RN 2026-041 Bijlage 4 ETFAL BOPA telecommast Helmond
Tekst van het document
Omgevingsvergunning BOPA Telecommast Helmond, kenmerk 4527 Ruimtelijke motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Onderwerp Datum Projectnummer Kenmerk
Plaatsing telecommast Helmond 28/11/2025 0794-AA 0794/RH/20251128
Inhoudsopgave 1.
Inleiding............................................................................4
1.1 Aanleiding ........................................................................................... 4 1.2 Ligging van het plangebied ................................................................. 4 1.3 Huidige planologische regime ............................................................. 6 1.4 Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) .................................... 7 1.5 Leeswijzer ........................................................................................... 7
2.
Planbeschrijving ................................................................8
2.1 Inleiding ............................................................................................. 8 2.2 Landschappelijke en stedenbouwkundige context .............................. 9 2.3 Bestaande situatie ............................................................................ 10 2.4 Toekomstige situatie ......................................................................... 12
3.
Beleidskader ...................................................................14
3.1 Rijksbeleid ........................................................................................ 14 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................. 18 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................... 20
4.
Effecten voor de fysieke leefomgeving ............................23
4.1 Cultureel erfgoed .............................................................................. 23 4.2 Natuur ............................................................................................... 25 4.3 Bodem ............................................................................................... 28 4.4 Water ................................................................................................ 30 4.5 Geluid ............................................................................................... 32 4.6 Omgevingsveiligheid ......................................................................... 35 4.7 Luchtkwaliteit ................................................................................... 37 4.8 Geur .................................................................................................. 39 4.9 Activiteiten en milieuzonering........................................................... 41 4.10
Trilling ............................................................................................ 43
4.11
Slagschaduw en windhinder ........................................................... 44
4.12
Lichthinder ..................................................................................... 45
4.13
Kabels, leidingen en radarzones ..................................................... 47
2
4.14
Verkeer en parkeren ....................................................................... 48
4.15
Milieueffectrapportage (MER) ......................................................... 49
4.16
Duurzaamheid ................................................................................ 50
4.17
Gezondheid ..................................................................................... 51
5.
Uitvoerbaarheid van het plan ..........................................53
5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................... 53 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................... 53
6.
Ruimtelijke afweging ......................................................55
6.1 Conclusie ETFAL ................................................................................ 55
Bijlagen .................................................................................56 Bijlage 1 Tekeningen telecommast ........................................................... 56 Bijlage 2 Rapport Beschermde Soorten Indicator (BeSI) .......................... 56 Bijlage 3 Wateradvies ............................................................................... 56
3
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
In de omgeving van de Diepenbroeksingel in Helmond, rondom de spoorlijn tussen Helmond en Eindhoven en het aangrenzende gebied, is behoefte aan een betere netwerkdekking voor de landelijke telecomoperators. Momenteel is de netwerkdekking en -capaciteit van de telecomoperators in dit gebied ontoereikend, wat resulteert in een gebrek aan goede verbinding op diverse locaties binnen deze omgeving. Een goede dekking is essentieel, omdat o.a. hulpdiensten veelvuldig gebruik maken van het telecommunicatienetwerk. Om deze redenen is het noodzakelijk om een nieuwe vrijstaande telecommast te realiseren op een gedeelte van het kadastraal perceel HMD00-U-8484 aan de Diepenbroeksingel in Helmond. De gronden waarop deze telecommast gerealiseerd wordt hebben in het omgevingsplan gemeente Helmond de functie ‘Spoorzone’. Deze gronden zijn bestemd voor het spoorverkeer met de daarbij behorende voorzieningen zoals geluidwerende voorzieningen, bermen, sloten, fiets- en of voetpaden, almede groenvoorzieningen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven doeleinden. De gewenste telecommast is daarmee strijdig met het omgevingsplan. De gewenste telecommast is niet bij recht toegestaan in het omgevingsplan. Een aanpassing of afwijking van het omgevingsplan is noodzakelijk om dit mogelijk te maken.
Een activiteit die niet past binnen de regels van het geldende omgevingsplan, wordt een BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) genoemd. Met een omgevingsvergunning kan er een ontheffing van het omgevingsplan verleend worden voor die BOPA. Een omgevingsvergunning moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij de kwaliteit van de fysieke leefomgeving waarborgen. Dit brengt een bredere kijk op de leefomgeving met zich mee, onder meer vanuit het oogpunt van milieu, duurzaamheid en gezondheid. Om te kunnen beoordelen of de BOPA hieraan voldoet, is er een ruimtelijke motivering nodig. Dit rapport geeft de ruimtelijke motivering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze ruimtelijke motivering wordt aangegeven hoe het te realiseren project past binnen het rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. Vervolgens wordt inzicht gegeven in de, bij de afweging betrokken, belangen en aspecten.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de Diepenbroeksingel in de gemeente Helmond, aan de noordzijde van de stad. De locatie ligt direct ten noorden van de woonwijk Brandevoort, aan de rand van het stedelijk gebied en grenst aan het open groengebied richting Nuenen. De locatie ligt ten noorden van de spoorlijn Eindhoven–Helmond, ter hoogte van de fietstunnel tussen de Diepenbroeksingel en de Broederwal. Het plangebied maakt onderdeel uit van kadastraal perceel HMD00-U-8484. De globale ligging van het plangebied is op de volgende afbeeldingen weergegeven.
4
Ligging plangebied ten noorden van de woonwijk Brandevoort
Ligging plangebied aan de Diepenbroeksingel
5
1.3
Huidige planologische regime
Voor het plangebied is het omgevingsplan gemeente Helmond (tijdelijk deel, o.a. bestemmingsplan Brandevoort II) van toepassing. Sinds 1 januari 2024 heeft iedere gemeente een omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel (waaronder de geldende bestemmingsplannen) en een nieuw deel (het nieuwe deel van het omgevingsplan is leeg tot het moment waarop de gemeente daarin zelf regels opneemt). Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om de inhoud van het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar regels in het nieuwe deel. Het plangebied heeft op basis van het omgevingsplan de functies ‘Spoorzone’ ‘en 'gastransportleiding'. De voor “Spoorzone” aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor het spoorverkeer met de daarbij behorende voorzieningen zoals geluidwerende voorzieningen, bermen, sloten, fiets- en of voetpaden, almede groenvoorzieningen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven doeleinden. De voor “gastransportleiding” aangewezen gronden zijn bestemd voor ondergrondse gastransportleidingen, alsmede secundair voor de andere op deze gronden liggende bestemmingen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd (in overleg met de leidingbeheerder) ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven doeleinden.
Uitsnede omgevingsplan gemeente Helmond (plangebied aangeduid met pijl) 1.3.1 Conclusie De initiatiefnemer wil graag een telecommast realiseren op het kadastraal perceel HMD00-U-8484 aan de Diepenbroeksingel in Helmond. Dit is niet bij recht toegestaan binnen het omgevingsplan. De realisatie van de telecommast is niet passend binnen de gebruiks- en bouwregels van de functie ‘spoorzone’. Als de
6
activiteit in strijd is met het omgevingsplan, is er in kader van de omgevingswet sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
1.4
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Als een activiteit niet (geheel) mogelijk is op basis van het omgevingsplan, kan een initiatiefnemer een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aanvragen. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan of niet vergunningvrij is. Het kan gaan om de volgende situaties: 1. Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen. 2. Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); b. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande en gewenste situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Helmond beschreven. Vervolgens passeren in hoofdstuk 4 alle effecten op de fysieke leefomgeving de revue. In de hoofdstukken 5 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 6 bevat de ruimtelijke afweging van het plan.
7
2. Planbeschrijving 2.1
Inleiding
Initiatiefnemer is een aanbieder van telecominfrastructuur in Nederland en biedt klanten (o.a. telecomoperators), een landelijk netwerk aan van telecommasten. Hiermee wordt de basis gelegd voor mobiele telecomnetwerken en wordt mobiele communicatie mogelijk gemaakt. Verspreid over heel Nederland beheert en exploiteert de initiatiefnemer zo’n 3.800 antenne-opstelpunten in o.a. telecommasten, omroepmasten en hoogspanningsmasten. Zowel in stedelijke als landelijke gebieden. Initiatiefnemer is volledig onafhankelijk van de landelijke telecomoperators, wat betekent dat meerdere aanbieders gebruik kunnen maken van dezelfde infrastructuur. Deze gedeelde aanpak bevordert een efficiënte en duurzame inzet van telecommunicatievoorzieningen en draagt bij aan een betrouwbare landelijke dekking van het mobiele netwerk. Helmond In de omgeving van de Diepenbroeksingel in Helmond, rondom de spoorlijn tussen Helmond en Eindhoven en het aangrenzende gebied, is behoefte aan een betere netwerkdekking voor de landelijke telecomoperators. Uit metingen en analyses van blijkt dat de mobiele dekking in dit gebied ondermaats is, wat leidt tot een verminderde bereikbaarheid voor gebruikers. Een goede dekking is essentieel, omdat o.a. hulpdiensten veelvuldig gebruik maken van het telecommunicatienetwerk.
Om deze redenen is het noodzakelijk om een nieuwe vrijstaande telecommast te realiseren op kadastraal perceel HMD00-U-8484 aan de Diepenbroeksingel in Helmond. Mobiele dekking Om mobiele communicatie mogelijk te maken, zijn netwerken van antenne-installaties nodig. Een netwerk moet ervoor zorgen dat er voldoende dekking en capaciteit is, zodat iedereen gebruik kan maken van mobiele communicatie. Er zijn drie aspecten die de samenstelling van het netwerk bepalen. Deze aspecten worden hier onder beschreven. 1.
2.
3.
Dekking van een mobiel netwerk Om overal mobiel te kunnen bellen en internetten, is er voldoende dekking nodig. De dekking is het gebied waarin de mobiele telefoon bereik heeft. Een mobiel netwerk heeft de structuur van een honingraat. Iedere raat staat voor een specifiek gebied, een cel. In het midden van elke cel staat een antenne-installatie, ook wel basisstation genoemd. Basisstations verzorgen het bereik in de cel. De cellen samen vormen het mobiele netwerk. Mobiele apparaten, zoals een mobiele telefoon, zoeken eens in de zoveel tijd contact met het dichtstbijzijnde basisstation. Zo 'weet' het netwerk waar de mobiele telefoon zich bevindt. Wanneer er naar die telefoon gebeld wordt, zorgt het basisstation ervoor dat er contact wordt gelegd tussen de telefoon en de antenne-installatie. Omdat telefoons overschakelen van antenne naar antenne, is het mogelijk om te bellen in bijvoorbeeld de auto of de trein. Capaciteit van een mobiel netwerk Een antenne-installatie heeft een beperkte capaciteit. Dat betekent dat een antenne-installatie maar een bepaald aantal gebruikers tegelijk aan kan. Vergelijk het met een bus waar vijftig mensen in kunnen. Als er meer mensen bij de halte staan, dan moeten die wachten op de volgende bus. Als er veel personen gebruik maken van een antenne, is de capaciteit snel verbruikt en kan er op dat moment niet meer gebeld worden.
Denk bijvoorbeeld aan oud en nieuw. Dit is de reden waarom er in steden meer antennes staan dan in landelijke gebieden. Omdat er in steden veel meer mensen op een kleine oppervlakte leven, is de capaciteit van een antenne snel verbruikt. Een goed voorbeeld hiervan is de Dam in Amsterdam. Er is een antenneinstallatie geplaatst die enkel de Dam van signaal voorziet. Plaatsingsmogelijkheden van antennes
8
Een mobiele operator gaat altijd op zoek naar de meest ideale plek voor een antenne-installatie, bijvoorbeeld de kerktoren midden in een dorp. Omdat deze plek niet altijd beschikbaar is, moet de operator vaak op zoek naar het beste alternatief. Hierdoor kan het voorkomen dat de operator een dekkings- of capaciteitsprobleem niet met een enkele antenne kan oplossen, maar bijvoorbeeld ook een antenne aan de noordzijde van het dorp moet plaatsen om de juiste dekking of capaciteit te krijgen. Voor het landelijk gebied is het plaatsen van een mast vaak de enige oplossing. Zoekgebied Voor telecomoperators is het van groot belang ervoor te zorgen dat hun klanten tevreden zijn over de mobiele bereikbaarheid. Wanneer er behoefte is aan een vervangend antenne-opstelpunt, onderzoeken de telecomoperators eerst de meest voor de hand liggende oplossing. In veel gevallen betekent dit dat een antenne-installatie wordt geplaatst in een bestaande telecommast. Binnen het zoekgebied van de telecomoperators zijn echter geen geschikte telecommasten beschikbaar. Wanneer geschikte masten ontbreken, wordt vervolgens gekeken naar bestaande hoge gebouwen om een zogenoemde daklocatie te realiseren. Binnen het zoekgebied zijn er echter geen geschikte hoge gebouwen beschikbaar. De laatste optie, die ook de meeste tijd in beslag neemt, is het realiseren van een vrijstaande telecommast.
Zoekgebied nieuwe antennemast Locatie aan de Diepenbroeksingel De zoekcirkel is beperkt en omvat een gebied zonder hoogbouw waarop de antennes geplaatst zouden kunnen worden. Het realiseren van een zelfstandige mast is in dit geval noodzakelijk. Het is als onwenselijk bevonden om de telecommast te plaatsen direct tussen woningen. Er is daarom na een proces van inventarisatie gekozen voor een locatie in een groenstrook parallel aan het spoor. De voorgestelde mastlocatie is zorgvuldig gekozen, past in het netwerk (honingraad) van de telecomoperator en is tot stand gekomen in goed overleg met de grondeigenaar. Het betreft een locatie op perceel HMD00U-8484 aan de Diepenbroeksingel in Helmond. Voor deze locatie heeft reeds ambtelijk overleg met de gemeente plaatsgevonden, waarbij de locatie ambtelijk positief is beoordeeld
2.2
Landschappelijke en stedenbouwkundige context
Het plangebied aan de Diepenbroeksingel bevindt zich in de overgangszone tussen het stedelijke gebied van Helmond en het meer open landelijke gebied richting Nuenen en Nederwetten. Deze overgangszone kenmerkt zich door een afwisseling van stedelijke bebouwing, infrastructuur en groene open ruimtes die onderdeel uitmaken van de landschappelijke structuur rond de wijk Brandevoort.
9
Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de woonwijk Brandevoort, een karakteristieke en zorgvuldig ontworpen woonwijk met een herkenbare stedenbouwkundige opzet die verwijst naar de structuur van een historisch stadje. De wijk bestaat uit aaneengesloten woonblokken, singels, grachten en groenstroken met een hoge ruimtelijke kwaliteit. Direct ten noorden van het plangebied loopt de spoorlijn Eindhoven– Helmond, een belangrijk infrastructuurtracé dat de ruimtelijke structuur in deze zone bepaalt. De spoorlijn vormt een duidelijke fysieke en visuele scheiding tussen de stedelijke kern van Helmond en het open agrarische landschap aan de noordzijde. Het landschap ten noorden van het spoor is overwegend agrarisch van aard, met open zichtlijnen, verspreide erfbeplanting en enkele bosjes. Deze openheid draagt bij aan de herkenbare overgang tussen stad en land.
2.3
Bestaande situatie
Het plangebied is gelegen aan de Diepenbroeksingel in Helmond, direct ten noorden van de spoorlijn Eindhoven–Helmond. De locatie maakt deel uit van een groene bermzone langs het spoor en ligt op een gedeelte van het kadastraal perceel HMD00-U-8484. Het terrein bestaat uit gras, lage beplanting en bomenrijen, zonder bestaande bebouwing of verharding. Verkeer en parkeren Het plangebied is vanaf de Diepenbroeksingel bereikbaar. In het plangebied zijn geen parkeerplaatsen aanwezig. Relatie met de omgeving De nabije omgeving van het plangebied bestaat uit infrastructuur, agrarisch weidegebied en woonpercelen. De dichtstbijzijnde woningen staan op meer dan 60 meter afstand van de aangevraagde locatie, aan de andere zijde van de spoorlijn.
Bestaande situatie perceel (plangebied indicatie aangeduid met oranje cirkel)
10
Tekening bestaande situatie met gewenste locatie telecommast (bron: Althio)
11
2.4
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer heeft intensief gezocht naar een vergunningsvrije oplossing van voldoende hoogte om een technisch goed alternatief voor de telecommast te vinden. Dit is niet mogelijk binnen en direct buiten het aangegeven zoekgebied. Er blijft geen andere optie over dan het plaatsen van een vrijstaande telecommast op de beoogde locatie. Bij het plaatsen van een telecommast worden verschillende factoren in overweging genomen om ervoor te zorgen dat de installatie zo effectief en acceptabel mogelijk is voor de omgeving. Enkele van deze overwegingen zijn: Zichtbaarheid: Er wordt geprobeerd de telecommast buiten het directe zicht van woningen te plaatsen om visuele verstoring te minimaliseren en esthetische bezwaren te verminderen; Technische vereisten: De locatie moet technisch geschikt zijn voor het plaatsen van de telecommast, rekening houdend met factoren zoals dekking, bereik, signaalsterkte en de bereikbaarheid tijdens de bouw van de telecommast; Infrastructuur: De beschikbaarheid van elektriciteit, toegang tot glasvezelnetwerken en andere benodigde infrastructuur zijn belangrijke overwegingen bij het kiezen van een locatie voor de telecommast. Geografische en topografische kenmerken: Het terrein en de topografie van de locatie, zoals hoogte en bodemgesteldheid, kunnen van invloed zijn op de telecommast en moeten worden beoordeeld.
In overleg met de gemeente Helmond is uiteindelijk gekozen voor een locatie op het perceel HMD00-U8484 aan de Diepenbroeksingel in Helmond. Het is als onwenselijk bevonden om de telecommast te plaatsen direct tussen woningen. Deze locatie is zodanig gekozen dat zij aansluit bij de wensen van de grondeigenaar, voldoende afstand houdt tot bebouwing en grotendeels opgaat in de aanwezige infrastructuur. De afstand van het mastblok tot aan het hart van de spoorlijn bedraagt 12 meter, de afstand van het mastblok tot het hart van de naastgelegen bomen, bedraagt respectievelijk 5,5 meter en 6 meter en de afstand van het mastblok tot aan de greppel bedraagt 3.5 meter In de gewenste situatie wordt er een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter gerealiseerd in het plangebied. Om meerdere (telecom)operators op één mast te kunnen huisvesten (site-sharing) en rekening houdend met de bomen in de nabije omgeving, is een vakwerkmast van 39,9 meter hoogte noodzakelijk. Het is essentieel dat antennes boven de boomtoppen uitsteken om een optimaal bereik te waarborgen. Gezien het grote aantal bomen en de hoogte van de bomen in de omgeving, is de hoogte van de mast cruciaal om een onbelemmerde zichtverbinding te garanderen.
De telecommast zal worden uitgevoerd als type vakwerkmast 39,9 meter hoog (waardoor geschikt voor eventuele sitesharing), een mast met een open structuur, in de kleur lichtgrijs (thermisch verzinkt). Hierdoor is de telecommast het minst zichtbaar. Het mastperceel heeft een oppervlakte van ca. 64 m² (telecommast en apparatuur onderaan de mast incl. gereserveerde ruimte). De gereserveerde ruimte zal niet worden verhard. Het mastblok met fundering heeft een oppervlakte van circa 36 m2. De telecommast en de apparatuur wordt omheind met een 2,2 meter hoog dubbelstaafmat hekwerk. Dit is noodzakelijk tegen eventueel vandalisme en ter voorkoming van bijvoorbeeld “mastklimmers”. Zie bijlage 1 van dit rapport voor de tekeningen van de telecommast. Verkeer en parkeren De situatie voor het verkeer en parkeren blijft ongewijzigd. Het plangebied is bereikbaar via de Diepenbroeksingel.
12
Locatie nieuwe telecommast (bron: Althio BV)
Bovenaanzicht nieuwe telecommast (bron: Althio BV)
13
3. Beleidskader De wetgeving in Nederland gaat ervanuit dat er bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met het beleid van hogere overheden, vooral daar waar het regionale belangen betreft. Een afwijking van dit beleid moet duidelijk gemotiveerd worden. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op relevant rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Algemeen De Nationale Omgevingsvisie, NOVI, is op 11 september 2020 vastgesteld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met de NOVI wordt beoogd een perspectief te bieden om grote opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit, een combinatie van ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit, het kernbegrip Afwegingsprincipes en Uitvoeringsagenda NOVI De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Centraal bij de afweging van diverse belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond, zogenaamd ‘omgevingsinclusief’ beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan de eigen rol bij de uitvoering van de NOVI.
In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma’s op verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda wordt, indien nodig, jaarlijks geactualiseerd. 3.1.2 Algemene rijksregels (AMvB’s) De algemene rijksregels zijn landelijke regels die rechtstreeks gelden voor burgers, bedrijven en overheden onder de Omgevingswet. Ze zijn vastgelegd in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Deze regels bepalen wat je wel of niet mag doen in de fysieke leefomgeving en onder welke voorwaarden. Overzicht van de vier AMvB’s met algemene rijksregels: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); Omgevingsbesluit. 3.1.2.1 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een van de vier kerninstrumenten van de Omgevingswet, en regelt welke activiteiten in de fysieke leefomgeving zijn toegestaan en onder welke voorwaarden. Het Bal bevat regels voor milieubelastende activiteiten, lozingen, gebruik van stoffen, en activiteiten die invloed hebben op bodem, lucht, water, natuur en gezondheid.
14
3.1.2.2 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat landelijke regels voor het bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken. Het stelt technische eisen aan veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van gebouwen. Ook bevat het regels over het gebruik van bouwwerken, zoals brandveiligheid en het voorkomen van overlast. Het Bbl vervangt onder andere het oude Bouwbesluit 2012 en geldt direct voor burgers, bedrijven en overheden. 3.1.2.3 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Rijk geeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit en de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten.
Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Overzicht instructieregels van het Rijk over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties: 1.
2.
3.
4.
Veiligheid a. Risicobronnen in het omgevingsplan b. Belemmeringengebied buisleidingen met gevaarlijke stoffen c. Vuurwerk d. Explosieven e. Seveso-inrichtingen Waterbelangen a. Primaire waterkeringen b. Waterveiligheid kust c. Waterveiligheid grote rivieren d. IJsselmeergebied Gezondheid en milieu a. Luchtkwaliteit en omgevingsplan b. Geluid en omgevingsplan c. Trillingen en omgevingsplan d. Slagschaduw windturbines e. Geur en omgevingsplan f. Bodemkwaliteit en omgevingsplan Ruimte toekomstige functies a. Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen b. Buisleidingen van nationaal belang c. Mainportontwikkeling Rotterdam
15
5.
6.
7.
d. Parallelle Kaagbaan Landschappelijke en stedenbouwkundige waarde en erfgoed a. Vrije horizon kust b. Waddenzee en Waddengebied c. Ladder voor duurzame verstedelijking d. Erfgoed in het omgevingsplan Behoeden staat en werking infrastructuur en voorzieningen a. Landsverdediging b. Elektriciteitsvoorziening c. Doorvaart rijksvaarwegen d. Burgerluchtvaart e. Landelijke fiets- en wandelroutes Andere onderwerpen fysieke leefomgeving a. Dienstenrichtlijn b. Toegankelijkheid openbare buitenruimte c. Aanwijzing categorieën woningbouw
3.1.2.4 Omgevingsbesluit Het Omgevingsbesluit regelt de algemene procedures en bepalingen van de Omgevingswet. Het bevat regels over vergunningprocedures, participatie, meldingsplichten, adviesvereisten en toezicht. Ook staan in het besluit bepalingen over de bevoegdheden van bestuursorganen en de wijze waarop omgevingswaarden en instructieregels worden toegepast. Het Omgevingsbesluit vormt daarmee het procesmatige kader voor het uitvoeren van de Omgevingswet. 3.1.3 Nationaal Antennebeleid Het rijksbeleid voor zendmasten voor GSM en UMTS is verankerd in de nota Nationaal Antennebeleid (2000). Het Nationaal Antennebeleid (NAB) is gericht op drie beleidsthema’s: het aanpassen van relevante wet- en regelgeving; het meer in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van opstelpunten; de communicatie en informatieverspreiding. Met betrekking tot het ruimtelijk beslag van de antenne-installaties (locaties waar antennes (kunnen) worden neergezet) is het beleid gericht op twee doelen. Enerzijds het beperken van de behoefte aan opstelpunten door bijvoorbeeld het bevorderen van site-sharing. Anderzijds het genereren van zo veel mogelijk geschikte opstelpunten door het beschikbaarstellen van rijksobjecten voor plaatsing van antenneinstallaties.
Om ervoor te zorgen dat netwerken voor mobiele communicatie snel gebouwd kunnen worden, heeft de rijksoverheid er in het NAB voor gekozen een groot gedeelte van de antenne-installaties omgevingsvergunning vrij te maken. Voor antenne-installaties die hoger zijn dan 5 meter (boven op een bouwwerk hoger dan 9 meter) geldt dat wel een omgevingsvergunning (bouw) nodig is. Afspraken hierover zijn tussen het Rijk, de VNG en de operators vastgelegd in het Antenneconvenant en is ook opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. 3.1.4 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Deze ontwikkeling is passend binnen het rijksbeleid omdat: De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. In Nederland gelden verschillende bouwhoogtebeperkingen voor obstakels en bouwwerken zoals windturbines. Deze beperkingen zijn ontstaan uit de eisen van de burgerluchtvaart en de luchtmacht. De aanvliegroutes moeten veilig zijn. Maar ook radarsystemen en verkeersleidingsystemen mogen niet te veel worden verstoord. Er dient te worden getoetst of er beperkingen zijn ten aanzien van de bouwhoogte van de mast. Deze toetsing heeft via de bron
16
-
-
-
‘Viewer Bouwhoogtebeperkingen Luchtvaart’ plaatsgevonden. Omdat de mast een maximale hoogte van 39,9 meter krijgt gelden er geen beperkingen tijdens de bouw en gebruiksfase van de mast. In hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoering van dit initiatief. De initiatiefnemer heeft intensief gezocht naar een vergunningsvrije oplossing van voldoende hoogte om een technisch goed alternatief voor een telecommast te vinden. Dit is niet mogelijk binnen en direct buiten het aangegeven zoekgebied. Er blijft geen andere optie over dan het plaatsen van een vrijstaande telecommast op de beoogde locatie. Door de toepassing van sitesharing en door het aanvragen van een omgevingsvergunning is onderhavig project niet in strijd met het Nationaal Antennebeleid. In de nabijheid van de planlocatie is een ondergrondse gastransportleiding gelegen. Omdat het plan voorziet in de realisatie van een telecommast nabij deze gasleiding, is dit voorgelegd aan de Gasunie. De Gasunie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plaatsen van de zendmast op de beoogde locatie.
Concluderend wordt gesteld dat, gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, het plan niet in strijd is met het rijksbeleid.
17
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’.
Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is: ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is: ‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. 3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven.
Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma's en waarden worden beschermd via een de omgevingsverordening. Een omgevingsverordening is voor de Provincies verplicht om te hebben onder de Omgevingswet. Elk jaar vinden twee actualisatierondes plaats waarbij o.a. de begrenzing van de locaties in de Omgevingsverordening, na terinzagelegging van een ontwerp, kunnen worden gewijzigd door een besluit van Gedeputeerde Staten. De voor het plangebied van toepassing zijnde thema's worden hierna behandeld: Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit 1. Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. 2. Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8; b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10. Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik
18
1.
2.
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b. bij een ontwikkeling rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik; c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan. Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden.
Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering 1. Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen. 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving. 3. Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 5.10 Meerwaardecreatie 1.
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. 3.2.3 Toets van het initiatief aan het provinciaal beleid De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. De initiatiefnemer heeft intensief gezocht naar een vergunningsvrije oplossing van voldoende hoogte om een technisch goed alternatief voor een telecommast te vinden. Dit is niet mogelijk binnen en direct buiten het aangegeven zoekgebied. Er blijft geen andere optie over dan het plaatsen van een vrijstaande telecommast op de beoogde locatie. Deze ontwikkeling is passend binnen het provinciaal beleid omdat: In overleg met de gemeente Helmond is uiteindelijk gekozen voor een locatie op het perceel HMD00-U-8484 aan de Diepenbroeksingel in Helmond. Het is als onwenselijk bevonden om de telecommast te plaatsen direct tussen woningen.
Deze locatie is zodanig gekozen dat zij aansluit bij de wensen van de grondeigenaar, voldoende afstand houdt tot bebouwing en grotendeels opgaat in de aanwezige infrastructuur. Voor het plaatsen van de mast is het niet nodig om bomen
19
-
-
-
te kappen. De landschappelijk kwaliteiten van het perceel en van de omgeving worden met dit plan niet aangetast. Er is sprake van zorgvuldig ruimte gebruik omdat de noodzaak voor deze telecommast is aangetoond (zie paragraaf 2.1 voor een toelichting op de dekkingsproblemen in dit gebied). Er heeft een zorgvuldige situering van de telecommast plaatsgevonden. Het plangebied is gelegen binnen ‘stedelijk gebied’. Dit houdt in dat de realisatie van een functie (zoals een mast) hier minder aanvaardbaar hoeft te zijn in termen van ruimtelijke kwetsbaarheid dan in het buitengebied: er is sprake van een inrichting die past in een stedelijke infrastructuur- of bebouwingszone; Het plangebied ligt niet binnen het natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is gelegen om een afstand van circa 4,6 kilometer. Deze kleinschalige ontwikkeling met beperkte impact zorgt niet voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het natuurnetwerk Nederland (NNN); De gebruiksfase van een telecommast is niet relevant voor stikstofemissie, omdat de installatie na realisatie geen verbrandingsmotoren of andere emissiebronnen bevat die leiden tot uitstoot van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH₃). De mast wordt volledig elektrisch gevoed via het bestaande elektriciteitsnet, en kent geen periodieke transport- of onderhoudsactiviteiten van betekenis.
Uitgaande van elektrisch materieel (bouwkraan en graafmachine) is bij de aanlegfase geen toename te verwachten groter dan 0.00 mol/ha/jr. Het aanvragen van een omgevingsvergunning bescherming gebieden voor realisatie van het plan is dan ook niet nodig.
Het initiatief past binnen het beleid van de provincie Noord-Brabant.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Helmond 2040 De Omgevingsvisie Helmond 2040 schetst de koers voor de fysieke ontwikkeling van de stad tot 2040. De visie heeft als doel een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen en legt nadruk op een integrale benadering van ruimte, milieu, mobiliteit, economie, gezondheid en duurzaamheid. De visie steunt op vier centrale ambities: 1. Helmond van en voor iedereen – Een inclusieve stad met aandacht voor betaalbare woningen, gelijke kansen, leefbaarheid en sociale cohesie. 2. Helmond als duurzame stad – Gericht op klimaatneutraliteit (2035) en klimaatbestendigheid (2050), met aandacht voor energietransitie, biodiversiteit, groenstructuren en circulaire economie. 3. Helmond als vitale stad – Stimulering van een robuuste, innovatieve economie, gericht op de topsectoren slimme maakindustrie, automotive en foodtech, met ruimte voor werkgelegenheid, onderwijs en talentontwikkeling. 4. Helmond als verbonden stad – Een goed bereikbare, duurzame en gezonde stad met nadruk op fiets, openbaar vervoer en digitale connectiviteit. Gebiedsgericht onderscheidt de visie vier zones: centrum, werkgebieden, woonwijken en buitengebied. Binnen deze structuur staat de samenhang tussen stad en landschap centraal.
Helmond zet in op verdichting binnen het bestaand stedelijk gebied, vooral rond het centrum en stationsgebied, en behoud van open en groene structuren aan de stadsranden. De lagenbenadering (ondergrond – netwerken – occupatie) vormt de basis voor ruimtelijke keuzes. Ontwikkelingen dienen rekening te houden met bodem, water, ecologie en cultuurhistorie. Verder worden richtinggevende principes gehanteerd: zorgvuldig ruimtegebruik, meerwaardecreatie, integrale afweging en preventief milieubeleid. Samengevat streeft Helmond naar een groene, inclusieve en toekomstgerichte stad, waarin stedelijke groei hand in hand gaat met leefbaarheid, duurzaamheid en verbondenheid tussen mens en omgeving.
20
3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. De initiatiefnemer heeft intensief gezocht naar een vergunningsvrije oplossing van voldoende hoogte om een technisch goed alternatief voor een telecommast te vinden. Dit is niet mogelijk binnen en direct buiten het aangegeven zoekgebied. Er blijft geen andere optie over dan het plaatsen van een vrijstaande telecommast op de beoogde locatie. Deze ontwikkeling is passend binnen het gemeentelijk beleid omdat: In overleg met de gemeente Helmond is uiteindelijk gekozen voor een locatie op het perceel HMD00-U-8484 aan de Diepenbroeksingel in Helmond. Het is als onwenselijk bevonden om de telecommast te plaatsen direct tussen woningen. Deze locatie is zodanig gekozen dat zij aansluit bij de wensen van de grondeigenaar, voldoende afstand houdt tot bebouwing en grotendeels opgaat in de aanwezige infrastructuur. Voor het plaatsen van de mast is het niet nodig om bomen te kappen. De landschappelijk kwaliteiten van het perceel en van de omgeving worden met dit plan niet aangetast. Er is sprake van zorgvuldig ruimte gebruik omdat de noodzaak voor deze telecommast is aangetoond (zie paragraaf 2.1 voor een toelichting op de dekkingsproblemen in dit gebied). Er heeft een zorgvuldige situering van de telecommast plaatsgevonden.
Dit is in lijn met de lagenbenadering en het principe van zuinig en doelmatig ruimtegebruik; De mast draagt bij aan een robuuste en toekomstbestendige digitale infrastructuur, essentieel voor communicatie, veiligheid en economische vitaliteit. Dit sluit aan bij de ambitie Helmond als verbonden stad, waarin goede digitale en fysieke verbindingen als voorwaarde voor stedelijke kwaliteit worden genoemd; Mobiele communicatie is onmisbaar geworden in onze maatschappij. Zowel particulieren als instellingen en bedrijven hechten grote waarde aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid ervan, waardoor het als een basisbehoefte wordt gezien. Verwacht wordt dat de afhankelijkheid van mobiele data- en telecommunicatie in de komende jaren alleen maar zal groeien. Naast het individuele belang, speelt er ook een aanzienlijk openbaar en maatschappelijk belang bij betrouwbare mobiele communicatie. Denk bijvoorbeeld aan de bereikbaarheid van hulpdiensten via het alarmnummer 112, NL-Alert en vele andere essentiële en minder essentiële diensten. De telecommast draagt zo bij aan een veilige leefomgeving — een van de doelen van de Omgevingswet en de visie; Gemeenten spelen een cruciale rol bij de aanleg en het onderhoud van de infrastructuur voor zowel vaste als mobiele verbindingen.
Door het plaatsen van een nieuwe telecommast kunnen er netwerkuitbreidingen plaatsvinden en kunnen andere (telecom)operators ook antenne-apparatuur plaatsen. Dit bevordert het zogenaamde 'site-sharing'. De Telecommunicatiewet schrijft voor dat aanbieders hun antenne-opstelpunten met elkaar moeten delen om een wildgroei aan masten te voorkomen; Voordelen voor gemeente Helmond Er zijn verschillende redenen waarom gemeenten geacht worden medewerking te verlenen aan telecommasten van telecomoperators en telecominfrastructuur partijen: Verbetering van de connectiviteit: Nieuwe technieken bieden een veel hogere snelheid en bandbreedte dan de vorige generatie mobiele netwerken. Dit betekent dat het mogelijk is om meer gegevens over te brengen met minder vertraging, wat resulteert in een verbeterde connectiviteit en een betere gebruikerservaring; Toekomstbestendigheid: 5G is de toekomst van mobiele communicatie en zal naar verwachting een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de industrie, smart cities en het internet of things (IoT). Door (nieuwe) telecommasten te faciliteren zorgen gemeenten ervoor dat ze klaar zijn voor deze nieuwe technologieën; Economische voordelen: Door te faciliteren in telecommasten kunnen gemeenten aantrekkelijker worden voor bedrijven die afhankelijk zijn van snelle en betrouwbare connectiviteit.
Dit kan leiden tot meer investeringen en groei van de lokale economie; Publieke dienstverlening: 5G speelt een belangrijke rol in de verbetering van de publieke dienstverlening, bijvoorbeeld door het mogelijk te maken om snel en betrouwbaar te
21
communiceren met hulpdiensten en door het bieden van snelle en betrouwbare internetverbindingen in openbare ruimtes. Het gemeentelijk beleid staat de planontwikkeling niet in de weg, er is sprake van een duurzame, economische en dienstverlenende meerwaarde.
22
4. Effecten voor de fysieke leefomgeving Een ruimtelijke ontwikkeling kan gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu, voor cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden, de waterhuishouding en andere waarden. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
4.1
Cultureel erfgoed
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Aangezien de aspecten landschap, stedenbouw en cultureel erfgoed vaak met elkaar verweven zijn worden deze aspecten ook behandeld in dit hoofdstuk. 4.1.1 Wettelijk kader De zorg voor ons erfgoed is erop gericht zoveel mogelijk in de bodem te bewaren voor het nageslacht: behoud ‘in situ’. Wie iets met de bodem wil, een "verstoorder", is verplicht de schade aan het erfgoed zoveel mogelijk te beperken. Dit streven naar behoud komt voort uit het Verdrag van Malta dat met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in 2007 in onze wetgeving geïmplementeerd is. Sinds 1 juli 2016 is een deel van de omgang met archeologisch erfgoed geregeld in de Erfgoedwet (de Monumentenwet trad uit werking). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet toen deze in werking trad op 1 januari 2024. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. 4.1.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Archeologie De archeologische beleidskaart 2017 van de gemeente Helmond is geraadpleegd. Het plangebied ligt binnen een gebied met geen of lage archeologische verwachting. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Cultuurhistorie
23
Er zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, waarop met de voorliggende ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Het plan zal geen cultuurhistorische waarden schaden. Landschap en stedenbouw In overleg met de gemeente Helmond is uiteindelijk gekozen voor een locatie op het perceel HMD00-U8484 aan de Diepenbroeksingel in Helmond. Het is als onwenselijk bevonden om de telecommast te plaatsen direct tussen woningen. Deze locatie is zodanig gekozen dat zij aansluit bij de wensen van de grondeigenaar, voldoende afstand houdt tot bebouwing en grotendeels opgaat in de aanwezige infrastructuur. Voor het plaatsen van de mast is het niet nodig om bomen te kappen. De landschappelijk kwaliteiten van het perceel en van de omgeving worden met dit plan niet aangetast. Hoewel de mast zichtbaar zal zijn in het landschap, is dit op zichzelf geen aantasting van de landschappelijke kwaliteit. De mast vormt geen storend of overheersend element omdat: de locatie aansluit bij bestaande infrastructuren, waardoor de visuele impact wordt verzacht; de kleurstelling en materiaalkeuze zijn afgestemd op de natuurlijke omgeving, wat bijdraagt aan een rustig en samenhangend beeld. De landschappelijke kwaliteiten van het perceel en de omgeving blijven daardoor behouden.
De mast wordt weliswaar zichtbaar, maar past visueel binnen het bestaande landschapsbeeld en leidt niet tot een aantasting van de ruimtelijke of landschappelijke kwaliteit. 4.1.3 Conclusie Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect cultureel erfgoed, nader onderzoek op het gebied van cultureel erfgoed is daarom ook niet nodig.
24
4.2
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 4.2.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en faunaactiviteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Voor o.a. reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen, geldt de volgende vrijstellingsregeling:
25
-
een algemene vrijstelling voor algemene soorten; een vrijstelling voor beschermde soorten en vogels op voorwaarden, dat gehandeld wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode.
Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Houtopstanden Naast het soortenbeschermingsregime en gebiedsbeschermingsregime bevat de Omgevingswet ook de bepalingen ter bescherming van houtopstanden. Onder houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 ha of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. 4.2.2 Onderzoek plangebied De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een telecommast met een bouwhoogte van 39,9 meter. Soortenbescherming De bouwlocatie is zeer kleinschalig (maximaal 36 m2), gelegen tussen een fietspad en een spoorlijn. Gezien deze situatie is het niet de verwachting dat er beschermde soorten te verwachten zijn. De ‘Beschermde SoortenIndicator (BeSI)’ is daarvoor geraadpleegd. BeSI vraagt de gebruiker om een locatie en een (voorgenomen) werkzaamheid in te voeren.
Vervolgens bepaalt BeSI welke beschermde plant- en diersoorten mogelijk aanwezig zijn en wat de verwachte effecten van de (voorgenomen) werkzaamheid op deze soorten zijn. Van de uitkomsten ontvangt de gebruiker een rapport met daarin onder andere de mogelijk aanwezige beschermde soorten, een beschrijving van de leefgebieden en een beknopt advies hoe met deze soorten rekening te houden. Voor de werkzaamheden aan de telecommast worden in BeSI geen nadelige effecten voor beschermde plant- en diersoorten gerapporteerd. De effecten zullen naar verwachting zeer gering zijn (zie bijlage 2 van deze ruimtelijke motivering). Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is gelegen om een afstand van 4.6 kilometer. Deze kleinschalige ontwikkeling met beperkte impact zorgt niet voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het natuurnetwerk Nederland (NNN). Zorgplicht In art. 11.27 van het Bal, is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Dit is vergelijkbaar met de algemene zorgplicht uit de Wnb. Het houdt in dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht passende maatregelen neemt om schade aan van nature in het wild voorkomende soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit omvat alle soorten, inclusief de vrijgestelde.