CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 059 Bijlage 4 Toelichting

Gemeenteraad 11 juli 2023, gemeente HelmondBij agendapunt: Vaststelling BP Buitengebied- De wolfsputten naast 517.321 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Vervoer over het water Door de gemeente Helmond wordt er over de Zuid-Willemsvaart geen vervoer van gevaarlijke stoffen voorzien. Het vervoer van gevaarlijke stoffen per water levert dus geen beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Helmond. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. De meest dichtbij gelegen buisleidingen betreffen een K1-leidingen van N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij op 1,5 km ten noordoosten van het plangebied. De leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte woning.

4.3.4.3 Hoogspanningsleiding Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar indicatieve zones. Ten westen van het plangebied is een hoogspanningsleiding aanwezig. De leiding, betreft een 150 kV hoogspanningsleiding. Het hart van de leiding bevindt zich op 37 meter ten westen van het plangebied. Het bouwvlak bevindt zich op 72 meter tot het hart. Om hier een nieuwe gevoelige functie toe te staan is ter afweging van de gemeente. In het (rijks)beleid rond hoogspanningsleidingen spelen twee zones een rol; de indicatieve zone en de belemmeringenstrook. Op grond van het voorzorgbeginsel, heeft het ministerie van VROM met een brief d.d. 3 oktober 2005 gemeenten, provincies en netbeheerders geadviseerd om nieuwe situaties waarbij kinderen worden blootgesteld aan magneetveld hoger dan 0,4 microTesla (jaargemiddelde) zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. 'Zoveel als redelijkerwijs mogelijk' houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. De voor- en nadelen en de specifieke lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat er besloten wordt om dergelijke functies toch binnen de zone toe te staan.

Gemeenten, provincies en het rijk moeten hierbij hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het maken van keuzes. Dit is de zogenaamde indicatieve zone. Daarnaast is er de belemmeringenstrook. Binnen deze zone is in principe geen bebouwing (of werkzaamheden) toegestaan en is altijd schriftelijke toestemming van de netbeheerder noodzakelijk. Deze zone is kleiner dan de indicatieve zone en is opgenomen om onder meer het onderhoud aan leidingen te kunnen plegen. Een gedeelte van het plangebied is binnen het invloedsgebied (de indicatieve) van deze hoogspanningslijn gelegen. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Figuur 13: Indicatieve zone hoofspanningslijn (aangeduid met blauwe stippellijn)

Op dit gedeelte is het niet toegestaan hoofd- of bijgebouwen op te richten. Hiermee is zeker gesteld dat binnen de zone geen gevoelige functie (zoals een mantelzorgwoning) wordt toegevoegd. Dit is nader uitgewerkt in de regels en op de verbeelding. Daarmee vormt dit aspect geen bezwaar.

4.4

Geluidhinder

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder (Wgh). Het hoofddoel van de Wgh is het beschermen van de mens tegen geluidhinder. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een geluidzone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van een geluidgevoelig object binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Ingevolge de Wet geluidhinder moet de geluidbelasting vanwege een weg op een nieuw geluidsgevoelig object worden bepaald door middel van een akoestisch onderzoek. Niet alleen wordt hiermee uitsluitsel verkregen over de te verwachten geluidsbelasting over 10 jaar maar ook of en met welke planologische maatregelen eventueel nog wel kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Secundair wordt op basis van de uitkomst van het akoestische onderzoek bepaald of bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen. Ten behoeve van de realisatie van de Ruimte voor Ruimte woning is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. “In opdracht

van

de

initiatiefnemer

heeft

Tritium

Advies

een

akoestisch onderzoek

wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde realisatie van één Ruimte voor Ruimte woning ten westen van De Wolfsputten nummer 5 te Helmond. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd ten behoeve van de hiervoor noodzakelijke juridisch-planologische procedure. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen De Wolfsputten en de N279 / Wolfsputter Baan / Broekdalerbaan (hierna: N279). Voor de weg De Wolfsputten geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Voor de N279 geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de voorkeursgrenswaarde

van

48

dB

met

maximaal

5

dB

overschrijdt.

De

maximale

ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het verhogen van het reeds beoogde geluidscherm ten noorden van het plangebied (overdrachtsmaatregel) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Tevens geldt dat reeds een stiller wegdektype wordt beoogd. Het toepassen van een ander type stiller wegdek (bronmaatregel) zal derhalve eveneens niet doeltreffend zijn. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document “Ontheffingenbeleid Wet Geluidhinder: Wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai” d.d. 10 februari 1998 van de provincie Noord-Brabant, welke is overgenomen door gemeente Helmond. In onderhavige situatie is sprake van het opvullen van een open plaats tussen bestaande bebouwing.

Derhalve wordt voldaan aan één van de subcriteria uit het gemeentelijk geluidbeleid. Er is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarde van 53 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wgh). Derhalve worden er verder geen aanvullende voorwaarden aan het plan gesteld en wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woning een aanvullend onderzoek nodig ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat de woning kan beschikken over een geluidluwe zuidgevel, dan wel buitenruimte. Aan deze geluidluwe gevel dient een verblijfsruimte te zijn gelegen met een te openen geveldeel.” Vanwege de vernietiging van het provinciaal inpassingsplan voor de aanleg van de N279 is het niet meer noodzakelijk een procedure tot vaststelling van hogere waarden voor de geluidbelasting te doorlopen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Inleiding

Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

4.5.2

Uitstoot van gevaarlijke stoffen

De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet milieubeheer (Wm). Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.

Aangezien het plan slechts de toevoeging van één nieuwe woning mogelijk maakt kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.

4.5.3

Blootstelling aan verontreiniging

In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM 10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied wordt aangeduid met een zwarte cirkel.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Figuur 14: Fijnstof PM10 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Figuur 15: Fijnstof PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Figuur 16: Stikstofoxide (NO2) (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt 18-20 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

4.6

Agrarische bedrijvigheid

4.6.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

4.6.2

Beleidskader

4.6.2.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

4.6.2.2 Gemeentelijk beleid In aanvulling op de Wgv heeft de gemeenteraad op 27 september 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij vaste afstanden 2016’ vastgesteld. Daarin is voor veehouderijen met een beperkt aantal dieren (tot en met 60 stuks) waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, een kleinere vaste afstand tot geurgevoelige objecten vastgesteld. Dat betekent dat voor deze veehouderijen de vaste afstand tot geurgevoelige objecten 50 meter bedraagt, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. De grens van de bebouwde kom van de Wgv volgt niet uit de Wegenverkeerswet 1994, maar net zoals in de ruimtelijke ordening bepaalt de aard van de omgeving waar de grens ligt. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Dit staat in de Memorie van Toelichting bij de Wgv en blijkt uit jurisprudentie. De omgeving van het plangebied is te kenmerken als bebouwde kom.

4.6.2.3 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Bij herbestemming dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de voorgrondbelasting, achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft. Voorgrondbelasting

Achtergrondbelasting

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

≤1

≤3

<5

Zeer goed

1-3

3–7

5 - 10

Goed

4-6

7 – 13

10 - 15

Redelijk goed

7-9

13 – 20

15 - 20

Matig

10 - 13

20 – 28

20 - 25

Tamelijk slecht

14 - 18

28 - 38

25 - 30

Slecht

19 - 24

38 -50

30 - 35

Zeer slecht

≥ 25

≥ 50

35 - 40

Extreem slecht

Figuur 17: Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7

4.6.3

Veehouderijen in omgeving

In de directe omgeving (500 meter) van het plangebied zijn twee veehouderijbedrijven gelegen. De Wolfsputten 7 is gelegen op circa 250 meter ten noordoosten van het plangebied. Op circa 470 meter ten zuiden van het plangebied is Scheepstal 7 gesitueerd. Het betreffen beide veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en waarvoor derhalve een vaste afstand van 50 meter aangehouden dient te worden. De beoogde Ruimte voor Ruimte woning is op een afstand van minimaal 300 tot 460 meter van deze bedrijven gelegen. Binnen een afstand van twee kilometer zijn nog enkele andere veehouderijbedrijven gelegen. Op navolgende kaart is dit inzichtelijk gemaakt.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Figuur 18: Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied

4.6.4

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

4.6.4.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

4.6.4.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Binnen een straal van 600 meter bevinden zich geen veehouderijen waar dieren worden gehouden met een vastgestelde geuremissiefactor.

Binnen

een

straal

van

2.000

meter

bevinden

zich

wel

enkele

veehouderijbedrijven waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Het betreft hierbij de navolgende bedrijven:

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Figuur 19: Vergunde situatie Scheepstal 2a (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 20: Vergunde situatie Scheepstal 10 (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 21: Vergunde situatie Heikantse Beemd 1 (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 22: Vergunde situatie Grotelseheide 4 (Bron: BVB-Brabant)

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Figuur 23: Vergunde situatie Grotelseheide 11 (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 24: Vergunde situatie Kleinbroekdreef 4 (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 25: Vergunde situatie Bakelseweg 4 (Bron: BVB-Brabant)

Het meest dichtbij gelegen intensieve veehouderijbedrijf (Scheepstal 10) ligt op een afstand van 650 meter tot het plangebied. Gelet op de ligging en geuremissie kan worden gesteld dat dit bedrijf het dominante bedrijf is in het kader van de voorgrondbelasting. Derhalve is de voorgrondbelasting inzichtelijk gemaakt. De overige intensieve veehouderijbedrijven liggen op een grotere afstand en kennen een lagere geuremissie. Navolgend wordt de berekende voorgrondbelasting weergegeven op de hoekpunten van het plangebied.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Figuur 26: Voorgrondbelasting Scheepstal 10

De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 1,3 oue/m³. De voorgrondbelasting zal dan ook niet bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat.

4.6.4.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum 1 maart 2022) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.

Figuur 27: Uitsnede kaart achtergrondbelasting (ODZOB)

De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt 0-3 oue/m³. Op basis van de achtergrondbelasting is dan ook sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

4.6.4.4 Conclusie Binnen een straal van 600 meter bevinden zich geen veehouderijen met een geuremissie. De voorgrondbelasting zal dan ook niet bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. Op basis van de achtergrondbelasting is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Ter plaatse is een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat dan ook gegarandeerd.

4.6.5

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen

Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijbedrijven niet belemmeren. Tussen het plangebied en veehouderijen in de omgeving zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen die de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen belemmeren. De herontwikkeling van het plangebied belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen dus niet meer dan reeds het geval is.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. De richtafstanden in de VNGpublicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. “Een rustige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.”

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Gelet op de verkeersintensiteit in de omgeving van het plangebied (N279) en dat er sprake is van enige functiemening in de omgeving kan het plangebied worden niet worden getypeerd als ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’. Derhalve kan worden beargumenteerd dat het plangebied is gesitueerd in een ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

4.7.2

Niet-agrarische bedrijven in omgeving plangebied

In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee agrarische bedrijven. Het perceel direct ten noorden wordt gebruikt voor de fruitteelt en er zijn teeltondersteunende voorzieningen aanwezig. Voor dit bedrijf (milieucategorie 2) geldt een richtafstand van 30 meter. In gemengd gebied mag deze afstand met één afstandsstap worden teruggebracht naar 10 meter. De afstand tot de beoogde woning bedraagt circa 27 meter. Op circa 200 meter ten oosten van het plangebied ligt eveneens een agrarisch bedrijf (milieucategorie 2). Ook dit bedrijf ligt op ruimschoots voldoende afstand. De beoogde herontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering derhalve geen bezwaar.

4.8

Bodemkwaliteit

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Het perceel waar de nieuwe woning wordt opgericht is reeds bestemd als ‘Wonen’ en wordt derhalve ten behoeve van een gevoelige functie gebruikt. Er is geen aanwijzing dat de bodemkwaliteit risico’s oplevert voor de gebruikers van de bodem. De locatie ligt in een gebied met: 

bodemfunctieklasse Overig

bodemkwaliteitsklasse AW2000

Van de locatie zijn de volgende bodemonderzoeken bij de gemeente bekend: 

Oriënterend bodemonderzoek De Wolfsputten 5, Tritium, kenmerk: 93-12-118, 29 december 1993;

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Oriënterend bodemonderzoek De Wolfsputten 5, Tritium, kenmerk: 94-01-033, 7 februari 1994;

Verkennend onderzoek De Wolfsputten 5, Tritium, kenmerk: 0607/031/NH, 3 augustus 2006.

Op de locatie heeft een ondergrondse hbo-tank (3.000 l) gelegen die in 1993 is gesaneerd (tankcertificaat aanwezig). Na verwijdering van deze hbo-tank is ter plaatse geen verontreiniging met minerale olie in de grond en het grondwater aangetroffen.

Tijdens het verkennend bodemonderzoek uit 2006 zijn zowel in de boven- en ondergrondgrond als in het grondwater geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetroffen.

Op basis van de resultaten van de eerder op de locatie verrichtte bodemonderzoeken bestaat er vanuit de bodemkwaliteit geen belemmering.

4.9

Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het gebied waar de bestrijdingsmiddelen worden toegepast terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij de toevoeging van een nieuwe gevoelige functies een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit rechtspraak volgt dat dit een locatie-specifiek onderzoek moet zijn.

Tevens volgt uit de rechtspraak dat met bijvoorbeeld een afschermende beplanting en afschermende bebouwing een kleinere afstand gemotiveerd kan worden. Naast omstandigheden zoals een afschermende beplanting en afschermende bebouwing, blijkt uit de jurisprudentie dat ook

andere

omstandigheden een rol kunnen spelen bij het bepalen van de afstand voor de spuitzone. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het soort gewas dat wordt geteeld/gekweekt, wijze en frequentie van bespuiten, gehinderden (beperkt of kort van duur) en de heersende windrichting en de aanwezigheid van een sloot of watergang. Ten noorden van het plangebied zijn gronden agrarisch bestemd. Op deze gronden is al dan niet bedrijfsmatig agrarisch gebruik van de gronden toegestaan voor het telen van gewassen, waarbij in beginsel ook het gangbare gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. Het perceel wordt gebruikt voor aardbeienteelt op stellingen. Bij stellingenteelt wordt regulier een werkhoogte van 1,5 meter gehanteerd. Bij een teelt op stellingen hoeven in de regel minder gewasbeschermingsmiddelen toegepast te worden in vergelijking met vollegrondsteelt (minder tot VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

geen onkruidbestrijding, minder vraatschade en minder schimmelvorming). De bespuitingen bij aardbeien op stellingen vindt op een vergelijkbare wijze plaats als bij vollegrondsteelt. Er is een verschil in de toegepaste trekker (smalspoor in plaats van verhoogde as) en er wordt een andere spuitarm toepast. Verder is in beide situaties de bespuiting neerwaarts gericht en vinden bespuitingen nabij het maaiveld plaats. De nieuwe woning wordt opgericht tussen belendende woningen. Ter plaatse van deze bestaande woningen, die dichter bij het agrarische perceel gelegen zijn dan de beoogde Ruimte voor Ruimte woning, dient eveneens een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd te zijn bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en driftvorming. Deze omliggende woningen zijn derhalve maatgevend bij een eventuele toekomstige agrarische invulling van het perceel. Gesteld wordt dat in onderhavige situatie het herbestemmen van het plangebied ten behoeve van een woonbestemming geen bezwaar is in het kader van gewasbeschermingsmiddelen en driftzonering.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1

Waterhuishouding

5.1.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.

5.1.2

Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie

De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om ‘klimaatadaptief’ te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben. Met ‘klimaatadaptief’ wordt bedoeld: het klimaatrobuust en klimaatbestendig inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaatrobuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.

5.1.3

Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027

Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven

in

Nederland,

samen

met

het

Nationaal

Water

Programma

en

de

waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.

5.1.4

Principes waterschap Aa en Maas

Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: -

gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;

-

doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’;

-

hydrologisch neutraal bouwen;

-

water als kans;

-

meervoudig ruimtegebruik;

-

voorkomen van vervuiling;

-

wateroverlastvrij bestemmen;

-

waterschapsbelangen.

5.1.5

Relevant beleid

5.1.5.1 Keur 2015 Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is op de kaart behorende bij de Keur waterschap Aa en Maas niet aangewezen als gelegen in een beschermd gebied. Wel is het plangebied gelegen in een attentiegebied.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Figuur 28: Uitsnede Keurkaart

5.1.5.2 Waterbeheerplan Aa en Maas 2022-2027 Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1.

Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.

2.

Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).

3.

Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: •

schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;

•

de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;

•

de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;

•

de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemeneen Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.

5.1.6

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine

plannen.

Hoewel

er

relatief

veel

kleine

plannen

zijn

veroorzaken

deze

op

deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² en een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Dit bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van één woning in het kader van de provinciale regeling Ruimte voor Ruimte. Ter plaatse wordt voorzien in circa 450 m² nieuw verhard oppervlak, bestaande uit hoofdgebouwen, bijgebouwen en erfverharding. Op basis van de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Regenwaterinfiltratie dient ten alle tijden op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. Het plangebied biedt hiertoe voldoende mogelijkheden.

5.1.7

Waterplan Helmond 2012-2015/2018

Het waterbeleid van de gemeente Helmond is vastgelegd in het ‘Waterplan 2012-2015’ dat door de gemeenteraad is vastgesteld en geeft de kaders aan waarbinnen het waterbeheer in Helmond vorm moet krijgen. Het ‘Waterplan 2012-2015’ is door de gemeenteraad verlengd voor de periode tot en met 2018.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Het gemeentelijke waterplan is een gezamenlijk product van gemeente en waterbeheerder en geeft een uitgewerkte visie op de plaats die het water nu en in de toekomst in Helmond kan innemen. Het geeft daarbij aan wat als gewenste ontwikkeling wordt gezien. De visie is richtinggevend voor het onderdeel water bij planvorming en invulling van projecten. Belangrijke onderwerpen in het Waterplan 2012-2015/2018 zijn: 

Water en ruimtelijke ordening;

Water en ecologie;

Beleving van water;

Waterkwaliteit;

Stedelijk grondwater;

Waterketenbeheer (waaronder afkoppelen en de voorkeursvolgorde voor het verwerken van schoon hemelwater);

Beheer en onderhoud van stedelijk water.

Op deze wijze wordt het mogelijk het aspect water te betrekken bij integrale beleidsafwegingen en daarbij de consequenties van keuzes voor het water aan te geven. Het onderwerp ‘klimaatadaptatie’ is benoemd in het programmaplan Duurzame en Gezonde Stad. De gemeente heeft nog geen beleid vastgesteld over dit onderwerp. Daar waar mogelijk worden klimaatadaptieve maatregelen al wel meegenomen in projecten en plannen.

5.1.8

Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie

Het plangebied is gelegen in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss. De bodem ter plaatse betreft een Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). De maaiveldhoogte ter plaatse is circa NAP + 16 meter. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) varieert tussen 60-100 cm onder maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bedraagt ongeveer 160-180 cm onder maaiveld. Op grond van de regels van het waterschap zijn voor de beoogde ontwikkeling geen compenserende maatregelen noodzakelijk. Op vrijwillige basis kunnen deze echter worden aangelegd. De grondsoort en de hoogte van het grondwater bieden hiervoor de mogelijkheden. Gezien de diepte van de GHG is een infiltratieveld dan wel zaksloot een geschikte vorm om het hemelwater te infiltreren. De planlocatie biedt hiertoe voldoende ruimte. De uiteindelijk gekozen wijze

van

hemelwaterinfiltratie

wordt

nader

uitgewerkt

bij

de

aanvraag

om

een

omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

5.1.9

Grondwater

Aangezien voorliggend plan enkel de realisatie van een woning mogelijk maakt, worden er geen activiteiten toegestaan die negatieve effecten kunnen veroorzaken op de kwaliteit van het grondwater. Ondergrondse voorzieningen moeten waterdicht worden aangelegd, indien het verblijfsruimten betreft (eis Bouwbesluit). Als de ondergrondse voorziening geen verblijfsruimte is, is het waterdicht maken niet verplicht op grond van het Bouwbesluit. De gemeente kan echter niet aangesproken worden op het handhaven van een bepaald grondwaterpeil om diepliggende VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

ondergrondse voorzieningen droog te houden. Bij grondwateroverlast is de perceeleigenaar in eerste instantie aan zet om het probleem te verhelpen. Het beleid ten aanzien van grondwateroverlast is vastgelegd in het ‘verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2010-2015/2018’. Gemeente Helmond zal geen maatregelen treffen om de grondwaterstand permanent te verlagen ten opzichte van het huidige niveau.

5.1.10 Waterhuishouding huidige situatie Op dit moment is er geen oppervlaktewater in het plangebied aanwezig.

5.1.11

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.1.12 Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het plangebied zal worden afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. De initiatiefnemer zal de aansluitingskosten betalen.

5.1.13 Toepassing waterbeleid op het plangebied 5.1.13.1 Voorkeursvolgorde omgaan met regenwater De voorkeursvolgorde voor het omgaan met regenwater is: hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer. Bij hergebruik kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met een aantal proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving maakt het grootschalige hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. In dit plan wordt geen rekening gehouden met hergebruik van regenwater. Voor de aspecten infiltratie, buffering en afvoer wordt onderstaand aangegeven hoe hiermee omgegaan wordt.

5.1.13.2 Infiltratie, buffering en afvoer van regenwater -

Afvoer van vuil- en hemelwater moet worden gescheiden.

-

Het verhard oppervlak neemt met circa 450 m2 toe.

-

Het hemelwater van de verharde oppervlakken moet worden afgevoerd naar een voorziening op eigen terrein.

-

Waterbergingsopgave (wordt bepaald met een rekenregel uit de Keur en kaart met gevoeligheidspiekafvoeren): 0.06*500 m² = 30 m³.

-

Het waterschap heeft geen rol/taak in de beoordeling van het plan.

-

Vanuit de openbare ruimte en vanuit de riolering worden er geen situaties verwacht die tot wateroverlast kunnen leiden.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

5.1.13.3 Hydrologisch neutraal ontwikkelen -

Het gebied is vanuit oppervlaktewater niet inundatiegevoelig.

-

Het gebied is vanuit grondwater niet gevoelig voor wateroverlast.

5.1.13.4 Voorkomen vervuiling Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering

nagestreefd.

De

waterkwaliteit

wordt

beïnvloed

door

het

(veranderende)

ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Het ruimtegebruik verandert van agrarisch naar woningbouw. Voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater heeft dit geen consequenties, mits met bouwmaterialen en onkruidwerende middelen rekening gehouden wordt. Hieronder wordt beschreven hoe dat ingevuld wordt. Bouwmaterialen: De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen en is ook van toepassing op het onderhavige plangebied. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat deze het vrijkomende regenwater niet onnodig vervuild en daarom geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. Gebruik onkruidwerende middelen in groen en op verhardingen: Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding volgt de gemeente Helmond het landelijke beleid. Onkruidwerende middelen worden al sinds enkele jaren niet meer gebruikt in openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek. Vanaf 2015 vindt bestrijding op verhardingen alleen nog mechanisch plaats, dat wil zeggen: branden, heet water en/of borstelen.

5.2

Flora en Fauna

5.2.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming), de bescherming van soorten (soortenbescherming) en Bosbescherming (bescherming van bos en houtopstanden).

5.2.2

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Het meest dicht bij het plangebied gelegen vogel- en Habitatrichtlijngebied betreft ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en is gelegen op een afstand van circa 9,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden.

De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Door de aard van de beoogde situatie (een woningbouwontwikkeling aan de rand de kern van Helmond) en de ruime afstand tot de Natura 2000-gebieden kunnen overige effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, reeds met zekerheid worden uitgesloten. In de Natura 2000gebieden worden geen ingrepen verricht, dan wel zijn geen effecten merkbaar vanuit het plangebied. In de nieuwe situatie wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Hierbij is de eventuele uitstoot van stikstofemissies zeer gering. Ten eerste is wettelijk voorgeschreven dat nieuwbouwwoningen gasloos dienen te worden uitgevoerd. Bij nieuwbouwwoningen is dus geen sprake van een relevante emissie ten gevolge van CV-stookinstallaties. De afstand tot stikstofgevoelige habitats van de beschermde Natura 2000-gebieden zeer ruim (> 9 kilometer). Een Aerius-berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

Op basis van objectieve gegevens kan worden geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling met zekerheid geen mogelijk negatief effect tot gevolg heeft op de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten en op enige afstand van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van NNB zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Een NNB-toets met compensatieplicht zijn dan niet aan de orde.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

5.2.3

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van plantenen diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op een locatie die thans in gebruik is als weide en moestuin. Verwacht wordt dat enkele algemene voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijn, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen het plangebied.

De kans op het voorkomen van broedende vogels of rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is alleen aanwezig in de omgeving van het plangebied. Het is mogelijk dat (roof)vogels en vleermuizen op een andere manier gebruik maken van het plangebied, bijvoorbeeld als foerageergebied. Het eventueel aantasten van het foerageergebied zal gezien de omvang van de ontwikkeling geen negatieve invloeden uitoefenen op het leefgebied van (roof)vogels en vleermuizen en er is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving van het plangebied. Er worden geen houtopstanden gerooid of bomen gekapt. Geconcludeerd kan worden dat de betekenis van het plangebied voor flora en fauna vanwege het intensieve gebruik en het ontbreken van rust- en verblijfsplaatsen voor vleermuizen en (roof)vogels zeer gering is. Middels de beoogde herontwikkeling worden dan ook geen negatieve effecten verwacht op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en hun leefgebied. Desalniettemin geldt dat er bij de uitvoering van de werkzaamheden geen verstoring van broedgevallen mag plaatsvinden en dat de algemene zorgplicht geldt voor met name grondgebonden dieren. Artikel 1.11 van de Wnb stelt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om zodoende die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

Verder dient bij het realiseren van de nieuwe woning rekening te worden gehouden met Natuurinclusief bouwen. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen en andere gebouwen. De ‘Toolbox Natuurinclusief bouwen’ biedt een digitale set aan praktische handvatten voor meer biodiversiteit

in

de

bebouwde

omgeving:

https://www.bouwnatuurinclusief.nl

en

http://www.stedebouwarchitectuur.nl/artikel/270120/vogels-en-vleermuizen-in-de-spouw.

5.3

Archeologie

5.3.1

Inleiding

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houden ze rekening met archeologische waarden. Ook maken zij meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.

5.3.2

Beleidsplan archeologie Eindhoven – Helmond 2008 – 2012

Op 13 januari 2009 zijn het ‘Beleidsplan archeologie Eindhoven – Helmond 2008 – 2012’ en de ‘Archeologische Waardenkaart Helmond’ (versie 25 november 2008) door de gemeenteraad vastgesteld. Inmiddels is op 26 september 2017 de “Archeologische beleidskaart 2017” (versie april 2017) door de gemeenteraad vastgesteld. De beleidskaart is feitelijk een actualisering van de waardenkaart van 2009. Op deze kaart wordt het perceel Helmond, sectie Q, nr. 1300 aangeduid als deel uitmakend van een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Dit betekent dat in geval van voorgenomen (bodem-)ingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 én dieper dan 50 cm. archeologische voorwaarden aan uitvoering worden verbonden. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet vereist. De archeologische dubbelbestemming blijft van toepassing. In geval van toevalsvondsten tijdens het grondwerk, waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze voor Helmond van archeologisch of historisch belang (kunnen) zijn, geldt een meldingsplicht. Ingevolge van artikel 5.10 van de erfgoedwet dienen bodemvondsten gemeld te worden bij de bevoegde overheid, dit kan via de gemeentelijk archeoloog van Helmond.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

55

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

5.4

Cultuurhistorie

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant zijn de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven. Het plangebied is op basis van deze kaart gelegen in regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘Peelrand’ en het archeologisch landschap van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘Helmondse akkers’. “Regio Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. Door het westelijk gedeelte loopt de Peelrandbreuk, die de Centrale Slenk en de Peelhorst van elkaar scheidt. Langs de breuk vindt nog steeds beweging plaats. Aan het aardoppervlak is de breuklijn hier en daar te zien als een trede in het terrein met een hoogteverschil van enkele meters. Langs de breuklijn komt kwel aan de oppervlakte (wijst). Deze natte delen vormen het brongebied van de bovenlopen van de Aa. De oostzijde van de Peelhorst wordt eveneens door een breuk begrensd. Het noordelijke gedeelte van de Peelhorst is een vlak gebied met plaatselijk dekzandruggen en bevat een gradiëntrijke overgang naar de regio Maaskant waar kwel aan de oppervlakte komt. Het westelijke gedeelte van de Peelrand bestaat uit het open beeklandschap van de Aa. De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen.

De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied. Het oude zandlandschap rond Stiphout met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen is een voorbeeld van dergelijke oude ontginningen. Op verschillende plaatsen zijn in de beekdalen restanten van vloeisystemen aangetroffen. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. In de loop van de afgelopen 1000 jaar werd er vanuit deze dorpen steeds verder geknabbeld aan de randen van het veen. Karakteristiek zijn de vele kloostercomplexen, kerken en processieparken. Tussen de oude dorpen en het Peelgebied liggen jonge ontginningen en boscomplexen uit de negentiende en twintigste eeuw. In deze randzone ontstonden nieuwe dorpen als Odiliapeel en Venhorst. Met het in cultuur nemen van deze 'woeste gronden' werd ook de waterhuishouding steeds verder gereguleerd. Bestaande beken werden rechtgetrokken en stroomopwaarts verlengd en er zijn tal van nieuwe waterlopen gegraven. Bij Mill ligt een deel van de Peel-Raamstelling, bestaande uit het Defensiekanaal, inundatieterreinen en diverse kazematten. Het westelijke gedeelte van de Peelrand is na de Tweede Wereldoorlog sterk verstedelijkt. Hier liggen grote plaatsen als Helmond, Deurne, Uden, Oss, Someren, Gemert en Heesch.

Het oostelijk gedeelte van de Peelrand wordt gekenmerkt door kleine dorpen als Schaijk, Mill, Sint Anthonis en Overloon. De infrastructuur wordt hier bepaald door enkele regionale wegen.” “Het archeologisch landschap ‘Helmondse akkers ligt in de nabijheid van Helmond en omvat het sterk gevarieerde landschap tussen het Dommeldal in het westen en de Peelhorst in het oosten. Het gebied wordt van zuid naar noord doorsneden door de Aa en de Goorloop en hun zijbeken. Hierdoor is een mozaïek van kleinere en grotere dekzandgebieden ontstaan die veelal zijn bedekt met oude akkercomplexen en woeste gronden heide, bos). Met name in het westen komen zones met stuifduinen voor.” De beoogde herontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische omgevingswaarden. Aan het plangebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend. VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

56

Bestemmingsplan ‘Buitengebied – Wolfsputten naast 5’ - Toelichting

5.5

Wonen

5.5.1

Wonen en duurzaamheid

Gemeente Helmond heeft een breed gedragen klimaatbeleidsvisie met een haalbare ambitie vastgesteld, waarbij in een concreet Meerjaren Uitvoeringsprogramma de uit te voeren projecten verwerkt zijn. De nota Klimaatbeleid is een paraplu van alle gemaakte afspraken, getekende convenanten en ambities op het gebied van klimaat, energie en duurzaam bouwen. Er zal bij nieuwe ontwikkelingen altijd gestreefd moeten worden naar een zo duurzaam mogelijke energievoorziening. Naast het toepassen van duurzame materialen, worden daarbij afwegingen gemaakt op basis van de zogenaamde ‘Trias Energetica’. Dit is een breed geaccepteerd model en beschrijft drie logische en opeenvolgende stappen om te komen tot een duurzame energievoorziening:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12763639/1