Bijlage 3.2 Tekst Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (LBV)
Tekst van het document
Het is van groot belang dat registraties en opgaven waarheidsgetrouw zijn, omdat het doel van het productierechtenstelsel anders wordt ondergraven, met als gevolg illegale productie en afzet van dierlijke meststoffen, financieel gewin voor betrokkene ten koste van het milieu en ook ten nadele van collega’s die wel produceren met de kosten van het vereiste productierecht. Voorkomen moet worden dat een veehouder die door overtreding van de norm van het productierecht economisch voordeel heeft genoten, aanspraak kan maken op een subsidie op grond van deze regeling. In verband hiermee worden dergelijke aanvragers zonder meer uitgesloten van de doelgroep van de regeling (artikel 4, tweede lid). Ook andere ernstige overtredingen kunnen reden zijn voor afwijzing van de subsidieaanvraag. In het bijzonder gaat het om (andere) overtredingen van de Meststoffenwet en om overtredingen van de regelgeving voor dierenwelzijn die zo ernstig zijn dat ze niet bestuursrechtelijk zijn afgedaan, maar dat ze in het strafrechtelijke spoor zijn beoordeeld. De regeling bevat een grondslag om in dergelijke gevallen de subsidieaanvraag te kunnen afwijzen (artikel 6, derde lid). Bij de beoordeling of een overtreding zoals hier bedoeld heeft plaatsgevonden, wordt als criterium
23
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
gehanteerd of een straf is opgelegd door het openbaar ministerie (strafbeschikking) of de strafrechter voor een strafbaar feit dat in een periode van vijf jaar voor de datum van subsidieaanvraag is begaan.
5. Voorwaarden voor subsidieverstrekking 5.1 Fasering sluiting veehouderijlocatie Doel van de regeling is het verminderen van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden door het definitief en onherroepelijk sluiten van melkvee-, varkens- en pluimveehouderijlocaties. Om dit te borgen dient de veehouder een aantal stappen te zetten. Het betreft deels maatregelen die direct samenhangen met het beëindigen van de bedrijfsvoering: het afvoeren van de dieren en aanwezige dierlijke mest (leeghalen mestkelders en -silo’s), het laten doorhalen van het productierecht, het in voorkomend geval intrekken van de vergunning Wet natuurbescherming en het intrekken van de omgevingsrechtelijke toestemming (vergunning of melding). Andere maatregelen zien op het borgen van de bedrijfsbeëindiging: het in gang zetten van een wijziging van het bestemmingsplan, het slopen van de voor de veehouderij gebruikte dierenverblijven, mestkelders en -silo’s, sleuf- en voersilo’s en het zich middels een schriftelijke overeenkomst verbinden aan het blijvende karakter van de beëindiging van veehouderijactiviteiten op de betreffende locatie en aan het afzien van het verrichten van dezelfde activiteit elders. Deze schriftelijke overeenkomst dient binnen zes maanden na de subsidieverlening te worden gesloten.
Bij de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen bedroeg de termijn waarbinnen de schriftelijke overeenkomst gesloten diende te worden acht weken na subsidieverlening. In de praktijk bleek deze termijn voor veel ondernemers te kort. Het sluiten van de overeenkomst werd beschouwd als een definitieve keuze om daadwerkelijk over te gaan tot beëindiging van het varkensbedrijf of een locatie van het bedrijf. Veel ondernemers wilden eerst meer zekerheid hebben over hun toekomst, met name daar waar het ging om de herbestemming van hun productielocatie en de status van de op de locatie aanwezige (bedrijfs)woning. Het overleg hierover met het bevoegd gezag nam in veel gevallen meer tijd in beslag dan de genoemde termijn van acht weken. Pas na het sluiten van de overeenkomst werd de feitelijke bedrijfsbeëindiging ter hand genomen. Gezien de ervaringen met de uitvoering van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen is voor deze regeling besloten de termijn waarbinnen de overeenkomst gesloten moet worden te verlengen naar zes maanden na subsidieverlening. Uiteraard staat het een ondernemer vrij de overeenkomst eerder te sluiten en zijn bedrijf op de locatie eerder te beëindigen. Dan kan hij ook eerder aanspraak maken op het eerste voorschot van 20% en het daaropvolgende voorschot (zie paragraaf 6.4).
Als de veehouder deze overeenkomst heeft gesloten, mag er van uit worden gegaan dat hij ook daadwerkelijk zal overgaan tot het sluiten van de betreffende locatie. De andere stappen, afgezien van de sloop, dienen binnen twaalf maanden na het sluiten van de overeenkomst gerealiseerd te zijn. Deze termijn is zo gekozen dat veehouders na het ondertekenen van de overeenkomst nog een volledige ronde dieren af kunnen leveren of, in het geval van onder meer legkippen, zeugen en melkvee, voldoende tijd hebben om de dieren af te voeren of te verkopen. De termijn van twaalf maanden biedt voldoende tijd om te voorkomen dat drachtige melkkoeien en zeugen naar de slacht afgevoerd moeten worden of dat vleesvarkens en kippen geslacht moeten worden die nog niet slachtrijp zijn. Voor de afvoer van dieren van het bedrijf wordt geen vergoeding verstrekt. Voor sloop van de voor de veehouderij gebruikte dierenverblijven, mestkelders en -silo’s, voer- en sleufsilo’s geldt een termijn van maximaal achtentwintig maanden na het sluiten van de overeenkomst. De slooptermijn heeft geen invloed op het moment waarop het doel van de regeling wordt gerealiseerd. De feitelijke reductie van de ammoniakemissie en van de stikstofdepositie wordt gerealiseerd op het moment dat alle dieren en de mest van de veehouderijlocatie zijn afgevoerd.
De termijn waarbinnen dit gerealiseerd dient te worden bedraagt twaalf maanden na het sluiten van de overeenkomst.
5.2 Afvoeren dieren en mest Voorwaarde voor subsidieverstrekking is dat de veehouder al zijn landbouwhuisdieren van de betreffende productielocatie afvoert. Hij dient tevens de aanwezige dierlijke mest van zijn bedrijf af te (laten) voeren. De aanwezigheid van mest kan immers tot emissie van ammoniak en daarmee tot depositie van stikstof leiden. Het gaat hierbij in het bijzonder om alle vaste mest en, in die gevallen waarbij sprake is van drijfmest, om de mest die verpompbaar is. Mest die in de vorm van een niet verpompbare bezinklaag aanwezig is in mestkelders en -silo’s kan en moet afgevoerd worden in het kader van de sloop van de mestkelder. De veehouder dient in alle gevallen de dierlijke mest volgens de daarvoor geldende wet- en regelgeving van het bedrijf af te laten voeren.
24
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
5.3 Vervallen van het productierecht Bij de beëindiging van de productie op een veehouderijlocatie hoort, naast de afvoer van de aanwezige dieren en mest, tevens het definitief laten doorhalen van het productierecht door RVO. Gelet op het belang van beperking van stikstofdepositie is het niet wenselijk dat bedrijfsbeëindiging op de ene locatie via overdracht van het productierecht kan leiden tot het starten of vergroten van een veehouderij op een andere locatie. Daarom is voorzien dat het overgrote deel van het productierecht dat voor de te sluiten productielocatie is gebruikt, definitief komt te vervallen. Hiertoe dient de veehouder een kennisgeving te doen aan RVO via het formulier ‘Wijziging; vervallen van dierproductierechten’.11 De regeling bevat een norm voor het gedeelte van het productierecht, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat of in varkens- of pluimvee-eenheden, dat ten minste moet komen te vervallen. Daarbij is het volgende van belang. Het productierecht is bij RVO geregistreerd op naam van de veehouderij, zonder vermelding van de locatie. Indien een veehouder meer dan één veehouderijlocatie heeft, is niet uit de registratie bij RVO af te leiden welk deel van het productierecht rust op een van zijn locaties.
In verband hiermee is het deel van het productierecht dat moet vervallen gerelateerd aan de forfaitaire productie van fosfaat door melkvee in het referentiejaar, dan wel het aantal varkens of stuks pluimvee, uitgedrukt in varkens- respectievelijk pluimvee-eenheden, dat in het referentiejaar gemiddeld is gehouden op de betreffende locatie. Zoals vermeld in paragraaf 3.2 geldt als referentiejaar in beginsel 2021. Dat referentiejaar dient dan te worden gebruikt voor zowel de berekening van de depositie als de berekening van de omvang van het minimaal door te halen productierecht. Het te vervallen varkens- of pluimveerecht, uitgedrukt in varkens- respectievelijk pluimvee-eenheden, bedraagt minimaal 80% van dat varkens- of pluimveerecht. Het te vervallen fosfaatrecht, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, bedraagt minimaal 95% van dat fosfaatrecht. Op grond van de regeling geldt ook een maximum: er wordt voor maximaal 100% van het benodigde productierecht subsidie verstrekt. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van de omvang van het productierecht dat feitelijk komt te vervallen. Een veehouder dient in verband hiermee bij de subsidieaanvraag op te geven hoeveel kilogrammen fosfaat of varkens- of pluimvee-eenheden hij wil laten vervallen.
Met het percentage van het productierecht dat minimaal moet komen te vervallen, wordt recht gedaan aan de situatie die in de praktijk veel voorkomt, namelijk dat een veehouder niet het gehele productierecht dat op zijn bedrijf rust volledig in eigendom heeft, maar deels ook gebruik maakt van kilogrammen fosfaat of van varkens- en pluimvee-eenheden die worden geleased van derden. Een vereiste waarbij veehouders het gehele productierecht dat nodig is voor een productielocatie zouden moeten laten vervallen, zou een aanzienlijk deel van de doelgroep bij voorbaat uitsluiten of zou betekenen dat veehouders eerst extra productierecht moeten verwerven (in eigendom) om aan het vereiste te kunnen voldoen. Uit gegevens van RVO blijkt dat het leasen van productierecht in de varkens- en pluimveehouderij een meer gangbare praktijk is dan in de melkveehouderij. Dit rechtvaardigt een hoger percentage te vervallen productierecht voor melkvee (95%) dan voor varkens en pluimvee (80%). Het percentage van 100% van het productierecht waarvoor maximaal subsidie wordt verstrekt dient er toe om te voorkomen dat de regeling reden kan zijn om te speculeren met productierecht.
Dit zou zich voor kunnen doen als de prijs die op de vrije markt voor productierecht betaald wordt, daalt na bekendmaking door de minister van het subsidiebedrag per eenheid van het productierecht (de actuele verkoopwaarde, zie ook paragraaf 6.2).
5.4 Borging sluiting productiecapaciteit Om het positieve effect van de bedrijfsbeëindiging op het milieu en het leefklimaat in de omgeving van de veehouderijlocatie te bestendigen, dient te worden geborgd dat de productielocatie niet opnieuw in gebruik kan worden genomen voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee, maar ook niet wordt gebruikt voor andere vormen van veehouderij. Anders zou de milieuruimte voor het houden van melkvee, varkens of pluimvee bijvoorbeeld kunnen worden ingezet voor het (bedrijfsmatig) houden van andere landbouwhuisdieren, waardoor de reductie van de stikstofdepositie weer (deels) teniet gedaan zou worden. Veehouders die op een te sluiten locatie een bedrijf hebben met melkvee, varkens of pluimvee en andere bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, dienen op die locatie dus ook te stoppen met het houden van die andere diersoorten en de mest daarvan af te voeren om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Voor het overige heeft de regeling geen betrekking op deze andere diersoorten.
De sloopverplichting geldt niet voor de dierenverblijven op de veehouderijlocatie die gebruikt worden voor het houden van andere diersoorten dan melkvee, varkens of pluimvee (zie paragraaf 5.5) en de regeling voorziet uitsluitend in een subsidie voor het waardeverlies van de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte productiecapaciteit (zie paragraaf 6.3). Het waardeverlies van
11
25
Het genoemde formulier is te vinden op www.rvo.nl.
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
productiecapaciteit die voor andere diersoorten is gebruikt, blijft buiten beschouwing. Om te borgen dat na sluiting van een veehouderijlocatie geen melkvee, varkens of pluimvee en geen andere landbouwhuisdieren (bedrijfsmatig) op die locatie worden gehouden, is aan de subsidieverstrekking een aantal voorwaarden verbonden. Deze worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.
5.4.1 Intrekken omgevingsvergunning Ten eerste dient de veehouder bij het bevoegd gezag (meestal de gemeente, in sommige gevallen de provincie) melding te doen van de beëindiging op de productielocatie van zijn veehouderijactiviteiten voor het houden van melkvee, varkens of pluimvee en, in voorkomend geval, de andere landbouwhuisdieren die op de betreffende locatie worden gehouden. In geval van vergunningplicht dient hij een verzoek om intrekking of aanpassing van zijn vergunning te doen bij het bevoegd gezag en het bevoegd gezag dient de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu in te trekken of zodanig aan te passen dat het niet langer is toegestaan een veehouderij op de productielocatie te hebben.
5.4.2 Intrekken vergunning Wet natuurbescherming en borging vervolgactiviteiten Voor zover veehouders voor een op de betreffende veehouderijlocatie gerealiseerd project of voor op de betreffende locatie verrichte handelingen beschikken over een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht of, te zijner tijd, de Omgevingswet geldt het volgende. In het eerstbedoelde geval dient de veehouder te bewerkstelligen dat deze vergunning wordt ingetrokken door middel van een verzoek aan het college van gedeputeerde staten. In het tweede geval moet het verzoek worden gericht aan het bevoegd gezag, dat wil zeggen het college van burgemeester en wethouders, als dat laatste college een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit heeft afgegeven met een verklaring van geen bedenkingen van gedeputeerde staten. Op basis van de huidige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak over intern salderen of extern salderen kan namelijk de ruimte voor stikstofdepositie binnen de oorspronkelijke natuurvergunning in de toekomst gebruikt worden voor de verlening van natuurvergunningen voor nieuwe of gewijzigde activiteiten als een specifieke natuurvergunning de referentiesituatie bepaalt (en niet een andere (in te trekken) milieutoestemming).
Met intrekking van de vergunning wordt dit voorkomen. Bij een dergelijke vergunningverlening zou immers de reductie van de stikstofdepositie door activiteiten op de te sluiten locatie ongedaan gemaakt worden door (de mogelijke) toename van activiteiten elders die op hun beurt weer (een toename van de) stikstofdepositie veroorzaken. Hiernaast moet worden voorkomen dat voorafgaand aan of na de subsidieverlening (en voorafgaand aan de vereiste intrekking van de vergunning) door saldering stikstofruimte voor andere activiteiten beschikbaar wordt gesteld. Ook dit zou haaks staan op het doel van de regeling. Om die reden bevat de regeling voorwaarden waarmee dit wordt voorkomen. Hier wordt nader op ingegaan in de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 6 en 15. Subsidieontvangers kunnen na de beëindiging van hun veehouderijactiviteiten op de locatie andere dan veehouderijactiviteiten (gaan) verrichten. Die mogelijkheid is van belang om betrokkenen voldoende perspectief te bieden. Tegelijkertijd moet ook voor die situatie worden geborgd dat die activiteiten niet wezenlijke stikstofemissie en -depositie op overbelaste Natura 2000-natuur veroorzaken.
In verband hiermee is voorzien dat het bevoegd gezag voor die activiteiten een besluit neemt waarin de maximale stikstofemissie als gevolg van die vervolgactiviteiten wordt bepaald, met een maximum van 15% van de oorspronkelijk toegestane emissie. Dit besluit strekt er niet alleen toe te borgen dat de emissie door de vervolgactiviteiten beperkt blijft maar ook om betrokkenen zekerheid te verschaffen dat zij na de sluiting andere dan veehouderijactiviteiten op de locatie kunnen (gaan) verrichten mits de emissie daarvan ten hoogste 15% van de oorspronkelijk toegestane emissie bedraagt.
5.4.3 Verzoek tot wijziging bestemmingsplan Ten derde is het van belang dat een wijziging van het bestemmingsplan in gang wordt gezet, waarmee wordt vastgelegd dat de productielocatie niet langer bestemd is voor enige vorm van veehouderij. In de praktijk kan de procedure om te komen tot een bestemmingsplanwijziging enkele jaren in beslag nemen. Daarbij ligt de bevoegdheid om tot die wijziging te besluiten bij de gemeenteraad en er is geen zekerheid vooraf dat de beoogde wijziging ook wordt gerealiseerd. Tegen deze achtergrond is het niet reëel om aan de subsidie de voorwaarde te verbinden dat de bestemmingswijziging voor de betreffende locatie wordt gerealiseerd in het kader van de sluiting van de productielocatie. Dat zou immers betekenen dat pas na jaren duidelijkheid zou ontstaan over het definitieve karakter van de subsidie en bovendien zou de subsidieontvanger, de veehouder, sterk afhankelijk zijn van het verloop
26
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
van een procedure waarop hij zelf weinig invloed heeft. Daarom wordt alleen de voorwaarde gesteld dat de gemeente een verzoek van de veehouder om het bestemmingsplan te wijzigen in behandeling heeft genomen. Het gaat hierbij om een zodanige aanpassing van het bestemmingsplan dat op de productielocatie niet langer een veehouderij kan worden gehouden.
5.4.4 Contractuele verbintenis toekomstige veehouderijactiviteiten Strikt genomen is het denkbaar dat de veehouder, zo lang als het bestemmingsplan nog niet is aangepast, opnieuw een omgevingsvergunning verkrijgt om op dezelfde locatie vee te gaan houden. Het bevoegd gezag heeft immers een eigenstandige bevoegdheid en dat een productielocatie eerder met subsidie is gesloten, vormt op zichzelf geen grond voor het afwijzen van een vergunningaanvraag. Indien de veehouder de productielocatie verkoopt aan een andere partij, kan deze partij voor die locatie een nieuwe veehouderijvergunning aanvragen. Hetzelfde geldt als de productielocatie via verpachting of verhuur aan een andere partij in gebruik wordt gegeven. Om te bewerkstelligen dat de subsidieverstrekking een blijvend effect heeft is daarom, zolang nog geen sprake is van een definitieve wijziging van het bestemmingsplan, nog een aanvullende voorziening nodig. Hiertoe wordt vereist dat de veehouder een contractuele verbintenis aangaat met de Staat der Nederlanden, met gebruikmaking van de modelovereenkomst die als bijlage 2 bij de regeling is gevoegd. Die verbintenis heeft betrekking op drie zaken: 1. De veehouder mag niet langer op de locatie landbouwhuisdieren houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; 2.
Het bewerkstelligen dat het na vervreemding of ingebruikgeving van de productielocatie aan de verkrijger respectievelijk gebruiker niet is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden; en 3. De veehouder mag niet op een andere locatie dezelfde diersoorten met productierecht gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband. Blijkens de eerste twee elementen is er geen beletsel voor de veehouder om op de te sluiten veehouderijlocatie andere landbouwactiviteiten te (gaan) verrichten, bijvoorbeeld akkerbouw, mits dit niet leidt tot een emissie van meer dan 15% van de oorspronkelijk toegestane emissie (zoals in paragraaf 5.4.2 aan de orde was). Om te bewerkstelligen dat de locatie ook in de toekomst niet gebruikt gaat worden voor veehouderij, bevat de modelovereenkomst ten eerste een verplichting om via een kettingbeding ook nieuwe eigenaren of gebruikers te binden aan die voorwaarde. Ten tweede bevat het de verplichting voor de subsidieontvanger om een dienovereenkomstige kwalitatieve verplichting in de openbare registers van het kadaster in te schrijven.
Hiermee wordt de verbintenis kenbaar voor derden die de onroerende zaak van de locatie (stallen en erfgrond) willen verwerven en geldt de verbintenis ook na die verwerving. Het derde element strekt er toe te voorkomen dat de veehouder elders een bestaande productielocatie overneemt of een nieuwe productielocatie inricht en daar zijn veehouderijactiviteiten voortzet. Deze voorwaarde vloeit (ook) voort uit de Richtsnoeren en steunt op de gedachte dat het niet passend is met het oog op een bepaalde beleidsdoelstelling staatssteun te verlenen voor het sluiten van productiecapaciteit, als de effecten daarvan weer teniet kunnen worden gedaan door het openen van productiecapaciteit elders. Gelet op de doelstelling om binnen de Europese Unie daadwerkelijke milieuwinst te boeken, geldt dit ongeacht of de nieuwe locatie elders in Nederland ligt of in een andere lidstaat van de Europese Unie. Deze voorwaarde heeft alleen betrekking op een doorstart met dezelfde diersoorten als die werden gehouden op de gesloten locatie, voor zover het diersoorten betreft waarop de subsidieverstrekking betrekking had. De veehouder kan dus na sluiting van zijn locatie met subsidie op grond van deze regeling elders een andere diersoort gaan houden. Zoals blijkt uit de modelovereenkomst dient de overeenkomst te worden gesloten door degene(n) die de zeggenschap in de veehouderij uitoefent c.q. uitoefenen.
In geval van een samenwerkingsverband (maatschap of vennootschap onder firma) zijn dit de maten respectievelijk de vennoten. In geval van een besloten vennootschap zijn dit de bestuurders en de aandeelhouders. Ook al hebben aandeelhouders een andere positie (zij vertegenwoordigen niet de BV), het is wel van belang dat ook zij partij bij de overeenkomst worden. Anders zouden personen die vaak grote zeggenschap hebben in de BV, niet zijn gebonden aan de verplichtingen van de overeenkomst. Daarmee zou ook feitelijk een BV worden bevoordeeld boven een eenmanszaak en een samenwerkingsverband.
5.5 Sloop productiecapaciteit Voor het definitief en onherroepelijk sluiten van de veehouderijlocatie is van belang dat de bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Hiervoor is ook een andere reden. Leegstand van agrarische gebouwen is een probleem in de buitengebieden. Het aantal agrarisch ondernemers neemt al decennia gestaag af,
27
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
waardoor op steeds meer locaties sprake is van stallen en overige agrarische bouwwerken die leeg staan en in verval raken of dreigen te raken. Het gevolg hiervan is verrommeling van het platteland, risico op ondermijning (criminele activiteiten) en een afnemende waardering van burgers voor het (agrarisch) buitengebied. Het vereiste om de bedrijfsgebouwen te slopen dient er dus ook toe om te voorkomen dat de regeling resulteert in toenemende leegstand en de daarmee gepaard gaande problemen.
5.5.1 Sloopverplichting en beschermde soorten Er wordt vereist dat de subsidieontvanger de voor de melkvee-, varkens- en pluimveehouderij gebruikte dierenverblijven, mestkelders en -silo’s alsmede sleuf- en voersilo’s laat slopen en van de productielocatie laat afvoeren. Op grond van de Wet natuurbescherming is een ontheffing nodig voor sloop van bouwwerken indien de uit te voeren werkzaamheden schadelijke effecten hebben op beschermde soorten die daar aanwezig zijn. Het is niet toegestaan om beschermde diersoorten te verstoren, te verwonden of om hun verblijfplaatsen te vernielen. In het geval van stallen is er vooral een kans op de aanwezigheid van broedvogels en vleermuizen in de te slopen gebouwen. In voorkomend geval worden door sloop van de gebouwen de nest- en verblijfplaatsen en/of de leefomgeving vernietigd en daarmee is sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Voor sloop is daarom in een dergelijk geval een ontheffing nodig en dienen mitigerende maatregelen te worden genomen. Met de mitigerende maatregelen worden de negatieve effecten op deze beschermde soorten voorkomen of verzacht. Om te bepalen of er een kans is dat beschermde soorten in de te slopen bebouwing aanwezig zijn, moet er een zogenaamde quick scan worden uitgevoerd voordat gestart kan worden met sloop.
Indien uit de quick scan blijkt dat die kans er is, zal er nader soortonderzoek moeten worden gedaan om vast te stellen of de verwachte soort(en) er ook daadwerkelijk zit(ten) en waar in de bebouwing dit het geval is. Afhankelijk van het moment waarop de quick scan is uitgevoerd en afhankelijk van de bevindingen wordt bepaald of een soortenonderzoek volgtijdelijk kan plaatsvinden of dat gewacht moet worden tot het juiste seizoen. Voor vleermuizen is dit tussen mei en september, voor broedvogels tussen 10 maart en 15 juli. Als uit het soortenonderzoek blijkt dat er op de locatie beschermde soorten zijn moet een ontheffing aangevraagd worden van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Een besluit op een ontheffingsaanvraag dient te worden genomen binnen 20 weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend. De genoemde perioden waarbinnen het soortenonderzoek dient plaats te vinden en de termijn die staat voor het besluit op een ontheffingsaanvraag bepalen, in die gevallen waarbij uit de quick scan blijkt dat vervolgonderzoek noodzakelijk is, in belangrijke mate het moment waarop sloop kan plaatsvinden. Gezien de verplichting om in voorkomend geval een soortenonderzoek uit te voeren en de termijnen die hieraan gekoppeld zijn, is voor sloop en afvoer van de productiecapaciteit een voldoende lange termijn noodzakelijk.
De termijn van maximaal 28 maanden na het sluiten van de overeenkomst geeft veehouders voldoende tijd om te voldoen aan de verplichtingen die gelden bij sloop van hun stallen. Het ligt overigens in de rede dat de veehouder gedurende de twaalf maanden-termijn die staat voor afvoer van de dieren en de mest al begint met de voorbereiding van de sloop, zoals het uitvoeren van een asbestinventarisatie, het laten uitvoeren van een flora- en fauna-onderzoek, het doen van een sloopmelding in de zin van artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 en het contracteren van een sloopbedrijf.
5.5.2 Uitzondering sloopverplichting De veehouder kan bij RVO een verzoek indienen voor ontheffing van de verplichting tot sloop van (een deel van) de productiecapaciteit (artikel 5, tweede lid). Ontheffing van de sloopvereiste wordt verleend wanneer de veehouder aannemelijk kan maken dat de te handhaven productiecapaciteit voor langere tijd gebruikt zal gaan worden voor een andere economisch activiteit dan het houden van vee. Bij het verzoek dient de veehouder een bewijs te voegen waaruit blijkt dat het bevoegd gezag instemt met het handhaven van (een deel van) de bouwwerken die onder de sloopverplichting vallen en met het gewijzigd gebruik ervan. Dit bewijs dient uiterlijk binnen twaalf maanden na het sluiten van de overeenkomst ingediend te zijn bij RVO. Alle niet voor de nieuwe economische activiteit benodigde delen van de bouwwerken dienen gesloopt en verwijderd te worden. Indien de ontheffing ziet op (een deel van) een dierenverblijf ontslaat dit de veehouder niet van de verplichting om in een voorkomend geval een bezinklaag uit de mestkelder te laten verwijderen. Als ontheffing op het sloopvereiste wordt verleend, dan wordt de te verstrekken bijdrage voor het waardeverlies van de productiecapaciteit hierop aangepast: de oppervlakte van de stallen die hergebruikt gaan worden wordt niet meegenomen in de berekening van de bijdrage voor het waardeverlies.
28
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
6. Subsidiebedrag 6.1 Inleiding Eén van de bepalende factoren bij de keuze van veehouders om met gebruikmaking van deze regeling hun veehouderijbedrijf of -locatie te beëindigen is de hoogte van de subsidie. Het subsidiebedrag moet passen binnen de kaders van de Richtsnoeren. Melkvee-, varkens- en pluimveehouders kunnen op grond van de regeling een subsidie krijgen die bestaat uit twee afzonderlijke componenten: 1. Een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk laten vervallen van het productierecht; 2. Een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit voor het houden van diersoorten met productierecht.
6.2 Bijdrage vervallen productierecht Aangezien de actuele waarde van het productierecht sterk kan fluctueren, wordt in de regeling voorzien dat de marktwaarde van het productierecht door de minister wordt vastgesteld op basis van de waarde in de markt. Daarbij wordt voor varkensrecht en pluimveerecht onderscheiden naar het gebied waarop dit productierecht ingevolge artikel 26 van de Meststoffenwet betrekking heeft. Om tijdig duidelijkheid te verschaffen over de relevante marktwaarde van het productierecht, gelet op de gevolgen daarvan voor de hoogte van het subsidiebedrag, is voorzien dat de waarde voorafgaand aan de openstelling van de regeling wordt bepaald en bekend gemaakt. De te verlenen subsidie bedraagt 100% van de aldus vastgestelde verkoopwaarde van de te vervallen varkens- en pluimvee-eenheden en kilogrammen fosfaat, met dien verstande dat maximaal subsidie verstrekt wordt voor het productierecht dat benodigd was voor het melkvee, de varkens of het pluimvee dat op de betreffende locatie is gehouden in het kalenderjaar 2021 (zie paragraaf 5.3). Bij de vaststelling van de subsidie is de omvang van het feitelijk vervallen productierecht (met in achtneming van het minimum en maximum) maatgevend voor de hoogte van de uiteindelijk te verstrekken subsidie.
6.3 Bijdrage waardeverlies productiecapaciteit De bedrijfsbeëindiging leidt er toe dat de productiecapaciteit op de bewuste locatie zijn waarde geheel verliest. Aan de subsidieverstrekking is immers de voorwaarde verbonden dat de veehouderij op de locatie waar de subsidie betrekking op heeft definitief en onherroepelijk wordt gesloten. De locatie mag niet langer worden gebruikt voor veehouderij en de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte productiecapaciteit moet worden gesloopt. De bijdrage voor het waardeverlies heeft alleen betrekking op de daadwerkelijk voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte productiecapaciteit, te weten de voor het houden van melkvee, pluimvee of varkens gebruikte dierenverblijven (stallen), mestkelders en silo’s, sleuf- en voersilo’s. Buiten beschouwing blijven dus bijvoorbeeld (delen van) bouwwerken die gebruikt worden als opslag, als stalling voor (bijvoorbeeld) landbouwwerktuigen of die kunnen worden gebruikt als calamiteitenstal, maar die in de gangbare bedrijfsvoering niet gebruikt worden voor het houden van vee. Ook de productiecapaciteit die gebruikt is voor het houden van andere diersoorten dan melkvee, varkens en pluimvee blijft buiten beschouwing bij het vaststellen van de bijdrage voor het waardverlies.
6.3.1 Gecorrigeerde vervangingswaarde De gecorrigeerde vervangingswaarde is een maat voor de herbouwwaarde (vervangingswaarde) en benodigde investeringen in een veehouderijbedrijf, gecorrigeerd met een factor wegens het waardeverlies door veroudering. Deze methodiek is eerder ook gehanteerd bij de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Wageningen Economic Research, onderdeel van Wageningen University and Research (WUR), heeft advies uitgebracht over de gecorrigeerde vervangingswaarde12. Daarbij zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als bij de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen, te weten een afschrijvingstermijn voor de romp van een stal van 40 jaar, voor de afbouw van 20 jaar en voor de inrichting van 10 jaar, met gedurende de levensduur van de stal periodieke herinvesteringen ten behoeve van onder meer inrichting en afbouw. In de vervangingswaarde zijn ook benodigde investeringen in onder andere
12
29
Van Asseldonk et al (2021), Forfaitaire vervangingswaarde van veehouderijstallen in 2021, Wageningen Economic Research, rapport 2021-019.
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
voeropslag (ruwvoer, krachtvoer), mestsilo’s en (opslag)loodsen meegenomen13. Aangenomen is dat de actuele waarde na afloop van de afschrijvingstermijn van 40 jaar nog 20% van de vervangingswaarde bedraagt. Er is gebruik gemaakt van de cijfers uit de Kwantitatieve Informatie Veehouderij 2020/2021 (KWIN). Dat verklaart waarom de gecorrigeerde vervangingswaarde voor varkensstallen in deze regeling hoger uitvalt dan in de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen, waarvoor gebruik werd gemaakt van KWIN 2017/2018. Voor pluimvee is door Wageningen Economic Research onderscheid gemaakt in de vervangingswaarde voor verschillende diercategorieën, te weten vleeskuikens, leghennen, vleeskuikenouderdieren, opfok leghennen, opfok vleeskuikenouderdieren en vleeskalkoenen. Ten behoeve van de eenvoud en uitvoerbaarheid van de regeling zijn de diercategorieën vleeskuikens, vleeskuikenouderdieren en opfok vleeskuikenouderdieren samengevoegd tot de categorie ‘vleeskuikens’ en zijn de diercategorieën leghennen en opfok leghennen samengevoegd tot de categorie ‘leghennen’. De vervangingswaarden van de verschillende samengevoegde diercategorieën verschillen namelijk onderling slechts in geringe mate, waarmee het effect van de samenvoeging tot de categorie vleeskuikens en de categorie leghennen relatief beperkt is.
Naar aanleiding van inbreng tijdens de publieke consultatie (zie paragraaf 14.2) is Wageningen Economic Research gevraagd advies uit te brengen over de gecorrigeerde vervangingswaarde van etagestallen voor leghennen14. Op basis hiervan is daarvoor een categorie toegevoegd (dierenverblijven leghennen in de vorm van etagestallen). Een en ander kan worden samengevat met het navolgende overzicht van de gecorrigeerde vervangingswaarden voor de verschillende categorieën dieren en dierenverblijven, al naar gelang de leeftijd ervan. Tabel 2: Gecorrigeerde vervangingswaarde (in euro’s per vierkante meter staloppervlakte) Leeftijd romp in jaren
0
5
10
15
20
25
30
35
40
Relatieve waarde
100%
90%
80%
70%
60%
50%
40%
30%
20%
Varkens
€ 550
€ 493
€ 436
€ 379
€ 322
€ 265
€ 208
€ 151
€ 110
Vleeskuikens
€ 339
€ 305
€ 271
€ 237
€ 203
€ 169
€ 136
€ 102
€ 68
Leghennen
€ 536
€ 482
€ 429
€ 375
€ 321
€ 268
€ 214
€ 161
€ 107
Vleeskalkoenen
€ 320
€ 288
€ 256
€ 224
€ 192
€ 160
€ 128
€ 96
€ 64
Leghennen (etagestal)
€ 916
€ 825
€ 733
€ 641
€ 550
€ 458
€ 366
€ 275
€ 183
Melkvee
€ 838
€ 754
€ 670
€ 586
€ 503
€ 419
€ 335
€ 251
€ 168
Pluimvee
Het is wenselijk om bij het bepalen van de actuele waarde van een stal uit te gaan van de actuele levensduur ervan. Daarom wordt op grond van de regeling de actuele waarde van de stal vastgesteld op basis van de oppervlakte en de levensduur van de romp, uitgedrukt in jaren en maanden. In bijlage 3 bij de regeling is de vervangingswaarde per maand weergegeven voor de gehele periode van 40 jaar. De levensduur betreft de periode tussen het moment van ingebruikname van de betreffende stal, zijnde het tijdstip waarop voor de eerste maal landbouwhuisdieren in de stal werden gehouden, en het tijdstip waarop de veehouderijactiviteiten zijn beëindigd. Voor dat laatste is maatgevend dat de dieren en de mest zijn afgevoerd en dat het productierecht is komen te vervallen. Dit is dus niet het moment waarop de subsidieaanvraag wordt ingediend of de subsidiebeschikking wordt afgegeven. Hoe sneller een veehouder aan deze vereisten voldoet, hoe eerder de levensduur wordt vastgesteld en hoe hoger de vervangingswaarde. In het geval de levensduur van een stal meer dan 40 jaar bedraagt, wordt een levensduur van exact 40 jaar aangehouden bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De oppervlakte van de romp wordt bepaald aan de hand van de buitenmaat van de stal. De oppervlakte van een (overdekte) uitloop wordt hierin niet meegenomen.
Ook de oppervlakte van aanbouwen, zoals luchtwassers en schakelkasten, en de oppervlakte van (voer)silo’s die aan de romp zijn gebouwd of hiermee verbonden zijn, worden niet meegenomen bij het bepalen van de opper-
13
Voor een overzicht van de investeringen die per sector en diercategorie zijn meegenomen bij de bepaling van de vervangingswaarde wordt verwezen naar voornoemde rapport van WUR. 14 Van Horne, P., Van Asseldonk, M. (2022), Aanvulling Wageningen UR rapport 2021-019
30
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
vlakte van de romp. De oppervlakte van de stallen wordt door RVO gecontroleerd aan de hand van de door de veehouder bij zijn aanvraag aan te leveren actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met productierecht gebruikte productiecapaciteit, de bouwtekening, de meest recente WOZ-beschikking alsmede aan de hand van luchtfoto’s.
6.3.2 Subsidiepercentage Zoals beschreven in paragraaf 6.1 bestaat de bijdrage die een veehouder op grond van de regeling ontvangt uit een marktconforme vergoeding voor het door te halen productierecht en uit een percentage van het waardeverlies van zijn productiecapaciteit (de gecorrigeerde vervangingswaarde). Voor het vaststellen van de hoogte van dit (subsidie)percentage is advies gevraagd aan Wageningen UR15. Wageningen UR heeft per sector zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve analyse uitgevoerd, waarbij bij een oplopende reeks van subsidiepercentages is beoordeeld wat gemiddeld genomen de financiële positie van een veehouder zal zijn na deelname aan de Lbv en welke overwegingen nog meer een rol kunnen spelen bij het besluit om deel te nemen aan de regeling, waaronder het marktperspectief in de verschillende (deel)sectoren. De marktvooruitzichten in de varkenshouderij zijn naar verwachting voor de komende jaren ongunstig, gezien de afnemende vraag naar varkensvlees, onder andere vanuit China. In de melkveehouderij zijn de inkomens al jaren gemiddeld genomen (stabiel) laag. Volgens WUR is er naar verwachting een aanzienlijke groep (van vooral relatief kleine) melkveehouders die overweegt te stoppen, maar die deze stap om uiteenlopende redenen nog niet hebben gezet.
De vooruitzichten in de pluimveehouderij zijn ten algemene gunstig, en de inkomens in de afgelopen jaren waren in deze sector (relatief) hoog. Vleeskuikenhouders zullen omschakelen naar langzaam groeiende scharrelvleeskuikens met een lagere bezetting (aantal dieren per m2 stal). Er zal daardoor in de komende jaren een grote vraag naar stalruimte ontstaan. Er is om die reden vraag van pluimveehouders, die willen blijven produceren en die zich willen aanpassen aan nieuwe marktomstandigheden, naar productiecapaciteit van pluimveehouders die (overwegen te) stoppen. Bij de uiteindelijke keuze van het subsidiepercentage speelt een aantal afwegingen een rol. Het subsidiebedrag moet: • conform de Richtsnoeren gebaseerd zijn op de actuele (marktconforme) waarde van de activa; • een voldoende stimulans vormen voor individuele veehouders om een subsidieaanvraag in te dienen. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft, in het licht van de omvang en urgentie van de stikstofopgave, aangegeven dat ze de drempels om deel te nemen aan stoppersregelingen wil verlagen door deze aantrekkelijk te maken voor ondernemers (Kamerstukken II 2021/22, 33 576, nr.
265); • in verhouding staan tot de door de veehouder te leveren tegenprestatie, te weten de definitieve en onherroepelijke beëindiging van de productiecapaciteit op de veehouderijlocatie; • in verhouding staan tot het doel van de regeling, te weten de reductie van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden. Op basis van de uitkomst van de analyse van Wageningen UR en genoemde afwegingen is besloten het subsidiepercentage voor het waardeverlies van de productiecapaciteit vast te stellen op 100%.
6.4 Bevoorschottingsregime Zoals beschreven in paragraaf 5 van deze toelichting heeft de melkvee-, varkens- of pluimveehouder die een locatie wil beëindigen en wiens subsidieaanvraag is toegewezen, te voldoen aan een aantal voorwaarden. In verband hiermee is gekozen voor een bevoorschottingsregime waarbij de betrokken veehouder: • een voorschot van 20% van het subsidiebedrag ontvangt na ontvangst door RVO van de ondertekende overeenkomst; en • een voorschot van 60% van het subsidiebedrag ontvangt zodra uiterlijk binnen twaalf maanden na ontvangst van de ondertekende overeenkomst aantoonbaar aan alle overige vereisten is voldaan, behoudens het sloopvereiste. Met de sloop van de productiecapaciteit (dierenverblijven, mestkelders en -silo’s, sleuf- en voersilo’s) kan pas aangevangen worden nadat de afvoer van alle landbouwhuisdieren en de verwijdering van de mest zijn bevestigd. Nadat aan de sloopverplichting is voldaan, uiterlijk achtentwintig maanden na het sluiten van de overeenkomst, wordt de subsidie op aanvraag van de veehouder door RVO vastgesteld,
15
31
Financiële gevolgen voor veehouderijbedrijven van deelname aan de Lbv; Ex ante analyse Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, Robert Hoste, Co Daatselaar, Alfons Beldman, Peter van Horne, Ron Bergevoet, Linda Puister en Mariël Benus, publicatie 2021-119, 30 september 2021, Wageningen Economic Research.
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
waarna het resterende subsidiebedrag wordt uitgekeerd.
7. Flankerend beleid, betrokkenheid van provincies en gemeenten Terwijl de uitvoering van deze regeling in handen ligt van RVO, die namens de Minister voor Natuur en Stikstof de subsidieaanvragen behandelt, hebben gemeenten en provincies ook een belangrijke betrokkenheid bij het sluiten van veehouderijlocaties. Eén van de voorwaarden die de regeling bevat is het intrekken (of aanpassen) van de omgevingsvergunning. Dit vergt besluitvorming door het bevoegd gezag, in deze meestal de gemeente. Het intrekken van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vergt betrokkenheid van gedeputeerde staten. Het in gang zetten van een wijziging van het bestemmingsplan of, na invoering van de Omgevingswet, omgevingsplan voor de te sluiten productielocatie is een zaak van de gemeente. Dit alles vergt betrokkenheid van gemeenten en provincies bij de uitvoering van de regeling. Daarom is ook voorzien dat RVO het bevoegd gezag informeert over het ontvangen van subsidieaanvragen en over de toe- of afwijzing van die aanvragen. Op die manier is de betreffende gemeente of provincie op de hoogte dat een veehouder voornemens is om de productie op een veehouderijlocatie te beëindigen.
Voor veehouders is de hoogte van de subsidie een belangrijke factor in de besluitvorming over het beëindigen van hun veehouderijbedrijf of een locatie van hun veehouderijbedrijf, maar dit is zeker niet altijd de enige en doorslaggevende factor. Een belangrijke factor is de herbestemming van de productielocatie, met name daar waar het gaat om de status van de woning (bedrijfswoning, burgerwoning, plattelandswoning) en de mogelijkheden om na beëindiging van de veehouderij op de locatie nog andere economische activiteiten te ontplooien. Dit is niet alleen bepalend voor economische activiteiten die de ondernemer zelf nog kan realiseren op de betreffende productielocatie, maar ook voor de eventuele verkoopwaarde van de locatie. Op dit vlak zijn ook lessen getrokken uit de uitvoeringspraktijk van de Srv. Zoals toegelicht in paragraaf 5.1 heeft dit er onder meer in geresulteerd dat de termijnen voor de beëindiging van de veehouderij verlengd zijn om zo voldoende ruimte te bieden voor (onder meer) overleg tussen ondernemers en gemeenten. Veehouders die het voornemen hebben om een subsidieaanvraag in te dienen, hebben er belang bij om (tijdig) overleg te voeren met hun gemeente over herbestemming van hun productielocatie.
De ervaring met de Srv heeft geleerd dat de meeste ondernemers pas concrete stappen gaan ondernemen als de subsidieaanvraag heeft geresulteerd in een positief besluit. Veelal ontstaat pas dan het gevoel van urgentie om de voor beëindiging noodzakelijke stappen te overdenken en daadwerkelijk te doorlopen. In de regeling is er rekening mee gehouden dat tijd nodig is voor overleg tussen ondernemer, adviseur en gemeente om tot concrete afspraken te komen. Ondernemers wordt geadviseerd om al in een zo vroeg mogelijk stadium na te denken over hun toekomst en het gesprek aan te gaan met een adviseur en met hun gemeente.
8. Europeesrechtelijke aspecten Deze regeling is opgesteld met in achtneming van de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden. De Richtsnoeren bevatten een paragraaf die specifiek betrekking heeft op steun voor de sluiting van capaciteit om dier-, plant- of volksgezondheidsredenen, sanitaire, ethische, milieu- of klimaatredenen (paragraaf 1.3.1.1, randnummers 423 tot en met 436). Dergelijke steun dient ook te voldoen aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van de Richtsnoeren (deel I, hoofdstuk 3). In verband hiermee wordt in deze paragraaf beschreven hoe deze regeling past binnen de Richtsnoeren. Een concept van deze regeling is genotificeerd bij de Europese Commissie. Op 2 mei 2023 is de Commissie tot het oordeel gekomen dat de met de regeling te verstrekken steun verenigbaar is met de interne markt en dat er vanuit de optiek van staatsteun geen bezwaar bestaat tegen definitieve vaststelling van de subsidieregeling (Besluit van de Commissie inzake Steunmaatregel SA.106555 (2023/PN)). Zoals vermeld in de paragrafen 2 en 3 is deze regeling er op gericht een structurele en blijvende reductie van stikstofdepositie op met stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden in Nederland te realiseren.
Elke subsidieverstrekking aan een veehouder leidt tot het beëindigen van zijn veehouderijactiviteiten op de productielocatie, gepaard gaand met sloop van de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte dierenverblijven, mestkelders en -silo’s en sleuf- en voersilo’s en het doorhalen van het productierecht. Dat laatste geeft de zekerheid dat met de maatregel ook een blijvende krimp van de veestapel in Nederland wordt bewerkstelligd, omdat ook op landelijk niveau een blijvende afname van stikstofemissie wordt gerealiseerd. Zodoende is de steunverlening effectief in het bereiken van de doelstelling en in het maximaliseren van het positieve effect op landelijk niveau voor de lange termijn. Alle houders van melkvee, varkens en pluimvee met een productielocatie in Nederland kunnen een beroep doen op deze regeling, voor zover het een productielocatie betreft die een minimale stikstof-
32
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
vracht (ten minste de drempelwaarde) op een overbelast Natura 2000-gebied veroorzaakt. Er gelden randvoorwaarden om te voorkomen dat subsidie wordt verstrekt voor het sluiten van productiecapaciteit die in feite niet in gebruik is of niet duurzaam in gebruik was of indien sprake is van een overtreding van de normen van de Europese Unie. Indien de veehouder niet daadwerkelijk heeft geproduceerd of indien de aanvraag een productielocatie betreft die niet onafgebroken gedurende de voorafgaande vijf jaren op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt, wordt de subsidieaanvraag afgewezen. Evenmin komt een veehouder voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking indien hij niet aan de normen van de Europese Unie16 voldoet. Een aanvraag wordt in elk geval afgewezen indien de aanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouder hoe dan ook moet beëindigen (zie de toelichting in paragraaf 4 en in het artikelsgewijze deel van de toelichting, bij artikel 6). Ook bij overtreding van wettelijke normen die niet zijn gebaseerd op normen van de Europese Unie wordt onder omstandigheden de aanvraag afgewezen. Afwijzing vindt plaats als de overtreding een ernstig strafbaar feit betreft.
Als zodanig wordt in elk geval een overtreding van de norm voor het productierecht van artikel 19, eerste lid (varkensrecht), artikel 20, eerste lid (pluimveerecht), of artikel 21b, eerste lid (fosfaatrecht) Meststoffenwet aangemerkt. De hier bedoelde afwijzingsgronden zijn opgenomen in artikel 4, tweede lid, en artikel 6, derde lid (zie de toelichting in paragraaf 4 en in het artikelsgewijze deel van de toelichting, bij artikel 6). De subsidie wordt alleen verstrekt als de veehouder voldoet aan de vereisten die borgen dat er sprake is van een definitieve en onomkeerbare sluiting van de productiecapaciteit. Deze vereisten (vermeld in artikel 5 en toegelicht in paragraaf 5) betreffen ten eerste het sluiten van de productiecapaciteit in enge zin: er mag op de betreffende locatie niet langer vee worden gehouden, de meststoffen dienen van de veehouderijlocatie verwijderd te worden en de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte dierenverblijven, mestkelders en -silo’s en voer- en sleufsilo’s moeten worden gesloopt. Bovendien wordt vereist dat de sluiting gepaard gaat met het doorhalen van minimaal 80% van het op de betreffende locatie gebruikte productierecht voor varkens en pluimvee (uitgedrukt in varkensrespectievelijk pluimvee-eenheden) en minimaal 95% van het op de betreffende locatie gebruikte productierecht voor melkvee (uitgedrukt in kilogrammen fosfaat).
Daarmee verdwijnt dit productierecht van de markt en wordt voorkomen dat een andere ondernemer het betreffende productierecht elders kan gebruiken, wat ook gevolgen zou hebben voor de stikstofdepositie. Ten tweede betreffen de vereisten de in de Richtsnoeren bedoelde wettelijk verbindende toezegging van de begunstigde dat de sluiting van de betreffende productielocatie definitief en onomkeerbaar is en dat hij niet op een andere locatie dezelfde activiteit opnieuw zal beginnen. De wettelijk verbindende toezegging omtrent de sluiting moet ook een toekomstige koper of gebruiker van de betreffende veehouderijlocatie binden aan de onomkeerbaarheid van die sluiting. De wettelijk verbindende toezegging wordt gerealiseerd door het sluiten van een overeenkomst tussen de begunstigde en de Staat, waarvoor het model als bijlage 2 bij de regeling is gevoegd en die de voornoemde elementen bevat. Daarbij wordt onder dezelfde activiteit verstaan het houden van dezelfde diersoort als de diersoort die wordt gehouden op de productielocatie, voor het sluiten waarvan aan de veehouder een subsidie wordt verstrekt. De voorwaarde betreft niet alleen een andere locatie in Nederland maar ook een andere locatie in een andere lidstaat van de Europese Unie.
Gelet op het geldende regime van het omgevingsrecht worden bovendien nog bijkomende voorwaarden gesteld om de sluiting van de productiecapaciteit te verankeren. Relevante vergunningen voor het houden van vee moeten worden ingetrokken of aangepast. Het betreft de omgevingsvergunning milieu, omgevingsvergunning beperkte milieutoets of melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer en, in voorkomend geval, de natuurvergunning. Verder dient hij aanpassing van het bestemmingsplan voor de betreffende locatie in gang te zetten door indiening van een verzoek daartoe bij het bevoegd gezag. De regeling heeft betrekking op productielocaties, gelet op de aard van de problematiek. Als de onderneming van een veehouder verscheidene productielocaties omvat, kan hij voor elk van de locaties een – afzonderlijke – subsidieaanvraag indienen. Voor elke locatie dient in dat geval afzonderlijk vastgesteld te worden of aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan. In de praktijk kan zich dus de situatie voordoen dat van een veehouder de ene productielocatie wel en de andere productielocatie niet voldoet aan de voorwaarden. De regeling staat dus ook niet in de weg aan een gedeeltelijke sluiting van een veehouderij, waarbij slechts één van de productielocaties wordt gesloten. Het staat de betreffende veehouder vrij om zijn andere productielocatie(s) in bedrijf te houden.
Er gelden voor de bedrijfsvoering op die locatie(s) geen restricties vanwege de begunstiging op grond van deze regeling. De betreffende veehouder kan bijvoorbeeld desgewenst op een dergelijke locatie de capaciteit uitbreiden, uiteraard met inachtneming van de geldende regels. Het voorgaande
16
33
In punt 33, onderdeel 64, van de richtsnoeren is ‘norm van de Unie’ als volgt gedefinieerd: verplichte, in de wetgeving van de Unie vastgestelde norm die het niveau aangeeft dat de individuele ondernemingen moeten halen, met name wat milieu, hygiëne en dierenwelzijn betreft; op het niveau van de Unie vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor de lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen, worden bijgevolg niet als normen van de Unie beschouwd.
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
geldt alleen voor productielocaties die op het moment van de subsidieaanvraag onderdeel uitmaken van de onderneming. Onverlet blijft dus de voorwaarde dat de veehouder niet nadien een nieuwe productielocatie in gebruik kan gaan nemen voor het houden van dezelfde diersoort als op de gesloten locatie, zoals wettelijk bindend bij overeenkomst toegezegd. Onder het in gebruik nemen van een nieuwe productielocatie wordt zowel verstaan het starten van een veehouderij als het overnemen van een bestaande veehouderij van een andere veehouder. Dat in deze regeling gedeeltelijke sluiting van de capaciteit van een veehouderij wordt toegestaan, kan worden beargumenteerd vanuit de doelstelling van de regeling, rekening houdend met de voorwaarde dat het productierecht voor de te saneren productielocatie voor minimaal 80% (varkensrecht, pluimveerecht) dan wel 95% (fosfaatrecht) moet worden doorgehaald. Op deze wijze wordt maximaal ingezet op het wegnemen van de ammoniakemissie en daarmee de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door veehouderijlocaties. De op grond van deze regeling te verstrekken subsidie betreft het waardeverlies van de activa van zowel het productierecht als de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte productiecapaciteit.
Het waardeverlies van het productierecht wordt vastgesteld op basis van de in de markt geldende verkoopwaarde voor varkens- en pluimvee-eenheden, gedifferentieerd naar de concentratiegebieden Zuid en Oost en het niet-concentratiegebied, en de geldende verkoopwaarde voor kilogrammen fosfaat. Voor het bepalen van het waardeverlies van de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte productiecapaciteit wordt uitgegaan van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de dierenverblijven op de betreffende locatie. Een en ander is geregeld in de artikelen 7, 8 en 9 van de regeling, en toegelicht in paragraaf 6. De bijdrage voor het in te leveren en door te halen productierecht bedraagt 100% van het waardeverlies dat de veehouder heeft als gevolg van de voorwaarde om zijn productierecht voor de te sluiten productielocatie door te laten doorhalen. Voor de bepaling van het waardeverlies van de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte productiecapaciteit wordt uitgegaan van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de dierenverblijven, forfaitair bepaald overeenkomstig de in paragraaf 6.3.1 beschreven methode.
Met de gebruikte methode wordt op objectieve wijze de actuele waarde van de voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee gebruikte productiecapaciteit bepaald, met inbegrip van de afbouw en inrichting van de dierenverblijven, rekening houdend met aanvullende voorzieningen zoals voer- en mestopslagen, en op een wijze die de betreffende veehouder voorafgaande aan de subsidieaanvraag duidelijkheid geeft en de uitvoerbaarheid van de regeling vergroot. De hiervoor te verstrekken subsidie bedraagt 100% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van melkvee-, varkens- en pluimveestallen. In het totale subsidiebedrag vormt de bijdrage voor waardeverlies van de dierenverblijven (stallen) het grootste aandeel. Zoals toegelicht in paragraaf 6.3.2 is met een steunintensiteit van 100% naar verwachting het totale subsidiebedrag zodanig dat het enerzijds voor veehouders voldoende aantrekkelijk is, maar anderzijds niet hoger dan noodzakelijk voor een voldoende aantal subsidieaanvragen en maximaal doelbereik, gelet op het belang om zoveel mogelijk de stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden te reduceren. Met het gekozen subsidiepercentage wordt geborgd dat de subsidie in verhouding staat tot de door de veehouder te leveren tegenprestatie, namelijk de definitieve en onherroepelijke sluiting van zijn productiecapaciteit op de betreffende locatie.
In relatie tot de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van de Richtsnoeren kan aanvullend nog het volgende worden opgemerkt: • Bij de beoogde steunverlening is sprake van nut, noodzaak en evenredigheid, gelet op de bestaande problematiek en de vormgeving van deze regeling. De regeling richt zich specifiek op veehouderijlocaties die een bovengemiddelde stikstofdepositie veroorzaken op met stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden en gaat niet verder dan strikt noodzakelijk is. • Er is geen direct verband tussen deze regeling en de plattelandsontwikkelingsmaatregelen die door Nederlandse provincies worden genomen. Voor zover die maatregelen betrekking hebben op de veehouderij, zijn ze gericht op het bevorderen van een omslag naar een duurzamer bedrijfsvoering. • Bij de inrichting van deze regeling is nadrukkelijk aandacht besteed aan de notie van stimulerend effect, onder meer bij de bepaling van de hoogte van het subsidiepercentage. Er wordt geen subsidie verstrekt als de productiecapaciteit niet (meer) in gebruik is of als betrokkene zich heeft verplicht tot sluiting van de productiecapaciteit of daarmee reeds een aanvang heeft gemaakt (artikel 6, eerste lid, resp. tweede lid). Veehouderijen kunnen in de regel niet worden aangemerkt als grote onderneming in de zin van Verordening 2472/2022 van de Commissie van 14 december 2022 (PbEU L327).
Er is gekozen voor een expliciete uitsluiting van grote ondernemingen van de doelgroep opdat niet in de regeling hoeft te worden voorzien in een apart regime voor deze ondernemingen voor een afzonderlijke beoordeling van het stimulerend effect van de subsidieverstrekking. • Voorshands wordt niet verwacht dat de veehouder die op grond van deze regeling steun ontvangt voor het saneren van een productielocatie, daarvoor ook anderszins staatssteun ontvangt. Zo geldt voor varkenshouders die in het kader van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen een
34
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
bedrijfslocatie sluiten dat zij niet langer een varkenshouderij drijven ten tijde van de openstelling van deze regeling voor subsidieaanvragen. Voor het geval toch cumulatie van staatssteun voor de sluiting van de productielocatie aan de orde is, bevat deze regeling een voorziening om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen. In artikel 3 zijn namelijk de artikelen 6 en 22 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van deze bepalingen wordt bij een samenloop van subsidieverstrekkingen niet meer subsidie verstrekt dan toegestaan volgens de Europese steunkaders en worden aanvragen die daarmee in strijd zijn, afgewezen. Hiermee is er een afdoende grondslag om zo nodig ontoelaatbare cumulatie van steun te voorkomen, overeenkomstig het bepaalde in de randnummers 103 en verder van de Richtsnoeren. Tenslotte is voorzien dat voor deze regeling wordt voldaan aan de bepalingen van de Richtsnoeren over transparantie (randnummers 112 en verder). Daargelaten de (gebruikelijke) openbaarmaking van deze regeling betreft het de openbaarmaking en het gedurende ten minste tien jaar bewaren van de relevante gegevens omtrent degenen die met deze regeling begunstigd worden, vastgelegd in artikel 19, tweede lid.
9. Fiscale aspecten 9.1 Omzetbelasting De regeling leidt niet tot heffing van btw over de subsidiecomponenten. De subsidie is gekoppeld aan de stikstofdepositie op met stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden en heeft als doel om in deze gebieden de stikstofdepositie te verminderen. Uit de regeling is voor de btw geen verbruik bij wie dan ook vast te stellen. Uitsluitend de samenleving in algemene zin heeft baat bij het gesubsidieerd beëindigen van de bestaande productie van melkvee, varkens en pluimvee en het definitief en onherroepelijk uit de markt halen van de bestaande productiecapaciteit om daarmee de stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden te verminderen.
9.2 Inkomsten- en vennootschapsbelasting De subsidie die een veehouder op grond van de regeling ontvangt behoort tot de winst (inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting). De Lbv zal worden aangemerkt als overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Artikel 12a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (UBIB 2001) zal hiertoe worden aangepast. Het aanmerken van de Lbv als overheidsingrijpen betekent onder andere dat voor de toepassing van de herinvesteringsreserve soepelere voorwaarden gelden. Artikel 3.54 van de Wet IB 2001 is van algemene aard en is van toepassing op alle ondernemingen en takken van bedrijvigheid die aan de betreffende voorwaarden voldoen. Bijgevolg is het voordeel dat verleend wordt door het gebruik van de herinvesteringsreserve niet selectief. Met de opname van deze subsidieregeling in artikel 12a van het UBIB 2001 wordt enkel gevolg gegeven aan het algemene beginsel ten grondslag liggend aan de inkomstenbelasting dat de herinvesteringsreserve in deze situaties soepeler kan worden gebruikt. De EC heeft in haar besluit SA.