Ontwerp wijziging Wittebroeksweg 1 Haarle met bijlagen
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 18
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp Artikel 4.9 (ruimtelijke kwaliteit): Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: • • •
het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.
Artikel 4.11 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO): Lid 1: Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als: a. b. c.
daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn; het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.
Lid 2: Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op: a. b. c. d. e.
nieuwe verblijfsrecreatieve complexen en verblijven; uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen; de bouw van nieuwe woningen; nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden; grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden.
Lid 3: Het eerste lid is niet van toepassing op: a. b.
de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven; zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.
Toetsing van het initiatief aan de “Generieke beleidskeuzes” Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 4.5) De gewenste ontwikkeling van de herbouw van de woning en de transitie naar een reguliere woonfunctie betreft een buitenstedelijke ontwikkeling. In voorliggende situatie wordt aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik voldaan vanwege de sloop van voormalige bedrijfsbebouwing en de nieuwbouw van een woning met bijgebouw.. Doordat de woning teruggebouwd wordt op dezelfde locatie wordt geen beroep gedaan op onbebouwde ruimte in het buitengebied. Met het voornemen neemt de totale hoeveelheid aan bebouwing binnen het plangebied af. In verband hiermee is het project in overeenstemming met artikel 4.5 uit de Omgevingsverordening Overijssel. Ruimtelijke kwaliteit (artikel 4.9) Voorliggend initiatief gaat gepaard met een investering in de ruimtelijke kwaliteit. Deze investering is tot stand gekomen na raadpleging van het uitvoeringsmodel van de provincie Overijssel en volgt de ontwikkelperspectieven die hierin beschreven zijn. In paragraaf 4.2.4.2 worden de ontwikkelperspectieven uitgebreid toegelicht. Het voornemen houdt hiermee in voldoende mate rekening met artikel 4.9 ‘Ruimtelijke kwaliteit’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 19
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (Artikel 4.11) Voorliggend initiatief voorziet in het slopen van verouderde bebouwing en vervolgens het herbouwen van een woning met bijgebouw en een passende groene inpassing van het nieuwe perceel. Enerzijds wordt met het voornemen een bijdrage geleverd aan het geven van een toekomstbestendige functie aan het plangebied. Een woonbestemming wordt als minder belastend ervaren voor de natuurlijke waarden van het buitengebied dan een bedrijfswoning met bedrijf. Daarnaast wordt een inspanning geleverd om de ecologische waarden van het plangebied te versterken door de aanplant van inheemse beplanting. Zo worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Het inrichtingsplan voorziet in het planten van: -
een nieuwe esdoornhaag rond de opstelling van de zonnepanelen; het versterken van de bestaande houtsingel aan de westelijke zijde van het plangebied met een inheems bosplantsoen met een oppervlakte van 175 m2; het aanleggen van de bestaande houtsingel aan de zuidzijde van het plangebied met een oppervlakte van ca. 75 m2; het aanleggen van een begrenzing voor de voortuin met een liguster of beukenhaag.
In bijlage 1 is het gehele erfinrichtingsplan opgenomen. Verwacht wordt dat met deze inspanning en het slopen van de bestaande bebouwing voldoende inspanning geleverd wordt. Sluit het initiatief aan bij de uitgangspunten van artikel 4.11 van de omgevingsverordening van Overijssel. 4.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart opgenomen, waarin het plangebied indicatief met de rode omlijning is aangegeven.
Afbeelding 4.2
Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’ In dit ontwikkelperspectief staat het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. De ruimtelijke kwaliteitsambities die hier bij horen zijn een zichtbaar en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 20
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp beleefbaar landschap, sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel en een continu en beleefbaar watersysteem. In ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap wordt uitgegaan van verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming van de ruimte. Onder verduurzaming wordt verstaan de realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, een bijdrage aan de energietransitie en natuuropgaven. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’ mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).
Toetsing van het initiatief aan het “Ontwikkelingsperspectief” Voorliggend initiatief betreft het herbouwen van een (bedrijfs)woning en een wijziging in het omgevingsplan om de woning en gronden te gebruiken als reguliere woning met tuin. Aangezien op deze locatie reeds een bedrijfswoning aanwezig is, is er geen sprake van een nieuwe ontwikkeling die beperkend kan werken wat betreft de werkzaamheden en ontwikkelmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. Op het vlak van verduurzaming wordt met voorliggend initiatief een bijdrage geleverd door zonnepanelen in de tuin te leggen. De woning kan zo voorzien worden van zelf gewonnen energie. De woning heeft daarnaast geen negatieve invloed op de waterkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat het ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’ zich niet verzet tegen de voorgenomen herontwikkeling. 4.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
1.
De “Natuurlijke Laag“
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met de gebiedstypes ‘Dekzanden en ruggen’ en ‘Beekdalen en natte laagtes’. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag”. Het plangebied is weergegeven met een rode omlijning.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 21
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp
Afbeelding 4.3
Uitsnede gebiedskenmerkenkaart “Natuurlijke laag” (Bron: Provincie Overijssel)
‘Beekdalen en natte laagtes’ Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Beeld van de beken: zomers kleine stroom met droge geulen en ’s winters een bredere stroomdraad met meestromende geulen. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.
‘Dekzanden en ruggen’ In de occupatiegeschiedenis zijn de dekzandgebieden voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heideontginningslandschap. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. De ambitie van de provincie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 22
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp Toetsing van het initiatief aan de ‘Natuurlijke laag’ Bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de openheid van het landschap. De aanwezige houtwallen in het plangebied worden versterkt, het bijgebouw wordt haaks op de weg gebouwd en de beplanting rondom de zonnepanelen in de tuin blijft laag genoeg om de openheid van het landschap te bewaren (1,2 m). Binnen het plangebied zijn geen waterwegen of sloten aanwezig. De bestaande sloten buiten het plangebied worden al gevolg van het voornemen niet aangepast. De beplanting van het plangebied zal bestaan uit inheemse soorten die van nature vooromen in de overgangsgebieden tussen ruggen en beekdalen. Hiermee vindt het initiatief zo veel mogelijk aansluiting bij de waarden uit de ‘Natuurlijke laag’.
2.
De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap“
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. In afbeelding 4.4 is een uitsnede weergegeven van de gebiedskenmerkenkaart van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’.
Afbeelding 4.4
Uitsnede gebiedskenmerkenkaart “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” (Bron: Provincie Overijssel)
‘Jong heide- en broekontginningslandschap’ Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings' landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 23
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. Toetsing van het initiatief aan het ‘Jong heide- en broekontginningslandschap’ De omgeving van het plangebied staat ten dienst van het agrarische landschap. De woningen en erven die aan de Wittebroeksweg liggen zijn grotendeels omgeven door bomen en door houtwallen. In het erfinrichtingsplan van voorliggend initiatief is daarom ook gekozen voor het herstel van de bestaande houtwallen van het plangebied en voor het vergroten van de inheemse beplanting binnen het plangebied. Op deze wijze krijgt het plangebied een grotere ecologische waarde en worden toch de open waarden van het landschap behouden.
3.
De “Laag van de beleving“
In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis.
Afbeelding 4.5
Uitsnede gebiedskenmerkenkaart “Laag van de beleving” (Bron: Provincie Overijssel)
‘Donkerte’ Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 24
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van de beleving” Er is geen sprake van een onevenredige toename een (kunst)licht in het buitengebied. In de nieuwe situatie bestaat het plangebied uit een woning met een bijgebouw. De hoeveelheid bebouwing neemt met de voorgenomen ontwikkeling af, de hoeveelheid licht blijft waarschijnlijk nagenoeg hetzelfde. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de “Laag van de beleving”. 4.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel en is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
4.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. Met betrekking tot voorliggende ruimtelijke ontwikkeling zijn de hierna genoemde beleidsstukken het belangrijkst. 4.3.1
Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk
4.3.1.1 Algemeen De ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’ (vastgesteld d.d. 12 februari 2014) bevat een brede visie op de toekomst en vormt het kader van alle ruimtelijke ontwikkelingen. De visie is opgebouwd in 3 lagen, namelijk identiteit, context en kernvisie: •
• •
Identiteit: gericht op versterken en kwaliteit van een gebied: deze geeft deze geeft niet aan welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn maar meer binnen welke identiteit een bepaalde ontwikkeling moet worden uitgewerkt/vormgegeven. Context: gericht op de functionele opgave: Dit vanuit het huidige programma; wonen, werken natuur en verkeer. Kernvisie: In de kernvisie zijn de prioriteiten vanuit de workshops gedestilleerd en wordt aangegeven op welke ontwikkeling/wisselwerking de focus ligt.
4.3.1.2 Identiteit, Context en Kernvisie 1.
Identiteit
Het plangebied ligt in het ligt in het identiteitsgebied ‘Rond boeren’. Het agrarisch gebruik geeft identiteit aan dit gebied. De kleine kernen zijn sterk verweven met het buitengebied. De gebruikers, voornamelijk agrariërs, zijn bepalend (geweest) voor de verschijningsvorm van het landschap. Bij de ontwikkeling van cultuurlandschappen hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Mensen zijn echter het landschap in de loop der tijd wel gaan waarderen om zijn ruimtelijke kwaliteiten. Het gebied rondom het plangebied bestaat voor een groot deel uit heide- en broekontginningslandschap. Er zijn relatief grote open ruimtes en erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. De erven in de andere landschappen liggen veel meer in een soort van spinragstructuur. Voor een nieuw complex zouden de gebouwen zo geformeerd kunnen worden dat het in ruimtelijk opzicht lijkt op een (traditioneel) boerenerf. Inpasbaarheid in het agrarisch BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 25
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp cultuurlandschap is van belang. Hiermee wil de gemeente de agrarische en landschappelijke identiteit behouden, alsmede een goede toekomst bieden voor de agrarische sector zelf. 2.
Context
Het plangebied ligt in het buitengebied. In het buitengebied vindt agrarische bedrijvigheid plaats, er wordt gerecreëerd en gewoond en het bevat belangrijke ecologische waarden. In het buitengebied liggen enkele buurtschappen, met een hechte sociale structuur. Vanwege de verwevenheid met het landschap maken deze buurtschappen onderdeel uit van het buitengebied. Het beleid met betrekking tot de hoofdfunctie van het buitengebied, de agrarische bedrijvigheid is vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied. Daarbij kan gedacht worden aan de ontwikkelingsruimte (afhankelijk van de zogenoemde reconstructiezonering), het VAB-beleid, beleid voor niet agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, rood voor rood en de kwaliteitsimpuls groene omgeving. 3.
Kernvisie
Binnen de kernvisie liggen tien concrete opgaven, waarvan zes ruimtelijke en vier procesmatige. De in deze wijziging van het omgevingsplan besloten ontwikkeling maakt geen onderdeel uit van een concrete opgave. 4.3.1.3 Toetsing aan omgevingsvisie In het identiteitsgebied ‘Rond boeren’ wordt uitgegaan van de ruimtelijke kwaliteit die hoort bij erven en waarbij de beleefbaarheid van het landschap vergroot kan worden. Ook het uiterlijk van bebouwing is van belang. Het erfinrichtingsplan is gericht op het versterken van de bestaande groenstructuur waar reeds groen staat zodat daarnaast voldoende open ruimte overblijft van waaruit het landschap ervaren kan worden. Met de landschappelijke inpassing wordt de erfvorm van het plangebied hersteld nadat hier enkele jaren geen onderhoud aan is gepleegd. Daarnaast heeft de nieuwe woning de afmeting en massa van de bestaande woning maar wel het uiterlijk van een moderne woning die bij het buitengebied past. De herontwikkeling van de gronden binnen het plangebied voorziet in het toekomstig onderhoud en een kwaliteitsimpuls. Hiermee heeft het plangebied een duurzaam en kwalitatief positief toekomstbeeld. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de omgevingsvisie van de gemeente Hellendoorn. 4.3.2
Beleid ‘Nieuw Buitengebied’
4.3.2.1 Algemeen De gemeenteraad van Hellendoorn heeft op 2 juni 2020 het beleid ‘Nieuw Buitengebied’ vastgesteld. Het doel van het beleid is richting aan toekomstige ontwikkelingen in het buitengebied te geven, maar ook een doorkijk te bieden naar een werkwijze die past in de geest van de Omgevingswet. 4.3.2.2 Stappenplan De basis van het beleid is het stappenplan, waarmee initiatiefnemers op weg worden geholpen bij het vormgeven van nieuwe ontwikkelingen. In afbeelding 4.6 is het stappenplan weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 26
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp
Afbeelding 4.6
Stappenplan beleid Nieuw Buitengebied (Bron: Gemeente Hellendoorn)
4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid ‘Nieuw Buitengebied’ De beoogde ontwikkeling is niet in overeenstemming met de bouw- en gebruiksregels van het geldende bestemmingsplan. Op basis van het beleid ‘Nieuw Buitengebied’ en het daarin opgenomen stappenplan kan aan de voorgenomen ontwikkeling worden meegewerkt. In voorliggend geval is weliswaar geen sprake van een rood voor rood ontwikkeling, maar wel van een ontwikkeling in het buitengebied indachtig het beleid. Er wordt namelijk oude landschapsontsierende bebouwing gesloopt en vervangen door nieuwbouw die ook vanuit functioneel oogpunt (wonen) toekomstbestendig is, waarbij per saldo sprake is van een afname aan bebouwing. Daarnaast wordt voorzien in een voorziening voor het opwekken van duurzame energie (veldopstelling zonnepanelen). Voor de hoeveelheid m² terug te bouwen bijgebouwen wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die worden geboden in artikel 17.3.7 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009 herziening regels 2-2012’, die voor dergelijke verzoeken door de gemeente als toetsingskader wordt gehanteerd. Het verzoek is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in het beleidsdocument ‘Nieuw buitengebied’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 27
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp 4.3.3
Welstandsnota 2012
4.3.3.1 Buitengebied Een groot deel van het buitengebied van de gemeente Hellendoorn heeft een landschap dat wordt getypeerd door een verkavelingpatroon dat het resultaat is van veldontginningen die vanaf 1850 plaatsvonden en de ruilverkavelingen van na de oorlog. De architectuur van de bebouwing is vrij traditioneel te noemen en bestaat veelal uit een rechthoekige basisplattegrond. De massa wordt gevormd door één bouwlaag met kap. In het gebied komen allerlei kapvormen voor (zadeldak, al dan niet met een wolfseind, of een schilddak). De gevels kennen een verticale geleding en zijn vrij gesloten. Ze zijn in baksteen opgetrokken en hebben een roodbruine kleur. Veel daken zijn van origine voorzien van donkergrijze pannen, maar deze zijn in de loop der tijd vaak vervangen door golfplaat. Dit laatste geldt met name voor de bijgebouwen. Nabij de Sallandse Heuvelrug komen ook rieten daken voor. 4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Het ontwerp van de woningen zal worden voorgelegd aan de stadsbouwmeester van “Het Oversticht”, die de plannen voor de gemeente toetst aan de gemeentelijke welstandsnota.
4.3.4
Wijzigingsbevoegdheid ‘Wijzigen naar ‘Wonen’ na niet-agrarische bedrijfsbeëindiging’
In de regels van het bestemmingsplan ‘buitengebied’ is in artikel 32.8 een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee een niet- agrarisch bedrijf omgezet kan worden naar een woonbestemming. Voorliggend initiatief maakt geen gebruik van deze wijzigingsbevoegdheid waar het gaat om het wijzigen van de gronden binnen het plangebied met een bedrijfsbestemming naar een woonfunctie. De wijzigingsbevoegdheid wordt hier enkel voor de volledigheid en ter onderbouwing van de functiewijziging aangehaald. Van de wijzigingsbevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt ter onderbouwing van het initiatief aan het geldend beleid. 4.3.4.1 Wijzigingsbevoegdheid 32.8 Wijziging naar "Wonen" na niet-agrarische bedrijfsbeëindiging Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, indien is komen vast te staan dat in een bestemmingsvlak op gronden als bedoeld in artikel 5 (Bedrijf), artikel 8 (Maatschappelijk), artikel 11 (Recreatie) en artikel 13 (Sport), geen bedrijf, voorziening of instelling meer is gevestigd, en binnen het betreffende bestemmingsvlak een of meer bedrijfswoningen aanwezig zijn, de bestemming binnen het betreffende bestemmingsvlak te wijzigen in de bestemming als bedoeld in artikel 17 (Wonen), met inachtneming van de volgende bepalingen: a. b.
c.
d. e. f.
bij elke wijziging wordt tegelijkertijd het betreffende bestemmingsvlak verwijderd; alle bestaande gebouwen binnen het voormalig bestemmingsvlak worden begrepen in één bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen", waarvan de bestemmingsgrens ligt: i. aan de naar de weg gekeerde zijde van het bestemmingsvlak, ter plaatse van de voormalige bestemmingsgrens, en ii. aan de overige zijden van het bestemmingsvlak, op 1 m tot de naar de voormalige bestemmingsgrens gekeerde gevels van de gebouwen die het dichtst bij de voormalige bestemmingsgrens zijn gelegen; de overige gronden binnen het voormalig bestemmingsvlak worden aangewezen als "Agrarisch", "Agrarisch met waarden" of "Natuur" al naar gelang de eerstbedoelde gronden grotendeels grenzen aan die laatstbedoelde; het bepaalde in artikel 17 (Wonen) is van overeenkomstige toepassing; elke wijziging dient in elk geval alle woonruimten binnen het betreffende bestemmingsvlak te omvatten; de agrarische gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden aangetast; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 28
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp g.
het aantal woningen binnen elk voormalig bestemmingsvlak mag niet worden vergroot.
4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de wijzigingsbevoegdheid Aan nagenoeg alle onderdelen van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan. Echter, het nieuwe woonerf is groter dan de huidige bedrijfsbestemming, waardoor het beoogde plan niet kan voldoen aan de voorwaarden van bovengenoemde wijzigingsbevoegdheid. De woonfunctie zal enkel de tuin en de plekken beslaan waar bebouwing staat. De bestaande bebouwing wordt vervangen voor een nieuw te bouwen woonhuis met bijgebouw. Het noordelijke deel van het plangebied behoud de agrarische functie. Op de agrarische functie wordt een functieaanduiding toegevoegd die het mogelijk maakt om een zonneveld te plaatsen en een functieaanduiding die het mogelijk maakt om het zonneveld af te schermen met groen. In de volgende hoofdstukken van voorliggende onderbouwing wordt uiteengezet dat deze ontwikkeling naar een woonfunctie geen invloed heeft op de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing. 4.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 29
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp
HOOFDSTUK 5 5.1
OMGEVINGSVEILIGHEID
Wettelijk kader
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl)
5.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de EV Signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de EV Signaleringskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de EV Signaleringskaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Signaleringskaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 30
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: ev-signaleringskaart.nl)
Zoals op afbeelding 6.1 te zien is lopen ten oosten en westen van het plangebied twee aardgasleidingen. Het gaat hier om de volgende aardgasleidingen: Leiding A-529 A-588
Diameter 48 inch 48 inch
Maximale werkdruk 66 bar 66 bar
1% letaliteitsgrens 542 m 542 m
Het plangebied ligt op meer dan 700 meter afstand van beide buisleidingen en valt daarmee buiten de aandachtsgebieden van de aardgasleidingen. Een berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Er bevinden zich geen andere risicobronnen rondom het plangebied.
5.3
Conclusie
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 31
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp
HOOFDSTUK 6 BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Wettelijk kader
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Beleid waterschap Drents Overijsselse Delta
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk water. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 32
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp •
•
•
6.1.5
Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap probeert niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook wil het waterschap van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Beleid gemeente
Op 15 december 2020 is de beleidsnota “Samen leven met water 2021-2025” van de gemeente Hellendoorn vastgesteld. Het waterbeheer in Hellendoorn is verdeeld over vier waterpartners: de gemeente Hellendoorn, het waterschap Vechtstromen en waterschap Drents Overijsselse Delta en de provincie Overijssel. Bij het operationele waterbeheer worden ook particulieren en ondernemers betrokken. 6.1.5.1 Samen leven met water De activiteiten van de vier waterpartners kennen een grote onderlinge afhankelijkheid. Een goede samenwerking is dus essentieel. De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, grondwater en hemelwater hebben zowel betrekking op de (afval)waterketen als op het watersysteem. In de samenwerking met waterbeheerders en omliggende gemeenten speelt Twents Waternet een belangrijke rol. Twents Waternet is een netwerkorganisatie waarin (beleids)medewerkers van de Twentse gemeenten en waterschap Vechtstromen kennis en ervaring delen op het gebied van riolering, waterbeheer en klimaatadaptatie. Het Twents Waternet heeft een aantal bouwstenen opgesteld voor regelgeving op watergebied. De bouwstenen bieden mogelijkheden om onderwerpen op verschillende wijze te regelen. De bouwstenen gaan over: • • • • •
• •
aansluiten op de riolering met regels over de aansluitingen op de riolering; lozen van afvalwater met regels over de lozingsroute, zuiveringsvoorzieningen en bij dit laatste regels voor aan te leveren gegevens en bescheiden; bedrijfsafvalwater in het buitengebied met regels om zorg te dragen dat alleen huishoudelijk wordt geloosd en aanvullende regels in geval van lozing van bedrijfsafvalwater; vloerpeilen en maximaal percentage verharding met regels om zorg te dragen dat zo weinig mogelijk hemelwater via het riool wordt afgevoerd; waterberging inclusief afkoopregeling met regels om hemelwater langer op het eigen terrein kunnen vasthouden en indien nodig vertraagd afvoeren. Ook bevat deze regels voor particulieren over het aanleggen van een waterberging met voorwaarden. Via een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de waterbergingseis; afkoppelen en infiltreren in aangewezen afkoppelgebieden om daarmee het hemelwater vast te houden in de gebieden; bodemenergiesystemen in intrekgebieden dienen zorg te dragen dat de drinkwaterwinning wordt veiliggesteld.
Afvalwaterzorgplicht De gemeentelijke zorgplicht voor inzameling van stedelijk afvalwater beperkt zich overwegend tot huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat qua samenstelling daarmee overeen komt. Dit houdt in dat bedrijfsafvalwater, waarbij geen sprake is van bovengenoemde herkomst, in beginsel niet door de gemeente ingezameld en getransporteerd behoeft te worden. In de praktijk zal de gemeente overigens het bedrijfsafvalwater dat al is aangesloten op een openbaar vuilwaterriool blijven inzamelen en transporteren, mist de samenstelling van dit afvalwater voldoet aan wettelijke eisen en de goede werking van het rioolstelsel en rioolwaterzuivering niet belemmert.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 33
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp Hemelwaterzorgplicht De gemeente Hellendoorn streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Gestreefd wordt dit te doen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Bij infrastructuurprojecten in bestaand stedelijk gebied en bij nieuwe in- en uitbreidingen van woongebied is in de afgelopen 20 jaar veel aandacht gegeven aan het scheiden van hemel- en afvalwater. De gemeente tracht, conform de opzet van de wetgeving, het initiatief voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen zoveel mogelijk bij de burgers neer te leggen binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Grondwaterzorgplicht De gemeente draagt zorg voor het in het openbaar gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de particulier, het waterschap of de provincie behoren.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Zoals in paragraaf 3.3 uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de motivering van ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de ‘korte procedure’ van toepassing is. Het waterschap is hiermee akkoord met het plan mits voldaan wordt aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf. 6.2.3
Waterhuishoudkundige aspecten plangebied
Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Er worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en er is sprake van een afname van het verhard oppervlak. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 34
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Compensatie bij aanleg verharding Advies voor kleine plannen geldt als regel dat voor het realiseren van verhard oppervlak een berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater benodigd is. Compensatie moet de volgende trap volgen: vasthouden-bergen-afvoeren.
Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Geadviseerd wordt om de waterberging te ontwerpen op basis van bij voorkeur een vertraagde afvoer, een infiltratiesituatie. Conclusie De ontwikkeling voorziet in een afname van het verharde oppervlak binnen het plangebied. Het hemelwater wordt gescheiden van het afvalwater en komt niet in het gemengde riool terecht. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt, wordt ter plaatse geïnfiltreerd. Door de ruime opzet en tuin is er binnen het plangebied voldoende ruimte beschikbaar om het hemelwater op te vangen en te infiltreren. Hierdoor sluit het voornemen aan bij het voorkeursbeleid van hemelwaterbeheer, waarbij water wordt vastgehouden, geborgen en geïnfiltreerd. Geconcludeerd wordt dat het voornemen aansluit bij de uitgangspunten van de standaard waterparagraaf.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 35
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp
HOOFDSTUK 7 BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU Op basis van paragraaf 5.1.4 van het Bkl houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •
geluid door activiteiten; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur, en; trillingshinder.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Wettelijk kader
Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl) 7.1.2
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7.1.3
Geluidsaandachtsgebied
Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen dan gelden de volgende afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling): • • •
7.1.4
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Grenswaarden wegverkeerslawaai
In de het Bkl worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw. In tabel 1 zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 36
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp
Geluidbronsoort Provinciale wegen en Rijkswegen Gemeentewegen en Waterschapswegen Lokale spoorwegen en Hoofdspoorwegen Tabel 1
Standaardwaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden
Grenswaarde 60 Lden 70 Lden 65 Lden
Standaardwaarden en grenswaarden wegverkeerslawaai weergegeven (Bkl tabel 5.78t/5.78u))
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd dienen te worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarde. Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw indien niet voldaan wordt aan de standaardwaarde is mogelijk volgens het Bkl (artikel 5.78 Bkl) indien: • • •
• • • 7.1.5
Geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn; De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; Bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan Het gecumuleerd geluid is beoordeeld en de grenswaarde niet overschreden is; Het gezamenlijk geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschreden is; Het belang van een geluidluwe gevel is betrokken. Situatie plangebied
Wat betreft het onderdeel geluid door activiteiten is met name het onderdeel lawaai door wegverkeerslawaai relevant. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd, en is geen spoorweg gelegen. In voorliggend geval is geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. De bedrijfswoning is reeds geluidsgevoelig voor de Wittebroeksweg en het geluid uit alle huidige geluidsbronnen uit activiteiten uit de buurt. De Wittebroeksweg is daarnaast een zeer landelijk gelegen en wordt voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer en verkeer dat is gerelateerd aan de agrarische bedrijven in de omgeving. In voorliggend plan is enkel sprake van vervangende nieuwbouw van een voormalige bedrijfswoning. De nieuwe woning zal niet dichter gepositioneerd worden dan waar in de huidige situatie sprake van is. 7.1.6 Conclusie Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 37
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. In voorliggend geval is er sprake van een functiewijziging van een bedrijfsperceel naar een woonperceel. Om te beoordelen of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie, is door Dumea Milieu een historisch bodemonderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies voortkomend uit deze onderzoeken opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportages die zijn opgenomen in bijlage 2 en bijlage 3 bij deze motivering. 7.2.2
Situatie plangebied
Historisch bodemonderzoek Het historisch bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen NEN 5725. Tijdens het historisch onderzoek is gebleken dat de woning is gebouwd rond 1911. Het is mogelijk dat tijdens (ver)bouwwerkzaamheden asbest in het gebouw is verwerkt. Daarnaast bevatten de te slopen schuren asbesthoudende dakbedekking. Er zijn twee druppelzones waar het lekwater van de asbesthoudende dakbedekking rechtstreeks in de onbeschermde bodem terechtkomt. Door het jarenlange gebruik als bedrijfslocatie in het buitengebied wordt de locatie als verdacht beschouwd met betrekking tot de aanwezigheid van asbest in de bodem. Op basis van het historisch onderzoek worden de gronden als verdacht beschouwd in het kader van asbest in bodem en asbest in puin (NEN 5740, 5707 en 5897). Een verkennend bodemonderzoek is noodzakelijk geacht door de gemeente. Verkennend bodemonderzoek Als onderdeel van het opvolgende verkennend bodemonderzoek zijn boringen en inspectiegaten gegraven en is een maaiveldinspectie uitgevoerd. De bodem van het projectgebied is vervolgens onderzocht conform de normen NEN 5740, 5707 en 5897. In geen van de bemonstering zijn concentraties stoffen aangetroffen die de interventiewaarden overschrijden. Het onderzoek concludeert dat de onderzoekslocatie geschikt wordt geacht voor het beoogde woongebruik. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 7.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 38
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
7.3.2
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit voornemen, in verhouding tot de standaard gevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend voornemen 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het aantal verkeersbewegingen blijft gelijk als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Zie hiervoor paragraaf 3.2.2. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Wettelijk kader
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 39
Wijziging van het omgevingsplan Wittebroeksweg 1, Haarle Ontwerp • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 7.4.2