Bijlage 3.2 Tekst Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (LBV)
Tekst van het document
Artikel 11 Aanvraag subsidieverlening Voor de inrichting van het proces van subsidieverstrekking wordt goeddeels de gebruikelijke procedure gevolgd, waarbij eerst aanvragen voor verlening van de subsidie worden ingediend bij RVO, met gebruikmaking van een digitaal aanvraagformulier dat door RVO namens de minister is opgesteld (eerste lid). Deze aanvraag dient te worden gedaan door degene(n) die de onderneming kan c.q. kunnen vertegenwoordigen (bij een samenwerkingsverband de maten of vennoten; bij een besloten vennootschap de bestuurders), waarbij in voorkomend geval de aanvraag mede moet worden gedaan door de echtgenoot of echtgenote van betrokkene (op grond van artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek). In verband met de grote vergelijkbaarheid van deze regeling en de Lbv-plus wordt voorzien dat het digitale aanvraagformulier voor deze regeling en dat voor de Lbv-plus worden gecombineerd. Op die wijze kan relatief eenvoudig worden bewerkstelligd dat de aanvraag van betrokkene betrekking heeft op de regeling die gelet op de berekende stikstofvracht en de hoogte van de subsidie het meest passend is. Het kan zijn dat vanwege de berekende stikstofvracht betrokkene slechts in aanmerking komt voor alleen de Lbv-plus of alleen deze regeling.
Elke regeling kent namelijk een eigen regime met hetzij één drempelwaarde (Lbv-plus), hetzij drempelwaarden per overbelast Natura 2000-gebied (deze regeling). Indien betrokkene op grond van de Lbv-plus een aanvraag heeft ingediend en deze niet in aanmerking komt voor toewijzing, dan wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van deze regeling. Als grondslag voor deze handelwijze is in het tweede lid van artikel 11 bepaald dat een aanvraag op grond van de Lbv-plus die in aanmerking komt voor toewijzing op grond van deze regeling, wordt aangemerkt als aanvraag op grond van deze regeling. De aanvraag moet zijn voorzien van de benodigde gegevens en bescheiden om te kunnen beoordelen of een aanvraag voor toewijzing in aanmerking komt en, zo ja, wat de hoogte van het subsidiebedrag is. In het derde en vierde lid van artikel 11 worden de gegevens en bescheiden genoemd die in elk geval moeten worden verstrekt in het kader van de aanvraag. Hierbij is erin voorzien dat per veehouderijlocatie een aanvraag wordt gedaan. Dit betekent dat de veehouder die twee of meer locaties wil sluiten, even zoveel subsidieverzoeken dient in te dienen. Dit is noodzakelijk omdat locaties onderling verschillen, in elk geval qua ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden, en dus een aparte beoordeling vergen bij het bepalen van de stikstofvracht en op andere aspecten.
Ook de rangschikking van aanvragen gebeurt per veehouderijlocatie. Het is dus denkbaar dat voor een eerste locatie de aanvraag wordt toegewezen en voor de andere locatie(s) de aanvraag wordt afgewezen. Voor het indienen van de aanvraag dient gebruik gemaakt te worden van het door RVO ter beschikking gestelde middel. Indien een aanvraag onvolledig wordt ingediend, krijgt betrokkene gelegenheid de aanvraag binnen een bepaalde termijn aan te vullen. Indien de aanvraag niet of niet tijdig wordt aangevuld, is dit grond voor afwijzing van de aanvraag, overeenkomstig artikel 22 Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies dat op grond van artikel 3 van deze regeling van overeenkomstige toepassing is. Een onvolledige aanvraag kan overigens alleen worden gecompleteerd tot het moment van sluiting van de openstellingsperiode. Voor de behandeling van de aanvragen om subsidieverlening geldt op grond van artikel 26 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (ingevolge artikel 3 van de regeling van overeenkomstige toepassing) een termijn van dertien weken na sluiting van de openstellingsperiode en deze
48
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
termijn kan zo nodig met eenzelfde termijn worden verlengd. Hierbij is relevant dat deze termijn op grond van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht wordt opgeschort als de aanvrager wordt verzocht de aanvraag aan te vullen, zolang de aanvulling niet heeft plaatsgevonden of tot het verstrijken van de termijn die daarvoor is gegeven.
Artikel 12 Verdeling subsidieplafond De subsidieaanvragen die aan alle voorwaarden voldoen, worden toegewezen op volgorde van de rangschikking per subplafond, bedoeld in artikel 10, tweede lid. Daarbij komt de aanvraag met de hoogste totale depositievracht per euro subsidie als eerste voor toewijzing in aanmerking. In paragraaf 3.2 is reeds hier op ingegaan. Ingeval het budgettaire beslag van de toewijsbare aanvragen het specifieke subsidieplafond overschrijdt, worden subsidies verleend tot het subsidieplafond is bereikt.
Artikel 13 Fasering sluiting van een veehouderijlocatie In deze bepaling is de fasering vastgelegd van de maatregelen die de subsidieontvanger moet nemen, waarop in paragraaf 5.1 reeds in is gegaan. Voor het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is bepaald dat de ondertekende overeenkomst uiterlijk zes maanden na de subsidieverlening aan de minister dient te worden gezonden. Verder is voorzien in een vereiste dat met de sloopwerkzaamheden eerst wordt aangevangen nadat is geconstateerd dat daadwerkelijk de dieren zijn afgevoerd en de mest is verwijderd. Dit laatste is van belang omdat anders een controle op het verwijderd zijn van de mest niet meer goed mogelijk is.
Artikel 14 Informatieverplichting voortgang Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de minister met het oog op de subsidieverstrekking ook anderszins informatie over de voortgang van de sluiting van de veehouderijlocatie nodig heeft. Deze bepaling biedt de bevoegdheid om deze informatie bij betrokkene op te vragen.
Artikel 15 Overige verplichtingen Ingevolge de vereisten van artikel 5, eerste lid, dient een subsidieontvanger een aantal maatregelen te nemen om zijn veehouderijlocatie onomkeerbaar te sluiten, waaronder het sluiten van een overeenkomst met de Staat der Nederlanden om zeker te stellen dat op de locatie geen landbouwhuisdieren meer gehouden gaan worden en dat betrokkene niet elders dezelfde soort landbouwhuisdieren gaat houden. Indien later, uiterlijk bij de subsidievaststelling, zou blijken dat de overeenkomst niet is nageleefd, is dat reden om de subsidie in te trekken of lager of op nihil vast te stellen. Om hiervoor ook een grondslag te hebben is in het eerste lid de verplichting opgenomen de overeenkomst na te leven. Ingevolge artikel 6, tweede lid, wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien hij ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningssituatie, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.
Door in het tweede lid van artikel 15 te bepalen dat betrokkene ook gehouden is na de subsidieverlening niet alsnog over te gaan tot de beschikbaarstelling van die stikstofruimte, wordt de grondslag geboden om tot het tijdstip van vaststelling te toetsen of de stikstofruimte van de locatie daadwerkelijk beschikbaar komt voor het doel van de regeling.
Artikel 16 Gegevensverwerking In het algemene deel van de toelichting is hier reeds op ingegaan.
Artikel 17 Bevoorschotting In paragraaf 6.4 is reeds ingegaan op het bevoorschottingsregime. De subsidieontvanger ontvangt dus een voorschot van 20% van het subsidiebedrag na inzending van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, en een voorschot van 60% van het subsidiebedrag nadat aan de hand van informatie van de subsidieontvanger is gebleken dat hij alle vereiste maatregelen, behalve de sloop van de stallen, heeft genomen.
Artikel 18 Subsidievaststelling Voor de behandeling van aanvragen om subsidievaststelling geldt op grond van artikel 52 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (dat in artikel 3 van de regeling van overeenkomstige toepassing is verklaard) een maximale termijn van dertien weken na ontvangst van de aanvraag
49
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Artikel 19 Staatssteun In het eerste lid is geëxpliciteerd dat deze regeling wordt aangemerkt als staatssteun. In het tweede lid zijn de publicatieverplichtingen opgenomen die voortvloeien uit de transparantieverplichtingen van de Richtsnoeren, randnummer 112. Betreffende onderdeel f, de economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de aanvraag actief was, is van belang dat voor de aanduiding van de relevante sector gebruik moet worden gemaakt van de indeling van economische activiteiten van het NACE-stelsel, op groepsniveau. Het derde lid bevat de verplichting de te publiceren gegevens ten minste tien jaar openbaar beschikbaar te houden, hetgeen voortvloeit uit randnummer 114 van de Richtsnoeren.
Artikel 20 Inwerkingtreding Deze regeling treedt de dag na publicatie in de Staatscourant in werking, in afwijking van het beleid voor vaste verandermomenten. Er zou in dit geval sprake zijn van aanmerkelijke (ongewenste) private en publieke nadelen indien de regeling eerst op het vaste verandermoment in werking zou treden. Er is een groot belang mee gemoeid bij snelle inwerkingtreding, zowel aan de zijde van veehouders die met gebruikmaking van de regeling de productie op hun veehouderijlocatie definitief willen beëindigen als aan de zijde van de overheid, met het oog op de beoogde spoedige en forse reductie van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden. De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink
50
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023