CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 2026-001 Motivering BOPA tijdelijke AMV-opvanglocatie Helmond

Gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente HelmondBij agendapunt: Tijdelijke Omgevingsvergunning AMV-opvanglocatie Smalstraat31.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden. Reptielen Gezien de locatie en terreinkenmerken van het Reptielen vormen een klasse van koudbloedige dieren projectgebied en het ontbreken van geschikte habitats, waarvan een deel Nationaal beschermd wordt, of valt kan de aanwezigheid van reptielen binnen en rondom het onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Reptielen projectgebied worden uitgesloten. De beoogde ruimtelijke komen voor in verschillende habitats, variërend van droge ontwikkelingen hebben geen negatieve effecten op heide en zandgronden onder vegetatie en dood hout tot soorten in deze klasse en aanvullend onderzoek en een vochtige plaatsen, duinen, hoogveen en andere waterrijke mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit gebieden. Tijdens het locatiebezoek zijn geen geschikte zijn niet nodig. habitats voor soorten die in deze groep vallen aangetroffen. Rondom het projectgebied zijn geen waterlichamen of beschutting biedende plekken zoals dichte strooisellagen en houtstapels aanwezig. Amfibieën Amfibieën zijn een soortgroep die aan waterrijke habitats zijn gebonden al zijn er amfibieën die grotendeels op het land leven. Net als reptielen worden sommige soorten uit deze soortgroepen Nationaal beschermd en vallen onder bescherming van de Habitatrichtlijn.

Er zijn geen verspreidingsgegevens of waarnemingen bekend binnen de NDFF betreft deze soortgroep in en rondom het projectgebied. Er zijn geen geschikte habitats voor deze soortgroep aangetroffen en ook in de omgeving zijn er geen plassen, waterpartijen of mogelijke voortplantingsbiotopen aanwezig.

Binnen en rondom het projectgebied zijn geen geschikte habitats aanwezig voor amfibiesoorten. Permanent natte locaties ontbreken volledig en door de huidige terreinkenmerken is het niet aannemelijk dat (regen)water in delen van het projectgebied stagneert. De aanwezigheid van beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. Aanvullend soortenonderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig.

Vissen Er zijn enkele vissoorten die Nationaal worden beschermd en een paar die vallen onder de Habitatrichtlijn. Vissen zijn gebonden aan water. De meeste beschermde soorten komen voor in stromende beken en riviertjes, al zijn er ook soorten die die juist voorkomen in sloten met ondiep water en een dikke modderlaag. Er zijn geen verspreidingsgegevens of waarnemingen bekend binnen de NDFF betreft deze soortgroep in en rondom het projectgebied. Binnen het projectgebied zijn geen (permanente) waterlichamen zoals beken of sloten aanwezig.

Gezien het ontbreken van geschikte habitats voor deze watergebonden soortgroep, kan de aanwezigheid van beschermde vissen binnen het projectgebied worden uitgesloten. Aanvullend soortenonderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig.

Ongewervelden De groep ongewervelden wordt breed vertegenwoordigd. Echter wordt maar een relatief klein deel Nationaal of onder de Habitatrichtlijn beschermd. Het betreft hier onder andere libellensoorten, keversoorten en verschillende soorten dagvlinders. De habitat van beschermde soorten die hieronder vallen is wijdverspreid en sterk afhankelijk van bodem, vegetatietypen, kwaliteit en beheer.

Het projectgebied biedt geschikte habitats voor beschermde ongewervelden. Echter, de aanwezigheid van beschermde ongewervelden binnen het projectgebied wordt redelijkerwijs uitgesloten door het ontbreken van rupsen of eitjes in de waardplanten tijdens de kwetsbare periode en rupsentijd van deze soorten. Aanvullend soortenonderzoek en een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet nodig.

Er zijn verspreidingsgegevens of geregistreerde waarnemingen bekend van beschermde ongewervelden in het projectgebied of in de omgeving van het projectgebied. Dit zijn de teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) en de kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla).

24

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

Binnen en rondom het projectgebied is natuurlijke inheemse vegetatie aanwezig. De waardplanten van beiden vlindersoorten (sneeuwbes & teunisbloem) zijn waargenomen binnen het projectgebied, maar zonder aanwezige rupsen in de planten. Flora Volgens verspreidingsgegevens komen rondom het projectgebied de zomereik (Quercus robur), hazelaar (Corylus avellana), teunisbloem (Oenothera fruticosa) en sneeuwbes (Symphoricarpos albus) voor.

Ondanks dat het locatiebezoek aan het einde van het groeiseizoen is uitgevoerd, kan door het ontbreken van een geschikt habitattypen en de huidige inrichting van het projectgebied, de aanwezigheid van deze soorten redelijkerwijs worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit zijn niet nodig.

Monumentale bomen Binnen het projectgebied aan de Smalstraat te Helmond zijn twee monumentale bomen met een beschermde status vastgesteld. Deze bomen vertegenwoordigen een aanzienlijke cultuurhistorische en landschappelijke waarde en zijn als zodanig van belang voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Daarnaast vervullen zij een ecologische functie door het bieden van habitat voor diverse soorten flora en fauna. Gezien hun beschermde status dient bij de planvorming en uitvoering van werkzaamheden rekening te worden gehouden met het behoud en de instandhouding van deze bomen.

De monumentale bomen die zijn aangetroffen betreffen twee Japanse cipres (Chamaecyparis pisifera). De aanwezige bomen zijn opgenomen als monumentale bomen met een beschermde status. Dit betekent dat zij onder de reikwijdte van het gemeentelijk beleid en de geldende Bomenverordening vallen. In dit kader is het behoud van deze bomen beleidsmatig verplicht. Ingrijpende maatregelen, zoals kap of verplaatsing, zijn uitsluitend toegestaan wanneer hiervoor een ontheffing of vergunning is verleend en zwaarwegende belangen dit rechtvaardigen. De bescherming is ingesteld om de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden van de bomen te waarborgen en draagt bij aan de duurzame instandhouding van groen erfgoed binnen de gemeente Helmond.

Overige soorten

Gezien de aangetroffen vegetatie en omgeving kunnen soorten als egel, konijn en algemene muizensoorten als de bosmuis worden verwacht. Het projectgebied is mogelijk onderdeel van de leefomgeving van deze soorten. Deze soorten zijn beschermd onder ‘andere soorten’, maar staan ook in de categorie ‘vrijgestelde soorten’. Dit houdt in dat bij uitvoering van de werkzaamheden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling voor deze soorten geldt. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de uitvoerende partij.

(Invasieve) exoten De aanwezigheid van invasieve exoten (flora en fauna) is Invasieve exoten kunnen op den duur schade niet aannemelijk. De aanwezige exoten hebben geen veroorzaken aan fundering, verhardingen, infrastructuur, beschermde status. Aanvullende maatregelen of andere rioleringen en drainagebuizen (NVWA, 2021). Ze vormen vervolgstappen zijn niet aan de orde. een bedreiging voor de biodiversiteit, kunnen ecosysteemdiensten veranderen en kunnen soms schadelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid voor mensen (NVWA, z.d.). Volgens verspreidingsgegevens komen er geen invasieve exoten voor binnen of rondom het projectgebied. Invasieve soorten zijn tijdens het locatiebezoek ook niet waargenomen. Overige exoten die zijn waargenomen binnen het projectgebied zijn de hemelboom (Ailanthus altissima) en taxus (Taxus baccata L).

25

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

4.3.1.3

Conclusie

De aanwezigheid van essentieel leefgebied van de onderstaande beschermde soortgroepen kan niet worden uitgesloten. Deze soortgroepen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn. Omdat negatieve effecten op deze soortgroepen als gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling mogelijk zijn en hierdoor wellicht verbodsbepalingen uit de Omgevingswet worden overtreden, is aanvullend soortenonderzoek noodzakelijk. • •

Kleine marterachtigen; Boominventarisatie.

De aanvullende onderzoeken worden op moment van schrijven van voorliggende motivering uitgevoerd, de resultaten hiervan zullen later worden verwerkt. Aanvullend soortenonderzoek Omdat de aanwezigheid van enkele door de Omgevingswet beschermde soorten niet kan worden uitgesloten, adviseert GRAS Advies aanwezigheid van deze soorten definitief vast te stellen, dan wel uit te sluiten d.m.v. een aanvullend soortenonderzoek. Wanneer de aanwezigheid van een soort hiermee wordt vastgesteld, zal blijken welke vervolgstappen mogelijk zijn en/of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Mitigerende maatregelen De aanwezigheid van (beschermde) soorten uit onderstaande soortgroep is aannemelijk. Aanvullend soortenonderzoek en een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig mits als één van de onderstaande maatregelen wordt toegepast: •

(Broed)vogels:

1. Verstorende werkzaamheden vinden plaats buiten het broedseizoen, of; 2. Wanneer werkzaamheden toch binnen het broedseizoen vallen, dienen de aanwezige bosschages/bomen met nesten en de omgeving hiervan niet te worden verstoord, of; 3. Er vindt een broedvogelinspectie plaats door een deskundige ecoloog vóór aanvang van ontwikkeling gerelateerde werkzaamheden. Het onderzoek naar kleine marterachtigen is afgerond en de rapportage hierover wordt uiterlijk vóór 1 januari 2026 gedeeld.

4.3.2

Gebiedsbescherming

Op 10 november 2025 is een uitgangspuntenmemo stikstofdepositieberekeningen opgesteld (zie Bijlage B). Met de daarbij behorende stikstofdepositieberekeningen (zie Bijlage C).

4.3.2.1

Toetsingskader

Het wettelijk kader is de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat onder andere regels met betrekking tot Natura 2000gebieden. Natura 2000-gebieden zijn aangewezen vanwege de aanwezigheid van belangrijke natuurwaarden die beschermd zijn onder de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Omgevingswet geeft in Nederland invulling aan deze richtlijnen. Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden, gericht op het behoud van belangrijke flora en fauna op Europees niveau. Dit netwerk is ontstaan uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen en omvat officieel aangewezen gebieden met specifieke instandhoudingsdoelstellingen. Deze doelstellingen hebben betrekking op de bescherming van habitattypen en habitat- en vogelsoorten. Projecten die mogelijk significant negatieve effecten kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied vallen onder de Omgevingswet. Werkzaamheden die plaatsvinden buiten Natura 2000-gebieden kunnen ook significante effecten hebben en moeten daarom beoordeeld worden in het kader van de externe werking.

26

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

4.3.2.2

Resultaten

De projectlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, zoals weergeven in Figuur 4-1. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ op circa 15 km afstand van de locatie. Dit gebied is beschermd vanuit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Het bestaat uit verschillende habitattypen waaronder zeer zwakgebufferde vennen en stuifzanden en struikhei. Enkele Habitatrichtlijnsoorten en aanwezige vogelsoorten zijn de kraanvogel (Grus grus) en roerdomp (Botaurus stellaris). Gezien de beperkte omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling en afstand tot het projectgebied, vallen Natura 2000-gebieden buiten de directe invloedsfeer van het projectgebied. Directe verstoring van Natura 2000-gebieden en negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen door (bouw) gerelateerde werkzaamheden zoals licht, geluid en trillingen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Een negatief effect op een Natura 2000-gebied kan mogelijk nog veroorzaakt worden door de uitstoot van stikstof. Om dit met zekerheid uit te sluiten, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiks- en aanlegfase.

Figuur 4-1 Ligging van het projectgebied (rood kader in zwarte cirkel) t.o.v. Natura 2000-gebied de Strabrechtse heide & beuven (groen) en Natuurnetwerk Nederland gebied de Herselse bossen (grijs). Bron: Interprovinciaal overleg (IPO) (2022) & Ministerie van Economische Zaken (2018).

Gebruiksfase De opvangperiode bedraagt maximaal tien jaar en gaat van start in 2026. Door de aanwezigheid van personeel op de locatie van het voornemen zal het plan leiden tot een verkeersaantrekkende werking. De verkeersintensiteiten van het verkeer in de gebruiksfase zijn weergegeven in Tabel 4-2.

27

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Tabel 4-2 Weekdaggemiddelde etmaalintensiteit van en naar de amv-opvanglocatie - gebruiksfase

Sinds 1 oktober 2025 wordt gerekend met Aerius versie 2025. In deze versie moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen. Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stil heeft gestaan en kan gelden voor: 1. Motorvoertuigen van werknemers wanneer deze langer dan 2 uur geparkeerd zijn; 2. Middelzware en zware vrachtwagens die bij het laden en lossen de motor afzetten en waarvan de laad- en lostijd meer dan 2 uur bedraagt. In de stikstofdepositieberekening voor de tijdelijke amv-opvanglocatie is ervan uitgegaan dat motorvoertuigen van personeel langer dan 2 uur geparkeerd zijn. Ook is als uitgangspunt aangehouden dat alle lichte motorvoertuigen van personeel zijn. Daarom is op alle lichte motorvoertuigen een koude start toegepast. Voor de laad- en lostijd van vrachtwagens is uitgegaan van een duur van minder dan 2 uur. Daarom is geen koude start toegepast op de zware motorvoertuigen. Tabel 4-3 Aantal koude starts per etmaal - gebruiksfase

Aanlegfase Voor de aanlegfase is ook een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Het volledige onderzoek is weergegeven in Bijlage B. Hierbij is uitgegaan van de inzet van mobiele werktuigen en bouwverkeer, zoals graafmachines, vrachtwagens en ander materieel dat op en rond de bouwplaats actief is. Omdat de exacte inzet en het brandstofverbruik van het materieel vooraf nog niet volledig bekend waren, is de zogeheten U-methode toegepast. Deze methode houdt rekening met het aantal draaiuren, het motorisch vermogen en de emissiefactor van het materieel. Voor het bouwverkeer is bovendien rekening gehouden met de wettelijke eisen uit het AERIUS-model, waaronder het aandeel voertuigen met een koude start. De emissiekarakteristieken van de mobiele werktuigen zijn weergegeven in onderstaande Tabel 4-4. Tabel 4-4 Emissiekarakteristieken per vermogensklasse realisatiefase amv-opvanglocatie Helmond

Uit de berekeningen blijkt dat de maximale stikstofdepositie tijdens de aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Dit is berekend met het rekenmodel AERIUS, waarbij alle relevante emissiebronnen zijn meegenomen. Door deze uitkomst is duidelijk dat de aanleg van de amv-opvanglocatie geen meetbare toename van stikstofdepositie veroorzaakt op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De conclusie is dat, vanwege de nihil berekende stikstofdepositie, een aanvullende ecologische beoordeling voor de aanlegfase niet nodig is. Hiermee voldoet het project aan de wettelijke eisen uit de Omgevingswet en vormt de aanleg van de amv-opvanglocatie in Helmond geen risico voor de beschermde natuurwaarden in de omgeving.

4.3.2.3

Conclusie

De volledige stikstofdepositieberekening voor de gebruiks- en aanlegfase en de uitgangspunten zijn weergegeven in Bijlage B. Hieruit is naar voren gekomen dat het voornemen niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 28

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

4.3.3

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenstelling van gebieden waarin de bescherming van de natuur voorop staat. Dit netwerk draagt bij aan het voorkomen van het uitsterven van planten en dieren in geïsoleerde gebieden en het behoud van de waarde van natuurgebieden. Grotere natuurgebieden hebben een positief effect op de biodiversiteit en de kwaliteit van de leefomgeving. Wanneer deze natuurgebieden ook met elkaar verbonden zijn, kunnen dieren en planten gemakkelijker overleven. Relatie tot het voornemen Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is de Herselse bossen op circa 4 km afstand van het projectgebied. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het NNB-gebied. Het projectgebied bevindt zich buiten de begrenzing van NNN-gebied. Gezien de beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling en afstand tot het projectgebied, valt het NNN-gebied buiten de invloedsfeer van het projectgebied. Verstoring van NNN-gebied en negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en kwaliteiten van dit gebied kan op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 4-2 Ligging van het voornemen (blauwe stip) ten opzichte van de dichtstbijzijnde NNB (bron: Atlas Leefomgeving)

4.3.4

Houtopstanden

Gezien de grootte van houtopstanden binnen het projectgebied en de locatie (binnen bebouwingscontouren), is wettelijke bescherming op grond van hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet aan de orde.

4.3.5

Conclusie

Een quickscan ecologie is uitgevoerd, waaruit naar voren kwam dat er geen negatieve effecten zijn van de tijdelijke opvanglocatie op beschermde soorten. Vanwege de afstand van het voornemen tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied kunnen directe effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk voor NNN-gebieden. Tot slot levert het aspect houtopstanden geen belemmeringen op voor het voornemen. Het aspect Flora en Fauna vormt geen belemmering voor het voornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

29

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

4.4

Luchtkwaliteit

Op 31 oktober 2025 is een onderzoek luchtkwaliteit opgeleverd (zie Bijlage D).

4.4.1

Toetsingskader

Wanneer deze tijdelijke opvang in gebruik wordt genomen kan lokaal een toename optreden van verkeer. Dit verkeer kan mogelijk voor een toename zorgen van luchtverontreinigende stoffen in de lucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), omdat deze stoffen het dichtst bij de vigerende omgevingswaarden liggen. Wanneer voldaan wordt aan de omgevingswaarden voor deze stoffen, zal ook voldaan worden aan de omgevingswaarden voor andere luchtverontreinigende stoffen. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Op grond van artikel 2.15 van de Omgevingswet zijn in het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Dit betreft onder meer de stoffen stikstofdioxide, fijn stof (PM10 en PM2.5), lood, ozon en zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). De luchtkwaliteitsnormen in het Bkl zijn opgenomen in artikel 2.1 tot en met 2.8. Wanneer een project ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de concentraties NO2 en PM10, vervalt toetsing aan de omgevingswaarden. Een project draagt NIBM bij wanneer de toename als gevolg van het project op toetslocaties lager is dan 1,2 µg/m³ NO2 en PM10. Voor kleine projecten is een tool ontwikkeld om eenvoudig te kunnen toetsen of een project NIBM bijdraagt: de NIBM-tool van Infomil.

4.4.2

Resultaten

In de huidige situatie geldt dat er ter plaatse voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden. Het dichtstbijzijnde toetspunt uit het CIMLK (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) aan de Kasteel Traverse laat de volgende concentraties zien voor het jaar 2025: NO2 18 μg/m3, PM10 16 μg/m3 en PM2,5 9 μg/m3. Een berekening met de NIBM-tool laat zien dat de realisatie van onderliggend project ‘Niet in betekenende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat door onderliggende ontwikkeling een maximale toename van 0,02 μg/m3 NO2 en een maximale toename van 0,00 μg/m3 PM10 is te verwachten. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de grens van 1,2 µg/m³ NO2 en PM10. Bij de berekeningen is uitgegaan van het totaal aantal verkeersbewegingen opgesteld door Arcadis 6. Tabel 4-5 NIBM rekentool amv-opvanglocatie Helmond.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie

2026

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

3,0%

NO2 in μg/m3

0,02

in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

6 Verkeersintensiteiten COA Smalstraat Helmond.xlsx, Arcadis.

30

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

32

1,2

4.4.3

Conclusie

Het voornemen betreft de ontwikkeling van een tijdelijke opvanglocatie voor amv’s. De tijdelijke amv-opvanglocatie is geen activiteit die een grote invloed heeft op de luchtkwaliteit. Het verkeer dat door de opvang wordt aangetrokken, zorgt slechts voor een minimale toename van het lokale verkeer. Verwacht wordt dat de amv’s vooral gebruikmaken van de fiets, te voet gaan of het openbaar vervoer nemen, en niet beschikken over een eigen auto. Behalve het verkeer van personeel, goederen en ondersteunende diensten worden geen andere verkeersbewegingen verwacht. Daarnaast blijkt uit de berekening met de NIBM-tool dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de NO₂- en PM10-concentratie. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen bezwaren gelden tegen de realisatie van het voornemen en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Geluid

Op 17 november 2025 is door Arcadis een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai opgeleverd (zie Bijlage E).

4.5.1

Toetsingskader

Voor tijdelijke huisvesting (een periode van minder dan 10 jaar) hoeft niet getoetst te worden aan de eisen van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 7 Wel moet worden gekeken of er sprake is van een acceptabel woonklimaat. Geluidsgevoelige gebouwen Voor geluidsgevoelige gebouwen gelden standaardwaarden en grenswaarden voor geluid. Dit zijn gebouwen of delen van gebouwen met bijvoorbeeld een woonfunctie, onderwijsfunctie, zorgfunctie met bedden, of een opvangfunctie voor kinderen met bedden. Delen van gebouwen waar geen geluidsgevoelige ruimtes zijn toegestaan volgens het omgevingsplan, vallen hier niet onder. Een uitzondering geldt voor woonboten en caravans: deze worden altijd als geluidsgevoelig beschouwd, of er nu geluidsgevoelige ruimtes zijn of niet. Nieuwe geluidsgevoelige gebouwen waarvoor een vergunning of omgevingsplan bestaat, vallen ook onder deze definitie. Standaard- en grenswaarden Bij het beoordelen van geluid van wegen en spoorwegen worden geluidsgevoelige gebouwen meegenomen die volgens het omgevingsplan zijn toegestaan, en die geheel of gedeeltelijk in een geluidsbelastingzone liggen (volgens artikel 3.18 van het Bkl). Een geluidsbelastingzone is een gebied langs een weg, spoorlijn of rond een industrieterrein waar de geluidsbelasting hoger kan zijn dan de standaardwaarde.

De standaard- en grenswaarden gelden voor de gevel van het geluidsgevoelige gebouw (behalve voor woonboten en caravans). Bij nieuwbouw geldt dit voor de plek waar een gevel kan worden gebouwd. Voor woonboten en caravans gelden de waarden voor de grenzen van hun locatie. De standaardwaarden zijn: • 50 dB voor rijks- en provinciale wegen; • 53 dB voor gemeentelijke en waterschapswegen; • 55 dB voor hoofd- en overige spoorwegen; • 50 dB Lden en 40 dB Lnight voor industrieterreinen. Een amv-opvanglocatie valt formeel niet onder de definitie van een geluidsgevoelig gebouw. Toch is het voor goed ruimtelijk beleid en het welzijn van de bewoners belangrijk dat het woonklimaat acceptabel is. Voor het voornemen wordt daarom onderzocht of het gebouw een goed woonklimaat biedt voor tijdelijke bewoners, door een formeel onderzoek naar het woonklimaat uit te voeren. Hierbij worden de geluidniveaus aan de gevel vergeleken met de richtwaarden die gelden voor woonfuncties. Er worden geen binnenmetingen gedaan. Op basis van deze analyse kan worden bepaald of het gebouw geschikt is voor het beoogde gebruik en of er sprake is van een acceptabel woonklimaat, ook al zijn er formeel geen wettelijke eisen.

7 Dit geldt wanneer voor het voornemen een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) moet

worden aangevraagd. Artikel 5.55, tweede lid, onder c, van het Bkl bepaalt dat geen beoordeling nodig is als het gaat om een periode korter dan 10 jaar. De regels over geluid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl. 31

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Cumulatief geluid Als de standaardwaarde voor een geluidsgevoelig gebouw wordt overschreden, moet worden vastgesteld en vastgelegd in het omgevingsplan of het totaal aan geluid (cumulatief geluid) aan de gevel acceptabel is. Cumulatief geluid is het totaal van geluid van wegen, spoorwegen, industrieterreinen, windturbines, schietbanen en luchtvaart, omgerekend naar een gezamenlijke mate van hinder vergelijkbaar met wegverkeerslawaai. Dit totaalgeluid wordt berekend door de geluidsniveaus van de verschillende bronnen energetisch bij elkaar op te tellen. Geluidswaarden binnen De regels over geluidswaarden binnen en geluidsisolatie van gevels staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor bestaande gebouwen zijn er geen wettelijke eisen voor geluidsisolatie. Voor nieuwe geluidsgevoelige gebouwen geldt volgens artikel 4.103 van het Bbl een binnenwaarde van 33 dB. Voor tijdelijke gebouwen (maximaal 10 jaar) mag deze eis met 10 dB worden verhoogd tot 43 dB (artikel 4.105 van het Bbl). In dit geval wordt de amvopvanglocatie niet als geluidsgevoelig gebouw beschouwd. Dat betekent dat er wettelijk geen eisen zijn voor de geluidswaarden binnen en de geluidsisolatie van de gevels. De gemeente Helmond streeft ernaar om bij de realisatie van het voornemen een geluidswaarde van 33 dB aan te houden.

Daarnaast schrijf de gemeente voor dat er maatregelen worden getroffen, waaronder het realiseren van geluidluwe slaapkamers, het voorzien in een geluidluwe (gezamenlijke) buitenruimte met bij voorkeur een maximale geluidswaarde van 56 dB, en het toepassen van ventilatie conform de eisen uit het Besluit bouwwerken Leefomgeving (Bbl).

4.5.2

Resultaten

Geluid per bronsoort Voor de locatie van het voornemen dat bedoeld is voor de opvang van het amv’s zijn de verschillende geluidsniveaus berekend. De ligging van de rekenpunten is weergeven in Figuur 4-3. De rekenresultaten van de gemeentewegen en de hoofdspoorwegen op maatgevende hoogten zijn opgenomen in Tabel 4-6. Een volledig overzicht van alle rekenresultaten is opgenomen in de bijlage van het onderzoek.

Figuur 4-3 Ligging van de rekenpunten op het nieuwe gebouw waarin de amv-opvanglocatie wordt gevestigd.

32

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

Tabel 4-6 Rekenresultaten voor gemeentewegen en hoofdspoorwegen op maatgevende hoogte.

De standaardwaarde voor nieuwe woningen bedraagt 53 dB vanwege gemeentewegen. De grenswaarde bedraagt 70 B. Uit de rekenresultaten zoals opgenomen in Tabel 4-6 blijkt dat het geluid afkomstig van gemeentewegen maximaal 65 dB bedraagt. Het geluid is op meerdere gevels hoger dan de standaardwaarde van 53 dB. De standaardwaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB vanwege hoofdspoorwegen. De grenswaarde bedraagt 65 dB. Uit de rekenresultaten zoals opgenomen in Tabel 4-6 blijkt dat het geluid afkomstig van de hoofdspoorwegen maximaal 69 dB bedraagt. Het geluid is op meerdere gevels hoger dan de standaardwaarde. Op de zuidgevel en de zuidoostgevel is het geluid hoger dan de grenswaarde van 65 dB. Gezamenlijk geluid Bij het bepalen van de geluidwering van de gevels van een geluidgevoelig gebouw moet uitgegaan worden van het gezamenlijk geluid. Het gezamenlijk geluid is het geluid van verschillende bronsoorten op een gevel, energetisch opgeteld zonder rekening te houden met correcties voor verschillen in hinderlijkheid. In Tabel 4-7 is het gezamenlijk geluid weergegeven op maatgevende hoogten. Het gezamenlijk geluid bedraagt maximaal 69 dB. Omdat een AMVopvanglocatie niet geluidgevoelig is gelden geen wettelijke eisen voor de binnenwaarden en de geluidwering van de gevels.

Omdat mensen langdurig in het pand verblijven kan het bevoegd gezag overwegen om wel een eis te stellen aan het binnenniveau van de AMV-opvanglocatie. Tabel 4-7 Gezamenlijk geluid

Gecumuleerd geluid Bij een overschrijding van de standaardwaarde op een geluidgevoelig gebouw dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen te worden bepaald. Het gecumuleerde geluid is het totaal aan geluid afkomstig van de gemeentewegen en de hoofdspoorwegen, waarbij het geluid van de hoofdspoorweg wordt omgerekend naar een vergelijkbare mate van hinderlijkheid van het geluid door wegverkeer. Het gecumuleerde geluid is in Tabel 4-8 weergegeven op maatgevende hoogten. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 65 dB. Een gecumuleerde waarde van 65 dB kan worden gekwalificeerd als ‘tamelijk slecht’.

33

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Tabel 4-8 Gecumuleerd geluid

4.5.3

Conclusie

Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluid afkomstig van de gemeentewegen maximaal 65 dB bedraagt. Het geluid is hoger dan de standaardwaarde van 53 dB, maar lager dan de grenswaarde van 70 dB. Daarnaast blijkt dat het geluid afkomstig van de hoofdspoorwegen op de gevel maximaal 69 dB bedraagt. Dit is hoger dan de grenswaarde van 65 dB. Bij een overschrijding van de standaardwaarde op een geluidgevoelig gebouw dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw te worden bepaald. Het gecumuleerde geluid is het totaal aan geluid afkomstig van de gemeentewegen en de hoofdspoorwegen, waarbij het geluid van de hoofdspoorweg wordt omgerekend naar een vergelijkbare mate van hinderlijkheid van het geluid door wegverkeer. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 65 dB. Een gecumuleerde waarde van 65 dB kan worden gekwalificeerd als ‘tamelijk slecht’. Hoewel het geluid op de gevels relatief hoog is, kan geoordeeld worden dat het woon- en leefklimaat goed is, mits aanvullende maatregel(en) worden genomen. De wens van de gemeente is om een binnenniveau van 33 dB te behalen, dan is een gevelwering van 32 dB nodig. Het COA kan hieraan voldoen door bijvoorbeeld aanvullende isolatiemaatregelen te treffen of een geluidsscherm te plaatsen.

Daarmee kan vanwege de tijdelijkheid van het initiatief en het feit dat er een aanvaardbaar binnenniveau op de locatie aanwezig is, gezegd worden dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is voor de opvang van amv’s.

4.6

Geur

4.6.1

Toetsingskader

De gemeente is verplicht om in het omgevingsplan rekening te houden met geurhinder bij geurgevoelige gebouwen. Deze verplichting volgt uit artikel 5.92, lid 1 van het Bkl en vormt een uitwerking van een al bestaande plicht uit de Omgevingswet. Volgens de Omgevingswet moet de overheid bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties altijd het belang van gezondheidsbescherming meewegen (artikel 2.1, lid 4). Daarbij dient de gemeente rekening te houden met de lokale omstandigheden en de mogelijke gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar inwoners (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Rekening houden met geur werkt in twee richtingen: • •

Enerzijds bij het toestaan van activiteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen. Anderzijds bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de omgeving van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De gemeente moet daarom bij het opstellen van het omgevingsplan zorgvuldig afwegen wat de meest geschikte locatie is voor zowel nieuwe activiteiten als voor geurgevoelige gebouwen.

34

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

4.6.2

Resultaten

De tijdelijke opvanglocatie voor amv’s valt onder geurgevoelige gebouwen. De amv-opvanglocatie staat niet vermeld als een milieubelastende activiteit met betrekking tot geur. Doordat de amv-opvanglocatie als geurgevoelig gebouw wordt vermeld, dient er te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat in het kader van geur.

4.6.3

Conclusie

In de omgeving van het projectgebied zijn een woonwijk, een parkeerplaats en het spoor gelegen. De woningen, parkeerplaats en het spoor zullen naar verwachting geen geuroverlast veroorzaken. Hierdoor vormt het aspect geur geen belemmering voor het voornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.7

Externe veiligheid

Op 23 oktober 2024 is door Witteveen en Bos een Quickscan Externe Veiligheid opgeleverd, zie Bijlage F.

4.7.1

Toetsingskader

Het aspect omgevingsveiligheid heeft betrekking op het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De verbonden risico's moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden twee soorten risico's gehanteerd: 1. Plaatsgebonden risico (PR) verwijst naar de kans per jaar dat een persoon die zich continu en onbeschermd op een bepaalde locatie bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Er geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het PR. Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (zeer) kwetsbare objecten en locaties aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten en locaties geldt de PR 10-6 contour als richtwaarde. 2. Voor het groepsrisico wordt gewerkt met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden geven aan waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, mogelijk onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Een aandachtsgebied fungeert als startpunt voor het denken over veiligheid en benodigde maatregelen. Binnen een (gifwolk-, explosie- en brand)aandachtsgebied kan een gemeente voorschriftgebieden aanwijzen die worden opgenomen in het omgevingsplan.

Daarbij blijft het groepsrisico (GR) wel in gebruik, waarbij het verwijst naar de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde wordt gebruikt als indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.

4.7.2

Resultaten

Aanwezige risicobronnen Om inzicht te krijgen in de relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de webapplicatie Atlas Leefomgeving. Een uitsnede van de kaart ‘Milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico’ is gegeven als Figuur 4-4. Op basis van de gegeven kaart kan worden gesteld dat enkel de spoor Basisnetroute 12, Eindhoven aansl. - Venlo trajectnummer BG. een relevante risicobron is. Andere risicobronnen zijn niet nabij gelegen bij de beoogde ontwikkeling. Het gaat om een hogesnelheidsbaanvak.

35

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Figuur 4-4: ‘Milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico’ - Atlas Leefomgeving Tabel 4-9 Transportwaarden Basisnetroute 12 BG

Toetsing plaatsgebonden risico Voor een spoor, met een baanvak hoge snelheid moeten de vuistregels in de aangegeven volgorde worden toegepast voor toetsing aan het PR:

De vuistregels tonen aan dat er geen PR 10-5 contour is voor dit traject. De transportwaarde Basisnet voor C3 per jaar is 0, lager dan 17.000. Ook is 0.00006*(C3+A+0.3*D3+D4). Toetsing groepsrisico Voor het toetsen van het groepsrisico, aan de hand van vuistregels, wordt gekeken naar de overschrijding van de oriëntatiewaarde en 10 % van de oriëntatiewaarde. Voor het groepsrisico zijn aanvullende berekeningen niet nodig als het groepsrisico niet meer dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt óf met niet meer dan 10 % toeneemt én de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Er zijn dus twee sets vuistregels waar aan moet worden voldaan, voordat het groepsrisico als acceptabel bevonden kan worden waardoor een verdere berekening niet vereist is.

36

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

Tabel 4-10 Vuistregels toetsing oriëntatiewaarde groepsrisico

Er worden geen B3 stoffen vervoerd over het Basisnetspoor. RBM II hoeft volgens vuistregel 1 niet te worden toegepast. De bijlage van de HART stelt dat de populatiedichtheid geïnventariseerd moet worden tot 400 m van de as van de weg (stofcategorie A is bepalend voor het invloedsgebied), deze is opgehaald van de populatieservice BAG en weergegeven in Figuur 4-5.

Figuur 4-5 Invloedsgebied van 400 m conform HART voor stofcategorie A

De totale oppervlakte van het studiegebied is 2.0 km2. De totale populatie in het gebied overdag is 16.401 in de referentiesituatie. In de beoogde situatie is de populatie 16.466, echter zal dit leiden tot niet significante bevolkingsdichtheden. De populatiedichtheid is circa 80 personen per hectare. De bebouwingsafstand van de nieuwe ontwikkeling bedraagt 30 meter. De transportwaarde Basisnet voor stofcategorie A is 2.150 KWE voor de Basisnetroute 12 BG. Tabel 4-11 Drempelwaarde vervoer brandbaar gas (A), tweezijdige bebouwing baanvak hoge snelheid

37

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Uit Tabel 4-11 in combinatie met de gegeven bevolkingsdichtheid en afstand tot as van baanvak, is geconcludeerd dat er sprake is van een drempelwaarde van 50 KWE. De Basisnettransport aantallen A (2.150) op het Basisnetroute 12 BG ligt hoger dan zowel de drempelwaarde zelf, als wel 10 maal deze drempelwaarde. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico en de 10 % oriëntatiewaarde van het groepsrisico worden dus mogelijk beiden overschreden. Hiertoe is een RBM II berekening noodzakelijk conform de vuistregels HART. RBM II Modellering Volgende het HART is RBM II modellering noodzakelijk, hiertoe worden eerste de benodigde uitgangspunten geschetst, en vervolgens de resultaten van de RBM II berekening gegeven. Er wordt gerekend met het wettelijk voorgeschreven rekenpakket RBM-II v2.3. Transportaantallen BN 12 BG Voor de verdeling van het transport overdag/nacht en werkweek/weekend zijn kentallen aangehouden. Dit resulteert in de verdeling 33 % overdag: 67 % nacht en 71,4 % werkweek: 28,6 % weekend. De ongeval frequentie is bepaald op 6,07 * 10-8 / km (op basis van hoge snelheid, en wisseltoeslag). Er wordt aangenomen dat A enkel in bonte treinen wordt vervoerd. Het toepasbare weerstation is Volkel. Populatie De populatie die is ingevoerd voor de risicoberekeningen, is opgehaald van de BAG (Basisregistraties Adressen en Gebouwen) populatieservice.

De populatie is geïnventariseerd binnen de 1 % letaliteitsafstand van de Basisnet route Eindhoven aansl. Venlo en weergegeven in afbeelding 4.1. De aanbevolen gridgrootte van 25 meter is aangehouden in de berekening van de populatie. Het verkregen populatiebestand is aangehouden als de basis van de populatie voor zowel de referentie en de beoogde situatie. De beoogde ontwikkeling is toegevoegd doormiddel van een woonbebouwing polygoon. De totale populatie welke is toegevoegd is 80 personen. De standaard waarden voor de fractie buitenshuis 0,07 en nacht 0,01 zijn aangehouden. De aanwezigheid dag en nacht zijn aan elkaar gelijk gesteld vanwege de continue bewoning van de locatie. Resultaten RBM II Modellering Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is bepaald aan de hand van bijlage 2 van de Regeling Basisnet, de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar bedraagt 0 m. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico voor de beoogde opvanglocatie. Aandachtsgebieden Voor Basisnet zijn er vastgestelde afstanden voor het brand- en explosieaandachtsgebied. Voor het brandaandachtsgebied is deze afstand 30 meter, en voor het explosieaandachtsgebied is deze afstand 200 meter. Het projectgebied is gelegen binnen zowel het brand- en explosieaandachtsgebied.

Om deze reden dienen er mogelijk aanvullende maatregelen te worden genomen ter bescherming van de tijdelijke huisvesting. Het traject is niet aangewezen als brandvoorschriftgebied, conform bijlage II van de Regeling Basisnet. Als gevolg gelden er geen aanvullende vereisten volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving. Echter wordt geadviseerd in overleg te treden met het bevoegd gezag en/of veiligheidsregio over de mogelijk wenselijke maatregelen ter bescherming van een veilige leefomgeving. Hier dient aandacht te zijn voor proportionaliteit vanwege de tijdelijke natuur van de opvang, en de bijbehorende kosten van de ontwikkeling. Groepsrisico Het berekende groepsrisico voor de referentie- en beoogde situatie(s) zijn gevisualiseerd in de drie onderstaande grafieken. In zowel de referentie situatie als de beoogde situaties is een overschrijding van 10 % van de oriëntatiewaarde door het groepsrisico gevonden. Het groepsrisico van de referentiesituatie is 0,26 maal de oriëntatiewaarde. De normwaarde wordt gevonden bij 179 slachtoffers met een frequentie van 8,2 * 10-8. Er is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Ook neemt het groepsrisico met niet meer dan 10 procent toe. Hiermee is geen onderbouwing gegeven van mogelijke maatregelen ter beperking van het groepsrisico, of alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen.

38

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

Verantwoording groepsrisico In onderstaande paragrafen wordt hierop ingegaan door de aspecten bestrijdbaarheid en beperking van het ongeval en de zelfredzaamheid bij het ongeval te beschouwen. Bestrijdbaarheid Indien sprake is van een incident bij de Basisnetroute spoor 12 BG is het van belang dat de locatie goed bereikbaar is voor nood- en hulpdiensten. Voor de locatie Smalstraat, kan de ongevalslocatie vanuit meerdere kanten bereikt worden. Dit gebeurt vanuit het oosten, via de Churchilllaan en het noorden via de N270. Hiertoe is gesteld dat de locatie een goede bereikbaarheid heeft voor de hulpdiensten. Zelfredzaamheid Bij incidenten is het belangrijk om handelingsperspectief te hebben tijdens het ontvluchten van de bron. Welk handelingsperspectief de voorkeur heeft is afhankelijk van het ongevalsscenario. Bij brandscenario’s gebeurt dit idealiter onder dekking van objecten zoals muren. Daarnaast is het noodzakelijk dat aanwezige personen genoeg mogelijkheden hebben om het terrein te verlaten. De bebouwing geeft bescherming bij het wegvluchten van het ongeval. De jongeren welke zijn ondergebracht in de opvang, zijn zelfredzaam en kunnen zichzelf in veiligheid brengen bij ongevallen. Er is aandacht voor calamiteiten, door het frequent oefenen van ontruimingen, en voorlichting over calamiteiten en het handelingskader in een begrijpelijke taal en visualisaties.

4.7.3

Conclusie

In deze rapportage is de kwantitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) beschreven voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie te Helmond. In deze notitie zijn de externe veiligheidsrisico’s inzichtelijk gemaakt met het wettelijk voorgeschreven rekenpakket RBM II v2.3. Het plaatsgebonden risico is bepaald aan de hand van bijlage 2 van de Regeling Basisnet, de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar bedraagt 0 m. De beoogde ontwikkeling ligt buiten deze PR contour en er wordt dus voldaan aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico. De resultaten van de risicoberekening tonen aan dat er sprake is van een groepsrisico welke de oriëntatiewaarde niet overschrijdt in de beoogde situatie. Hiertoe is geen onderbouwing gegeven van mogelijke maatregelen ter beperking van het groepsrisico, of alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast stelt het COA een bedrijfsnoodplan op, zorgt het voor de permanente aanwezigheid van bedrijfshulpverleners en wordt de goede bereikbaarheid voor hulpdiensten, evenals voldoende bluswatervoorzieningen rondom de amv-opvanglocatie, gegarandeerd. Gezien de beperkte of zelfs afwezige toename van het groepsrisico, in combinatie met de eventuele aanvullende veiligheidsmaatregelen, wordt de ontwikkeling van de tijdelijke opvanglocatie in Helmond als voldoende verantwoord beschouwd.

Het aspect omgevingsveiligheid vormt hierdoor geen belemmering voor het voorgenomen gebruik als amv-opvanglocatie.

4.8

Trillingen

4.8.1

Toetsingskader

Een tijdelijk amv-opvanglocatie valt conform de Omgevingswet onder een woonfunctie. Gebouwen met een woonfunctie zijn trillingsgevoelige gebouwen conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hiermee dient te worden getoetst of er in de omgeving sprake is van activiteiten die kunnen zorgen voor trillinghinder op het amvopvanglocatie. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels vastgesteld om trillinghinder te voorkomen of te beperken. Het omgevingsplan moet borgen dat toegestane activiteiten geen onaanvaardbare trillingen veroorzaken met een frequentie tussen 1 en 80 Hz in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen Trillingen veroorzaakt door wegverkeer, spoorverkeer en vaarwegen vallen buiten de bovengenoemde instructieregels. De beoordeling van het aspect trillingen voor deze bronnen vindt plaats binnen de taak van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals vastgelegd in artikel 4.2, lid 1 van de Omgevingswet. Het is daarbij noodzakelijk om de mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en mee te nemen in de ruimtelijke afweging. Hiervoor worden onder andere de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen en de SBR-richtlijn als richtlijnen gehanteerd. Ook gelden er vanuit het Bkl standaardwaarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen.

Deze worden weergegeven in Tabel 4-12 en Tabel 4-13.

39

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Tabel 4-12: Standaardwaarden toelaatbare continue trillingen in trillingsgevoelige ruimten (artikel 5.87 Bkl)

Soort

Standaardwaarde 07:00 – 23:00 uur

23:00 – 07:00

A1 trillingssterkte Vmax

0,1

0,1

A2 trillingssterkte Vmax

0,4

0,2

A3 trillingssterkte Vper

0,05

0,05

Tabel 4-13: Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten (artikel 5.87a Bkl)

Soort

Standaardwaarde 07:00 – 23:00 uur

23:00 – 07:00

A1 trillingssterkte Vmax

0,2

0,2

A2 trillingssterkte Vmax

0,8

0,4

A3 trillingssterkte Vper

0,1

0,1

4.8.2

Resultaten

In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich kantoren, wegen en spoorwegen. Voor de realisatie van het voornemen worden slechts beperkt grondroerende werkzaamheden verricht. Naar verwachting zullen deze werkzaamheden geen trillingen veroorzaken die de omgeving beïnvloeden tijdens de realisatie van het project. Desondanks kan, op basis van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, trillinghinder optreden tot op minimaal 100 meter afstand van het spoor. Om te voorkomen dat lichte woningbouw te dicht bij het spoor wordt gerealiseerd, is het verplicht om nader onderzoek te doen naar het initiatief en de te verwachten effecten. Omdat het plan binnen deze 100 meter-zone valt, is het uitvoeren van dit onderzoek een noodzakelijk onderdeel van het proces.

4.8.3

Conclusie

Hoewel tijdens de realisatie van het voornemen geen trillingen richting de omgeving worden veroorzaakt, dient nog wel onderzocht te worden wat de impact is van de omliggende infrastructuur (zoals wegen en spoorwegen) op het voornemen. Om deze reden wordt momenteel een semi-kwalitatief trillingenonderzoek uitgevoerd. Zodra de resultaten beschikbaar zijn, zullen deze in het document worden opgenomen. Indien uit het onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de eisen en aannemelijk is dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL), voldoet dit onderdeel binnen het BOPA.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1

Toetsingskader

Erfgoed omvat zowel cultureel erfgoed als werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed is geregeld in het Bal (hoofdstuk 13), de omgevingsverordening en het omgevingsplan.

4.9.2

Resultaten

In het projectgebied aan de Smalstraat zijn er geen gegevens beschikbaar over de trefkans van de archeologische waarden op de viewer van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Wel is bekend dat er geen archeologische monumenten of rijksmonumenten aanwezig zijn in het projectgebied en dat er geen sprake is van een Rijksbeschermd stadsgezicht in het projectgebied. De Indicatieve Kaart voor Archeologische Waarden (IKAW) en de Archeologische Monumentenkaart (AMK) zijn weergegeven in Figuur 4-6 en Figuur 4-7. Ook is er geen dubbelbestemming (onder de Ow bekend als ‘functie’) voor archeologie opgenomen in het Omgevingsplan van Helmond.

40

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

Figuur 4-6: Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) ter plaatse van het projectgebied (rode markering)(bron: Viewer Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2008)

Figuur 4-7: Archeologische Monumentenkaart (AMK) en Rijksmonumenten ter plaatse van het projectgebied (rode markering)(bron: Viewer Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

41

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Zoals te zien is loopt er volgens de archeologische beleidskaart uit 2017 van de gemeente Helmond een klein stukje middel archeologische verwachtingswaarde over of vlak langs het plangebied. In de toelichting van de kaart staat dat het hier gaat om (laat-)middeleeuwse verdedigingswerken die als objecten gevonden kunnen worden wallen, de verwachting is dat deze gevonden kunnen worden in greppels, struikelkuilen, plantgaten. Dit blijkt uit eerder onderzochtte Aarden wallen en verdedigingswerken.

Figuur 4-8 Archeologische beleidskaart gemeente Helmond 2017 (rode markering)

4.9.3

Conclusie

Uit het vigerende beleid en de beschikbare gegevens blijkt dat binnen het projectgebied aan de Smalstraat geen archeologische monumenten, rijksmonumenten of een Rijksbeschermd stadsgezicht aanwezig zijn, en er is in het Omgevingsplan van Helmond geen dubbelbestemming voor archeologie opgenomen, waardoor de onderzoeksplicht van de gemeente komt te vervallen. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Helmond uit 2017 is er slechts sprake van een klein deel met een middel archeologische verwachtingswaarde, gerelateerd aan (laat-)middeleeuwse verdedigingswerken, waarvoor uit eerdere onderzoeken bekend is dat deze waarden beperkt en specifiek gelokaliseerd zijn. Omdat er geen concrete aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van beschermde archeologische waarden in het plangebied en het relevante bodemarchief reeds in beeld is gebracht, is aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk en vormt het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ geen belemmering voor het voornemen.

4.10

Weging van het waterbelang

Op 10 november 2025 is door Arcadis de weging van het waterbelang opgeleverd (zie Bijlage F).

4.10.1

Toetsingskader

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt als doel de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te beschermen en te verbeteren. De uitvoering hiervan is nationaal geborgd in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027, waarbij het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven samenwerken volgens de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten de volgende aspecten worden meegenomen: • • •

42

Het waterbelang dient expliciet te worden afgewogen bij alle relevante plannen. De trits schoonhouden, zuiveren, schoonmaken is leidend, met als uitgangspunt het voorkomen van vermenging van schoon en vuil water. De benodigde waterbergingscapaciteit wordt bepaald aan de hand van de NBW-normen; voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (een neerslaggebeurtenis die eens in de 100 jaar voorkomt). Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

Deze uitgangspunten vormen het kader voor de beoordeling van waterhuishoudkundige aspecten bij nieuwe ontwikkelingen. Nederland is een waterrijk land, waardoor het essentieel is om waterbelangen zorgvuldig mee te nemen bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals bouwactiviteiten. Bij het opstellen van het omgevingsplan is de gemeente verplicht de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken bij het afwegen van waterbelangen. Deze verplichting volgt uit paragraaf 5.1.3 en artikel 5.37 van het Bkl. De 'weging van het waterbelang' houdt in dat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Dit wordt in de Omgevingswet als juridische term gehanteerd, maar in de praktijk wordt ook vaak de term 'watertoets' gebruikt. De weging van het waterbelang is verplicht bij onder andere het vaststellen van het omgevingsplan, maar kan ook relevant zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de waterbeheerder consulteren over alle relevante waterbelangen, bijvoorbeeld bij watercompensatie vanwege verharding of bij het voorkomen van bebouwing in waterwingebieden. Hoe de gemeente de waterbeheerder betrekt, is niet wettelijk vastgelegd en mag zij zelf invullen.

4.10.2

Resultaten

Bodem Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. toont twee bodemprofielen van locaties net buiten het projectgebied (bron: Dinoloket). Binnen het projectgebied zijn geen boringen uitgevoerd. De rode cirkels geven de locaties van de boormetingen aan, de zwarte omlijning markeert de locatie van het projectgebied. Het bodemprofiel links laat zien dat bijna het gehele profiel uit zand bestaat. Tussen 5,5 en 7,0 meter onder het maaiveld zit een laag leem, gevolgd door zand. Het bodemprofiel rechts laat zien dat de eerste 4 meter onder het maaiveld uit zand bestaat, gevolgd door een laag klei tot circa 8 meter onder maaiveld, waarna het opnieuw gevolgd wordt door zand. De bodemkaart (bron: ESRI) toont aan dat het projectgebied grotendeels uit bebouwing bestaat. Pas ver buiten het projectgebied zijn andere bodemtypes waar te nemen zoals veldpodzolgronden en duinvaaggronden in het noordoosten, en madeveengronden en moerige eerdgronden in het zuidwesten. Er liggen geen waterkeringen met bijbehorende zoneringen nabij het projectgebied. De bodem is hierdoor grotendeels goed waterdoorlatend.

43

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Figuur 4-9 Links bodemprofiel (B51H0180) ten oosten van het projectgebied. Rechts bodemprofiel (B51F0118) ten westen van het projectgebied. De rode cirkels geven de locaties van de boringen weer. De zwarte omlijning geeft het projectgebied weer.

Oppervlaktewater Binnen het projectgebied liggen geen watergangen of duikers. Het hemelwater infiltreert grotendeels in de bodem of stroomt het af naar het riool wat op circa 50 m afstand van het plangebied ligt of naar de naastliggende C-watergang. Grondwater in de huidige situatie De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt circa 1,5 meter onder het maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) 2,25 meter onder het maaiveld (bron: dinoloket.nl). Figuur 4-10-10 laat de kwel en infiltratie binnen en om het projectgebied zien. Uit de figuur is af te lezen dat er binnen het plangebied sprake is van beperkte infiltratie doordat het maaiveld binnen het plangebied relatief hoog in het landschap ligt. Er liggen geen bodemverontreinigingen en/of KRW-oppervlaktewatergangen nabij het projectgebied. Ook ligt het gebied niet in een beschermd gebied.

44

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

Figuur 4-10: Kwel en infiltratie in het projectgebied.

45

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025

Figuur 4-11: Isohypsenkaart van het projectgebied.

Uitgangspunten Gezien de fase van het project, waarbij de weging waterbelang is opgesteld op basis van het schetsontwerp, worden bij het opstellen van deze waterparagraaf de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Toename van verhard oppervlak. De toename van verhard oppervlak wordt ingeschat op basis van de gegevens uit de BGT en de aangeleverde schetsontwerpen. Verder is het aangeleverde schetsontwerp een worst-case scenario met maximaal landgebruik en er wordt vanuit gegaan dat 67% van het plangebied verhard wordt. Deze toename aan verhard oppervlak vormt een belangrijk uitgangspunt voor het waterhuishoudkundig ontwerp. • Het projectgebied bestaat volgens de BGT voor ongeveer 95% uit groenvoorziening (bosplantsoen), en 5% uit verharding (fietspad). Voor deze weging van waterbelang gaan wij uit van een worst-case scenario en dus een huidige situatie met 100% onverhard oppervlak. • Er worden geen ondergrondse kunstwerken aangelegd. Wel komen er mogelijk heipalen. Verder worden er geen watergangen gedempt, gegraven of aangepast. Hierdoor worden er geen veranderingen op het oppervlaktewatersysteem voorzien. Omgang met het hemelwater Door de ontwikkeling zal er sprake zijn van een toename aan verhard oppervlak. Hiervoor moet in Nederland gecompenseerd worden doordat hemelwater versneld op het oppervlaktewater geloosd wordt, wat het risico op wateroverlast bij neerslag vergroot.

Zowel het waterschap als de gemeente hebben hiervoor beleidsregels.

46

Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public

Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas hanteert vanuit het beleid uit de Waterschapsverordening dat er gecompenseerd moet worden voor de toename aan verhard oppervlak wanneer de toename aan verhard oppervlak meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt. Compenseren kan in de vorm van het graven van open water of door het aanleggen van waterberging. Om te kunnen voldoen aan de gestelde eisen kunnen de volgende compenserende maatregelen uitgevoerd worden en de volgende rekenregels worden gehanteerd: •

Er moeten compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m).

Het projectgebied ligt volledig binnen het gebied met gevoeligheidsfactor 1. Gemeente Helmond De gemeente Helmond stimuleert vergroenen. Hoe groener de ontwikkeling is, des te kleiner is de waterbergingsopgave. Om de waterbergingsopgave uit te rekenen heeft de gemeente een rekentool. Deze is ook gebaseerd op de hoeveelheid verharding in de toekomstige situatie. De waterbergingsopgave wordt uitgedrukt in m3. Toename aan verhard oppervlak Aangezien er een toename aan verhard oppervlak plaatsvindt wordt er een waterbalans opgesteld voor het plangebied. In de huidige situatie wordt uitgegaan van 100% onverhard oppervlak. In de toekomstige situatie wordt er uitgegaan van in totaal 67% verharding van het plangebied. Het verhard dakoppervlak heeft een footprint van circa 700 m2 en er wordt uitgegaan dat een deel van de buitenruimte (tuin, inrichting onbekend) van 841 m2 verhard zal worden. Hierdoor wordt er uitgegaan van een worst-case situatie dat circa 67% van het totale 1.541 m2 aan plangebied verhard zal worden, wat neerkomt een toename van verhard oppervlak van 1.033 m2. Mogelijke compenserende maatregelen Op basis van de gehanteerde uitgangspunten is de toename aan verhard oppervlak waarvoor gecompenseerd moet worden 1.033 m2.

Om te voldoen aan deze waterbergingseis, wordt er geadviseerd ruimtes te reserveren in het plangebied voor het aanleggen van waterberging, bijvoorbeeld in de vorm van een infiltratiewadi. Hierbij dient het plangebied zo ontworpen te worden dat het dak en overige verharding afstroomt op deze infiltratiewadi. Dit is mogelijk doordat de bodem bestaat uit goed doorlatend zand en doordat de GHG op circa 1,5 m onder het maaiveld ligt. Om (ruim) te voldoen aan de waterbergingseis van 62 m3 is het mogelijk om binnen het plangebied een wadi te graven met de volgende dimensionering: • Diepte (h): 0,70 meter; • Bodembreedte: 10 meter; • Bovenbreedte (b): 14,2 meter; • Lengte: 10 meter. Verder kan de wateropgave, op basis van de regels uit de Waterschapsverordening, verkleind worden door het toepassen van groene daken. Groene daken helpen de wateropgave te verkleinen door regenwater vast te houden en vertraagd af te voeren, wat wateroverlast voorkomt en de druk op het riool vermindert. Ze ondersteunen de grondwaterstand, dragen bij aan verkoeling en biodiversiteit, en zijn een duurzame oplossing voor waterberging. Voor het AMV Helmond-pand (700 m²) moet circa 9 cm water op het dak worden geborgen om aan de eisen te voldoen. Als deze maatregelen niet volledig toepasbaar zijn, wordt aangeraden extra ruimte voor waterberging in het plangebied te reserveren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16338679/1