CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 036 1.1 Toelichting 51416245

Gemeenteraad 23 mei 2023, gemeente HelmondBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Berkendonk 1- Raktweg 39-4117.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook wordt jaarlijks achteraf via een jaarverslag verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad en de provincie. In het handhavingsbeleid van de gemeente Helmond wordt programmatisch handhaven voorgestaan. Programmatisch handhaven is het bewust voeren van een handhavingsbeleid. Dat vereist het maken van keuzes waar het accent in de handhavingsinspanning wordt gelegd en welke handhavingstaken een lagere prioriteit krijgen. Per taakveld is aangegeven welke basistaken zullen worden uitgevoerd en aan welke bestuurlijke thema’s extra prioriteit wordt gegeven. De gemeente Helmond wil door het inzetten van de juiste instrumenten het nalevinggedrag bij burgers en bedrijven verbeteren. Daarnaast wordt ingezet op het voorkomen en beëindigen van onveilige situaties. Tenslotte dient gestreefd te worden naar eenduidigheid in regelgeving. Regels die tevens helder, toetsbaar en handhaafbaar zijn. Gelet op dit beleid wordt tegen alle illegale situaties overeenkomstig de in het beleid vastgestelde prioritering, handhavend opgetreden.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

4.

MILIEUASPECTEN

4.1

Inleiding

Ruimtelijke Ordening en Milieubeleid hebben de zorg voor de kwaliteit van de leefomgeving als gemeenschappelijke doelstelling. De toegekende functies mogen niet conflicteren met omliggende functies en het leefmilieu. Navolgend wordt de nieuwe functie getoetst aan alle relevante milieuaspecten en worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan is. Daarbij worden de volgende milieuaspecten uitgelicht: 

besluit milieueffectrapportage;

externe veiligheid;

geluidhinder;

luchtkwaliteit;

agrarische bedrijvigheid;

bedrijven en milieuzonering;

bodemkwaliteit;

gewasbeschermingsmiddelen.

4.2

Besluit milieueffectrapportage

4.2.1

Inleiding

De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een mer moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een mer te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarden dient een mer te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een mer nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarden uit lijst D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit mer dient een vormvrije mer-beoordeling plaats te vinden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit mer in werking getreden. In dit besluit is de vormvrije merbeoordeling voor activiteiten uit lijst D, ook beneden de grenswaarden, vervangen door de merbeoordelingsplicht.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

4.2.2

Toets beoogde ontwikkeling

De omzetting van het agrarisch bedrijf naar een woonbestemming (met nevenactiviteit) is niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt dan ook niet voor op lijst D van het Besluit mer. In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een vormvrije mer-beoordeling dan ook niet aan de orde.

4.3

Externe veiligheid

4.3.1

Inleiding

Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.

4.3.2

Risico’s

Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

4.3.3

Beleidskader

4.3.3.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

4.3.3.2

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.

4.3.3.3

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

4.3.4

Beoordeling plangebied

4.3.4.1 Bedrijven Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of het plangebied gelegen is binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid.

Figuur 18: Uitsnede risicokaart (Raktweg 41 is aangegeven met een rode marker)

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Het plangebied ligt niet in een grenswaarde-contour van het plaatsgebonden risico (de grenswaarde voor kwetsbare objecten is de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar). Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering. Wel ligt het plangebied binnen de, voor het groepsrisico relevante, invloedsgebieden van het risicovolle bedrijf EDCO, op circa 500 meter ten zuiden van het plangebied. Binnen de inrichting worden diverse stoffen opgeslagen volgens PGS15. Het maatgevend risico voor deze inrichting is een gifwolk als gevolg van brand.

4.3.4.2 Transport Vervoer over het spoor Op circa 900 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Eindhoven - Venlo (Brabantroute) waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het invloedsgebied voor de berekening van het groepsrisico is vastgesteld op circa 200 meter aan weerszijde van het spoor. Het invloedsgebied strekt zich uit tot een afstand van 460 meter aan weerszijden van het spoor vanwege het vervoer van stoffen in categorie A. Het plangebied ligt niet binnen het, voor het groepsrisico relevante, invloedsgebied. De afstand tot de spoorlijn is zodanig groot dat het plangebied niet wordt beïnvloed. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten kunnen plaatsvinden is de N270. De N270 gelegen op een afstand van circa 490 meter tot het plangebied. Uit vervoerstellingen van de gemeente blijkt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg door de gemeente Helmond beperkt is. Het vervoer legt geen beperkingen op aan ruimtelijke ontwikkelingen. Vervoer over het water Door de gemeente Helmond wordt er over de Zuid-Willemsvaart geen vervoer van gevaarlijke stoffen voorzien.

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per water levert dus geen beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Helmond. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied is één buisleiding gelegen (A-585). De buisleiding bevindt zich op een afstand van circa 130 meter tot de her te bestemmen woning. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied (485 meter) en de 100% letaliteitsgrens (190 meter) van de aardgastransportleiding. Het groepsrisico neemt middels onderhavige ontwikkeling niet of nauwelijks toe. Om de bestemmingsplanwijziging te onderbouwen is onderzoek uitgevoerd het groepsrisico. De Rapportage onderzoek externe veiligheid Raktweg 41 te Helmond maakt als bijlage deel uit van onderhavige toelichting. Het onderzoek heeft als doel het bepalen of er sprake is van overschrijding van de wettelijke eisen zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het groepsrisico

vanwege

de

hogedruk

aardgastransportleiding in zowel de bestaande als de toekomstige situatie ruim lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde, maar wel zeer beperkt toeneemt.

4.3.4.3 Hoogspanningsleiding Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar indicatieve zones. Ten noorden van het plangebied is een hoogspanningsleiding aanwezig met daaraan een aftakking is noordoostelijke richting. De leiding welke circa 300 meter ten zuiden van het plangebied gelegen is, betreft een bovengrondse hoogspanningsleiding 150 kV. De indicatieve zone voor de 150 kV hoogspanningslijn bedraagt 55 meter aan weerszijden (bron: RIVM). Het plangebied is ruimschoots buiten het invloedsgebied van deze hoogspanningslijn gelegen.

4.3.5

Verantwoording groepsrisico

Zowel voor het distributiecentrum als het vervoer via het spoor is enkel sprake van mogelijke calamiteiten waarbij wolken met giftige stoffen vrijkomen. Dit scenario is dan ook maatgevend voor het groepsrisico. Bij een calamiteit met aardgasleidingen is het scenario fakkelbrand maatgevend. Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat deze alleen geblust kan worden middels het afsluiten van de betreffende leiding(deel) door de leidingbeheerder. Het doven van het vuur na sluiting van de leiding neemt behoorlijk wat tijd in beslag. Middels het leggen van een waterscherm over de brandhaard kunnen de gevolgen van de fakkelbrand enigszins ingedamd worden. Hiervoor zijn wel aanzienlijke hoeveelheden water benodigd. In geval van het vrijkomen van giftige wolken moeten aanwezigen binnen het plan direct worden gewaarschuwd via sirene en NL-Alert om naar binnen te gaan en ramen en deuren te sluiten. De aanwezige ventilatievoorzieningen moeten snel en eenvoudig gesloten kunnen worden. Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat schuilen binnen de bebouwing, vooral in de directe nabijheid van de risicobron (hittestraling te intens), geen optie is. In extreme gevallen kan in overleg met de hulpdiensten worden overwogen te evacueren. In oostelijke en noordelijke richting zal via bossen moeten worden gevlucht. Bestrijding van de calamiteit zal buiten het plangebied plaatsvinden.

Hulpdiensten kunnen het plangebied bereiken. Binnen het plangebied worden geen verminderd zelfredzame personen gehuisvest. Het plangebied is goed en binnen de opkomsttijd van de brandweer te bereiken. Er ligt voldoende bluswatervoorziening in de nabijheid van het plangebied.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

4.3.6

Onderzoek externe veiligheid

In het kader van de herbestemming van het perceel aan de Raktweg 41 te Helmond naar een woonfunctie met een recreatieve nevenactiviteit heeft Econsultancy een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. Het onderzoek heeft als doel het bepalen of er sprake is van overschrijding van de wettelijke eisen zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het groepsrisico

vanwege

de hogedruk

aardgastransportleiding in zowel de bestaande als de toekomstige situatie ruim lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde, maar wel zeer beperkt toeneemt. Bouwkundige maatregelen binnen deze zone bieden weinig tot geen bescherming (vanwege te hoge warmtestraling) en gaan gepaard met onevenredig hoge kosten. De hulpverleningsdiensten kunnen binnen deze zone geen hulp verlenen zolang er nog druk op de aardgasleiding staat. Hierdoor zijn personen binnen deze zone op zichzelf aangewezen en zullen zelf naar een schuilplek moeten vluchten. De kans op slachtoffers kan worden beperkt door bewoners vooraf te informeren over aanstaande werkzaamheden en de mogelijke scenario’s en hoe hierop te handelen. Het voorschrijven van strikter toezicht tijdens werkzaamheden verkleint de kans op calamiteiten. De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost dient in de gelegenheid gesteld te worden om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen.

4.4

Geluidhinder

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder (Wgh). Het hoofddoel van de Wgh is het beschermen van de mens tegen geluidhinder. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een geluidzone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van een geluidgevoelig object binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige objecten gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). De bestaande woning aan Raktweg 41 betreft reeds een geluidsgevoelig object.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Inleiding

De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet milieubeheer (Wm). Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.

Aangezien het plan slechts het herbestemmen van een agrarisch bedrijf naar een woonbestemming mogelijk maakt kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.

4.5.2

Blootstelling aan verontreiniging

In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. De woning Raktweg 41 is aangeduid met een witte stip.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Figuur 19: Fijnstof 2019 PM10 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Figuur 20: Fijnstof 2019 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Figuur 21: Stikstofoxide (NO2) (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van 18-19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt 16-18 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is.

4.6

Agrarische bedrijvigheid

4.6.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

4.6.2

Beleidskader

4.6.2.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.

4.6.2.2 Gemeentelijk beleid In aanvulling op de Wgv heeft de gemeenteraad op 27 september 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij vaste afstanden 2016’ vastgesteld. Daarin is voor veehouderijen met een beperkt aantal dieren (tot en met 60 stuks) waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, een kleinere vaste afstand tot geurgevoelige objecten vastgesteld. Dat betekent dat voor deze veehouderijen de vaste afstand tot geurgevoelige objecten 50 meter bedraagt, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. De grens van de bebouwde kom van de Wgv volgt niet uit de Wegenverkeerswet 1994, maar net zoals in de ruimtelijke ordening bepaalt de aard van de omgeving waar de grens ligt. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Dit staat in de Memorie van Toelichting bij de Wgv en blijkt uit jurisprudentie. De omgeving van het plangebied is te kenmerken als buitengebied.

4.6.2.3 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Bij herbestemming dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de voorgrondbelasting, achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft. Voorgrondbelasting

Achtergrondbelasting

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

≤1

≤3

<5

Zeer goed

1-3

3–7

5 - 10

Goed

4-6

7 – 13

10 - 15

Redelijk goed

7-9

13 – 20

15 - 20

Matig

10 - 13

20 – 28

20 - 25

Tamelijk slecht

14 - 18

28 - 38

25 - 30

Slecht

19 - 24

38 -50

30 - 35

Zeer slecht

≥ 25

≥ 50

35 - 40

Extreem slecht

Figuur 22: Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7

4.6.3

Veehouderijen in omgeving

In de omgeving van het plangebied is één locatie waar dieren worden gehouden. Het betreft hierbij de locatie Raktseweg 8 te Deurne. Het bedrijf bevindt zich op een afstand van meer dan 400 meter tot het plangebied. Navolgend wordt de vergunning inzichtelijk gemaakt.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Figuur 23: Vergunde situatie Raktseweg 8 Deurne (BVB-Brabant)

4.6.4

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

4.6.4.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

4.6.4.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De meest dichtbij gelegen veehouderij bevindt zich op een afstand van meer dan 400 meter. Onlangs heeft dit bedrijf de varkenshouderijtak gesaneerd. Thans resteert enkel nog een vergunning voor 64 stuks rundvee. Gelet hierop, en de achtergrondbelasting ter plaatse, inzichtelijk gemaakt in navolgende paragraaf, wordt aangenomen dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van de voorgrondbelasting. De voorgrondbelasting zal dan ook niet bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat.

4.6.4.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum 1 maart 2022) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Figuur 24: Uitsnede kaart achtergrondbelasting (ODZOB)

De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt 0-3 oue/m³. Op basis van de achtergrondbelasting is dan ook sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat.

4.6.4.4 Conclusie Op basis van de achtergrondbelasting is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Ter plaatse is een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat dan ook gegarandeerd.

4.6.5

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen

Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijbedrijven niet belemmeren. De bedrijfswoning op deze locatie maakten in het verleden deel uit van de veehouderij op deze locatie. Op deze woning is dan ook artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. De bescherming van deze woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt derhalve niet door de herbestemming van de woning van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Binnen het plangebied worden ook een recreatieve verblijfsfunctie gerealiseerd. Voor de functie geldt een vaste afstand van 50 meter tot omliggende bedrijven. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast liggen tussen het plangebied en de omliggende agrarische bedrijven reeds gevoelige functies. De functie binnen het plangebied is derhalve niet maatgevend. Er worden derhalve geen veehouderijbedrijven in de bedrijfsvoering gehinderd.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. Het plangebied is gelegen in een recreatief ontwikkelgebied. Derhalve is sprake van een ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNGpublicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

4.7.2

Niet-agrarische bedrijven in omgeving plangebied

Ten opzichte van omliggende bedrijven was de bestaande woning reeds aan te merken als gevoelig object. Hierin vinden geen wijzigingen plaats. Anderzijds wordt er een recreatieve nevenfunctie toegevoegd binnen het plangebied. Deze functie betreft milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter. De factor geluid is hierbij de bepalende factor. In gemengd gebied mag deze richtafstand worden teruggebracht naar 10 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. De ontwikkeling is geen bezwaar in het kader van bedrijven en milieuzonering.

4.8

Bodemkwaliteit

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Ter plaatse wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. De locatie ligt in een gebied met: - bodemfunctieklasse Overig - bodemkwaliteitsklasse AW2000

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Van deze locatie en directe omgeving zijn geen bodemonderzoeken bekend. Gezien de ligging in een gebied met bodemkwaliteitsklasse AW2000 wordt niet verwacht dat de bodemkwaliteit een belemmering is voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Er is geen aanwijzing dat de bodemkwaliteit risico’s oplevert voor de gebruikers van de bodem. De bodemkwaliteit verslechtert niet door grondverzet. Een verkennend bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

4.9

Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het gebied waar de bestrijdingsmiddelen worden toegepast terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij de toevoeging van een nieuwe gevoelige functies een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit rechtspraak volgt dat dit een locatie-specifiek onderzoek moet zijn.

Tevens volgt uit de rechtspraak dat met bijvoorbeeld een afschermende beplanting en afschermende bebouwing een kleinere afstand gemotiveerd kan worden. Naast omstandigheden zoals een afschermende beplanting en afschermende bebouwing, blijkt uit de jurisprudentie dat ook

andere

omstandigheden een rol kunnen spelen bij het bepalen van de afstand voor de spuitzone. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het soort gewas dat wordt geteeld/gekweekt, wijze en frequentie van bespuiten, gehinderden (beperkt of kort van duur) en de heersende windrichting en de aanwezigheid van een sloot of watergang. Bovendien is per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit aangescherpt en moet, waar dan ook, minimaal 75% drift-arm gespoten worden. Voor onderhavige ontwikkeling is het van belang dat er geen sprake is van het toevoegen van een nieuwe woning, maar enkel het herbestemmen van een bedrijfswoning in een burgerwoning. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van teelt van gewassen waarop gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden toegepast. Derhalve is de beoogde ontwikkeling in het kader van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ geen bezwaar.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1

Waterhuishouding

5.1.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.

5.1.2

Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie

De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om ‘klimaatadaptief’ te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben. Met ‘klimaatadaptief’ wordt bedoeld: het klimaatrobuust en klimaatbestendig inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaatrobuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.

5.1.3

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP 2016-2021)

Het PMWP bevat het strategische milieu- en waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Daarnaast is voor het waterdomein ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water, met name voor waterschappen. De beleidsdoelen zijn ondergebracht in drie integrale thema’s: gezonde fysieke leefomgeving, veilige fysieke leefomgeving en groene groei. De verschillende wateronderwerpen zijn ondergebracht bij deze drie integrale thema’s. Deze onderwerpen zijn:

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

-

Voldoende en schoon water voor mens, dier en plant

-

Aanvaardbare risico’s vanuit hoogwater

-

Duurzame zoetwatervoorziening

Belangrijke thema’s hierbij zijn de verbetering van de waterkwaliteit, de verdrogingsbestrijding en een meer natuurlijke inrichting van de watersystemen (waaronder beekherstel en de aanleg van ecologische verbindingszones). Ook vanuit het provinciale beleid is steeds meer aandacht voor een klimaatbestendige stedelijke en landelijke ontwikkeling. Het PMWP fungeert voor een aantal ruimtelijk relevante wateronderwerpen tevens als structuurvisie.

5.1.4

Principes waterschap Aa en Maas

Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: -

gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;

-

doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’;

-

hydrologisch neutraal bouwen;

-

water als kans;

-

meervoudig ruimtegebruik;

-

voorkomen van vervuiling;

-

wateroverlastvrij bestemmen;

-

waterschapsbelangen.

5.1.5

Relevant beleid

5.1.5.1 Keur 2015 Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. De Oude Aa, gelegen ten oosten van het plangebied is aangeduid als ‘beschermd gebied’. Daarnaast geldt ter plaatse van het oostelijke gedeelte van het plangebied een profiel van vrije ruimte. Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang. Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die het uit te voeren beekherstel ernstig belemmeren of onmogelijk maken.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Figuur 25: Uitsnede

5.1.5.2 Waterbeheerplan Aa en Maas 2016-2021 ‘Waardevol water’ In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1.

Veilig en Bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen.

2.

Voldoende water en Robuust watersysteem Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact.

3.

Gezond en Natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten.

4.

Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. In aanvulling daarop is ook het waterschap bezig het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie te vertalen naar haar eigen beleid.

5.1.5.3 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met

als

doel

een

toekomstbestendige

waterhuishouding

in

2050.

Dit

betekent

een

waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten: 

van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;

van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied;

van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

5.1.6

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine

plannen.

Hoewel

er

relatief

veel

kleine

plannen

zijn

veroorzaken

deze

op

deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² en een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Dit bestemmingsplan voorziet enkel in het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Er wordt geen verhard oppervlak toegevoegd. Op basis van de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Regenwaterinfiltratie CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

dient ten alle tijden op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. Het plangebied biedt hiertoe voldoende mogelijkheden.

5.1.7

Waterplan Helmond 2012-2015/2018

Het waterbeleid van de gemeente Helmond is vastgelegd in het ‘Waterplan 2012-2015’ dat door de gemeenteraad is vastgesteld en geeft de kaders aan waarbinnen het waterbeheer in Helmond vorm moet krijgen. Het ‘Waterplan 2012-2015’ is door de gemeenteraad verlengd voor de periode tot en met 2018. Het gemeentelijke waterplan is een gezamenlijk product van gemeente en waterbeheerder en geeft een uitgewerkte visie op de plaats die het water nu en in de toekomst in Helmond kan innemen. Het geeft daarbij aan wat als gewenste ontwikkeling wordt gezien. De visie is richtinggevend voor het onderdeel water bij planvorming en invulling van projecten. Belangrijke onderwerpen in het Waterplan 2012-2015/2018 zijn: 

Water en ruimtelijke ordening;

Water en ecologie;

Beleving van water;

Waterkwaliteit;

Stedelijk grondwater;

Waterketenbeheer (waaronder afkoppelen en de voorkeursvolgorde voor het verwerken van schoon hemelwater);

Beheer en onderhoud van stedelijk water.

Op deze wijze wordt het mogelijk het aspect water te betrekken bij integrale beleidsafwegingen en daarbij de consequenties van keuzes voor het water aan te geven. Het onderwerp ‘klimaatadaptatie’ is benoemd in het programmaplan Duurzame en Gezonde Stad. De gemeente heeft in 2021 de uitvoeringsagenda klimaatadaptatie opgesteld.

5.1.8

Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie

Het plangebied is gelegen in Beekeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. De maaiveldhoogte ter plaatse is circa NAP + 28 meter. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) varieert tussen 60-100 cm onder maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bedraagt ongeveer 100-180 cm onder maaiveld. Op grond van de regels van het waterschap zijn voor de beoogde ontwikkeling geen compenserende maatregelen noodzakelijk.

5.1.9

Waterhuishouding huidige situatie

Op dit moment is er geen oppervlaktewater in het plangebied aanwezig.

5.1.10 Grondwater Ondergrondse voorzieningen moeten waterdicht worden aangelegd, indien het verblijfsruimten betreft (eis Bouwbesluit). Als de ondergrondse voorziening geen verblijfsruimte is, is het waterdicht maken niet verplicht op grond van het Bouwbesluit. De gemeente kan echter niet CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

aangesproken worden op het handhaven van een bepaald grondwaterpeil om diepliggende ondergrondse voorzieningen droog te houden. Bij grondwateroverlast is de perceeleigenaar in eerste instantie aan zet om het probleem te verhelpen. Het beleid ten aanzien van grondwateroverlast is vastgelegd in het ‘verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023’. De gemeente zal geen maatregelen treffen om de grondwaterstand permanent te verlagen ten opzichte van het huidige niveau.

5.1.11 Riolering In het gebied ligt drukriolering. Hier mag geen hemelwater geloosd worden. Het hemelwater moet in het plangebied geborgd worden.

5.1.12

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.1.13 Toepassing waterbeleid op het plangebied 5.1.13.1 Voorkeursvolgorde omgaan met regenwater De voorkeursvolgorde voor het omgaan met regenwater is: hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer. Bij hergebruik kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met een aantal proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving maakt het grootschalige hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. In dit plan wordt geen rekening gehouden met hergebruik van regenwater. Voor de aspecten infiltratie, buffering en afvoer wordt onderstaand aangegeven hoe hiermee omgegaan wordt.

5.1.13.2 Infiltratie, buffering en afvoer van regenwater -

Afvoer van vuil- en hemelwater moet worden gescheiden.

-

Het verhard oppervlak neemt niet toe.

-

Het hemelwater van de verharde oppervlakken moet worden afgevoerd naar een voorziening op eigen terrein.

-

Waterbergingsopgave (wordt bepaald met een rekenregel uit de Keur en kaart met gevoeligheidspiekafvoeren) = 0 m³.

-

Het waterschap heeft geen rol/taak in de beoordeling van het plan.

-

Vanuit de openbare ruimte en vanuit de riolering worden er geen situaties verwacht die tot wateroverlast kunnen leiden.

5.1.13.3 Hydrologisch neutraal ontwikkelen -

Het gebied is vanuit oppervlaktewater niet inundatiegevoelig.

-

Het gebied is vanuit grondwater niet gevoelig voor wateroverlast.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

5.1.13.4 Voorkomen vervuiling Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering

nagestreefd.

De

waterkwaliteit

wordt

beïnvloed

door

het

(veranderende)

ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Het ruimtegebruik verandert van agrarisch naar woningbouw. Voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater heeft dit geen consequenties, mits met bouwmaterialen en onkruidwerende middelen rekening gehouden wordt. Hieronder wordt beschreven hoe dat ingevuld wordt. Bouwmaterialen: De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen en is ook van toepassing op het onderhavige plangebied. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat deze het vrijkomende regenwater niet onnodig vervuild en daarom geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. Gebruik onkruidwerende middelen in groen en op verhardingen: Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding volgt de gemeente Helmond het landelijke beleid. Onkruidwerende middelen worden al sinds enkele jaren niet meer gebruikt in openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek. Vanaf 2015 vindt bestrijding op verhardingen alleen nog mechanisch plaats, dat wil zeggen: branden, heet water en/of borstelen.

5.2

Flora en Fauna

5.2.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Zowel in deze wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

5.2.2

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Het meest dicht bij het plangebied gelegen vogel- en Habitatrichtlijngebied betreft ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en is gelegen op een afstand van ruim 7 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie.

Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Door de aard van de beoogde situatie kunnen effecten reeds met zekerheid worden uitgesloten. Het object wordt reeds als woning gebruikt. Het gebruik verandert niet. Daarnaast komen de mogelijkheden voor bedrijfsmatig agrarisch gebruik binnen het plangebied te vervallen en wordt de vergunning voor het houden van dieren ingetrokken. In de Natura 2000-gebieden worden geen ingrepen verricht, dan wel zijn geen effecten merkbaar vanuit het plangebied. Verder is direct ten oosten van het plangebied natuur aangewezen door de Provincie NoordBrabant als onderdeel van Natuur Netwerk Brabant (NNB). Op navolgende figuur is dit inzichtelijk gemaakt.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Figuur 26: NNB gebieden in de omgeving van het plangebied (aangeduid met rode marker)

De ontwikkeling heeft een louter positief effect ten aanzien van de nabijgelegen NNB-gebieden. Binnen het plangebied wordt een veehouderijbedrijf gesaneerd. Daarmee komen de vervoersbewegingen voor het agrarisch bedrijf te vervallen en wordt stikstof en fijnstof uit de markt genomen. Daarnaast zal het omgevingsklimaat verbeteren doordat ook geluidsfactoren en wegvallen en er geen nachtelijke verlichting noodzakelijk meer is, bijvoorbeeld voor het laden van vee.

5.2.3

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van plantenen diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. De beoogde herontwikkeling ziet toe op hergebruik van de bestaande bebouwing. Ter plaatse worden geen landschapselementen verwijderd, wel wordt nieuwe streekeigen beplanting toegevoegd.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Voor de algemene broedvogelsoorten die binnen het plangebied te verwachten zijn geldt dat, daar geen groen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Nesten kunnen aanwezig zijn binnen gebouwen. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. Echter, bij broedvogels met jaarrond beschermde nesten mogen de nesten niet worden weggenomen ook al is er geen broedgeval. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt gaat worden dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats vinden. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van sloopwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in.

Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd. Alle vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ”het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn.

De bestaande opstallen bieden geen goede verblijfplaats voor vleermuizen. Tussen de golfplaten en de wanden is sprake van een continue luchtstroom. Daarnaast zijn geveldelen deels open. Ook in de spouw is een luchtstroom aanwezig. Alle opstallen zijn zodanig gebouwd dat ter plaatse continu sprake is van tocht. Vleermuizen prefereren locaties met stabiele klimatologische omstandigheden. Navolgende foto’s geven een beeld van de, te verbouwen voormalige stal.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Figuur 27: open geveldelen van de voormalige stal

Door landschappelijke inpassing in het toekomstige situatie wordt het aanwezige groen uitgebreid met gebiedseigen soorten. Foerageermogelijkheden voor vleermuizen worden daardoor versterkt doordat meer insecten worden aangetrokken. En niet alleen vleermuizen zullen daarvan profiteren, maar ook tal van vogels en kleine zoogdieren. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en hun leefgebied kunnen derhalve worden uitgesloten.

5.3

Archeologie

5.3.1

Inleiding

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houden ze rekening met archeologische waarden. Ook maken zij meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.

5.3.2

Beleidsplan archeologie Eindhoven – Helmond 2008 – 2012

Op 13 januari 2009 zijn het ‘Beleidsplan archeologie Eindhoven – Helmond 2008 – 2012’ en de ‘Archeologische Waardenkaart Helmond’ (versie 25 november 2008) door de gemeenteraad vastgesteld.

CONCEPT-VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

55

Bestemmingsplan ‘Berkendonk I - Raktweg 39 en 41’

Inmiddels is op 26 september 2017 de “Archeologische beleidskaart 2017” (versie april 2017) door de gemeenteraad vastgesteld. De beleidskaart is feitelijk een actualisering van de waardenkaart van 2009. Ten aanzien van het plangebied wordt aangegeven dat ter plaatse geen archeologische resten in de bodem verwacht worden. Daarnaast vinden er geen bodemingrepen plaats binnen het plangebied ingevolge de herbestemming. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet vereist.

5.4

Cultuurhistorie

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant zijn de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven. Het plangebied is op basis van deze kaart gelegen in regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘Peelrand’. Regio Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. Door het westelijk gedeelte loopt de Peelrandbreuk, die de Centrale Slenk en de Peelhorst van elkaar scheidt. Langs de breuk vindt nog steeds beweging plaats. Aan het aardoppervlak is de breuklijn hier en daar te zien als een trede in het terrein met een hoogteverschil van enkele meters. Langs de breuklijn komt kwel aan de oppervlakte (wijst). Deze natte delen vormen het brongebied van de bovenlopen van de Aa. De oostzijde van de Peelhorst wordt eveneens door een breuk begrensd. Het noordelijke gedeelte van de Peelhorst is een vlak gebied met plaatselijk dekzandruggen en bevat een gradiëntrijke overgang naar de regio Maaskant waar kwel aan de oppervlakte komt. Het westelijke gedeelte van de Peelrand bestaat uit het open beeklandschap van de Aa. De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen. De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12542696/2