CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.2 Tekst Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (LBV)

Gemeenteraad 5 maart 2024, gemeente HellendoornBij agendapunt: Addendum LBV(+) Beleid Nieuw Buitengebied28.598 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

41842 (2015/N) in een soortgelijke situatie besloten het gebruik van de fiscale herinvesteringsreserve niet te beschouwen als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU, omdat de betreffende steun in de vorm van de belastingmaatregel niet selectief is.

10. Persoonsgegevens Bij de uitvoering van deze regeling worden persoonsgegevens verwerkt in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Dit is het gevolg van het feit dat veehouders hun bedrijf veelal voeren in de vorm van een eenmansbedrijf, een maatschap of een vennootschap onder firma. Gegevens over een dergelijk bedrijf zijn gemakkelijk te herleiden tot de natuurlijke persoon die het bedrijf voert. Bij de behandeling van subsidieaanvragen van veehouders worden bijgevolg persoonsgegevens verwerkt. Gelet daarop zijn de effecten van deze gegevensverwerking voor betrokkenen in kaart gebracht. De verwerking van persoonsgegevens betreft ten eerste het opslaan en het verwerken door RVO van gegevens die door de subsidieaanvrager worden verstrekt, in het kader van de uitvoering van de regeling door RVO. RVO informeert het bevoegd gezag (in de regel het College van B&W en gedeputeerde staten) over de ontvangst van een subsidieaanvraag en over de toe- of afwijzing hiervan. Die informatie is van belang voor het bevoegd gezag vanwege zijn betrokkenheid bij de uitvoering van de regeling. Die rol betreft niet alleen de op grond van de regeling vereiste intrekking dan wel wijziging van de omgevingsvergunning en de natuurvergunning en het in procedure brengen van wijziging van het bestemmingsplan.

Het bevoegd gezag, in het bijzonder de gemeente, heeft ook een bredere

35

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

betrokkenheid, in het kader van het flankerend beleid, gericht op het informeren over en faciliteren bij een eventuele bedrijfsbeëindiging op de betreffende locatie. Dit betreft onder meer de wijziging van de bestemming van de locatie, het verkennen van de mogelijkheden van andere economische activiteiten op de betreffende locatie, alsmede de status van de woning op de locatie. Dit is wezenlijk om te bewerkstelligen dat ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de regeling. Om zeker te stellen dat er een afdoende grondslag is voor de verstrekking van subsidiegegevens aan het bevoegd gezag is hiervoor een bepaling in de regeling opgenomen (artikel 16, tweede lid). Ook vindt gegevensverwerking plaats in het kader van de toetsing door RVO of de bij de aanvraag gebruikte of overlegde gegevens sporen met de gegevens waarover RVO uit andere hoofde beschikt. Het gaat daarbij in het bijzonder om gegevens die door veehouders zijn verstrekt op grond van de Wet dieren, de Meststoffenwet, de Landbouwwet en twee Europese verordeningen betreffende diergezondheid (in het bijzonder de identificatie en registratie van dieren).

Het gaat bijvoorbeeld om de toetsing van de voor de berekening van de stikstofdepositie gebruikte gegevens over dieraantallen en huisvestingssystemen; omtrent de voorwaarde dat de productiecapaciteit in de vijf jaren voorafgaande aan de subsidieaanvraag in gebruik is geweest voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee, omtrent de opgave van de veehouder over het aantal dieren (melkvee, varkens, pluimvee) dat op de te saneren veehouderijlocatie in 2021 gemiddeld is gehouden en omtrent de voorwaarde dat de dieren en de mest van de veehouderijlocatie worden afgevoerd. Tenslotte vindt gegevensverwerking plaats naar aanleiding van de beoordeling of de subsidieaanvrager voldoet aan de randvoorwaarden betreffende overtredingen, zoals toegelicht in paragraaf 4.2. Die beoordeling zal plaatsvinden door de Justitiële informatiedienst die RVO zal informeren of er ten aanzien van betrokkene al dan niet sprake is van strafoplegging wegens een relevant strafbaar feit. Het doel van de beschreven gegevensverwerkingen is gelegen in de uitvoering van de regeling en daarmee het reduceren van de ammoniakemissie en stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000gebieden. Met het oog daarop dient effectief te worden toegezien dat wordt voldaan aan de randvoorwaarden.

De rechtsgrond voor de gegevensverwerking door RVO is gelegen in een taak van algemeen belang, te weten de uitvoering van de subsidieregeling ter vermindering van stikstofdepositie door melkvee-, varkens- en pluimveehouderijlocaties op overbelaste Natura 2000-gebieden. Omdat hierbij sprake is van hergebruik van gegevens die voor een ander doel zijn verzameld, is daarvoor in de regeling een aparte grondslag opgenomen (artikel 16, eerste lid). Overigens kan worden opgemerkt dat de hier bedoelde opnieuw te gebruiken gegevens alle betrekking hebben op de bedrijfsvoering en verwant zijn aan de gegevens die op grond van deze regeling aan RVO moeten worden verstrekt. De regeling heeft tevens raakvlakken met het mestbeleid en regels die volgen uit de Meststoffenwet, zoals inzake het vervallen van het productierecht en het verwijderen van alle dierlijke mest van de productielocatie. Tenslotte is sprake van gegevensverwerking in het kader van de uitvoering van de Regeling natuurbescherming betreffende de opname van depositieruimte in het SSRS en van het monitoren van en rapporten over de effecten van deze regeling. Oogmerk van de regeling is immers mede om, daar waar mogelijk, de vermindering van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-natuur te gebruiken voor het legaliseren van PAS-melders.

Zoals vermeld in paragraaf 3.1 kan daartoe de stikstofdepositievermindering die het gevolg is van de beëindiging van een veehouderijlocatie met gebruikmaking van deze regeling, worden benut om het SSRS te vullen. Om in een concreet geval te kunnen bepalen welke depositieruimte in het SSRS kan worden opgenomen, moeten de bedrijfsgegevens (mogelijkerwijs ook persoonsgegevens) van de veehouders die hun locatie hebben gesloten, gebruikt kunnen worden. Hiervoor is in artikel 16, derde lid, onderdeel a, een aparte grondslag opgenomen. In artikel 16, derde lid, onderdeel b, is een grondslag opgenomen voor de verwerking van de in het kader van deze regeling verstrekte gegevens ten behoeve van de monitoring van en rapportage over de wettelijke omgevingswaarden voor stikstofdepositie, het Programma stikstofreductie en natuurverbetering en het Legalisatieprogramma PAS-meldingen. De noodzaak voor de bedoelde gegevensverwerkingen is gelegen in de aard van de regeling. Er is ook sprake van proportionaliteit. Bij de opstelling van de regeling is een zodanige aanpak gekozen dat alleen bepaalde gegevens worden verwerkt als dat wezenlijk is voor het doel van de regeling en als er niet een minder belastend alternatief is. Ingeschat wordt dat de gegevensverwerkingen op grond van deze regeling slechts beperkte risico’s voor de betrokken veehouders oplevert.

Zij maken immers zelf de keuze om deel te nemen aan de subsidieregeling, met inbegrip van de desbetreffende voorwaarden, en zij zullen hoe dan ook aan derden kenbaar moeten maken dat zij hun melkvee-, varkens- of pluimveeproductie gaan beëindigen en de betreffende veehouderijlocatie definitief en onherroepelijk gaan sluiten. Dat neemt niet weg dat het van belang is dat in voorkomend geval RVO en het bevoegd gezag rekening houden met de positie van betrokkene en diens belang bij bescherming van zijn persoonsgegevens.

36

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

11. Regeldruk 11.1 Administratieve lasten Veehouders die gebruik willen maken van de regeling moeten administratieve handelingen verrichten om in aanmerking te komen voor een subsidie en, in geval een subsidie wordt toegekend, om verantwoording af te leggen over de verplichtingen die verbonden zijn aan de subsidie17. Veehouders die een subsidieaanvraag indienen willen in beginsel de productie op hun bedrijf dan wel op een locatie van hun bedrijf beëindigen. Het beëindigen van de productie op een bedrijf of een locatie vraagt van een ondernemer meer dan uitsluitend de administratieve verplichtingen die voortvloeien uit de regeling. Een ondernemer die bijvoorbeeld plannen heeft voor nieuwe economische activiteiten op de vrijkomende locatie zal daarvoor de nodige stappen moeten ondernemen, waaronder administratieve. De administratieve lasten die daar uit voortvloeien zijn niet rechtstreeks toe te schrijven aan de verplichtingen die volgen uit de regeling en zijn derhalve niet meegenomen in de berekening. In deze paragraaf worden uitsluitend de administratieve lasten meegenomen die rechtstreeks voortvloeien uit de regeling. Aanmelding voor de regeling is vrijwillig. Het besluit om de productie op het eigen veehouderijbedrijf of op een locatie van het veehouderijbedrijf definitief en onherroepelijk te beëindigen is een individuele beslissing en hangt af van vele factoren.

Een inschatting van het aantal aanmeldingen is om die reden met een hoge mate van onzekerheid omgeven. Ten behoeve van de vaststelling van de administratieve lasten die voortvloeien uit de regeling wordt uitgegaan van 800 aanmeldingen. Vanwege de onzekerheid van dit aantal worden de administratieve lasten in deze paragraaf zowel voor het totaal van 800 aanmeldingen als per individuele aanmelding weergegeven (tabel 3). Ingeschat wordt dat, binnen het beschikbare budget van € 500 miljoen en de onderscheiden subsidieplafonds voor melkvee (€ 270 miljoen) en voor varkens en pluimvee (ieder € 115 miljoen), er ruimte is om aan circa 300 veehouders een subsidie te verstrekken voor het beëindigen van hun bedrijf of de locatie van hun bedrijf. De administratieve lasten die voortvloeien uit de verplichtingen die aan subsidieverlening zijn verbonden worden weergegeven per bedrijf en voor dit aantal van 300 (tabel 4). Tabel 3: Administratieve lasten verbonden aan de aanvraag van een subsidie, per aanvraag en in totaal, onder de aanname van 800 aanvragen. Handeling/verplichting

Uitgangspunten berekening

Administratieve last per aanvraag

Administratieve last bij 800 aanvragen

Gegevens nodig voor het bepalen van de stikstofvracht.

3 uur * € 34,00 + 3 uur * € 54,00

€ 264,00

€ 211.200,00

Berekening gemiddeld aantal gehouden dieren (melkvee, varkens, pluimvee) in 2021.

1 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 142,00

€ 113.600,00

Berekening/vaststelling omvang productierecht dat wordt doorgehaald.

1 uur * € 34,00 + 1 uur * € 54,00

€ 88,00

€ 70.400,00

Verzamelen van gegevens over de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte gebouwen en bouwwerken.

2 uur * € 34,00 + 4 uur * € 54,00

€ 284,00

€ 227.200,00

Kopie van melding Activiteitenbesluit milieubeheer, intrekken/ wijzigen van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu.

2 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 176,00

€ 140.800,00

Opstellen verklaring dat daadwerkelijk dieren (melkvee, varkens, pluimvee) worden gehouden en dat de veehouderijlocatie gedurende de afgelopen vijf jaar in gebruik is geweest.

1 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 142,00

€ 113.600,00

Invullen en indienen van de aanvraag.

2 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 176,00

€ 140.800,00

€ 1.272,00

Totaal per aanvraag

€ 1.017.600,00

Totaal bij 800 aanvragen

17

37

Onder administratieve lasten worden verstaan de kosten die bedrijven moeten maken om te kunnen voldoen aan informatieverplichtingen die voortvloeien uit wet- en regelgeving. Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van de lijst met standaarduurtarieven uit bijlage IV.D van het Handboek Meting Regeldrukkosten van het Adviescollege Toetsing Regeldruk (zie www.atrregeldruk.nl).

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

Tabel 4: Administratieve lasten na toekenning van een subsidie, per aanvraag en in totaal, onder de aanname van 300 toegekende subsidies. Handeling/verplichting

Uitgangspunten berekening

Administratieve last per aanvraag

Administratieve last bij 300 subsidie-verstrekkingen

1 uur * € 34,00 + 1 uur * € 54,00

€ 88,00

€ 26.400,00

1 uur * € 34,00

€ 34,00

€ 10.200,00

Kopie van de melding, bedoeld in artikel 5, onder d, onderdeel 1°, respectievelijk van de beschikking tot intrekking of wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 5, onder d, onderdelen 1° en 2°.

1 uur * € 34,00 + 1 uur * € 54,00

€ 88,00

€ 26.400,00

Kopie van de beschikking tot intrekking, bedoeld in artikel 5, onder e.

1 uur * € 34,00 + 1 uur * € 54,00

€ 88,00

€ 26.400,00

2 uur * € 34,00

€ 68,00

€ 20.400,00

1 uur * € 34,00 + 2 uur * € 54,00

€ 142,00

€ 42.600,00

Ondertekening overeenkomst, bedoeld in artikel 5, onder g. Kopie kennisgeving vervallen productierecht, bedoeld in artikel 5, onder c.

Kopie van het verzoek tot wijziging van de bestemming en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen, bedoeld in artikel 5, onder g. Aanvraag om subsidievaststelling, bedoeld in artikel 18.

€ 508,00

Totaal per aanvraag Totaal bij 300 toegekende subsidies

€ 152.400,00

De totale administratieve lasten die voortvloeien uit de regeling, onder de aanname van 800 aanvragen en 300 toegekende subsidies, worden daarmee ingeschat op € 1.170.000,–.

11.2 Nalevingskosten Nalevingskosten zijn de kosten die bedrijven moeten maken om te voldoen aan inhoudelijke eisen uit wet- en regelgeving. Aan deze regeling zijn nalevingskosten verbonden die voortvloeien uit de verplichting tot sloop van de voor de veehouderij gebruikte dierenverblijven, mestkelders en -silo’s, sleuf- en voersilo’s. Voor het slopen dient de veehouder, op grond van artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012, een sloopmelding te doen bij het bevoegd gezag. Bij deze sloopmelding dient de indiener een aantal gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag te verstrekken (artikel 1.26, lid 6, Bouwbesluit 2012), waaronder een veiligheidsplan, een globale inventarisatie van de aard en de hoeveelheid van de afvalstoffen die naar verwachting zullen vrijkomen bij de sloopwerkzaamheden en een asbestinventarisatierapport. Aan de verplichting tot sloop zijn derhalve nalevingskosten verbonden, die deels zien op de inzet van uren van de landbouwer en zijn agrarisch adviseur en deels op advieskosten voor het laten opstellen van een veiligheidsplan en een asbestinventarisatierapport. Op grond van de Wet natuurbescherming is een ontheffing nodig voor de sloop van veehouderijstallen indien de uit te voeren werkzaamheden schadelijke effecten hebben op beschermde soorten die daar aanwezig zijn.

Het is niet toegestaan om beschermde diersoorten te verstoren, te verwonden of om hun verblijfplaatsen te vernielen. In het geval van veehouderijstallen is er vooral een kans op de aanwezigheid van broedvogels en vleermuizen in de te slopen gebouwen. In voorkomend geval worden door sloop van de gebouwen de nest- en verblijfplaatsen en/of de leefomgeving vernietigd en daarmee is sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Voor sloop is daarom in een dergelijk geval een ontheffing nodig en dienen mitigerende maatregelen te worden genomen. Met de mitigerende maatregelen worden de negatieve effecten op deze beschermde soorten voorkomen of verzacht. Om te bepalen of er een kans is dat beschermde soorten in de te slopen bebouwing aanwezig zijn, moet er een zogenaamde quick scan worden uitgevoerd voordat gestart kan worden met sloop. Indien uit de quick scan blijkt dat die kans er is, zal er nader soortonderzoek moeten worden gedaan om vast te stellen of de verwachte soort(en) er ook daadwerkelijk zit(ten) en waar in de bebouwing dit het geval is. Aan een quick scan en aan een eventueel vervolgonderzoek zijn kosten verbonden. Als uitgangspunt voor de berekening van de nalevingskosten wordt aangenomen dat, op grond van de uitkomst van de quick scan, op 50% van de veehouderijlocaties een nader soortenonderzoek uitgevoerd dient te worden.

38

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

Tabel 5: Nalevingskosten na toekenning van een subsidie, per aanvraag en in totaal, onder de aanname van 300 toegekende subsidies (# Aangenomen wordt dat op 50% van de locaties een soortenonderzoek uitgevoerd dient te worden). Handeling

Uitgangspunten berekening

nalevingslast

Sloopmelding

4 uur * € 34,00 + 4 uur * € 54,00 + € 2.500,– advieskosten

€ 2.852,00

Quick scan beschermde soorten Soortenonderzoek

€ 750,–

€ 750,–

€ 4.000,–

€ 4.000,– € 7.602,00

Totaal per aanvraag Totaal bij 300 toegekende subsidies#

€ 1.680.600,00

De totale nalevingskosten die voortvloeien uit de regeling worden daarmee ingeschat op circa € 1,7 miljoen, onder de aanname van in totaal 300 toegekende subsidies.

11.3 Advies van het Adviescollege toetsing regeldruk Op 15 juni 2022 heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) advies over de regeling uitgebracht aan de Minister voor Natuur en Stikstof. Dit advies is terug te vinden op de website van de ATR (www.atr-regeldruk.nl). De ATR toetst wetgeving aan de hand van de volgende criteria: 1. Nuloptie (nut en noodzaak): is er een taak voor de overheid en is wetgeving het meest aangewezen instrument? 2. Zijn er minder belastende alternatieven mogelijk? 3. Is gekozen voor een uitvoeringswijze die werkbaar is voor de doelgroepen die de wetgeving moeten naleven? 4. Zijn de gevolgen voor de regeldruk volledig en juist in beeld gebracht? Het college oordeelt dat de toelichting bij de regeling onderbouwt dat het definitief beëindigen van veehouderijlocaties met een stikstofdepositie boven een drempelwaarde de overbelasting van deze gevoelige gebieden vermindert. Volgens het college maakt de toelichting echter niet duidelijk welke reductie van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden de regeling naar verwachting zal realiseren. Verder is het niet duidelijk hoe deze regeling zich verhoudt tot andere (voorgenomen) maatregelen om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te verminderen.

De regeling biedt melkvee-, varkens- en pluimveehouders die aan de voorwaarden voldoen de mogelijkheid om tegen een vergoeding hun productie definitief en onherroepelijk te beëindigen. Vooraf bestaat geen zekerheid over welke en hoeveel veehouders een subsidieaanvragen zullen gaan indienen. Dat is inherent aan een (vrijwillige) subsidieregeling. Dit betekent tevens dat vooraf geen zekerheid bestaat over de reductie van de stikstofdepositie die gerealiseerd kan worden. Hierbij speelt tevens dat de opbrengst sterk gebiedsafhankelijk is. Dus niet alleen het aantal veehouderijlocaties dat, gegeven het beschikbare budget, beëindigd kan worden met de regeling is van invloed op de te realiseren reductie, maar ook de ligging van de veehouderijlocaties ten opzichte van individuele Natura 2000-gebieden. Zoals beschreven in paragraaf 3.2 worden aanvragen die voldoen aan alle voorwaarden gerangschikt op kostenefficiëntie. Met het rangschikken en selecteren op kostenefficiëntie en het hanteren van een drempelwaarde wordt geborgd dat de beschikbare middelen doelmatig en doeltreffend worden ingezet en dat de stikstofreductie, gegeven het beschikbare budget, wordt geoptimaliseerd. De regeling is een van de bronmaatregelen die tezamen de structurele aanpak stikstof vormen.

Volgens het college maakt de toelichting bij de regeling niet duidelijk of eventueel minder belastende alternatieven zijn overwogen. Het college geeft daarbij een uitkoop- of onteigeningsregeling als mogelijk minder belastend alternatief: ‘Veehouders kunnen dan volstaan met het indienen van een verzoek tot uitkoop waarna het verantwoordelijke bestuursorgaan (bijvoorbeeld de provincie) een selectie maakt. Dit kan mogelijk met een systematiek die vergelijkbaar is als die in onderhavige regeling.’ Het kabinet heeft er nadrukkelijk voor gekozen daar waar mogelijk in te zetten op vrijwillige beëindiging. Getracht is de regeldruk zoveel mogelijk te beperken, zonder in te boeten op de verantwoording en borging die gevraagd wordt bij besteding van publieke middelen. Het college adviseert om de samenhang tussen de onderhavige subsidieregeling en de maatregelen van andere overheden te bewaken en daartoe indien nodig afspraken te maken. Daarnaast adviseert het college om inzichtelijk te maken hoe mogelijke uitvoeringsproblemen worden voorkomen die het succes van de regeling in de weg kunnen staan. Met artikel 3 van de regeling zijn enkele artikelen van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNVsubsidies van overeenkomstige toepassing verklaard, waaronder het artikel (artikel 6) waarmee een ontoelaatbare cumulatie van staatssteun, bijvoorbeeld een vergoeding op grond van andere overhe-

39

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

den, wordt voorkomen. Voor het overige vindt er op zeer regelmatige basis overleg plaats tussen de verschillende bestuurslagen over maatregelen die zijn gericht op stikstofreductie. Voor wat betreft het advies over mogelijke uitvoeringsproblemen wordt verwezen naar paragraaf 12 van deze toelichting, over uitvoering en handhaving.

12. Uitvoering en handhaving De uitvoering van de regeling is belegd bij RVO. Aanvragen kunnen slechts worden ingediend in de periode tussen openstelling van de regeling en sluiting van de regeling (de openstellingsperiode) en enkel via het digitale loket van RVO dat specifiek voor de regeling wordt opgezet. Aanvragen die na de openstellingsperiode binnenkomen, worden niet in behandeling genomen. Aanvragen kunnen na de openstellingsperiode niet meer gewijzigd of gecorrigeerd worden. Het is om die reden voor veehouders die in aanmerking willen komen voor een subsidie van belang om tijdig een aanvraag in te dienen, ruim voor het einde van de openstellingsperiode. Als de controle door RVO van aanvragen op volledigheid en correctheid daartoe aanleiding geeft, kan RVO hierover contact opnemen met de aanvrager, zodat eventuele noodzakelijke aanvullingen, wijzigingen of correcties nog tijdig doorgevoerd kunnen worden. Voor de aanpassing van de bestemming van de veehouderijlocatie dient de veehouder zich te wenden tot de gemeente waarin de veehouderijlocatie is gelegen. Hij dient bij de gemeente een verzoek in te dienen tot het aanpassen van de bestemming, zodanig dat daar niet langer bedrijfsmatig vee gehouden kan worden.

Ook dient hij te zorgen dat de omgevingsrechtelijke melding, eventueel samen met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, door het bevoegd gezag wordt ingetrokken, dan wel, indien hij beschikt over een omgevingsvergunning milieu, dat deze vergunning door het bevoegd gezag wordt ingetrokken, dan wel zodanig aangepast dat er geen vormen van veehouderij meer mogelijk zijn. Indien hij beschikt over een geldende natuurwetvergunning, dient hij er voor te zorgen dat het provinciaal bestuur deze vergunning intrekt. Indien hij op de locatie andere activiteiten wil gaan verrichten die stikstofemissie veroorzaken, dient het bevoegd gezag een besluit te nemen ter bepaling van de maximale emissie van die activiteiten. Het toezicht op de naleving van de subsidievoorwaarden is eveneens in handen van RVO. Omdat voor de sloop van stallen omgevingsrechtelijke voorwaarden gelden, is het bevoegd gezag, doorgaans de gemeente, verantwoordelijk voor het toezicht daarop. RVO heeft voor de regeling een Uitvoerings- en handhavingstoets (UHT) uitgevoerd. Conclusie van RVO is dat de subsidieregeling en de toelichting voldoende helderheid verschaffen om tot een gedegen uitvoering te komen. RVO wijst wel op enkele uitvoeringsrisico’s die kunnen ontstaan.

Doordat op voorhand geen goede inschatting gemaakt kan worden over het aantal te verwachten subsidieaanvragen kan de termijn voor afhandeling van deze aanvragen onder druk komen te staan. RVO houdt er rekening mee dat de uiterste beslistermijn op de aanvraag van 13 weken mogelijk verlengd moet worden. Uit de UHT volgt dat het op enkele onderdelen van de regeling voor RVO niet mogelijk is de juistheid van de door de veehouder te verstrekken gegevens voor de volle 100% te verifiëren, maar dat deze gegevens voor een correcte afhandeling van de aanvraag wel in voldoende mate op aannemelijkheid getoetst kunnen worden. Het gaat om controle op: • het gemiddeld aantal dieren dat een melkvee-, varkens- of pluimveehouder op een veehouderijlocatie heeft gehouden gedurende het kalenderjaar dat als referentie geldt. Dit speelt met name daar waar een onderneming uit meerdere veehouderijlocaties bestaat; • de exacte datum van ingebruikname van een stal; • de omvang van het productierecht dat doorgehaald dient te worden. Dit speelt met name daar waar een onderneming uit meerdere veehouderijlocaties bestaat. De registratie van het productierecht vindt plaats op bedrijfsniveau, niet op het niveau van individuele veehouderijlocaties.

De omvang van het door te halen productierecht dient om die reden bepaald te worden aan de hand van het gemiddeld aantal gehouden dieren op de betreffende veehouderijlocatie.

13. Consultatie Bij de voorbereiding van deze regeling is inbreng verkregen uit overleg met relevante organisaties, uit interviews met individuele veehouders (beweegredenenonderzoek) en via een internetconsultatie.

13.1 Inbreng organisaties In juni 2020 is er een consultatiegroep gevormd voor kennisinbreng en advies bij het opstellen van de Lbv. Hiervoor zijn vertegenwoordigende organisaties vanuit de drie betrokken veehouderijsectoren

40

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

benaderd, natuurterrein beherende organisaties, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De consultatiegroep is in 2020 en 2021 verschillende keren geconsulteerd over de inhoudelijke opzet van de regeling. In september 2020 is er aanvullend hierop een bredere consultatie georganiseerd. Een groot aantal organisaties vanuit de drie betrokken sectoren, en tevens van natuurorganisaties, van gemeenten, provincies en waterschappen en een aantal niet aan organisaties verbonden deskundigen zijn hiervoor benaderd. Zij konden reageren op zeventien vragen binnen zeven thema’s die van belang waren voor de ontwikkeling van de regeling. Er zijn in totaal 260 reacties gegeven door 42 verschillende personen. De uitkomsten hiervan zijn meegenomen in de vormgeving van de regeling.

13.2 Beweegredenenonderzoek Stoppen met een veehouderij(locatie) is een moeilijke beslissing voor een ondernemer, waarbij de motivatie voor deze keuze sterk kan verschillen. Om inzicht te krijgen in de beweegredenen en drempels die veehouders ervaren bij deze keuze, zijn er interviews en gesprekken gehouden met veehouders die zijn gestopt of nadenken over stoppen met (een locatie van) hun bedrijf. Ten eerste is in het kader van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen in december 2018 en januari 2019 een beweegredenenonderzoek uitgevoerd onder twintig varkenshouders18. Dit onderzoek bood zinvolle inzichten voor de voorbereiding van deze regeling. Vervolgens is in februari en maart 2021 een soortgelijk onderzoek uitgevoerd onder twaalf melkveehouders19, gevolgd door interviews met een vijftal pluimveehouders20. Daarnaast heeft ook een aantal gesprekssessies plaatsgevonden met onder andere adviseurs en medewerkers van gemeenten. Het doel van deze gesprekssessies was om een communicatiestrategie te ontwikkelen. De belangrijkste adviezen die hier uit voort zijn gekomen, zijn het opzetten van één centraal informatiepunt, het bieden van persoonlijke begeleiding en het inzichtelijk maken van te zetten stappen door middel van een routekaart, waarin ook aandacht is voor het toekomstperspectief.

Mede dankzij deze gesprekken is inzicht verkregen in hoe melkvee-, varkens- en pluimveehouders aankijken tegen stoppen, wat beweegredenen en drempels zijn om te stoppen, welke knelpunten men bij het stoppen heeft ondervonden, welke rol een regeling hierin kan spelen, wat de informatiebehoefte hieromtrent is en hoe deze informatie het beste kan worden gedeeld.

13.3 Publieke consultatie Van 10 mei tot en met 12 juni 2022 zijn de conceptregeling en -toelichting opengesteld voor publieke consultatie. Er zijn in totaal 60 zienswijzen ingediend, waarvan 39 openbaar en 21 niet-openbaar. Openbare zienswijzen zijn na te lezen op de website (www.internetconsultatie.nl). De indieners zijn grofweg in te delen in de volgende categorieën: • Veehouders (19); • Technisch, juridisch of financieel adviseurs (12); • Gemeenten, provincies en omgevingsdiensten (overheden) (6); • Branche en keten organisaties (2); • Overig (3); • Onbekend (18). Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn in het bijzonder de volgende wijzigingen in de concept-regeling aangebracht. Het voorstel om voor etagestallen voor leghennen een aparte vergoedingsmaatstaf te hanteren is overgenomen door hiervoor in bijlage 3 een aparte tabel voor de gecorrigeerde vervangingswaarde van deze stallen op te nemen. In artikel 1 is een begripsomschrijving voor ‘etagestal’ opgenomen. De geconstateerde fout in de tabel voor de gecorrigeerde vervangingswaarde voor dierenverblijven voor varkens is gecorrigeerd. Naar aanleiding van de reacties is de toelichting op onderdelen aangescherpt en verduidelijkt.

Zo is gevraagd of een reactie van het bevoegd gezag op een principe-verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan volstaat om te voldoen aan het vereiste uit artikel 5, eerste lid, onderdeel g. In de

18

Saneringsregeling varkenshouderij, rapportage van een kwalitatief onderzoek, 28-02-2019 Ferro Explore, Beëindiging melkveehouderij beweegredenen en beleving, rapportage van de inzichten uit het kwalitatieve onderzoek, versie 1.2, 22-10-2021 20 Het resultaat van de interviews met pluimveehouders is als bijlage toegevoegd aan de rapportage ‘Beëindiging melkveehouderij beweegredenen en beleving, rapportage van de inzichten uit het kwalitatieve onderzoek’. 19

41

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

toelichting is verduidelijkt dat een principe-verzoek niet afdoende is. Ook is gevraagd of het houden van paarden op de productielocatie nog mogelijk is na definitieve en onherroepelijke sluiting van de productiecapaciteit. Na de sluiting kunnen niet langer op de betreffende productielocatie dieren voor de primaire productie van landbouwproducten worden gehouden. Dit omvat ook het houden van paarden voor het fokken, maar niet het houden van paarden voor andere doeleinden. De regeling is tekstueel aangepast en in artikel 1 is verduidelijkt dat onder landbouwhuisdieren mede moeten worden verstaan paarden die worden gehouden voor het fokken.

II Artikelen Artikel 1 Begripsomschrijvingen AERIUS Check Zoals vermeld in het algemene deel van de toelichting, paragraaf 3.2, wordt voor deze regeling gebruik gemaakt van een rekeninstrument voor het bepalen van de stikstofdepositie, namelijk AERIUS Check. Dit rekeninstrument is ontworpen om te berekenen welke stikstofvracht door emissie vanaf een bepaalde locatie wordt veroorzaakt op een (deel van een) Natura 2000-gebied met een stikstofgevoelige habitat of stikstofgevoelig leefgebied, voor zover reeds sprake is van een overbelasting van stikstofdepositie (boven de kritische depositiewaarde). Alleen gebied binnen een straal van 25 kilometer wordt hierbij betrokken. Wat de emissiebron betreft gaat het in het kader van deze regeling om de veehouderijlocatie (het erfperceel); de zogenoemde veldemissies (bijvoorbeeld als gevolg van beweiding en bemesting) worden buiten beschouwing gelaten

Dierenverblijf De definitie van dierenverblijf sluit min of meer aan bij de definitie van dierenverblijf die wordt gebruikt in milieuregelgeving zoals de Wet ammoniak en veehouderij en in het stelsel van de Omgevingswet. In de context van deze regeling is echter het begrip dierenverblijf niet van belang voor het bepalen van de emissie maar voor het bepalen van de gecorrigeerde vervangingswaarde (de oppervlakte van het bouwwerk van de stal is maatgevend voor de hoogte van de subsidie voor het waardeverlies ervan). Bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van stallen is uitgegaan van een standaardstal en de daarvoor benodigde voorzieningen zoals gedefinieerd in de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN Veehouderij) 2020–2021. Het betreft alleen het gebouw en een al dan niet overdekte uitloop is daarom uitgezonderd.

Diersoorten met productierecht In deze begripsbepaling worden de diersoorten genoemd voor het houden waarvan een productierecht wordt vereist door de Meststoffenwet, te weten melkvee (fosfaatrecht), kippen en kalkoenen (pluimveerecht) en varkens (varkensrecht). Het begrip melkvee is afzonderlijk gedefinieerd, door verwijzing naar de omschrijving van melkvee in artikel 1 Meststoffenwet. Het betreft rundvee dat wordt gehouden voor de productie van melk en ook jongvee dat bestemd is een kalf te krijgen, met inbegrip van jongvee in de vleesveehouderij.

Landbouwhuisdier De omschrijving van dit begrip komt overeen met die in het Besluit activiteiten leefomgeving. Niet alleen zoogdieren en vogels die worden gehouden voor de directe productie van landbouwproducten zoals vlees, eieren en melk vallen onder het begrip landbouwhuisdier maar ook dieren die worden gehouden voor vermeerdering van dergelijke dieren. Het betreft bijvoorbeeld zeugen en ouderdieren in de pluimveehouderij, maar ook paarden en pony’s die voor het fokken worden gehouden. Paarden die worden gehouden voor een rijschool vallen er daarentegen niet onder. Omdat productie naar zijn aard bedrijfsmatige activiteiten betreft, vallen hobbymatig gehouden dieren niet onder het begrip landbouwhuisdier.

Natuurvergunning Blijkens deze begripsbepaling wordt ten eerste als natuurvergunning aangemerkt de op artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming gebaseerde vergunning. Omdat soms de toets aan de natuurbeschermingsregelgeving op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht wordt uitgevoerd in het kader van een aanvraag van een omgevingsvergunning en dan leidt tot een verklaring van geen bedenkingen in de omgevingsvergunning, wordt ook dit aangemerkt als natuurvergunning. Tenslotte valt na de invoering van de Omgevingswet ook de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit onder het begrip.

42

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

Omgevingsrechtelijke melding, omgevingsvergunning beperkte milieutoets en omgevingsvergunning milieu Al naar gelang de aard en omvang van de activiteiten dient een veehouder hiervoor een melding te hebben gedaan en eventueel hiervoor te beschikken over de zogenaamde omgevingsvergunning beperkte milieutoets (bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), dan wel te beschikken over de omgevingsvergunning milieu (verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). In verband met de voorziene inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt voor de begrippen ‘omgevingsvergunning milieu’ en ‘omgevingsrechtelijke melding’ tevens verwezen naar de vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in die wet, respectievelijk de melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het gaat daar om een melding voor ‘het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf’. De figuur van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets komt met de invoering van de Omgevingswet te vervallen.

Overbelast Natura 2000-gebied Ingevolge de Natuurbeschermingswet is een Natura 2000-gebied een gebied dat in de Habitatrichtlijn of ter uitvoering van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn is aangewezen als speciale zone voor de bescherming van de natuurlijke habitat en soorten. Een groot aantal van de Nederlandse Natura 2000-gebieden is gevoelig voor een teveel aan stikstofneerslag uit de lucht, te weten 123 van de 161 gebieden. Met ‘overbelast Natura 2000-gebied’ wordt een gebied bedoeld dat zowel stikstofgevoelig is als feitelijk overbelast met stikstof. Daarvan is sprake als de zogenaamde kritische depositiewaarde (KDW) ervan wordt overschreden. Dan kan niet langer op voorhand worden uitgesloten dat de kwaliteit van een habitat wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van stikstofdepositie. In bijlage 1 bij de regeling is een lijst opgenomen van de (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebieden die ten tijde van de totstandkoming van deze regeling geheel of gedeeltelijk (voor een deel van de oppervlakte) overbelast zijn.

Productiecapaciteit Productiecapaciteit is omschreven als dierenverblijven, mest- en voeropslagen. Opslagen zijn bovengronds (silo’s en sleufsilo’s) of ondergronds (mestkelders). Als mestkelder kan worden beschouwd, overeenkomstig de desbetreffende definitie in het Activiteitenbesluit milieubeheer, een ondergronds mestbassin, voorzien van een afdekking die als vloer kan fungeren en onderdeel is van een dierenverblijf of van een voormalig dierenverblijf.

Productierecht In de Meststoffenwet is productierecht omschreven als varkensrecht, pluimveerecht of fosfaatrecht. Varkensrecht is gedefinieerd als gemiddeld aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat op grond van hoofdstuk V in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden’ (artikel 1, lid 1, onder y). Voor pluimveerecht geldt een soortgelijke bepaling (gemiddeld aantal kippen en kalkoenen, uitgedrukt in pluimvee-eenheden). Fosfaatrecht is omschreven als de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ten hoogste met melkvee mag worden geproduceerd. Met de systematiek van varkens- en pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat worden de aantallen van de verschillende categorieën varkens, kippen, kalkoenen en melkvee omgerekend naar een voor de verantwoording in het kader van de Meststoffenwet eenduidige eenheid. Waar in deze regeling van de subsidieontvanger wordt verlangd dat hij zijn productierecht geheel of gedeeltelijk laat vervallen, wordt de omvang van dit te vervallen productierecht steeds afgeleid van het op de betreffende locatie gemiddelde aantal gehouden dieren van de onderscheiden categorieën en uitgedrukt in varkenseenheden, respectievelijk pluimvee-eenheden of kilogrammen fosfaat.

Stikstofvracht Voor een toelichting van dit begrip wordt allereerst verwezen naar paragraaf 3.2. De stikstofvracht heeft betrekking op de depositie als gevolg van het houden van landbouwhuisdieren op een veehouderijlocatie, ongeacht de diersoorten. Ook depositie ten gevolge van het houden van andere landbouwhuisdieren dan melkvee, varkens en pluimvee is dus relevant. Dat geldt niet voor bijvoorbeeld manegepaarden omdat dit geen landbouwhuisdieren zijn – ze worden niet gehouden voor het fokken of voor de productie van landbouwproducten anderszins.

Veehouder en veehouderij Een veehouderij is gedefinieerd als een onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren.

43

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

Omdat het gaat over een onderneming en omdat landbouwhuisdieren naar hun aard voor productie worden gehouden gaat het bij een veehouderij per definitie om het bedrijfsmatig houden van dieren en niet om het hobbymatig houden ervan. Als veehouder is gedefinieerd degene die een veehouderij drijft, hetzij een natuurlijke persoon (eenmanszaak), hetzij een rechtspersoon (vennootschap), hetzij een samenwerkingsverband (een maatschap, een vennootschap onder firma of een coöperatie). Ingevolge de regeling dienen subsidieaanvragen te worden gedaan door de veehouder, dus de ondernemer dan wel de onderneming, dat wil zeggen degenen die bevoegd zijn namens de onderneming te handelen. In de praktijk komt het voor dat een veehouder voor zijn bedrijf een stal gebruikt die eigendom is van een ander. Die eigenaar drijft dan niet de veehouderij en beschikt ook niet over een zogenaamd uniek bedrijfsnummer (UBN). Hij is ook niet te beschouwen als exploitant in de zin van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (‘diergezondheidswetgeving’). Een dergelijke exploitant (‘iedere natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor dieren of producten’) is op grond van de verordening en ook de Regeling houders van dieren verplicht om het bevoegd gezag (RVO) gegevens te verstrekken over zijn bedrijfsvestiging en over de daar gehouden dieren.

De bedrijfsvestiging wordt geregistreerd met het UBN. Degene aan wiens naam het UBN is gekoppeld, kan dus bij twijfelgevallen als veehouder worden aangemerkt.

Veehouderijlocatie Een veehouderijlocatie is omschreven als de plaats van een bedrijfsvestiging, meer concreet het erf van de vestiging. Voor het begrip erf is verwezen naar de in het omgevingsrecht gebruikte definitie, die volgens het Besluit omgevingsrecht luidt: een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. Zoals hiervoor reeds aan de orde was, dient een veehouder zijn vestiging te laten registreren met een uniek bedrijfsnummer (UBN). Indien een veehouder zijn bedrijf uitoefent op aangrenzende percelen, kan de vraag opkomen of sprake is van één of meer veehouderijlocaties. In dergelijke gevallen zal op basis van de UBN-registratie bepaald worden of sprake is van één of van twee vestigingsplaatsen. Bij een gekoppeld bouwblok kan sprake zijn van één UBN en dus ook één locatie, ook al heeft betrokkene voor elk van de delen een aparte omgevingsvergunning of een aparte meldingsverplichting. In dat geval gelden de vereisten van deze regeling betreffende de omgevingsvergunning en melding aan het bevoegd gezag voor beide delen.

Artikel 2 Bepaling bijdrage stikstofdepositie Aanvullend op hetgeen in het algemeen deel van de toelichting over de bepaling van de stikstofdepositie is opgemerkt en de toelichting hiervoor van het begrip stikstofdepositie en het begrip overbelast Natura 2000-gebied is het volgende van belang. De stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000gebieden binnen een straal van 25 kilometer van de veehouderijlocatie wordt in het kader van deze regeling berekend met AERIUS Check. Bij het gebruik van AERIUS Check moeten de nodige gegevens worden ingevoerd. Het betreft in het bijzonder ook gegevens over het aantal gehouden dieren en de aard van het gebruikte huisvestingssysteem of de gebruikte systemen (elke stal kan een ander huisvestingssysteem hebben). Op grond van het tweede lid wordt daarbij uitgegaan van het gemiddelde aantal dieren dat tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2022 per diercategorie is gehouden en van de daarvoor in 2021 per diercategorie gebruikte huisvestingssystemen. Zo wordt een zo actueel mogelijke berekening gemaakt van de stikstofdepositie en daarmee van de (maximale) reductie door sluiting van de locatie. Het hiervoor bedoelde gemiddelde aantal dieren is ook de maatstaf voor de bepaling van het relevante productierecht (artikel 5, eerste lid, onder c, en artikel 8, eerste lid).

Ingevolge het derde lid kan als referentiejaar 2020 of 2019 worden gehanteerd indien betrokkene aannemelijk kan maken dat het gemiddelde aantal in 2021 gehouden dieren niet representatief is voor de jaarlijks gemiddeld gehouden dieraantallen. Daarbij gaat het dus om de vergelijking met recente jaren, in het bijzonder 2020 en 2019. Deze bepaling maakt het mogelijk rekening te houden met bijzondere omstandigheden in de bedrijfsvoering in 2021, zoals een lager gemiddeld aantal vanwege een dierziektenuitbraak.

Artikel 3 Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies Met deze bepaling worden enkele artikelen van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies van overeenkomstige toepassing verklaard. Het betreft respectievelijk de cumulatie van subsidies (artikel 6), afwijzingsgronden (artikelen 22 en 23), de termijn waarbinnen op aanvragen om subsidieverlening en om subsidievaststelling moet worden besloten (artikelen 26 resp. 52), het regime voor de verdeling

44

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

van het subsidiebudget (artikel 28), faillissement van de subsidieontvanger (artikel 36), vertraging bij de uitvoering van de subsidiabele activiteit (artikel 36a), de verlening van medewerking aan een evaluatie van de regeling (artikel 41) en de mogelijkheid om bij de subsidiebeschikking nadere voorschriften vast te stellen (artikel 43). Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat deze regeling zoveel mogelijk in lijn is met het voor subsidieverstrekking gebruikelijke regime van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Volledigheidshalve zij vermeld dat voor de toepassing van deze regeling hiernaast ook de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht relevant is. Zoals is toegelicht in paragraaf 8 wordt met de overeenkomstige toepasselijkheid van de artikelen 6 en 22 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies een ontoelaatbare cumulatie van staatssteun voorkomen, overeenkomstig het bepaalde in de randnummers 99 en verder van de Richtsnoeren. Op grond van deze bepalingen wordt bij een samenloop van subsidieverstrekkingen niet meer subsidie verstrekt dan toegestaan volgens de Europese steunkaders en worden aanvragen die daarmee in strijd zijn, afgewezen.

Artikel 4 Grondslag In het eerste lid is de grondslag voor de subsidieverstrekking gegeven, de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie die voldoet aan de voorwaarde betreffende de stikstofvracht. Zoals ook naar voren kwam bij de toelichting bij het begrip stikstofvracht, artikel 1, wordt bij de berekening van de stikstofvracht geen onderscheid gemaakt naar de diersoort – alle gehouden landbouwhuisdieren zijn relevant. In het tweede lid is de uitsluitingsgrond opgenomen voor veehouders die de norm van het productierecht van artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, respectievelijk artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet hebben overtreden. Voor een toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van het algemene deel van de toelichting. In de richtsnoeren worden specifieke voorwaarden genoemd voor de goedkeuring van staatssteun voor zogenaamde grote ondernemingen, zoals de noodzaak om bij een subsidieaanvraag aan te tonen dat de subsidie daadwerkelijk een stimulerend effect heeft en randvoorwaarden ten aanzien van het subsidiebedrag. Mede gelet op het feit dat veehouderijen in de regel niet kunnen worden aangemerkt als grote onderneming, bevat het derde lid een uitsluitingsgrond voor grote ondernemingen.

Daarvoor wordt verwezen naar de criteria voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen zoals vermeld in bijlage 1 van Verordening 2472/2022 van de Commissie van 14 december 2022 (PbEU L327). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van deze bijlage behoort een onderneming tot de categorie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen indien er minder dan 250 personen werkzaam zijn en indien de jaaromzet ervan 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

Artikel 5 Vereisten De in het eerste lid van dit artikel bepaalde vereisten vormen een uitwerking van de grondslag betreffende de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie. In paragraaf 5 van het algemene deel van deze toelichting is hier reeds op ingegaan. Aanvullend is nog het volgende van belang. Het in onderdeel a genoemde vereiste betekent dat de bedrijfsvoering moet worden beëindigd door het (voor de laatste maal) afvoeren van alle landbouwhuisdieren, ongeacht de diersoort. De verwijdering van meststoffen, bedoeld in onderdeel b, heeft betrekking op meststoffen in de zin van de Meststoffenwet en betreft alle plaatsen waar op de locatie mest is opgeslagen, zoals in mestkelders of -bassins, tanks etc. Voor zover sprake is van vloeibare mest moet deze uit dergelijke opslagen worden opgepompt. De vaste meststof (bezinklaag) dient dan bij de sloop te worden afgevoerd. Het in onderdeel d bedoelde vereiste betreft de aanpassing van de omgevingsrechtelijke status van de locatie. Uitgangssituatie is dat een veehouder al naar gelang de omvang van de bedrijfsactiviteiten zijn activiteiten bij het bevoegd gezag gemeld heeft op grond van het Activiteitenbesluit milieu en eventueel beschikt over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), of beschikt over een (gewone) omgevingsvergunning milieu.

In verband met het sluiten van de locatie dient daarom hetzij een melding van beëindiging van de activiteiten te worden gedaan met in voorkomend geval een verzoek om intrekking van de OBM, hetzij een verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning milieu dan wel aanpassing ervan aan de nieuwe activiteiten op de locatie. Een en ander moet zijn beslag krijgen in een besluit van het bevoegd gezag, dan wel registratie van de wijzigingsmelding. Onderdeel e betreft de natuurvergunning – voor zover de veehouder beschikt over een dergelijke vergunning. Indien na de sluiting op de locatie geen andere activiteiten verricht (gaan) worden, dient deze vergunning te worden ingetrokken, ongeacht of de natuurvergunning de vorm heeft van een zelfstandige vergunning op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming of een bij een gecombi-

45

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

neerde aanvraag om een andere omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op basis van een verklaring van geen bedenkingen van gedeputeerde staten. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat het om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit van gedeputeerde staten of, bij een gecombineerde aanvraag die mede een andere omgevingsvergunning betreft, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit van het college van burgemeester en wethouders op basis van advies en instemming van gedeputeerde staten. Indien echter op de locatie na de beëindiging van de veehouderij andere activiteiten verricht (gaan) worden, is onderdeel f van toepassing. Onderdeel f heeft betrekking op de situatie dat de veehouder na de sluiting van de veehouderijlocatie daar bestaande niet-veehouderijactiviteiten voortzet of er andere niet-veehouderijactiviteiten gaat verrichten – waarvoor uiteraard zo nodig het bevoegd gezag een omgevingsvergunning beperkte milieutoets of een omgevingsvergunning milieu moet verlenen. Dan dient met een afzonderlijk besluit te worden geborgd dat de eventuele stikstofemissie van die activiteiten niet meer bedraagt dan 15% van de oorspronkelijk toegestane emissie, zoals is toegelicht in paragraaf 5.4.2.

Sinds de rechterlijke uitspraak in het Logtsebaanarrest (ECLI:NL:RVS:2021:71) is interne saldering niet langer vergunningplichtig en dus worden in de huidige situatie bij interne saldering geen vergunningsbesluiten genomen. Het gaat daarbij in het algemeen om wijzigingen in de bedrijfsvoering. Bij veehouders die met overheidsfinanciering hun locatie sluiten en in dat kader moeten voldoen aan de voorwaarde om de omgevings- en natuurvergunningen te laten intrekken, is sprake van een bijzondere situatie: een besluit van het bevoegd gezag is nodig om de bewerkstelligde stikstofreductie (goeddeels) te borgen en tegelijkertijd de doelgroep perspectief te bieden op ander gebruik van de locatie. De Wet natuurbescherming bevat in dit kader twee instrumenten die kunnen worden ingezet, te weten de z.g. aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 en de vergunningplicht van artikel 2.7. Het beoogde besluit heeft enerzijds kenmerken van een toestemmingverlening – vooral als de bestaande vergunning is ingetrokken –, anderzijds kenmerken van regulering van voorgenomen activiteiten (een verplichting wordt opgelegd om een voorgenomen handeling ‘overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren’). Het wordt aan het bevoegd gezag overgelaten om te bepalen op welke bepaling zij het besluit baseren, dan wel of zij beide grondslagen gecombineerd gebruiken, gelet op de bijzondere situatie.

Het besluit vergt maatwerk in de zin dat de toegestane stikstofemissie moet worden gekoppeld aan de door betrokkene beoogde activiteiten. Veelal zal deze emissie ver onder het plafond van 15% blijven, hetgeen van direct van belang is voor de uiteindelijk gerealiseerde reductie van stikstofdepositie. Indien voor de beoogde activiteiten een natuurvergunning wordt verleend, dient daaraan een voorschrift te worden verbonden dat de daarmee gemoeide stikstofruimte niet extern kan worden gesaldeerd. Dat houdt ermee verband dat het wenselijk is dat alle stikstofruimte van de veehouder die met gebruik van deze regeling zijn locatie sluit, ten goede komt aan de natuur. Dat is reden om geen externe saldering toe te staan voor de stikstofruimte die is vergund voor de bestaande situatie (zoals toegelicht bij artikel 6, tweede lid) en evenmin voor de stikstofruimte die gemoeid is met de in artikel 5, eerste lid, onder f 2°, bedoelde natuurvergunning. Er is geen reden om dit voorschrift ook verplicht te stellen bij gebruik van de aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 Wet natuurbescherming. In dat geval is namelijk geen sprake van vergunde stikstofruimte die extern kan worden gesaldeerd.

Artikel 6 Afwijzingsgronden In paragraaf 5 van het algemene deel van deze toelichting is reeds ingegaan op de afwijzingsgronden, genoemd in het eerste en derde lid. Aanvullend kan ten aanzien van het derde lid worden vermeld dat het bij de wettelijke vereisten onder meer gaat om het Besluit emissiearme huisvesting dat eisen stelt waaraan de huisvestingssystemen van dierenverblijven op een veehouderijlocatie moeten voldoen. Op grond van artikel 3 van deze regeling is er een grondslag voor het afwijzen van de aanvraag indien betrokkene voor het sluiten van de veehouderijlocatie reeds langs andere weg subsidie ontvangt. Het is denkbaar dat een veehouder zich ten tijde van de subsidieaanvraag reeds anderszins heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten, bijvoorbeeld door het sluiten van een overeenkomst met de provincie voor de verkoop van zijn locatie, maar op dat moment nog wel vee houdt op de locatie. Om te voorkomen dat een veehouder in dergelijke gevallen aanspraak zou kunnen maken op een subsidie op grond van deze regeling is in het tweede lid bepaald dat de aanvraag wordt afgewezen indien de veehouder zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten. Tevens is volledigheidshalve bepaald dat de aanvraag wordt afgewezen als betrokkene ten tijde van de aanvraag reeds is begonnen met de sluiting van de locatie.

Het oogmerk van deze regeling is immers om door het verstrekken van een subsidie te bewerkstelligen dat locaties worden gesloten die anders niet zouden worden gesloten. Verder is bepaald dat een subsidieaanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager ruimte voor

46

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning. Op zich vloeit uit de voorwaarde dat betrokkene ten tijde van de subsidieaanvraag daadwerkelijk vee houdt, in combinatie met de verplichtingen op grond van het omgevingsrecht met inbegrip van het natuurbeschermingsrecht, voort dat betrokkene voor het houden van vee dient te beschikken over stikstofruimte. Een veehouder kan echter beschikken over zogenoemde latente ruimte: hij houdt feitelijk minder vee dan hij ingevolge de vergunningssituatie zou kunnen houden. Gelet op het doel van de regeling is het van belang dat alle stikstofruimte van de veehouder die met gebruik van deze regeling zijn locatie sluit, ten goede komt aan de natuur. Daarom wordt met deze bepaling geborgd dat de beschikbare stikstofruimte daarvoor beschikbaar blijft en niet door betrokkene via extern salderen ter beschikking wordt gesteld voor andere activiteiten, hetzij van derden, hetzij van de subsidieaanvrager in het geval hij ook een andere bedrijfsvestiging heeft.

Indien de aanvrager een PAS-melder is, beschikt hij voor (een deel van) zijn activiteiten niet over stikstofruimte, maar dit is dan het gevolg van de bestaande vergunningssituatie, te weten het ontbreken van een vergunning voor die activiteiten. In dergelijke gevallen is deze afwijzingsgrond dus niet van toepassing. Het vierde lid heeft betrekking op overtredingen van normen van de Europese Unie en bevat de desbetreffende voorwaarde van punt 428 van de Richtsnoeren. Op grond hiervan vindt in elk geval afwijzing plaats indien de aanvrager ten tijde van het besluit op de aanvraag niet voldoet aan de normen van de Europese Unie en hoe dan ook zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen. Gelet op de definitie die in de Richtsnoeren wordt gegeven voor ‘norm van de Unie’21 betreft het alleen EU-normen die bindend zijn voor individuele ondernemingen. Te denken valt aan milieu-, hygiëne- en dierenwelzijnsnormen. Voor de goede orde zij vermeld dat hiernaast ook de relevante afwijzingsgronden van de Algemene wet bestuursrecht en het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies van toepassing zijn (artikel 6 Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies).

Het betreft onder meer artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan een subsidieaanvraag kan worden afgewezen indien er gegronde reden is om aan te nemen dat de te subsidiëren activiteiten niet (geheel) zullen plaatsvinden, dat de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet zullen worden nageleefd of dat niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal worden afgelegd. Indien bijvoorbeeld van een aanvrager bekend is dat hij administratieve verplichtingen op grond van de meststoffenwetgeving of de regelgeving voor identificatie en registratie van dieren slecht naleeft, kan dat reden zijn om met toepassing van voornoemd artikel de subsidieaanvraag af te wijzen.

Artikel 7 Subsidiecomponenten In paragraaf 6 van het algemeen deel van de toelichting is reeds ingegaan op de componenten waaruit de subsidie bestaat. Voor de bijdrage voor het waardeverlies van de stallen is in onderdeel b vastgelegd dat deze alleen betrekking heeft op stallen die gesloopt worden. Indien op grond van artikel 5, tweede lid, ontheffing is gegeven van het sloopvereiste, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder i, wordt de stal voor andere doeleinden hergebruikt en in verband daarmee wordt die stal dan ook niet betrokken bij de bepaling van het subsidiebedrag.

Artikel 8 Bijdrage vervallen productierecht In het algemene deel van de toelichting is hier reeds op ingegaan. Aanvullend kan inzake het derde lid nog worden opgemerkt dat het hier bedoelde onderscheid voor de marktprijs van varkensrecht en pluimveerecht, al naar gelang het gebied, verband houdt met het regime van de Meststoffenwet voor zogenaamde concentratiegebieden. Bijlage I bij de Meststoffenwet bevat een aanduiding van deze gebieden met een kaart en een opsomming van de gemeenten die op 1 januari 1997 concentratiegebied Zuid respectievelijk concentratiegebied Oost vormden. Sindsdien zijn de grenzen van veel gemeenten gewijzigd als gevolg van samenvoegingen en/of herindelingen. Om die reden wordt bij de uitvoering van deze regeling gebruik gemaakt van de postcode van de veehouderijlocatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd en wordt bepaald of deze postcode is gelegen binnen de grenzen van het concentratiegebied Zuid dan wel van het concentratiegebied Oost, dan wel buiten deze gebieden is gelegen.

21

47

In punt 33, onderdeel 64, van de richtsnoeren is ‘norm van de Unie’ als volgt gedefinieerd: verplichte, in de wetgeving van de Unie vastgestelde norm die het niveau aangeeft dat de individuele ondernemingen moeten halen, met name wat milieu, hygiëne en dierenwelzijn betreft; op het niveau van de Unie vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor de lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen, worden bijgevolg niet als normen van de Unie beschouwd.

Staatscourant 2023 nr. 14992

12 juni 2023

Artikel 9 Bijdrage waardeverlies In het algemene deel van de toelichting is hier reeds op ingegaan.

Artikel 10 Openstellingsperiode en subsidieplafond Bij de bepaling van de openstellingsperiode is rekening gehouden met enerzijds het belang dat aanvragen zo snel mogelijk kunnen worden ingediend en anderzijds het belang dat zoveel mogelijk veehouders de gelegenheid kunnen benutten voor het indienen van een aanvraag. Zoals vermeld in het algemeen deel van de toelichting gelden aparte subsidieplafonds voor respectievelijk melkvee, kippen en kalkoenen en varkens. In het tweede lid worden deze subsidieplafonds bepaald met de aanduiding dat een subsidie ten laste komt van een bepaald plafond indien het subsidiebedrag voor meer dan 50% betrekking heeft op de desbetreffende diersoort. Op deze manier wordt rekening gehouden met gemengde bedrijven waarin verschillende diersoorten worden gehouden. Als per diersoort een ander plafond zou worden belast, zou het denkbaar zijn dat een aanvraag voor een locatie met bijvoorbeeld kippen en varkens voor de ene diersoort kan worden toegewezen maar niet voor de andere diersoort – indien het desbetreffende plafond reeds is bereikt. Deze onwenselijke situatie wordt nu voorkomen. De genoemde 50% heeft alleen betrekking op de toerekening van een subsidieverstrekking aan het desbetreffende subsidieplafond en heeft dus verder geen betekenis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13712557/2