CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

ontwerp bestemmingsplan zonder bijlagen

Gemeenteraad 16 februari 2021, gemeente HellendoornBij agendapunt: Bestemmingsplan "Van Alphenstraat 11 Nijverdal"25.907 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.4.2.3 Behoefte De basis voor de onderbouwing van de kwalitatieve behoefte is opgenomen in de woonvisie en de woningmarktanalyse die hieraan ten grondslag ligt (bijlage van de Woonvisie). Uit de gemeentelijke Woonvisie blijkt dat er de komende jaren sprake is van een toename van circa 340 tot 420 huishoudens. Onderliggend speelt echter huishoudensverdunning (meer één- en tweepersoonshuishoudens) en vergrijzing. Het aantal 75-plussers neemt sterk toe, terwijl andere doelgroepen in omvang gelijk blijven of afnemen. In tabel 1 is dit weergegeven. De grootste kwalitatieve woningmarktopgave op de middellange termijn is daarom het passend huisvesten van deze toenemende groep oudere huishoudens. De woningvoorraad in de gemeente Hellendoorn bestaat namelijk grotendeels uit

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp grondgebonden (koop)woningen. Levensloopbestendige woningen voor ouderen (waar ook andere doelgroepen in kunnen wonen) zijn nog beperkt beschikbaar.

Tabel 1

Ontwikkeling van huishoudens op basis van leeftijd en huishoudenssamenstelling (Bron: woonvisie 2020-2025, gemeente Hellendoorn (2019))

Door het toevoegen van appartementen kunnen oudere huishoudens doorstromen vanuit hun grondgebonden woningen. Dit draagt bij aan een gezonde woningmarkt, omdat andere huishoudens met interesse in grondgebonden woningen dan in de bestaande woningvoorraad terecht kunnen. Uit de gemeentelijke woonvisie blijkt dat er nog behoefte is aan meer koopappartementen, omdat deze een toevoeging zijn op de bestaande woningvoorraad en voorzien in een behoefte op (middel)lange termijn. Voorliggend plan voorziet in koopappartementen in het hogere segment (€ 300.000,-). Ook uit tabel 2 blijkt dat er een toenemende behoefte is aan appartementen in alle segmenten. De ontwikkeling van vergrijzing is hierin duidelijk terug te zien. Oudere huishoudens krijgen vaker de behoefte om te verhuizen naar een nultredenwoning. Ze laten vaak een grondgebonden woning achter. Voor de huurwoningen is hetzelfde beeld te zien. Naast vergrijzing ontstaat deze vraag vanuit huishoudensverdunning. Er komen steeds meer één-en tweepersoonshuishoudens in de gemeente, deze huishoudens hebben vaker een voorkeur voor een kleinere woning.

Tabel 2

Behoefte aan appartementen in de gemeente Hellendoorn (Bron: woonvisie 2020-2025, gemeente Hellendoorn (2019))

De woningmarktanalyse laat daarnaast zien dat er voor netto uitbreiding van de woningvoorraad behoefte is aan nultredenwoningen, zowel in het koop als (midden)huursegment. Levensloopbestendige grondgebonden woningen zijn idealiter nultreden. Brede deurposten, geen drempels en gemakkelijk toe te voegen ruimtes, zoals een slaapkamer en badkamer op de begane grond maken de woning geschikt voor ouderen. 4.4.2.4 Woningbouwprogramma en afwegingskader Het woningbouwprogramma van de gemeente Hellendoorn is dynamisch en bestaat uit initiatieven vanuit de gemeente, woningstichting, particulieren en ontwikkelaars/bouwers. Het college kan besluiten om in specifieke gevallen en onder voorwaarden af te wijken van het woningbouwprogramma en nieuwe initiatieven BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp toe te staan. Voorwaarde vanuit de provincie Overijssel is echter dat wanneer nieuwe initiatieven worden toegestaan andere plannen uit het woningbouwprogramma moeten worden geschrapt. Om te helpen bij het maken van bewuste keuzes over welke woningtypen worden toegestaan en op welke (structuurversterkende) plekken in de gemeente, is in de Woonvisie 2020-2025 een afwegingskader opgesteld. Door de stappen in het afwegingskader te doorlopen ontstaat een gesprek over de toegevoegde waarde van een nieuwbouwplan. Essentieel is dat kiezen voor een bepaald plan altijd gevolgen heeft voor de bestaande voorraad en ook voor andere nieuwbouwplannen. Het afwegingskader helpt bij het beoordelen en beargumenteren (van de gevolgen) van een plan. De eerste twee criteria van het afwegingskader zijn dwingend: er moet voorzien worden in een kwalitatieve behoefte en het plan moet op een inbreidingsplek liggen. 4.4.2.5 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025 Zoals verwoord in paragraaf 4.3.2.2 is er een behoefte aan nultredenwoningen en appartementen in alle sectoren. In dit geval gaat het wat betreft de grondgebonden woningen om nultredenwoningen, aangezien ze levensloopbestendig worden uitgevoerd. Hiermee is het plan in overeenstemming met de geactualiseerd gemeentelijke woonvisie.

Daarnaast sluit de ontwikkeling goed aan bij de gemeentelijke ambitie om zoveel mogelijk in te zetten op ‘inbreiding’ in plaats van ‘uitbreiding’, waarbij tevens sprake is van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door sloop van leegstaande bebouwing en het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig woongebied. Hiermee voldoet het plan ook aan het gemeentelijk afwegingskader. 4.4.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

5.1.2.1 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai kan in dit geval buiten beschouwing worden gelaten aangezien de dichtstbijzijnde spoorweg op ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.2 Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen industriële inrichtingen of gezoneerde industrieterreinen aanwezig. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op individuele milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het aspect industrielawaai geen belemmering vormt. In de navolgende paragraaf wordt nader ingegaan op het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In het voorliggende geval worden, vanuit planologisch oogpunt, nieuwe geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is. In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

Op de van Alphenstraat en de Nicolaas Beetsstraat en andere omliggende wegen geldt een 30 km/u regime. Dergelijke wegen kennen geen wettelijke geluidszone. Dit betekent dat een akoestisch onderzoek naar de effecten van het wegverkeerslawaai als gevolg van deze wegen in beginsel achterwege kan blijven. Volgens jurisprudentie blijkt een 30 km/uur weg echter in de beoordeling te moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). In dit geval betreffen het beide binnenwijkse wegen die geen doorstroomfunctie hebben. De verkeersintensiteit ligt daarom laag, de wegen worden met name door bestemmingsverkeer gebruikt. Redelijkerwijs kan daarom niet worden verwacht dat de voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden. Het plangebied ligt daarnaast formeel wel binnen de geluidszone van de RIjssensestraat (60 km/uur). De weg ligt echter op een relatief grote afstand van het plangebied (meer dan 100 m) en wordt afgeschermd door tussenliggende bebouwing. Daarom kan redelijkerwijs ook niet worden verwacht dat ten aanzien van deze weg de voorkeurswaarde wordt overschreden. 5.1.3

Conclusie

Het plan voldoet aan de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek kan achterwege blijven.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is in dit geval door Eco Reest een bodemonderzoek verricht conform de richtlijn NEN 5740. Het volledige onderzoek is als bijlage 1 opgenomen bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. 5.2.2

Situatie plangebied

5.2.2.1 Resultaten Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. Het gehalte aan PFAS in de bovengrond aan de westzijde van de locatie overschrijdt de maximale waarde voor de klasse Industrie en het gehalte aan nikkel in het grondwater overschrijdt de interventiewaarde. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee daarom verworpen. De in de bovengrond gemeten gehalten aan PFAS zijn vermoedelijk het gevolg van atmosferische depositie. Indien (boven)grond van de locatie wordt afgevoerd, moet rekening worden gehouden met de gemeten gehalten aan PFAS; de bovengrond aan de westzijde van de locatie is op basis hiervan (indicatief) aangemerkt als niet toepasbaar. Conform lokaal beleid is het op locatie herschikken van grond met verhoogde gehalten aan PFAS toegestaan. De in het grondwater gemeten gehalten aan barium, cadmium, nikkel en zink zijn waarschijnlijk een gevolg van (fluctuerende) van nature verhoogde achtergrondconcentraties. Wel dient indien ter plaatse grondwater wordt onttrokken, rekening te worden gehouden met de gemeten nikkelgehalten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp 5.2.2.2 Vervolg Als vervolg op de resultaten is besloten dat er geen sprake is van het afvoeren van grond. Zoals aangegeven is het herschikken van grond met verhoogde gehalten aan PFAS toegestaan. Tevens zal er geen grondwater opgepompt worden, waardoor het verhoogd gehalte aan nikkel geen probleem vormt. 5.2.3

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp 5.3.2

Situatie plangebied

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een herontwikkeling van het plangebied waarbij 36 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Een ontwikkeling met een dergelijke omvang is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet nodig.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • de Regeling basisnet; • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Regelgeving ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in het plangebied

5.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is aangegeven met de zwarte omlijning.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich wel bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is (buisleiding gasunie); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Buisleiding Nederlandse Gasunie B.V. Zoals in afbeelding 5.1 is weergegeven, ligt het plangebied nabij een gasleiding van de Nederlandse Gasunie B.V. Het betreft de gasleiding met het kenmerk N-557-32. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 159 mm en een werkdruk van maximaal 40 bar. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 70 meter. De gasleiding ligt op 20 meter afstand van het plangebied. De buisleiding ligt daarmee binnen de 1% letaliteitsgrens. In de volgende paragraaf wordt de benodigde verantwoording van het groepsrisico gegeven. 5.4.2.2 Groepsrisico Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven waarbij een incident met dodelijke slachtoffers voorkomt. Het wordt in het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ gedefinieerd als de “cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding”. De ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ gaat uit van 2,4 personen per woning. Voorliggend plan voorziet in het realiseren van 36 woningen. Met de gewenste ontwikkeling neemt het aantal personen ten opzichte van de huidige situatie met 11*2,4 = 86,4 (afgerond 86) toe. Planologische gezien neemt het aantal personen niet toe, aangezien het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt om ter plaatse een (grootschalige) maatschappelijke functie te realiseren. Dit kan bijvoorbeeld een (basis)school of een ziekenhuis zijn, waarbij er sprake zou zijn van een veel grotere personendichtheid. Gezien vorenstaande kan worden gesteld dat er geen sprake is van een verhoging van het groepsrisico ten opzichte van de huidige situatie. desalniettemin is hierna in het kader van een goede ruimtelijke ordening een nadere toelichting op het aspect ‘groepsrisico’ opgenomen. Bij het verantwoorden van het groepsrisico zijn er zowel locatiespecifieke als ontwikkelingsspecifieke aspecten die dienen te worden onderbouwd. De volgende locatiespecifieke aspecten zijn daarbij van belang: opkomsttijd, dekking waarschuwingsinstallatie en nabijheid bluswatervoorzieningen. Deze worden hierna onderbouwd.

• Opkomsttijd: De brandweer dient binnen zes minuten ter plaatse te zijn. In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen vier minuten ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerkazerne bevindt zich namelijk aan de Kerkstraat 138 te Nijverdal, op een afstand van 1,9 km tot het plangebied; • Dekking waarschuwingsinstallatie: De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit systeem zal echter na 2020 verdwijnen. Daarna zullen de aanwezige personen in bedreigd gebied worden gewaarschuwd middels NL-Alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen; • Nabijheid bluswatervoorziening. Er zijn in en rondom het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig Eveneens dient in voorliggend geval aan de ontwikkelingsspecifieke aspecten te worden getoetst. Dit betreffen de volgende aspecten: bereikbaarheid van hulpdiensten ter plaatse, vluchtmogelijkheden en (zelf)redzaamheid van de aanwezige personen. Hierna worden de voorgenoemde aspecten nader onderbouwd: • Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen bij een calamiteit, een gebied/object goed te kunnen bereiken.

Het plangebied is vanaf de Nicolaas Beestraat in beide richtingen en vanaf de van Alphenstraat te bereiken. Er is daarnaast sprake van voldoende ruimte voor de huldiensten om de benodigde werkzaamheden uit te kunnen voeren. • Ontvluchten van het gebied: Zowel het appartementengebouw als de woningen zullen beschikken over de benodigde vluchtroutes. Het terrein kan in diverse richtingen ontvlucht worden, zo is er op zowel de Nicolaas Beetsstraat als de van Alphenstraat een uitrit. (Zelf)redzaamheid: (Zelf)redzaamheid houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijv. schuilen of vluchten) bij dreigend gevraag. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. In het voorliggend geval betreft de gewenste ontwikkeling het realiseren van reguliere woningen en appartementen. Van aanwezige bewoners kan over algemeen worden verwacht dat deze (zelf)redzaam zijn. Bovendien is dit planologisch gezien een verbetering van de huidige situatie, waarbij er sprake kan zijn van het realiseren van functies voor minder zelfredzame mensen (medische instelling, basisschool); 5.4.3

Conclusie

Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met de wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In dit geval zijn in de directe omgeving van het plan met name woonfuncties gelegen. Dit betekent dat uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp 6

1.500 m

5.5.3

Situatie plangebied

1.000 m

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Direct ten noorden van het plangebied is een maatschappelijke functie gelegen.

In de huidige situatie is er een multifunctioneel centrum gevestigd (De Holtink). Dit centrum omvat verschillende functies, waaronder een basisschool, een buitenschoolse opvang en een kinderopvang. De functie ligt op circa 15 meter afstand. De richtafstand die geldt voor dergelijke functies bedraagt 30 meter. Deze wordt niet gehaald. Akoestisch onderzoek Algemeen In dit kader is door DGMR een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Onderzocht is of het geluidsniveau aanvaardbaar is en de woningen inpasbaar zijn in de omgeving. Er is in het onderzoek uitgegaan van de representatieve invulling van de maximale planmogelijkheden. Hierna wordt op de resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Aan stap 1 (richtafstanden op basis van de VNG-publicatie) wordt niet voldaan. Daarom wordt overgegaan naar stap 2. In stap 2 zijn richtwaarden geformuleerd voor het geluidniveau. In stap 2 zijn gemiddelde richtwaarden opgenomen. Als hier niet aan kan worden voldaan, wordt overgegaan naar stap 3. In stap 3 wordt uitgegaan van maximale (grens)waarden. De gemeente Hellendoorn beschikt over een eigen geluidbeleid. De daarin opgenomen basiswaarde en bovengrenswaarde komen overeen met stap 2 en 3 uit de VNG-handreiking. Hier wordt dan ook van uitgegaan. Bij overschrijding van de bovengrens moeten er volgens het geluidbeleid maatregelen genomen worden.

Hierbij wordt in principe de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. 2. 3. 4.

voldoende afstand bewaren; maatregelen bij de bron; maatregelen bij de overdracht; maatregelen bij de ontvanger.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp Resultaten Uit de rekenresultaten blijkt dat ten aanzien van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet wordt voldaan aan zowel stap 2 als 3. Bij stap 3 is er sprake van een maximale overschrijding van 3 dB. Ten aanzien van de maximale geluidniveaus wordt er niet aan stap 2 voldaan, maar wel aan stap 3. De geluidniveaus als gevolg van de verkeersaantrekkende werking voldaan aan de streefwaarden uit stap 2. Voor de geluidbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt de school niet belemmerd. Afweging Zowel voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als de maximale geluidsniveaus voldoen de waarden niet aan de toetswaarden uit stap 2. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoen de waarden ook niet aan de toetswaarden uit stap 3 en aan de grenswaarden van het gemeentelijk geluidbeleid. De oorzaak van de overschrijdingen is het stemgeluid van de spelende kinderen buiten. Maatregelen Aanpassen van de indeling van het plangebied is niet mogelijk. De appartementen komen in een bestaand gebouwd. Het volledig slopen en herbouwen is niet realistisch. Bronmaatregelen aan spelende kinderen zijn niet mogelijk. Het geluid van spelende kinderen is normaal op een schoolplein. Ook het inkorten van de duur dat kinderen buiten spelen is niet wenselijk.

Gekeken is naar overdrachtsmaatregelen. Om het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau te laten voldaan aan de toetswaarden aan stap 3 is een geluidwerend scherm op de grens van het terrein van de school nodig. Met een schermhoogte van maximaal 2,9 meter hoog voldoet het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau aan stap 3. Het scherm zal, verdeel over twee delen, zo’n 42 meter lang moeten zijn (24 en 18 meter), over de gehele lengte van het speelterrein. Om te voldoen aan stap 2 is een scherm van acht meter hoog, wat niet realistisch inpasbaar is. De woningen moeten daarnaast conform het Bouwbesluit beschikken over een minimale gevelwering van 20 dB. Het binnenniveau voldoet bij voorkeur aan de 35 dB(A)-etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en 55 dB(A)-etmaalwaarde voor het maximale geluidsniveau. De hoogste optredende geluidbelasting bedraagt 56dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en 68dB(A) voor het maximale geluidsniveau. Met een gevelwering van 21dB wordt hieraan voldaan. Het is goed mogelijk om een dergelijke geluidwerking te behalen, zowel bij nieuwbouw als transformatie. Conclusie In dit geval wordt er een geluidsscherm gerealiseerd zoals aangegeven in het akoestische onderzoek. Het scherm krijgt een hoogte van 2,9 meter en heeft een lengte van 42 meter. In afbeelding 3.2 is het scherm reeds weergegeven.

Om te borgen dat het scherm wordt gerealiseerd, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is opgenomen dat de nieuwe woningen pas in gebruik mogen worden genomen als het scherm gerealiseerd is. Hiermee wordt voldaan aan stap 3 uit de VNGpublicatie, waarmee geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. 5.5.4

Conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er, mits het geluidscherm zoals omschreven wordt gerealiseerd, geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp 5.6.1

Gebiedsbescherming

5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen gebieden die zijn beschermd in het kader van de Wnb betreffen de Natura 2000-gebieden “Sallandse Heuvelrug” en “Wierdense veld” op respectievelijk 1en 2,4 kilometer afstand. In afbeelding 5.2 is dit weergegeven.

Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de onderlinge afstand geen sprake van. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. In het kader van dit project is er door Eco Reest nu een stikstofonderzoek uitgevoerd, om de gevolgen van de ontwikkeling op dit Natura 2000-gebied in beeld te brengen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Uit de AERIUS-berekeningen voor het beschouwde plan komt naar voren dat, zowel in de aanleg- als de gebruiksfase, géén sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (<0,00 mol/ha/jr). Het maken van een verschilberekening met de bestaande situatie is dan ook niet nodig. Binnen de berekende emissie (25,5 kg NOx) kan de uitvoerder schuiven met inzet van werktuigen wanneer de uitvoeringswijze duidelijk is. De beoogde herontwikkeling heeft géén negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het stikstofaspect staat vaststelling van het plan in het kader van de Wet natuurbescherming daarmee niet in de weg. Voor de uitvoering van het plan geldt ten aanzien van het aspect stikstof in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunningplicht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van natuur dat onderdeel uitmaakt van het NNN bevindt zich op circa 660 meter afstand. Het onderzoeksgebied behoort niet tot het NNN en het grenst niet aan gronden die tot het NNN behoren. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging van het onderzoeksgebied op enige afstand van het NNN, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Quickscan ecologie Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Eco Reest heeft ter plaatse van het plangebied een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. In bijlage 4 van deze toelichting is de onderzoeksrapportage opgenomen. Binnen het plangebied zijn jaarrond beschermde nesten van huismussen aangetroffen. Daarnaast zijn er potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen in de gevels van het kantoorpand en/of woonhuis aanwezig. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen deze verloren gaan, waardoor sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. In de bomen en struiken kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden.

Onder het aanwezige trafo-gebouw kunnen verblijfplaatsen van wezel (en evt. hermelijn) aanwezig zijn. Daarnaast kan het plangebied onderdeel uitmaken van het leefgebied van deze kleine marterachtigen en egel. De overige te verwachten algemene zoogdieren en amfibieën zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten waar in voorliggend geval een vrijstelling geldt. Dit houdt in dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk is voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast worden populaties van bovengenoemde soorten niet in gevaar gebracht. Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen. Aanbevelingen en advies • Vleermuizen en huismussen Het kan niet worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied. Door de voorgenomen werkzaamheden (gevels/spouw) kunnen deze worden aangetast/verstoord. Nader onderzoek naar vleermuizen is zodoende nodig, om te bepalen of er al dan geen verblijfplaatsen aanwezig zijn. Alleen dan kan bepaald worden of er bij de voorgenomen werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Leidraad voor vleermuisonderzoek is het vleermuisprotocol van 2017. Voor een volledig vleermuisonderzoek zijn meerdere veldbezoeken nodig in de periode half mei september.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp Bij de terreininspectie zijn nestplaatsen van huismussen aangetroffen. Nestplaatsen van huismussen zijn jaarrond beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming. Om te bepalen hoeveel nesten van huismussen in de bebouwing aanwezig zijn, is aanvullend onderzoek nodig. Voor het onderzoek naar de huismus wordt de methode uit het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus aangehouden. Huismusonderzoek vindt plaats middels twee veldbezoeken in de periode april - 20 juni. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of/welke maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. • Kleine marterachtigen Door de werkzaamheden in de nabijheid van het trafostation (aan de westzijde van het kantoorpand) buiten de kwetsbare periode van kleine marterachtigen uit te voeren, wordt verstoring voorkomen. Deze soorten zijn het meest kwetsbaar in de kraamperiode van 15 maart tot 1 september. Door een strook aan zowel de noordals zuidzijde van het trafo-gebouw weer te beplanten met struiken/heesters kunnen dieren hiervan gebruik maken om zich langs te verplaatsen naar andere groene delen in de omgeving. • Broedvogels Het plangebied is in het broedseizoen tevens geschikt als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten. Alle in gebruik zijnde nesten zijn beschermd.

Geadviseerd wordt om geen werkzaamheden uit te voeren binnen het broedseizoen, zodat geen sprake is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedvogels. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is echter afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog. Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moet een zorgvuldige werkwijze worden bepaald of dienen de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. • Houtopstanden Mogelijk is vanuit de gemeentelijke regels het aanvragen van een omgevingsvergunning voor kap van bomen nodig. Binnen het plangebied zijn geen waardevolle bomen/boomgroepen aanwezig. Geadviseerd wordt in overleg met de betreffende gemeente te bepalen of en welke vervolgstappen nodig zijn. • Zorgplicht Opgemerkt wordt dat de zorgplicht altijd blijft gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend. 5.6.2.2 Nader onderzoek huismus In aanvulling op de quickscan is door Eco Reest een nader onderzoek naar huismussen uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 5 van deze toelichting. Door de voorgenomen herontwikkeling worden de aanwezige nestplaatsen van huismus aangetast. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming waarvoor een ontheffing noodzakelijk is. Voor de ontheffingsaanvraag dient een activiteitenplan opgesteld te worden. Hierin wordt beschreven hoe, waar en hoeveel alternatieve nestlocaties worden aangebracht (tijdelijke voorzieningen in de directe omgeving en permanente voorzieningen binnen het plangebied) en hoe bij de uitvoer van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de beschermde soorten. Hierbij moet gedacht worden aan de planning van het werk, bijvoorbeeld om kwetsbare periodes te ontzien en om rekening te houden met de gewenningstijd die nodig is voor alternatieve verblijfplaatsen. Ook dient de bebouwing voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt te worden gemaakt. Dit mag pas na ontvangst van de ontheffing.

Binnen de Wet natuurbescherming is het vereist dat de werkzaamheden plaats vinden onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Ook dient in het activiteitenplan het wettelijk belang beschreven te worden; in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. 5.6.2.3 Nader onderzoek vleermuizen In aanvulling op de quickscan is door Eco Reest in oktober 2020 een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Hierin is tevens de huismus nog eens meegenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als bijlage 6 opgenomen. Vleermuizen Uit de resultaten van het vleermuisonderzoek komt naar voren dat binnen het plangebied twee zomerverblijfplaatsen en 1 à 2 twee paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn die mogelijk jaarrond in gebruik zijn. Op de locaties van de verblijfplaatsen blijven de gevels en het dak behouden. Wel kunnen de werkzaamheden (waaronder aanpassen kozijnen) zorgen voor verstoring/aantasting van de verblijfplaatsen. In geval naisolatie van de spouwmuren plaatsvindt, gaan deze verblijfplaatsen verloren. Binnen het plangebied zijn foeragerende of doortrekkende vleermuizen waargenomen. Gezien de lage aantallen gaat het hier niet om een essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes. Bovendien zijn in de directe omgeving voldoende alternatieven aanwezig. Huismussen Uit het onderzoek naar huismussen blijkt dat er binnen het plangebied 14 nestplaatsen van huismus aanwezig zijn.

Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden (verwijderen zonnescreens/aanpassen kozijnen) gaan deze jaarrond beschermde nestplaatsen verloren. Ook is een nestplaats van boomkruiper aangetroffen. Dit betreft een categorie 5-soort op de Overijsselse lijst met jaarrond beschermde nesten. Voor deze soort (en eventueel andere te verwachten categorie 5-soorten) zijn in de (directe) omgeving voldoende alternatieven beschikbaar. De nesten van deze categorie 5-soorten zijn dan ook niet jaarrond beschermd. Overige beschermde soorten Tijdens het aanvullend onderzoek zijn enkele andere beschermde soorten (zoogdieren en vogels) waargenomen. De egel gebruikt de heggen aan de randen van het plangebied als rust/slaapplaats. Aangezien de heggen behouden blijven, is geen sprake van aantasting. De steenmarter en eekhoorn hebben geen vaste rust- en verblijfplaatsen binnen het plangebied. Negatieve effecten op deze soorten is niet aan de orde. In het broedseizoen kunnen diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten in en rond het plangebied (in bebouwing en opgaand groen) gaan nestelen. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust-of verblijfplaatsen beschadigen. Verstoring van broedgevallen is toegestaan zolang dit geen wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding heeft.

5.6.2.4 Vervolgstappen Ontheffing Bij de voorgenomen werkzaamheden is ten aanzien van huismus sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het wegnemen van nestplaatsen van huismus, is wettelijk gezien een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ten aanzien van vleermuizen kan mogelijk sprake zijn van overtreding(en) op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, namelijk het doden, verstoren en/of het beschadigen/vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen (art. 3.5 Wnb). Mogelijk kunnen met een zorgvuldige werkwijze overtredingen worden voorkomen. Indien gekozen wordt voor naisolatie van de spouwmuur gaan deze verblijfplaatsen sowieso verloren en is een ontheffing noodzakelijk. Gedeputeerde Staten kan onder Artikel 3.3 lid 4 en Artikel 3.8 lid 5 een ontheffing verlenen “in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten”, in het geval er geen andere bevredigende oplossing is én de maatregelen niet leiden tot

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (art. 3.3) of er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (art. 3.8). Om een ontheffing te verkrijgen, moet bij de aanvraag een activiteitenplan meegestuurd worden waarin wordt beschreven hoe elke verblijfplaats die komt vervallen gecompenseerd wordt en hoe bij de uitvoer van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de beschermde soorten. De officiële termijn voor het verkrijgen van een besluit van de provincie ten aanzien van de Wet natuurbescherming is dertien weken, met een mogelijkheid tot verlenging van zeven weken. Gezien de lange afhandeltijd en de tijd die nodig is als gewenningsperiode of voor een op kwetsbare periodes aangepaste planning, wordt geadviseerd dit ruim voor het uitvoeren van de werkzaamheden te doen. 5.6.2.5 Mitigerende maatregelen Vleermuizen en huismussen Een zorgvuldige uitvoeringswijze kan verstoring op verblijfplaatsen van vleermuizen voorkomen, of tot een minimum beperken. Voor verblijfplaatsen van vleermuizen geldt dat er alternatieve verblijfplaatsen moeten worden aangeboden als de huidige verblijfplaatsen worden aangetast.

Ook voor nestplaatsen van huismussen geldt dat er alternatieve nestplaatsen moeten worden aangeboden als de huidige nestplaatsen worden aangetast. Deze alternatieve nest- of verblijfplaatsen moeten tijdig voor de werkzaamheden worden aangeboden, omdat er rekening gehouden moet worden met een gewenningsperiode. De concrete uitwerking van de benodigde mitigerende maatregelen vindt plaats in een activiteitenplan. Binnen de Wet natuurbescherming is het vereist dat de werkzaamheden plaats vinden onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Deze geeft, in overleg met de opdrachtgever, aan waar zich geschikte locaties bevinden voor het plaatsen van alternatieve voorzieningen. Tevens adviseert deze in eventuele maatregelen die nodig zijn voor aanvang of tijdens het project. Hierbij moet gedacht worden aan de planning van het werk, bijvoorbeeld om kwetsbare periodes te ontzien en om rekening te houden met de gewenningstijd die nodig is voor alternatieve verblijfplaatsen. Ook dient de bebouwing voorafgaand aan de werkzaamheden - in de minste kwetsbare periode(n) - ongeschikt te worden gemaakt voor vleermuizen en huismussen. Dit mag pas na ontvangst van de ontheffing. Overige broedvogels Het plangebied is in het broedseizoen tevens geschikt als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten.

Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust-of verblijfplaatsen beschadigen. Verstoring van broedgevallen is toegestaan zolang dit geen wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding heeft. Geadviseerd wordt om geen werkzaamheden uit te voeren binnen het broedseizoen, zodat geen sprake is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedvogels. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is echter afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Ook kan ervoor worden gekozen de werkzaamheden voor het broedseizoen op te starten en continu door te werken. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden, wordt geadviseerd potentiële nestlocaties voor het broedseizoen ongeschikt te maken voor vogels (natuurvrij maken). Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart en de potentieel geschikte locaties niet van te voren dichtgezet kunnen worden, moet de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog.

Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moet een zorgvuldige werkwijze worden bepaald of dienen de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp 5.6.3

Conclusie

Ten aanzien van de huismus en de vleermuis wordt een ontheffing aangevraagd. Aan de genoemde aanbevelingen ten aanzien van deze soorten zal worden voldaan. Het aspect ecologie vormt, met inachtneming van vorenstaande, geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Onderzoeksresultaten archeologie Het plangebied is getoetst aan de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) en aan de provinciale archeologische verwachtingskaart uit de provinciale Omgevingsvisie. Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gekarteerd. Door de aanwezigheid van de huidige bebouwing is de bodem binnen het plangebied, net zoals vrijwel de gehele kern van Nijverdal, (grotendeels) geroerd en dus verstoord. Daarom is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Een archeologische dubbelbestemming hoeft niet opgenomen te worden. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In en in de omgeving van het plangebied is tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Daarom wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.7.3

Conclusie

Van archeologische waarden binnen het plangebied is geen sprake. Tevens is het niet noodzakelijk om een archeologische dubbelbestemming op te nemen. Tevens wordt gesteld dat er geen cultuurhistorische waarden in of nabij het plangebied aanwezig zijn.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1 km afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening (bijlage 3 en paragraaf 5.6) is reeds gebleken dat er van significante aantasting van deze Natura 2000-gebieden geen sprake is. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieuen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 5.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “van Alphenstraat 11” Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Algemeen

Op grond van een afspraak uit de Startovereenkomst Waterbeleid 21 e eeuw, dienen decentrale overheden in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf op te nemen. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 6.1.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14960964/1