Ruimtelijke onderbouwing & bijlages Rijssensestraat 116 Nijverdal
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. Bopa RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Plangegevens Naam
Rijssensestraat 116 Nijverdal
Plantype
BOPA
Status
Concept
Datum
9 oktober 2024
Projectnummer
24AF159
Opsteller
Ad Fontem Ruimtelijk Advies Stationsstraat 37 7622 LW Borne
074 255 7020 info@ad-fontem.nl
www.ad-fontem.nl
dhr. S. Koop A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Contactpersoon
01
02
03
04
AANLEIDING EN DOEL
1
01.1 Aanleiding
1
01.2 Ligging en begrenzing projectgebied
1
01.3 Geldend Omgevingsplan
2
01.4 Leeswijzer
3
BEOOGDE ONTWIKKELING
4
02.1 Huidige situatie
4
02.2 Toekomstige situatie
5
BELEID EN REGELGEVING
7
03.1 Rijksbeleid
7
03.2 Provinciaal beleid (Overijssel)
10
03.3 Waterschap beleid
17
OMGEVINGSASPECTEN
23
04.1 m.e.r. -beoordeling
23
04.2 Milieubelastende activiteiten
25
04.3 Bodem
27
04.4 Geluid
29
04.5 Luchtkwaliteit
33
04.6 Omgevingsveiligheid
35
04.7 Natuurwaarden
38
04.8 Archeologie en Cultuurhistorie
44
04.9 Mobiliteit en parkeren
46
04.10
46
Gezondheid
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Inhoudsopgave
06
UITVOERBAARHEID
48
05.1 Economische uitvoerbaarheid
48
05.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
48
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
50
06.1 Belangenafweging en conclusie
50
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
05
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
01 AANLEIDING EN DOEL
01.1
Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens om op de projectlocatie aan de Rijssensestraat 116 te Nijverdal een herontwikkeling plaats te laten vinden. De bestaande snackbar zal gesloopt worden en hiervoor in de plaats wordt een nieuw appartementengebouw met zes appartementen gerealiseerd. De gemeente Hellendoorn heeft aangegeven in principe bereid te zijn om medewerking te verlenen.
De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan van de gemeente Hellendoorn. Door middel van een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA) kan medewerking verleend worden aan de voorgenomen ontwikkeling.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een BOPA alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Voorliggende onderbouwing voorziet hierin.
01.2
Ligging en begrenzing projectgebied
Ligging Het projectgebied is gelegen aan de Rijssensestraat 116 te Nijverdal. Het projectgebied bevindt zich in een woonwijk. Rondom het projectgebied zijn dan ook voornamelijk woningen aanwezig. Kadastraal staat het projectgebied bekend als gemeente Hellendoorn, sectie L, perceelnummers 4973 en 6313
01
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
(deels). In figuur 1.1 is de ligging van het projectgebied globaal weergeven.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
FIGUUR 1.1: GLOBALE LIGGING PROJECTGEBIED, ROOD OMCIRKELD (BRON: KADASTRALEKAART.COM)
Begrenzing De begrenzing van het plangebied wordt in figuur 1.2 weergegeven met een rode omkadering. Aan de noord- en westzijde grenst het projectgebied aan woningen. De zuid- en oostzijde worden begrensd door openbare ruimte.
FIGUUR1.2: GLOBALE BEGRENZING VAN HET PROJECTGEBIED, ROOD OMKADERD (BRON: KADASTRALEKAART.COM)
Geldend Omgevingsplan
Het projectgebied is gelegen in het plangebied van het omgevingsplan gemeente Hellendoorn, onderdeel ‘Bestemmingsplan Nijverdal West Noetsele’. Het projectgebied heeft de functies ‘Horeca’ en ‘Verkeer - Verblijf’. Voor het gebouw is een bouwvlak met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m): 6’ opgenomen. In figuur 1.3 is een uitsnede van het omgevingsplan opgenomen.
02
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
01.3
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
FIGUUR 1.3: UITSNEDE OMGEVINGSPLAN GEMEENTE HELLENDOORN, PROJECTGEBIED ROOD OMKADERD (OMGEVINGSLOKET, REGELS OP DE KAART)
De beoogde herontwikkeling, waarbij een nieuw appartementengebouw met zes appartementen wordt gerealiseerd, past niet binnen de mogelijkheden van het geldende omgevingsplan van den gemeente Hellendoorn. Wonen is niet toegestaan binnen de functies ‘Horeca’ en ‘Verkeer - Verblijf’. Daarnaast is de nieuwe bebouwing (deels) buiten het bestaande bouwvlak beoogd en wordt de maximum bouwhoogte van 6 m overschreden.
De herontwikkeling kan door middel van een omgevingsvergunning voor een BOPA mogelijk gemaakt worden. Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een BOPA alleen verlenen als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
01.4
Leeswijzer
Deze onderbouwing kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding, ligging en begrenzing van het projectgebied omschreven. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader en de toetsing hieraan. In hoofdstuk 4 worden alle omgevingsaspecten behandeld die invloed hebben op de fysieke leefomgeving alsmede de daarbij behorende onderzoeken. Hoofdstuk 5 laat zien of het project economisch en maatschappelijk uitvoerbaar is. In hoofdstuk 6 wordt geconcludeerd of sprake is van een
03
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
02 BEOOGDE ONTWIKKELING
02.1
Huidige situatie
Het projectgebied is in de huidige situatie voorzien van een horecafunctie en tot voor kort werd het gebruikt als snackbar. Momenteel staat het gebouw leeg. Het gebouw heeft een oppervlakte van ca. 95 m² en beschikt over een bouwlaag met kleine kap. Aan de oost- en zuidzijde van het gebouw ligt het terras van de snackbar en aan de noord- en westzijde is nog ruimte voor opslag.
Rond het gebouw zijn twee bomen aanwezig. Ten oosten van het gebouw staat een grote eik die wordt gewaardeerd als een beeldbepalende vrijstaande boom. Ten zuiden staat een kleine kastanje in de openbare ruimte.
Figuur 2.1 toont een aanzicht van de projectlocatie in de huidige situatie, gezien vanaf de Rijssensestraat.
04
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
FIGUUR 2.1: PROJECTLOCATIE HUIDIGE SITUATIE (BRON: GOOGLE MAPS)
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
02.2 Toekomstige situatie De bestaande bebouwing op de projectlocatie wordt in de toekomstige situatie gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een nieuw appartementengebouw gerealiseerd met in totaal zes betaalbare appartementen. De goot- en bouwhoogte van het appartementengebouw bedragen respectievelijk ca. 8,5 en 10,5 m. Aan de achterzijde van het gebouw worden bergingen en het trappenhuis gerealiseerd. Daarnaast is achter het gebouw ruimte gecreëerd voor het stallen van fietsen.
De appartementen in het goedkope segment zijn voornamelijk geschikt voor de doelgroep starters. Elk appartement heeft zijn eigen voorzieningen zoals een badkamer, toilet en keuken. De twee appartementen op de begane grond hebben een eigen buitenruimte en de overige vier appartementen op de eerste en tweede verdieping zijn voorzien van een balkon.
Om het nieuwe appartementengebouw mogelijk te maken dient de kastanje ten zuiden van het gebouw verwijderd te worden. De grote solidaire eik ten oosten van het gebouw is beeldbepalend en blijft behouden. In de anterieure overeenkomst wordt vastgelegd hoe de eik beschermd moet worden in de bouwfase.
FIGUUR 2.2: IMPRESSIE TOEKOMSTIGE SITUATIE (BRON: 01ARCHITECTEN)
05
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Figuur 2.2 en 2.3 tonen impressies van het beoogde appartementengebouw.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
06
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
FIGUUR 2.3: IMPRESSIE TOEKOMSTIGE SITUATIE (BRON: 01ARCHITECTEN)
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
03 BELEID EN REGELGEVING
03.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
Sterke en gezonde steden en regio's;
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
•
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Toets Gelet op de kleinschaligheid van het initiatief zijn er niet direct raakvlakken de NOVI. Wel dient de woningvoorraad in de periode tot 2035 met circa 1,1 miljoen woningen te worden vergroot. De beoogde herontwikkeling aan de Rijssensestraat 116 te Nijverdal waarbij een appartementengebouw met zes
07
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
•
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
appartementen levert een bijdrage aan de ambitie van het Rijk om voldoende nieuwe woningen te realiseren. Instructieregels Rijk De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): •
het Omgevingsbesluit (Ob);
•
het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
•
het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
•
het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels: •
Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
•
Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
•
Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
•
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
•
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
•
Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
•
Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen
Het project houdt rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt onder andere ingegaan op de uitvoerbaarheid van het project ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ten aanzien van (omgevings)veiligheid, waterbelangen en de bescherming van gezondheid en het milieu. De volgende instructieregels zijn voor onderhavig project van toepassing:
08
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
•
§5.1.2 Bkl Waarborgen van veiligheid (zie paragraaf 4.6)
•
§5.1.3 Bkl Beschermen waterbelangen (zie paragraaf 3.3)
•
§5.1.4 Bkl Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, geluid en bodemkwaliteit (zie paragrafen 4.3, 4.4, 4.5, 4.7 en 4.10)
•
§5.1.5 Bkl Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragrafen 2.2, 4.8 en 3.1)
Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 80a, lid 2, Bkl). Onderdeel hiervan is het toetsen van de BOPA aan het geldende beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is een goede motivering van het besluit in afwijking van het beleid nodig.
Naast artikel 8.0a, lid, Bkl (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) gelden de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e van het Bkl: •
de instructieregels voor het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Bkl;
•
de instructieregels van de provincie voor het omgevingsplan;
•
eventuele instructies van Rijk en provincie;
•
de voorbeschermingsregels in het omgevingsplan;
•
de regels die gelden voor het stellen van maatwerkregels, als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een maatwerkregel.
Zoals beschreven houdt het project rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. Daarnaast wordt rekening gehouden met de instructies van de provincie. Voor het projectgebied zijn geen voorbeschermingsregels gesteld waar rekening mee gehouden moeten worden. In de volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op het relevante provinciaal-, en gemeentelijke beleid en de omgevingsaspecten. Als gevolg van het project worden geen rijksbelangen geschaad. Het projectgebied bevindt zich op ruime afstand van autowegen, buisleidingen, spoorwegen, natuurgebieden, etc. De functie wonen is geen milieubelastende activiteit en passend in de omgeving.
Ladder van duurzame verstedelijking Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het 09
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Voor een nadere onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Toets Met dit project wordt de bestaande bebouwing aan de Rijssensestraat 116 te Nijverdal gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een appartementengebouw met zes appartementen gerealiseerd. Artikel 5.129g van het (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Op grond van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) wordt de realisatie van 11 woningen niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Gelet op het feit dat er met het voorliggende project zes nieuwe woningen worden gerealiseerd is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De voorliggende onderbouwing voorziet hierin.
03.2 Provinciaal beleid (Overijssel) Provinciale Omgevingsvisie
weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.
10
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2024 van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2024 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: •
generieke beleidskeuzes;
•
ontwikkelingsperspectieven;
•
gebiedskenmerken.
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk
11
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
omgeving kan plaatsvinden.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan
12
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
worden.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
FIGUUR 3.1: UITVOERINGSMODEL OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL (BRON: PROVINCIE OVERIJSSEL)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder Afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid.
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) 1.
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
13
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
a.
er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
b.
de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
c.
mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
Toets Het voorliggende initiatief maakt de herontwikkeling van de projectlocatie aan de Rijssensestraat 116 te Nijverdal mogelijk, waarbij de bestaande bebouwing gesloopt wordt en hiervoor in de plaats een nieuw appartementengebouw met zes appartementen gerealiseerd wordt. Momenteel zijn de gronden voorzien van een horecafunctie en verkeersfunctie. De projectlocatie ligt in het bebouwd gebied en is in de huidige situatie volledig bebouwd en verhard. Gezien de ligging in het bebouwd gebied en het feit dat de projectlocatie in de huidige situatie volledig bebouwd en verhard is, kan gesteld worden dat er geen sprake is van extra ruimtebeslag op de groene omgeving. Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.8 ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Toets Het huidige gebouw op de projectlocatie is een dissonant in het straatbeeld. Qua verschijningsvorm en volume wordt het als niet gewenst ervaren. Daarnaast is de huidige functie niet passend op deze woonplek. Het gebouw met de horecafunctie aan de Rijssensestraat 116 staat in de huidige situatie leeg. Wanneer een gebouw leegstaat volgt er al snel verloedering. De beoogde herontwikkeling van de projectlocatie, waarbij het leegstaande gebouw wordt gesloopt en hiervoor in de plaats een appartementengebouw met zes appartementen wordt gerealiseerd, levert een bijdrage aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het gaat namelijk leegstand tegen. Qua bouwoppervlak en bouwhoogte wordt zoveel als mogelijk aangesloten op de bebouwing in de omgeving. De gewenste ruimtelijke kwaliteit blijft behouden en verbeterd. Het project is daarmee in lijn met
Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een
14
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
artikel 4.8 van de Omgevingsverordening Overijssel.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
uitsnede van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
FIGUUR 3.2: UITSNEDE ONTWIKKELINGSPERSPECTIEVENKAART, OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL (BRON: PROVINCIE OVERIJSSEL)
Het projectgebied staat aangeduid als ‘Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Het voorliggende project maakt een herontwikkeling mogelijk, waarbij een bestaand gebouw met een horecafunctie wordt gesloopt en hiervoor in de plaats een nieuw appartementengebouw met zes appartementen gerealiseerd wordt. Wonen wordt gezien als een passende functie in de dorpen buiten het stedelijk netwerk. Daarnaast is de projectlocatie in de huidige situatie reeds bebouwd en verhard. Een woonfunctie doet geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor de omgeving.
15
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Toets
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Gebiedskenmerken Gelet op de ligging van het projectgebied in het stedelijk gebied is voornamelijk de ‘stedelijke laag’ van belang. In figuur 3.3 toont een uitsnede van de ‘stedelijke laag’.
FIGUUR 3.3: UITSNEDE STEDELIJKE LAAG, OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL (BRON: PROVINCIE OVERIJSSEL)
De bebouwingsschil 1900-1955 bestaat uit gemengde stadwijken en woon wijken direct aansluitend op de historische centra en binnensteden. Op sommige plaatsen liggen (voormalige) grootschalige fabriekscomplexen direct aansluitend aan woonwijken. Deze stadswijken kennen een gesloten, compacte vorm (bouwblokken) en zijn veelal opdeelbaar in wijken met eigen karakter. De wijken worden van elkaar gescheiden door doorgaande lanen, singels en stadsstraten. Kenmerkend in de bebouwing is de verwantschap in architectuurstijlen en aandacht voor architectonische details en verbijzondering van gebouwen op specifieke plekken als straathoeken.
Doorontwikkeling van de compacte stadskwartieren met de ‘gesloten’ stadsvorm. Waar maar enigszins mogelijk herstellen van de functiemix. Veel ruimte en aandacht voor zorgvuldig individueel (in de individuele wijken) en collectief (in de tuindorpen en fabrieksdorpen) opdrachtgeverschap. Als daar vanuit de (woon)kwaliteit aanleiding toe is ligt er in delen van deze wijken een belangrijke
Het gebouw aan de Rijssensestraat 116 te Nijverdal werd voorheen gebruikt als snackbar, maar staat momenteel leeg. Mede om die reden is het wenselijk om een nieuwe functie te geven aan de locatie. Een woonfunctie in de vorm van een appartementengebouw met zes appartementen is passend in de omgeving. Met de herontwikkeling wordt leegstand tegengegaan en de ruimtelijke kwaliteit verbeterd.
16
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
herstructureringsopgave.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
03.3 Waterschap beleid Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Algemeen Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt.
Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. Op
Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil 17
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: •
de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
•
de waterkwaliteit die onder druk staat:
•
de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 20222027. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die
enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.
18
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: •
Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
•
Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
•
Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.
Weging van het waterbelang in voorliggend plan Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot: •
het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
•
het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied;
•
het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken
•
Grondwater;
•
Oppervlaktewater;
•
Regenwater en;
•
Afvalwater.
Watertoets Op 23 augustus 2024 is de digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage 1). Op basis van de locatie en antwoorden op de vragen blijkt dat er waterschapsbelangen geraakt worden. De korte procedure is van toepassing. Om die reden wordt het project voorgelegd aan het waterschap Vechtstromen.
19
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
03.3.1 Omgevingsvisie 'Hellendoorn Natuurlijk Avontuurlijk' De Omgevingsvisie 'Hellendoorn Natuurlijk Avontuurlijk', vastgesteld op 12 februari 2014 door de gemeenteraad van de gemeente Hellendoorn, bevat een brede visie op de toekomst en vormt het kader van alle ruimtelijke ontwikkelingen. De visie is opgebouwd in 3 lagen, namelijk identiteit, context en kernvisie. •
Identiteit: gericht op versterken en kwaliteit van een gebied: deze geeft deze geeft niet aan welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn maar meer binnen welke identiteit een bepaalde ontwikkeling moet worden uitgewerkt/vormgegeven.
•
Context: gericht op de functionele opgave: Dit vanuit het huidige programma; wonen, werken natuur en verkeer.
•
Kernvisie: in de kernvisie zijn de prioriteiten vanuit de workshops gedestilleerd en wordt aangegeven op welke ontwikkeling/wisselwerking de focus ligt.
Identiteit 'Sterke kernen' De gemeente Hellendoorn is onderverdeeld in zes identiteitsgebieden. Het plangebied is gelegen binnen het identiteitsgebied ‘Sterke kernen’. De leefbaarheid van de dorpen (Nijverdal en Hellendoorn), de kernen (Daarle, Daarlerveen, Hulsen en Haarle) en de buurtschappen (Egede, Elen en Rhaan, Marle en Hancate) is goed. De lichte daling van het aantal inwoners, ontgroening en vergrijzing zullen ook in de gemeente Hellendoorn hun impact hebben op wonen, zorg, werkgelegenheid en economie.
Ondanks de demografische veranderingen zet de gemeente Hellendoorn zich in om in alle dorpen, kleine kernen en buurtschappen een duurzaam samengestelde samenleving in stand te houden, met een voorzieningenniveau dat daarbij hoort. Passende woon-, leef- en zorgmogelijkheden voor alle leeftijdscategorieën vormen daarbij het uitgangspunt. Dit komt erop neer dat de gemeente Hellendoorn de voorkeur heeft voor vraaggerichte nieuwbouw voor speciale doelgroepen met nadruk op combinaties van wonen, welzijn en zorg. Creatieve initiatieven van alle mogelijke marktpartijen en particulieren op dit gebied worden nadrukkelijk gefaciliteerd. Daarbij gaat inbreiding voor uitbreiding. Context 'Woongebied - te beheren' In dit onderdeel wordt een beschrijving gegeven en geschetst wat de verwachte ontwikkelingen zijn
provincie Overijssel voor structuurvisies (april 2010). In dit geval is het thema ‘woningbouw’ van belang.
Woningbouw vindt plaats binnen de in ontwikkeling zijnde gebieden en op inbreidingslocaties (bijvoorbeeld door transformatie). In onderhavig geval is het plangebied gelegen in een gebied dat op
20
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
op ruimtelijk, economisch en maatschappelijk vlak. De indeling is gebaseerd op de leidraad van de
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
basis van de context-laag is aangemerkt als ‘woongebied – te beheren’. Deze bestaande woongebieden functioneren in algemene zin goed. Op gemeentelijk niveau zijn er geen opgaven deze woongebieden volledig te transformeren. Uiteraard zal er blijvend moeten worden geïnvesteerd in de kwaliteit van openbare ruimte, de nabijheid van voorzieningen en de sociale veiligheid. Kernvisie Binnen de kernvisie liggen tien concrete opgaven, waarvan zes ruimtelijke en vier procesmatige. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling maakt geen onderdeel uit van een concrete opgave. Toets en conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan bij de beleidsdoelen zoals verwoord in de Omgevingsvisie ‘Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk'. Het initiatief draagt bij aan de identiteit ‘sterke kernen’. De ontwikkeling zorgt voor een verbetering van het bestaande woon- en leefklimaat ter plaatse. Vanuit 'sterke kernen' wordt gezegd dat 'inbreiding voor uitbreiding' gaat. Dat is hier de situatie. Daarnaast sluiten de woningen zowel kwalitatief als kwantitatief goed aan op de hedendaagse woningbouwbehoefte waarop in de navolgende paragraaf wordt ingegaan.
3.3.2 Woonvisie 2020-2025 De gemeente Hellendoorn heeft een nieuwe woonvisie vastgesteld. De nieuwe woonvisie is een duidelijke visie op de belangrijkste thema's voor wonen in de gemeente Hellendoorn en geeft een richtinggevend kader voor de lokale woonopgaven, met als doel voldoende en passende huisvesting voor alle doelgroepen in de gemeente Hellendoorn. In de woonvisie zijn ambities uitgewerkt om te komen tot leefbare en vitale kernen. Daarnaast om de kwaliteit van de woningvoorraad te behouden en de woningvoorraad betaalbaar, aantrekkelijk en toekomstbestendig te maken en te houden. Voor wat betreft het toevoegen van nieuwbouw woningen dient er aangetoond te worden dat er een kwalitatieve behoefte daarvoor bestaat en dienen de woningen bij voorkeur gerealiseerd te worden op plekken waar dit van meerwaarde is voor de omgeving. Daarbij gaat inbreiding voor uitbreiding en wordt transformatie en renovatie gezien als een belangrijk onderdeel om te bepalen of een plan een meerwaarde heeft.
Volgens de woningmarktanalyse is er in de kern Hellendoorn nog enkel behoefte aan meer
komende jaren (2021 - 2028) behoefte aan gemiddeld 85 appartementen per jaar, waarvan gemiddeld 50 sociale huur appartementen, 20 appartementen in de vrije huursector en circa 15 koopappartementen. Er hebben in het kader van het voorliggende project gesprekken plaatsgevonden met de lokale woningbouwvereniging, echter werd geconcludeerd dat het project te kleinschalig was om over te nemen ten behoeve van sociale huur.
21
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
appartementen en nultredenwoningen, zowel in het koop als (midden)huursegment. Er is in de
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Kwalitatief gezien dient er rekening gehouden te worden met de vraag naar diversiteit in woningtypen en moet er worden aangesloten bij huidige en toekomstige woonwensen en - eisen. Wanneer gekozen wordt voor appartementen en/of nultredenwoningen, dan wordt geacht dat er invulling gegeven wordt aan de kwalitatieve behoefte. Toets en conclusie Het voorliggende project maakt een appartementengebouw met zes betaalbare appartementen aan de Rijssensestraat 116 te Nijverdal mogelijk. Het nieuwe gebouw wordt (ongeveer) op de plek van de te slopen snackbar gebouwd. Met de herontwikkeling op deze locatie wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de huidige stedenbouwkundige structuur, waardoor de ruimtelijke kwaliteit niet in het geding komt. Tevens wordt aangesloten op de grote zeer vraag naar betaalbare appartementen voor bijvoorbeeld starters. Er worden met de gemeente afspraken gemaakt over een prijsplafond voor de te realiseren appartementen.
Gelet op het vorengaande kan gesteld worden dat de beoogde herontwikkeling in overeenstemming is
22
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
met de woonvisie van de gemeente Hellendoorn.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
04 OMGEVINGSASPECTEN
Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Bij ruimtelijke projecten moet, mede hierom, in toenemende mate rekening gehouden worden met diverse milieu- en omgevingsaspecten. Bij het beoordelen van deze milieu- en omgevingsaspecten zijn o.a. de volgende thema’s relevant: milieuzonering, bodem, geluid, omgevingsveiligheid, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. Eventuele beperkingengebieden zijn meegenomen onder het betreffende onderdeel (mobiliteit, geluid, omgevingsveiligheid, etc.). Beperkingengebieden voor water zijn, indien aanwezig, opgenomen onder het waterschap beleid. Onderstaand worden de omgevingsaspecten in het kort behandeld.
04.1
m.e.r. -beoordeling
De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MERbeoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen: •
Eerst wordt bekeken of het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1.
•
Als dat zo is, wordt gekeken of het besluit in de laatste kolom staat.
•
Daarna wordt gekeken of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden gedaan: o
Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-mer-
o
Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-merbeoordelingsplicht.
Indien sprake is van een project-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de
23
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
plicht.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk: •
Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
•
Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.
Toets De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’.
Het begrip ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: •
de aard en omvang van de ontwikkeling;
•
de vormgeving en opzet;
•
de schaalgrootte;
•
de ligging;
•
de voorgenomen functie(wijziging), en;
•
de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.
Wanneer sprake is van een zogenaamde ‘kleine wijziging’ of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op ‘kleine gebieden op lokaal niveau’, dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken
Het voorliggende project maakt een herontwikkeling mogelijk, waarbij een appartementengebouw met in totaal zes betaalbare appartementen gerealiseerd wordt. Het appartementengebouw wordt (ongeveer) op de plek van de huidige snackbar gebouwd. Gesteld kan worden dat het hier gaat om een kleinschalig project, waarmee een passende functie (wonen) voor de omgeving wordt gerealiseerd.
24
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
(art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Gelet op de uitspraak van 31 januari 2018, kan worden geconcludeerd dat het project niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.
04.2 Milieubelastende activiteiten De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd.
In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.
Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis. Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden. Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van
richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds het werkingsgebied van de functie die de milieubelastende activiteiten
25
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het omgevingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
FIGUUR 4.1 – RICHTAFSTANDEN VNG-UITGAVE BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
Toets De projectlocatie ligt in een woonwijk waar voornamelijk de functie wonen te vinden is. Om die reden wordt voor het bepalen van de richtafstanden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
Bij het realiseren van nieuwe functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: ◼
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
◼
laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
waardoor formeel gezien bekeken dient te worden of er ter plaatse van de woningen sprake is vaneen aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te onderzoeken of er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden die vanuit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ geadviseerd worden.
26
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
De ontwikkeling maakt nieuwe woningen mogelijk. Een woonfunctie is een milieugevoelige functie,
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen milieubelastende functies aanwezig. Op een afstand van ca. 115 m ten noorden van de projectlocatie zijn enkele gemengde functies aanwezig in de vorm van kleinschalige horeca en detailhandel. Voor deze functies geldt de milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 m. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Op basis van de richtafstanden van de VNG-publicatie 'bedrijven en Milieuzonering' kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voorliggende initiatief maakt een appartementengebouw met zes appartementen mogelijk. Wonen is geen milieubelastende functie in het kader van milieuzonering. Omliggende functies (zoals wonen) worden niet belemmerd.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Milieubelastende activiteiten’ geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
04.3 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
27
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
bodemgevoelig gebouw.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Toets Met dit project wordt een nieuwe woonfunctie in de vorm van een appartementengebouw met zes appartementen mogelijk gemaakt. Hiermee is sprake van het mogelijk maken van een nieuwe bodemgevoelige functie. Om die reden is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen.
In totaal zijn er in totaal 5 inspectiegaten gegraven en is 1 boring verricht, waarvan er 2 zijn verdiept tot 2.00 m-mv en 1 boring is verdiept tot 5.5 m-mv en afgewerkt met een peilbuis (PB 6). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn tot matig fijn, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodem-vreemde materialen aangetroffen (puin en asfalt). Door de veldwerkers zijn, met uitzondering van het asbestverdachte materiaal van 0.10 - 0.24 m-mv (golfplaat) in inspectiegat 1, visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. De grondwaterstand is aangetroffen op 4.00 m-mv.
Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: -
de bovengrond (BG) is (zeer) licht verontreinigd met PAK en PCB;
-
de ondergrond (OG) is niet verontreinigd;
-
het grondwater (PB 6) is zeer licht verontreinigd met barium en zink;
-
Gat 1 bevat asbest; het gewogen asbestgehalte is hoger dan de toetsingswaarde
In de bovengrond (BG) en in het grondwater (PB 6) zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het verkennend bodemonderzoek. In de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit
28
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
voor nader asbestonderzoek.
RUIMTELIJKE ONDERBOOUWING – RIJSSENSESTRAAT 116 NIJVERDAL
te voeren. In Gat 1 is asbest aangetoond: het gewogen asbestgehalte is ruim hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Een nader asbestonderzoek wordt geadviseerd om de omvang van de verontreiniging in kaart te brengen.
Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag. Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.
Geconcludeerd kan worden dat, na aanvullend asbestonderzoek en asbestsanering, geen bezwaar is tegen de realisatie van het appartementengebouw met zes appartementen, aangezien de overig vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt, na aanvullend asbestonderzoek en asbestsanering, geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Het aanvullend asbestonderzoek en de asbestsanering vindt plaats nadat de huidige bebouwing op de planlocatie gesloopt is.
04.4 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.