Omgevingsplan Koersweg 4-4a Haarle
Tekst van het document
Identiteit: gericht op versterken en kwaliteit van een gebied: deze geeft deze geeft niet aan welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn maar meer binnen welke identiteit een bepaalde ontwikkeling moet worden uitgewerkt/vormgegeven. Context: gericht op de functionele opgave: Dit vanuit het huidige programma; wonen, werken natuur en verkeer. Kernvisie: In de kernvisie zijn de prioriteiten vanuit de workshops gedestilleerd en wordt aangegeven op welke ontwikkeling/wisselwerking de focus ligt.
4.3.1.2 Identiteit, Context en Kernvisie 1.
Identiteit
Het plangebied ligt in het ligt in het identiteitsgebied ‘Rond boeren’. Het agrarisch gebruik geeft identiteit aan dit gebied. De kleine kernen zijn sterk verweven met het buitengebied. De gebruikers, voornamelijk agrariërs, zijn bepalend (geweest) voor de verschijningsvorm van het landschap. Bij de ontwikkeling van cultuurlandschappen hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Mensen zijn echter het landschap in de loop der tijd wel gaan waarderen om zijn ruimtelijke kwaliteiten. Het gebied rondom het plangebied bestaat voor een groot deel uit heide- en broekontginningslandschap. Er zijn relatief grote open ruimtes en erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. De erven in de andere landschappen liggen veel meer in een soort van spinragstructuur. Voor een nieuw complex zouden de gebouwen zo geformeerd kunnen worden dat het in ruimtelijk opzicht lijkt op een (traditioneel) boerenerf. Inpasbaarheid in het agrarisch cultuurlandschap is van belang. Hiermee wil de gemeente de agrarische en landschappelijke identiteit behouden, alsmede een goede toekomst bieden voor de agrarische sector zelf. 2.
Context
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 26
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld Het plangebied ligt in het buitengebied. In het buitengebied vindt agrarische bedrijvigheid plaats, er wordt gerecreëerd en gewoond en het bevat belangrijke ecologische waarden. In het buitengebied liggen enkele buurtschappen, met een hechte sociale structuur. Vanwege de verwevenheid met het landschap maken deze buurtschappen onderdeel uit van het buitengebied. Het beleid met betrekking tot de hoofdfunctie van het buitengebied, de agrarische bedrijvigheid is vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied. Daarbij kan gedacht worden aan de ontwikkelingsruimte (afhankelijk van de zogenoemde reconstructiezonering), het VAB-beleid, beleid voor niet agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, rood voor rood en de kwaliteitsimpuls groene omgeving. 3.
Kernvisie
Binnen de kernvisie liggen tien concrete opgaven, waarvan zes ruimtelijke en vier procesmatige. De in deze wijziging van het omgevingsplan besloten ontwikkeling maakt geen onderdeel uit van een concrete opgave. 4.3.1.3 Toetsing aan omgevingsvisie In het identiteitsgebied ‘Rond boeren’ wordt uitgegaan van de ruimtelijke kwaliteit die hoort bij erven en waarbij de beleefbaarheid van het landschap vergroot kan worden. Ook het uiterlijk van bebouwing is van belang. Het erfinrichtingsplan is gericht op het versterken van de bestaande groenstructuur waar reeds groen staat zodat daarnaast voldoende open ruimte overblijft van waaruit het landschap ervaren kan worden. Ook de verplaatsing van de woning en de realisatie van de compensatiewoning zorgt ervoor dat de oorspronkelijke ruimtelijke structuur van een boerenerf weer terug komt. Daarnaast heeft de nieuwe woning de afmeting en massa van de bestaande woning maar wel het uiterlijk van een moderne woning die bij het buitengebied past. De herontwikkeling van de gronden binnen het plangebied voorziet in het toekomstig onderhoud en een kwaliteitsimpuls. Hiermee heeft het plangebied een duurzaam en kwalitatief positief toekomstbeeld. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de omgevingsvisie van de gemeente Hellendoorn. 4.3.2
Beleid ‘Nieuw Buitengebied’
4.3.2.1 Algemeen De gemeenteraad van Hellendoorn heeft op 2 juni 2020 het beleid ‘Nieuw Buitengebied’ vastgesteld. Het doel van het beleid is richting aan toekomstige ontwikkelingen in het buitengebied te geven, maar ook een doorkijk te bieden naar een werkwijze die past in de geest van de Omgevingswet. 4.3.2.2 Stappenplan De basis van het beleid is het stappenplan, waarmee initiatiefnemers op weg worden geholpen bij het vormgeven van nieuwe ontwikkelingen. In afbeelding 4.6 is het stappenplan weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 27
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
Afbeelding 4.6
Stappenplan beleid Nieuw Buitengebied (Bron: Gemeente Hellendoorn)
4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid ‘Nieuw Buitengebied’ De beoogde ontwikkeling is niet in overeenstemming met de bouw- en gebruiksregels van het geldende bestemmingsplan. Op basis van het beleid ‘Nieuw Buitengebied’ en het daarin opgenomen stappenplan kan aan de voorgenomen ontwikkeling worden meegewerkt. In voorliggend geval is weliswaar geen sprake van een rood voor rood ontwikkeling, maar wel van een ontwikkeling in het buitengebied indachtig het beleid. Er wordt namelijk oude landschapsontsierende bebouwing gesloopt en vervangen door een compensatiewoning, die ook vanuit functioneel oogpunt (wonen) toekomstbestendig is, waarbij per saldo sprake is van een afname aan bebouwing. Voor de hoeveelheid m² terug te bouwen bijgebouwen wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die worden geboden in artikel 17.3.6 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009 herziening regels 2-2012’, die voor dergelijke verzoeken door de gemeente als toetsingskader wordt gehanteerd. Het plan is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in het beleidsdocument ‘Nieuw buitengebied’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 28
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld 4.3.3
Welstandsnota 2012
4.3.3.1 Buitengebied Een groot deel van het buitengebied van de gemeente Hellendoorn heeft een landschap dat wordt getypeerd door een verkavelingpatroon dat het resultaat is van veldontginningen die vanaf 1850 plaatsvonden en de ruilverkavelingen van na de oorlog. De architectuur van de bebouwing is vrij traditioneel te noemen en bestaat veelal uit een rechthoekige basisplattegrond. De massa wordt gevormd door één bouwlaag met kap. In het gebied komen allerlei kapvormen voor (zadeldak, al dan niet met een wolfseind, of een schilddak). De gevels kennen een verticale geleding en zijn vrij gesloten. Ze zijn in baksteen opgetrokken en hebben een roodbruine kleur. Veel daken zijn van origine voorzien van donkergrijze pannen, maar deze zijn in de loop der tijd vaak vervangen door golfplaat. Dit laatste geldt met name voor de bijgebouwen. Nabij de Sallandse Heuvelrug komen ook rieten daken voor. 4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Het ontwerp van de woningen zal worden voorgelegd aan de commissie omgevingskwaliteit, die de plannen voor de gemeente toetst aan de gemeentelijke welstandsnota. 4.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 29
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
HOOFDSTUK 5 5.1
OMGEVINGSVEILIGHEID
Wettelijk kader
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
5.2
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de EV Signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de EV Signaleringskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de EV Signaleringskaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Signaleringskaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 30
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
Afbeelding 5.1
Uitsnede Externe Veiligheid (Bron: atlasleefomgeving)
Zoals op afbeelding 5.1 te zien is, ligt het projectgebied in een brandaandachtsgebied van de gasleiding 2271A-5236 en 529. In een eerdere berekening in 2016, uitgevoerd voor een ander project is aangetoond dat het groepsrisico in het dichtstbevolkte gebied nét zichtbaar is. In het buitengebied, waar voorliggend project ligt, is het hierdoor niet aannemelijk dat het plan tot een groepsrisico zal leiden, daarnaast is er geen sprake van het verhogen van personendichtheid, vanwege het stoppen van de agrarische activiteiten. Het advies van de veiligheidsregio geeft het volgende aan: gezien de beperkte ontwikkeling in relatie tot de afstand met betrekking tot de gasleidingen is er in dit geval geen significante invloed op de externe veiligheid. Het treffen van bronmaatregelen is daarom niet benodigd. De toekomstige bewoners zullen worden geïnformeerd over de mogelijke risico’s en het bijbehorende handelingsperspectief, conform het gegeven advies in bijlage 2. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Er bevinden zich geen andere risicobronnen rondom het plangebied.
5.3
Conclusie
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 31
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Wettelijk kader
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Beleid waterschap Drents Overijsselse Delta
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk water. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 32
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld • •
•
6.1.5
Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap probeert niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook wil het waterschap van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Beleid gemeente
Op 15 december 2020 is de beleidsnota “Samen leven met water 2021-2025” van de gemeente Hellendoorn vastgesteld. Het waterbeheer in Hellendoorn is verdeeld over vier waterpartners: de gemeente Hellendoorn, het waterschap Vechtstromen en waterschap Drents Overijsselse Delta en de provincie Overijssel. Bij het operationele waterbeheer worden ook particulieren en ondernemers betrokken. 6.1.5.1 Samen leven met water De activiteiten van de vier waterpartners kennen een grote onderlinge afhankelijkheid. Een goede samenwerking is dus essentieel. De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, grondwater en hemelwater hebben zowel betrekking op de (afval)waterketen als op het watersysteem. In de samenwerking met waterbeheerders en omliggende gemeenten speelt Twents Waternet een belangrijke rol. Twents Waternet is een netwerkorganisatie waarin (beleids)medewerkers van de Twentse gemeenten en waterschap Vechtstromen kennis en ervaring delen op het gebied van riolering, waterbeheer en klimaatadaptatie. Het Twents Waternet heeft een aantal bouwstenen opgesteld voor regelgeving op watergebied. De bouwstenen bieden mogelijkheden om onderwerpen op verschillende wijze te regelen. De bouwstenen gaan over: • • • • •
• •
aansluiten op de riolering met regels over de aansluitingen op de riolering; lozen van afvalwater met regels over de lozingsroute, zuiveringsvoorzieningen en bij dit laatste regels voor aan te leveren gegevens en bescheiden; bedrijfsafvalwater in het buitengebied met regels om zorg te dragen dat alleen huishoudelijk wordt geloosd en aanvullende regels in geval van lozing van bedrijfsafvalwater; vloerpeilen en maximaal percentage verharding met regels om zorg te dragen dat zo weinig mogelijk hemelwater via het riool wordt afgevoerd; waterberging inclusief afkoopregeling met regels om hemelwater langer op het eigen terrein kunnen vasthouden en indien nodig vertraagd afvoeren. Ook bevat deze regels voor particulieren over het aanleggen van een waterberging met voorwaarden. Via een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de waterbergingseis; afkoppelen en infiltreren in aangewezen afkoppelgebieden om daarmee het hemelwater vast te houden in de gebieden; bodemenergiesystemen in intrekgebieden dienen zorg te dragen dat de drinkwaterwinning wordt veiliggesteld.
Afvalwaterzorgplicht De gemeentelijke zorgplicht voor inzameling van stedelijk afvalwater beperkt zich overwegend tot huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat qua samenstelling daarmee overeen komt. Dit houdt in dat bedrijfsafvalwater, waarbij geen sprake is van bovengenoemde herkomst, in beginsel niet door de gemeente ingezameld en getransporteerd behoeft te worden. In de praktijk zal de gemeente overigens het bedrijfsafvalwater dat al is aangesloten op een openbaar vuilwaterriool blijven inzamelen en transporteren, mist de samenstelling van dit afvalwater voldoet aan wettelijke eisen en de goede werking van het rioolstelsel en rioolwaterzuivering niet belemmert.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 33
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld Hemelwaterzorgplicht De gemeente Hellendoorn streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Gestreefd wordt dit te doen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Bij infrastructuurprojecten in bestaand stedelijk gebied en bij nieuwe in- en uitbreidingen van woongebied is in de afgelopen 20 jaar veel aandacht gegeven aan het scheiden van hemel- en afvalwater. De gemeente tracht, conform de opzet van de wetgeving, het initiatief voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen zoveel mogelijk bij de burgers neer te leggen binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Grondwaterzorgplicht De gemeente draagt zorg voor het in het openbaar gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de particulier, het waterschap of de provincie behoren.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Zoals in paragraaf 3.3 uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de motivering van ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.hetwateradvies.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld, deze is te vinden in bijlage 3. 6.2.3
Waterhuishoudkundige aspecten plangebied
Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Er worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en er is sprake van een afname van het verhard oppervlak. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen, adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 34
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Compensatie bij aanleg verharding Er verdwijnt 1.082m2 aan bebouwing, ook de verharding rondom deze bebouwing verdwijnt. Circa 250 m2 verharding wordt toegevoegd in verband met de nieuwe compensatiewoning. Uitgangspunt is dat er een grote hoeveelheid verharding verdwijnt. Er is sprake van zo’n 2500m 2 verharding in het gehele plangebied.
Dit houdt in dat er een waterbergend oppervlak van 2500*0,08m = 200 m 3 moet worden aangelegd. Er is voldoende ruimte op eigen terrein voor infiltratiemogelijkheden. Conclusie De ontwikkeling voorziet in een afname van het verharde oppervlak binnen het plangebied. Het hemelwater wordt gescheiden van het afvalwater en komt niet in het gemengde riool terecht. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt, wordt ter plaatse geïnfiltreerd. Door de ruime opzet en tuin is er binnen het plangebied voldoende ruimte beschikbaar om het hemelwater op te vangen en te infiltreren. Hierdoor sluit het voornemen aan bij het voorkeursbeleid van hemelwaterbeheer, waarbij water wordt vastgehouden, geborgen en geïnfiltreerd. Geconcludeerd wordt dat het voornemen aansluit bij de uitgangspunten van de uitgangspuntennotitie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 35
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU Op basis van paragraaf 5.1.4 van het Bkl houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •
geluid door activiteiten; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur, en; trillingshinder.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Wettelijk kader
Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied altijd rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hiervoor bevat het Bkl een systematiek met waarden en eisen waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt (artikel 5.78s Bkl) 7.1.2
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7.1.3
Geluidsaandachtsgebied
Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen dan gelden de volgende afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling): • • •
7.1.4
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Grenswaarden wegverkeerslawaai
In de het Bkl worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw. In tabel 1 zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 36
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld Geluidbronsoort Provinciale wegen en Rijkswegen Gemeentewegen en Waterschapswegen Lokale spoorwegen en Hoofdspoorwegen Tabel 1
Standaardwaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden
Grenswaarde 60 Lden 70 Lden 65 Lden
Standaardwaarden en grenswaarden wegverkeerslawaai weergegeven (Bkl tabel 5.78t/5.78u))
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd dienen te worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarde. Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw indien niet voldaan wordt aan de standaardwaarde is mogelijk volgens het Bkl (artikel 5.78 Bkl) indien: • • • • • • 7.1.5
Geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn; De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; Bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan Het gecumuleerd geluid is beoordeeld en de grenswaarde niet overschreden is; Het gezamenlijk geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschreden is; Het belang van een geluidluwe gevel is betrokken. Situatie plangebied
Wat betreft het onderdeel geluid door activiteiten is met name het onderdeel lawaai door wegverkeerslawaai relevant. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd, en is geen spoorweg gelegen. Er wordt een nieuwe compensatiewoning toegevoegd en een andere woning wordt verplaatst. Er is dus sprake van de toevoeging van een geluidsgevoelig object. Er is door BJZ.nu akoestisch onderzoek uitgevoerd, te vinden in bijlage 4. Het resultaat wordt hieronder beschreven. De te realiseren woning bevindt zich binnen een geluidsaandachtgebied van een rijksweg en een gemeenteweg. Het geluid door rijkswegen bedraagt ten hoogstens 48 dB L den. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB Lden uit het Bkl. Het geluid door de gemeentewegen bedraagt hoogstens 49 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB Lden uit het Bkl. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 7.1.6
Conclusie
Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 37
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. In voorliggend geval is er sprake van een functiewijziging van een voormalig agrarisch erf naar een woonperceel. Om te beoordelen of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie, is door Dumea Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies voortkomend uit deze onderzoeken opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportages die zijn opgenomen in bijlage 4 bij deze motivering. 7.2.2
Situatie plangebied
Er wordt een woning gerealiseerd, waarbij er gelijktijdig een functiewijziging van agrarisch naar wonen uitgevoerd wordt. Om te beoordelen of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie, is door Dumea Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in bijlage 5 opgenomen. Het resultaat wordt hieronder beschreven. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen zware metalen aangetroffen. In de voormalige dieseltank zijn in het bovengrondmengmonster BM6 en in het grondwatermonster Pb43wm1 geen verhogingen en oliegerelateerde verhogingen aangetroffen. In de spoelplaats zijn in het bovengrondmengmonster BM7 en in het grondwatermonster Pb46wm1 geen verhogingen aangetroffen. Ook in het onderzoek naar asbest is er geen asbest aangetoond. Op basis van het onderzoek kan er gesteld worden dat nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht wordt. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor dit gebruik. 7.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 38
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
7.3.2
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie plangebied
In de omgeving van het plangebied zijn meerdere intensieve veehouderijen. Er is daarom door BJZ.nu een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de haalbaarheid van het plan, zie bijlage 6. Hieronder wordt kort de conclusie herhaald. De aanleiding voor het onderzoek is of er binnen het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat door de fijnstofemissie van omliggende veehouderijen. Het plan zelf draagt aan de luchtverontreiniging niet in betekenende mate bij. De emissie van fijnstof door de omliggende veehouderijen is achterhaald door middel van betreffende milieudossiers en vastgestelde emissiefactoren. Met een model is de immissie op het projectgebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit het Bkl en de Omgevingsregeling met bijbehorende bijlagen. De berekende fijnstofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 14,2μg/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 7,8273 μg/m3. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit het Bkl. Voor de concentratie PM2,5 en PM10 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van bijbehorend project.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 39
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Wettelijk kader
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 7.4.2
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie plangebied
Er is door BJZ.nu een geuronderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Hieronder worden de conclusies beschreven. Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is onderzocht of ter plaatse van het projectgebied, voor wat betreft het milieuaspect ‘geur’, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. In voorliggend onderzoek is zowel gekeken naar de voor- als naar de achtergrondgeurbelasting. Tussen het projectgebied en de getoetste veehouderijen bevinden zich meerdere geurgevoelige gebouwen. Het plan is dan ook niet maatgevend voor de veehouderijen in de omgeving, waardoor geen sprake is van aantasting van de planologische rechten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 40
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld Beoordeling woon- en leefklimaat Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de dominante veehouderij aan de Koersweg 2A bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 20,9 OUE/m3 ter plaatse van het projectgebied. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting is volgens de berekening en de gegevens uit tabel 1 als ‘tamelijk slecht’ te kwalificeren. De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 21,55 OUE/m3. Volgens tabel 1 is het woon- en leefklimaat qua achtergrondbelasting ter plaatse van het projectgebied te kwalificeren als ‘tamelijk slecht’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘tamelijk slecht’. De geurbelasting voldoet hiermee niet aan de wettelijke standaardnorm van 14,0 OUE/m3 voor geurgevoelige gebouwen binnen een concentratiegebied en buiten de bebouwingscontour. Wel wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 35,0 OUE/m3. Voor de nieuwe woning geldt dat deze wel voldoet aan de wettelijke standaardnorm uit het Bkl.
Conform artikel 5.109 van het Bkl kan worden gesteld dat voor de bestaande bedrijfswoningen nog steeds een goed woon- en leefklimaat kennen doordat de geurbelasting niet boven de grenswaarde zit uit het Bkl. Daarnaast kan conform artikel 22.100 van het Omgevingsplan Hellendoorn worden gesteld dat de bedrijfswoningen een voormalige functionele binding kennen aan een dierenverblijf dat na 19 maart 2000 is gestopt. Hierdoor kan worden uitgegaan van een waarde boven de wettelijke standaardnorm. Gelet op voorstaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geurbelasting. 7.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.5
Trillingshinder
7.5.1
Wettelijk kader
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 7.5.2
Situatie plangebied
Het plangebied ligt op circa 350 meter van het dichtstbijzijnde spoor. Dit is op voldoende afstand. Het aspect trillingshinder heeft geen invloed op het projectgebied. 7.5.3
Conclusie
Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 41
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
7.6
Gezondheid
7.6.1
Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 7.6.2
Situatie plangebied
Voor voorliggend initiatief is in deze onderbouwing zo goed mogelijk afgewogen op welke manieren de ontwikkeling invloed zal hebben en beïnvloed wordt door omliggende activiteiten zonder dat de gezondheid van de nieuwe bewoners of de omliggende bewoners negatief wordt beïnvloed. In deze onderbouwing is dit bereikt door te onderbouwen dat bij alle relevante milieuparagrafen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaatsvindt. Vanuit dit oogpunt kan geredeneerd worden dat de kwaliteit van de leefomgeving door de beoogde activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert. 7.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 42
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
BESCHERMING VAN DE NATUUR
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Wettelijk kader
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. 8.1.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het (NNN) is in provinciale omgevingsvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3
Situatie plangebied
8.1.3.1 Natura 2000 Het plangebied bevindt zich op circa 2,1 kilometer van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Sallandse Heuvelrug’. Gelet op de aard en de omvang van het plan in relatie tot de afstand wordt gesteld dat van directe hinder op het Natura 2000-gebied geen sprake is. Naast directe hinder dient tevens naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebied te worden gekeken. Om
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 43
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld dit te beoordelen is er door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-calculator. Het resultaat van deze berekening staat in bijlage 8. AERIUS-berekening Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. 8.1.3.2 NNN Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 760 meter van het plangebied. Gezien het feit dat het project buiten een NNN-gebied valt en gezien de aard en de omvang van het project wordt er geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2
Situatie plangebied
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaarden onderzoek uitgevoerd. De Quickscan is als bijlage 9 aan deze motivering toegevoegd. Hieruit volgt dat er nader onderzoek benodigd is voor vleermuizen, steenmarter, huismussen en de egel. Dit onderzoek is uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 10. Het onderzoek naar vleermuizen en huismussen is uitgevoerd conform het daarvoor geldende onderzoeksprotocol. Het onderzoek naar steenmarter en egel is uitgezonderd volgens een methode die voldoende zekerheid biedt om de aan- of afwezigheid vast te kunnen stellen. Onderzoek heeft het volgende aangetoond: • • • •
Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het onderzoeksgebied; Steenmarter bezet geen verblijfplaats in het onderzoeksgebied; Er nestelen geen mussen in het onderzoeksgebied; Het onderzoeksgebied vormt geen functioneel leefgebied van de egel;
In verband met de herontwikkeling van het erf hoeft geen rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen of steenmarter of nestplaats van huismussen in het gebouw. Ook bezet de egel geen verblijfplaats in de buitenruimte van het onderzoeksgebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 44
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
8.3
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Vanuit het aspect ecologie is er na het nadere onderzoek sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 45
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
HOOFDSTUK 9 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 9.1
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. 9.1.1
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. 9.1.2
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
9.2
Situatie plangebied
9.2.1
Archeologie
Binnen het plangebied geldt een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’. Hiervoor geldt een archeologische onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2500m2. Deze onderzoeksgrenzen worden niet overschreden, waarmee er geen sprake is van een archeologische onderzoeksplicht. 9.2.2
Cultuurhistorie
Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie worden geen cultuurhistorische waarden weergegeven in de directe omgeving van het plangebied. De bebouwing binnen het plangebied wordt in het welstandsbeleid niet aangemerkt als monumentaal pand of als karakteristiek pand.
9.3
Conclusie
Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie worden geen negatieve gevolgen verwacht. Hiermee is het plan uitvoerbaar en is sprake van een evenredige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 46
Wijziging van het omgevingsplan Koersweg 4, Haarle Vastgesteld
HOOFDSTUK 10 10.1
M.E.R.- BEOORDELING
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of merbeoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Het aparte m.e.r.-beoordelingsbesluit is komen te vervallen onder de Omgevingswet.
10.2
Situatie plangebied
10.2.1 Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 2,1 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied (zie ook paragraaf 8.1.3). Een passende beoordeling op basis van artikel 16.53c wordt in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk geacht. Er is dan ook is geen sprake van een m.e.r.plicht op basis van artikel 16.36 van de Omgevingswet. 10.2.2 Omgevingsbesluit Voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J11) uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Kolom 2 uit bijlage V Ob is hierbij niet van toepassing, waarmee geen mer-plicht geldt. Wel is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er is sprake van de aanleg van een woning. Er is dus sprake van een uitbreiding. Gelet op de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Ten aanzien van de beoogde verkeersbewegingen kan het omliggende netwerk deze prima verwerken.
Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Tevens blijkt uit voorliggende ruimtelijke motivering dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Gelet op vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat het voornemen geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengt.
10.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 47