RN 2026-041 Bijlage 4 ETFAL BOPA telecommast Helmond
Tekst van het document
Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter
26
de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli en huismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli, voor de huismus is dit tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt in het plangebied. Het onderdeel Houtopstanden uit de Omgevingswet is daarom niet van toepassing. 4.2.2.1 Stikstof De gebruiksfase van een telecommast is niet relevant voor stikstofemissie, omdat de installatie na realisatie geen verbrandingsmotoren of andere emissiebronnen bevat die leiden tot uitstoot van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH₃). De mast wordt volledig elektrisch gevoed via het bestaande elektriciteitsnet, en kent geen periodieke transport- of onderhoudsactiviteiten van betekenis. Uitgaande van elektrisch materieel (bouwkraan en graafmachine) is bij de aanlegfase geen toename te verwachten groter dan 0.00 mol/ha/jr. Het aanvragen van een omgevingsvergunning bescherming gebieden voor realisatie van het plan is dan ook niet nodig. 4.2.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van de telecommast wordt niet belemmerd door natuurwaarden, aangezien er geen beschermde soorten te verwachten zijn en het plangebied niet binnen Natura 2000- of NNNgebieden ligt. Echter, de zorgplicht uit de Wnb blijft van kracht. Dit betekent dat er passende maatregelen
27
genomen moeten worden om schade aan beschermde soorten te voorkomen, met name tijdens de kwetsbare perioden zoals de broed- en voortplantingstijd. Werkzaamheden dienen buiten deze periodes plaats te vinden, bij voorkeur tussen half augustus en half november, om verstoring te voorkomen. Als er toch werkzaamheden binnen de kwetsbare perioden plaatsvinden, moeten er maatregelen worden getroffen om negatieve effecten te beperken. Samenvattend: de ontwikkeling is natuur technisch haalbaar, mits de zorgplicht wordt nageleefd en er rekening wordt gehouden met de broedperiode.
4.3
Bodem
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 4.3.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Een bodemonderzoek is niet nodig als: Er geen bodemwerkzaamheden worden verricht (bijvoorbeeld het bouwen van een dakkapel of het plaatsen van een extra verdieping op een gebouw); Het gaat om een verandering of vergroting waarbij geen grond wordt verzet en het gebruik hetzelfde blijft; Er al voldoende actuele en bruikbare onderzoeksresultaten bij de gemeente beschikbaar zijn, waarop de bodemtoets kan worden gebaseerd. 4.3.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Het mastperceel heeft een oppervlakte van ongeveer 64 m², inclusief de telecommast en de apparatuur onderaan de mast. Het mastblok met fundering heeft een oppervlakte van circa 36 m2 (zie bijlage 1 voor de afbeeldingen van de mast en het mastblok). Er wordt gebruik gemaakt van een buis voor de fundatie die de grond ingetrild gaat worden (pulsebuis).
Hierdoor is maar zeer beperkt grondwerk nodig, het kleine beetje grond dat vrij zal komen wordt op het perceel verspreid voor aanvulling van het perceel. Het betreft hier een zeer minimale oppervlakte aan grondverzet en er vindt geen wijziging van gebruik plaats. De nieuwe antenne-installatie heeft niet de functie om als verblijfsruimte voor personen te
28
fungeren. Tevens zal een medewerker niet langer dan twee uur per (werk)dag in op de projectlocatie aanwezig zijn. Gezien de hoge automatisering/ digitalisering kunnen ook veel controlewerkzaamheden elders worden uitgevoerd. Het is niet noodzakelijk om een bodemonderzoek uit te voeren. Zie bijlage 1 van dit rapport voor de tekeningen van de telecommast. 4.3.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bodem, nader bodemonderzoek is daarom ook niet nodig.
29
4.4
Water
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. 4.4.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. De belangrijkste beleidsdocumenten waarin de waterhuishoudkundige doelstellingen zijn beschreven zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterprogramma (NWP 2022-2027), de Provinciale Omgevingsverordening en het regionaal programma water. In de ruimtelijke motivering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'.
Waterschap Aa en Maas In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in thema’s. Het waterschap richt zich in deze planperiode op de volgende thema’s: - Waterveiligheid: Behoud en versterking van waterkeringen en dijken langs de Maas en regionale watergangen. Bescherming tegen overstromingen en een robuust systeem dat bestand is tegen klimaatverandering. - Voldoende water: Een veerkrachtig watersysteem dat water kan vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren. Sturing van peilen en optimalisatie van aan- en afvoer om droogte en wateroverlast te beperken. - Schoon water: Verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlakte- en grondwater. Verminderen van emissies en verbetering van de werking van rioolwaterzuiveringsinstallaties. - Klimaatadaptatie: Voorbereiding op extremere weersomstandigheden zoals droogte, hitte en piekbuien. Realisatie van waterbuffers, vergroening van bebouwd gebied en afstemming met ruimtelijke plannen. - Duurzaam en circulair waterbeheer: Efficiënt gebruik van energie en grondstoffen, hergebruik van reststromen (zoals slib en biogas) en reductie van CO₂-uitstoot binnen de bedrijfsvoering van het waterschap. - Samenwerking en participatie: Afstemming met gemeenten, provincie en Rijkswaterstaat bij ruimtelijke initiatieven.
Betrekken van bewoners, agrariërs en bedrijven bij wateropgaven en gebiedsprocessen. 4.4.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Hemelwater Het hemelwater wordt geïnfiltreerd. Afvalwater Niet van toepassing
30
Oppervlaktewater In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), of waterkeringen. Verharding De oppervlakte aan verharding in het plangebied zal minimaal toenemen (maximaal 36 m2). Materiaalgebruik In het kader van duurzaam waterbeheer is nadrukkelijk aandacht besteed aan het voorkomen van verontreiniging van hemelwater. Bij de realisatie van de mast worden geen uitlogende materialen toegepast, aangezien deze door weersinvloeden schadelijke stoffen kunnen afgeven aan het afstromende hemelwater. Om dit risico te voorkomen wordt de mast voorzien van een duurzame coating, waarmee uitloging wordt voorkomen en het hemelwater schoon kan worden afgevoerd of infiltreren in de bodem. Watertoets Op de website www.hetwateradvies.nl is de watertoets doorlopen (zie bijlage 3 van deze ruimtelijke motivering). De normale procedure is van toepassing. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. Gezien in het plangebied een zeer minimale toename van verharding is en de beperkte impact op het watersysteem geeft het waterschap naar verwachting een positief wateradvies. 4.4.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het gebied van water is daarom ook niet nodig.
31
4.5
Geluid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) 4.5.1 Wettelijk kader De Omgevingswet kent een stelsel van normen ter voorkoming van hinder vanwege weg- en railverkeer en vanwege industrieterreinen met een geluidproductieplafond (GPP). Deze geluidbronsoorten vielen voorheen onder de Wet geluidhinder. Ter bescherming van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige gebouwen (verder te noemen: geluidgevoelige gebouwen) is voor deze geluidsbronnen een standaardwaarde opgenomen. Wanneer nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied worden gerealiseerd, een nieuwe weg wordt aangelegd, een bestaande weg wordt gereconstrueerd of wanneer er wijzigingen plaatsvinden aan een industrieterrein met een GPP, mag de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige gebouwen in beginsel niet meer bedragen dan de standaardwaarde. De standaardwaarde staat gelijk aan voldoende kwaliteit voor een gezonde leefomgeving. Nu kan een bepaalde locatie een hogere geluidbelasting hebben dan de standaardwaarde terwijl andere factoren voor die locatie juist heel gunstig zijn. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om deze factoren mee te laten wegen.
In het gebied waar niet meer wordt voldaan aan de standaardwaarde, maar waar de geluidbelasting nog juist binnen de grenswaarde is, kan onder voorwaarden een hogere geluidbelasting worden toegelaten. Bijvoorbeeld wanneer er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen, de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Het bevoegd gezag beoordeelt de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting bij ruimtelijke plannen. Criteria hiervoor zijn vastgelegd in voorliggende beleidsregel op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen binnen een omgevingsplan kunnen worden toegelaten. Met de komst van de Omgevingswet verbetert de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Gemeenten kunnen geluid vanwege verkeer en industrie beter beheersen doordat de veranderingen ten opzichte van een eerdere situatie worden gemonitord. Geluidproductieplafonds Langs rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen, aangewezen lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden geluidproductieplafonds. Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane geluidproductie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron.
Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor de beheersing van het geluid door verkeer op gemeentewegen en lokale spoorwegen wordt geluidbelasting ook gereguleerd maar hiervoor geldt een andere systematiek dan de geluidproductieplafonds. Geluidaandachtsgebieden Omgevingswet Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein met GPP waarbinnen de standaardwaarde mogelijk overschreden wordt. Binnen de geluidaandachtsgebieden moet de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw worden getoetst aan de in de wet opgenomen geluidnormen. De geluidaandachtsgebieden zijn als fysiek geografisch gebied vastgelegd in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor de periode waarin dit nog niet is gebeurd, is er een overgangssituatie. Voorafgaand aan het toelaten van elke nieuwe ontwikkeling dient te worden nagegaan of deze zich in één of meerdere geluidaandachtsgebieden bevindt. In tegenstelling tot het begrip geluidszone is de reikwijdte
32
van een geluidaandachtsgebied afhankelijk van de geluidsemissie van de bron en niet van het aantal rijstroken, zoals onder de Wet geluidhinder het geval was. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw: met een woonfunctie; met een onderwijsfunctie; voor kinderopvang met bedden; voor gezondheidszorg met bedden. Ook een woonwagen is een geluidgevoelig gebouw. Standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden echter niet op de gevel van een woonwagen, maar op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonwagen. De ruimtes in een woonwagen zijn geen geluidgevoelige ruimtes. De waarden en eisen in de instructieregels voor het bereiken van een aanvaardbaar geluid gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar toegelaten is. De instructieregels gelden dus niet voor tijdelijke bouwwerken.
Standaardwaarden en grenswaarden Het bevoegd gezag past de instructieregels toe bij het vaststellen van een omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Er moet altijd worden gestreefd naar een geluidbelasting die ‘voldoet aan de standaardwaarde’ (ondergrens). De standaardwaarden gelden als algemeen geaccepteerd geluidniveau. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnen- of buitenstedelijk gebied. De standaardwaarde en grenswaarde per geluidsbronsoort zijn aangegeven in onderstaande tabel.
Standaardwaarde en grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort In de Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw kan toegestaan als: 1. er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk wordt beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen zijn overwogen die financieel doelmatig zijn en er tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; 4. het gecumuleerd geluid is beoordeeld;
33
5. 6.
het gezamenlijke geluid is bepaald; het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen is betrokken.
Met andere woorden: wanneer door of na het treffen van geluid reducerende maatregelen, die niet bezwaarlijk zijn, de standaardwaarde nog steeds wordt overschreden, kan geluid tot en met de grenswaarde onder voorwaarden bij een nieuw geluidgevoelig gebouw worden toegestaan 4.5.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. De antenne-installatie heeft voor wat het aspect akoestiek geen invloed op de omgeving. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als een geluidsgevoelig object (bv woning) wordt toegevoegd in het plangebied. In het voorliggend plan is daar geen sprake van. 4.5.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid.
34
4.6
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. 4.6.1 Wettelijk kader De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan onder de Wro, Wet milieubeheer. Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. De gemeente moet binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening houden met het groepsrisico (rekening houden met het risico van brand, explosies of gifwolken; dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).
35
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.
5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 4.6.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Bij deze voorziening is, behoudens incidenteel onderhoud, geen personeel aanwezig. Tevens heeft de voorziening geen publiek aantrekkend karakter. In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van gevaarlijke functies en er is ook geen sprake van de toevoeging van een kwetsbaar object (bv woning). Het is daarom niet noodzakelijk om een inventarisatie naar risicobronnen in de omgeving uit te voeren. 4.6.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect externe veiligheid, nader onderzoek op het gebied van externe veiligheid is daarom ook niet nodig.
36
4.7
Luchtkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit 4.7.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.
Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 4.7.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Er is geen sprake van een verblijfsgebouw. Het aantal verkeersbewegingen zal met deze ontwikkeling niet toenemen. De bijdrage van het verkeer is bij het voorliggend plan in 'niet betekende
37
mate'. Er wordt met het voorliggend plan geen milieubelastende activiteit mogelijk gemaakt. De telecommast heeft voor wat het aspect luchtkwaliteit geen invloed op de omgeving, er is geen sprake van de toename van de concentratie NO2 en PM10. Gezien het feit dat er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden of verslechtering van de luchtkwaliteit, is nader onderzoek naar luchtkwaliteit niet nodig. De activiteit is derhalve toelaatbaar binnen de geldende luchtkwaliteitsnormen. 4.7.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect luchtkwaliteit, nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig
38
4.8
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 4.8.1 Wettelijk kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstand eisen; Randvoorwaarden. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a.
het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde
39
voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. 4.8.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Er is geen sprake van een milieubelastende activiteit in het plangebied, er is geen sprake van de toevoeging van een geurgevoelig object in het plangebied. Er is geen belemmering op gebied van geur. 4.8.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geur, nader onderzoek op het gebied van geur is daarom ook niet nodig.
40
4.9
Activiteiten en milieuzonering
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de gebruiksruimte activiteiten met een milieuzonering. 4.9.1 Wettelijk kader De omgevingswet heeft als doel een evenwichtige toedeling van functies. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende activiteit het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de Vernieuwde VNG-handreiking toegepast. In de handreiking gaat de VNG uit van drie gebiedstypes: 1. Industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert; 2.
Woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) overheerst; 3. Gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca en detailhandel. Er wordt in deze handreiking geen gebruik meer gemaakt van milieucategorieën, maar van de gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten, zoals geluidof geurruimte. Er wordt dan bijvoorbeeld binnen een zone rondom woningen een maximale geluidsnorm voorgeschreven. Hoe groter de afstand tot de woningen, hoe hoger deze norm zal zijn. Dit is dus een verschil met de ‘statische’ afstandsnormen uit de oude handreiking die uitgaan van richtafstanden op basis van de grootste overlastfactor per categorie bedrijf. Milieuzonering oude stijl De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft in een handreiking genaamd ‘Bedrijven en milieuzonering’ een lijst met richtafstanden per milieucategorie. Een bedrijf uit milieucategorie 1 is het minst belastend voor de omgeving, waardoor de richtafstand tot milieugevoelige functies (zoals woningen) het kleinste is. Een bedrijf uit milieucategorie 6 is het meest belastend en de VNG-richtafstand is dus het grootst.
Voorbeelden van bedrijven in deze categorie zijn: een luchthaven, een autocircuit en een ijzerenen stalenbuizenfabriek. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden per milieucategorie aangegeven.
41
In de tabel staan de VNG-richtafstanden zoals deze gelden tussen een bedrijf en een woning in een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. In een ‘gemengd gebied’ zijn andere richtafstanden van toepassing. De afstand wordt met een stap verkleind. Dat wil zeggen dat tussen een woning en een bedrijf van milieucategorie 2 in een gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter passend is. In een rustige woonwijk zou dit 30 meter zijn. 4.9.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Er wordt met dit initiatief geen gevoelig object toegevoegd in het plangebied, er is geen sprake van een milieubelastende activiteit in het plangebied. Er is geen belemmering op gebied van milieuzonering. Bij antenne-installaties met een gezamenlijk vermogen van minder dan 4 kW is geen sprake van een inrichting zoals bedoeld in de Wet Milieubeheer. Dit betekent dat er geen melding of vergunning hoeft te worden aangevraagd. Voor antenne-installaties met een elektrisch vermogen of gezamenlijk vermogen van meer dan 4 kilowatt (kW) is een omgevingsvergunning milieu vereist. De opgenomen vermogens voor het omzetten van elektrische energie in stralingsenergie bedragen respectievelijk circa 2,5 kW en circa 100 Watt na correcties voor andere onderdelen.
De locatie zendt uit in drie richtingen (0, 120 en 240 graden) en maakt gebruik van verschillende frequenties. Voor het uitzenden van alle radiosignalen over alle frequenties wordt maximaal een vermogen van 1,65 kW richting de antenne-apparatuur (antennes) gestuurd. De theoretisch maximaal omgezette hoeveelheid stralingsenergie is daardoor 1,65 kW. Dit is een theoretisch maximum omdat er energie verloren gaat bij de omzetting. De (theoretische) maximale stralingsenergie blijft ruim onder de 4 kW. Er is dus geen vergunning plichtige inrichting volgens de milieuregelgeving.
42
4.9.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering, nader onderzoek op het gebied van activiteiten en milieuzonering is daarom ook niet nodig.
4.10 Trilling In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de trillingshinder. 4.10.1 Wettelijk kader Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 4.10.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Er zijn activiteiten op korte afstand van het plangebied die trillingen veroorzaken, namelijk de spoorlijn Eindhoven – Helmond. Er wordt met deze ontwikkeling geen trilling gevoelig gebouw mogelijk gemaakt, de trillingen van het spoort zullen de constructie van de telecommast niet beïnvloeden. Er worden met dit plan geen activiteiten mogelijk gemaakt die trilling veroorzaken. 4.10.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect trilling, nader onderzoek op het gebied van trilling is daarom ook niet nodig.
43
4.11 Slagschaduw en windhinder In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de slagschaduw en windhinder. 4.11.1 Wettelijk kader In het omgevingsplan staan regels voor de bescherming tegen slagschaduw door activiteiten, zoals een windturbine. De regels voor windturbines en windparken staan eerst in het tijdelijk deel. In de bruidsschat staan gebruiksregels over slagschaduw van windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 meter. Het beschermingsniveau bij windturbines en windparken in de bruidsschat is voor slagschaduw in de bruidsschat gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit. Een windturbine moet voorzien zijn van een automatische stilstand voorziening. Deze schakelt de windturbine uit als er te veel slagschaduw optreedt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. De windturbine wordt afgeschakeld als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden. Dit staat in artikel 22.216 bruidsschat omgevingsplan. Voor het nieuwe deel bepaalt de gemeente zelf welke mate van hinder door slagschaduw aanvaardbaar is. Daarbij moet het omgevingsplan voldoen aan het evenwichtig toedelen van functies en aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
4.11.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Er zijn geen activiteiten in het plangebied die slagschaduw en windhinder veroorzaken. Gelet op het silhouet van de naar boven smaller wordende mast en de open structuur van de mast, is het niet aannemelijk dat de mast zal leiden tot schaduwwerking. In de omgeving van de mast zijn ook geen woonpercelen gesitueerd die enige hinder van de mast zouden kunnen ondervinden. 4.11.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect slagschaduw en windhinder, nader onderzoek op het gebied van slagschaduw en windhinder is daarom ook niet nodig.
44
4.12 Lichthinder 4.12.1 Wettelijk kader Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Kunstmatige verlichting kan 4 soorten negatieve effecten veroorzaken: 1.
2.
3.
4.
Hinder voor de mens Hinder bij mensen ontstaat wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Bij de beoordeling van lichthinder voor mensen maken overheden een afweging tussen maatschappelijke belangen (bijvoorbeeld veiligheid op straat, of bruikbaarheid sportvelden) en de hinderbeleving. Hinder langs wegen Langs (rijks)wegen kan licht van objecten ook leiden tot hinder en daardoor onveilige situaties. Denk bijvoorbeeld aan verlichte reclamezuilen. Verstoring van de natuur Nachtelijke, kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren (negatief) beïnvloeden. Naast mogelijke aanpassingen van de levenscyclus aan de kunstmatige verlichting, kan er sprake zijn van desoriëntatie, afstoting of aantrekking. Deze effecten kunnen leiden tot uitputting en sterfte. Ook kan kunstmatige verlichting als een barrière werken als dieren zich verplaatsen (in vaktaal: migreren). De verschillende negatieve effecten van kunstmatige verlichting hebben niet alleen een individueel effect. Kunstmatige verlichting kan ook een negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van specifieke soorten. Horizonvervuiling Bij horizonvervuiling of donkertebescherming gaat het om de zichtbaarheid van licht op langere afstand.
Bijvoorbeeld het zichtbaar zijn van een open stal of een verlicht sportveld in een open landschap. Het gaat hierbij om grotere afstanden. Er is dan geen direct licht meer te meten van een lamp. Het licht is nog wel zichtbaar. Het gaat dan om een afstand tot 5 à 10 kilometer en boven zee tot maximaal 15 kilometer.
De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten: de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de golflengtes ofwel spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera) de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap) Lichthinder en Omgevingswet Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Verschillende instrumenten zijn van belang als het gaat om lichthinder: Omgevingsvisie, In bepaalde gebieden kan het van belang zijn om lichthinder, verstoring door licht en horizonvervuiling op te nemen in de omgevingsvisie. Bijvoorbeeld rond lichtgevoelige natuurgebieden, voor kassengebieden of grootschalige bedrijventerreinen. De visie kan beleid bevatten om de lichthinder, verstoring of horizonvervuiling terug te dringen. Een gemeente kan zelf bepalen of lichthinder, verstoring of horizonvervuiling een (of meer) thema’s is (zijn) in de gemeentelijke omgevingsvisie.
Omgevingsplan In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen
45
-
of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Omgevingsplan en bruidsschat Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen.
Voor lichthinder bij sportvelden bevat de bruidsschat specifieke regels. Het gaat om regels die niet vanuit het Activiteitenbesluit zijn overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. De bruidsschat zorgt ervoor dat deze regels landen in de omgevingsplannen van de gemeenten. Deze regels kan de gemeente in het omgevingsplan aanpassen en afstemmen op de lokale omstandigheden. 4.12.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Het voorliggend plan maakt geen activiteiten mogelijk die lichthinder veroorzaken. 4.12.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect lichthinder, nader onderzoek op het gebied van lichthinder is daarom ook niet nodig.
46
4.13 Kabels, leidingen en radarzones In het kader van de omgevingsvergunning danwel omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofd transportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.13.1 Onderzoek plangebied In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij eventuele graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. In de nabijheid van de planlocatie is een ondergrondse gastransportleiding gelegen. Omdat het plan voorziet in de realisatie van een telecommast nabij deze gasleiding, is dit voorgelegd aan de Gasunie. De Gasunie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plaatsen van de zendmast op de beoogde locatie. Een medewerker van de Gasunie zal tijdens de bouw van de telecommast ook ter plaatse zijn. 4.13.2 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect kabels, leidingen en radarzones, nader onderzoek op het gebied van kabels en leidingen is daarom ook niet nodig.
47
4.14 Verkeer en parkeren Bij de aspecten verkeer en parkeren gaat erom dat het plangebied goed bereikbaar is, er geen onveilige verkeerskundige situaties ontstaan en er voldoende parkeergelegenheid in het plangebied aanwezig is. 4.14.1 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. De telecommast zal zelfstandig worden geplaatst, zonder directe toegangsweg. Het plangebied is bereikbaar via de Diepenbroeksingel. Om deze reden zijn de beleidsregels voor inritvergunningen hier niet van toepassing. Na realisatie zal de mast geen effect hebben op de lokale verkeersdoorstroming of op de verkeersveiligheid in de nabije omgeving. Er is zowel in de bestaande situatie als in de toekomstige situatie geen parkeerruimte in het plangebied aanwezig. 4.14.2 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren, nader onderzoek op het gebied van verkeer en parkeren is daarom ook niet nodig.
48
4.15 Milieueffectrapportage (MER) 4.15.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1, Ow). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). 4.15.2 Onderzoek Plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Dit is geen activiteit uit kolom van Bijlage V van het Ob. Hiervoor is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit de aanmeldingsnotitie (hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering) blijkt dat gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. 4.15.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect milieu, nader onderzoek op het gebied van milieu is daarom ook niet nodig.
49
4.16 Duurzaamheid 4.16.1 Wettelijk kader De Omgevingswet benoemt specifiek de doelen duurzaamheid en natuur. Dit volgt op de verslechterde staat van de natuur en de merkbare verandering van het klimaat. Vanwege klimaatverandering zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk aan maatregelen tegen hittestress (meer groen en bomen), wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), droogte (beter en langer vasthouden van water) en waterveiligheid (dijken). Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. In artikel 22.52 Bruidsschat zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen. 4.16.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Er wordt op een duurzame manier gebruik gemaakt van de bestaande ruimte in het plangebied. Het aanwezige groen blijft behouden. Daarnaast versterkt de mast de digitale infrastructuur en draagt bij aan de maatschappelijke duurzaamheid door betrouwbare mobiele communicatie te waarborgen.
Dit is essentieel voor hulpdiensten, digitale dienstverlening en economische ontwikkeling. 4.16.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect duurzaamheid, nader onderzoek op het gebied van duurzaamheid is daarom ook niet nodig.
50
4.17 Gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 4.17.1 Wettelijk kader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet.
De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. 4.17.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Uit de paragrafen van hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering blijkt dat er door deze ontwikkeling geen nadelige effecten zijn voor een gezonde fysieke leefomgeving. Antennes en Gezondheid Op basis van wetenschappelijke studies en internationale richtlijnen kan worden gesteld dat de elektromagnetische velden (EMV) die door antennes worden uitgezonden geen nadelige effecten hebben op de gezondheid van de mens. Antennes zenden niet-ioniserende straling uit, hetgeen betekent dat deze straling geen ionisatie van atomen of moleculen kan veroorzaken en derhalve geen schade aan DNA of cellen kan aanrichten. De blootstelling aan elektromagnetische straling afkomstig van antennes wordt wereldwijd strikt gereguleerd door de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP). De ICNIRP heeft blootstellingslimieten vastgesteld die ver onder de drempel liggen waarop schadelijke effecten voor de gezondheid kunnen optreden.
In Nederland wordt de naleving van deze normen gecontroleerd door de overheid, en metingen wijzen consistent uit dat de blootstelling aan EMV van antennes ruim binnen de vastgestelde veiligheidsnormen blijft. Er is een breed wetenschappelijk consensus dat er geen bewezen gezondheidseffecten zijn die direct voortvloeien uit de blootstelling aan de niveaus van elektromagnetische straling die door antennes worden gegenereerd. Dit wordt ondersteund door de Gezondheidsraad en andere internationale gezondheidsorganisaties, die herhaaldelijk hebben aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn voor schadelijke effecten van de elektromagnetische velden die door communicatiemasten of andere mobiele infrastructuren worden uitgezonden, zolang de vastgestelde blootstellingslimieten niet worden overschreden.
51
Hoewel er meldingen zijn van gezondheidsklachten zoals hoofdpijn of slaapproblemen, zijn er geen wetenschappelijke studies die een causaal verband tussen deze klachten en blootstelling aan elektromagnetische velden van antennes aantonen. De wetenschappelijke literatuur ondersteunt het idee dat dergelijke klachten eerder toe te schrijven zijn aan andere factoren, zoals stress of andere omgevingsomstandigheden, en niet aan elektromagnetische straling. 4.17.3 Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect gezondheid, nader onderzoek op het gebied van gezondheid is daarom ook niet nodig.
52
5. Uitvoerbaarheid van het plan Conform de Omgevingswet dient bij het wijzigen van een omgevingsplan dan wel een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggende project wordt gerealiseerd op zakelijk plaatsgevonden initiatief. De kosten die gepaard gaan met de aanvraag van de omgevingsvergunning en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het plangebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Door middel van leges worden de gemeentelijke kosten, die verband houden met de ruimtelijke procedure, op de initiatiefnemer verhaald.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Participatie Art. 7.4, lid 1 Omgevingsregeling bepaalt dat bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag worden betrokken. Omwonenden Er zijn op 23 januari 2025 drieënzeventig adressen in de omgeving aangeschreven. Deze adressen zijn opgegeven door de gemeente. Degene hadden de gelegenheid gekregen voor het stellen van eventuele vragen en daarop zijn vier reacties binnengekomen. 5.2.2 Vooroverleg In sommige gevallen moet het bevoegd gezag advies vragen. Ingevolge artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit dient vooraf informatie ingewonnen te worden bij relevante overlegpartners. Voor het onderhavige initiatief heeft de initiatiefnemer vooroverleg met de Gasunie gevoerd: In de nabijheid van de planlocatie is een ondergrondse gastransportleiding gelegen. Omdat het plan voorziet in de realisatie van een telecommast nabij deze gasleiding, is dit voorgelegd aan de Gasunie. De Gasunie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plaatsen van de zendmast op de beoogde locatie. Een medewerker van de Gasunie zal tijdens de bouw van de telecommast ook ter plaatse zijn. 5.2.3 Procedure De korte procedure is het uitgangspunt in de Omgevingswet.