CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 086 3. ETFAL (ruimtelijke onderbouwing)

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente HelmondBij agendapunt: Bindend adviesrecht omgevingsvergunning plan 'Ons Francien' aan de Bestevaer Helmond30.277 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Naast de melding onder MBA Saneren van de bodem moeten mogelijk ook nog meldingen onder de MBA Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 Bal) en/of Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 3.2.21 Bal) worden gedaan (bij graafwerkzaamheden bij nieuwbouw en/of inrichting openbare ruimte). Meldingen moeten worden gedaan via het Omgevingsloket (DSO). Financiële haalbaarheid als gevolg van bodemverontreiniging De kosten van sanering zijn naar verwachting niet substantieel hoog en vormen daarmee geen belemmering zijn

62/97

voor de haalbaarheid van de plannen. Aanvullende actuele toetsingen bodemonderzoeksresultaten In de periode van 02-06-2023 t/m 02-10-2024 zijn er op de projectlocatie van Ons Francien te Helmond grond- en grondwateronderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn vooral getoetst aan de Wet bodembescherming. Vanaf 1 janauri 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, zijn de bevoegdheden enigszins gewijzigd en dienen de resultaten getoetst te worden aan zowel gemeentelijk als provinciaal beleid. In de op 17-05-2025 uitgevoerde briefrapportage worden ter aanvulling op de uitgevoerde onderzoeken de resultaten getoetst aan de meest actuele normen van; 1) Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit en de regeling bodemkwalieit (grond) 2) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (grondwater) 3) De omgevingsverordening Noord-Brabant (grondwater) 4) Beleidsregel PFAS Helmond (grond en grondwater) De volledige briefrapportage is te zien in bijlage 6 en de resultaten in de bijlagen kunnen gebruikt worden om te komen tot een juiste besluitvorming in het kader van deze BOPA. 6.7.3 Conclusie De kwaliteit van de grond is deels indicatief beoordeeld als wonengrond. Bij grondverzet dient rekening te worden gehouden met eventuele gebruiksbeperkingen bij hergebruik van de vrijkomende grond op een andere locatie.

De bodem binnen in ieder geval een deel van de projectlocatie moet middels een melding onder de MBA Saneren van de bodem worden geschikt gemaakt voor het toekomstige gebruik wonen. Er wordt voldaan aan deze eisen, daarmee kan worden gesteld dat het ten aanzien van het aspect bodem verantwoord om de functie wonen aan het projectgebied toe te delen.

6.8

Trillingen

6.8.1 Wettelijk kader Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan kan het noodzakelijk zijn in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast (hinder of verstoring) daarvan. Conform artikel 4.1, lid 1 en 4.2, lid 1 Omgevingswet moet een onderbouwing worden opgenomen omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Hinder of zelfs schade door trillingen kan ontstaan door:

63/97

verkeer over de weg of het spoor (bijvoorbeeld van vrachtwagens, trein of tram); machines bij industrie (bijvoorbeeld stansen, draaiende motoren, etc.). Deze trillingen bewegen zich door de bodem. Trillingen nemen af als de afstand tot de bron groter wordt. Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven t.a.v. van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 meter van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 meter afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek.

6.8.2 Toetsing Deze 'bopa' maakt een trillingsgevoelige functie mogelijk, namelijk woningen. Het projectgebied ligt namelijk op circa 55 meter van het spoor af. Railverkeer geldt als mogelijke trillingsbron. Uit de RIVM-publicatie 'Wonen langs het spoor - Gezondheidseffecten trillingen van treinen', RIVM rapport 2014-0096 blijkt dat het optreden van trillingshinder vooral gerelateerd is aan het rijden van goederentreinen. Op de betreffende spoorlijn rijden goederentreinen. Gezien de afstand van circa 55 meter is conform de Handreiking nader onderzoek noodzakelijk. Het volledige onderzoek is te vinden in Bijlage 7. Trillingonderzoek - Te verwachten trillingniveaus als gevolg van railverkeer De metingen in dit onderzoek hebben tot doel inzicht te verkrijgen met betrekking tot de trillingniveaus vanwege railverkeer. Ter hoogte van het bouwplan is sprake van meerdere sporen. Binnen de systematiek van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I & W van mei 2019 wordt gezien de verwachte variatie in passerende treinen, met name goederentreinen, vaak uitgegaan van meting gedurende één week om een representatief beeld te krijgen. Van 24 oktober 2024 tot en met 1 november 2024 zijn binnen het plangebied onbemande trillingmetingen in de bodem verricht.

Op de meetlocaties is minimaal één week gemeten zodat de meettijd voldoet aan de Handreiking en de meetresultaten representatief geacht mogen worden. Het volledige onderzoek, compleet met metingen, beoordeling en toetsing is te lezen in Bijlage 7. Uit dit onderzoek is geconcludeerd dat op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 zullen worden overschreden. Op basis van ervaring dient de situatie beoordeeld te worden als technisch oplosbaar. De exacte maatregelen kunnen middels een nader onderzoek worden gedimensioneerd. De betreffende bouwkundige maatregelen, die nodig zijn om de gevolgen van trillingen op de nieuwbouw te beperken/voorkomen, zullen geen nadelige invloed op de (financiële) haalbaarheid van het plan hebben.

64/97

Toetsing en conclusie 'nieuwe' situatie Bij de voorgaande onderzoeken is uitgegaan van de 'oude' situatie. In de tussentijd is op aanvraag van de gemeente het ontwerp aangepast en is de bebouwing 1 meter naar het noorden verplaatst. Aangezien dit verder weg is van de bron, namelijk het spoor, zijn deze onderzoeken uitgegaan van een 'worst-case scenario'. In de 'nieuwe' situatie is trillinghinder derhalve niet te verwachten en voldoen de voorgaande onderzoeken, net als de bouwkundige maatregelen, nog steeds voor deze ruimtelijke onderbouwing. 6.8.3 Conclusie De na te streven waarden zullen worden overschreden, echter is de situatie beoordeeld als technisch oplosbaar. Bouwkundige maatregelen zullen worden getroffen waardoor ter plaatse van de beoogde woningen er in relatie tot het aspect trillingen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.9

Milieubelastende activiteiten

6.9.1 Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: - ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; - voorkomen wordt dat de nieuwe woningen de bedrijfsuitoefening belemmeren. Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten (o.a. geluid, geur, trillingen) dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Deze zijn allemaal uitgewerkt in dit hoofdstuk (hoofdstuk 6 Omgevingsaspecten). 6.9.2 Toetsing De locatie bevindt zich in een rustige woonwijk. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gebruik gemaakt van de brochure bedrijven en milieuzonering om aan te tonen of geluid, geur, gevaar en stof relevant waren voor de dichtstbijzijnde milieugevoelige gebouwen. Deze is weliswaar oud, maar wordt wel representatief geacht. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich enkele bedrijfsmatige functies. Deze liggen in bedrijventerrein Hoogeind, wat het grootste en oudste bedrijventerrein van Helmond is. Deze bevindt zich ten zuiden van het projectgebied, onder de Deurneseweg en het spoor. De aanwezige bedrijvigheid kan ook getypeerd worden aan de hand van de milieucategorieën van de aanwezige bedrijven.

Deze categorie-indeling is ontleend aan de lijst van bedrijfsactiviteiten uit de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering”, die een overzicht bevat van de gemiddelde milieubelasting van de verschillende typen bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de woonomgeving. Volgens het (tijdelijk) geldende bestemmingsplan komen binnen Hoogeind vrijwel alle milieucategorieën voor. De hoogste milieucategorie die te vinden is, is categorie 5. Er is dus alleen geen bedrijf uit de milieucategorie 6 aanwezig. Het grootste deel van de bedrijven heeft milieucategorie 2 en 3. De verschillende milieucategorieën komen zeer verspreid voor op het bedrijventerrein. Dat er nauwelijks sprake is van clustervorming, wordt voornamelijk veroorzaakt door het ontbreken van een samenhangende milieuzonering in de oude bestemmingsplannen voor het projectgebied. In

65/97

de oudste bestemmingsplannen wordt zelfs geheel niet gewerkt met sturing op basis van milieucategorieën, waardoor alle bedrijfsactiviteiten planologisch gezien overal mogelijk zijn. In het 'nieuwe' (tijdelijk) geldende bestemmingsplan staat dat met het doel om milieuhinder voor buiten het projectgebied gelegen gevoelige functies te beperken is een milieuzonering aangebracht; een en ander met toepassing van de meest recente versie van de VNG Brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Deze milieuzonering heeft ertoe geleidt dat Hoogeind grotendeels uit twee gebieden bestaat: een binnengebied waar bedrijven in de milieucategorieën 3.1 tot en met 4.2 zijn toegelaten en een buitenrand waar uitsluitend bedrijven uit milieucategorie 2 en 3.1 zijn toegestaan. Naast deze hoofdindeling wordt tevens een aantal daarvan afwijkende (bestaande) bedrijven en bedrijfsactiviteiten toegelaten. Het betreft hier gronden waar, in afwijking van bovenstaande indeling, bedrijvigheid in de milieucategorieën 4.1, 4.2 en 5.1 tot en met 5.3 voorkomt. Het gemeentelijk beleid is gericht op de vestiging van de zware bedrijven (milieucategorie 5) op het naburige bedrijventerrein BZOB.

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om, na beëindiging van een categorie 5-bedrijf, deze bedrijvigheid binnen Hoogeind te verbieden middels het schrappen van de opgenomen aanduiding en zo de bedrijfsopbouw meer in overeenstemming met het beleid te brengen. Voor de bedrijfsfuncties aan de noordzijde, die dus het dichtste bij het projectgebied van Ons Francien zijn gevestigd, geldt milieucategorie 2 tot en met 3.1. De aanbevolen richtafstand tot een 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied' is voor de categorie 2 tot en met 3.1 tussen de 30 en 50 meter. Het project gebied is op een afstand van circa 60 meter ten opzichte van de dichtstbijzijnde voorziening gelegen en valt daarmee buiten de richtafstanden. Toetsing en conclusie 'nieuwe' situatie Bij het voorgaande onderzoek is uitgegaan van de 'oude' situatie. In de tussentijd is op aanvraag van de gemeente het ontwerp aangepast en is de bebouwing 1 meter naar het noorden verplaatst. Aangezien dit verder weg is van de bron, namelijk bedrijventerrein Hoogeind, is in het voorgaande onderzoek uitgegaan van een 'worst-case scenario'. In de 'nieuwe' situatie is hinder door één van deze bedrijfsactiviteiten derhalve niet te verwachten en voldoet het voorgaande onderzoek nog steeds voor deze ruimtelijke onderbouwing. 6.9.3 Conclusie Aan de richtafstanden tot omliggende functies wordt voldaan.

Ter plaatse van de beoogde woningen is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.10 Natuur en stikstof 6.10.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

66/97

Gebiedsbescherming Natura-2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen wordzekerheid en getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Houtopstanden Mocht de activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd.

De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief

67/97

beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 6.10.2 Toetsing 6.10.2.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied ligt niet in een Natura2000-gebied. Figuur 6.9 laat de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt ongeveer 6,5 kilometer.

Figuur 6.9 Natura-2000 gebieden ten opzichte van projectgebied (Bron: AERIUS Calculator) Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd. De aanleg- en gebruiksfase zijn los getoetst, deze rapoortages zijn te zien in bijlage 8 & 9. Daarnaast is voor de ontwikkeling ook een stikstofmemo opgesteld en deze is te zien in bijlage 10. Uit de berekeningen (AERIUS versie 2024.2.1) blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr. voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Er is geen gebruik gemaakt van interne saldering. Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project.

68/97

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Nabij het projectgebied bevinden zich meerdere onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. Het projectgebied ligt binnen 200 meter van het gebied de Zuid-Willemsvaart en binnen 1 kilometer het Bakelsbosch. Het projectgebied zelf maakt geen onderdeel uit van het NNN.

Figuur 6.10 Natuurnetwerk Nederland te opzichte van projectgebied (Bron: Atlas leefomgeving) Houtopstanden De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 hectare en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De paar aanwezige bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Wel draagt de gemeente zorg voor de herinrichting van de openbare ruimte en er zal een op de woningen afgestemd inrichtingsplan worden opgesteld. Hierin worden ook nieuwe bomen meegenomen die aangeplant zullen worden conform de leidraad 'Duurzame aanplant bomen'. De compensatie van te verwijderen bomen als gevolg van de nieuwbouw zal plaatsvinden in samenspraak en samenwerking met de gemeente. 6.10.2.2 Soortenbescherming Vanwege de beoogde ontwikkeling is er een Quickscan Natuur Sloop/nieuwbouw Helmond Oost uitgevoerd. Deze is te zien in bijlage 11. De locatie bestaat uit vier grasvelden waar Woonpartners voornemens is nieuwbouw te realiseren.

Deze zijn gelegen aan de Schooneveldstraat, Kijkduinstraat, Ter Heidestraat en Trompstraat. De grasvelden worden frequent gemaaid en zijn vlak en overzichtelijk. Er zijn enkele jonge bomen die mogelijk worden gekapt en randen gemeentelijk groen met lage beplanting die mogelijk verwijderd worden. Het omliggende terrein bestaat uit gemeentelijk groen en woonblokken. Woonpartners is voornemens de nieuwbouw ten behoeve van woningen te realiseren in 2026-2032. De volledige QuickScan is te lezen in bijlage 11, de belangrijkste conclusies en algemene zorgplicht t.o.v. soortbescherming zijn hieronder weergegeven:

69/97

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming. De planlocatie en omgeving kan mogelijk geschikt zijn voor algemene dierensoorten welke (behoudens de Algemene zorgplicht) niet beschermd zijn. Algemene zorgplicht Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De bebouwing in de directe omgeving van de planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. 6.10.3 Conclusie Volgens deze conclusie die uit het voorgaande is getrokken, is het ten aanzien van het aspect natuur verantwoord om de beoogde functies aan het projectgebied toe te delen.

6.11 Water 6.11.1 Wettelijk kader Voor alle ruimtelijke plannen zal een watertoets moeten worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Daarbij wordt allereerst sterk ingezet op preventie van verontreiniging en nuttig hergebruik van water op lokaal niveau. Daarnaast is voor de retentiebehoefte de voorkeurvolgorde infiltreren, retentie binnen het projectgebied, retentie buiten het projectgebied of berging in bestaand watersysteem. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de

70/97

waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld. Europa: De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP), opgesteld door de Rijksoverheid. Nationaal: Nationaal Waterprogramma 2022-2027. In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, we moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027. In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Asten in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheerplan Maas is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd van 2016 tot 2021. Dit plan wordt momenteel geactualiseerd binnen het Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027 en heeft van 22 maart tot 22 september 2021 als ontwerp ter inzage gelegen. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen.

Provinciaal: Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 6.11.1.1 Waterschap Waterschapsbeleid Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Helmond op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerplan 2022-2027 (WBP) Het door Waterschap Aa en Maas opgestelde beleid is vastgesteld in het Waterbeheerplan 2022-2027. Het waterschap heeft in het WBP een missie geformuleerd: ''Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van

71/97

gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.'' De ambities die het waterschap heeft sluiten aan de kern van hun werk. Dat is het goed regelen van het waterbeheer voor de inwoners en bedrijven in ons werkgebied. Ze zorgen voor: goede bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas een hydrologisch en ecologisch goed functionerend watersysteem, óók in extreem droge en extreem natte tijden goed transport en een goede zuivering van het afvalwater in ons werkgebied Dit doen wij samen met onze omgeving, op een duurzame manier, slim en effectief. Hoe het waterschap Aa en Maas deze ambities werkelijkheid wil maken is beschreven en uitgewerkt in drie programma's: 1. Waterveiligheid 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem 3. Schoon water In elk programma worden langetermijndoelen geschetst of een toekomstbeeld. Hierbij wordt een toekomstbeeld geschetst voor 2050. Daarnaast worden er concrete doelen en ambities beschreven voor de planperiode (tot en met 2027). Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg.

Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen; Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015

72/97

dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Bij een toename van verhardingen dient het plan te voorzien in compenserende maatregelen. Het plan moet voorzien in een minimale compensatie conform de rekenregel: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) Wanneer sprake is van een verhardingstoename van meer dan 10.000 m², is schriftelijke toestemming van het waterschap noodzakelijk.

Figuur 6.11 Gevoeligheidsfactor projectgebied (Bron: Waterschap Aa en Maas) Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024 De ‘Waterschapsverordening Waterschap Aa en Maas 2024’ is in werking getreden op 3 april 2024. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. De waterschapsverordening vervangt de Keur. In de waterschapsverordening wordt met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. In de nieuwe

73/97

situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is. Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn. Op basis van de Waterschapsverordening ligt de locatie niet binnen de invloeds- en/of attentiegebieden. 6.11.1.2 Gemeente Voor de gemeente Helmond vormt het Water en rioleringsprogramma (WRP) 2024-2028 het beleidskader voor riolering en water. In het Water en Rioleringsprogramma wordt aangegeven hoe de gemeente invulling geeft aan de gemeentelijke watertaken. In de visie is weergegeven dat bij ontwikkelingen in de openbare ruimte en in de private ruimte waterberging gerealiseerd moet worden ter voorkoming van overlast bij hevige regen en voor grondwateraanvulling tegen droogte. In het hoofdstuk hoe invulling wordt gegeven aan deze visie is opgenomen dat er een ontwerpnorm voor waterberging in ruimtelijke ontwikkelingen is van 60 liter per m² verhardingsoppervlak. Bij bouwontwikkelingen is dit een basisnorm die kan verminderen als gekozen wordt voor groene maatregelen.

De gemeente Helmond maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een online rekentool. Deze rekentool waterbergingsopgave, beschikbaar op www.helmond.nl/rekentool-waterberging, maakt het bij een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de watermaatregelen kan worden gedownload om bij de watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning toe te voegen. 6.11.2 Toetsing Huidige situatie Algemeen Het projectgebied is te verdelen in vier deelgebieden. Van west naar oost zijn de deelgebieden circa 1.727 m², 2.264 m², 2.264 m² en 2.251 m². Dat betekent dat het projectgebied in totaal circa 8.506 m² groot is en bestaat uit groen. Het projectgebied is deels half verhard met grindpaden. Daarmee is het verhard oppervlak per deelgebied van west naar oost circa 127 m², 165 m², 181 m² en 166 m². In totaal bestaat het projectgebied dan uit circa 639 m² halfverharding. Grondwater Het werkingsgebied bevindt zich in een grondwaterbeschermingsgebied.

Binnen deze grondwaterbeschermingsgebieden zijn woningen, wegen en bedrijven toegestaan, maar er gelden wel wettelijke regels om vervuiling van het grondwater te voorkomen. In artikel 5.17 van de verordening zijn instructieregels opgenomen. In deze regels is bepaald dat, ter plaatse van deze aanduiding, de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede zijn

74/97

aangewezen voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. Er zal hierdoor moeten worden aangetoond dat de beoogde ontwikkeling hier geen negatieve effecten op heeft. Gebouwen dienen bijvoorbeeld geen schadelijke uitloogbare stoffen te bevatten. Ook gelden er beperkingen met betrekking tot het aanleggen van wegen. Er zal een melding gedaan moeten worden bij afstromend hemelwater van wegen. Activiteiten in de bodem tot 3 meter diepte zijn rechtstreeks toegestaan omdat dit weinig invloed heeft op de kwaliteit van het grondwater en dus doorgaans geen gevaar oplevert. In paragraaf 3.3.3 (artikelen 3.29 t/m 3.40) van de Omgevingsverordening zijn de inhoudelijke regels van het grondwaterbeschermingsgebied opgenomen. Voor de beoogde ontwikkeling is met name artikel 3.38 'meldplicht andere lozingen dan afstromend hemelwater' relevant. Hierin is opgenomen dat het verboden is om ander afvalwater dan afstromend hemelwater te lozen. Dit verbod geldt niet als: a. het te lozen afvalwater uitsluitend bestaat uit grondwater afkomstig van bronbemaling, huishoudelijk afvalwater of afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet ; b. er voorzieningen worden getroffen waardoor: 1. geen afvalwater in de bodem infiltreert; of 2.

het afvalwater dat vanuit de voorziening in de bodem infiltreert voldoet aan de toetsingswaarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. een melding is gedaan als bedoeld Artikel 3.4 . Met in acht name van deze regels levert de beoogde ontwikkeling geen onevenredige risico's voor gebruik van schadelijke stoffen op. Uitloogbaar bouwmateriaal wordt niet toegepast. De regels uit paragraaf 3.3.3 zijn met name relevant bij de fase ten aanzien van de civieltechnische uitwerking en beheer. De gemeente Helmond heeft in 2012 een bodemkwaliteitskaart vastgesteld en deze gewijzigd in 2017. De kaart sluit aan op het landelijk bodembeleid waarbij onderscheid is gemaakt tussen natuur en landbouw, wonen en industrie. Het projectgebied heeft op deze bodemfunctiekaart de functieklasse 'wonen'. Aan de hand van een K-waarde onderzoek aan de Deurneseweg in Helmond Ons Francien (zie bijlage 2 bij het Waterplan Ons Francien) is er meer informatie verkregen over het grondwater in het projectgebied. Op basis van gegevens van de nabij gelegen monitoringspeilbuis, zintuiglijke waarnemingen, de gegevens van AHN.nl, grondwaterisohypsen en de aanwezigheid van oppervlaktewater is de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) en de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) geschat. In onderstaande tabel zijn de waardes vermeld.

Locatie Maaiveldhoogte (m+NAP) GHG (m+NAP & m-mv) GLG (m+NAP & m-mv) Deurneseweg 18,35 16,39 1,96 15,73 2,92 Tabel 6.2 Gemiddeld hoogste grondwaterstand & Gemiddeld laagste grondwaterstand (Bron: K-waarde onderzoek aelmans)

75/97

Er is een infiltratieonderzoek uitgevoerd, ter bepaling van de doorlatendheid van de bodem boven de grondwaterstand. De huidige grondwaterstand is ingeschat op circa 1,6 m-mv. Uit de boorstaten volgt dat tot circa 0,7 m-mv sprake is van zwak humeus matig fijn zand. De onderliggende laag bestaat uit zwak siltig zand. In geen van de lagen zijn bodemvreemde bijmengingen waargenomen. De gemiddelde k-waarde (gemeten over vier verschillende plaatsen) bedraagt 2,43 m/dag. Dit is vergelijkbaar met het gemiddelde voor fijn zand. Van grond/zand met een k-waarde van >1 m/dag wordt in zijn algemeenheid aangehouden dat deze geschikt is voor het toepassen van een boven- en/of ondergrondse infiltratievoorziening.

De bepaalde infiltratiesnelheid is slechts een indicatie voor de werkelijke infiltratiesnelheid. De werkelijke infiltratie snelheid van een infiltratievoorziening kan maximaal een factor 10 lager zijn. Voorts dient bij het ontwerp van een infiltratievoorziening rekening gehouden te worden met het dichtslibben van het horizontale vlak van de infiltratievoorziening zodat alleen nog infiltratie via de wanden plaatsvindt. Waterkwantiteit Conform de Legger van de waterschapsverordening van het waterschap Aa en Maas bevinden er geen watergangen in het projectgebied. Zoals te zien in figuur 6.12 ligt er nabij het gebied wel een A-watergang en een beschermingszone beperkt. Daarbij ligt op circa 110 meter afstand van het project gebied een soort nevengeul van de Zuid-Willemsvaart, met aansluitend uiteraard het betreffende kanaal.

Figuur 6.12 Legger waterschapsverordening Aa en Maas (Bron: Waterschap Aa en Maas) Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied.

76/97

Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied bevindt zich niet binnen de kern- en beschermingszone van waterkeringen. Het gehele projectgebied ligt binnendijks. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Rekentool waterberging gemeente Helmond De resultaten van de rekentool waterberging is opgenomen in bijlage 1 van het waterplan uit bijlage 12 van deze onderbouwing. Op basis van de rekentool dient de waterbergingsopgave 78,6 m³ te bedragen. Toekomstige situatie Op de locatie Deurneseweg ong. in de Zeeheldenbuurt te Helmond worden, tussen de bestaande woningen en flatgebouwen, vier nieuwe appartementencomplexen gerealiseerd. Bij dit bouwplan (‘Ons Francien’) worden in totaal 68 wooneenheden toegevoegd. De nieuwe bebouwing wordt beoogd op de tussenliggende groenvoorzieningen tussen de bestaande bebouwing. Voor de toetsing van het water en watersysteem is er een waterplan opgesteld. Het doel van dit waterplan is het aantonen van de haalbaarheid van het bouwplan ‘Ons Francien’. Er dient te worden gewaarborgd dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij de ontwikkeling.

Voor de hemelwatervoorzieningen wordt rekening gehouden met de toe te voegen bebouwing en verharding, waarbij wordt gestreefd het hemelwater op een natuurlijke en landschappelijke wijze binnen het eigen projectgebied te bergen en te laten infiltreren in de bodem. Het volledige waterplan is te vinden in bijlage 12. Grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor grondwater. Voor de nieuwe bebouwing wordt geadviseerd binnen het civieltechnisch ontwerp tevens een gescheiden rioolsysteem in te tekenen. Bij het realiseren wordt het vuilwater en het hemelwater tevens gescheiden. Waterkwantiteit Ten behoeve van het voornemen wordt naast de nieuwe bebouwing ook voldoende parkeerplaatsen en de daarbij behorende rijbanen gerealiseerd. De parkeervakken zelf worden uitgevoerd met grasbetontegels, voor een groene uitstraling en ter plekke kan het hemelwater rechtstreeks infiltreren in de bodem. Per appartementencomplex wordt een eigen infiltratievoorziening beoogd. Al het regenwater dat valt op nieuwe verhardingen dient te worden opgevangen en geïnfiltreerd of vertraagd te worden afgevoerd. Door het realiseren van woningen, toegangswegen en overige verhardingen neemt het oppervlak verhard toe. Op basis van het inrichtingsplan is de oppervlakte van de verhardingen bepaald.

Omdat de waterberging per deelgebied wordt aangelegd, is in deze waterparagraaf de indeling per deelgebied aangehouden. In inrichting

77/97

van het meest westelijke gebied (locatie 1) wijkt af qua inrichting van de parkeerplaats. De drie overige deelgebieden (locatie 2 t/m 4) zijn vrijwel identiek.

Figuur 6.13 Ligging infiltratievoorzieningen Conform de rekenregel uit de Keur dient de toename aan verharding gecompenseerd te worden door 600 m³ waterberging per hectare verharding. Dit komt overeen met 60 mm neerslag. Voor locatie 1 dient de voorziening een capaciteit te hebben van: 589 x 0,060 (60 mm) = 35,34 m³ Voor locaties 2 t/m 4 dient de voorziening (per locatie) een capaciteit te hebben van: 645 x 0,060 (60 mm) = 38,70 m³. Het hemelwater van de nieuw te realiseren bebouwing en verhardingen wordt binnen het eigen projectgebied gebufferd, alwaar het kan infiltreren in de bodem. Uit de gegevens van het hydrologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de goede waterdoorlatendheid in combinatie met de grondwaterstanden het mogelijk maken het hemelwater binnen het eigen gebied te kunnen bufferen en te laten infiltreren. Op de tekeningen zijn een aantal watervoorzieningen ingetekend. Per gebouw is één voorziening beoogd. Geadviseerd wordt deze voorzieningen uit te voeren als wadi’s. Als deze wadi’s conform deze tekening worden aangelegd met een diepte van 0,75 m met flauwe taluds, hebben deze wadi’s voldoende capaciteit om het hemelwater op te vangen. Onderstaand een overzicht van de capaciteit per voorziening.

Figuur 6.14 Ligging infiltratievoorzieningen

78/97

Capaciteit voorzieningen: Locatie 1: 49,6 m³ Locatie 2: 65,8 m³ Locatie 3: 48,5 m³ Locatie 4: 51,9 m³ Uit het waterdoorlatendheidsonderzoek blijkt dat de k-waarde 2,43 m/dag bedraagt, waardoor de infiltratiecapaciteit van de bodem goed is. De ledigingstijd van de wadi wordt berekend door de totale berging te delen door de som van het wandoppervlak x de k-waarde. Voor het wandoppervlak van de taluds wordt een factor 0,4 opgenomen. Waterkwaliteit hemelwater Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de waterbergingsvoorziening(en). Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen, gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

Waterveiligheid Het projectgebied is niet in de beschermingszone van een waterkering gelegen. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Klimaatadaptatie Het maaiveld bevindt zich op circa 18,4 meter boven NAP. Er is daarom weinig kans op overstromingen ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. Door de hoogteligging in combinatie met de groene omgeving is ook de kans op wateroverlast bij hevige neerslag klein. Daarnaast is vanwege de grote hoeveelheid water en groen in de directe omgeving van het projectgebied de kans op hittestress beperkt. 6.11.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief voor het realiseren van vier appartementencomplexen aan de Deurneseweg te Helmond.

79/97

6.12 Archeologie 6.12.1 Wettelijk kader De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Archeologie is de wetenschap die alle aspecten van samenlevingen uit het verleden bestudeert aan de hand van de materiële resten die de mensen in het verleden hebben achtergelaten in de bodem, op het land en in het water. Veel van deze overblijfselen liggen onzichtbaar in de bodem opgesloten. Ook in het Bkl wordt rekening gehouden met het belang van behoud van cultureel erfgoed en daarbij van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Voor de bescherming van onder andere deze archeologische monumenten zijn een aantal beginselen geformuleerd in art. 5.130 Bkl. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Ook het grondgebied van Helmond heeft een ruim verleden. Op diverse plekken liggen overblijfselen in de bodem die bewijzen dat er hier al vanaf de steentijden mensen verbleven. Archeologisch onderzoek levert kennis op van de overblijfselen, de bewoningsgeschiedenis en de leefwijze in oude tijden. De resultaten van alle onderzoeken die in het verleden in Helmond hebben plaatsgevonden zijn in 2015 gebundeld in het boek 'Verwerkt Verleden: Helmond vanaf prehistorie tot nieuwe tijd'. De waardevolle archeologische gebieden in Helmond zijn vastgelegd op de archeologische beleidskaart. Als er ontwikkelingen zijn in een van deze gebieden die leiden tot een bodemverstorende ingreep, dan kijkt de gemeente of archeologisch onderzoek nodig is.

6.12.2 Toetsing Voor het bepalen van de archeologische waarden van het projectgebied is de archeologische waardenkaart van de gemeente Helmond geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het projectgebied zich bevindt in een gebied waar geen verwachting geldt op de vondst van archeologische resten. Daarom geldt geen archeologische onderzoeksverplichting en zijn er vanuit dit oogpunt geen belemmeringen voor de planuitwerking.

80/97

Figuur 6.15 Uitsnede Archeologische beleidskaart Helmond, projectgebied rood omlijnd (Bron: Gemeente Helmond) 6.12.3 Conclusie Er geldt dus geen archeologische onderzoeksverplichting en zijn er vanuit dit oogpunt geen belemmeringen voor de planuitwerking.

6.13 Cultuurhistorie 6.13.1 Wettelijk kader Erfgoedwet en Omgevingswet De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ontwikkelingen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar bij het opstellen van ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).

Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en

81/97

beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ontwikkelingen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

6.13.2 Toetsing Op de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het 'provinciaal belang' aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het projectgebied is niet in een cultuurhistorisch- of archeologisch landschap gelegen. Daarnaast zijn geen historische elementen in of nabij het projectgebied aanwezig. In de omgeving aanwezige landschappelijke waarden en historische (lijn)elementen blijven behouden en worden niet aangetast. Er zal op een acceptabele manier rekening gehouden worden met omliggende provinciale cultuurhistorische waarden.

Figuur 6.16 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024 Noord-Brabant, projectgebied rood omlijnd (Bron: Provincie Noord-Brabant) 6.13.3 Conclusie Met in acht name van genoemde voorwaarden is het ten aanzien van cultureel erfgoed verantwoord om de beoogde functies aan het projectgebied toe te delen.

82/97

6.14 Verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. 6.14.1 Verkeer De vier deelgebieden van het project Ons Francien zijn vanaf de Trompstraat bereikbaar. Aan Trompstraat zijn een aantal zijwegen verbonden en via deze wegen zijn de deelgebieden te bereiken. Het gaat hier over de Evertsenstraat, Schooneveldstraat, Kijkduinstraat en Ter Heidestraat. De Bestevaer is alleen toegankelijk voor langzaam verkeer. Aan de Deurneseweg is een fietspad in twee richtingen dat zal worden omgevormd naar tot een snelfietsroute naar Deurne. Een aansluiting op het snelfietspad is wenselijk. In de directe omgeving van het projectgebied zijn met uitzondering van het fiets/wandelpad (Piet van Bokhovenpad) langs het kanaal verder geen afzonderlijke voorzieningen voor fietsers aanwezig. Fietsers kunnen zich afwikkelen op de rijbaan, gemengd met het autoverkeer. Voetgangers kunnen gebruik maken van de bestaande trottoirs. Eventuele nieuwe voetpaden zijn bij voorkeur minimaal 2,10 meter breed , geschikt om rollators/kinderwagens elkaar veilig te kunnen laten passeren, conform het profielenboek van de gemeente.

Figuur 6.17 Verwachte ontsluiting vanuit projectgebied Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kerncijfers afkomstig uit CROW-publicatie 744. Volgens de CROW is de stedelijkheidsgraad van de gemeente Helmond 'sterk stedelijk', Daarbij wordt er ook onderscheid gemaakt in stedelijke zone en het projectgebied valt onder 'rest bebouwde kom'. De verkeersgeneratie van een sociale huurwoning van > 75m2 bvo, binnen sterk stedelijk gebied en rest bebouwde kom is: Minimaal 3,2 mvt/etmaal; Maximaal 4,0 mvt/etmaal. Voor de ontwikkeling van 68 woningen is de verkeersgeneratie voor een weekdag en voor een werkdag

83/97

weergegeven in de volgende tabel. Bij woningen is de verkeersgeneratie op een werkdag 1,11x de verkeersgeneratie op een weekdag:

Minimaal (3,2) Maximaal (4,0) Gemiddeld (3,6) Tabel 6.3 Verkeersgeneratie

mvt/etmaal weekdag 217,6 272,0 244,8

mvt/etmaal werkdag 241,5 301,9 271,7

Om een beeld te krijgen van de huidige verkeerssituatie is de 'Intensiteiten van het Netwerk' kaart van de Staat van Mobiliteit Brabant geraadpleegd (Figuur 6.16). Om te kunnen bepalen of er ergens in de omgeving knelpunten in het verkeer kunnen ontstaan door het toenemende verkeer moet berekend worden of de wegcapaciteit niet overschreden wordt. Voor dit plan wordt er specifiek gekeken naar de Trompstraat. Doordat de huidige wegcapaciteit redelijk laag ligt zal de toenemende verkeersintensiteit hier het meeste effect hebben. De huidige verkeersintensiteit is 2.400 mvt/etmaal. De toename is 271,7 mvt/etmaal, waardoor de toekomstige verkeersintensiteit stijgt naar 2671,7 mvt/etmaal. De verkeerafwikkeling kan bij deze verkeersomvang voldoende worden gewaarborgd. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 30 km/u-wegen tot een omvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal veelal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Aangezien de toekomstig verkeersintensiteit ook na realisatie van het plan hier (ruim) onder blijft, kan worden geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid voldoende gewaarborgd zal zijn.

auto's per etmaal (Bron: Staat van Mobiliteit Brabant)

84/97

Figuur 6.18 Aantal

6.14.2 Parkeren Voor de parkeernormen moeten alle parkeerplaatsen ten behoeve van de ontwikkeling op eigen terrein worden gefaciliteerd. Indien nodig kan alternatief worden gezocht in de openbare ruimte. Hierbij telt de parkeerdruk in omgeving ook mee. Als blijkt dat hier veelvuldig op straat geparkeerd wordt en daarmee de straat tijdens piekmomenten/avonduren reeds vol staat, kan de parkeercapaciteit in de openbare ruimte niet worden gebruikt. Deze is in dat geval al benut. Voor het berekenen van de parkeernorm van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van de Beleidsregel Parkeernormen Helmond 2023. Binnen deze Beleidsregel Parkeernormen valt het projectgebied onder 'Overig'. De ontwikkeling betreft niet-grondgebonden huurwoningen, tussen de 50 en 75 m2 GO. De parkeernorm voor deze categorie is: 0,7 voor bewoners; 0,2 voor bezoekers; 0,9 in totaal. De uitslag van deze berekening voor 68 woningen is: (Autoparkeren) Parkeerbehoefte normatief Gem. weekdag Parkeernorm = 0,9 61,2 Tabel 6.4 Parkeerbehoefte auto De parkeerbehoefte is op basis van de beoogde ontwikkeling van 68 nieuwe woningen. In de huidige situatie heeft het gebied parkeerplaatsen die gebruikt worden door bewoners van grondgebonden woningen aan de Bestevaer en bewoners van de bestaande appartementen. Aan de Schooneveldstraat, Kijkduinstraat en de Terheidestraat gaat het hierbij om 16 parkeerplaatsen.

Aan de Evertsenstraat is de situatie iets anders, hierbij gaat het namelijk om 9 parkeerplaatsen. Dit brengt het totaal op 57 parkeerplaatsen in de huidige situatie die een nieuwe plek moeten krijgen in het plan voor Ons Francien, bovenop de parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkeling. Hieronder is een overzicht weergegeven van het aantal parkeerplaatsen dat per perceel gerealiseerd gaat worden: Perceel 1 - Evertsenstraat - 25 pp Perceel 2 - Schooneveldstraat - 33 pp Perceel 3 - Kijkduinstraat - 32 pp Perceel 4 - Terheidestraat - 32 pp Totaal 123 pp Het projectvoornemen voorziet in de realisatie van in totaal 123 parkeerplaatsen. Hiermee voorziet het zowel in de behoefte van de nieuwe appartementen (61) en de bestaande behoefte van huidige bewoners (57). Stalling en opladen scootmobielen In eerste instantie wordt niet voorzien in stalling en oplaadpunten voor scootmobielen. De scootmobielenbergingen onder de bestaande flats aan de Schooneveldstraat, Kijkduinstraat, Ter Heidestraat en Trompstraat hebben een overcapaciteit. Hier is nog ruimte voor scootmobielen voor de bewoners van de

85/97

nieuwbouw als daar gedurende hun wooncarrière behoefte aan ontstaat. Als eerder genoemde bergingen vol staan, dan is rekening gehouden met ruimte voor 2 opstelplekken in de entrees van alle 4 de gebouwen. Fietsparkeren Bewoners parkeren hun fiets in de gezamenlijke inpandige fietsenberging. Elk blok heeft zo'n fietsenberging. Deze voldoen aan de eisen zoals gesteld in de door de gemeente verstrekte Nota van Uitgangspunten voor dit project (aantallen, plekken voor verschillende soorten fietsen etc). Bezoekers parkeren buiten het gebouw, op de daarvoor aangewezen plekken met fietsenrekken (nietjes). 6.14.3 Conclusie De toenemende mobiliteit gaat op in het heersende verkeersbeeld en heeft geen significant effect op de verkeersafwikkeling en veiligheid. Er kan voldaan worden aan de parkeerbehoefte op eigen terrein.

6.15 Groen 6.15.1 Wettelijk kader Op gemeentelijk niveau zijn een aantal dingen bekend op het gebied van groen. Onkruid De stad is verdeeld in drie gebieden, elk met een ander kwaliteitsniveau voor onkruidbeheer. We controleren met foto’s en afbeeldingen of het onkruid voldoet aan de gestelde normen. Als er te veel onkruid staat, halen we het weg. De volgende kwaliteitsniveaus gelden per gebied: Centrum: A-niveau, hier staat weinig onkruid. Woonwijken: B-niveau, hier staat een beetje onkruid. Bedrijventerreinen: B-niveau, hier staat een beetje onkruid. In een plantsoen in een woonwijk mag bijvoorbeeld 30% bedekt zijn met onkruid, en dit mag tot 30 cm hoog zijn. Bij elk niveau horen foto’s en afbeeldingen die laten zien hoeveel onkruid is toegestaan.

Figuur 6.19 Voorbeeld onkruid niveau-A (links) en niveau-B (Rechts) (Bron: Gemeente Helmond)

86/97

Bomen Helmond is een groene stad, mede dankzij de vele bomen: 52.000 gemeentelijke en ontelbare particuliere bomen. Een aantal bomen zijn zo waardevol, dat ze beschermd en zo lang mogelijk behouden worden. Op de bomenkaart is te zien welke bomen in Helmond dit zijn. Op de bomenkaart staan beschermde bomen aangegeven als individuele boom (punt), bomenrij (lijn) of gebied (vlak). Het zijn zowel bomen van de gemeente als van andere eigenaren. Voor deze bomen geldt een kapverbod. Omgevingsvisie 2040 Helmond Ook in de omgevingsvisie van Helmond wordt het een en het ander gezegd over groen. In ambitie 2: Helmond als duurzame stad, wordt stedelijk groen aangekaart. Hierin staat dat aanwezigheid en bereikbaarheid van groen in de stad essentieel is. Naast belevings- en recreatiemogelijkheden, doet het ook goed voor natuur en omgeving. Het verkoelt en biedt ruimte aan biodiversiteit. Bewezen is ook dat groen helpt tegen depressiviteit en herstel na ziekte bespoedigt. Groen kan de lucht zuiveren door schadelijke stoffen op te nemen. Daarbij nodigt het uit om te bewegen, zoals fietsen en sporten. Dit wordt ook wel 'ecosysteemdiensten' genoemd van het groen in de stad. Voor groen in de stad zijn de volgende vier doelen gesteld: Iedereen heeft binnen 300 meter toegang tot een aantrekkelijke groene ruimte die aansluit op de wensen en behoefte van gebruikers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16149426/1