A13 Jaarstukken VRBZO
Tekst van het document
continuïteit. We versterken onze aanpak van cybergevolgbestrijding door onze
gerealiseerd waarin, naast gemeenten en politie, ook VRBZO participeert.
kennis te versterken en door het netwerk van experts en instanties te leren kennen. VRBZO participeert ook in het Oost-Brabant programma Cyber en participeert bij ontwikkelingen zoals de vorming van een regionaal expertteam digitale veiligheid. Versterken evalueren en lerend vermogen (PDCA) crisisbeheersing
Versterken evalueren en lerend vermogen (PDCA) crisisbeheersing
Het systematisch evalueren van incidenten, crisissituaties en oefeningen en het
In 2023 beoordeelden we alle opgeschaalde GRIP-incidenten, oefeningen en een aantal
effectief toepassen van inzichten komt op dit moment door capaciteitsgebrek nog
voorbereidingen voor evenementen. Bovendien is er een extra systeemtest uitgevoerd,
niet goed van de grond. In 2023 investeren we in extra capaciteit om dit in te richten
met als doel de hoofdstructuur te testen. De rapportage hiervan staat gepland voor het
en borgen.
1e kwartaal van 2024. Het evaluatieproces is herzien en aangepast aan de huidige
capaciteit, in overleg met de verschillende kolommen en meldkamers. De eerste stappen zijn gezet om de PDCA-cyclus concreet te maken.
Toekomstbestendige
Herijken en laten vaststellen brandweerzorgbeleid
Herijken en laten vaststellen brandweerzorgbeleid
organisatie
We stellen de strategische uitgangspunten voor brandweerzorgbeleid bestuurlijk
We gaan het Risicoprofiel Brandweerzorg herzien met een nieuwe aanpak, waarbij we
Toekomstgerichte
vast. Dit doen we onder andere op basis van een risicoprofiel brandweerzorg.
streven naar een gezamenlijk en samenhangend beeld van alle risico's op het gebied
incidentenbestrijding
van brandweerzorg, zowel op het vlak van risicobeheersing als incidentbestrijding. We gaan hierbij rekening houden met de dynamiek van risico's. Eind 2023 is hiertoe een project gestart dat zich nu in een oriënterende fase bevindt. We volgen hierin het voorbeeld van enkele andere Veiligheidsregio's die ons voorgingen. Ook volgen we hiermee de landelijke ambitie om te komen tot een dynamisch risicoprofiel. Gezien de complexiteit van dit proces, zal het project een lange looptijd kennen. Dat komt omdat we veel moeten organiseren, om tot een dynamisch risicoprofiel te komen. Parallel aan het project ‘dynamisch risicoprofiel’ startten we eind 2023 met het opstellen van een beleidsagenda. Zodat we medio 2024 een beleidsplan voor Brandweerzorg kunnen opleveren voor de periode 2026-2030. Dit beleidsplan wordt afgestemd op het nieuwe Regionaal Beleidsplan, haalt input uit het statische, traditionele risicoprofiel Brandweerzorg dat in december 2023 is voltooid en we volgen landelijke ontwikkelingen binnen de brandweer en regionale ontwikkelingen in Zuidoost-Brabant.
30
Jaarstukken 2023
Ontwikkelen nieuw dekkingsplan en strategisch huisvestingsplan
Ontwikkelen nieuw dekkingsplan en strategisch huisvestingsplan
Er is een bestuurlijk wens om te komen tot een regionaal strategisch
Er is een nieuwe landelijke systematiek voor het opstellen van dekkingsplannen, met als
huisvestingsplan. Daarnaast is er een wettelijke verplichting om vierjaarlijks nieuw
basis de gebiedsgerichte opkomsttijden (GGO). In 2023 zijn de systemen hierop
dekkingsplan op te leveren. Omdat we vanuit 37 brandweerkazernes opereren (die
aangepast, zijn vakspecialisten bijgeschoold en zijn enkele proefberekeningen gemaakt.
we in bijna alle gevallen huren van de betreffende gemeente) zijn uitgangspunten
Het nieuwe Dekkingsplan wordt in 2024 opgesteld en opgeleverd op basis van de GGO.
voor een strategisch huisvestingsplan relevant voor ons, vooral vanwege de spreiding van eenheden over het verzorgingsgebied.
Midden 2023 is een project gestart om te komen tot een meerjaren huisvestingsplan VRBZO met als centrale vraag “Hoe zorgen we voor een toekomstbestendige en blijvend betaalbare huisvesting voor de uitoefening van de kerntaken van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost?". Na het ophalen van input is met vastgoedbeheerders van betrokken gemeenten gesproken over strategische uitgangspunten, het portfolio van de kazernes en het huisvestingsmodel. Het concept meerjaren huisvestingsplan ligt nu klaar voor een bestuurlijke dialoog in het voorjaar van 2024.
Uitfaseren drukluchtschuim tankautospuiten
Uitfaseren drukluchtschuim tankautospuiten
Uitvoering geven aan het besluit om alle tankautospuiten van de vrijwillige posten te
De uitfasering van de drukluchtschuiminstallaties op de tankautospuiten van de vrijwillige
ontdoen van de DLS-installatie. Alle tankautospuiten zijn voorzien van een nieuwe
brandweerposten is in volle gang. Door enkele verstoringen in het proces is het niet
blusconfiguratie en we voldoen aan de landelijke eisen voor schuimblussing.
gelukt om dit eind 2023 af te ronden. De uitfasering loopt daarom nog door tot halverwege 2024.
31
Jaarstukken 2023
4. Verplichte paragrafen Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) schrijft voor dat een aantal paragrafen verplicht onderdeel uitmaakt van het jaarverslag. Deze verplichte paragrafen staan in dit hoofdstuk. De paragrafen Lokale heffingen en Grondbeleid gelden niet voor onze organisatie en zijn daarom weggelaten.
4.1
Risicomanagement en weerstandsvermogen
In de paragraaf ‘Weerstandsvermogen en risicobeheersing’ worden de risico’s in beeld gebracht en gerelateerd aan de weerstandscapaciteit. Het gaat bij risico’s om gebeurtenissen die zich mogelijk kunnen voordoen en die het realiseren van de doelstelling(en) van de organisatie kunnen verstoren. De belangrijkste beleidsuitgangspunten voor VRBZO op gebied van risicomanagement zijn: •
Risico’s in een cyclisch proces inventariseren, beoordelen en monitoren via een continuïteitsplan;
•
De instelling van een weerstandsvermogen heeft als doel om een stabiele (trendmatige) ontwikkeling van de gemeenschappelijke bijdrage te waarborgen;
•
De hoogte van de algemene reserve is vastgesteld en moet tussen de € 2,0 miljoen en € 2,4 miljoen liggen. De algemene reserve dient als primair weerstandsvermogen. Aangezien de hoogte van onze begroting vanaf 2024 in een andere bandbreedte terecht komt hebben wij besloten om de algemene reserve met het vrijgekomen resultaat te vergroten om aan de nieuwe eisen te voldoen. De nieuwe bandbreedte bedraagt €2,4 tot €3,2 miljoen. Onze algemene reserve komt daarmee net iets boven de bovengrens uit. Dit stelt ons in staat om snel en adequaat te handelen in geval dat onvoorziene omstandigheden met een significante financiële impact zich voordoen.
4.1.1
Risico-inventarisatie
Het risico-overzicht in het continuïteitsplan bestaat uit de factoren kans en impact. Met kans bedoelen we welke mate van waarschijnlijkheid er bestaat dat een risico zich manifesteert. Bij ieder risico schatten we in hoe waarschijnlijk het is dat dit risico zich in de nabije toekomst zal voordoen. Met impact bedoelen we de negatieve financiële invloed die een risico mogelijk heeft op de continuïteit van de dienstverlening: wat zijn de geschatte kosten? Door het bepalen van kans en (financiële) impact vindt een inschatting van risico’s plaats. Om het benodigd weerstandsvermogen te berekenen vermenigvuldigen we de geschatte impact met een percentage volgens onderstaande tabel. Kans Zeer waarschijnlijk Waarschijnlijk Reëel (50/50) Onwaarschijnlijk Zeer onwaarschijnlijk
Impact 90% 70% 50% 30% 10%
Over het algemeen zien we door toenemende druk van wet- en regelgeving en risico’s in de bedrijfsvoering dat de mate van risico is toegenomen. In onderstaand schema staan de belangrijkste risico’s inclusief de risico-inschatting kans en impact. De belangrijkste items (grootste kans en/of impact) lichten we vervolgens toe. Tijdens de reguliere gesprekken over planning en control worden de risico’s besproken en bijgesteld. De risico’s, en eventueel genomen beheersmaatregelen om de impact te dempen, worden gemonitord en periodiek gewogen door het managementteam.
32
Jaarstukken 2023
Risico-inventarisatie
Kans
Bedrag tbv weerstandsvermogen
Impact
i/s
A. Brandweerzorg 1 Wijzigingen in beleid FLO-regeling beroepsbrandweer
Reëel (50/50)
pm
pm
2 Loonkosten irt vrijwilligers en WNRA
Reëel (50/50)
€ 500.000
€ 250.000
3 2e loopbaanbeleid
Reëel (50/50)
€ 750.000
€ 375.000
i
4 Vakbekwaamheid
Zeer waarschijnlijk
€ 575.000
€ 517.500
s
5 Aansprakelijkheid brand Hapert boven verzekerd bedrag
Zeer onwaarschijnlijk
€ 22.000.000
€ 2.200.000
i
6 Onvoldoende vrijwilligers om paraatheid te borgen
Onwaarschijnlijk
€ 500.000
€ 150.000
s
7 PFAS vervuiling door blusschuim
Zeer onwaarschijnlijk
pm
pm
i
8 PTSS door inzet bij incidenten
Zeer onwaarschijnlijk
pm
pm
i
Waarschijnlijk
€ 500.000
€ 350.000
i
1 Huisvesting gebruikersonderhoud
Zeer waarschijnlijk
€ 500.000
€ 450.000
s
2 Huisvesting duurzaamheid
Zeer waarschijnlijk
pm
pm
Onwaarschijnlijk
€ 1.000.000
€ 300.000
i
4 Investering in informatieveiligheid BIO (middelen/mensen ICT)
Zeer waarschijnlijk
€ 250.000
€ 225.000
s
5 Wet open overheid
Zeer waarschijnlijk
€ 100.000
€ 90.000
s
6 Eigen risicodrager WW
Waarschijnlijk
€ 75.000
€ 52.500
i
7 Bedrijfscontinuïteit bij calamiteit
Onwaarschijnlijk
pm
pm
i
8 Stijgende rentekosten voor leningen 9 Kosten die voortvloeien t.b.v. bedrijfskritische continuïteit
Reëel (50/50)
€ 400.000
€ 200.000
s
Zeer waarschijnlijk
€ 250.000
€ 225.000
i
s
B. Veiligheid 1 Kosten grootschalige of langdurige crisis of incident
C. Ondersteuning organisatie (bedrijfsvoering)
3
Informatieveiligheid (cybersecurity) i.v.m. data- en/of beveiligingslek
(bijvoorbeeld kostbare opleidingen of inhuur op gebied van brand- en omgevingsveiligheid, business intelligence, HRM, ICT, kosten juridische ondersteuning etc.);
TOTAAL A.
€ 5.385.000
Brandweerzorg
Wijzigingen in beleid FLO-regeling De regeling voor functioneel leeftijdsontslag (FLO) is een pensioenregeling die regelmatig aan wijzigingen onderhevig is, hierdoor kunnen financiële verplichtingen ontstaan die invloed hebben op de pensioenvoorziening. De precieze impact van toekomstige wijzigingen in de FLO-regeling is lastig vooraf in te schatten. Om dit risico te beperken wordt de wetgeving omtrent de FLO-regeling actief gemonitord. Voor de FLO-regeling is vanaf 2020 een voorziening aangemaakt, deze is verder toegelicht in de jaarrekening. Loonkosten irt vrijwilligers en WNRA De wet normalisering rechtspersoon ambtenaren (WNRA) heeft als doel om de rechtspositie van ambtenaren en werknemers in het bedrijfsleven gelijk te trekken. Deze wet is ook van toepassing op het personeel van veiligheidsregio's. Vanwege het vrijwillige brandweersysteem in Nederland heeft de invoering van de WNRA specifieke gevolgen voor deze regio's. Op dit moment hebben brandweervrijwilligers een aparte juridische positie, 33
Jaarstukken 2023
die verschilt van die van beroepspersoneel. Met de invoering van de WNRA zullen vrijwilligers in de toekomst een arbeidsovereenkomst hebben en aanspraak kunnen maken op toeslagen en voorzieningen die ook voor beroepspersoneel gelden. Dit zal leiden tot aanzienlijk hogere structurele kosten. De veiligheidsregio’s hebben een uitzonderingspositie gekregen en daarmee is de WNRA voor ons uitgesteld. Als we kijken naar andere veiligheidsregio’s, zien we dat de kosten eventueel kunnen oplopen tot €1.500.000 per jaar. Inmiddels weten we dat onze regio minder nadeel heeft dan andere regio’s. Dit heeft te maken met het feit dat wij niet aan kazernering doen, waar sommige andere veiligheidsregio’s dit wel toepassen. Kazernering houdt in dat vrijwilligers als een soort beroepskracht op de kazerne blijven om de paraatheid te dekken. Veiligheidsregio’s die dit systeem hanteren zouden bij de intreding van WNRA veel extra kosten ontvangen. Voor ons zal het financiële nadeel daarmee ook lager uitkomen. Er wordt landelijk nog onderzoek gedaan naar het effect van de invoering en naar manieren om daar invloed op uit te oefenen. Daarom zijn de ontwikkelingen rondom de invoering van de WNRA voor vrijwilligers op dit moment nog onzeker.
2e loopbaanbeleid beroepsbrandweer Medewerkers die vanaf 2006 in dienst kwamen bij de beroepsbrandweer, werken in principe maximaal 20 jaar in een repressieve functie. De eerste medewerkers begonnen daarom in 2021 met de voorbereidingen voor hun 2 e loopbaan. De kosten voor deze medewerkers zijn nog beperkt. We deden toezeggingen, die vooral waardevol waren voor de medewerker. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om een jaar parttime te werken of een terugkeergarantie voor een jaar. Oplossingen, waardoor een medewerker relatief veilig een eigen bedrijf kan starten of ergens anders ervaring op kan doen. En ze kostten de organisatie weinig. We dachten dat de daling van de FLO-kosten groter zou zijn dan de kosten voor het 2 e loopbaanbeleid. Zodat de kosten van het nieuwe beleid, die van het oude beleid konden vervangen. Per saldo zouden daardoor de financiële effecten worden gedempt. Inmiddels weten we dat de FLO-kosten, na opnieuw een wijziging in het landelijke beleid, nog tot ten minste 2029 per saldo stijgen. Dit brengt een risico met zich mee voor kosten rondom het 2 e loopbaanbeleid. We verwachten wel extra kosten te moeten maken, maar we hebben nog geen uitgebreide ervaringscijfers om die te onderbouwen. We zien andere regio’s bedragen opnemen in hun begroting tot €70.000 per medewerker of een bedrag van €750.000 reserveren.
Als we kijken naar de cijfers van nu en de genoemde ervaringen met de eerste uittreders, denken we dat dit voor VRBZO nog niet nodig is. We bekijken dit periodiek en stellen ons beleid bij als er aanleiding voor is. Op verzoek van de sector en sociale partners doet de Universiteit van Maastricht onderzoek naar de regeling en naar mogelijkheden om de regeling aan te passen. Het onderzoek startte in 2022 en duurt 4 jaar. Tijdens het onderzoek moeten de medewerkers wel een plan voor een 2 e loopbaan maken, maar ze hoeven de organisatie nog niet te verlaten. Vakbekwaamheid Veel verloop van brandweerpersoneel en omgaan met nieuwe technieken zorgen voor druk op het opleidingsbudget. Denk bij nieuwe technieken aan (nieuwe) specifieke vaardigheden om natuurbranden
en
incidenten te bestrijden waarbij oude technieken niet voldoen (bijvoorbeeld hulpverlening bij elektrische auto’s, brand in installaties voor zonnepanelen, etc.). Maar ook omgaan met wetgeving die verandert vraagt om opleiding en training van medewerkers die adviseren over (brand)veiligheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Omgevingswet, die sinds 1 januari 2024 geldt. De Omgevingswet heeft consequenties voor de fysieke veiligheid en dus ook voor de veiligheidsregio’s. Voor ons betekent dit meer betrokkenheid aan de voorkant van het proces, meer samenwerken met inwoners, bedrijven, het Rijk, gemeenten, waterschappen en provincies. Van regelgericht naar meer risico gericht. Hier zijn andere competenties voor nodig, het vraagt iets van onze advies vaardigheden. Het project hiervoor is al een tijdje aan de gang. 34
Jaarstukken 2023
Vanuit Trainen & Oefenen (T&O) zijn we bezig met een programma om de vakbekwaamheid van de repressieve brandweermedewerkers op niveau te houden. Dit programma heeft als doel om de kwalitatieve paraatheid structureel te borgen. Dit programma leidt tot extra kosten.
35
Jaarstukken 2023
Aansprakelijkheid brand Hapert boven verzekerd bedrag De brandweer is door de verzekeraar van een afgebrand bedrijfsgebouw in Hapert aansprakelijk gesteld voor de geleden schade. Het incident vond in 2020 plaats. De rechtszaak over deze casus bevindt zich nog in een onderzoekend stadium. VRBZO is verzekerd voor materiele schade tot een bedrag van € 5 miljoen. De totale claim bedraagt ongeveer € 27 miljoen. De kans dat we dit bedrag in geheel moeten uitbetalen achten wij als zeer onwaarschijnlijk. Doordat het om een aanzienlijk bedrag gaat drukt het zwaar op de benodigde weerstandscapaciteit. Onvoldoende vrijwilligers om paraatheid te borgen Het is voor ons als organisatie belangrijk dat we voldoende vrijwilligers hebben om de paraatheid op alle posten te garanderen. We zien dat de uitstroom van vrijwilligers wat verhoogt. De landelijke trend is dat deze ontwikkeling zich doorzet en zelfs erger wordt. De periode dat een brandweervrijwilliger actief is, daalt. Om ervoor te zorgen dat er genoeg vrijwilligers zijn worden er lokale wervingscampagnes gehouden. Mochten er in de toekomst onvoldoende vrijwilligers zijn om de paraatheid te waarborgen kan dit leiden tot hogere structurele kosten. Bijvoorbeeld doordat er beroepskrachten ingezet moeten worden om mee uit te rukken. PFAS-vervuiling door blusschuim De brandweer oefende regelmatig met blusschuim.
Uit onderzoek blijkt dat dit blusschuim PFAS kan bevatten en dat daardoor de bodem van oefenlocaties verontreinigd is geraakt. Er zijn grondeigenaren die de brandweer om nader onderzoek hebben verzocht. Een (mogelijke) PFAS-verontreiniging brengt mogelijk gezondheidsrisico’s of juridische, financiële en/of bestuurlijke risico’s met zich mee. De onderzoeken en eventuele sanering van grond zijn kostbaar. We doen nog onderzoek naar de impact. PTSS door inzet bij incidenten De brandweer wordt ingezet bij allerlei soorten incidenten. Sommige incidenten zijn dermate heftig, dat de betrokken medewerkers mogelijk (een vorm van) post-traumatische stressstoornis (PTSS) oplopen. Dit kan leiden tot (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid en psychische klachten. Wij zien PTSS als een beroepsziekte en ondersteunen de medewerkers onder andere via de bedrijfsarts, een team collegiale opvang en vertrouwenspersonen. A.
Veiligheid
Kosten grootschalige of langdurige crisis of incident Een grootschalige of langdurige crisis of incident (bijvoorbeeld een grote natuurbrand, coronacrisis, cybercrisis of energiestoring) zal van ons als organisatie veel vragen. Onze capaciteit zal op volle toeren moeten draaien. Dit brengt extra kosten met zich mee. Denk bijvoorbeeld aan een grootschalige inzet van materieel en mensen. B.
Ondersteuning organisatie
Huisvesting: gebruiksonderhoud en duurzaamheid VRBZO huurt haar kazernes van de gemeenten in de regio. Met gemeenten maakten we afspraken over gebruikersonderhoud. Eerste schattingen voor 2027 en daarna, laten een financieel tekort zien voor dit type onderhoud. Ook moeten de kazernes duurzamer worden en zijn er aanvullende eisen voor een veilige werkplek. We hebben nog geen beeld van de kosten van het duurzaam maken. Daar maken we met de gemeenten, als eigenaren van de kazernes, afspraken over. Op lange termijn verwachten we een tekort voor het onderhoud van de kazernes. Daarom beschouwen we eventuele tussentijdse voordelen als incidenteel.
36
Jaarstukken 2023
Informatiebeveiliging (cybersecurity) / BIO De afgelopen jaren stegen de risico’s en kosten bij een data- of beveiligingslek flink. De kosten bestaan bijvoorbeeld uit boetes en herstel na een lek of uit kosten voor de uitval en herstart van de operatie. Dit zijn vooral incidentele kosten. Naast deze risico’s zien we rondom informatiebeveiliging een sterke stijging van de structurele kosten op ons afkomen. Een ander ongewild gevolg van een beveiligingslek is imagoschade voor de organisatie. Om de risico’s te verlagen heeft de VRBZO deels in huis en deels uit huis de informatievoorziening georganiseerd. Maatregelen: verwerkersovereenkomsten afsluiten met leveranciers en het protocol melden datalek. Ook houden wij regelmatig een penetratietest, dit is een test waarin een ‘ethische hacker’ kijkt welke kwetsbaarheden er aanwezig zijn in ons netwerk. Op basis daarvan worden verbeteringen doorgevoerd. Daarnaast worden bewustwordingscampagnes gevoerd gericht op medewerkers over de risico's van digitaal verkeer. Als laatste worden er investeringen gedaan in project BIO ter versterking van de informatieveiligheid. Het project implementatie BIO (baseline informatieveiligheid overheid) is een project om de informatieveiligheid binnen onze organisatie te waarborgen. Het betreft de hele organisatie, omdat iedereen te maken heeft met bedrijfsprocessen die gebruikmaken van informatie.
Het is een intensief project, waarbij de kans groot is dat er extra middelen en mensen voor nodig zijn voor de organisatie I&A. Eigen Risicodrager WW Werkgevers in de overheidssector zijn verplicht eigenrisicodrager WW. Voor de VRBZO is dit dus ook het geval. Dit betekent dat er geen premie afgedragen moet worden. Daarentegen moeten wij de kosten betalen van de WWuitkering wanneer iemand werkloos raakt. Dit brengt een risico van aanvullende uitgaven met zich mee. Om dit te verminderen is het belangrijk om de arboveiligheid te garanderen. Hiervoor is onder andere een actualisatie van het risico inventarisatie & inventarisatie (RI&E) plan gemaakt. Bedrijfscontinuïteit bij calamiteit De kans bestaat dat er naar aanleiding van een calamiteit de bedrijfscontinuïteit in het geding komt. Het zou kunnen dat de centrale infrastructuur niet functioneert als gevolg van bijvoorbeeld opzettelijk vernieling, waterschade, stroomuitval, ondercapaciteit of cybercrime. Om dit te voorkomen zijn er back up generatoren, een fysieke toegangsbeveiliging en een actueel bedrijfscontinuïteitsplan. Stijgende rentekosten bij leningen Kapitaalmiddelen van VRBZO worden gefinancierd met vreemd vermogen (leningen). Bij een stijging van de rente op de kapitaalmarkt stijgen de structurele financieringslasten van VRBZO. Wij monitoren de renteontwikkeling continu bij het aantrekken van vreemd kapitaal.
Als het nodig is, herzien we het financieringsbeleid. Kosten die voortvloeien t.b.v. bedrijfskritische continuïteit Door krapte op de arbeidsmarkt is het steeds lastiger om mensen in vaste dienst aan te nemen. Vooral voor specialistische functies ervaren we problemen om mensen te vinden. Omdat de werkdruk op de organisatie wel blijft voortbestaan is het nodig om mensen extern in te huren. Een andere manier de bedrijfscontinuïteit te waarborgen is mensen om te scholen door opleidingen aan te bieden. Dit leidt tot extra uitgaven om onze werkzaamheden te kunnen blijven uitvoeren.
37
Jaarstukken 2023
Wet open overheid De wet open overheid (WOO) heeft als doel overheden en semioverheden transparanter te maken. De WOO biedt mensen de kans om een verzoek tot informatie uit documenten in te dienen. De uitvoering hiervan gaat in combinatie met het besluit digitale toegankelijkheid tot structurele meerkosten leiden. Gemeenschappelijke regelingen krijgen hier niet zelf een extra bijdrage voor van het Rijk. Deze kosten zijn onderdeel van de vergoeding die gemeenten extra ontvangen vanuit het gemeentefonds. Conclusie Op basis van de gekwantificeerde actuele risico’s is de benodigde weerstandscapaciteit bepaald op €5.385.000. De benodigde weerstandscapaciteit ligt boven het weerstandsvermogen van € 3.261.747. Hiermee bedraagt de ratio 0,61. Het is niet reëel dat bovengenoemde risico’s zich gelijktijdig voordoen. Tevens zijn kans en impact van enkele risico’s lastig in te schatten, waarbij met name aansprakelijkheid bij de brand in Hapert zwaar meeweegt. In het uiterste geval, indien risico’s zich daadwerkelijk voordoen en het beschikbare vermogen overschrijden, zal VRBZO terugvallen op de gemeenten in de gemeenschappelijke regeling om de kosten te dekken.
4.1.2
Financiële kengetallen VRBZO
Het BBV schrijft voor dat we een aantal financiële kerngetallen standaard opnemen in de verplichte paragraaf Risicomanagement en Weerstandsvermogen. Dit doen we hieronder voor 2023. Financiële kengetallen conform BBV-richtlijn:
Jaarrekening 2022
Jaarrekening 2023
Begroot %
Netto schuldquote
38%
35%
40%
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte
38%
35%
40%
Solvabiliteitsratio
5%
10%
6%
Structurele exploitatieruimte
0%
0%
Grondexploitatie
n.v.t.
n.v.t.
Belastingcapaciteit
n.v.t.
n.v.t.
leningen
De netto schuldquote is lichtelijk gedaald ten opzichte van vorig jaar. De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de veiligheidsregio ten opzichte van de eigen middelen. Daarmee geeft het een indicatie van de mate waarin de rente en aflossingen op de exploitatie drukken. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het totale vermogen. De solvabiliteitsratio is gestegen ten opzichte van vorig jaar. 4.1.3
Weerstandsvermogen en –capaciteit
Het weerstandsvermogen is het vermogen van de organisatie om (financiële) risico’s op te vangen. Het vormt als beheersmaatregel het sluitstuk van risicomanagement. Het weerstandsvermogen geeft de financiële robuustheid aan van de begroting, de jaarrekening en de financiële positie. De ratio weerstandsvermogen is de verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit (gekwantificeerde risico’s). De weerstandscapaciteit wordt gevormd door de gemeenschappelijke middelen (reserves) en is bedoeld om niet begrote kosten te dekken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de incidentele en structurele weerstandscapaciteit. Incidentele weerstandscapaciteit De incidentele weerstandscapaciteit is het vermogen dat ingezet kan worden om eenmalige tegenvallers op te vangen. De middelen die dat vermogen bepalen zijn:
38
Jaarstukken 2023
•
de algemene reserve en de reserves waaraan het Algemeen Bestuur een bestemming heeft gegeven die kan worden gewijzigd (bestemmingsreserves);
•
de in de begroting opgenomen ramingen voor onvoorziene uitgaven voor zover hier nog geen bestemming aan is gegeven;
•
de stille reserves, voor zover deze op korte termijn materieel te maken zijn (reserves waarvan de omvang en/of het bestaan niet uit de balans blijkt, voortkomend uit de onderwaardering van activa of overwaardering van schulden bij het volgen van normale waarderingsmethoden).
Behalve de algemene reserve heeft VRBZO geen andere (stille) reserves of risicoposten in de begroting die kunnen dienen als incidentele weerstandscapaciteit. De hoogte van de algemene reserve is op verzoek van de diverse besturen met de andere grote gemeenschappelijke regelingen vastgesteld. Hierbij is een bandbreedte voor de omvang van de algemene reserve bepaald op basis van de omvang van de begroting. In het geval van VRBZO is deze bandbreedte € 2,0 – 2,4 miljoen. Zoals in paragraaf 4.1. Risicomanagement en weerstandvermogen is aangegeven hebben wij besloten om de bandbreedte van de nieuwe begroting alvast aan te houden, deze ligt tussen de 2,4 en 3,2 miljoen. Structurele weerstandscapaciteit De structurele weerstandscapaciteit heeft betrekking op het vermogen om onverwachte tegenvallers structureel in de lopende begroting op te vangen, zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van bestaande taken. De middelen die dat vermogen bepalen zijn: •
bezuinigingsmogelijkheden (voor zover nog niet meegenomen in de begroting en meerjarenramingen);
•
cumulatief geraamde onvoorziene uitgaven;
•
de resterende (onbenutte) belastingcapaciteit (niet van toepassing voor VRBZO).
Op basis van de cijfers uit de jaarrekening 2023 levert dit de volgende weerstandscapaciteit op: 2023 Incidentele weerstandscapaciteit Algemene reserve
€
3.261.747
Bestemmingsreserves
€
0
Stille reserves
€
0
Totale incidentele weerstandscapaciteit (a)
€
3.261.747
Structurele weerstandscapaciteit
€
0
Cumulatief geraamde onvoorziene uitgaven
€
0
Totale structurele weerstandscapaciteit (b)
€
0
Totale weerstandscapaciteit (a + b)
€
3.261.747
39
Jaarstukken 2023
4.2
Financiering
In de financieringsparagraaf komen onderwerpen aan de orde die behoren tot het geldstromenbeleid van VRBZO. Uitgangspunten voor dit beleid zijn intern vastgelegd in de financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet en in het treasury statuut. In overleg met de 4 gemeenschappelijke regelingen in Zuidoost-Brabant is één model van financiële verordeningen, treasury statuten en ‘Nota activeren, waarderen en afschrijven’ opgesteld. Deze zijn in 2019 en december 2022 door het Algemeen Bestuur vastgesteld. 4.2.1
Renterisicomanagement
Renterisicomanagement is een van de grootste aandachtsgebieden van de Wet FIDO. In deze paragraaf gaan we in op de renterisico’s en het beleid, dat is verbonden met de uitvoering van de treasury functie. Vanuit de optiek van de Wet FIDO zien we renterisico’s op de korte en op de langere termijn. Renterisico op korte termijn: de kasgeldlimiet Met de kasgeldlimiet is in de wet financiering decentrale overheden (FIDO) een norm gesteld voor het maximumbedrag, waarop VRBZO haar financiële bedrijfsvoering via middelen met een looptijd van maximaal een jaar mag financieren. De kasgeldlimiet is een voorgeschreven sturings- en verantwoordingsinstrument om het renterisico op de korte schuld te beperken. Als grondslag van de wettelijk toegestane omvang van de kasgeldlimiet wordt de omvang van de jaarbegroting per 1 januari voor het gehele begrotingsjaar aangehouden. Voor gemeenschappelijke regelingen bedraagt het percentage voor de berekening van de kasgeldlimiet 8,2% dat voor onbepaalde tijd is vastgesteld. Toetsing vindt plaats door het berekende bedrag te vergelijken met de werkelijke omvang van de kasgeldlimiet. Indien de werkelijke omvang lager is dan wettelijk toegestane omvang, is er sprake van ruimte; indien de werkelijke omvang hoger is dan is er sprake van overschrijding. Toets kasgeldlimiet Omvang begroting per 1 januari (=grondslag) 54.076.891
Bedragen in euro's per kwartaal Q1
Q2
Q3
Q4
4.434.305
4.434.305
4.434.305
4.434.305
8,20%
8,20%
8,20%
8,20%
- in bedrag
4.434.305
4.434.305
4.434.305
4.434.305
2. Omvang vlottende korte schuld
5.000.000
0
0
0
Opgenomen gelden < 1 jaar
5.000.000
0
0
0 0
0
Schuld in rekening-courant
0
0
1. Toegestane kasgeldlimiet - in procenten van de grondslag
Gestorte gelden door derden < 1 jaar
0
0
0
0
3. Vlottende middelen
7.682.688
4.879.270
5.819.723
4.774.569
Contante gelden in kas
1.009
1.274
393
746
7.681.679
4.877.996
5.819.330
4.773.823
0
0
0
0
Toegestane kasgeldlimiet (1)
4.434.305
4.434.305
4.434.305
4.434.305
Totaal netto vlottende schuld (2)-(3)
-2.682.688
-4.879.270
-5.819.723
-4.774.569
Ruimte (+)/Overschrijding (-)
7.116.993
9.313.575
10.254.028
9.208.874
Tegoeden in rekening-courant Overige uitstaande gelden < 1 jaar 4. Toets kasgeldlimiet
40
Jaarstukken 2023
De Ratio weerstandvermogen bedraagt 0,61 over 2023. In paragraaf 4.1.1. duiden we onze conclusie over dit cijfer. Renterisico op langere termijn: de renterisiconorm VRBZO loopt renterisico op het moment dat nieuwe leningen moeten worden aangetrokken (herfinanciering) of als een renteherziening van toepassing is. Om het renterisico te beheersen is in de Wet FIDO de renterisiconorm geformuleerd. Het doel van deze norm is om overmatige afhankelijkheid van het renteniveau in één bepaald jaar te voorkomen, één en ander ter bescherming van de financiële positie. Met deze norm bevordert de Wet FIDO een solide financieringswijze bij openbare lichamen. Conform voorschrift van de geactualiseerde Wet FIDO wordt het renterisico in onderstaande tabel voor de komende 4 jaar bepaald, terwijl de renterisiconorm alleen betrekking heeft op het totaal van de rekening van het komende jaar. De norm schrijft voor dat maximaal 20% van het begrotingstotaal in een bepaald jaar gebruikt mag worden voor aflossing waarbij rekening wordt gehouden met de renteverandering van leningen. VRBZO voldoet hieraan voor elk van de vier jaarschijven. Renterisiconorm Grondslag
2023
2024
2025
2026
Omvang begroting
€ 54.076.891
€ 61.000.000
€ 60.800.000
€ 60.800.000
20% norm
€ 10.815.378
€ 12.200.000
€ 12.160.000
€ 12.160.000
Aflossing
€ 2.815.199
€ 2.723.333
€ 2.723.333
€ 2.100.000
Renteverandering
€0
€0
€0
€0
Totaal
€ 2.815.199
€ 2.723.333
€ 2.723.333
€ 2.100.000
Ruimte
€ 8.000.179
€ 9.476.667
€ 9.436.667
€ 10.060.000
Toetsing
Rentevisie VRBZO baseert haar rentevisie op die van de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG).
4.3
Onderhoud kapitaalgoederen
4.3.1
Gebouwbeheer
De gebouwen die in beheer zijn van VRBZO kunnen we onderverdelen in diverse categorieën, te weten: •
huur van de gemeenten (32 gebouwen);
•
huur van derden (1 gebouw);
•
in eigendom van VRBZO (1 gebouw);
•
tijdelijk in eigendom van VRBZO (2 gebouwen);
•
tijdelijk in eigendom van VRBZO door een Vereniging van Eigenaren (2 gebouwen).
De overname van de kazernes jonger dan 10 jaar was noodzakelijk om te voorkomen dat (een deel van) de BTWcompensatie die de gemeenten teruggevorderd hebben bij de belastingdienst ten tijde van de bouw, moest worden terugbetaald. Met de betreffende gemeenten is afgesproken dat, zodra de BTW-herzieningsperiode is verlopen, deze gebouwen worden terug geleverd tegen de dan geldende boekwaarden. Omdat de gemeenten op termijn weer eigenaar worden is het groot onderhoud van deze kazernes bij de gemeenten belegd.
41
Jaarstukken 2023
4.3.2
Investeringsbeleid
VRBZO hanteert een meerjarige investeringsbegroting. Uitgangspunt daarin is dat investeringen worden vervangen op het moment dat zij economisch volledig zijn afgeschreven. De vervangingswaarde wordt bepaald op basis van een jaarlijkse indexering. Alleen als op basis van recent aangeschafte vergelijkbare producten de aanschafprijs fors afwijkt dan wordt de meeste courante marktprijs gehanteerd. Begrotingstechnisch worden investeringen in het jaar geraamd aansluitend aan het moment dat het oude activum is afgeschreven. Zodra de vervanging dichterbij komt, wordt de begroting aangepast aan de inhoudelijke planning. Werkelijke aanschaf van investeringsgoederen worden geactiveerd op 1 januari na het moment van ingebruikname.
42
Jaarstukken 2023
4.4
Verbonden partijen
Een organisatie wordt gezien als een ‘verbonden partij’ als VRBZO belanghebbende is bij de organisatie, zowel vanuit bestuurlijk als financieel oogpunt. VRBZO had op 31 december 2023 zelf geen verbonden partijen. VRBZO zelf is een samenwerkingsverband op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan 21 gemeenten deelnemen. De deelnemende gemeenten zorgen dat VRBZO over voldoende (financiële) middelen beschikt om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen, waarmee de exploitatie en het afdekken van financiële risico’s gewaarborgd is. Ook hebben gemeenten een bestuurlijk belang in onze organisatie. Hierdoor is VRBZO een verbonden partij voor de 21 gemeenten.
4.5
Bedrijfsvoering
In de paragraaf bedrijfsvoering wordt een nadere duiding gegeven aan fouten en onzekerheden die onderdeel uitmaken van de rechtmatigheidsverantwoording. Daarnaast wordt toegelicht welke maatregelen het Dagelijks Bestuur neemt om fouten en onzekerheden (in de toekomst) te voorkomen. Ten slotte bespreken we in deze paragraaf kort wat relevante thema’s over de bedrijfsvoering van onze organisatie. 4.5.1
Rechtmatigheidsverantwoording
Met ingang van het boekjaar 2023 is VRBZO verplicht om zelf een rechtmatigheidsverantwoording op te stellen. Hiermee legt het Dagelijks Bestuur zelfstandig verantwoording af over de geldende wet- en regelgeving bij de totstandkoming van de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten, alsmede de balansmutaties, rechtmatig tot stand zijn gekomen. Dit houdt in dat deze in overeenstemming zijn met door de Algemeen Bestuur vastgestelde kaders zoals de begroting en verordeningen en met bepalingen in de relevante wet- en regelgeving. In 2023 heeft het Algemeen Bestuur besloten om de paragraaf ‘rechtmatigheidsverantwoording’ toe te voegen aan de financiële verordening. Voor de rechtmatigheidsverantwoording zijn de volgende criteria getoetst: begrotingscriterium, voorwaardencriterium en het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium. Zie Bijlage Rechtmatigheidsverantwoording voor de volledige rechtmatigheidsverantwoording. Het begrotingscriterium heeft betrekking op de grenzen van de baten en lasten in de geautoriseerde begroting. De begroting wordt bewaakt door de planning & control-cyclus. Begrotingswijzigingen vinden 3 à 4 keer per jaar plaats, en worden door het Algemeen Bestuur geautoriseerd. Zie ook hoofdstuk 5.2 Begrotingswijzigingen 2023. De begroting is vastgesteld op programmaniveau.
Het voorwaardencriterium heeft betrekking op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving, zoals de Aanbestedingswet. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium heeft betrekking op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en eigendommen bij financiële beheershandelingen. Het Algemeen Bestuur heeft een verantwoordingsgrens vastgesteld waarboven het Dagelijks Bestuur de afwijkingen (fouten en onduidelijkheden) moet opnemen in de rechtmatigheidsverantwoording. De verantwoordingsgrens is vastgesteld op 3% van de totale lasten inclusief mutaties in de reserves en is daarmee vastgesteld op € 1.899.191. Alleen die bevindingen die boven de rapporteringsgrens uitkomen dienen gerapporteerd te worden aan het Algemeen Bestuur en vastgelegd in de rechtmatigheidsverantwoording. De rapporteringsgrens voor de veiligheidsregio is vastgesteld op €50.000.
43
Jaarstukken 2023
Het Algemeen Bestuur is van mening dat de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten en ook de balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen binnen de daarvoor gestelde verantwoordings- en rapporteringsgrens. Om in de toekomst aan de rechtmatigheidsverplichtingen te voldoen hebben wij als organisatie maatregelen genomen. Zo zal er op een hogere frequentie aandacht besteed worden aan de spendanalyse. De spendanalyse is een overzicht van alle crediteuren en de bestedingen van de afgelopen vier jaar. Dit levert managementinformatie op waarmee wij als organisatie het inkoopbeleid kunnen toetsen en verbeteren. De spendanalyse werd tot en met 2023 op jaarlijkse basis gemaakt. Met ingang van 2024 zal de spendanalyse dezelfde rapportagecyclus aanhouden als de Bestuursrapportage. Dat wil zeggen twee keer per jaar (april en augustus), en daarnaast blijft de spendanalyse aan het eind van het jaar in stand. Ook zal er drie keer per jaar een tussentijdse scan op de inkopen worden gemaakt. Dit stelt ons in staat om tijdig aanbestedingsoverschrijdingen te constateren en daarop te acteren. Daarnaast hebben wij de ambitie om de verbijzonderde interne controlefunctie binnen de organisatie te versterken. In de laatste maanden van 2023 hebben we vorderingen gemaakt op de vacante functie van AO/IC door deze gedeeltelijk intern in te vullen.
De ambitie is om voor de overige vacatureruimte een ervaren AO/IC functionaris aan te nemen. In het interne controleplan van 2023 wordt in de visie voor 2024 gesproken over het leggen van een nieuw fundament van de interne controle waarin zowel het ‘Three Lines Of Defence model’, als een nieuwe invulling van de beheersmaatregelen worden toegepast. 4.5.2
Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
De functionaris gegevensbescherming (FG) van de VRBZO heeft voor het jaar 2023 een jaarverslag opgesteld. Deze rapportage geeft aan welke activiteiten de FG het afgelopen jaar heeft uitgevoerd, zijn bevindingen en aanbevelingen daarbij en zijn speerpunten voor het komende jaar. De genoemde verbeterpunten waaronder opstellen van ontbrekende verwerkingsovereenkomsten, compleet maken verwerkingsregister en uitvoeren van diverse DPIA’s (risicoanalyses op verwerkingen) worden de komende periode opgepakt. 4.5.3
Arboveiligheid
Wij als werkgever doen ons best om te zorgen voor een fijne, prettige en goede arbeidsomgeving. Om de veiligheid en gezondheid van onze werknemers te waarborgen is het belangrijk om een actueel beeld van de Risico Inventarisatie & Evaluatie (RI&E) te hebben. In 2023 voerden we een actualisatie van de RI&E uit. In de RI&E staat beschreven welke arbeidsrisico’s van toepassing zijn en welke maatregelen er genomen gaan worden om de risico’s aan te pakken. Het afgelopen jaar zijn een aantal van de arbeidsrisico’s al aangepakt, zo is er onder andere werk verricht op het gebied van uitlaatgasemissie en legionellabeheersing. Uit de RI&E kwam naar voren dat niet alle stallingsruimten voldoen aan de gestelde eisen voor uitlaatgasemissie. Om als werkgever te voldoen aan de zorgplicht hebben we een beleidsafweging gemaakt en zijn vervolgens de afzuiginstallaties van alle kazernes gecontroleerd. De afzuiginstallaties die niet voldeden zijn aangepast. Hiermee voldoen we aan de inspanningsverplichting om te zorgen dat werknemers zo min mogelijk worden blootgesteld aan dieselmotoremissie. Daarnaast is er voor legionellabeheersing geconstateerd dat er geen duidelijk vastgesteld beleid aanwezig was. Na het ophalen van input bij enkele gemeenten en vakdeskundigen hebben we beleid kunnen vaststellen samen met een uitvoeringsplan en werkprotocol.
Afgelopen jaar heeft een tiental gemeenten als eigenaren van gebouwen een extra inspanning gedaan om de drinkwaterinstallatie op orde te brengen zodanig dat wij weer kunnen voldoen aan de norm.
44
Jaarstukken 2023
De andere verbeterpunten uit de RI&E worden zo spoedig mogelijk opgepakt. Sommige punten zullen relatief gezien met weinig inspanning kunnen worden opgelost, waar andere verbeterpunten projectmatig opgepakt zullen moeten worden. Hier zal de aankomende jaren scherper aandacht aan geschonken worden. 4.5.4
Informatieveiligheid
Om onze bedrijfscontinuïteit en dienstverlening te waarborgen is het van groot belang dat onze cybersecurity op orde is. Wij streven de baseline informatiebeveiliging overheid (BIO) na. De afdeling I&A heeft het afgelopen jaar veel activiteiten uitgevoerd om hier invulling aan te geven en in te spelen op de veranderende wetgeving in 2024. Waaronder het versterken van de chief information security officer (CISO) functie, het uitvoeren van GAP-analyses met bijbehorende plannen van aanpak en het contracteren van een cyber emergency response team (CERT). Er zijn echter nog diverse maatregelen te nemen om volledig te voldoen aan de BIO.
45
Jaarstukken 2023
4.6
Wet Open Overheid (WOO)
Ieder jaar ontvangt VRBZO tientallen verzoeken om documenten openbaar te maken. Hierbij wordt vaak gevraagd naar incidentrapporten, foto’s, opnamen, adviezen, e-mails, brieven, besluiten, enzovoort. Het juridische kader werd voorheen gevormd door de Wob (Wet openbaarheid bestuur). Vanaf 1 mei 2022 is de Wob vervangen door de Woo: de Wet open overheid. Het uitgangspunt is dat publieke informatie voor iedereen toegankelijk moet zijn. Het doel van de Woo is dan ook om informatie van de overheid zo toegankelijk en transparant mogelijk te maken. Informatie moet dus ook makkelijk te vinden zijn. Niet alleen journalisten, maar iedereen kan een verzoek om informatie indienen. VRBZO conformeert zich aan de landelijke planning en past de Woo toe bij de afhandeling van verzoeken om documenten openbaar te maken. Er is een projectgroep opgericht die de organisatiebrede invoering van de actieve openbaarmakingsplicht voorbereidt. Hierbij nemen de afdelingen Informatiemanagement en Automatisering, Communicatie en Bestuur- en Managementondersteuning het voortouw. Naast de verplichting om informatie op verzoek openbaar te maken, schrijft de Woo voor dat bepaalde informatie actief openbaar gemaakt moet worden. Deze bepaling is nog niet ingegaan, maar dit wordt in de aankomende jaren wel verwacht.
Voor de Woo geldt een inspanningsplicht, wat wil zeggen dat publieke organisaties zo veel mogelijk openbaar moeten maken, denk hierbij aan informatie over het beleid, inclusief voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving en evaluatie. De afgelopen tijd is de projectgroep aan de slag gegaan met het in kaart brengen van de categorieën documenten die straks actief openbaar gemaakt moeten worden. Deze categorieën bestaan uit: Weten regelgeving, organisatiegegevens, vergaderstukken en verslagen van het AB, agenda’s en besluitenlijsten van het DB, adviezen van adviescolleges, convenanten, jaarplannen en verslagen, Woo-verzoeken, onderzoeken, beschikkingen en klachten. Hier is een implementatieplan voor in gang gezet waarin staat welke stukken al openbaar gemaakt zijn, wat erbij komt en waar deze informatie vandaan gehaald kan worden. Ook zijn er voorbereidingen getroffen zodat de website klaar is om deze stukken goed zichtbaar te maken. Een andere wet die hiermee meteen behandeld wordt, is de Wet Modernisering Elektronisch Bestuurlijk Verkeer (WMEBV). Deze wet houdt in dat de burger digitaal berichten aan bestuursorganen (zoals VRBZO) kan sturen. De verwachting is dat deze wet op 1 juli 2024 in werking treedt. Dus de website moet tegen die tijd hierop aangepast zijn.
4.7
Crises in 2023: eerste opvang ontheemden Oekraïne
In februari 2022 brak in Oekraïne een oorlog uit waarna veel inwoners het land ontvluchtten. Zij vertrokken onder andere naar Nederland. De veiligheidsregio’s werden in maart 2022 door het kabinet aangewezen om de eerste opvang van vluchtelingen uit dit land te coördineren en faciliteren. Daarom zetten we een crisisorganisatie op om deze taak uit te voeren. Samen met gemeenten en andere (publieke en private) partners zochten we geschikte opvangplekken en maakten deze klaar voor de opvang van vluchtelingen in onze regio. In Eindhoven richtten we met de gemeente Eindhoven een ontvangstcentrum in voor de eerste opvang. Vanuit deze hub-locatie verdelen we de mensen over de opvangplekken in het land.
46
Jaarstukken 2023
Ook in 2023 was deze vorm van noodopvang nog nodig. Voor de bekostiging van de opvang door veiligheidsregio’s heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid een specifieke uitkering (SPUK) opgezet via het ‘bekostigingsbesluit eerste opvang ontheemden Oekraïne door veiligheidsregio’s’. VRBZO heeft ook in 2023 een beroep gedaan op deze SPUK-regeling. We kregen voor 2023 een voorschotbedrag toegekend van € 1.675.000 van het ministerie van JenV. De werkelijke kosten waren € 1.680.368, het verschil van € 5.369 tussen werkelijke kosten en ontvangen voorschot hebben we als nog te ontvangen post opgenomen. Over het jaar 2022 hadden we € 72.000 meer kosten dan we aan voorschot hadden ontvangen. Dit verschil is nog niet betaald door het Rijk. De eindafrekening over dit boekjaar vindt plaats in de zomer 2024 blijkt uit navraag. Hieronder een toelichting over de inzet van de belangrijkste betrokken partijen: •
De gemeente Eindhoven heeft de locatie ter beschikking gesteld voor de eerste opvang en die als hubfunctie hebben gefungeerd. Het gaat hierbij om de opvang op het terrein van Kentalis. De gemeente heeft kosten gemaakt om deze locatie geschikt te maken voor de opvang van vluchtelingen. Dit zijn de transitiekosten voor de inrichting van de locatie. Denk hierbij aan de benodigde infrastructuur (water, elektra, internet etc), sanitair en diverse bouwkundige aanpassingen voor privacy, inrichting van gebruiksruimtes en reparaties. Daarnaast zijn exploitatiekosten gemaakt voor met name facilitaire zaken; eten en drinken, verbruiksgoederen, vervoer van mensen en afval. Tot slot is ook ondersteunend personeel ingezet voor dagbesteding en facilitaire zaken zoals schoonmaak en maaltijden verzorgen. Een nadere toelichting van de gemaakte kosten is opgenomen in bijlage 8.4: Bijlage kosten gemeente Eindhoven eerste opvang ontheemden Oekraïne.
•
VRBZO was verantwoordelijk voor de leiding en coördinatie bij de eerste opvang van de Oekraïense vluchtelingen. Ook heeft VRBZO makelaars ingehuurd om te zoeken naar meer permanente huisvesting voor de vluchtelingen na de eerste noodopvang. Verder hebben enkele ondersteuners en tolken ingehuurd om gesprekken met vluchtelingen te begeleiden.
Kostensoort Meerkosten coördinerende gemeente Eindhoven
Opgave kosten VRBZO €
Hotels/centra
1.061.500
via gemeente Eindhoven
Overige specifieke meerkosten
€
647.500
Inhuur van makelaars, tolken en ondersteuners
€
643.000
Zorgkosten (coordinatie huisartsenzorg, EHBO/BHV, AED)
€
4.500
Overige Meerkosten
€
-28.500
Brandweerzorg repressie/incidentbestrijding Meldkamer
€
-
ROC (opleidingen)
€
-
GHOR / GGD (correctie kosten GGD 2022)
€
-42.950
Preventie
€
-
Crisisbeheersing & rampenbestrijding Risicobeheersing
€
-
Bevolkingszorg (projectleiding, coordinatie en bedrijfsvoering)
€
5.550
Overige taken/activiteiten (exploitatie)
€
8.900
Totale kosten 2023
€
1.680.500
Voorlopig toegekend voorschot bedrag 2023
€
1.675.000
47
Jaarstukken 2023
4.8
Crises in 2023: Crisisnoodopvang (CNO)
Naar aanleiding van de toenemende vluchtelingenstroom naar Nederland, werd in de zomer van 2022 besloten om de crisisnoodopvang van deze vluchtelingen te verdelen over de veiligheidsregio’s in Nederland. Wij hebben hier een crisisorganisatie voor opgezet. Na verloop van tijd bleek dat deze crisisnoodopvang een langere periode in beslag zou nemen dan in eerste instantie verwacht werd. Tot medio maart 2023 vingen we in onze regio vluchtelingen op in een groepsaccommodatie in Someren. Hiervoor werden kosten gemaakt: •
De grootste kostenpost bedroeg de beveiliging van de locaties. Er waren ten allen tijden minimaal 5 beveiligers aanwezig. Een aantal dat werd opgeschaald naarmate het aan vluchtelingen in de opvang toenam of daar noodzaak toe was vanwege de veiligheid van bewoners, personeel of omgeving.
•
Naast de beveiliging kostte ook de catering veel geld. De vraag voor 3 maaltijden per dag, 7 dagen per week, ook op feestdagen leverde een complex aanbestedingsdossier op waar slechts 1 inschrijver voor was. Dit zorgde ervoor dat het kostenplaatje voor de catering relatief hoog was.
•
De CNO locatie in Someren was een commerciële groepsaccommodatie waar we huur betaalden.
•
Overige kosten bestaan uit onder meer inhuur van personeel als locatiemanager of ondersteuning, intern doorbelaste uren vanuit VRBZO, schoonmaak, kosten voor taxi’s, huur van goederen als douchecabines, mobiele toiletten en andere facilitaire kosten.
•
Onder de kosten voor Algemeen CNO vallen kosten die zijn gemaakt voor het zoeken van locaties, algemene ondersteuning en overige kosten die niet direct aan een locatie toe te wijzen zijn.
Totale kosten in 2023 bedroegen € 2.163.478,02. Deze kosten zijn door het COA volledig vergoed. In afstemming met het COA is over 2023 een finale kwijting overeen gekomen. Dit houdt in dat de declaratie voor 2023 volledig is afgerond en het COA hier volledig akkoord mee is.
48
Jaarstukken 2023
5. Begroting 2023 5.1
Primaire begroting 2023
De begroting VRBZO 2023 is opgesteld in lijn met de uitgangspunten zoals vastgesteld in het Algemeen Bestuur d.d. 16 december 2021. De begroting is vastgesteld in het Algemeen Bestuur d.d. 7 juli 2022.
5.2
Begrotingswijzigingen 2023
In 2023 zijn 4 begrotingswijzigingen door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Hieronder worden per wijziging de redenen benoemd: 5.2.1
1e begrotingswijziging
In de 1e begrotingswijziging van 2023 is een aanvullende verhoging van de gemeentelijke bijdrage aangebracht. In 2022 en 2023 is de inflatie hoger dan gemeenten vooraf compenseerden met de indexering van de gemeentelijke bijdrage. In het najaar van 2022 bespraken we met het Dagelijks Bestuur hoe we hier het beste mee om kunnen gaan. Besloten is toen om zodra de nieuwe cao in 2023 is vastgesteld, een begrotingswijziging voor 2023 van de gemeentelijke bijdrage op te stellen. In die wijziging nemen we alle onderdelen van de structurele kostenstijging mee. De inflatie heeft effect op vijf verschillende soorten kosten: loonkosten, gas- en elektrakosten, motorbrandstof, overige exploitatiekosten en kapitaalslasten. Per kostensoort wordt het effect van inflatie hieronder onderbouwd. 1) Loonkosten De loonkosten van onze organisatie worden bepaald in de CAR-UWO Veiligheidsregio’s. We volgen dus niet de CAO Gemeenten of de daaraan gelieerde CAO SGO. Er is inmiddels een onderhandelaarsakkoord wat bruikbaar is als basis voor deze analyse. Voor 2023 komen de kosten uit op €2.395.800 en structureel op €2.855.240. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat de loonstijging pas in 2024 pensioengevend is. 2) Gas- en elektrakosten Onze gas- en stroomlevering heeft een langlopend contract waarvan de prijzen vlak voor de grote prijsstijgingen zijn vastgezet tot en met eind 2023.
Op dit moment hebben we daardoor geen last van de hoge gas- en elektraprijzen. Het perspectief voor 2024 is nog onzeker. Op dit moment loopt de aanbesteding van een nieuw contract. We zijn hierbij aangesloten bij de aanbesteding die door BIZOB wordt geleid. Voor nu gaan we er van uit dat de reguliere indexering volstaat om de energiekosten van het nieuwe contract in 2024 op te vangen. We houden daarom geen rekening met een stijging van gas- en stroomkosten. 3) Motorbrandstof Onze organisatie gaf de afgelopen jaren steeds ongeveer €320.000 uit aan motorbrandstof. De prijzen van diesel, de brandstof waar bijna al onze voertuigen op rijden, zijn in 2 jaar tijd landelijk met 60% tot 70%. Inmiddels geven we €480.000 uit aan motorbrandstof. Dit komt overeen met een prijsstijging van 50% of €160.000. Voorgesteld wordt de werkelijke prijsstijging van 50% aan te houden voor deze notitie. 4) Overige exploitatiekosten Het merendeel van de grote contracten worden eenmaal per jaar geïndexeerd op basis van de CBS prijsindexstatistieken. Het inflatiecijfer van eind 2022 vormt daarmee voor veel grote contracten de basis voor de
49
Jaarstukken 2023
nieuwe tarieven voor 2023. Een kleinere groep contracten wordt ook jaarlijks geïndexeerd, maar op andere momenten. Tot slot zijn er ook enkelen waarvoor actuele marktprijzen leidend zijn, denk aan de inhuur van tijdelijk personeel. Bij de contracten die op basis van een vaste aankondiging worden geïndexeerd komen we uit op een gemiddelde prijsstijging van 7,9%. Dit percentage ligt net wat hoger dan consumenten prijsinflatie, exclusief energie en brandstof van eind 2022, maar ligt onder de stijging van industriële prijzen. Een deel van onze inkoop sluit aan bij wat consumenten inkopen, denk aan kantinebenodigdheden. Een ander deel van onze inkopen zijn industrieel, denk aan onderhoudsmiddelen en gebruiksartikelen voor brandbestrijding en hulpverlening. Gezien ons inkooppatroon is het daarmee logisch dat we een prijsstijging ervaren die tussen de beide inflatiecijfers ligt. We stellen daarom voor om voor deze categorie 7,9% inflatie aan te houden. 5) Kapitaalslasten Het effect van de inflatie op kapitaalslasten is minder direct dan die op de overige categorieën. Afschrijvingen gaan immers pas toenemen op het moment dat nieuwe investeringen worden uitgevoerd. Ook proberen we onze leningen aan te laten sluiten op de afschrijftermijn van de investeringen waardoor de rentestijging vooral merkbaar wordt zodra we een nieuwe lening nodig hebben.
Ter illustratie, als we onze lopende leningen tegen de actuele rentes zouden oversluiten stijgt de rente met een factor 2,5 tot 3. We betalen dan ongeveer €325.000 meer rente dan nu. Naar verwachting hoeven we dit jaar nog geen grote nieuwe leningen af te sluiten. In 2024 verwachten we wel een nieuwe grote lening nodig te hebben. Het is nog onbekend hoe de rente zich zal ontwikkelen. We laten de renteontwikkeling daarom voor nu buiten beschouwing. Wel ervaren we al problemen met de hoogte van onze investeringskredieten. De ontwikkeling van de industriële prijzen zijn veel harder gestegen dan die van consumentenprijzen. In de afgelopen vier jaren zijn die prijzen toegenomen met 35,8%. Tot nu toe zijn we uitgegaan van een inflatie van 6,24% op prijzen in dezelfde periode. Op basis van deze gemiddelde prijsstijging zou je verwachten dat we 29,56% “tekort” komen bij onze investeringsbudgetten. Dit sluit aan op ons eigen beeld. Zo hebben we het krediet voor de aanbesteding van schuimblusvoertuigen recent met 24% moeten verhogen. Ook is deze situatie te herkennen bij bijvoorbeeld Veiligheidsregio Limburg Noord, waar alle kredieten vorig jaar met 30% zijn verhoogd. We stellen daarom voor onze kredieten met 29,56% te verhogen. Ook de kapitaalslasten zullen (op termijn) met eenzelfde percentage stijgen en bijna €1,5 miljoen hoger uitkomen.
Lastig daarbij is dat de kapitaalslasten pas stijgen zodra de bestaande activa vervangen worden. Om de gemeentelijke bijdrage niet nu al onnodig te verhogen zullen de komende jaren nog geregeld een bijstelling moeten doen vanwege de gestegen kapitaalslasten. Bijdrage uit andere inkomsten en reeds ontvangen indexering VRBZO stelt voor om de stijging van de kosten op te vangen met een verhoging van de gemeentelijke bijdrage. Niet de gehele stijging hoeft te worden opgevangen met een extra gemeentelijke bijdrage. Er is immers al indexering toegekend voor 2023. Die brengen we uiteraard eerst in mindering op de kostenstijging. Ook ontvangen we de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) van het Rijk. Deze wordt ook jaarlijks geïndexeerd. Helaas wordt de omvang van deze indexering altijd pas in de loop van het jaar bekend gemaakt. Voor nu kunnen we aannamen dat de stijging overeenkomt met de door ons ervaren stijging van de kosten voor 2023, dus 6,78%. Ook op de overige inkomsten passen we indexering toe. Echter, ook hier was een deel van de indexering wel al opgenomen in de begroting. Uit beide inkomstenstromen verwachten we een extra indexering van €352.298. Vanuit gemeenten hebben we eerder al €905.266 indexering ontvangen voor 2023. In totaal hoeven daarmee €1.257.564 niet via de aanvullende indexering te verrekenen.
Voor 2024 gaan we uit van een extra toe te passen indexering
50
Jaarstukken 2023
op overige inkomsten van €464.820, ten opzichte van de begroting 2022. Dit bedrag komt dus in de plaats van de €352.298 en er niet bovenop. Wijziging samenvattend Op basis van de analyse is een verhoging van de gemeentelijke bijdragen toegepast van €2.408.186 in 2023, oplopend tot €3.115.104 in 2027, alle bedragen prijspeil 2023. Bovenop de verhoging van de gemeentelijke bijdragen zijn ook de geplande investeringen verhoogd met 29,56%. De kredieten voor andere jaren zijn ongewijzigd. 5.2.2
2e begrotingswijziging
In de 2e begrotingswijziging zijn een drietal wijzigingen van de begroting aangebracht. Deze betreffen de medisch assistenten voertuigen, verbouwing ROC en vervanging AED’s. 1) Medisch assistenten voertuigen In onze regio zijn 5 eenheden voor medisch assistenten (voorheem ‘first responders’ genoemd) in de operatie actief. Het gros van de kosten bestaan uit kosten van voertuigen en personele kosten. Deze voertuigen moeten om technische redenen in 2023 worden vervangen. De kosten worden gedekt door overeenkomsten die we hebben met de GGD. Hiermee is de taak kostendekkend. Onlangs is een overeenkomst met de GGD gesloten over de financiering van de komende jaren. We hadden op basis van het oude contract € 80.000 inkomsten voor de medisch assistenten. In het nieuwe contract is ook de dekking van de kosten voor de inzet in Gemert-Bakel opgenomen. Op basis van het nieuwe contract hebben we €107.251 aan inkomsten. De extra inkomsten bedragen dus € 27.251, waarvan € 15.000 voor de extra kapitaalslasten van de nieuwe voertuigen en € 12.251 kosten voor de exploitatie van de auto (inclusief personeelskosten) en indexering van kosten. 2) Verbouwing ROC In het Regionaal Opleidingscentrum (ROC) in Waalre is extra logistieke ruimte nodig om voorraden voor trainingen en andere materialen veilig te kunnen opslaan. Daarvoor willen we een entresolvloer installeren in het magazijn.
Daarnaast worden diverse andere onderhoudswerkzaamheden aan onder andere de vloer, elektra en verlichting uitgevoerd. We willen de werkzaamheden graag dit jaar en in 1 keer uitvoeren, daarom willen het bouwkundig budget van het ROC dat voor 2024 in de begroting staat naar 2023 halen. 3) Vervanging AED’s Voor dit jaar stond de vervanging van automatische externe defibrillators (AED) in de begroting. De technische staat van de apparaten is nog voldoende. Om deze reden stellen we voor om dit krediet door te schuiven naar volgend jaar en de technische staat op dat moment opnieuw te beoordelen. 5.2.3
3e / 4e begrotingswijziging
De 3e en 4e begrotingswijziging hebben we samengevoegd en worden in deze paragraaf toegelicht. De hoofdpunten van deze begrotingswijzigingen zijn: •
Extra inkomsten en besteding BDuR gelden.
•
Inkomsten en besteding voor eerste opvang vluchtelingen Oekraïne.
•
Interne verschuivingen.
1) Inkomsten en besteding extra BDuR Het rijk heeft besloten dat Nederland niet goed is voorbereid op de rampen en crises van de toekomst. Om dit beter aan te kunnen heeft het Kabinet besloten extra financiering beschikbaar te stellen aan veiligheidsregio’s via de
51
Jaarstukken 2023
brede doeluitkering rampenbestrijding (BDuR). Dit extra structurele budget is bedoeld voor de versterking van de (boven)regionale en landelijke crisisbeheersing en bedraagt €46 miljoen in 2023 oplopend tot €83 miljoen vanaf 2026. Deze ophoging van het budget is er vooral op gericht dat veiligheidsregio’s met het Rijk en andere partners beter in staat worden gesteld zich voor te bereiden op toekomstige (langdurige) (bovenregionale) rampen en crises door het fundament te versterken en te investeren in het netwerk, uitvoeringscapaciteit, platform en de informatiefunctie. Voor VRBZO betekent dat een structurele verhoging van de BDuR van het Rijk van €1,4 miljoen in 2023 tot €2,5 miljoen in 2026. De exacte verhoging en verdeling in de tussenliggende jaren wordt in juli van het jaar ervoor door het ministerie JenV bekend gemaakt. Hierbij heeft het Rijk aangegeven dat besteding van de extra BDuR verband moet houden met het verstevigen van crisisbeheersing en informatiemanagement, en zij het niet logisch achten dat al bestaande financiële knelpunten met deze geldstroom worden verbeterd. VRBZO ontwikkelde plannen om de extra beschikbaar gestelde BDuR gelden te besteden. Veel van de inhoudelijke ontwikkelingen benoemden we al in de visie 2025, de uitvoeringsagenda’s en begrotingen. Het grootste deel van de extra middelen komen ten goede aan het programma Veiligheid.