve effecten als gevolg van de gebruiksfase en aanlegfase kunnen worden uitgesloten. Er is hierdoor voor de gebruiksfase en aanlegfase geen vergunningplicht om het project uit te voeren. Natuurnetwerk Nederland Het NNN-beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening, hierin zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Bij dit onderdeel is onderzocht of het plangebied in of nabij het NNN ligt. Hiervoor is gebruik gemaakt van interactieve kaart van de provincie Zuid-Holland. Op grond van de aard van de ingreep en de afstand tot beschermde gebieden wordt bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op 100 meter ten zuidoosten van het plangebied (zie onderstaande figuur). Het betreft een N14.01 Rivier-en beekbegeleidend bos.
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in gebieden die zijn aangewezen als NNN-gebied. Binnen de provincie Zuid-Holland is een toets van externe werking niet nodig. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van omliggende NNN-gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Er hoeven geen extra maatregelen getroffen te worden met betrekking tot het NNN.
Figuur 5: De Ligging van het plangebied (weergegeven in rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Houtopstanden Voor het onderdeel Houtopstanden is onderzocht of de bescherming van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb, binnen het project van toepassing is. Er is geen sprake van de kap van houtopstanden, zoals
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
11
Projectgerelateerd
bedoeld in de Wnb en/of de APV. Er zijn daarom geen vervolgstappen nodig voor het kappen van bomen in het kader van de Wnb. Binnen de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht is wel een kapvergunning benodigd voor het kappen van de bomen binnen het plangebied. Soortenbescherming Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de mogelijk voorkomende beschermde soorten in en rondom het plangebied en de beschreven effecten uit de natuurtoets. In deze samenvatting is ook beschreven of nader vervolgonderzoek noodzakelijk is en eventueel ontheffing noodzakelijk is. Uit onderzoek blijkt dat er geen ontheffing in het kader van de Wnb nodig is. Tabel 2: Overzicht van voorkomende en niet uitgesloten soorten in het onderzoeksgebied, de mogelijk optredende negatieve tijdelijke en permanente effecten, en welk verbodsartikel van toepassing is. Er is ook aangegeven of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Soortgroep
Broedvogels
Soort of soorten
Tijdelijke en/of permanente effecten?
Algemene broedvogels
Vernietiging van nesten, Verstoring van broedende vogels en doden van individuen
Verbodsartikel Wnb
Vervolgstappen/voorzorgsmaatregelen noodzakelijk?
Nemen van voorzorgmaatregelen Artikel 3.1, lid 1, 2 en 4.
Vermeld in paragraaf 5.4. In het kort: - Werken buiten broedseizoen; - Of werken buiten de verstoringafstand. Nemen van voorzorgmaatregelen Vermeld in paragraaf 5.4. In het kort:
Vleermuizen
Meerdere soorten
Verstoring van individuen
Artikel 3.5, lid 2.
- De aanlegwerkzaamheden bij daglicht uit te voeren van zonsopkomst tot zonsondergang; - Bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting te gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen negatieve effecten zijn vanuit de ontwikkeling op de natuurlijke omgeving.
4.3.6
Water
Voor de ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd. De resultaten hiervan staan beschreven in de waterparagraaf van het bestemmingsplan (par. 5.9). Hierbij wordt het volgende geconcludeerd voor de gevolgen van het plan op het watersysteem: Waterkering Bouwen binnen de kernzone en de beschermingszones van de waterkering is aan regels gebonden. De keur van het waterschap is hierop van toepassing. Rekening dient te worden gehouden met bebouwingsbeperkingen binnen en tot een bepaalde afstand en diepte van de kering. Er mag daarnaast geen negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering ontstaan. Voor bouwwerken binnen of nabij de waterkering is een vergunning noodzakelijk van Waterschap Hollandse Delta. Ook voor een eventuele bemaling voor aanleg van de DWA-riolering door de waterkering is een vergunning noodzakelijk.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
12
Projectgerelateerd
Waterberging Buitendijks vindt een toename plaats van het verhard oppervlak. Daarnaast worden aan de zijde van de rivier damwanden geplaatst voor de huidige damwanden. De vrijwaringszone kan hiervoor worden verplaatst. Voor deze activiteit is een vergunning noodzakelijk. Uit afspraken tussen de ontwikkelaar en Rijkswaterstaat (mail 2-3-2020) is afgesproken dat er voor de afname van het waterbergend vermogen geen watercompensatie benodigd is. In de beleidslijn Grote rivieren is het plan ook opgenomen als pijplijnproject (activiteit) waarbij het project gevrijwaard wordt van de beleidsregels voor grote rivieren. Op sommige plekken wordt de kade meer dan 0,5m verplaatst. Daar is compensatie/berging wel van toepassing. De watercompensatie hiervoor wordt gerekend van gemiddeld hoogwater (NAP+ 0.92 m.) tot aan de Hoogwaterreferentie (NAP+ 3.12 m). De totale benodigde compensatie betreft 530,1 m3, oftewel 240,96 m2. Deze compensatie dient binnen het peilgebied toegepast te worden. Schoon hemelwater (HWA) van dakoppervlakken kan rechtstreeks afvoeren op het water van de Rietbaan. Waterkwaliteit De waterkwaliteit van de Rietbaan/de Noord zal door de ontwikkeling niet of nauwelijks worden beïnvloed. Conclusie De impact van de woningbouw ontwikkeling op het oppervlaktewatersysteem is gering. Wel zijn de werkzaamheden van invloed op de waterkering.
Voorafgaand aan de bouwactiviteiten zijn vergunningen noodzakelijk in het kader van de waterwet.
4.3.7
Bodem
Om te toetsen of de bodemkwaliteit geen belemmeringen vormt voor de beoogde functies is een bureaustudie uitgevoerd naar de bodemkwaliteit aan de hand van de beschikbare bodemkwaliteitsgegevens. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de percelen in het verleden in gebruik zijn geweest als scheepswerf/-sloperij. Als gevolg van deze bedrijfsmatige activiteiten zijn ter plaatse van het plangebied diverse bodemverontreinigingen ontstaan. Op “vlekkenkaart” (figuur 7) is weergegeven welke bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied verwacht kan worden: • Ter plaatse van het gele gebied is sprake van een ernstige bodemverontreiniging met immobiele verontreinigingen (ophooglaag met een dikte van 0,5 tot 3,5 m; heterogeen verontreinigd met zware metalen, PAK, minerale olie en PCB's); • Ter plaatse van de blauwe gebieden is sterke grond en/of grondwaterverontreiniging aanwezig bestaande uit “mobiele” verontreinigingen (minerale olie); • Ter plaatse van het rode gebied is een sterke abestverontreiniging in de grond aanwezig.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
13
Projectgerelateerd
Figuur 6: Vlekkenkaart bodemverontreinigingen Noordoevers (Tritium advies, d.d. 29-8-2017)
Conclusie Als gevolg van eerdere gebruik als scheepswerf/-sloperij zijn ter plaatse van het plangebied diverse bodemverontreinigingen ontstaan. Dit betreffen immobiele en mobiele verontreinigingen en asbestverontreiniging. Voorafgaand aan de realisatie van het plan dient aanvullend bodemonderzoek te worden uitgevoerd, zal een saneringsplan worden opgesteld en zullen de noodzakelijke saneringsmaatregelen moeten worden getroffen om het terrein geschikt te maken voor de beoogde bestemming. Met de ontwikkeling worden verder geen bodembedreigende activiteiten gerealiseerd. Derhalve zijn geen nadelige effecten te verwachten met betrekking tot de bodemkwaliteit.
4.3.8
Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Archeologie Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor deze ontwikkeling. Hieruit is gebleken dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft voor alle perioden tot aan de Nieuwe tijd / 19 e eeuw. Vanaf dat moment verschijnt er wat spaarzame bebouwing langs de dijk. Vanaf het einde van de 19e eeuw wordt het terrein in gebruik genomen als scheepssloperij en vindt er allerhande grondverzet plaats, met wisselende bebouwing (bedrijfsbebouwing, hallen etc., en mogelijk wat bedrijfswoningen). Verder wordt het terrein waar nodig gesaneerd, opgehoogd en geëgaliseerd. Op basis van het bureauonderzoek is er geen sprake van een waardevolle/behoudenswaardige vindplaats binnen het plangebied. Daarom zijn geen verdere stappen geadviseerd in het kader van de archeologische monumentenzorg (AMZ), en wordt geadviseerd het gebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig. Tevens is er geen sprake van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Geconcludeerd wordt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op archeologische en cultuurhistorische waarden.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
14
Projectgerelateerd
5
Conclusie
Op basis van de toetsing in hoofdstuk 4, kan gesteld worden dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het planvoornemen en kan worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport en het doorlopen van de formele milieueffectrapportageprocedure.
20 maart 2024
BI1743-MI-RP-221006-1120
15
HaskoningDHV Nederland B.V. Mobility & Infrastructure
Notitie / Memo Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Gecontroleerd door
Terra Nova XB 20 maart 2024 -BI1743-MI-NT-220928-1016 Projectgerelateerd LL
Onderwerp:
Verkeersonderzoek bestemmingsplan Noordoevers
1
Inleiding
Terra Nova wil het project ‘Noordoevers fase 1 te Hendrik-Ido-Ambacht’ ontwikkelen. Dit bestaat uit de nieuwbouw van maximaal 176 woningen en maximaal 385 m2 BVO horeca. Daarnaast zijn er nog andere functies zoals het pontje naar de Sophiapolder, calamiteitendienst voor calamiteiten in de Sophiapolder en aanlegsteigers voor bewoners en bezoekers. Indien er calamiteiten zijn in de Sophiapolder dan zal dit de uitvalbasis zijn voor de hulpdiensten. Het project is gelegen aan de Veersedijk ter hoogte van de nummers 217-273 in Hendrik-Ido-Ambacht. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. In deze nota wordt bepaald wat de effecten van de ontwikkeling van dit project op verkeer zijn. In onderstaande figuur is de ligging van het projectgebied aangegeven in het rood.
Figuur 1: Situering projectgebied (rood)
20 maart 2024
BI1743-MI-NT-220928-1016
1/14
2
Huidige en autonome situatie
Het projectgebied is gelegen aan de Veersedijk. Dit is een gebiedsontsluitingsweg met een snelheidslimiet van 50 km/u zonder voorzieningen voor voetgangers of fietsers. In onderstaande figuur is de huidige situatie te zien. Er zijn momenteel acht in- en uitritten aanwezig. In het mobiliteitsplan is de Veersedijk aangemerkt als knelpunt voor fietsers en voetgangers. De gemeente gaat een nieuwe fietsverbinding aanleggen. Dit is een fietsroute van de regio Drechtsteden tussen Zwijndrecht en de A15/brug over de Noord. Deze fietsroute verbindt Zwijndrecht en Ridderkerk met de brug over de Noord en daarmee met Papendrecht en Alblasserdam.
Figuur 2: Huidige situatie Veersedijk en projectgebied
Uit het verkeersmodel (RVMK Drechtsteden 2018) blijkt dat er op een werkdag zo’n 7.000 motorvoertuigen op de Veersedijk ter hoogte van het projectgebied rijden in 2018. Uit een verkeerstelling van april 2022 blijkt dat er zo’n 6.826 mvt per werkdag over deze weg rijden. In de ochtendspits zijn dit zo’n 500 motorvoertuigen en in de avondspits zo’n 700 motorvoertuigen per uur. De maximale capaciteit voor een gebiedsontsluitingsweg is ongeveer 1.800 mvt per uur. De I/C verhouding (Intensiteit/Capaciteit) is dan maximaal 38% in 2018 zonder projectgebied. Op de Ringdijk rijden minder voertuigen waardoor dat segment minder relevant is. De oversteekbaarheid van deze weg is ook bepaald in de avondspits voor een gemiddelde voetganger. De gemiddelde wachttijd is dan tussen de 0 en 5 seconden. Dit is een goede oversteekbaarheid. Uit het verkeersmodel (RVMK Drechtsteden 2040 Hoog) blijkt dat er op een werkdag zo’n 10.400 motorvoertuigen op de Veersedijk ter hoogte van het projectgebied rijden in 2040. In de ochtendspits zijn dit 700 motorvoertuigen en in de avondspits 1000 motorvoertuigen per uur. De maximale capaciteit voor een gebiedsontsluitingsweg is ongeveer 1.800 mvt per uur. De I/C verhouding is dan maximaal 54% in 2040 zonder projectgebied. Op de Ringdijk rijden minder voertuigen waardoor dat segment minder relevant is.
De oversteekbaarheid van deze weg is ook bepaald in de avondspits voor een gemiddelde voetganger. De gemiddelde wachttijd is dan tussen de 5 en 10 seconden. Dit is een goede oversteekbaarheid.
20 maart 2024
BI1743-MI-NT-220928-1016
2/14
Figuur 3: Uitsnede verkeersmodel RVMK Drechtsteden 2040H werkdag
Naast de autobereikbaarheid is ook bekeken waar het huidige openbaar vervoer aanwezig is. Onderstaande kaart geeft alle OV lijnen aan in de regio. De dichtbijzijnde bushalte is winkelcentrum Hoog-Ambacht op een kilometer afstand. Verder is de Waterbus gelegen op zo’n 1,5 km naar het noorden.
Figuur 4: OV lijnen Qbuzz (Bron: Qbuzz)
20 maart 2024
BI1743-MI-NT-220928-1016
3/14
3
Ontwikkeling Noordoever fase 1
Onderstaande figuur geeft een verbeelding van het project dat wordt aangelegd. Naar verwachting komen er in totaal 5 aansluitingen voor gemotoriseerd verkeer tot de Veersedijk. Bij elke aansluiting zijn parkeerplaatsen gelegen. Een deel van de parkeerplaatsen wordt privé parkeerplaatsen en een deel bezoekers parkeerplaatsen. Daarnaast wordt er een dubbelrichtingsfietspad langs de Veersedijk aangelegd. Om de loop en fietsroutes te verbeteren tussen het projectgebied en de omliggende wijken worden er diverse voetpaden aangelegd. Hiervoor worden enkele oversteken gerealiseerd. Ook komen er veel trappen in de voetpaden om het hoogteverschil te overbruggen. Naast het plangebied wordt maar een deel van het fietspad aangelegd. De gehele route wordt binnen enkele jaren aangelegd.
Figuur 5: Uitgangspuntenoverzicht met verbindingen naar projectgebied (N.B.: ontsluiting gemotoriseerd verkeer via rode pijlen)
3.1
Parkeren
Er wordt een project ontwikkeld waar auto’s geparkeerd moeten worden. De gemeente Hendrik-IdoAmbacht heeft een beleid dat parkeren binnen het plangebied opgevangen moet worden. Om te onderzoeken of dit inderdaad gedaan kan worden, wordt eerst de parkeerbehoefte bepaald. Daarna wordt onderzocht of er voldoende parkeerplaatsen in het plan zijn opgenomen zodat alle geparkeerde auto’s op eigen terrein opgevangen kunnen worden.
20 maart 2024
BI1743-MI-NT-220928-1016
4/14
Figuur 6: Parkeren projectgebied
De parkeerbehoefte wordt bepaald volgens de Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018 van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht en aangeleverde informatie van de opdrachtgever. Voor de functies woningen en horeca zijn er richtlijnen aanwezig in de Parkeernota. Hierin is opgenomen dat het plangebied in het deel ‘rest bebouwde kom’ gelegen is. In onderstaande tabel staat de parkeernorm volgens de parkeernota. Voor de functies calamiteitendienst en pontje wordt uitgegaan van de parkeerbehoefte die aangeleverd is door de gemeente. De parkeerbehoefte voor de aanlegsteigers is 0 omdat deze enkel gebruikt wordt als steiger voor bewoners en voor bezoekers van de horeca. Er zijn geen parkeerplaatsen benodigd voor deze functie.
20 maart 2024
BI1743-MI-NT-220928-1016
5/14
Tabel 1: Parkeerbehoefte project
Functie
Parkeernorm
Woningen
Doelgroep
Vrijstaand
Bewoners
1,8
Bezoekers
0,3
Bewoners
1,7
Bezoekers
0,3
Bewoners
1,5
Bezoekers
0,3
twee-onder-een-kap
tussenwoning/hoekwoning 1ppl privé
etage, duur (>120m2) 1ppl privé
Bewoners Bezoekers
etage, middelduur (65120m2) 1ppl privé
Bewoners Bezoekers
Aantal Norm
1,6
Parkeerbehoefte
Eenheid
Woningen
Parkeerplaatsen
woning
1
1,8 0,3
woning
2
3,4 0,6
woning
72
108 21,6
woning
17
27,2
0,3 1,4
5,1 woning
84
117,6
0,3
25,2