Ruimtelijke onderbouwing & bijlages Rijssensestraat 116 Nijverdal
Tekst van het document
Geluidsgevoelige gebouwen In artikel 3.21 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid
Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
29
•
woningen
•
Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
•
Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl.
In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In figuur 4.2 zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.
FIGUUR 4.2: TABEL 5.78T/5.75U: STANDAARDWAARDE EN GRENSWAARDE GELUIDGEVOELIGE GEBOUWEN (BKL)
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.
Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden.
worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
30
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Geluid door activiteiten In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. In artikel 5.65 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan. In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Toets Wegverkeerslawaai en spoorwegen Met dit project wordt een appartementengebouw met zes appartementen mogelijk gemaakt. Woningen zijn geluidgevoelige objecten. Het projectgebied is niet gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van een spoorweg. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet noodzakelijk. Het projectgebied bevindt zich wel in het geluidaandachtsgebied van de Rijssensestraat
bijlage 3).
◼
Uit de resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB ten gevolge van de Rijssensestraat wordt overschreden ter plaatse van meerdere gevels. De hoogste geluidbelasting bedraagt 58 dB;
31
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
en de Bremweg. Om die reden is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
◼
De geluidbelasting t.g.v. de Bremweg overschrijdt de standaardwaaarde van 53 dB alleen op de begane grond van de zuidoostgevel;
◼
Maatregelen om de geluidreductie terug te dringen tot aan de standaardwaarde stuit op overwegende bezwaren van financiële en stedenbouwkundige aard;
◼
Het is realistisch om hogere waardes toe te staan dan de standaardwaarde;
◼
Uit de berekeningen blijkt dat de gezamenlijke geluidbelasting de 53 dB overschrijdt ter plaatse van de zuidoostgevels, noordwestgevel en noordoostgevels van de appartementen. De hoogste geluidbelasting bedraagt 59 dB. Daarmee wordt voor de betreffende gevels niet voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Extra geluidwerende voorzieningen zijn voor de appartementen noodzakelijk. Dit moet in een gevelweringonderzoek worden aangetoond.
Industrielawaai In de nabijheid van het projectgebied vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats die mogelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen binnen het projectgebied. Daarnaast worden met de uitvoering van dit project geen activiteiten toegestaan die mogelijk effect hebben op de nabijgelegen gevoelige bestemmingen. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk.
Onderzoek gevelwering Uit het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is gebleken dat het gezamenlijk geluid op de appartementen hoger is dan de standaardwaarde. Om die reden is met een onderzoek (zie bijlage 4) de benodigde karakteristieke geluidwering van de gevels van de maatgevende appartementen berekend.
Uit de reken resultaten is gebleken dat voldaan kan worden aan de vereiste karakteristieke geluidwering.
32
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
In onderstaande tabel staan de rekenresultaten weergegeven.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘geluid’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
04.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
•
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit
33
•
beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
•
ammoniakemissies van veehouderijen;
•
geologische opslag van CO2.
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
leefomgeving (Bkl). Deze gaan over:
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
•
woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
•
kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen.
Toets Met dit project wordt een appartementengebouw met zes appartementen mogelijk gemaakt. Als gevolg hiervan zullen 30 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In figuur 4.3 is de
34
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
worst-case berekening weergegeven met 30 verkeersbewegingen.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
FIGUUR 4.3: WORST-CASE BEREKENING VOOR BIJDRAGE VAN EXTRA VERKEER (BRON: INFOMIL.NL)
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
04.6 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; •
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
•
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
35
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
•
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
•
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig
veiligheidsrisico’s (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een
36
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: •
Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
•
Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
•
Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
•
Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Toets Aan de hand van de ‘Risicokaart Nederland’ is een inventarisatie verricht van de mogelijk aanwezige risicobronnen rond het plangebied. Op de risicokaar staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Figuur 4.4 toont een uitsnede van de ‘Risicokaart Nederland’ met het projectgebied in het zwart
FIGUUR 4.5: UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND (BRON: ATLAS LEEFOMGEVING)
37
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
omcirkeld.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er op een afstand van ca. 96 m ten noorden van het projectgebied een risicobron aanwezig is. Het gaat hier om het ‘Slooijer’ aan de Rijssensestraat 110. Voor deze risicobron gelden geen risicocontouren. De projectlocatie bevindt zich dan ook op voldoende afstand.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘omgevingsveiligheid’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling van het appartementengebouw.
04.7 Natuurwaarden Gebiedsbescherming Natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Dit volgt expliciet uit artikel 1.2 lid 2 onder h van de Omgevingswet. Dit houdt in dat beoordeeld moet worden wat de gevolgen van de met een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijke gemaakte ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelen van beschermde natuurgebieden die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en faunaactiviteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er
voorgeschreven.
Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
38
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: •
de leefgebieden van vogels;
•
de natuurlijke habitats of habitats van soorten;
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.
Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet
Soortenbescherming In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen
39
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: •
Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
•
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
•
Andere soorten (artikel 11.54 Bal).
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en faunaactiviteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.
Tot slot geldt een algemene specifieke zorgplicht. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Toets In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan natuurwaarden (zie bijlage 5) en een bomen effect analyse (zie bijlage 6) uitgevoerd. Uit de quickscan natuurwaarden en de bomen effect analyse zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen.
Quickscan natuurwaarden De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor
fauna activiteit vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare,
40
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een omgevingsvergunning flora- en
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Het aspect stikstofdepositie wordt onder het volgende kopje behandeld. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vogels en vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden
Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling
41
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Geconcludeerd kan worden dat er op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.
Bomen effect analyse Ten oosten van de projectlocatie staat een eik, welke mogelijk binnen de invloedssfeer van het project staat. Om de invloed van de voorgenomen werkzaamheden op de nabij staande boom te kunnen bepalen is een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd (zie bijlage 6).
Ten aanzien van de ondergrondse ontwikkeling van de boom zal de projectinvloed beperkt zijn. De graafwerkzaamheden zullen buiten de stabiliteitskluit van de boom plaatsvinden. Daar komt bij dat de wortelintensiteit hier laag is en volgens bijgesloten bomenposter wortels hier haaks op de wortelontwikkeling kunnen worden ingenomen.
Ten aanzien van de bovengrondse ontwikkeling van de boom bevindt het bouwblok zich binnen de kroonprojectie van de boom, waardoor bij een hoogbouw als deze dat een knelpunt oplevert. ◼
Volgens de metingen en de maatvoeringen zoals is aangegeven, respectievelijk de gemeten afstand hart boom tot huidige bebouwing (7.60 meter) en afstand hart boom tot nieuwe gevel (7.88 meter) zal de huidige straal van de kroon (8.2 meter) een conflict opleveren. Boomtechnisch gezien (zonder afbreuk te doen aan de natuurlijke habitus) kan de kroon van de boom aan deze zijde teruggebracht worden naar 7 meter. Dit betekent dat er zo’n 0.88 m tussen kroon en gevel overblijft.
◼
De kroonhoogte is 4 – 4.5 meter, gemeten vanaf het maaiveld. Boomtechnisch gezien (zonder afbreuk te doen aan de natuurlijke habitus) kan de kroonhoogte naar 5 tot 5,5 meter
In beide gevallen dient de ruimtelijke snoei uitgevoerd worden door een vaktechnisch boomverzorger. Wel dient opgemerkt te worden dat het doorgaans gebruikelijk is om 1,5 tot 2 meter buiten de kroonprojectie geen bouwwerken te realiseren, ook in verband met ‘benauwend gevoel’ als de takken tot nagenoeg aan de geval zouden rijken. Ook dient afgevraagd te worden of de ruimte tussen de nieuwe gevel en te snoeien kroon afdoende is om een steiger te plaatsen.
42
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
gebracht worden.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Voor het herprofileren van de verharding, kan de bestaande ondergrond gebruikt worden, waar nodig met het aanbrengen van een aanvullend laagje zand op de plekken waar het ongelijk is. Voor de bescherming van boom en standplaats (plantvak) verdient het de aanbeveling om bijgevoegde richtlijnen voor het werken nabij bomen op het werk van toepassing te verklaren en deze op de bouwplaats en in de keet zichtbaar op te hangen.
Aanvullend wordt geadviseerd om de groeiplaatsomstandigheden, inbegrepen de bodemvoedingstoestand, te verbeteren door binnen de kroonprojectie de ondergrond met inzet van een stabiel organische meststof (veelal wormenmest) te bemesten. Door dit pneumatisch toe te passen, kan deze goed in de ondergrond verdeeld worden. Zowel de bodemvoedingstoestand wordt verbeterd, maar ook het vochthouden en vochtleverend vermogen. De boom kan het seizoen volgend op de bouwwerkzaamheden zich herstellen.
Geconcludeerd kan worden dat de ligging van het projectgebied nabij de eik geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
Stikstofdepositie Het voorgenomen plan voorziet in de sloop van bestaande bebouwing en de nieuwbouw van een appartementencomplex en drie grondgebonden woningen. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen: •
Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig.
•
Voor het bouwen is een bouwmelding nodig.
•
Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m³ aan afval vrijkomt.
•
Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag
o
de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl)
o
de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling).
43
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
toegestuurd worden met:
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator. In het kader van dit project is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te berekenen.
Toets stikstofdepositie In het kader van de stikstofdepositie is voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een AERIUSberekening uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit de AERIUS-berekening zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.
Aanlegfase De totale NOx-emissie bedraagt in deze fase in totaal 18,7 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,5 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Gebruiksfase De totale NOx-emissie bedraagt in de aanlegfase in totaal 3,9 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,3 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan <0,01 mol/ha/j.
Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat als gevolg van het plan aan de Rijssensestraat 116 te Nijverdal zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van een nadelige depositie van stikstof en ammoniak. Er is immers geen hoger rekenresultaat gevonden dan 0,00 mol/ha/j. Derhalve wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling met inachtneming van de in dit rapport beschreven uitgangspunten niet leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. Stikstof en ammoniak vormen geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Er hoeft geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit te worden verleend.
Conclusie Uit het vorengaande blijkt dat het aspect ‘natuurwaarden’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van het beoogde initiatief.
04.8 Archeologie en Cultuurhistorie
moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
44
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
Verplaatsing van beschermde monumenten;
•
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Toets Archeologie De archeologische waardenkaart van de provincie Overijssel geeft aan dat de verwachtingswaarde ter plaatse van het projectgebied onbekend is. Ook in het geldende omgevingsplan is geen aanduiding opgenomen voor de mogelijk aanwezige archeologische waarden.
In de huidige situatie staat er bebouwing die gesloopt dient te worden. Gelet op de huidige situatie kan gesteld worden dat de bodem reeds geroerd is. Naar verwachting zullen zich hier geen archeologische resten bevinden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt niet
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘archeologie’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
45
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
noodzakelijk geacht.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Cultuurhistorie Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
04.9 Mobiliteit en parkeren Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt moet getoetst worden aan het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijk beleid omtrent mobiliteit en parkeren is opgenomen in ‘Nota parkeernormen’ van de gemeente Hellendoorn. De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstig parkeren’ (uitgave 381). Verkeer Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: ◼
‘matig stedelijk en rest bebouwde kom’, ‘koop, appartement, goedkoop’
Voor de appartementen geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,9 verkeersbewegingen per woning. Dit project brengt een totale verkeersgeneratie van 30 (4,9*6=29,4) verkeersbewegingen per etmaal met zich mee. Parkeren Voor het parkeren hanteert de gemeente de ‘Nota parkeernormen’. Hierin staat vastgelegd aan welke parkeernormen er moet worden voldaan bij verschillende functies. In eerste instantie het parkeren op het eigen terrein opgelost worden. Binnen het projectgebied is niet voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte op het eigen terrein. Aangezien het fysiek niet mogelijk is om parkeerplaatsen te realiseren op het eigen terrein, zal een financiële bijdrage aan het parkeerfonds geleverd worden en wordt de parkeerbehoefte gecompenseerd. Hierover zijn afspraken gemaakt met de gemeente Hellendoorn. Daarnaast is de gemeente voornemens een verkeersbesluit te nemen. De langsparkeerplaats aan de westzijde van de Rijssensestraat is in het verleden aangemerkt als blauwe zone met een maximale parkeerduur. Deze maatregel wordt ongedaan gemaakt zodat er meer capaciteit ontstaat voor het parkeren. De gemeente is van mening dat er voldoende parkeerplaatsen in het openbaar gebied aanwezig zijn en daarnaast geeft het opheffen van de blauwe zone voor dit
04.10 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de
46
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
deel van de Rijssenstraat meer lucht aan langparkeerders.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •
Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
•
Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Toets Met dit project wordt het mogelijk gemaakt om een nieuw appartementengebouw met zes appartementen te plaatse van de bestaande snackbar aan de Rijssensestraat 116 te realiseren. Wonen kan gezien worden als een passende functie in een woonwijk. Uit de voorliggende onderbouwing blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor zowel de nieuwe als bestaande woningen. Een woonfunctie heeft verder nauwelijks invloed op het aspect ‘gezondheid’.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘gezondheid’ geen belemmeringen veroorzaakt voor de
47
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
beoogde ontwikkeling.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
05 UITVOERBAARHEID
05.1
Economische uitvoerbaarheid
Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.
Uit artikel 13.11 Ow volgt dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst mag plaatsvinden. De initiatiefnemer heeft met de gemeente een anterieure overeenkomst afgesloten.
Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: •
die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;
•
die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.
In de anterieure overeenkomst zijn afspraken vastgelegd over nadeelcompensatie.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.
48
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
05.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Vooroverleg Provincie Overijssel In de uitzonderlingenlijst voor het vooroverleg met de provincie Overijssel wordt aangegeven dat vooroverleg bij woningbouw tot elf woningen niet nodig is. Het voorliggende initiatief maakt zes woningen mogelijk. Vooroverleg is dan ook niet noodzakelijk.
Waterschap Vechtstromen Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de ‘weging van het waterbelang’.
Participatie In het kader van de participatie is door de initiatiefnemer een participatielogboek opgesteld. Dit participatielogboek is als bijlage toegevoegd (zie bijlage 8).
Beslistermijn De beslistermijn voor aanvraag omgevingsvergunning is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal verlengen met maximaal 6 weken (artikel 16.64 lid 1 en 2 van de Omgevingswet, en 4:14 Algemene wet bestuursrecht). Bezwaar De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met
49
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
06 EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
06.1
Belangenafweging en conclusie
Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl.
Uit hoofdstuk 3 blijkt dat het project geen belemmering vormt voor het beleidskader van het rijk, provincie en gemeente. In hoofdstuk 4 is getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling er nog steeds sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de
50
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
Ad Fontem ruimtelijk advies
074 255 7020
Stationsstraat 37
info@ad-fontem.nl
51 7622 LW Borne
www.ad-fontem.nl
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Digitale Watertoets
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Korte procedure
Op basis van onderstaande locatie
23-08-2024 13:34
1
https://hetwateradvies.nl
Digitale Watertoets
Vragen en antwoorden uit de check 1 Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt?
nee
Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?
nee
Is er in of rondom het plangebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of grondwateroverlast?
nee
Ligt binnen plangebied (een beschermingszone) van een watergang of waterkering?
nee
Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie?
nee
Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast?
nee
Wordt recreatief medegebruik van watergangen of gronden in beheer van het waterschap mogelijk gemaakt?
nee
Bedraagt het verschil tussen de hoogte van de weg en nee de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Is de afstand tussen de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de bovenzijde van de begane-grondvloer kleiner dan 80cm?
nee
Zijn er kansen voor afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
nee
Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen nee in de ondergrond? Worden bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd, waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken?
nee
Worden er materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken?
nee
Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2?
nee
Wordt regenwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd?
ja
Ligt in of nabij het plangebied een zonering zuiveringtechnisch werk?
nee
Ligt het plangebied in een zonering waterwingebieden Drenthe?
nee
Ligt het plangebied in een zonering grondwaterbeschermingsgebieden Drenthe?
nee
Ligt het plangebied in een zonering waterwingebieden Overijssel?
nee
Ligt het plangebied in een zonering grondwaterbeschermingsgebieden Overijssel?
nee
Ligt het plangebied in een zonering Natura 2000?
nee
23-08-2024 13:34
2
https://hetwateradvies.nl
Digitale Watertoets
Details 1. Korte procedure Op basis van uw locatie en gegeven antwoorden blijkt dat u waterschapsbelangen raakt. U volgt de korte procedure.
Wat moet ik doen? Gebruik alstublieft de knop "DIRECT AANVRAGEN" om uw aanvraag voor een wateradvies daadwerkelijk naar het waterschap te versturen. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. De korte procedure houdt in dat u zelfstandig een waterparagraaf opstelt, waarin u toelicht hoe u op een goede manier omgaat met de relevante wateraspecten. U kunt hiervoor onze adviezen gebruiken en de standaardwaterparagraaf. Deze hebben we onder het kopje 'achtergrond' toegevoegd. Wij verzoeken u deze waterparagraaf aan te passen aan de gegevens van uw plan en de relevante wateraspecten. We vragen u deze waterparagraaf voor advies aan ons voor te leggen. Wanneer wij een positief advies verlenen kunt u de waterparagraaf invoegen in de ruimtelijke onderbouwing van het plan.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
23-08-2024 13:34
3
https://hetwateradvies.nl
Digitale Watertoets Waterparagraaf ‘toekomstgericht waterbeheer’
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
Het waterschap Rijn en IJssel zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.
In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s.
Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets.
Relevante wateraspecten Wateroverlast Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met <m2 noemen> m2. Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Het gaat hierbij om <m2 23-08-2024 13:34
4
https://hetwateradvies.nl
Digitale Watertoets noemen> m2. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in infiltratieof waterbergende voorzieningen met een volume van <m3 noemen> m3. De dimensioneringsberekeningen van de diverse voorzieningen zijn opgenomen in de bijlage bij het bestemmingsplan. Op deze wijze kan regenbui T=100+10% worden opgevangen in het plangebied tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen worden zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd worden afgevoerd.
Bij voorkeur worden natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes niet bebouwd. Het plangebied beoogt geen kapitaalintensieve bouwwerken in deze gebieden. Wateroverlast voor het plangebied wordt voorkomen door <maatregelen noemen zoals ophogen, kades aanleggen oid>.
Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Om de kwaliteit van het water te waarborgen, worden de volgende maatregelen getroffen: een bodempassage in een berm/ wadi/ filtering d.m.v. een helofytenfilter, chemisch filter of mechanisch filter.
Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van <m3 noemen> verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Voor onderhoud aan het rioolpersleidingenstelsel is bereikbaarheid noodzakelijk, hiertoe is een zonering rondom de persleiding opgenomen in de verbeelding. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren.
Grondwaterbeheer De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. De bouwwijze is aangepast aan de grondwaterstand en zettingsgevoeligheid van de bodem door ophoging van het maaiveld, kruipruimteloos bouwen, waterdicht bouwen, passende fundering, etc. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen.
Recreatie In het plangebied zijn de volgende (nieuwe) aan het water gekoppelde recreatieve functies opgenomen: <functies noemen.>. Voor zover van dergelijke actieve recreatieve functies een vergunning van het waterschap nodig is, zal deze worden aangevraagd. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waterobjecten aanwezig. De cultuurhistorische waarde wordt door de planontwikkeling niet aangetast.
23-08-2024 13:34
5
https://hetwateradvies.nl
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Rijssensestraat 116 - Nijverdal
Opdrachtgever Kroon BV Locatie: Rijssensestraat 116 7441 AK Nijverdal
Oktober 2023
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Rijssensestraat 116 - Nijverdal
Opdrachtgever: Kroon BV Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Rijssensestraat 116 7441 AK Nijverdal
Projectcode: 23054716 Rapportagedatum: 19 oktober 2023 Projectleider: De heer ing. J. Lammers Auteur: Mevrouw ing. H. Stevelink Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 4
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
5 5 6 6 7 8
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
9 9 9 11 11 12 12
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
14
6
Literatuur en bronvermelding
16
2
3
4
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan indicatief bodemonderzoek Tauw, mei 1987 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2023 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 23054716
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Kroon BV op een terrein aan de Rijssensestraat 116 in Nijverdal door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de voorgenomen aankoop van het terrein. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de aankoop en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem ten behoeve van de financiële waardering van het perceel. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond wordt beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De onderzoekslocatie wordt beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern(en) ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre asbest in de grond of in puin de normwaarden overschrijdt. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in augustus, september en oktober 2023 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever.