RN 2026-001 Motivering BOPA tijdelijke AMV-opvanglocatie Helmond
Tekst van het document
Onze referentie: <DocId>:0.3 Datum: 19 november 2025 Public
Motivering BOPA tijdelijke AMV-opvanglocatie Smalstraat Helmond Motivering ten behoeve van omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit COA 19 november 2025 - Public
MOTIVERING BOPA TIJDELIJKE AMV-OPVANGLOCATIE SMALSTRAAT HELMOND
Contactpersoon ARCADIS B.V.
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
2
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
Inhoudsopgave 1
2
3
4
3
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Projectgebied
7
1.3
Omgevingsplan gemeente Helmond
8
1.4
Leeswijzer
9
Voorgenomen ontwikkeling
10
2.1
Huidige situatie
10
2.2
Toekomstige situatie
11
Beleid en regelgeving
12
3.1
Rijksbeleid en -regels
12
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
12
3.1.2
Instructieregels Rijk (Bkl)
13
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
14
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
14
3.2.2
Omgevingsverordening Noord-Brabant (2025)
15
3.2.3
Omgevingswaarden
16
3.3
Beleid waterschap
16
3.3.1
Waterbeheerplan 2022 – 2027
16
3.3.2
Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024
17
3.4
Gemeentelijk beleid
17
3.4.1
Omgevingsvisie Helmond 2040
17
Aspecten van de fysieke leefomgeving
19
4.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
19
4.1.1
Toetsingskader
19
4.1.2
Resultaten
19
4.1.3
Conclusie
21
4.2
Verkeer en parkeren
21
4.2.1
Verkeer
21
4.2.2
Parkeren
21
4.3
Flora en fauna
22
4.3.1
Soortenbescherming
22
4.3.1.1
Toetsingskader
22
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
4
4.3.1.2
Resultaten
22
4.3.1.3
Conclusie
26
4.3.2
Gebiedsbescherming
26
4.3.2.1
Toetsingskader
26
4.3.2.2
Resultaten
27
4.3.2.3
Conclusie
28
4.3.3
Natuurnetwerk Brabant (NNB)
29
4.3.4
Houtopstanden
29
4.3.5
Conclusie
29
4.4
Luchtkwaliteit
30
4.4.1
Toetsingskader
30
4.4.2
Resultaten
30
4.4.3
Conclusie
31
4.5
Geluid
31
4.5.1
Toetsingskader
31
4.5.2
Resultaten
32
4.5.3
Conclusie
34
4.6
Geur
34
4.6.1
Toetsingskader
34
4.6.2
Resultaten
35
4.6.3
Conclusie
35
4.7
Externe veiligheid
35
4.7.1
Toetsingskader
35
4.7.2
Resultaten
35
4.7.3
Conclusie
39
4.8
Trillingen
39
4.8.1
Toetsingskader
39
4.8.2
Resultaten
40
4.8.3
Conclusie
40
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
40
4.9.1
Toetsingskader
40
4.9.2
Resultaten
40
4.9.3
Conclusie
42
4.10
Weging van het waterbelang
42
4.10.1
Toetsingskader
42
4.10.2
Resultaten
43
4.10.3
Conclusie
48
4.11
Bodem
48
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
4.11.1
Toetsingskader
48
4.11.2
Resultaten
48
4.11.3
Conclusie
50
4.12
Activiteiten en milieuzonering
51
4.12.1
Toetsingskader
51
4.12.2
Resultaten
51
4.12.3
Conclusie
51
4.13
Sociale veiligheid
52
4.13.1
Toetsingskader
52
4.13.2
Resultaten
52
4.13.3
Conclusie
53
4.14
Duurzaamheid & gezondheid
53
4.14.1
Toetsingskader
53
4.14.2
Resultaten
53
4.14.3
Conclusie
53
4.15
Mer-beoordeling
53
4.15.1
Toetsingskader
53
4.15.2
Resultaten
53
4.15.3
Conclusie
54
5
Beperkingengebieden
55
6
Uitvoerbaarheid
56
6.1
Economische uitvoerbaarheid
56
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
56
6.2.1
Participatie
56
6.2.2
Vaststellingsprocedure
58
Belangenafweging en conclusie
59
7.1
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)
59
7.2
Conclusie
59
7
5
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
Bijlagen Bijlage A Quickscan ecologie
60
Bijlage B Uitgangspuntenmemo stikstofdepositieberekeningen
61
Bijlage C Stikstofdepositieberekeningen
62
Bijlage D Onderzoek luchtkwaliteit
63
Bijlage E Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai
64
Bijlage F Quickscan Externe veiligheid
65
Bijlage G Weging van het waterbelang
66
Bijlage H Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem
67
Bijlage I Participatieverslag informatiebijeenkomst 12 juni 2025
68
Bijlage J Nieuwsbrief amv-opvanglocatie Smalstraat gemeente Helmond
69
Colofon
70
6
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) is sinds 1994 verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van asielzoekers in Nederland. Op dit moment zijn er verspreid over het land ongeveer 160 asielzoekerscentra (AZC’s) aanwezig. Inmiddels is de behoefte aan opvangcapaciteit in Nederland enorm toegenomen en is er meer behoefte aan tijdelijke opvanglocaties. In de gemeente Helmond, is het COA voornemens om aan de Smalstraat, te Helmond opvangplekken voor minderjarige vluchtelingen – ook wel alleenstaande minderjarige vreemdelingen genoemd – (hierna: amv) te realiseren voor een periode van 10 jaar. Het gaat om een locatie waar nog geen bebouwing aanwezig is. Het initiatief betreft het plaatsen van een tijdelijke amv-opvanglocatie om een capaciteit van 60 bedden te realiseren voor de opvang van 50 personen. De voorgenomen tijdelijke opvang van maximaal 50 amv’s op deze locatie past niet binnen het omgevingsplan van de gemeente Helmond, dit wordt in paragraaf 1.3 onderbouwd. De beoogde ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt middels een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) conform artikel 5.1, sub 1 onder a Omgevingswet (hierna: Ow). Hiervoor is een motivering noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties om deze tijdelijke opvang in de gemeente Helmond te realiseren.
Deze BOPA-motivering heeft dus uitsluitend betrekking op de tijdelijke opvang van amv’s.
1.2
Projectgebied
De projectlocatie betreft een perceel met een driehoekige vorm, gelegen tussen de N270, Kasteeltraverse, P+R Smalstraat en het spoor (zie Figuur 1-1). Momenteel heeft de locatie onder andere een groene functie. Direct ten westen van de locatie bevindt zich het een kantoorgebouw van de gemeente Helmond. Verder naar het westen ligt het stationsplein. Het beoogde initiatief is gepland op het perceel met de kadastrale aanduiding HMD00-I-1535 (Helmond).
Figuur 1-1: Ligging van het projectgebied (wit omlijnd).
7
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
1.3
Omgevingsplan gemeente Helmond
Het omgevingsplan van de gemeente Helmond 1 is van rechtswege ontstaan door de inwerkingtreding van de Ow. Daarmee zijn de bestemmingsplannen die vigerend waren op 31 december 2023 in de gemeente Helmond opgegaan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan op grond van artikel 22.1, lid a van de Ow. Dit omgevingsplan bestaat momenteel uit een tijdelijk deel en de bruidsschat. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet vigerende bestemmingsplannen. Voor de projectlocatie gaat het om de volgende plannen: • ‘Stationskwartier’;2 • ‘Paraplubestemmingsplan waterberging 2024’;3 • ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’.4 In deze plannen zijn voor de gronden binnen het projectgebied de volgende functies/aanduidingen opgenomen: • Groen; • Verkeer – Verblijfsgebied. Hoewel de bestemmingsplannen: ‘Paraplubestemmingsplan waterberging 2024’ en ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ van toepassing zijn op het voornemen hebben deze geen invloed op het voornemen in het projectgebied. Zie onderstaand figuur voor een uitsnede van het tijdelijk deel van het omgevingsplan op deze locatie.
Figuur 1-2 Uitsnede tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Helmond (bron: Regels op de kaart)
Artikel 5 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn volgens artikel 5.1 onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, recreatieve voorzieningen, leidingen en openbare nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Voor deze functieaanduiding zijn ook bouwregels opgenomen. Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden volgens artikel 5.2 een aantal relevante bepalingen, deze zijn: a. Gebouwen mogen niet worden gebouwd met uitzondering van:
1 Het Omgevingsplan gemeente Helmond is door de gemeente gepubliceerd op 16-05-2024 en in werking getreden op 17-05-2024
en heeft het identificatienummer: /akn/nl/act/gm0794/2020/omgevingsplan. 2 Vastgesteld op 13-04-2012 door de gemeenteraad van Helmond, geheel onherroepelijk in werking. 3 Vastgesteld op 23-05-2024 door de gemeenteraad van Helmond, geheel onherroepelijk in werking. 4 Vastgesteld op 27-02-2018 door de gemeenteraad van Helmond, geheel onherroepelijk in werking. 8
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
1. Gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen met een maximale bouwhoogte van 3 m¹ en een maximale oppervlakte van 25 m²; 2. Gebouwen ten behoeve van de speeltuin, uitsluiten ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', met een maximale bouwhoogte als bestaand; b. De bouwhoogte van speelinstallaties, ballenvangers en lichtmasten en andere masten mag maximaal 6 m¹ bedragen; c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 3 m¹ bedragen; Er gelden verder specifieke gebruiksregels voor de gronden met de functie ‘Groen’. Zo wordt onder gebruik in strijd met dit plan ten minste verstaan het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten, detailhandel of groothandel en horeca. Artikel 9 Verkeer – Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn volgens artikel 9.1 bestemd voor infrastructuur zoals wegen, parkeerterreinen, spoorwegen ter plaatse van de functieaanduiding spoorweg, bruggen, en bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde. Voor deze functie gelden volgens artikel 9.2 ook bouwregels. Voor het bouwen van bouwwerken gelden een aantal relevante bepalingen. Zo mogen er geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van bijgebouwen.
Gebouwen ten behoeve van de openbare nutsvoorziening mogen een maximale bouwhoogte hebben van 3 meter en een maximale oppervlakte van 25 m2 en de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 2 meter zijn. Artikel 17.1 Geluidzone – Industrie De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder is komen te vervallen en is opgegaan in de Omgevingswet. Er mogen in deze aanduiding geen nieuwe woningen en andere geluidgevoelige gebouwen worden gebouwd. Met een omgevingsvergunning kan bovendien worden afgeweken voor het bouwen van nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits de geluidsbelasting op de gevels van deze woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde. Zie voor de verdere afweging van de regels omtrent het aspect geluid paragraaf 4.7. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit Het voornemen past niet binnen de verschillende functies op de locatie en is daarmee in strijd met het omgevingsplan.
Om het voornemen mogelijk te maken dient voor het terrein een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) aangevraagd te worden. Deze vergunning kan alleen worden verleend als de activiteit voldoet aan de eisen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De initiatiefnemer moet aantonen dat wordt voldaan aan de regels van het Besluit kwaliteit leefomgeving en provinciale en waterschapsverordeningen, en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor is voorliggende motivering opgesteld, waarin de effecten van de ontwikkeling op de fysieke leefomgeving zijn beoordeeld.
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 gaat in op het voornemen. Hoofdstuk 3 beschrijft het Rijks-, provinciaal-, waterschaps- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 5 gaat in op de beperkingengebieden. In hoofdstuk 6 wordt de uitvoerbaarheid van dit voornemen uiteengezet en in hoofdstuk 7 volgt de integrale belangenafweging van het voornemen
9
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
2
Voorgenomen ontwikkeling
2.1
Huidige situatie
Het projectgebied ligt langs de N270 en ligt naast een kantoorgebouw van de gemeente Helmond. De locatie is zowel voor langzaam verkeer als voor auto’s te bereiken vanuit de Smalstraat. Aan het einde van de Smalstraat, aan de westkant van de locatie, ligt de inrit naar de P+R Smalstraat ten behoeve van het station. Hier ligt ook een verbinding tussen de Smalstraat en het fietspad aan de Kasteeltraverse. Het perceel ligt ingesloten tussen twee geluidsbronnen van de spoorlijn van de spoorverbinding Eindhoven-Venlo en de N270. De huidige functie van de locatie is onder andere groen. De noordrand tussen het perceel en de Kasteeltraverse wordt dan ook geaccentueerd door een rij bomen. Deze rij bomen vormt een zichtbare scheiding tussen de weg en de projectlocatie. Op het perceel zijn twee bomen aangemerkt die beschermd zijn en behouden moeten worden. De locatie aan de Smalstraat valt binnen de Centrumvisie van de gemeente Helmond en heeft als deelnaam “het Gouden randje”. De locatie van het Gouden randje wordt nu gezien als locatie voor kantoren met een deel wonen.
Figuur 2-1 Bovenaanzicht projectlocatie (bron: Google Earth 2025)
Figuur 2-2 Vooraanzicht projectlocatie (bron: Google Earth 2025) 10
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
2.2
Toekomstige situatie
Het voornemen bestaat uit het realiseren van een amv-opvanglocatie met woon- en slaapplekken voor 50 personen. Er zullen gedeelde faciliteiten komen voor activiteiten, koken, sanitaire voorzieningen en vrijetijdsbesteding. Bovendien komen er werkplekken voor de organisatie van de amv-opvanglocatie door het COA. De beoogde locatie moet daarbij voorzien worden in ondersteunende ruimtes ten behoeve van de werkplekken van het COA zoals toiletten, een pauzeruimte, bergingen en serveerruimte. Ook komen er werkplekken voor ketenpartners van het COA zoals GZA, NIDOS en VWN. De toekomstige situatie omvat verder ook spreekruimtes en overlegplekken. Voor de ketenpartners worden ook ondersteunende ruimtes gerealiseerd, waaronder: wasruimte, bergingen, uitgifte van goederen en schoonmaakfaciliteiten. De bouwhoogte komt uit maximaal 4 lagen te bestaan. Verder wordt er een fietsenstalling gerealiseerd met een capaciteit voor 70 fietsen voor bewoners en een fietsenberging voor medewerkers. Het COA is momenteel nog in gesprek met de gemeente of de benodigde parkeerplaatsen voor personeel en de aanvoer van goederen op eigen terrein worden gerealiseerd of elders in de omgeving.
Figuur 2-3: Plattegrond projectgebied (rood omlijnd)
11
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
3
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).
3.1
Rijksbeleid en -regels
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken. In Nederland spelen een aantal dringende maatschappelijke opgaven die niet apart van elkaar kunnen worden opgelost, maar in samenhang bekeken moeten worden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving van Nederland. De NOVI richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.
ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbetert het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig.
Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd 12
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet stedelijk gebied moet plaatvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht. ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem. Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid. Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast. Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermd en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut.
Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt. Om beleidskeuzes op een voorspelbare en heldere wijze te maken, worden in de NOVI drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen bij het prioriteren van de diverse opgaven en belangen: • • •
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen.
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende, brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert de NOVI vier uitgangspunten: • We werken als één overheid, samen met de samenleving. • We stellen de opgave(n) centraal. • We werken gebiedsgericht. • We werken permanent en adaptief aan de opgaven. Relatie tot het voornemen Het voornemen doet op geen enkele wijze afbreuk aan het ruimtelijk beleid van het Rijk. Het gaat om de realisatie en het tijdelijk gebruik van een amv-opvanglocatie. Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft de NOVI geen directe implicaties voor de opvang van amv’s en kan de voorgenomen tijdelijke opvang in algemene zin bijdragen aan de belangen uit de NOVI. De NOVI heeft geen consequenties voor het voornemen.
3.1.2
Instructieregels Rijk (Bkl)
Conform artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl wordt in deze motivering ingegaan op de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl die mogelijk van toepassing zijn op het voornemen. In voorliggende motivering wordt ingegaan op de waarborging van veiligheid, bescherming van het waterbelang en de bescherming van gezondheid en milieu, hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 4. In de instructieregels van het rijk zijn geen specifieke regels opgenomen met betrekking tot asielopvang en/of die betrekking hebben op het projectgebied. Er volgen geen belemmeringen vanuit de instructieregels van het Rijk.
13
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
In december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie genaamd ''De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving'' vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie wordt de ambitie van hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien geformuleerd. De Provincie Noord-Brabant streeft met deze visie naar een optimale wisselwerking en synergie om de kwaliteit van leven hier en nu goed samen kunnen laten gaan met de kwaliteit van leven elders en later. Om de kwaliteit van Brabant door te geven aan de volgende generaties wordt geschreven dat er permanent zorg gedragen moet worden voor het mooie en krachtige Brabant. Ambities De Omgevingsvisie Noord-Brabant bevat vier richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities geven invulling aan een welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Brabant. Dit zijn allemaal strategische uitdagingen waar de provincie en regio voor staat. Bij deze ambities zijn een aantal opgaven geformuleerd: Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit Het creëren van een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit vormt de basis voor alle acties van de provincie Noord-Brabant. Elke ontwikkeling, ongeacht de omvang van de ontwikkeling of de locatie in Brabant, draagt bij aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit.
Er wordt gestreefd naar een evenwichtige balans tussen economische groei, sociale welvaart en behoud van het milieu. De provincie Noord-Brabant zet zich in de toekomst in om duurzame en toekomstbestendige oplossingen te vinden, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van inwoners, bedrijven en natuur. Door middel van samenwerking en participatie wordt er een breed draagvlak gecreëerd voor de ontwikkelingen in de provincie. Het uiteindelijke doel is om een goede leefomgeving te realiseren waarin het prettig wonen, werken en recreëren is, met respect voor de natuur en het cultureel erfgoed van Noord-Brabant. De provincie streeft ernaar om op de bovengenoemde aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Werken aan de Brabantse energietransitie Noord-Brabant zet zich in voor de energietransitie met als doel om op lange termijn 100% duurzame energie op te wekken, voornamelijk binnen de provincie. De provincie streeft ernaar om aan te sluiten bij het klimaatakkoord van Parijs, door energiebesparing, het benutten van kansen voor duurzame energieopwekking en het verminderen van CO2-uitstoot. De provincie erkent dat de energietransitie een grote uitdaging is en beseft dat samenwerking essentieel is om de ambitieuze doelen te bereiken. Daarom neemt de provincie een leidende en stimulerende rol op zich.
Werken aan klimaatproof Brabant De provincie Noord-Brabant streeft ernaar om het landschap in de toekomst klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Ze erkent dat klimaateffecten zowel de concurrentiepositie kunnen verzwakken als versterken. Dit biedt kansen voor het benutten van Nederlandse en Brabantse expertise op het gebied van klimaatthema's. Het is belangrijk om de effecten van klimaatverandering in Brabant te minimaliseren of beheersbaar te houden. Dit vraagt om aandacht bij de inrichting van Brabant en vereist integrale samenwerking tussen verschillende invalshoeken. Werken aan de slimme netwerkstad Brabant vormt momenteel een polycentrisch netwerk van steden en dorpen, dat sterk verbonden is met de Randstad en het buitenland, zoals de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied. Het stedelijk netwerk is de drijvende kracht achter de Brabantse economie. Om een toonaangevende regio te blijven op het gebied van kennis en innovatie, ziet de provincie in dat het essentieel is dat Brabant zich inzet voor een duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een veerkrachtig mobiliteitssysteem. Wereldwijd concurreren metropolen om talent en investeringen. Om zich te onderscheiden van andere regio's, moet Brabant samen met haar partners de intrinsieke kwaliteit van het stedelijk netwerk versterken op ruimtelijk, sociaal en economisch vlak.
Werken aan een concurrerende, duurzame economie De economie van Brabant is sterk en concurrerend, met een internationale oriëntatie. Dit is te danken aan de gunstige ligging met goede verbindingen, een uitstekende fysieke en digitale infrastructuur, een sterke focus op kennis en innovatie, en de aantrekkelijke combinatie van grootstedelijke allure in een groene leefomgeving. Om deze ambities te behouden en verder te versterken, wordt er ingezet op het versterken van Brabant als kennis- en innovatieregio binnen Europa. Brabant streeft naar een circulaire economie, waarbij producten, materialen en 14
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
grondstoffen in alle sectoren van de economie in grote mate worden hergebruikt. Niet-hernieuwbare hulpbronnen worden behouden, terwijl gestreefd wordt naar waardecreatie voor mens, natuur en economie. De Brabantse economie van de toekomst is dus sterk gericht op circulariteit. Relatie tot het voornemen Het voornemen is niet strijdig met deze principes. Het voornemen heeft voornamelijk betrekking op de opgaven om een goede omgevingskwaliteit de basis te laten vormen voor alle ontwikkelingen en acties die in de provincie NoordBrabant plaatsvinden. Het streven naar een evenwichtige balans tussen economische groei, sociale welvaart en het behoud van milieu komt met het voornemen van de amv-opvanglocatie niet in geding. De opvanglocatie zal een tijdelijke inrichting zijn, voor 10 jaar. Het voornemen is daarom niet in strijd met de genoemde Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant.
3.2.2
Omgevingsverordening Noord-Brabant (2025)
Op 16 september 2025 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld door Provinciale Staten. Deze verordening beschrijft de gebieden en begrenzing van de fysieke leefomgeving, evenals de activiteiten die effect hebben op, of mogelijk effect kunnen hebben op, de fysieke leefomgeving in de provincie Noord-Brabant. Daarnaast bevat de verordening regels en bepalingen. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de waarden die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Ook bij dit voornemen is rekening gehouden met de verschillende beleidsonderwerpen waarvoor regels zijn vastgesteld in de Omgevingsverordening en die van toepassing zijn op het projectgebied, zoals ontgrondingen, ruimtelijke kwaliteit en regionale watersystemen. In het volgende gedeelte wordt ingegaan op de specifieke regels die gelden binnen het projectgebied en die mogelijk relevant zijn voor het voornemen: Grondwater algemeen Deze afdeling is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals de onconventionele winning van koolwaterstoffen, het aanleggen en gebruiken van gesloten bodemenergiesystemen (paragraaf 4.111 van het Bal), en open bodemenergiesystemen (volgens paragraaf 4.112 van hetzelfde besluit). Daarnaast geldt deze afdeling ook voor wateronttrekkingsactiviteiten zoals beschreven in artikel 16.3 van het Bal.
Voor het voornemen worden flexibele woonunits geplaatst, waarbij nauwelijks bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden die invloed kunnen hebben op de kwaliteit van het watersysteem. Grondwaterverontreiniging Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van een risicobeoordeling om de risico's voor optredende verontreiniging van het grondwater vast te stellen, het beschermen van de kwaliteit van het bodem- en watersysteem, het uitvoeren van een grondwatersanering en een toeval vondst verontreiniging van het grondwater. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater, het beschermen van de kwaliteit van het bodem- en watersysteem en het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Voor het voornemen worden flexibele woonunits gerealiseerd waar nauwelijks sprake zal zijn van bodemroerende activiteiten die het watersysteem zouden kunnen vervuilen. Natuur Deze afdeling is van toepassing op flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond en de Natura-2000 activiteit, bedoeld in afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De regels zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming, het voorkomen en bestrijden van schade door dieren, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. Bovendien zullen beschermde bomen in stand gehouden moeten worden en zal er ruimte moeten zijn voor vergroening. Voor de resultaten van de QuickScan Ecologie wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
15
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
3.2.3
Omgevingswaarden
In hoofdstuk twee van de Provinciale Omgevingsverordening staan de regels waar een voornemen zich aan dient te houden. Voor de realisatie van deze opvang voor amv’s in de gemeente Helmond, zijn de artikelen uit de Omgevingsverordening niet van toepassing. De artikelen gaan voornamelijk over waterveiligheid omtrent waterkeringen en wateroverlast rond stedelijk gebied. Het voornemen is dus niet in strijd met de omgevingswaarden van provinciale omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
3.3
Beleid waterschap
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen.
3.3.1
Waterbeheerplan 2022 – 2027
Het Waterbeheerplan 2022- 2027 is vastgesteld op 19 november 2021 door het algemeen bestuur van het waterschap. Het Waterbeheerplan 2022-2027 van waterschap Aa en Maas biedt een strategisch kader voor de komende vijf jaar, gericht op veilig, schoon en voldoende water in Oost-Brabant. Het plan is opgesteld in samenwerking met diverse partners, waaronder gemeenten, natuurorganisaties, agrarische ondernemers en inwoners. Waterschap Aa en Maas werkt dagelijks aan het onderhoud van dijken, het zuiveren van afvalwater en het beheer van het watersysteem. Het plan speelt in op actuele uitdagingen zoals klimaatverandering, wateroverlast, droogte en nieuwe maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie en biodiversiteit Door de uitdagingen in de komende jaren het hoofd te bieden, zet het waterschap Aa en Maas in op een viertal thema’s en ambities. Dit zijn: 1. Waterveiligheid Een van de belangrijkste thema's is het waarborgen van waterveiligheid. Het waterschap zet zich in voor het onderhoud en versterken van dijken en andere waterkeringen om de regio te beschermen tegen overstromingen. Dit is cruciaal gezien de extremere weersomstandigheden door klimaatverandering. Het plan beschrijft maatregelen om adequaat te reageren op hoge waterstanden van de Maas, zoals die in 2021 plaatsvonden. 2.
Klimaatbestendig en gezond watersysteem Het waterschap werkt aan een watersysteem dat beter bestand is tegen extremen zoals droogte en hevige regenval. Dit omvat het verbeteren van waterberging, het versterken van de natuur en het bevorderen van biodiversiteit. Klimaatadaptatie wordt hierbij als leidend principe gebruikt, zodat de regio duurzaam kan omgaan met veranderende weersomstandigheden. 3. Schoon water Het zuiveren van afvalwater en het verbeteren van de waterkwaliteit zijn kerntaken van het waterschap Aa en Maas. Het waterschap zuivert dagelijks 300 miljoen liter afvalwater voor ruim 765.000 inwoners en bedrijven. Het plan beschrijft daarnaast maatregelen om watervervuiling tegen te gaan, zoals het verminderen van landbouwemissies en het aanpakken van medicijnresten en microplastics in water. 4. Samenwerking en maatschappelijke opgaven Het waterschap werkt intensief samen met partners op lokaal, regionaal en internationaal niveau. Bijvoorbeeld via het Blue Deal-programma, waarin Nederlandse waterschappen kennis uitwisselen met internationale partners. Daarnaast draagt het waterschap bij aan bredere maatschappelijke opgaven zoals klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, de energietransitie en een circulaire economie. Door deze integrale aanpak worden waterdoelen verbonden met andere beleidsprogramma's en maatschappelijke uitdagingen.
Het plan benadrukt het belang van innovatie en data gedreven waterbeheer. Door gebruik te maken van nieuwe technologieën en digitale tools kan het waterschap efficiënter en effectiever werken. Dit draagt bij aan beter inzicht in het watersysteem en snellere besluitvorming. Relatie tot het voornemen Met de komst van een amv-opvanglocatie wordt er geen inbreuk gemaakt op de doelen van het Waterbeheerplan 2022- 2027 van het waterschap Aa en Maas. Het voornemen is daarmee niet in strijd met de doelen van het waterbeheerplan. In paragraaf 4.10 wordt verder ingegaan op het aspect water in relatie tot het voornemen.
16
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
3.3.2
Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024
De locatie is gelegen binnen het ambtsgebied van het waterschap Aa en Maas. De waterschapsverordening is in werking getreden op 25 oktober 2024. De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied. Ook bevat de verordening regels voor activiteiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving op het gebied van (grond)water. Buiten de regels die gelden voor het waterschap, bevat het ook regels voor initiatiefnemers. Op basis van deze regels wordt bepaald of er een melding of omgevingsvergunning benodigd is voor het uitvoeren van de beoogde werkzaamheden. Dit geldt onder andere voor de volgende activiteiten: • • • • • • •
Lozingsactiviteiten op een oppervlaktelichaam; Beplanting aanplanten, behouden of rooien; Een bouwwerk plaatsen, behouden of weghalen; Het onttrekken van grondwater; Een kabel of leiding leggen, behouden of weghalen bij een oppervlaktewater of waterkering; Nieuw oppervlaktewater graven; Verhard oppervlak aanbrengen.
Relatie tot het voornemen Voor de weging van het waterbelang wordt verwezen naar paragraaf 4.10.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Helmond 2040
De Omgevingsvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 6 februari 2024. De Omgevingsvisie Helmond 2040 schetst een toekomstbeeld voor de stad en haar omgeving, waarin ruimtelijke en fysieke ambities worden gekoppeld aan sociale en gezondheidsaspecten. Dit document dient als leidraad voor het ontwikkelen van de fysieke leefomgeving op lange termijn. Het biedt een geïntegreerde aanpak die thema's zoals natuur, erfgoed, energie, milieu, gezondheid, wonen, voorzieningen, economie, bereikbaarheid en mobiliteit verbindt. De visie benadrukt samenwerking met inwoners, ondernemers, belangengroepen en regionale partners om de gestelde doelen te bereiken. Om aan het toekomstbeeld te voldoen, heeft de gemeente Helmond vier integrale ambities geformuleerd. Dit zijn: 1. Helmond van en voor iedereen Deze ambitie richt zich op het bevorderen van inclusiviteit en sociale cohesie. Helmond wil een stad zijn waar iedereen zich welkom voelt, ongeacht achtergrond of levensfase. Dit wordt bereikt door middel van toegankelijke voorzieningen, diversiteit in woonaanbod en het stimuleren van maatschappelijke participatie. Er wordt gestreefd naar een leefomgeving waarin mensen de kans krijgen om actief bij te dragen aan de gemeenschap. 2. Helmond als duurzame stad Helmond streeft ernaar om een voortrekkersrol te spelen in duurzaamheid.
Dit omvat de transitie naar hernieuwbare energiebronnen, het bevorderen van circulaire economie en maatregelen voor klimaatadaptie om de stad weerbaarder te maken tegen klimaatverandering. Het doel is om een gezonde en milieuvriendelijke leefomgeving te creëren, die bijdraagt aan de kwaliteit van leven voor huidige en toekomstige generaties. 3. Helmond als vitale stad Gezondheid en welzijn staan centraal binnen deze ambitie. Helmond wil een stad zijn met voldoende groene ruimtes, sportfaciliteiten en recreatiemogelijkheden die een actieve en gezonde levensstijl bevorderen. Er wordt ingezet op goede zorgvoorzieningen en gezondheid bevorderende initiatieven, waardoor inwoners de kans krijgen om in een gezonde omgeving te leven en zich optimaal te ontwikkelen. 4. Helmond als verbonden stad Deze ambitie richt zich op het verbeteren van verbindingen, zowel op fysiek als sociaal vlak. Helmond wil de mobiliteit binnen de stad en de regio verbeteren door te investeren in infrastructuur en duurzame vervoersopties. Daarnaast wordt er gestreefd naar het versterken van sociale verbindingen tussen verschillende doelgroepen en het bevorderen van samenwerking met regionale partners. Dit draagt bij aan een inclusieve samenleving waarin iedereen betrokken is.
Uitvoering en samenwerking De uitvoering van de Omgevingsvisie Helmond 2040 vergt een gezamenlijke en flexibele aanpak waarin de gemeente en haar partners voortdurend inspelen op veranderingen in de samenleving. Uitgangspunt is dat de gemeente haar rol 17
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
zorgvuldig kiest en afstemt op de situatie, waarbij een balans wordt gezocht tussen sturen, reguleren en loslaten. De uitvoering is gebaseerd op vier kernrollen die de gemeente kan aannemen. Deze zijn: 1. reguleren; 2. realiseren; 3. stimuleren/faciliteren; 4. samenwerken. Binnen de rol van realiseren neemt de gemeente zelf verantwoordelijkheid voor projecten en initiatieven, zoals het ontwikkelen van infrastructuur, groenvoorzieningen en openbare ruimtes. Relatie tot het voornemen De ontwikkeling van een amv-opvanglocatie (opvang voor Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen) draagt bij aan een inclusieve en zorgzame gemeenschap. Het biedt kwetsbare jongeren een veilige plek en kansen om zich te ontwikkelen, wat aansluit bij de ambitie van Helmond om een stad te zijn van en voor iedereen. Bovendien ondersteunt het de sociale cohesie en diversiteit binnen de gemeente Helmond. Het voornemen is dus in lijn met de Omgevingsvisie Helmond 2040.
18
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
4
Aspecten van de fysieke leefomgeving
In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een aanvraag omgevingsvergunning BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het project voor de omgeving. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het beginsel van de Ow, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk in beeld gebracht en afgewogen, waarmee wordt aangetoond of het voornemen uitvoerbaar is. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: 1. Ladder voor duurzame verstedelijking; 2. Verkeer en parkeren; 3. Flora en fauna; 4. Luchtkwaliteit; 5. Geluid; 6. Geur; 7. Omgevingsveiligheid; 8. Trillingen; 9. Archeologie en cultuurhistorie; 10. Weging van het waterbelang; 11. Bodem; 12. Activiteiten en milieuzonering; 13. Sociale veiligheid; 14. Duurzaamheid en gezondheid; 15. mer-beoordeling. Per aspect wordt eerst ingegaan op het wettelijk toetsingskader waar het aspect op wordt getoetst.
Opvolgend worden de resultaten van de toetsing omschreven en als laatst de conclusie van de toets in relatie tot het voornemen.
4.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.1
Toetsingskader
Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft de nut en noodzaak van een project weer. In paragraaf 5.1.5 van het Bkl staat dat er zorgvuldig om moet worden gegaan met schaarse ruimte, en dat landschappelijke ofwel stedenbouwkundige waarden dienen te worden beschermd. Wanneer de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, dient tevens te worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
4.1.2
Resultaten
Nieuwe stedelijke ontwikkeling Om te bepalen of de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is, dient te worden gemotiveerd of met de amv-opvanglocatie een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd. Voor stedelijke voorzieningen geldt dat hiervan sprake is als het ruimtebeslag meer dan 500m2 is. Ook bij toevoegen van een gebouw met een bvo van meer dan 500 m2 is in beginsel sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was betrokken worden. Gelet op voorstaande is de voorgenomen ontwikkeling niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
19
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
Behoefte De behoefte voor een structurele/stabiele opvang wordt daarnaast ook benadrukt in de visie van het COA. Het COA heeft structureel onvoldoende langjarige, stabiele opvangplekken. Het gevolg is een groeiende afhankelijkheid van tijdelijke, dure en vaak kwalitatief mindere noodopvanglocaties. Het tekort aan opvangplekken is ook een belangrijke oorzaak van vrijwel alle andere problemen binnen de asielopvang. Zolang de structurele opvangcapaciteit onvoldoende is, blijft het hele stelsel kwetsbaar. Op dit moment vindt de helft van alle opvang van asielzoekers in Nederland plaats in noodopvang (hotels, oude cruiseschepen, oude kantoren en (nood)locaties met unitbouw). Dit brengt niet alleen forse kosten en de nodige lokale impact (opbouw – afbouw) met zich mee maar ook instabiliteit, verlies van sociale cohesie van de bewoners met omgeving (onderwijs) enz. Het COA pleit daarom voor structurele maatregelen. Het gaat daarbij om: 1. Meerjarige, structurele financiering. 2. Een basisvoorraad opvangplekken (flexibel inzetbaar). 3. Langdurige afspraken met gemeenten. 4. Verminderen van noodopvang. 5. Slimmer besteden i.p.v. meer budget. De realisatie van de amv-opvanglocatie in Helmond past naadloos in de voornoemde maatregelen en is een treffend voorbeeld van structurele, duurzame opvang tegen lagere maatschappelijke kosten.
De locatie is geschikt voor de realisatie van een tijdelijke opvang. Het perceel is al langere tijd onbebouwd en de juiste voorzieningen om mensen tijdelijk goed te kunnen opvangen kunnen worden gerealiseerd. Voor de nieuwe bewoners biedt deze plek een rustige start in Nederland. Ze kunnen er naar school gaan, deelnemen aan dagbesteding of vrijwilligerswerk doen. Tegelijk biedt het gebouw voldoende ruimte en begeleiding voor een veilige en beheersbare opvang. De locatie biedt plek voor recreatie en is goed omsloten door voorzieningen. Bestaand stedelijk gebied Naast het aantonen van de behoefte, dient ook bekeken te worden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een perceel naast het spoor aan de Smalstraat in de gemeente Helmond, binnen het bestaand stedelijk gebied. De keuze voor deze locatie vloeit voort uit een aantal locatie-eisen vanuit zowel het COA als de gemeente. Er is een tekort aan opvangplekken voor asielzoekers in Nederland.
Daarom is per 1 februari 2024 de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Spreidingswet) van kracht geworden. Gemeenten hebben met de Spreidingswet een wettelijke taak in de opvang van asielzoekers. Het doel van de wet is te komen tot voldoende opvangplekken en een evenwichtiger verdeling van asielzoekers over provincies en gemeenten. De prognose van de te verwerven opvangplaatsen is dat tot 1 januari 2025 in totaal 96.000 opvangplekken noodzakelijk zijn. Op basis van deze prognose stelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tweejaarlijks een zogenaamde capaciteitsraming vast (conform de Spreidingswet). Daarin staat de opvangopgave per provincie en de indicatieve verdeling per gemeente. Voor de gemeente Helmond dienen conform deze capaciteitsraming 462 opvangplekken te worden gerealiseerd5. Met de uitbreiding van het asielzoekerscentrum in Helmond wordt grotendeels invulling gegeven aan deze opgave. Daarmee is de behoefte aan deze ontwikkeling aangetoond. De gemeente Helmond ziet zich, evenals andere Nederlandse gemeenten, geconfronteerd met de taak een bijdrage te leveren aan de opvang van asielzoekers. Door de grote druk op de landelijke opvangcapaciteit is er behoefte aan snelle, maar weloverwogen oplossingen. In dit kader is het perceel aan de Smalstraat aangewezen als potentiële locatie voor een amv-opvanglocatie.
Deze keuze is tot stand gekomen na een zorgvuldige belangenafweging, waarin het maatschappelijk belang, de lokale context en de belangen van de omliggende kantoren nadrukkelijk zijn meegewogen. Het perceel aan de Smalstraat beschikt over diverse kenmerken die het geschikt maken voor tijdelijke opvang. Het betreft een locatie met voldoende ruimte, gelegen op redelijke afstand van woonwijken en goed bereikbaar per auto en openbaar vervoer. Door de ligging aan de rand van het kantorengebied kan de opvang op een beheerste en ordelijke wijze worden georganiseerd, zonder dat de directe omgeving significant wordt belast.
5 Programmabegroting 2025-2028.pdf
20
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
Tegelijkertijd wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de belangen van de gevestigde bedrijven en organisaties in het aangrenzende gebied. Een goed functionerende, veilige en toegankelijke werkomgeving blijft van essentieel belang. Om die reden is vanaf het begin aandacht besteed aan de mogelijke effecten van de amv-opvanglocatie op de bedrijfsvoering, de bereikbaarheid en het vestigingsklimaat. In overleg met het COA worden passende maatregelen getroffen om deze belangen te waarborgen. Hierbij kan worden gedacht aan duidelijke afspraken over toezicht, beheer, veiligheid en communicatie met de omgeving. Tevens wordt geïnvesteerd in nauwe samenwerking met politie en gemeentelijke handhavers, met het doel de rust en het ordentelijke karakter van het gebied te behouden. Er zijn binnen Helmond andere locaties onderzocht, maar die bleken op ruimtelijke, sociale of infrastructurele gronden minder geschikt.
4.1.3
Conclusie
De locatie van het voornemen betreft een onbebouwd perceel aan de Smalstraat in Helmond. Door op dit perceel een tijdelijk amv-opvanglocatie te realiseren is sprake van zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik conform het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking. De realisatie van het voornemen vindt namelijk plaats binnen het bestaand stedelijk gebied en het gebouw past qua omvang, functie en ruimtelijke uitstraling binnen het bestaande stedenbouwkundig samenstel. Er is geen sprake van een structurele of permanente functiewijziging die het ruimtebeslag of de stedenbouwkundige structuur wezenlijk verandert. Door het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is de locatiekeuzen en de behoefte voor de locatie zorgvuldig uiteengezet.
4.2
Verkeer en parkeren
Het ontwikkelen van een nieuwe locatie vraagt naast een goede ruimtelijke afweging over functie, vormgeving en inpassing, ook om het in beeld brengen van de verkeerseffecten. Bij een nieuwe ontwikkeling voor het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het omgevingsplan, is het van belang dat de effecten van de ontwikkeling voor verkeer goed worden onderbouwd.
4.2.1
Verkeer
De realisatie van de tijdelijke amv-opvanglocatie zal geen invloed hebben op de verkeerssituatie tijdens de gebruiksfase, omdat er geen toename van verkeersdruk wordt verwacht. Er zullen hooguit enkele verkeersbewegingen van COA medewerkers zijn. Aangezien amv’s geen auto mogen rijden, zullen de bewoners van de tijdelijke amv-opvanglocatie geen extra verkeersgeneratie veroorzaken. Hoewel de bewoners zich vrij kunnen bewegen en in de omgeving kunnen wandelen, heeft dit geen negatieve effecten op de verkeerssituatie in de omgeving. Hierdoor vormt het aspect verkeer geen belemmering voor het voornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.2.2
Parkeren
Voor het aspect parkeren wordt in principe aangesloten bij het geldende parkeerbeleid van de gemeente Helmond. Voor de tijdelijke opvanglocatie geldt echter een afwijkende situatie: de doelgroep, amv’s (alleenstaande minderjarige vreemdelingen), beschikt niet over een eigen auto en mag ook niet autorijden. Hierdoor bestaat de parkeerbehoefte vrijwel uitsluitend uit personeel, leveranciers en ondersteunende diensten: drie amv medewerkers, twee GZAmedewerkers, één manager, één MAS, 1 gedragsdeskundige, één Trigion medewerker en één huismeester. Het parkeren wordt op eigen terrein of elders in de omgeving opgevangen. De komende periode wordt dit definitief met de gemeente afgestemd. Voor de tijdelijke amv-opvanglocatie moeten 10 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het COA is met de gemeente in overleg om het parkeren op eigen terrein of elders in de omgeving te realiseren. Bij eventuele toekomstige functiewijzigingen, bijvoorbeeld als de locatie in de toekomst een andere woonbestemming krijgt, wordt het geldende parkeerbeleid gehanteerd om het benodigde aantal parkeerplaatsen vast te stellen en te realiseren. Hierdoor vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het voornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
21
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025
4.3
Flora en fauna
De Omgevingswet kent drie onderdelen die gaan over bescherming van natuur: 1. soortenbescherming; 2. gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden; 3. bescherming van bos en houtopstanden. De initiatiefnemer dient bij de aanvraag van de omgevingsvergunning te verantwoorden dat voldaan wordt aan de Omgevingswet. Om deze reden is op 24 september 2025 door Gras Advies een Quickscan flora en fauna opgeleverd (zie Bijlage A).
4.3.1
Soortenbescherming
4.3.1.1
Toetsingskader
Voor het onderdeel soortenbescherming wordt gekeken naar de bescherming en behoud van beschermde dier- en plantensoorten. De Vogel- en Habitatrichtlijn is gericht op het behoud van biodiversiteit en heeft als doel alle in het wild levende vogelsoorten die van nature in de Europese Unie voorkomen te beschermen. Het is conform artikel 5.1, lid 2g van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die tot schadelijke gevolgen kunnen leiden voor van nature in het wild levende dieren en planten (zogenaamde flora- en fauna-activiteiten). Ten aanzien van flora- en faunaactiviteiten die tot nadelige gevolgen kunnen leiden voor soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten zijn vanuit het Bal artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van toepassing. Daarnaast is onder artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving een specifieke zorgplicht aangewezen. De specifieke zorgplicht verplicht eenieder met het voornemen een project te realiseren of een andere handeling te verrichten na te gaan of die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor flora en fauna en passende maatregelen te treffen.
4.3.1.2
Resultaten
Tabel 4-1 Overzicht soortgroepen en effectenbeoordeling
Soortgroep
Conclusie
Grondgebonden zoogdieren Eekhoorn Gezien de afwezigheid van nesten, sporen en indicaties De eekhoorn (Sciurus vulgaris) is nationaal beschermd en van de aanwezigheid van de eekhoorn binnen het wordt in de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. De projectgebied, heeft de beoogde ontwikkeling geen eekhoorn prefereert oude loof- of naaldbossen maar komt negatief effect op de gunstige instandhouding van kleine ook voor in jonge bossen, parken, houtwallen en tuinen. marterachtigen. Indien voldoende voedsel beschikbaar is komen ze ook voor in bebouwd gebied (Zoogdiervereniging, z.d.). Volgens verspreidingsgegevens en de NDFF komt de eekhoorn voor rondom het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn lijnvormige elementen, struweel, hoge vegetatie en voldoende bedekt foerageergebied aanwezig. Het projectgebied kenmerkt zich door een hoge vegetatiedichtheid, zandbodem en lijnvormige elementen. Steenmarter De steenmarter (Martes foina) is een nationaal beschermde soort die niet is vrijgesteld in de provincie Noord-Brabant. De soort wordt gezien als een 'cultuurvolger' en dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtig habitat zoals steengroeven en gebouwen. De soort is te vinden in parklandschap maar vooral in de 22
Gezien de afwezigheid van sporen en verblijfplaatsen is het niet aannemelijk dat de steenmarter het projectgebied gebruikt als functioneel leefgebied. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de gunstige instandhouding van kleine marterachtigen. De steenmarter ondervindt geen negatieve effecten van de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Een aanvullend
Onze referentie: <DocId>:0.3 - Datum: 19 november 2025 - Public
buurt van dorpen, boerderijen en zelfs grote steden. Oude soortenonderzoek en mogelijke omgevingsvergunning schuren, heggen en geriefbosjes zijn erg geschikt. flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig. Essentieel is de aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes en bermen waar de soort foerageert (Zoogdiervereniging, z.d.). Kleine marterachtigen De hermelijn (Mustela erminea), wezel (Mustela nivalis) en bunzing (Mustela putorius) zijn nationaal beschermde martersoorten. Deze soortgroep is niet vrijgesteld in de provincie Noord-Brabant. Deze soorten komen in de meeste habitats voor, al heeft de hermelijn een voorkeur voor vochtiger terrein. Ze zijn te vinden in open landschap, bossen, weilanden, rietlanden, houtwallen en akkers en prefereren kleinschalig (cultuur)landschap met takkenrillen, struweel, hagen, bosschages, rommelhopen en rommelschuren. Deze essentiële lijnvormige elementen dienen als rust- of verblijfplaats, voortplantingsplaats of als verbindingsroute tussen gebieden (BIJ12, 2024). Volgens verspreidingsgegevens en de NDFF komen de hermelijn, wezel en bunzing voor rondom het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn lijnvormige elementen, struweel, hoge vegetatie en voldoende bedekt foerageergebied aanwezig. Het projectgebied kenmerkt zich door een hoge vegetatiedichtheid, zandbodem en lijnvormige elementen
Gezien de hoge vegetatiedichtheid, foerageermogelijkheden en lijnvormige elementen is het projectgebied geschikt voor kleine marterachtigen. De beoogde ontwikkeling heeft een mogelijk negatief effect op de gunstige instandhouding van kleine marterachtigen. De hermelijn, wezel en bunzing ondervinden negatieve effecten van de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Een aanvullend soortenonderzoek en mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn nodig.
Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn. Verblijfplaatsen zijn doorgaans te vinden in holten, kieren en andere openingen in bomen of gebouwen. Vleermuizen komen bijna overal voor en zijn vooral te vinden in gesloten tot halfopen landschap waar ze doorgaans in de beschutting van opgaande elementen foerageren langs een vast netwerk van lijnvormige structuren zoals kanalen, lanen, tuinen, boomkruinen, bebouwing en waterpartijen. Volgens verspreidingsgegevens en de NDFF kunnen in de omgeving van het projectgebied de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) worden aangetroffen.
Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een essentiële vliegroute of foerageergebied van vleermuizen. Gezien het ontbreken van gebouwen en holtes in bomen, kan de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen binnen het projectgebied worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling heeft door de omvang en nabijheid tot de werkzaamheden geen negatief effect op deze essentiële functie van de vleermuis in het projectgebied én op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Een aanvullend soortenonderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk.
Vogels Niet-gebouwbewonende vogels met een jaarrond beschermd nest Binnen het projectgebied zijn geen grote nesten aangetroffen die mogelijk in gebruik zijn door vogels met een jaarrond beschermd nest. In de directe omgeving en aan de rand van het projectgebied staan hoge bomen, welke geïnspecteerd moeten worden middels een bomeninspectie op de aanwezigheid van nesten die hoger gelegen zijn en tijdens het bloeiseizoen niet aangetroffen konden worden. Algemene broedvogels Gezien het aanwezige groen is de aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels aannemelijk.
23
Er zijn in de bomen en gebouwen in en rondom het projectgebied geen jaarrond beschermde nesten of vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Op basis van de locatie, het terrein en de kenmerken van de gebouwen is het niet aannemelijk dat deze vogels de bomen, bosschages of gebouwen in het projectgebied als broedlocatie zullen gebruiken. Nesten van algemene broedvogels zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat ze in gebruik zijn tijdens het broedseizoen. Nesten van broedende vogels en hun directe omgeving zijn wettelijk beschermd en mogen niet worden verstoord. Gezien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, ondervinden deze vogelsoorten geen