Bijlage bij nr. 6 - Bundel stukken HVC
Tekst van het document
14,5
15,2
16,8
17,7
Nijmegen
Nuon______
3,8
4.3
5,2
5,8
6J
9,9
Warmtenet Breda-Tilburg
Ennatuurlijk
33.9
34,3
35,2
36,3
38,4
Enschede
Ennatuurlijk
4.4
4.4
4,4
4,7
5.1
5.6
Helmond
Ennatuurlijk
6.4
6.4
6,4
6,4
6,4
6,4
1,0 4.5
1,8
2,3
Zd
2,8
4£
4,6
4,8
5,3
Eindhoven
Ennatuurlijk
Alkmaar
HVC
Dordrecht
HVC
Purmerend
SVP
7,8
1,2
2.2
3.7
25,8
25,8
25,9
26,3
27,7
29,0
300,0
306,8
316,2
327,9
352,2
403,3
Naast deze grote warmtenetten waren er in 2016 zo’n 58.000 aansluitingen op kleine warmtenetten (< 150 TJ/jaar), goed voor 2,2 PJ aan warmte (RVO, 2019). Hiermee is de warmtelevering van grote warmtenetten dus ongeveer tien keer zo groot als de warmtelevering van de kleine warmtenetten. De beschikbaarheid van data van kleinere netten is niet continu, waardoor voor de kleinere netten onvoldoende overzichten en trends opgesteld kunnen worden. De gegevens van blokverwarmingen zijn van onvoldoende kwaliteit om daar langjarige ontwikkelingen in te zien.
2.2.1 Warmtebronnen van bestaande warmtenetten In Nederland worden veel verschillende typen warmtebronnen gebruikt. In de onderstaande figuur wordt de verdeling van de levering uit de verschillende bronnen op de grote (> 150 TJ) stadsverwarmingsnetten weergegeven. Ondanks de diversiteit aan mogelijkheden, is wel duidelijk zichtbaar dat het overgrote deel van de levering uit energiecentrales komt (wkk en grote elektriciteitscentrales). Een trend die voor het CBS zichtbaar is, is dat deze grote bronnen op basis van aardgas, steeds meer worden uitgefaseerd en worden vervangen door warmte uit afval en biomassa. Zo is het aandeel hernieuwbare warmte gestegen van 14% in 2015 naar 19% in 2017.
10
190405 ■ Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
A
Figuur 4 - Herkomst geleverde warmte in Nederland in 2017
Levering van warmte aan warmtenetten (2017) 30
Overig!
25
fractie Warmteverlies
Hernieuwbar
fractie)
Geleverde warmte
Bron: (RVO, 2019).
In het bovenstaande overzicht zitten verschillende recente ontwikkelingen nog niet opgenomen, zoals het warmtenet op biomassa in Ede of de eerste levering van geothermie aan huishoudens in Pijnacker-Nootdorp.
Kleine warmtenetten leveren ook voornamelijk warmte dat afkomstig is van fossiele warmtebronnen; zo’n 60% van de warmtelevering van kleine warmtenetten komt van aardgasgestookte WKK-installaties. Daarnaast wordt ruim een kwart van de warmte geleverd door kleine netten ingevuld door warmte-koudeopslagsystemen (WKO). Kleine warmtenetten worden relatief minder vaak gevoed door biomassa dan grote warmtenetten, namelijk in zo’n 10% van de gevallen (RVO, 2019). Blokverwarming vindt in Nederland bijna exclusief plaats door middel van aardgasgestookte ketels.
2.3
Warmteleveranciers in Nederland Van oorsprong werd de warmtemarkt gedomineerd door warmtebedrijven die in handen waren van overheden (met name gemeenten). Maar met de liberalisering van de energiemarkt zijn dit steeds vaker commerciële bedrijven geworden. Hieruit zijn onder andere de drie grootste partijen voortgekomen: Nuon Warmte (Vattenfal), Eneco Warmte en EnNatuurlijk. Zij zijn gezamenlijk leverancier van ongeveer 40% van de aansluitingen op warmtenetten, zoals die in de Warmtewet worden gedefinieerd. Deze netten hebben gemiddeld een omvang van 1.000-3.000 aansluitingen. Hieronder vallen ook de grote netten van Utrecht, Amsterdam en Rotterdam. De vierde speler in Nederland is SV Purmerend. Dit gemeentelijke bedrijf is exclusief warmteleverancier in Purmerend, met een net van ongeveer 25.000 aansluitingen. De genoemde vier partijen zijn van oudsher de ‘grote warmtebedrijven’ van Nederland, maar gezamenlijk hebben zij minder dan de helft van de warmteaansluitingen in Nederland.
11
190405 - Warmtestrategie HVC ■ 18 november 2019
Het grootste aantal netten en aansluitingen zitten bij een zeer omvangrijke en diverse groep partijen, onder andere: Verenigingen van Eigenaren (210.000 aansluiting, 5.500 netten) en woningcorporaties (180.000 aansluitingen, 3.500 netten). Ook zij zijn volgens de Nederlandse Warmtewet warmteleveranciers. Zij zijn echter niet echt te bestempelen als warmtebedrijven en zijn vooral leverancier van warmte, omdat zij eigenaar zijn van het vastgoed waarbinnen de warmte wordt geleverd (met name blokverwarming). Hun activiteiten zijn daarmee geografisch gebonden aan een bepaald gebouw. Welke partijen wél als warmtebedrijven zijn te bestempelen zijn de partijen die de laatste jaren grote en kleine stappen hebben gezet op de warmtemarkt. Dit zijn enkele tientallen bedrijven. Hierbij valt onder andere te denken aan de volgende partijen.
Gemeentelijke warmtebedrijven en PPS’en Op dit moment zijn er verschillende gemeentelijke warmtebedrijven. Zo is de gemeente Eindhoven eigenaar van een warmtebron en -net in Eindhoven (2.000 aansluiting). Het Warmtebedrijf Rotterdam is ontwikkelaar van warmtenetten in Rotterdam (geen eindgebruikers, maar transportnet). En ook andere gemeenten, zoals Roosendaal en Groningen zijn eigenaar van warmtebedrijven die warmte en/of koude leveren aan klanten. En naast bedrijven die 100% in eigendom zijn van de gemeente, zijn er ook meerdere PPSconstructies in Nederland, zoals DEVO in Veenendaal (1.250 aansluiting, in ontwikkeling). Ook Westpoort Warmte in Amsterdam is een PPS tussen de gemeente Amsterdam (AEB) en Vattenfal. En hoewel het project nu stil staat, is ook Aardwarmte Den Haag een PPS tussen de gemeente en diverse marktpartijen. Het bedrijf Mijnwater BV dat LT-warmtennet in Zuid-Limburg ontwikkeld en exploiteert was in handen van de gemeente Heerlen, maar is inmiddels in handen van de provincie Limburg.
Commerciële bedrijven Ook het aantal commerciële bedrijven dat inmiddels actief is op de warmtemarkt is flink toegenomen. Niet alleen in aantal, maar ook in omvang. De grootste partijen zijn op dit moment Eteck (35.000 aansluiting, met name WKO-netten en LT-netten, ca. 200 projecten), Engie (WKO-netten en HT-netten in ontwikkeling), MPD Groene Energie (o.a. Warmtebedrijf Ede, 18.500 aansluitingen), Vaanster (ca. 170 projecten, met name WKOnetten).
Afvalbedrijven Het afval- en energiebedrijf HVC is niet in handen van één maar 44 gemeenten en 6 water schappen en onder andere vanuit de afvalverbranders in Alkmaar en Dordrecht ontwikkelen zij sinds enkele jaren warmtenetten. HVC is met een aanzienlijk aantal warmtenetten bezig. Deze bevinden zich in diverse fasen, van gedachtenvorming tot ontwikkeling en exploitatie. In Tabel 3 in 4.4.1 wordt een overzicht gegeven van de huidige projecten. Daarnaast zijn ze betrokken initiator en trekker bij Trias Westland, een aardwarmteproject voor 26 glastuinbouwbedrijven. Ook afvalbedrijf Attero, levert warmte aan klanten. Dat zijn op dit moment alleen nog bedrijven, maar zij hebben de ambitie om ook aan bestaande en nieuwe warmtenetten voor kleingebruikers te leveren.
Netwerkbedrijven Naast de oorspronkelijke energiebedrijven zijn de laatste jaren ook de netwerkbedrijven actief geworden op de warmtemarkt. Deze activiteiten vinden plaats buiten het gereguleerde gebied en zijn vaak ondergebracht bij dochterondernemingen. Voorbeelden
12
190405 ■ Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
A
zijn Firan (afsplitsing van Alliander; Warmtenet Hengelo), Enpuls (dochteronderneming Enexis, warmtenet Emmen), NetVerder (dochteronderneming Stedin; o.a. warmtenet Delft), Cogas (warmtenet Almelo). Ook de Nederlandse waterbedrijven zijn zich aan het oriënteren op de warmtemarkt en sommigen zijn al bezig met het ontwikkelen van concrete projecten, zoals Dunea (Katwijk) en Waternet (Amsterdam).
Lokale initiatieven De laatste jaren zijn er ook steeds meer lokale initiatieven, van klein tot groot, van succesvol tot onsuccesvol. Twee succesvolle initiatieven zijn ThermoBello in Culemborg (in handen van bewoners) en Glastuinbedrijf Ammerlaan The Green Innovator in Pijnacker (levering aan kassen, zwembad en 550 woningen). Beide zijn enige in hun soort. Waarbij ThermoBello het enige warmtenet van Nederland is dat gebruik maakt van thermische energie uit drinkwater (TED) is Ammerlaan het eerste en tot op heden enige geothermieproject dat ook aan woningen levert.
2.4
Ervaringen tot nu toe De eerste warmtenetten in Nederland verschenen zo’n honderd jaar geleden. En sindsdien hebben ze altijd onderdeel gevormd van de Nederlandse warmtevoorziening. Ook toen in de jaren ‘50/’60 van de vorige eeuw het Nederlandse aardgas werd gevonden en uitgerold over Nederland. De ervaringen met warmtenetten zijn de afgelopen decennia niet onverdeeld positief. In Nederland is er veel publieke discussie over verschillende onderdelen van warmtenetten en de warmtemarkt. Hierbij passeren onder andere de volgende onderwerpen vaak de revue: — Monopolypositie De energiemarkt in Nederland is geliberaliseerd. Dit geldt echter alleen voor de huishoudens die gebruik maken van elektriciteit en aardgas. De huishoudens die aangesloten zijn op een warmtenet hebben geen keuzevrijheid voor wat betreft hun warmteleverancier. De leverancier heeft in Nederland een monopoly op de levering van warmte op zijn net. Voor een deel van de huishoudens dat is aangesloten op een warmtenet geeft dit een gevoel van onrechtvaardigheid, omdat zij geen keuzevrijheid hebben in hun leverancier. Dit onderwerp is vaak onderwerp van onderzoek geweest de laatste jaren.
In een recente studie van Ecorys naar de werking van de Warmtewet (Ecorys, 2016) is (wederom) geconcludeerd dat een situatie waarbij er meerdere leveranciers op één warmtenet niet leidt tot een verbetering van de businesscase of dienstverlening. Dit geldt ook voor het toelaten van meerdere bronnen op het net, maar door hier vereenvoudige regels en criteria voor op te stellen zijn er wel ruimere mogelijkheden in de toekomst (zie verder 3.4) - Kosten Eén van de aspecten dat voortvloeit uit de monopolypositie op het warmtenet, is dat de leverancier in theorie alle vrijheid heeft om te bepalen welke prijs in rekening wordt gebracht bij de eindgebruiker. In de praktijk is hier al vele jaren echter een mechanisme voor om dit te voorkomen. Sinds enkele jaren is de Warmtewet actief, waarin de maximumprijs voor warmte wordt bepaald. En daarvoor was er het periodieke Tariefadvies dat door de branche zelf werd opgesteld. De eerste is verplicht en wordt gehandhaafd, de tweede was vrijwillig. Beide methoden zijn ontworpen als een nietmeer-dan-anders-principe (NMDA). Dit betekent dat huishoudens op een warmtenet, in principe, niet meer betalen dan wanneer zij op een gasnet aangesloten zouden zijn. Over deze methode heerst structureel veel discussie. Zowel over het principe/filosofie, als de uitwerking en berekening daarvan. HVC hanteert hierbij de lijn dat de gevraagde
13
190405 - Warmtestrategie HVC • 18 november 2019
tarieven altijd 5% onder de maximumprijs per GJ liggen en 21% onder de maximumprijs voor het vastrecht. Hiermee is dus een klant die aangesloten is op een warmtenet van HVC goedkoper uit dan wanneer deze aardgas zou gebruiken (gemiddeld 10% goed koper). Op dit moment wordt nagedacht over de Warmtewet 2.0 en onderdeel daarvan is een evaluatie van het maximumprijsprincipe en het ontwikkelen van een alternatief daarvoor. Een belangrijk verschil is het loslaten van de zogenaamde ‘gasreferentie’ van van het NMDA, omdat op termijn aardgas niet meer de referentie kan zijn, in een aardgas loze gebouwde omgeving. Duurzaamheid Zoals uit de voorgaande paragraaf blijkt, bestaat het grootste deel van de warmte in de warmtenetten uit warmte van fossiele oorsprong. Daarnaast zijn ook de warmte verliezen in de diverse netten aanzienlijk. Dit leidt er vaak toe dat wordt getwijfeld aan de duurzaamheid van de warmtenetten: mogelijk wordt door gebouwen op warmte netten meer CO2 uitgestoten dan gebouwen op gasnetten. En daarnaast is een veelgehoord argument dat door het gebruiken van warmte van fossiele oorsprong, het gebruik van die fossiele bronnen onnodig lang in stand wordt gehouden.
Om de duurzaamheid van collectieve warmtenetten in de toekomst te verbeteren, is het noodzakelijk dat voor ieder warmtenet een bronnenstrategie ontwikkeld wordt, om op termijn geen (of minimaal) gebruik te maken van fossiele energiebronnen. De verschil lende grote en kleine warmtebedrijven zijn hier al mee bezig. Het opstellen van een bronnenstrategie voor de lange termijn is geen sinecure. Veel alternatieven van de huidige bronnen kennen voor- en vooral ook nadelen. Het is daarom belangrijk dat het opstellen van een dergelijke strategie een dynamisch proces is, waarbij periodiek gekeken kan worden of de gekozen strategie nog aansluit bij de kennis en inzichten in de mogelijkheden. Voor HVC is een duurzame bedrijfsvoering van de warmtenetten belangrijk en daar wordt dan ook veel aandacht aan gegeven. Een resultaat daarvan is onder andere dat het warmtenet in Alkmaar (Alkmaar, Heiloo, Langedijk en Heerhugowaard) in december 2017 is verkozen tot duurzaamste warmtenet van Nederland (Energie+, 2018).
14
190405 • Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
A
3 Warmtenetten in de transitie De komende decennia gaat er veel veranderen in de Nederlandse warmtevoorziening: de 95% van de gebouwen die nu nog (in)direct met aardgas worden verwarmd moeten allen een alternatieve warmtevoorziening krijgen. Warmtenetten zijn hiervoor een mogelijke route. In dit hoofdstuk wordt ingegaan wat de toekomstverwachtingen zijn voor warmtenetten in de Nederlandse energietransitie. Het Klimaatakkoord is hét document dat de komende decennia de warmtetransitie gaat vormen. Daarom begint dit hoofdstuk met een kort overzicht van hetgeen opgenomen is in het Klimaatakkoord. Daarnaast gaan we in op andere effecten op de korte, midden en lange termijn.
3.1
Wat staat er in het Klimaatakkoord over warmtenetten? In het Klimaatakkoord hebben bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden maatregelen afgesproken waarmee het doel van 49% minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 gehaald kan worden. Warmtenetten zijn een belangrijk onderdeel van het Klimaatakkoord, vooral in de sector Gebouwde omgeving. De sector Gebouwde omgeving streeft naar het doel van 3,4 Mton minder COj-uitstoot in 2030 (Rijksoverheid, 2019). Daarom zullen in 2050 alle 7 miljoen huizen en 1 miljoen gebouwen in Nederland in plaats van door aardgas, verwarmd worden met hernieuwbare warmte. Om de CO2-reductiedoelstelling van 2030 te halen, moeten in 2021 50.000 bestaande woningen per jaar verduurzaamd worden. Dat tempo moet in 2030 opgelopen zijn tot meer dan 200.000 woningen per jaar. Aansluiten op een warmtenet is één van de oplossingsrichtingen naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Volgens het Klimaatakkoord zijn warmtenetten vaak een oplossing voor wijken en buurten van voor 1995 met dichte bebouwing en veel hoogbouw.
Regionale Energie Strategie (RES) De RES is een regionaal samenwerkingsverband voor de ruimtelijke inpassing van de energietransitie. Nederland is opgedeeld in 30 regio’s en al deze regio’s moeten een regionale vertaling maken van de nationale afspraken uit het Klimaatakkoord voor elektriciteit en gebouwde omgeving. Elke gemeente, provincie en ook waterschap werkt op dit moment binnen deze regio’s samen met stakeholders aan een Regionale Energiestrategie. De RES is een instrument om gezamenlijk te komen tot keuzes voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energie infrastructuur. De eerste versie, de RES 1.0, wordt maart 2020 opgeleverd.
Regionale Structuurvisie Warmte (RSW) Het deel van de RES dat over de warmtetransitie gaat, is de Regionale structuurvisie warmte (RSW). De RSW geeft informatie over de invulling van de warmtestructuur over de gemeentegrenzen heen. Het gebruik van potentiële warmtebronnen is het best regionaal af te stemmen. De RSW zorgt voor vroegtijdig inzicht op regionaal niveau in de (ruimtelijke) beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen, de totale warmtevraag en de bestaande en geplande infrastructuur voor warmte. Door op regionaal niveau afspraken over, en een afwegingskader voor, de verdeling van warmte te maken, kan ondanks de schaarse bronnen,
15
190405 ■ Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
A
optimaal worden omgegaan met de warmtepotentie in een gebied. De RSW dient als voorbereiding op de Transitievisie Warmte.
Transitievisie Warmte (TVW) Gemeenten zijn volgens het ontwerp Klimaatakkoord de regisseurs van de warmtetransitie voor de gebouwde omgeving. Samen met vastgoedeigenaren, bewoners, netbeheerders en medeoverheden moeten zij eind 2021 een transitievisie warmte klaar hebben. Daarin staan voorstellen voor duurzaam aardgasvrij verwarmen en koken. De Transitievisie Warmte geeft richting in de aanpak. Het bevat ook een wijk-voor-wijkstappenplan die alle partijen houvast geeft voor de planning. Dit plan geeft aan in welke volgorde een gemeente haar wijken gaat verduurzamen. En welke warmteoplossing het meest waarschijnlijk is. In de TVW ligt de focus op de wijken en buurten waar voor 2030 gestart kan worden met de transitie. Door deze wijkgerichte aanpak kunnen warmtenetten op wijkniveau worden georganiseerd en kunnen bovendien andere opgaven in wijken gemakkelijker worden meegekoppeld. In de Transitievisie warmte is woonlastenneutraliteit een belangrijk uitgangspunt.
Wijkuitvoerinssplannen Een wijkuitvoeringsplan is een plan voor een wijk die helemaal overgaat naar een aard gasvrije energievoorziening. Op basis van het plan kan de overgang door de betrokkenen worden gestart. Het is een concreet plan, waarin keuzes en planningen worden opgenomen. De voorgenoemde documenten en processen zullen de komende periode een heel groot deel van de het toekomstbeeld in gaan vullen. Voor de komende tien jaar worden hele concrete plannen ontwikkeld en ook naar 2050 zullen de eerste contouren worden geschetst. In ieder geval moeten de processen ertoe leiden dat de afspraken uit het Klimaatakkoord behaald gaan worden: De groei van warmtenetten met 80.000 woningequivalenten per jaar in 2030.
Startmotor huursector Aangezien de wijkgerichte aanpak pas vorm zal krijgen met het vaststellen van de gemeentelijke Transitievisies warmte in 2021, is besloten om een begin te maken met de warmtetransitie via de startmotor huursector. Het doel hiervan is om in de periode 20192022 minimaal 100.000 woningen aardgasvrij/aardgasvrij-ready te maken aanvullend op de afspraken uit het Energieakkoord. Bovendien gaan woningcorporaties zich samen met lokale overheden inzetten om de warmtevraag te bundelen ten behoeve van de ontwikkeling van duurzame warmtebronnen en -netten.
Groei in warmtenetten In het Klimaatakkoord wordt benadrukt dat een duidelijke verdeling van rollen, bevoegd heden en verantwoordelijkheden belangrijk is voor een snelle uitbreiding van warmte netten. Een goede afstemming tussen betrokken partijen - zoals gemeenten, warmtebedrijven, woningcorporaties en netbeheerders - zorgt er tevens voor dat projecten en keuzes passen binnen de te ontwikkelen wijkgerichte aanpak. Het KLimaatakkoord verwacht een groei in stadswarmte naar 80.000 woningequivalenten per jaar in 2025. Dit tempo moet vastgehouden worden tot 2030. Dit resulteert in een warmte vraag van 40 PJ in 2030 (de huidige warmtenetten leveren momenteel zo’n 20 PJ aan warmte). Onder de juiste voorwaarden zou het mogelijk moeten zijn om richting 2030 meer dan 80.000 woningequivalenten per jaar aan te sluiten op warmtenetten.
16
190405 ■ Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
Voorwaarden voor groei in warmtenetten Om deze groei in warmtenetten te realiseren moet worden voldaan aan: - randvoorwaarden omtrent de marktordening; - afdekking van de onrendabele top van warmtenetten door de overheid; - programmatische aanpak van de vraag; - normering van gebouwen (Rijksoverheid, 2019). Om de onrendabele top van duurzame warmtenetten te verkleinen, stelt de overheid SDE+ middelen beschikbaar. Ook werkt de overheid samen met de warmtesector de verbrede SDE+ uit, waarin wordt bepaald welke technieken in aanmerking voor deze stimulerings regeling in aanmerking komen. Daarnaast wordt een meer adequate stimulering van de toepassing van geothermie onderzocht. Bovendien gaat de Rijksoverheid onderzoeken onder welke voorwaarden restwarmte als duurzaam gewaardeerd kan worden in BENG-regelgeving en CO2-reductierapportages. Tekstbox 1 • Warmtewet 2.0__________________________
____________________________________
De Warmtewet biedt bescherming tegen een te hoge prijs voor warmte aan gebruikers van warmtenetten. Omdat warmtenetten een grote rot zullen gaan spelen in de Nederlandse energievoorziening, wordt de
Warmtewet 2.0 ontwikkeld. In de ontwikkeling van de Warmtewet 2.0 staan de thema's (1) Marktordening, (2) Tariefregulering, en (3) Verduurzaming centraal (MinEZK, 2019). Mogelijk zullen ook de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet daarbij gewijzigd moeten worden. In 2019 kijkt het Rijk op welke manier zij (industriële) warmtenetten financieel kan ondersteunen.
CCh-reductie van warmtelevering via warmtenetten Met de groei in warmtenetten, en met het verduurzamen van warmtebronnen, hoopt het kabinet 1 Mton CO2-reductie te realiseren in 2030. Van warmtebed rijven wordt verwacht dat zij in 2030 een gemiddelde CO2-reductie realiseren van 70% ten opzichte van de conventionele cv-ketel op aardgas. De CO2-intensiteit van warmte geleverd door stadswarmtenetten dient dus te worden verlaagd naar 18,9 kg CO2/GJ. Om deze reductie te bereiken zal de warmtesector zorgen voor een groei in de productie en distributie van hernieuwbare warmtebronnen. Een mix van warmtebronnen - bestaande uit geothermie, aquathermie, restwarmte, zonnewarmte, biomassa, power-to-heat en duurzame gassen - is nodig om de doelstellingen te realiseren. De warmtesector en de Rijksoverheid gaan samen onderzoeken of de energiebelasting kan worden aangepast ten behoeve van duurzaam opgewekte warmte, en of piekketels kosteneffectief verduurzaamd kunnen worden door de inzet van biobrandstoffen, groen gas en hernieuwbare elektriciteit.
3.1.1 Effect van energiebesparing op warmtenetten Uitgangspunt van het Klimaatakkoord is de inzet op vergaande energiebesparing in de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. De jaarlijkse netto warmtevraag van gebouwen wordt uitgedrukt in kWh/m2/jaar. Verbeteringen in gebouwisolatie en warmteafgiftesystemen verlagen de netto warmtevraag. Een lagere netto warmtevraag creëert de mogelijkheid voor warmtebed rijven om de temperaturen in warmtenetten te verlagen. Op deze manier kunnen ook lagetemperatuur (LT-)warmtebronnen in het net ingevoed worden. Het energieverlies van LT-warmtenetten is lager dan het verlies van hogetemperatuurwarmtenetten (CE Delft, sd). Hierdoor hebben LT-warmtenetten over het algemeen een hoger rendement (uitgedrukt in equivalent opwekkingsrendement, EOR). Een warmtenet
17
190405 • Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
A
met een hoog EOR gebruikt relatief weinig fossiele energie voor de warmtelevering, en stoot dus minder broeikasgassen uit.
Wanneer energiebesparingsmaatregelen zorgen voor een lagere warmtevraag van gebouwen, kan dit warmtenetten minder rendabel maken doordat investeringen zich minder snel terugbetalen. Daar staat tegenover dat het aantal gebouwen dat kan worden aangesloten kan toenemen. In de Warmtemonitor wordt bijvoorbeeld genoemd dat in de periode 2018-2023 het aantal aansluitingen op grote warmtenetten naar verwachting met 23% zal toenemen, terwijl de warmtelevering met slechts 16% stijgt (RVO, 2019). Dit komt doordat het gemiddelde warmteverbruik door energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, afneemt. Ook warmere winters doen het gemiddelde warmteverbruik dalen.
3.2
Lopende projecten Door veel partijen in Nederland, worden warmtenetten als zinvolle ontwikkelroute gezien naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. In Tabel 2 wordt weergegeven dat de bestaande, grote netten de komende jaren gestaag door blijven groeien. Maar daarnaast zijn er ook andere, nieuwe projecten. Deze zijn veel in aantal en in de komende drie paragrafen wordt een indicatie gegeven van enkele concrete projecten.
3.2.1 Groeneweide projecten De groeneweide projecten zijn de projecten die plaatsvinden in gebieden waar nog geen bestaande warmtenetten aanwezig zijn, of waar op bestaande netten wordt aangetakt. Dit zijn onder andere: — Zaanstad Eind 2019 krijgen in Zaandam Oost de eerste 2.200 woningen warmte geleverd uit het nieuwe warmtenet dat op dit moment wordt aangelegd. Het warmtenet in Zaandam is ontwikkeld als een open warmtenet, waarbij de rollen zijn verdeeld over verschillende partijen (producent, transporteur, leverancier). Het net zal gevoed worden door een nieuw te bouwen biomassacentrale. Bij het net zijn Engie, Firan, de gemeente en woningcorporaties betrokken. — Apeldoorn (nieuwbouw) Bij het nieuwbouwproject Ugchelen Buiten wordt een woonwijk aangesloten op een nieuw warmtenet. Het warmtenet wordt gevoed door een biomassacentrale. Het warmtenet wordt ontwikkeld en geëxploiteerd door MPD Groene Energie — Hengelo Het warmtenet in Hengelo is de afgelopen jaren ontwikkeld en wordt op dit moment nog verder uitgebreid. In dit warmtenet wordt LT-warmte vanuit de zoutfabriek van AkzoNobel via een backbone de stad in geleid. Vanuit de backbone wordt de warmte in kleinere distributienetten op de juiste temperatuur gebruikt. De restwarmte van AkzoNobel is ‘gecascadeerde’ warmte, die in eerste instantie als stoom uit de afvalverbrander van Twence komt.
- Leeuwarden Het warmtenet in Leeuwarden wordt ontwikkeld door het consortium Warmte van Leeuwarden (Bouwgroep Dijkstra Draisma, ECW, EnNatuurlijk). In de afgelopen jaren zijn reeds twee warmtenetten ontwikkeld welke uitgebreid gaan worden en worden voorzien van een geothermische warmtebron. De huidige netten worden sinds 2015 gevoed door warmtekrachtkoppelingen. — Groningen Onder de noemer WarmteStad zijn de gemeente Groningen en het Waterbedrijf Groningen op diverse plekken in de stad bezig nieuwe warmtenetten te ontwikkelen. De warmte komt van datacenters en wordt met behulp van collectieve warmtepompen
18
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
A
opgewaardeerd naar het gewenste temperatuurniveau. Uiteindelijk moeten meer dan 10.000 woningen in Groningen hiermee verwarmd worden. Deventer (nieuwbouw) In de wijk Zandweerd wordt een warmtenet ontwikkeld voor de nieuwbouw. Het net wordt ontworpen met het idee dat op een later tijdstip ook de bestaande bouw in de omgeving aangesloten kan worden. Uiteindelijk moeten 2.200 woningen aangesloten zijn. Het net wordt gevoed door warmte uit de rioolwaterzuivering. De gemeente is de eerste (tijdelijke) eigenaar van het project, om het later door te verkopen aan een partij die het warmtenet verder zal exploiteren. Roermond In Roermond ontwikkelt Enpuls het Slim Energienet Roermond. Dit net moet 1.200 tot 2.200 huishoudens in Roermond van duurzame warmte gaan voorzien na 2020. Den Helder In Den Helder is HVC bezig om samen met de gemeente en woningcorporaties een warmtenet te ontwikkelen op basis van geothermie. Op termijn moet dit net aan circa 7.500-10.000 woningen warmte leveren. IJmond In de regio IJmond ontwikkelt HVC een warmtenet dat zowel gebruik maakt van geothermie als van industriële restwarmte. Het wordt een omvangrijk warmtenet dat uiteindelijk aan circa 30.000 woningequivalenten warmte gaat leveren. Westland glastuinbouw Niet alleen bij woningen, maar ook in de glastuinbouw worden warmtenetten ontwikkeld.
In Westland ontwikkelt en realiseert HVC (met ETP) diverse warmtenetten voor glastuinbouwbedrijven, met in totaal een thermisch vermogen van 210 MW5.
3.2.2 Proeftuinen Eind 2018 heeft de Nederlandse Rijksoverheid een subsidie ingesteld voor 27 wijken die in 2019 een start gaan maken om aardgasvrij te worden. Hiervoor was een subsidie van 120 mln euro beschikbaar. De aanvraag was bedoeld om op zeer korte termijn projecten te realiseren en om te leren van de aspecten waar men (gemeente, corporaties, warmtebedrijven, bewoners) tegenaan loopt, wanneer bestaande woonwijken van het aardgas af gaan. In Figuur 5 worden de 27 wijken weergegeven. Van de 27 wijken, wordt in 22 wijken een oplossing toegepast die gebruik maakt van een warmtenet6.
HVC is betrokken bij twee proeftuinen: - Proeftuin Nagele (nr. 15): Energiek Nagele heeft HVC vanwege kennis en ervaring op gebied van techniek (van warmtenetten) maar ook op juridisch en financieel vlak, gevraagd om haalbaarheidsonderzoek uit te voeren en businesscase uit te werken. Hoewel dit niet betekent dat HVC per definitie bij toekomstige exploitatie van het project wordt betrokken, maar die kant gaat het wel op. - Proeftuin Sliedrecht-Oost (nr. 21): HVC is in dit project partner van de gemeente. Hier wordt een overgedimensioneerd net ontwikkeld, met als achterliggend doel om uiteindelijk voldoende ‘massa’ te maken voor ontwikkeling geothermie-doublet. Hoewel de projecten uit de proeftuinen gemiddeld ‘slechts’ een omvang hebben van 500 woningen, is dit wel de eerste keer in Nederland dat op grote schaal voor hele gebieden een aanpak wordt uitgerold om bestaande woningen van het aardgas af te halen. En in de meeste gevallen gaat het niet om uitbreidingen van de bestaande warmtenetten naar toch
5 Ter referentie: als dit voor woningen ingezet zou worden, dan zouden circa 75.000-100.000 woningen van
basislastwarmte kunnen worden voorzien. 6 https: / /aardgasvrijewijken.nl/overpaw/proeftuinen/proeftuinenopdekaart/default.aspx
19
190405 - Warmtestrategie HVC ■ 18 november 2019
A
al kansrijke locaties dichtbij, maar gaat het om nieuwe situaties in minder optimale situaties (inclusief een warmtenet-project bij 370 vrijstaande woningen in Loppersum). De wijken die in 2018 hun subsidie hebben gekregen, zijn de ‘eerste tranche’ van de regeling. Het is de bedoeling dat de proeftuin-subsidie periodiek nieuwe wijken in de gelegenheid stelt om aardgasvrij te worden. In maart 2020 moeten de aanvragen voor de volgende tranche ingediend zijn. Figuur 5 - Overzicht van locaties van de proeftuinen
27
aardgasvrije wijken o
3
& F
^4
1?
rt ■G
1 2 3 4
Amsterdam Appmgedam Assen Brunssum
5 6 7 8
9
DelfzM Den Haag Dommelen Eindhoven Groningen
Van Der Pekbuurt Opwierde-ZuKi Lariks West Brunssum-noord Delfzijl Noord BouwlusVVredermt Terheijden tVen Paddepoei en Sekverd
10 11 ia 13
Hengele Katwijk Loppersum Middelburg
Nijverheid Smanpolder Loppersum - 't Zandt- West Dauwendaele
14 Nijmegen 15 Noordoostpolder 16 Oldambt 17 Pekela il Purmerend 19 Rotterdam 20 Srnard-Geleen 21 Sliedrecht 22 Tilburg
■KJefi
Nagele Nieuwoida Wagenborgen Boven Pekela en de Doorsneebuun Overwhere-Zuid Pendrecht
23 Tytsjerksteradie!
Limbriditeiveld-Noord Sliedrecht-Oost Qinnjnstok Garyp
24 Utrecht 25 Vlieland 26 Wageningen 27 Zoetermeer
Overvecht Noord Duinwijck Benedenbuur! Palenstem
3.2.3 Geplande projecten In Nederland zijn er tientallen initiatieven voor kleine en grote warmtenetten. Er bestaat hiervoor geen handzaam overzicht en de projecten zijn meer en minder concreet. Dit zijn bijvoorbeeld warmtenetten in Zwolle en Wageningen die op termijn ontwikkeld moeten worden met een (ultradiepe) geothermiebron. Daarnaast zijn de belangrijkste geplande projecten de vier regionale transportnetten: 1. Warmterotonde: transportleidingen tussen Rotterdam, Delft, Den Haag, Zoetermeer en Leiden. 2. Grand Design: transportleidingen tussen IJmuiden, Haarlem, Zaanstad en Amsterdam. 3. Het Groene Net: transportleidingen tussen Geleen, Sittard en Maastricht. 4. Eemsdelta: transportleidingen tussen Eemshaven en Groningen.
20
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
A
Deze transportleiding hebben ten doel om warmte te ontsluiten over grote afstanden voor enkele honderdduizenden aansluitingen.
3.3
De rol van warmtenetten in de warmtetransitie Warmtenetten kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de transitie naar een klimaatneutraal energiesysteem in Nederland. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving hebben warmtenetten de potentie om op termijn ongeveer de helft van de benodigde warmte te leveren. Momenteel wordt slechts 4% van de warmtevraag in Nederland geleverd door warmtenetten (PBL, 2017). Het PBL concludeert dat op termijn 350 PJ ofwel 60-75% van de nationale lagetemperatuurwarmtebehoefte het goedkoopst door warmtenetten kan worden geleverd. Dit is zeventien keer de hoeveelheid energie die op het moment via warmtenetten wordt geleverd (PBL, 2017).
Naast het onderzoek van het PBL zijn er verschillende andere scenario-studies uitgevoerd om een beeld te krijgen van de mogelijkheden voor verwarming zonder aardgas. Ondanks dat er verschillen bestaan in de uitkomsten van deze studies, hebben warmtenetten in al deze studies een groot aandeel in de toekomstige warmtevoorziening: - Het 'warmtescenario': Beelden van een op warmte gerichte energievoorziening in 2030 en 2050 (Berenschot, 2018): circa 65% van de warmtevraag van de gebouwde omgeving kan in 2050 door warmtenetten worden ingevuld. - Verkenning 2050 (Gasunie, 2018): 25% van alle gebouwen is aangesloten op een warmtenet. - Masterplan Aardwarmte in Nederland (Platform Geothermie; DAGO; Stichting Warmtenetwerk; EBN, 2018): 40% van alle gebouwen is aangesloten op een warmtenet. - Een klimaatneutrale warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving - update 2016 (CE Delft, 2016): circa 60% van de woningen is aangesloten op een warmtenet.
Op basis van dergelijke studies zullen in 2050 naar verwachting tussen de 2 en 5 miljoen gebouwen aangesloten zijn op warmtenetten. Ten opzichte van de huidige 0,8 miljoen woningen betekent dat hoe dan ook een forse toename, waarbij een minimaal tempo van jaarlijks zo’n 45.000 woningen nieuw aansluiten op warmtenet nodig is, en maximaal 145.000. De ambitie van 80.000 woningequivalenten per jaar uit het Klimaatakkoord vormt daarmee een goede middenwaarde.
3.4
Marktordening Op dit moment zijn er veel uiteenlopende warmtenetten, van kleine WKO-installaties tot grootschalige stadsverwarmingsnetten. Voor kleinschalige netten is het geïntegreerde warmtenet in eigendom van (en beheerd door) de betreffende private warmteleverancier het dominante marktorganisatiemodel. In dit model is zowel het net, de warmtebron als de warmtelevering in handen van één partij. Bij blokverwarming en WKO-installaties is dat bijna altijd het geval. Bij de grotere netten is er meer diversiteit in de marktorganisatiemodellen, vooral in de eigendomssituatie. In Figuur 6 is voor een aantal grote bestaande netten de eigendomssituatie weergegeven evenals de mate waarin andere warmteproducten/leveranciers toegang hebben tot het net. In de figuur zijn tevens een aantal recente initiatieven opgenomen. Uit openbare informatie is goed af te leiden wat de beoogde eigendoms verhoudingen zijn, maar over de mate waarin andere producenten/leveranciers toegang hebben tot het net is minder duidelijkheid. Bij een aantal van deze initiatieven is er de
21
190405 • Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
A
ambitie om tot een ‘open net’ te komen. Over de condities en voorwaarden voor toegang is echter onduidelijkheid, voor geen van de genoemde initiatieven is op basis van openbare gegevens duidelijk waar producenten aan moeten voldoen om toegang te krijgen tot het net. In een uitgebreide studie naar de mogelijkheden van open warmtenetten in Nederland concludeert Ecorys (Ecorys, 2016): "Open warmtenetten", al of niet in (semi)-publiek eigendom, kunnen afnemers, producenten en leveranciers in theorie minder afhankelijk van elkaar maken. In de praktijk zijn er echter praktische belemmeringen om dergelijke open netten te realiseren. TPA en splitsing zijn niet kosteloos, en resulteren naar onze mening niet direct in grote maatschappelijke baten via een daling van de kosten van warmtelevering. Voor investeerders in warmtenetten en warmteproductie kan toegangsregulering een risico vormen in de businesscase. Toegangsregulering is daarom niet zonder meer wenselijk. Een open net zou alleen wenselijk kunnen zijn voor netten waarop veel warmteaanbod vanuit verschillende bronnen (met een verschillende eigenaar) beschikbaar is. Voor dergelijke specifieke netten kan een "open net” een goede organisatievorm zijn als er voldoende producenten zijn die bereid zijn om te investeren in een aansluiting, ook als zij weten dat er alternatieve warmteproducenten het net op kunnen komen.
Om deze redenen adviseren wij om onvoorwaardelijke "openheid” van een warmtenet niet bij wet te reguleren. ”
Figuur 6 - Variatie in marktorganisatiemodellen
Nijmegen/ bidden Gelderland
Metropoo/regio Amsterdam
Wamterotonde Zuid-Hotland
• • • Zaanstad
Dordrecht Nieuw mtabef
Warmtenet Groningen
Bestaand warmtenet
Duiven
Hengelo
Amemet
Stadsverwarming Purmerend
Almere
Rotterdam
'S, o Pnvaat
22
Pnvaat/ publiek
190405 ■ Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
Pubhek
De conclusie van Ecorys wordt bevestigd door de diverse voorbeelden in de voorgaande paragrafen/hoofdstukken. In bijna alle nieuwe, grootschalige netten is er sprake van ‘gesloten’ netten en vaak ook geïntegreerde netten. Hoewel het niet onderzocht is, kan een mogelijke reden hiervoor zijn dat door deze aanpak de financierbaarheid van de warmtenetten eenvoudiger is, waardoor ook meer en kleinere partijen in de warmtemarkt kunnen stappen.
Op basis van de uitgevoerde analyses is het niet de verwachting dat de komende jaren op grote schaal open warmtenetten gaan ontstaan. Dit betekent dus ook dat de markt voor tal van toetreders interessant blijft. Inclusief grote buitenlandse partijen. Inmiddels is een grote buitenlandse speler als Engie al actief aan het worden, maar daarnaast merken wij ook interesse van andere, zeer grote buitenlandse bedrijven in de Nederlandse warmte markt en warmtenetten. Hierbij wordt met name de ‘monopolypositie’ van de leverancier interessant gevonden. Dit geldt uiteraard ook voor de commerciële partijen uit Nederland, zoals Eteck en Vaanster. Voor de toetredende gemeente ligt de motivatie meestal niet in het gebruik maken van de monopolypositie, maar juist het beschermen van de burgers daarvoor of juist als initiator van processen, om een warmtenet überhaupt van de grond te krijgen, als de markt het niet oppakt.
Concessies en voorkeursposities In diverse regio’s zijn er warmtebedrijven die concessiegebieden hebben. Dit is onder andere de situatie in Rotterdam-Noord en Rotterdam-Zuid, delen van Amsterdam en Utrecht. In deze gebieden heeft de concessiehouder het eerste recht om nieuwe aansluitingen te voorzien. Hoeveel concessiegebieden er werkelijk zijn, is niet bekend en ook de locatie daarvan niet. Wel hebben veel gebieden in Nederland een voorkeurspositie voor de diverse warmtebedrijven. Deze komt voort uit de historie van de warmtebedrijven, toen de meesten nog gemeentelijke of provinciale energiebedrijven waren. En vaak al warmtenetten in de regio in bezit hebben. Zo is de eerste keuze voor een warmtenet in Limburg voor EnNatuurlijk, voor Gelderland is dat Nuon en Utrecht is dat Eneco. In de gemeenten waar HVC reeds assets heeft, ligt het vaak voor de hand om met HVC aan de slag te gaan. Met steeds strengere regels voor aanbesteding en de steeds vrijere markt voor energie en warmte, merken we echter dat deze voorkeursposities steeds vaker los wordt gelaten. Zo is het niet meer gangbaar dat specifieke warmtebedrijven mee praten over ontwikkelingen in ‘hun’ regio.
Enerzijds omdat dit vaak vanwege de aanbestedingsregels niet meer mag, maar ook dat de gemeenten steeds beter door hebben dat zij een vrije keuze hebben in het bedrijf dat zij gaan inzetten voor de ondersteuning bij een bepaalde ontwikkeling. Dit leidt er onder andere toe dat op steeds meer plaatsen nieuwe spelers op de markt komen in de gebieden waar van oudsher andere warmtebedrijven actief zijn.
3.5
Alternatieven Naast de mogelijkheden van de collectieve systemen, zijn er ook mogelijkheden voor individuele systemen. In de warmtetransitie wordt daarom vooral gekeken of een collectieve of een individuele optie het beste is voor een bepaald gebied. Op dit moment wordt ongeveer 90-95% van alle gebouwen in Nederland individueel verwarmd.
3.5.1 Temperatuurniveau Net als bij collectieve systemen is er ook bij individuele systemen een onderscheid te maken op temperatuurniveau. Hierbij komt het vooral neer op een tweedeling: hoge- en lagetemperatuur.
23
190405 ■ Warmtestrategie HVC • 18 november 2019
A
Bij hogetemperatuur gaat het primair om systemen die ‘iets’ verbranden, vaak op enkele honderden graden, waarmee CV-systemen voorzien kunnen worden van warmte. Denk daarbij aan de gangbare HR-ketel met een gasvormige energiedrager, maar ook systemen die biomassa verbranden, zoals een houtpelletkachel. Dergelijke systemen zijn goed in staat een hoog comfortniveau te behalen en te voorzien in zowel ruimteverwarming en warm tapwater. Een belangrijk voordeel van deze systemen is dat zij een minimale aanpassing van de huidige situatie vereisen. De opties voor lagetemperatuur werken meestal met elektriciteit. Dit zijn over het algemeen elektrische warmtepompen die gebruik maken van de buitenlucht, ventilatielucht of de ondiepe bodem (met een gesloten bodemwarmtewisselaar). Kenmerkend aan deze technieken zijn de hoge energetische rendementen die zij kunnen behalen. Wel vereisen zij een gebouw dat goed tot zeer goed geïsoleerd is. En voor de productie van warm tapwater is bijna altijd een groot buffervat (100-300 liter) noodzakelijk om zowel energetisch als technisch een optimale inzet mogelijk te maken.
Naast de bovengenoemde opties, die zeer realistisch zijn voor de Nederlandse situatie, zijn ook nog andere alternatieven mogelijk die in het buitenland veel worden ingezet. Dit is bijvoorbeeld de elektrische weerstandsverwarming. Hoewel de techniek lage kosten heeft voor de aanschaf, is het energetische rendement van hiervan veel slechter dan van warmte pompen (100% versus >300%). Voor een land als Nederland, waar de beschikbaarheid van duurzame elektriciteit uitdagend en kostbaar is, heeft een dergelijke optie niet de voorkeur. Daarnaast zijn er opties als infraroodverwarming. Deze technieken werken fundamenteel anders dan de gangbare technieken. Op dit moment is er nog veel onbekend over de werkelijke mogelijkheden van deze techniek. Over het algemeen wordt aangenomen dat IRverwarming enkel kan dienen als ‘bijverwarming’ een niet als hoofdverwarming.
3.5.2 Energiebronnen Er zijn diverse energiebronnen en -dragers beschikbaar voor de individuele warmtetechnieken. Naast het nu zéér wijds ingezette aardgas zijn de volgende bronnen beschikbaar: Groengas Het belangrijkste alternatief voor aardgas is groengas. Groengas is biogas dat wordt geproduceerd uit geschikte biomassastromen, met aardgaskwaliteit. Groengas is één-op-één uitwisselbaar met aardgas. De biomassastromen die nodig zijn voor de productie hiervan zijn in Nederland niet ruim voorhanden. Recente scenario-studies verwachten dat er ongeveer lOx minder groengas kan zijn als het huidige aardgas verbruik. Omdat met groengas hele hogetemperaturen gemaakt kunnen worden (ca. 1.000°C), is het ook bij uitstek geschikt voor inzet in andere sectoren, zoals de industrie. In de toekomst wordt dan ook flinke concurrentie verwacht tussen de verschillende sectoren in Nederland, als het gaat om het ‘mogen’ gebruiken van groengas. De inzet van groengas vereist geen aanpassingen aan de bestaande gasdistributie netten, maar er moeten wel voorzieningen worden getroffen voor het invoeden ervan. Elektriciteit Naast groengas zijn de meeste pijlen op dit moment gericht op het gebruik van elektriciteit als energiebron. Het gaat daarbij met name om de inzet van elektriciteit door een warmtepomp in combinatie met een andere energiebron: lucht, water, bodem.
De elektriciteit wordt daarbij gebruikt om de gewenste temperatuur en hoeveelheid warmte (en koude) te produceren.
6
24
190405 - Warmtestrategie HVC -18 november 2019
A
«2 *
F
1
n
Grootschalig gebruik van elektriciteit voor verwarmen vereist een aanzienlijke verzwaring van de elektriciteitsinfrastructuur. Waterstofgas De laatste tijd wordt de roep om waterstofgas als bron van warmte voor gebouwen steeds groter. Waterstof zou ingezet kunnen worden in een aangepast aardgasnet en kan relatief eenvoudig woningen en andere gebouwen van warmte voorzien. Het grote winstpunt zit vooral in de voordelen van een gasvormige energiedrager in het algemeen: hoge capaciteit, hogetemperaturen. Dit betekent dat aan de gebouwkant minimale aanpassingen nodig zijn om deze optie mogelijk te maken. Ook techniek om waterstof om te zetten in warmte is goedkoop, mits dit wordt gedaan door ‘eenvoudige’ verbranding in een aangepast HR-ketel. De huidige meerkosten van brandstofcellen wegen bij lange na niet op tegen de hogere efficiëntie die zij hebben. Voor Nederland zullen brandstofcellen niet op grote schaal worden toegepast. Het grootste nadeel van waterstof is de beschikbaarheid. Die is er nu namelijk niet. Hoewel er diverse testen worden uitgevoerd, blijft waterstof een energiedrager die geproduceerd moet worden. Hiervoor is veel elektriciteit nodig en die moet duur zaam zijn. Op dit moment en de komende jaren, kent Nederland geen significante overschotten van duurzame elektriciteit die een grootschalige productie van waterstof op een duurzame manier mogelijk gaan maken.
Daarnaast geldt net als bij groengas de concurrentie van anders sectoren. Immers, ook met waterstof kunnen hele hogetemperaturen worden bereikt, waarmee een inzet in de industrie eerder voor handen is dan inzet in woningen. Vaste biomassa Naast biomassa die omgezet kan worden in gas, zijn er ook stromen die een vaste vorm hebben (zoals hout). Deze kunnen als blokken, snippers en pellets worden ingezet in kachels en haarden. Het voordeel hiervan is dat de technieken hiervoor relatief goedkoop zijn en dat hetzelfde comfortniveau als met gas bereikt kan worden. Het nadeel is echter de beperkte beschikbaarheid van vaste biomassa in Nederland, de additionele luchtemissies (fijnstof en andere schadelijke stoffen) en geuroverlast. Deze lokale effecten geven bij grootschalig gebruik, met name in stedelijk gebied zeer veel problemen voor de luchtkwaliteit en volksgezondheid7. In veel gemeenten van Nederland wordt houtstook (vaste biomassa) daarom ook al ontraden. Individuele verbranding van vaste biomassa is daarmee alleen een oplossing voor specifieke toepassingen en gebieden in Nederland. Bijvoorbeeld de buitengebieden die nu ook al geen aardgasnet hebben, maar gebruik moeten maken van LPG-tanks.
3.5.3 Collectief vs. individueel De huidige manier van verwarmen in Nederland is niet houdbaar. De jaarlijkse inzet van ongeveer 15 miljard kuub aardgas levert zeer veel CO2-emissies en is niet duurzaam. Dat betekent dat voor alle gebouwen van Nederland een alternatief moet komen. Wat het beste alternatief gaat zijn, hangt van vele factoren af. Of het een collectieve oplossing wordt, of individueel? Of het een hoge- of lagetemperatuur wordt? Doordat er in Nederland veel alternatieven voorhanden zijn, is er op veel plaatsen ook daadwerkelijk sprake van een keuze. En ondanks dat bijna overal meerdere mogelijkheden zijn, hebben verschillende opties toch specifieke voorkeursgebieden voor de toepassing. Met name voor collectieve systemen, de warmtenetten, geldt dit. De afgelopen jaren zijn daarom diverse afwegingskaders ontwikkeld om te kijken waar collectieve systemen het
7 https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/functies/hinder-houtkachels
25
190405 • Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
beste toegepast kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn het Gemeentelijk Afwegings kader Warmtevoorziening Locaties of de Uniforme Maatlat van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Aan de hand van dergelijke instrumenten kan een eerste inzicht worden gegeven van de mogelijkheden van collectieve systemen in Nederland.
Een voorbeeld van de uitwerking daarvan staat in de volgende figuur. Hierin is weergegeven (voor de provincie Zuid-Holland) welke buurten de mogelijk de juiste eigenschappen hebben voor het ontwikkelen van een collectief warmtesysteem. Hierbij wordt ervan uit gegaan de dat warmtevraagdichtheid minimaal 500 GJ/ha moet zijn om een warmtenet aantrekkelijk te maken. Uit de kaart blijkt duidelijk dat het met name de stedelijke gebieden zijn, waar collectieve systemen het meest kansrijk zijn. En het geeft vooral ook aan waar warmtenetten juist niet kansrijk zijn. Naast buurten met woningen, kantoren, scholen en winkels, zijn ook buurten met veel glastuinbouw interessante gebieden voor warmtenetten. Dit komt omdat zij hetzelfde type warmtevraag kennen als de gebouwde omgeving. Door dergelijke informatie te vergelijken met gegevens over de beschikbare warmte bronnen, kan een eerste inschatting worden verkregen waar collectieve oplossingen wel en niet mogelijk zijn.
26
190405 ■ Warmtestrategie HVC ■ 18 november 2019
A
Figuur 7 - Indicatief overzicht van kansrijke gebieden voor collectieve warmtetechnieken
Legenda Gebouwde omgeving
27
190405 • Warmtestrategie HVC • 18 november 2019
A
4 De rol van HVC De aanleiding voor deze rapportage is de vraag of een keuze voor warmtenetten door HVC een verstandige keuze is om van aardgas af te gaan. In dit hoofdstuk worden daartoe de volgende elementen van die keuze belicht: flexibiliteit, financieel, duurzaamheid, operationeel.
4.1
Flexibiliteit Vraag HVC: Is de keuze strategisch verantwoord, biedt een warmtenet voldoende flexibiliteit? De flexibiliteit rondom een warmtenet kent twee perspectieven: het maatschappelijke perspectief en het perspectief vanuit de bedrijfsvoering. Maatschappelijk wordt er vaak gezegd dat de keuze voor een warmtenet leidt tot een zogenaamde ‘lock-in’. Hiermee wordt bedoeld dat de keuze er voor zorgt dat in het gebied van het warmtenet ‘tot einde der tijden’ een warmtenet ligt en dat er geen ruimte meer is voor de keuze voor één van de alternatieven. Met name bewoners in de betreffende gebieden zien dit vaak als negatief punt omdat zij hun toekomstige keuzevrijheid kwijt raken en dat zij voor de komende decennia vast zitten aan dezelfde leverancier, warmte en warmtebron. Tot op zekere hoogte zit hier uiteraard een kern van waarheid in, want het is immers niet (economisch) logisch om eerst een kostbaar warmtenet aan te leggen en die binnen een korte termijn weer te gaan vervangen voor een alternatieve energieinfrastructuur. Dit impliceert dat de bewoners op z’n minst voor enkele decennia vast zitten aan het warmtenet en de bijbehorende leverancier. En vanuit het huidige paradigma van een aardgasnet met aardgasketel lijkt dit een aanzienlijke achteruitgang en daarmee een negatieve lock-in. Er is voor de bewoners geen flexibiliteit8.
Wanneer echter met een ruimere scope naar de lock-in wordt gekeken, dan wordt zichtbaar dat deze ook positief geframed kan worden. Er ligt immers een CO2-vrije infrastructuur (er stroomt enkel warm water door het warmtenet) en door het verduurzamen van één of enkele grote warmtebronnen, kan in één keer de warmtevoorziening van duizenden woningen verduurzaamd worden. Zonder dat de bewoner daar iets voor hoeft te doen. En de bewoner heeft alle ruimte om bijvoorbeeld isolerende maatregelen te treffen, zonder dat dit van invloed is op de functionaliteit van de warmtevoorziening. En daar zit ook de flexibiliteit in de bedrijfsvoering. Vanuit de bedrijfsvoering kan betoogt worden dat, gegeven enkele restricties, er een relatief grote flexibiliteit is. De primaire taak in de bedrijfsvoering is het vervoeren van thermische energie naar de klanten. Hoewel het uiteraard steeds belangrijker wordt om duurzame bronnen te gebruiken, is het op de meeste plekken in Nederland mogelijk om uit meerdere bronnen te kiezen. Het gaat dan om contracteerbare restwarmtebronnen of het ontwikkelen van eigen bronnen, zoals biomassawarmtecentrales of geothermie. Dergelijke bronnen kunnen alleen of tezamen, voor kortere of langere termijn warmte leveren aan een warmtenet.
Daarnaast zijn er voor de leverancier (HVC) mogelijkheden om aanpassingen binnen het net en/of bij de afnemers te stimuleren, zodat ook de eigenschappen van de warmtelevering flexibel kunnen zijn. Zoals het verlagen van de leveringstemperatuur. Dit biedt op zijn beurt weer extra flexibiliteit in de aan te sluiten bronnen.
8
Dit is echter niet noemenswaardig anders dan het gebrek aan keuze voor het waterbedrijf, de afvaldienst of het openbaar vervoer. Voor allen zijn alternatieven te verzinnen, maar die zijn vaak complexer en kostbaarder.
28
190405 ■ Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
4.2
Financieel Vraag HVC: Zijn de benodigde investering, rendement en financiering maatschappelijk verantwoord? Het beantwoorden van deze vraag is uiteraard afhankelijk van vele factoren en dan met name lokale factoren en lokale eigenschappen: op de ene locatie zijn de investeringen wel verantwoord en op de andere locatie niet. Over het algemeen kan worden gesteld dat in veel stedelijke gebieden in Nederland het verantwoord is om na te denken over warmtenetten. Op basis van fysieke kenmerken (zoals benoemd in Paragraaf 3.5.3) kan globaal gekeken waar een warmtenet mogelijk haalbaar is. Om te weten of het maatschappelijk ook verantwoord is, kan worden gekeken naar de verschillende modelmatige analyses. In Figuur 8 wordt een uitsnede weergegeven van de uitkomsten van Startanalyse van het PBL, waarbij de strategieën met de laagste nationale kosten worden weergegeven. In deze kaart zijn de oranje buurten de buurten waarvoor een collectief warmtenet (strategie S2) de laagste nationale kosten, in het geval van een aardgasvrije warmtevoorzieningen. Duidelijk zichtbaar is dat de stedelijke kernen veelvuldig op warmtenetten uitkomen. Voor deze gebieden lijkt het dan ook een verantwoorde investering. Figuur 8 - Uitsnede uitkomst Startanalyse (oktober 2019) - Laagste nationale kosten (PBL, 2019)
■KWi
f inbuteM hxu rif U.fompev np
/
/ :
iwr 1
29
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
& '
Hoewel de Startanalyse vooral nog voorlopige uitkomsten zijn, geven ze al wel aan dat met de huidige kennis en toekomstige aannames, de keuze voor warmtenetten maatschappelijk verantwoord zijn, kijkend naar de financiële aspecten.
4.3
Duurzaamheid Vraag HVC: Resulteert de investering in een lagere milieubelasting en een hogere mate van circulariteit? Om te bepalen of en hoeveel een warmtenet van HVC bijdraagt aan een lagere milieubelasting, is inzicht in meerdere factoren van belang: - Wat is de warmtebron? De COj-emissies van warmte verschillen per warmtebron. Warmte uit een elektriciteitscentrale heeft hogere emissies dan warmte uit een AVI, geothermie of industriële restwarmte. En in het geval van biomassa, maakt het uit wat de oorsprong van de biomassa is. - Wat is het aandeel van de hoofdbron en de bijstook in de warmtelevering? Bijstook vindt op dit moment gangbaar plaats met aardgas in een ketel. Deze ketel heeft ten opzichte van een HR-ketel in huishoudens geen milieuwinst. Dus naarmate de bijstookketel meer wordt ingezet, daalt het voordeel. In Figuur 9 wordt indicatief weergegeven wat de milieuwinst is van de verschillende soorten warmtetechnieken. Hierbij is rekening gehouden met de huidige situatie (emissies) en een verhouding van 80/20 voor de hoofdbron/bijstook. In de grafiek is te zien dat de verschillende opties een directe en indirecte CO2-besparing van tussen de 40 en 70% behalen (CE Delft, 2016). Een groot deel van de emissies in de voorgaande grafiek wordt veroorzaakt door de bijstook (ca. 50%). De overige emissies worden veroorzaakt door het gebruikte of de gederfde elektriciteit.
Indien de emissies van de elektriciteitsemissies in Nederland naar beneden gaan, dan nemen ook de emissies van de warmteproductie af (met uitzonde ring van de situatie met biomassa). - Wordt het warmtenet aangelegd bij een nieuwbouwlocatie of in de bestaande bouw? In het geval van bestaande bouw wordt direct de CO2-emissie van aardgas in de HRketels uitgespaard. In het geval van nieuwbouw is de referentie een zeer zuinig (BENG) gebouw. In het tweede geval is het milieuvoordeel dus aanzienlijk lager dan in het eerste geval.
30
190405 ■ Warmtestrategie HVC ■ 18 november 2019
A
Figuur 9 - Overzicht van ketenemissies per warmtebron
Directe en indirecte emissies per bron 70 s É 60 £
3 50
11111 z / z
■ Directe emissies Opmerking:
z z z
* Indirecte emissies
Berekening aan de hand van 80/20 verhouding hoofdbron/bijstook, inclusief transportverliezen en
hulpenergie.
Naast de COï-emissies, zijn er ook nog andere milieubelastende emissies. Denk hierbij aan NOX, fijnstof, geluid, geur. Om te bepalen of een warmtenet op deze aspecten milieuvoor delen heeft ten opzichte van een alternatief, moet bekend zijn wat het alternatief is. Zo heeft bijvoorbeeld individuele houtverbranding voor verwarming grote geur- en fijnstofemissies. En heeft een luchtwaterwarmtepomp op dit moment veel geluidsemissies. Veel van deze emissies zijn echter nog niet goed in beeld gebracht in Nederland. Het dan ook niet goed mogelijk om eenduidige uitspraken hierover te doen. Dit geldt ook voor het snijvlak van warmtelevering en circulariteit. Of er enigszins sprake is van circulariteit is sterk afhankelijk van de bron. Bij ons weten is dit echter nog nooit adequaat onderzocht in Nederland. Logischerwijs kan echter wel aangenomen worden dat alle projecten die sterk leunen op het verbranden van een energiebron niet circulair zijn en projecten die bijvoorbeeld gebruik maken van geothermie, zonthermie of aquathermie wel die mogelijkheid hebben.
4.4
Operationeel HVC heeft aangegeven vier onderdelen van haar strategie op het gebied van warmte beoordeeld te willen hebben. Het gaat om de projectenpijplijn, het selectie- en beoordelingskader, de wijze van projectontwikkeling en de bronnenstrategie. Deze onderdelen worden hier beschreven. De informatie die in deze paragraaf wordt gebruikt komt hoofdzakelijk uit interviews en interne documenten van HVC (Soerland, 2019).
31
190405 • Warmtestrategie HVC • 18 november 2019
A
4.4.1
Projectenpijplijn De huidige projectportfolio is gegeven in Tabel 3. Hiermee is HVC bij 50% van de HVCgemeenten actief en is de totale potentie van de portfolio > 125.000 WEQ. De onderstaande plannen bevinden zich in diverse fasen, van ideevorming tot realisatie. Tabel 3 - Warmteactiviteiten van HVC (stand per 1 november 2019)
Gemeente________________
Omvang (weq)
Fase
Alkmaar, HHW, Langedijk, Heiloo
15.000
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Dordrecht
15.000
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Assendelft_______
Westland glastuinbouw
1.000 210 MW9
Gerealiseerd
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Westland woningen____________
1.500
Sliedrecht
1.500
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Hendrik-ldo-Ambacht
1.500
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Den Helder________
7.500-10.000
In realisatie__________
Verkenning
IJmond_______________________
30.000
Hendrik-ldo-Ambacht/Zwijndrecht
12.500
Verkenning
Sliedrecht/Papendrecht
12.500
Verkenning______________________ Verkenning
Verkenning______________________
Gorinchem
3.500
Westland woningen____________
5.000
Verkenning______________________
Zaanstad (Noord)
4.000
Verkenning
Hoorn________________________
7.500
Verkenning______________________
Urk
1.500
Verkenning
Uitgeest______________________
1.500
Verkenning______________________
Castricum____________
3.000
Oosthuizen-Noord
400
Verkenning
Verkenning______________________
Velserbroek
350
Verkenning
Noordoostpolder (Nagele)
500
Verkenning _____________________
Lelystad (geothermie)
5.000
Verkenning
In het overzicht van de projecten is niet precies bekend wat de warmtebronnen zijn van de warmtenetten. Wat wel te beoordelen is, is: - Van de diverse grote netten is wel bekend dat deze gevoed gaan worden door de AVI’s in Alkmaar en Dordrecht. Afgaande op de informatie in de voorgaande paragraaf betekent dit dat deze netten (indien allemaal toegepast in de bestaande gebouwde omgeving) een emissiereductie bewerkstelligen van ongeveer 60%. Dit kan nog toenemen door technische oplossingen zoals grootschalige buffering en verduurzaming van de bijstook. Het warmtenet in Alkmaar (e.o.) wordt sinds 2017 hoofdzakelijk door de bio-energiecentrale (BEC) van warmte voorzien, aangevuld door de AVI. - Het project in IJmond zal gebaseerd zijn op geothermie in combinatie met industriële restwarmte, welke bijna 70% CO2-reductie oplevert. - Het project in Zaanstad-Noord bevindt zich in de ideeënfase. Hierbij is dan ook nog geen conclusie te trekken. - Bij het bestaande project in Assendelft wordt onderzocht of de huidige bron (gas-wkk) vervangen kan worden door een duurzame(re) bron.