RN 086 3. ETFAL (ruimtelijke onderbouwing)
Tekst van het document
36/97
opgave die aangepakt dienen te worden en de beoogde ontwikkelingen werken mee aan minstens één van deze opgave: Meedoen, rondkomen en vooruitkomen Het streven is een Helmond ontwikkelen waarin iedereen kan meedoen, rondkomen en vooruitkomen. In de stad kan er pas echt ontwikkelt worden als iedereen kan meedoen en kan meegroeien in een veilige, leefbare en aantrekkelijke omgeving en de ruimte heeft om te leven. Een aantal punten uit de omgevingsvisie die hierbij aansluiten zijn: Het realiseren van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor iedereen; Een toegankelijke en sociaal veilige leefomgeving, onder andere gericht op ontmoeten; Passende en betaalbare woningen; Basisvoorzieningen op korte afstand en toegankelijk; Spreiding van doelgroepen naar draagkracht van gebieden; Een robuuste economie, waarin iedereen werk kan vinden en door kan groeien; Een duurzame arbeidsmarkt met werk voor iedereen, ook voor de groepen die momenteel nog een afstand tot de arbeidsmarkt ervaren; Een comodaal mobiliteitssysteem, dat toegankelijk en betaalbaar is voor iedereen. De provincie hanteert in de Omgevingsverordening een ‘verstedelijkingscontour’: een kaart waarop is aangegeven waar verstedelijking afweegbaar is op grond van een aantal criteria. Voor de Omgevingsvisie heeft de gemeente de kaart in figuur 5.5 voor Helmond opnieuw bekeken en geactualiseerd.
Op deze kaart staan gebieden waar verstedelijking (onder voorwaarden) mogelijk is.
Figuur 5.5 Kaart verstedelijking afweegbaar (Bron: omgevingsvisie Helmond 2040)
37/97
Aan de hand van de beschreven opgaven heeft de gemeente vier ambities geformuleerd waarin thema's als wonen, voorzieningen, milieu, water, economie en bereikbaarheid moeten landen. Deze ambities dienen richting te geven aan de ontwikkeling van Helmond. De ambitie die het meeste aansluit op de ontwikkelingen in het projectgebied is ambitie 1: Helmond van en voor iedereen. In de betreffende ambitie gaat mee in de doelstelling vanuit sociaal oogpunt 'meedoen, rondkomen, vooruitkomen' en hierbij wordt gekeken hoe fysieke ontwikkelingen daar aan kunnen bijdrage. Om dit doel te bereiken wordt er ingezet op het mogelijk maken van betaalbare woningen, toegankelijke basisvoorzieningen en veilige ontmoetingsplekken. Er is een grote woningopgave, tot 2040 komen er 15.000 woningen bij in de stad. De meeste ontwikkelingen zullen in en rond het centrum gedaan worden. Het streven is om voor een breed publiek betaalbare woningen te realiseren. In 2040 moet wel 70% van het woonaanbod, zowel huur als koop, betaalbaar zijn. Woonvisie Helmond 2040 Naast een omgevingsvisie heeft de gemeente Helmond ook een Woonvisie Helmond 2040. In dit document wordt een toekomstbeeld geschetst van Helmond als woonstad en wordt het woonbeleid van de gemeente beschreven. De visie is dat Helmond in 2040 een aantrekkelijke woonstad is in de Brainport-regio, met diverse woonomgevingen voor verschillende doelgroepen.
Levensloopbestendige woningen zijn dan gebouwd binnen bestaande wijken om keuzevrijheid en doorstroming te stimuleren. Ook zijn er meer sociale huurwoningen bijgebouwd om zo urgent woningzoekende te kunnen huisvesten. Om de tweedeling in de stad te verminderen moeten meer sociale huurwoningen gebouwd worden in wijken met veel koopwoningen. Ook hoopt Helmond corporaties, beleggers en particulieren te motiveren om te verduurzamen. Dat is beter voor milieu, maar ook voor wooncomfort en de portemonnee. In 2040 is de woningvoorraad inmiddels klimaatneutraal en de omgeving klimaatbestendig. Ten slotte is het doel om meer mensen de fiets of het openbaar vervoer te laten verkiezen boven de auto. Hiervoor moet bijvoorbeeld bij woningbouw rekening gehouden worden met staling voor fietsen. Volgens een woningbehoefteonderzoek van ABF en STEC komt naar voren dat in de periode 2020-2030 wel 2.100 sociale huurwoningen nodig gaan zijn. Percentueel wil de gemeente Helmond minimaal 30% sociale huur in de nieuwbouwplannen om de voorraad op pijl te houden in de periode tot 2040. Prestatieafspraken Helmond 2025 Op 17 december 2024 stuurde de burgemeester en wethouders van Helmond een raadsinformatiebrief naar de leden van de gemeenteraad. In deze brief stonden de prestatieafspraken voor 2025 die zij samen me woningcorporaties en huurdersbelangenverenigingen hadden gemaakt.
Deze afspraken zijn gemaakt aan de hand van drie pijlers: 1. Meer betaalbare woningen Gezamenlijk doel is het vergroten van de sociale huurvoorraad met netto 2.000 sociale huurwoningen. De gemeente gaat monitoren hoeveel sociale huurwoningen ze bouwen, slopen, verkopen en transformeren. Ook werken ze in 2025 aan een plan van aanpak over geprioriteerde projecten, de bijbehorende capaciteit en de manier van samenwerken. Ze zetten in op het versnellen van onze woningbouw. Dat doen ze onder andere met WoonST 2.0. Ze nemen WoonST 2.0 mee in de nieuwe welstandsnota en ze verkennen het instellen van een
38/97
vaste kavelprijs voor WoonST 2.0. Ze willen juist sociale huur toevoegen in wijken waar op dit moment weinig sociale huur is. De gemeente en corporaties brengen daarom nieuwe locaties en kansen voor sociale huurwoningen in beeld met behulp van stedenbouwkundige wijkscans. Tot slot zorgen de corporaties dat minimaal 80% van de sociale huurwoningen betaalbaar blijft voor lage inkomens. 2. Energiezuinige en klimaatbestendige woningen De gemeente wil zoveel mogelijk van het aardgas af. De corporaties bouwen nieuwe woningen die zoveel mogelijk energieneutraal zijn. Zo houden ze de energierekening voor de inwoners betaalbaar. Ze monitoren per wijk hoever ze zijn met duurzame elektrische opwek. Ze verduurzamen bestaande woningen om energiearmoede te verminderen en de gemeente bekijkt hoe ze eventueel met subsidies en leningen ook particuliere eigenaren kunnen ondersteunen. Ze werken samen aan klimaatbestendige wijken en ze stimuleren groen in tuinen. Tot slot zorgen ze dat oude en vervuilende verwarmingssystemen vervangen worden door duurzame opties. Ze gaan continu met elkaar in gesprek over de betaalbaarheid van energie. 3. Een thuis voor iedereen in een fijne veilige buurt De gemeente werkt samen in de wijk om de leefbaarheid en veiligheid te verbeteren. In 2025 starten ze een pilot wijkgericht werken in één van de wijken.
Alle partijen zetten zich in voor het stimuleren van de doorstroming. De gemeente verkent de inzet van woon-/verhuiscoaches, ze bouwen geschikte woningen voor ouderen en de corporaties bieden woningen aan via loting voor jongeren van 18-27 jaar om de slaagkans te vergroten. Ze zorgen gezamenlijk voor voldoende passende woonoplossingen voor bijzondere doelgroepen. Ze wegen hierbij met elkaar af in welke wijken (zorg)doelgroepen het beste passen en welke woonvormen daarvoor nodig zijn. Visie Helmond-Oost Sinds april 2022 werken de gemeente Helmond, stichting Woonpartners, stedenbouwkundig bureau CB5 en Beyond NOW in overleg met bewoners aan een plan voor de wijk Helmond Oost. Dit plan wordt de ruimtelijke visie genoemd. Hierin staat de richting vastgelegd voor de komende 10 tot 15 jaar. Het gaat om zaken waar de gemeente Helmond en Woonpartners samen aan gaan werken: dit gaat over de fysieke ruimte, de openbare ruimte en deels sociaal-maatschappelijk vlak. Om een wijk vooruit te helpen, is het niet genoeg om alleen huizen te slopen of te vernieuwen of om een straat aan te passen. Want je persoonlijke situatie verandert niet met alleen een nieuw huis. Er zijn ook andere dingen belangrijk.
Zo vragen mensen zich af: “Wanneer wordt er iets gedaan aan het vele zwerfafval?” en “Hoe kunnen we zelf verantwoordelijkheid nemen voor onze wijk?” Het is een combinatie van het aanpassen van straten, het bouwen van woningen én kijken hoe mensen elkaar kunnen ontmoeten en zorgen dat iedereen mee kan doen, om fijn te (blijven) wonen in de wijk. Zo help je een wijk vooruit. Het doel is Helmond Oost klaar te maken voor de toekomst. In 2020 hebben de gemeente Helmond, stichting Woonpartners n de wijkraad een wijkontwikkelingsplan vastgesteld. In dit plan staan zes bouwstenen die de basis vormen voor de plannen in de ruimtelijke visie.: 1. Goed wonen 2. Uitnodigende openbare ruimte 3. Sociale cohesie en leefbare buurten 4. Gezondheid bevorderen 5. Vestigen werk en inkomen
39/97
6. School, heel en veilig Aan de hand van een analyse van de belangrijkste Sterkten, Zwakten, kansen en bedreigingen is een ruimtelijke visie ontstaan (te zien in figuur 5.6). Deze ruimtelijke visie is vervolgens weer opgesplitst in twee verschillende themakaarten. Kaart 1 'Sociaal en gezondheid' bevat concrete plannen om op korte en middellange termijn actie te ondernemen op het gebied van sociale aspecten en gezondheid in de wijk. De sociale maatregelen sluiten aan bij Bouwsteen 2: ‘Uitnodigende Openbare ruimte’, Bouwsteen 3: ‘Sociale cohesie en leefbare buurten’, Bouwsteen 4: ‘Gezondheid bevorderen en Bouwsteen’ 6: ‘Schoon, heel en veilig’. De maatregelen zijn op kaart en met foto’s weergeven en in tijd aangeduid. Kaart 2 'Bebouwing' beschrijft dat naast sociale maatregelen ook ingrepen voor de bebouwing in de visie zijn opgenomen. In meerdere deelgebieden zijn verbetering, verdichting en renovatie concreet in beeld gebracht. Het aanpakken van de bestaande (verouderde) bebouwing sluit aan bij bouwsteen 1: ‘Goed Wonen’. De gebieden worden nader uitgewerkt, zodat haalbare plannen ontstaan die aansluiten op de omgeving en passen binnen de visie.
Figuur 5.6 Ruimtelijke visiekaart Helmond Oost (Bron: Publieksversie Ruimtelijke visie Helmond Oost) 5.4.2 Toetsing Omgevingsvisie Helmond 2024 De realisatie van dit project sluit op een aantal punten uit de opgave ''meedoen, rondkomen en vooruitkomen'' aan. Binnen deze opgave streeft de gemeente Helmond naar een veilige, leefbare en aantrekkelijke stad waar iedereen kan meedoen. Belangrijke speerpunten uit deze opgave die het project beslaat zijn: Het realiseren van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor iedereen Een toegankelijke en sociaal veilige leefomgeving Passende en betaalbare woningen
40/97
In de Omgevingsverordening gebruikt de provincie een 'verstedelijkingscontour'. Op de kaart (te zien in figuur 5.5) is aangegeven waar verstedelijking afweegbaar is en wat concentratiegebieden zijn. Het projectgebied bevind zich binnen zo'n concentratiegebied en hier liggen dus mogelijkheden voor meer verstedelijking. Aansluitend op de eerder besproken opgave heeft de gemeente een ambitie geformuleerd, genaamd Helmond van en voor iedereen. Hierin wordt het doel gesteld om meer betaalbare woningen, toegankelijke basisvoorzieningen en veilige ontmoetingsplekken te realiseren, waarbij in 2040 70% van het woonaanbod van zowel huur als koop betaalbaar moet zijn. Door de bouw van circa. 68 sociale huurwoningen kan er aan dit doel een bijdrage geleverd worden. Woonvisie Helmond 2040 Dit project sluit ook aan op een woningbehoefteonderzoek van de ABF en STEC wat stelt dat in de periode 2020-2030 wel 2.100 sociale huurwoningen nodig gaan zijn. In percentage wil de gemeente minimaal 30% sociale huur in de nieuwbouwplannen verwerken. Niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief draagt dit plan bij aan de woonvisie doordat appartementen worden toegevoegd op deze locatie. Daar is in Helmond en ook in Oost behoefte aan: meer kleinere woonvormen, levensloopbestendig.
Prestatieafspraken Helmond 2025 Door het realiseren van circa 68 sociale huurwoningen draagt het project bij aan het naleven van de prestatieafspraken die op 17 december 2024 door meerdere corporaties en andere instanties zijn gemaakt. Visie Helmond-Oost Het beoogde planvoornemen is onderdeel van deze ruimtelijke visie. De ruimtelijke visiekaart in figuur 5.6 laat de vier bouwblokken van Ons Francien al zien. Kijkend naar de eerste themakaart 'Sociaal en gezondheid' komt naar voren dat binnen het projectgebied de achter-de-voordeurgesprekken moeten worden voortgezet. In de tweede themakaart 'Bebouwing' is een grote strook langs de Deurneseweg aangegeven als geschikte grond voor nieuwbouw. Hier is het projectgebied van Ons Francien onderdeel van.
Figuur 5.7 Uitsnede visiekaart 'Sociaal en gezondheid' (Bron: Publieksversie Ruimtelijke visie Helmond Oost)
41/97
Figuur 5.8 Uitsnede visiekaart 'Bebouwing' (Bron: Publieksversie Ruimtelijke visie Helmond Oost) 5.4.3 Conclusie Het project past binnen de beleidskaders die zijn opgesteld door de gemeente Helmond.
42/97
Hoofdstuk 6 6.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
Om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in stand te houden of te verbeteren is de juiste balans tussen Ruimtelijke Ordening en milieubeleid noodzakelijk. Door deze twee tegen elkaar af te wegen kunnen de juiste functies toegewezen worden aan locaties en kan het milieu beschermd worden. Doelstellingen en randvoorwaarden voor milieu worden het liefst zo vroeg mogelijk in het planproces meegewogen, zodat er geen conflict plaatsvindt tussen nieuwe functies en milieu. Naast ruimtelijke aspecten zijn dus ook kwalitatieve aspecten belangrijk. Deze omgevingsaspecten vormen het kader waaraan ontwikkelingen getoetst kunnen worden op haalbaarheid en impact op de fysieke leefomgeving. Er komt steeds meer beleid bij om de duurzame ontwikkeling van Helmond in de juiste banen te leiden. De paragraaf omgevingsaspecten gaat in op de duurzaamheid en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving binnen en buiten het projectgebied van Ons Francien in Helmond. De volgende omgevingsaspecten die een belangrijke rol spelen voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunningen voor een 'bopa': M.e.r.-beoordeling; Externe veiligheid; Geluid; Luchtkwaliteit Geur; Bodem; Trillingen; Milieubelastende activiteiten; Natuur en stikstof; Water; Archeologie; Cultuurhistorie; Verkeer en parkeren; Groen; Duurzaamheid; Gezondheid.
6.2
M.e.r.-beoordeling
6.2.1 Wettelijk kader Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de
43/97
toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. 6.2.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling waarop deze wijziging van het omgevingsplan ziet, betreft de realisatie van 68 woningen . Dit is een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Ob en valt onder categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Volgens kolom 2 is een mer-plicht niet van toepassing, maar conform kolom 3 is wel een mer-beoordeling noodzakelijk. In de bijlagen bij deze onderbouwing is deze mer-beoordeling opgenomen, zie Bijlage 1.
Uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een mer-procedure. 6.2.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 68 woningen. De nieuwe woningen worden gerealiseerd in 4 bouwblokken met elk 17 appartementen. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden. Cumulatieve effecten met andere ruimtelijke projecten zijn niet te verwachten. Dit betekent dat er geen aanleiding is voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure. De volgende eisen en maatregelen in het kader van de beoogde ontwikkeling zijn van toepassing: Geluid: Gelet op de overschrijding van de standaardwaarde als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai dient te worden voldaan aan de lokale eisen van de gemeente Helmond. Daarbij dienen, voor één woning, gebouwgebonden maatregelen te worden getroffen. Omgevingsveiligheid: Vanwege de ligging van het projectgebied binnen het explosieaandacht- en gifwolkaandachtsgebied van het spoor, dient een verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden.
Daarbij dient rekening te worden gehouden met de daaruit volgende aanvullende maatregelen die getroffen moeten worden. Bodem: Bij grondverzet dient rekening te worden gehouden met eventuele gebruiksbeperkingen bij hergebruik van de vrijkomende grond op een andere locatie. Water: Om aan de eisen van het waterschap te voldoen moet 600 m³ waterberging per hectare verharding
44/97
gerealiseerd te worden. Trillingen: Vanwege de trillingen van het spoor zullen bouwkundige maatregelen getroffen moeten worden om hinder te voorkomen.
6.3
Externe veiligheid
6.3.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
45/97
6.3.2 Toetsing Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit met externe veiligheidsrisico's. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de kaarten en data van Register Externe Veiligheid(figuur 6.1) kan in beeld worden gebracht welke aandachtsgebieden en/of PR-contouren zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar activiteiten met een extern veiligheidsrisico, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Figuur 6.1 Externe veiligheid (Bron: Atlas Leefomgeving) Uit de kaart blijkt dat het projectgebied binnen een explosieaandachtsgebied, gifwolkaandachtsgebied en PR10-8-contour is gelegen van het zuidelijke spoortraject. De PR10-8 contour geeft aan dat er ter plaatse van de contour sprake is van een verhoogde kans op een risico. Deze contour legt verder geen beperkingen op. Vanwege de ligging binnen het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied is een onderzoek Externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 2 bij deze bopa-onderbouwing. Op basis van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Aandachtsgebieden De planlocatie ligt buiten het BAG. De planlocatie ligt binnen het EAG. De planlocatie ligt binnen het toekomstig GAG. De planontwikkeling betreft kwetsbare gebouwen. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is niet verplicht.
46/97
Verantwoording groepsrisico Verantwoordingsniveau 1 is toegepast op het planvoornemen. Hierin zijn onder andere de uitkomsten van de groepsrisicoberekening, de noodzaak van de ontwikkeling en de ruimtelijke veiligheidsmaatregelen beschouwd. De overige punten dienen behandeld te worden door de initiatiefnemen en de veiligheidsregio. Voor een deel is daarvoor in deze rapportage een aanzet gegeven. Middels het doorlopen van het Stappenplan van de provincie Noord-Brabant is een aanzet gegeven voor de invulling van artikel 5.15 van het Bkl. Uiteindelijk moet de gemeente op basis van haar beoordelingskader besluiten of en welke aanvullende maatregelen nodig zijn. Het plangebied ligt binnen het (toekomstige) gifwolkaandachtsgebied. Voor nieuwbouw is binnen een gifwolkaandachtsgebied het handmatig uit kunnen schakelen van een mechanisch ventilatiesysteem een standaard bouwkundige eis in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Aanwezigen zijn door deze maatregel in principe voldoende beschermd binnen het gifwolkaandachtsgebied in nieuwe gebouwen. 6.3.3 Conclusie Gelet op het voorgaande is de aangevraagde activiteit in overeenstemming met instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid.
De ontwikkeling draagt voor het aspect waarborgen van de veiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat: geen nieuwe risicovolle activiteit wordt gerealiseerd; er voldoende rekening is gehouden met het groepsrisico ten aanzien van het gifwolkaandachtsgebied en expolosieaandachtsgebied de beoogde situatie is aanvaardbaar; er geen overige risico's ontstaan vanwege nabijgelegen risicovolle activiteiten; het omgevingsplan regels bevat met het oog op het waarborgen van de veiligheid. Er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) en de instructieregels.
6.4
Geluid
6.4.1 Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
47/97
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Standaardwaarden en grenswaarden Het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft standaard- en grenswaarden voor de toegestane geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Een geluidbelasting tot en met de standaardwaarde wordt zeker aanvaardbaar geacht. Voor een geluidbelasting boven de standaardwaarde moet de aanvaardbaarheid worden gemotiveerd. De van toepassing zijnde waarden zijn samengevat in Figuur 6.2.
Figuur 6.2 Standaardwaarden en grenswaarden (Bron: Akoestisch onderzoek LBP Sight) Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
48/97
Lokaal geluidbeleid In het Bkl is bepaald dat de geluidbelasting van nieuwe woningen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein, bij voorkeur niet hoger mag zijn dan de aangegeven standaardwaarde. De gemeente kan een hogere geluidbelasting aanvaardbaar achten. De geluidbelasting mag echter niet hoger zijn dan het in het Bkl aangegeven maximum. De gemeente mag zelf bepalen onder welke voorwaarden zij een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde toelaatbaar acht. De gemeente Helmond heeft onder de Wet geluidhinder lokaal beleid opgesteld (Programma Geluid 2018-2023 Gemeente Helmond Ontwerp 18 juni 2018). Dit beleid is beleidsneutraal omgezet naar beleid dat van toepassing is onder de Omgevingswet. Door dit beleid wordt een leefbare woonsituatie bewerkstelligd. Volgens de indelingseisen van de gemeente moet bij een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde voldaan worden aan de volgende voorwaarden: Elke woning heeft een geluidluwe gevel. Een geluidluwe gevel is een gevel waarop de geluidbelasting niet hoger is dan de standaardwaarde vanwege elke bronsoort afzonderlijk. Per woning wordt minimaal één verblijfsruimte aan de geluidluwe gevel gesitueerd. Als een individuele buitenruimte aanwezig is, ligt deze aan de geluidluwe gevel. 6.4.2 Toetsing Het plan wordt gebouwd op een geluidsbelastende locatie.
Er bevinden zich meerdere geluidsbronnen in de omgeving: Gemeentewegen: Deurneseweg, Trompstraat, Wethouder van Wellaan/Lagedijk Spoorwegen: Spoortraject Eindhoven - Deurne Industrielawaai: Gezoneerd industrieterrein Hoogeind Volgens het Bkl moet voor nieuwe geluidsgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een akoestisch onderzoek worden opgesteld (volledig onderzoek te vinden in bijlage 3). Het geluidaandachtsgebied beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde mogelijk wordt overschreden. Voor de relevante (spoor)wegen is nog geen geluidaandachtsgebied vastgesteld. Daarom is uitgegaan van de geluidzones zoals vastgelegd in artikel 17.5 Omgevingsregeling. Voor het bedrijventerrein is uitgegaan van de geluidzone zoals aangegeven in het bestemmingsplan Hoogeind (vastgesteld 13-03-2023). Rekenresultaten en toetsing Gemeentewegen In figuur 6.3 is de berekende geluidbelasting gegeven als gevolg van de gemeentewegen. Ter plaatse van de groen weergegeven waarneempunten overschrijdt de geluidbelasting de standaardwaarde van 53 dB niet. Vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er geen bezwaren tegen de realisatie van woningen. Ter plaatse van de oranje weergegeven waarneempunten is de geluidbelasting op één of meer bouwlagen hoger dan de standaardwaarde, maar overschrijdt de grenswaarde van 70 dB niet.
Realisatie van woningen is mogelijk, mits voldaan wordt aan het lokale geluidbeleid en de gemeente een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde op de gevels toestaat. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege gemeentewegen is 70 dB op de zuidgevels.
49/97
Figuur 6.3 Geluidsbelasting gemeentewegen (Bron: Akoestisch onderzoek LBP Sight) Railverkeer: Spoortraject Eindhoven - Deurne In figuur 6.4 is de berekende geluidbelasting gegeven als gevolg van het railverkeer. Ter plaatse van de groen weergegeven waarneempunten overschrijdt de geluidbelasting de standaardwaarde van 55 dB niet. Vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er geen bezwaren tegen de realisatie van woningen. Ter plaatse van de oranje weergegeven waarneempunten is de geluidbelasting op één of meer bouwlagen hoger dan de standaardwaarde, maar overschrijdt de grenswaarde van 65 dB niet. Realisatie van woningen is mogelijk, mits voldaan wordt aan het lokale geluidbeleid en de gemeente een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde op de gevels toestaat. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege railverkeer is 64 dB op de zuidgevel van het meest westelijk gelegen gebouw.
Figuur 6.4 Geluidsbelasting railverkeer (Bron: Akoestisch onderzoek LBP Sight) Industrielawaai - bedrijventerrein Hoogeind Bijlage II van het onderzoek (bijlage 3) geeft de berekende geluidbelasting weer als gevolg van het industrieterrein Hoogeind. De standaardwaarde van 50 dB(A) wordt overschreden ter plaatse van de zuidgevels van de beoogde woningbouw. De grenswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. De berekende geluidbelasting op de noordgevel voldoet aan de standaardwaarde van 50 dB. De hoogst berekende
50/97
geluidbelasting vanwege industrie is 55 dB(A). Bijlage II geeft een overzicht van de resultaten. Conclusie rekenresultaten Uit het voorgaande blijkt dat de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde vanwege gemeentewegen (53 dB), railverkeer (55 dB) en industrie (50 dB). De grenswaarde voor zowel railverkeer (65 dB), gemeentewegen (70 dB) als industrie (55 dB) wordt niet overschreden. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting op de zuidgevel door alle bronsoorten het hoogst geluidbelast wordt. Vanwege gemeentewegen is de berekende geluidbelasting ten hoogste 70 dB, vanwege railverkeer 64 dB en vanwege industrie 55 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB van gemeentewegen met ten hoogste 17 dB overschreden, de standaardwaarde van railverkeer met 9 dB overschreden en de standaardwaarde van industrie met 5 dB. Conclusie geluidbeperkende maatregelen Bij dit project zijn geluidbeperkende maatregelen nu geen optie. De maatregelen zijn niet doeltreffend genoeg en kennen technische, financiële en stedenbouwkundige bezwaren. De vervanging van het wegdek van de Deurneseweg en een geluidscherm langs het spoor/tussen woningbouw en industrie zorgt wel voor een verbetering van de akoestische situatie. Echter, voor één woningbouwproject is het financieel niet haalbaar om het wegdek te vervangen of een verhoogd geluidscherm te realiseren.
De gemeente Helmond kan in dit geval een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde toestaan. Daar zijn wel voorwaarden aan verbonden. Er dient getoetst te worden aan het lokale geluidbeleid zoals te zien bij 6.4.1. Geluidluwe gevel/geluidluwe buitenruimte Er is per gebouwdeel aangegeven of er sprake is van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. Wanneer er zonder gebouwgebonden maatregelen niet voldaan wordt aan een geluidluwe gevel/buitenruimte is aangegeven welke maatregelen er minimaal getroffen moeten worden om te kunnen voldoen. Figuur 6.5 geeft weer waar zonder maatregelen aan het gebouw sprake is van een geluidluwe gevel vanwege industrie, gemeentewegen en railverkeer. Bij (bijna) alle woningen is er sprake van een geluidluwe gevel. Wanneer aan de achterzijde een buitenruimte wordt gerealiseerd is er sprake van een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte. De individuele balkons grenzen aan de woonkamers. Ter plaatse van het meest oostelijk gelegen gebouw is er sprake van een oranje gevel. Bij één woning op de tweede bouwlaag is er geen sprake van een geluidluwe gevel, aangezien de berekende geluidbelasting vanwege gemeentewegen 54 dB is. Bijlage II geeft de berekende geluidbelastingen weer. Balkons moeten voorzien worden van een afscherming vanwege het aspect veiligheid.
Als het balkon op de 2e bouwlaag (1e verdieping) voorzien wordt van een akoestisch gesloten borstwering van 1,6 meter in combinatie met een absorberend plafond, dan zorgt dit voor voldoende geluidreductie om een geluidluwe gevel en buitenruimte te hebben. Bijlage III geeft de berekeningen weer om tot een geluidluwe gevel/buitenruimte te komen.
51/97
Figuur 6.5 Geluidluwe gevels (Bron: Akoestisch onderzoek LBP Sight) Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Het Bkl verplicht om, bij het vaststellen van een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde, het gecumuleerde en gezamenlijke geluid in beeld te brengen. Er wordt geen geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde toegestaan als de gecumuleerde geluid-belasting leidt tot (naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders) onaanvaardbare geluidhinder. Gecumuleerd geluid De gecumuleerde geluidbelasting is maximaal in dit plan 70 dB. De gevels aan de Deurneseweg worden het hoogst geluidbelast. De kwalificatie "Zeer slecht" komt overeen met de optredende geluidbelasting. Aan de noordgevel van de laagbouw is de geluidbelasting bij alle woningen lager dan 55 dB. Hiermee is er sprake van een kwalificatie "redelijk" of "goed". Zo heeft elke woning een hoog geluidbelaste gevel (voorgevel) die valt binnen de beoordeling "Slecht" en een geluidluwe achtergevel die valt binnen de beoordeling "Redelijk" of "Goed". Gezien de locatie nabij het industrieterrein, het spoor en direct ten noorden van de ontsluitingswet van Helmond (Deurneseweg) en het feit dat één gevel een beoordeling "Redelijk" heeft, wordt de situatie voor het aspect geluid aanvaardbaar geacht. Gezamenlijk geluid De gezamenlijke geluidbelasting is maximaal 70 dB.
Voor het bepalen van de gevelgeluidwering ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moeten de geluidwerende gevelvoorzieningen afgestemd worden op basis van het gezamenlijke geluid. Zonder gebouwgebonden afschermingen aan de zuidgevel (galerij-zijde) is de geluidweringseis voor de hoogst geluidbelaste gevel (70-33=) 37 dB. Karakteristieke geluidswering van de gevel Volgens artikel 4.103 lid 1 van het Bbl moet een gevel van een nieuw te bouwen woonfunctie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, een karakteristieke geluidwering hebben die niet lager is dan het verschil tussen de bepaalde gezamenlijke geluidbelasting op die gevel en 33 dB. De minimaal vereiste
52/97
karakteristieke geluidwering bedraagt 20 dB. Een gevel van een verblijfsruimte moet een karakteristieke geluidwering hebben, die maximaal 2 dB lager ligt dan de karakteristieke geluidwering van het verblijfsgebied waarin die verblijfsruimte ligt. De geluidwerende gevelvoorzieningen worden bepaald op basis van de berekende gezamenlijke geluidbelasting. Geluidswerende gevelvoorzieningen De standaard triple beglazing die door Fijn Wonen standaard wordt toegepast heeft de volgende opbouw: 6 mm / 12 mm lucht / 4 mm / 12 mm lucht / 4 mm. De geluidisolatie RA,labwaarde voor wegverkeer van de gegeven opbouw van triple beglazing is 29 dB, waarmee wordt voldaan aan de minimaal vereiste geluidisolatiewaarde voor de niet-geluidbelaste noordgevel. Voor de overige gevels moet zwaarder geluidisolerende beglazing worden toegepast. In bijlage V van het onderzoek (Bijlage 3 van deze motivering) is per bouwlaag per woongebouw aangegeven uit wel geluidisolatiewaarde de beglazing ten en minste moet bestaan. Waar geen kleur is aangegeven, moet standaard triple beglazing met een geluidisolatie van RA,labwaarde voor wegverkeer van 29 dB worden toegepast. Voor een voldoende geluidwering moeten kozijnen en ramen toegepast worden met een RA,labwaarde voor wegverkeer van ten minste 37 dB. Dit komt overeen met de kunststof kozijnen die worden toegepast door Fijn Wonen.
Voor een voldoende geluidwering moeten alle ramen en deuren in de gevels van de woningen voorzien worden van een dubbele kierdichting met een RA,labwaarde voor het spectrum wegverkeer van ten minste 45 dB. Dit komt overeen met een dubbele kierdichting met een 3,5 mm indrukking. De kierdichting moet uitgevoerd worden met ingelaten kaderprofielen. De profielen moeten in de hoeken worden doorgelast. Alle draaiende delen voorzien van een knevelende meerpuntsluiting, zodat deze gelijkmatig tegen de profielen worden aangedrukt. De woningen van Fijn Wonen worden standaard voorzien van een dubbele kierdichting. Hieraan wordt dus voldaan. De massa van de opbouw bedraagt ruim 400 kg/m2. Hiermee wordt (meer dan) een geluidisolatie RA,labwaarde voor wegverkeer van 49 dB gehaald. De gevelopbouw ziet er als volgt uit: Prefab beton 90 mm Isolatie 110 mm Beton 65 mm Steenstrips 18 mm Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale vereiste geluidisolatiewaarde. Conclusie akoestisch onderzoek Voor het plan Ons Francien in Helmond is een akoestisch onderzoek wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai uitgevoerd (volledige versie te zien in bijlage 3 ). Hierbij is getoetst aan het Bkl en het lokale geluidbeleid van de gemeente Helmond. Uit het onderzoek blijkt het volgende: De geluidbelasting vanwege de gemeentewegen is maximaal 70 dB.
Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB met maximaal 17 dB overschreden. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting vanwege het railverkeer is maximaal 64 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 55 dB met maximaal 9 dB overschreden. De grenswaarde van 65 dB wordt niet overschreden.
53/97
De geluidbelasting vanwege het industrieterrein Hoogeind is door de ODZOB bepaald. De geluidbelasting is maximaal 55 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde met maximaal 5 dB overschreden. De grenswaarde van 55 dB wordt niet overschreden. Bij dit project zijn geluidbeperkende maatregelen geen optie. De maatregelen zijn niet doeltreffend (geluidbelasting terugbrengen tot standaardwaarden) en kent vooral financiële bezwaren. De gemeente Helmond kan in dit geval een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde toestaan. Daar zijn wel voorwaarden aan verbonden. Zo moet elke woning beschikken over een geluidluwe gevel en, indien aanwezig, een geluidluwe buitenruimte. Op één woning na wordt er bij alle woningen zonder gebouwgebonden maatregelen voldaan aan de lokale geluideisen van de gemeente Helmond. De gemeente Helmond wordt gevraagd om voor deze ene woning af te wijken van de lokale geluidseisen. Zowel de hoogst berekende gecumuleerde als gezamenlijke geluidbelasting is 70 dB op de zuidgevel (Deurnesewegzijde) na toepassing van 1 dB correctie volgens de HRGG door de aanwezigheid van 1,2 meter hoge glazen balustrades op de verdiepingen inclusief akoestisch absorberend plafond met een absorptiecoëfficiënt van 0,6 in alle octaafwaarde van 125 tot en met 2000 Hz.
Gezien de locatie nabij het industrieterrein, het spoor en direct ten noorden van de ontsluitingswet van Helmond (Deurneseweg) en het feit dat één gevel een beoordeling "Redelijk" heeft, wordt de situatie voor het aspect geluid aanvaardbaar geacht. Voor het bepalen van de gevelgeluidwering ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn de geluidwerende gevelvoorzieningen afgestemd op basis van het gezamenlijke geluid. Voor de hoogst geluidbelaste woningen geldt een geluidweringseis van (70-33=) 37 dB. Bijlage II geeft de gezamenlijke geluidbelasting weer op de gevels van de beoogde woningen. Met standaard gevelvoorzieningen die worden toegepast door Fijn Wonen kan worden voldaan aan de geluidweringseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving met uitzondering van de toepassing van beglazing. Hoofdstuk 6 van het akoestisch onderzoek geeft aan met onder andere welke beglazing er voldaan kan worden aan de geluidweringseisen. Toetsing en conclusie 'nieuwe' situatie Bij de voorgaande onderzoeken is uitgegaan van de 'oude' situatie. In de tussentijd is op aanvraag van de gemeente het ontwerp aangepast en is de bebouwing 1 meter naar het noorden verplaatst. Aangezien dit verder weg is van de geluidsbronnen, namelijk de Deurneseweg, het spoor en bedrijventerrein Hoogeind, zijn deze onderzoeken uitgegaan van een 'worst-case scenario'.
In de 'nieuwe' situatie is geluidshinder derhalve niet te verwachten en voldoen de voorgaande onderzoeken nog steeds voor deze ruimtelijke onderbouwing. 6.4.3 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op het aspect geluid. Het is acceptabel om nieuwe woningen aan het projectgebied toe te delen.
54/97
6.5
Luchtkwaliteit
6.5.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl.
Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit' bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
55/97
6.5.2 Toetsing Woningen worden niet gezien als activiteit waarvoor conform artikel 5.50 uit het Bkl een luchtkwaliteitstoets uitgevoerd moet worden. Een volledig luchtkwaliteitsonderzoek blijft daarom achterwege. Echter is de gemeente Helmond wel aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof of stikstofdioxide. Er zal dus wel gekeken worden of de maximale waarden de omgevingswaarde niet overtreffen. Het project maakt de realisatie van 68 woningen mogelijk. Dit aantal valt ver onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het project draagt dan ook niet in betekende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Voor het bepalen van de luchtkwaliteit binnen het projectgebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd. In navolgende tabel zijn de concentraties weergegeven voor de vier dichtstbijzijnde meetpunten. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de toetswaarden voor luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bevinden. Receptor wegverkeer
Categorie
Omgevingswaarde (Kalenderjaargemiddelde)
Maximale waarden Toetspunt CIMLK per monitoringsronde 2024 & monitoringsjaar 2023
Stikstof (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
40 ìg/m³ 40 ìg/m³ 25 ìg/m³
16,98 ìg/m³ 16,42 ìg/m³ 9,16 ìg/m³
Stikstof (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
40 ìg/m³ 40 ìg/m³ 25 ìg/m³
17,28 ìg/m³ 16,46 ìg/m³ 9,18 ìg/m³
Stikstof (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
40 ìg/m³ 40 ìg/m³ 25 ìg/m³
17,40 ìg/m³ 16,48 ìg/m³ 9,18 ìg/m³
17272669_47356
17272669_47357
17272669_47358
17272669_47359 Stikstof (NO2) 40 ìg/m³ Fijn stof (PM10) 40 ìg/m³ Fijn stof (PM2,5) 25 ìg/m³ Tabel 6.1 Maximale waarde toetspunt CIMLK (Bron: CIMLK)
56/97
17,21 ìg/m³ 16,45 ìg/m³ 9,17 ìg/m³
6.5.3 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op de luchtkwaliteit. Het is acceptabel om nieuwe woningen aan het projectgebied toe te delen.
6.6
Geur
6.6.1 Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de onderbouwing. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden
6.6.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied en/of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad.
57/97
Geurbelasting agrarische bedrijven In de omgeving van het projectgebied zijn geen agrarische bedrijven met diercategorieën waarvoor een emissiefactor is vastgesteld gelegen. Daarnaast valt het projectgebied niet binnen een vaste afstand tot een veehouderij. De totale geurbelasting (achtergrondbelasting geur) van alle veehouderijen in de omgeving kan worden beoordeeld aan de hand van de kaart 'Achtergrondbelasting geur' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (figuur 6.6). Uit onderstaande afbeelding blijkt dat dat de achtergrondbelasting ter plaatse als 'Zeer goed' (< 3 ouE/m³) wordt beschouwd. Zeker aangezien in een concentratiegebied, waarin het projectgebied zich bevindt, hogere waarden acceptabel zijn.
Figuur 6.6 kwaliteit leefomgeving concentratiegebied achtergrondbelasting geur (Bron: ODZOB) Daarbij is in figuur 6.7 te zien dat het projectgebied een zeer goede score van 0 heeft als het gaat over geur veehouderij o.b.v. hinderpercentage in 2019. Dit geeft extra aan dat er in het projectgebied nagenoeg geen hinder is door geur vanaf veehouderij.
Figuur 6.7 gezondheidskaart geur veehouderij obv hinderpercentage 2019 (Bron: Atlas Leefomgeving) Geur van overige activiteiten Naast veehouderijen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of
58/97
bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen. Het projectgebied is niet gelegen binnen 100 meter van een horecagelegenheid of bedrijf waar geur vandaan kan komen. Gelet op de aard en omvang van overige activiteiten in relatie tot de afstand tot het projectgebied is geurhinder van overige activiteiten niet te verwachten. 6.6.3 Conclusie Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect geur verantwoord om de functie wonen aan het projectgebied toe te delen.
6.7
Bodem
6.7.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. 6.7.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling (bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie) is voor het projectgebied een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Bijbehorende onderzoeksrapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Geologisch gezien ligt het projectgebied in het lager gelegen slenkgebied van de Centrale Slenk, ten noordoosten van de breuk van Vessem. Aan de hand van een verkennend en aanvullend bodemonderzoek is er enige informatie over de bodem van het projectgebied. De bodem ter plaatse van het projectgebied is opgebouwd uit zand. De humushoudende bovenlaag is aangetroffen tot een diepte van 0,5 á 1,1 m-mv. De diepe
59/97
ondergrond is lemig. Bij de peilbuizen P05 en P11 is op een diepte vanaf 2,5 m-mv een leemlaag aangetroffen. Voor dit onderzoek is het projectgebied opgesplitst in vier deelgebieden (te zien in figuur 6.8)
Figuur 6.8 Verdeling deelgebieden bodemonderzoek (Bron: Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Ons Francien te Helmond) Resultaten verkennend onderzoek Grond Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van de boringen geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bodemvreemd materialen aangetroffen. Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: In de mengmonsters van de boven- en ondergrond ter plaatse van de deellocaties A en D is ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd PAK-gehalte waargenomen. In de mengmonsters van de bovengrond ter plaatse van de deellocaties B en C zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde naast PAK verhoogde gehaltes kwik en PCB’s gemeten. Bij deellocatie C is daarnaast ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogde gehalte cadmium, lood en zink aangetoond. In het mengmonster van de ondergrond van deellocatie C zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes gemeten en in de ondergrond van deellocatie B uitsluitend ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd gehalte kwik. In een aantal mengmonsters (MMA1, MMA2, MMB2 en MMD1) is ten opzichte van de achtergrondwaarde een verhoogd PFOA-gehalte aangetoond. In de overige mengmonsters zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde gehaltes PFAS waargenomen.
Overwegend is de boven- en ondergrond op de vier onderzochte deellocaties wisselend licht verontreinigd met zware metalen, PAK en PCB’s. Uitzondering is de ondergrond bij deellocatie C waar geen verontreinigingen zijn aangetoond. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit is de licht verontreinigde boven- en ondergrond beoordeeld als wonengrond en achtergrondwaardegrond (bij toepassing als landbodem). Uitzondering is de ondergrond bij deellocatie D waar de kwaliteit van de ondergrond is beoordeeld als industriegrond.
60/97
Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese ‘niet verdacht’ te worden verworpen. In de boven -en ondergrond zijn lichte verontreinigingen aangetoond met zware metalen, PAK en PCB’s en in het grondwater lichte verontreinigingen met zware metalen. Zintuiglijk zijn er geen verontreinigingen waargenomen. Met uitzondering van het matig verhoogd cadmiumgehalte in het grondwater van deellocatie D, zijn er in het laboratorium geen meetwaarden waargenomen tot boven de tussenwaarde voor aanvullend onderzoek. In overleg met de opdrachtgever is besloten de peilbuis opnieuw te bemonsteren en een heranalyse uit te voeren op cadmium. Het licht verhoogd PAK-gehalte in het mengmonster van de ondergrond van deellocatie D leidt bij een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit tot een kwalificatie ‘industriegrond’. Dit past niet binnen het beeld van de overige onderzoeksresultaten. In overleg met de opdrachtgever is besloten het mengmonster uit te splitsen en de grondmonsters afzonderlijk te laten onderzoeken op PAK. Grondwater Zintuiglijk zijn geen verontreinigingen of andere bijzonderheden waargenomen tijdens het plaatsen van de peilbuizen en het bemonsteren van het grondwater.
Op basis van het laboratoriumonderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: In het grondwater zijn ten opzichte van de streefwaarde wisselend verhoogde gehaltes barium, cadmium, koper, nikkel zink aangetoond. Uitzondering is het grondwater ter plaatse van deellocatie D waarin een gehalte cadmium is gemeten tot boven de tussenwaarde. Het grondwater is licht tot matig verontreinigd met enkele zware metalen. Zware metalen worden met regelmaat verhoogd aangetroffen in het grondwater in de regio. Aangenomen mag worden dat de verhoogde gehaltes de lokale achtergrondwaarden benaderen en een natuurlijke oorsprong hebben. Er wordt geen gebruik gemaakt van het grondwater (geen onttrekking en geen bodemenergiesysteem) en omdat de verontreinigingen onderdeel uitmaken van een bestaand geval van ernstige grondwaterverontreiniging (Grasbeemd 10) lijken een risicobeoordeling en eventuele maatregelen niet aan de orde. Resultaten aanvullend onderzoek Naar aanleiding van het verhoogd PAK-gehalte in het mengmonster van de ondergrond van deellocatie D (MMD2) zijn in het laboratorium de PAK-gehaltes in de afzonderlijke grondmonsters bepaald. Aan de hand van de uitsplitsing is duidelijk geworden dat de PAK-verontreiniging zich bevindt bij boring 21. Zintuiglijk zijn in de betreffende bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv geen bijmengingen aangetroffen.
Wel was de bodem geroerd en als niet-humeus beoordeeld. De resultaten van het onderzoek geven aanleiding tot een vervolgonderzoek naar het sterkverhoogd PAK-gehalte in de ondergrond ter plaatse van boring 21. Voor het overige behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen bezwaren op te leveren voor een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning. Ten behoeve van de bouw wordt geen grondwater onttrokken.
61/97
Extra aanvullend bodemonderzoek In verband met een herbestemming en nieuwbouw is er in juni 2023 een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). De kwaliteit van de grond is deels indicatief beoordeeld als wonengrond. Bij grondverzet dient rekening te worden gehouden met eventuele gebruiksbeperkingen bij hergebruik van de vrijkomende grond op een andere locatie. Het licht verhoogd PAK-gehalte in het mengmonster van de ondergrond van één van de deellocaties (deellocatie D; perceel C11087) was dermate hoog (kwalificatie industriegrond) dat aanvullend laboratoriumonderzoek was gewenst. Op basis van dat onderzoek werd vastgesteld dat ter plaatse van boring 21 de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) sterk verontreinigd was met PAK (>Iw). Geadviseerd werd de sterke PAK-verontreiniging in de ondergrond verder in kaart te brengen met een afperkend bodemonderzoek. Dit om aan te tonen of al dan niet mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Aan de hand van de toetsing uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: In het grondmonster van de ondergrond ter plaatse van boring N08 (M5) is een PAKgehalte gemeten tot ruim boven de interventiewaarde. In de grondmonsters van de ondergrond ter plaatse van de boringen N02 en N04 (M1 en M2) is een PAK-gehalte aangetoond tot boven de achtergrondwaarde (wonenkwaliteit).
In de grondmonsters van de ondergrond ter plaatse van de boringen N05 en N07 (M3 en M4) zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhoogde PAK-gehaltes gemeten. De verontreiniging loopt vermoedelijk in oostelijke richting tot buiten de onderzoekslocatie (=bouwlocatie). Vooralsnog is de verontreiniging niet afgeperkt. Geadviseerd wordt om de resultaten van het onderzoek eerst voor te leggen aan de gemeente Helmond en te bepalen of en zo ja op welke wijze het gewenst is om de PAKverontreiniging nader in kaart te brengen. Advies gemeente De bodem binnen in ieder geval een deel van de projectlocatie (PAK-verontreiniging) moet middels een melding onder de MBA Saneren van de bodem (paragrafen 3.2.23 en 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) worden geschikt gemaakt voor het toekomstige gebruik wonen. Volgens artikel 4.1240 zijn er twee standaard saneringsaanpakken mogelijk, namelijk afdekken (artikel 4.1241) of verwijderen (artikel 4.1242). Bij verwijderen van de sterke verontreiniging mag na sanering het gehalte in de bodem binnen de saneringslocatie niet meer hoger zijn dan de kwaliteitseisen die horen bij de bodemfunctieklasse waarin de landbodem ter plaatse is ingedeeld. Dat is hier bodemfunctieklasse Wonen.