Bijlage 3.2 Tekst Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (LBV)
Tekst van het document
STAATSCOURANT
Nr. 14992 12 juni 2023
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Regeling van de Minister voor Natuur en Stikstof van 5 juni 2023, nr. WJZ/ 27312647, houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor het sluiten van veehouderijlocaties voor de reductie van stikstofdepositie op natuurgebieden (Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie) De Minister voor Natuur en Stikstof, Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies; Besluit:
§ 1 Algemeen Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: AERIUS Check: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op www.aerius.nl; dierenverblijf: gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop; diersoorten met productierecht: melkvee, kippen, kalkoenen en varkens; landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; melkvee: dieren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet; minister: Minister voor Natuur en Stikstof; Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, als bedoeld in die wet; natuurvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming of omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet; omgevingsrechtelijke melding: melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving; omgevingsvergunning
beperkte milieutoets: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; omgevingsvergunning milieu: vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in die wet; overbelast Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied dat is vermeld in bijlage 1; productiecapaciteit: dierenverblijven, mest- en voeropslagen; productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in: a. voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat; b. voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; c.
voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; stikstofvracht: het totaal van de stikstofdepositie, uitgedrukt in mol stikstof per jaar, die door een veehouderijlocatie wordt veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied; veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft; veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren; veehouderij met productierecht: veehouderij voor het houden of het mede houden van diersoorten met productierecht; veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderij, bestaande uit het erf, bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging.
1
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
Artikel 2 Bepaling stikstofvracht 1. De stikstofvracht wordt bepaald met gebruik van AERIUS Check. 2. Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgegaan van: a. het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in 2021 op de locatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling; b. het huisvestingssysteem, genoemd in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in 2021 zijn gehouden. 3. Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in 2021 niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in 2019 of 2020. Artikel 3 Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies De artikelen 6, 22, 23, 26, 28, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2 Criteria voor subsidieverstrekking Artikel 4 Grondslag 1. De minister kan een veehouder die een veehouderij met productierecht drijft, op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie indien de stikstofvracht die deze locatie veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied, ten minste gelijk is aan de minimale stikstofvracht die voor dat gebied is vermeld in bijlage 1. 2. Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder die artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden. 3. Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een veehouder wiens veehouderij niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria. Artikel 5 Vereisten 1. Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien: a. niet langer landbouwhuisdieren worden gehouden op de locatie; b. de dierlijke meststoffen zijn verwijderd van de locatie; c.
de veehouder overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving heeft gedaan van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de locatie is gehouden: – varkens: 80%; – kippen en kalkoenen: 80%; – melkvee: 95%; d. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer, dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving: 1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt en, indien de veehouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag die vergunning heeft ingetrokken; of 2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden; e.
in het geval de veehouder beschikt over een natuurvergunning voor de locatie: deze vergun-
2
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
ning is ingetrokken tenzij onderdeel f van toepassing is; in het geval de veehouder op de locatie na de sluiting andere activiteiten verricht die stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied: 1°. gedeputeerde staten een besluit heeft genomen op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wet natuurbescherming dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, artikel 11.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of 2°. door het bevoegd gezag een natuurvergunning is verleend waaraan een voorschrift is verbonden dat de daarmee gemoeide ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning; op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend; g.
het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, het omgevingsplan, zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderij kan worden gevestigd; h. de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om: 1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en 3°. niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; en i. de voor de veehouderij met productierecht op de locatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd. f.
2. De minister kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderij, mits het bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer dan wel, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op grond van die wet, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is gesloten met dat gebruik heeft ingestemd. Artikel 6 Afwijzingsgronden 1. De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is. 2. De aanvraag wordt afgewezen indien de veehouder: a. zich reeds heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met de sluiting van de locatie; b. voor de locatie in aanmerking komt voor subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting; of c.
ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning. 3. De aanvraag kan worden afgewezen indien de veehouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de Unienormen of aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderij met productierecht. 4. Alleen indien de aanvrager voldoet aan de normen van de Europese Unie, komt hij voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking. Een aanvraag wordt afgewezen indien de aanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen.
3
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
§ 3 Subsidiebedrag Artikel 7 Subsidiecomponenten De subsidie omvat: a. een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht; en b. een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare sluiting van de veehouderijlocatie, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid. Artikel 8 Bijdrage vervallen productierecht 1. De in artikel 7, onder a, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht, voor zover dat vervallen productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat gemiddeld in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden. 2. De in het eerste lid bedoelde waarde wordt bepaald op basis van: a. de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en b. de omvang van het productierecht dat vervalt. 3.
De minister stelt met het oog op de toepassing van dit artikel de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, een pluimvee-eenheid en een kilogram fosfaat vast aan de hand van de actuele marktprijs, waarbij voor zover het gaat om varkensrecht en pluimveerecht onderscheid wordt gemaakt tussen de concentratiegebieden Zuid en Oost, aangeduid in bijlage I van de Meststoffenwet, en het overige gebied, en maakt deze bedragen uiterlijk bekend op de dag voor de aanvang van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 9 Bijdrage waardeverlies 1. De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, behoudens voor zover ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend op grond van artikel 5, tweede lid. 2. De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld voor het desbetreffende dierenverblijf, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en c.
§ 4 Aanvraag tot subsidieverlening Artikel 10 Openstellingsperiode en subsidieplafonds 1. Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 3 juli 2023 tot en met 1 december 2023. 2. Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt: a. € 270.000.000,– voor de toewijzing van aanvragen die voor meer dan 50% van het subsidiebedrag betrekking hebben op melkvee; b. € 115.000.000,– voor de toewijzing van aanvragen die voor meer dan 50% van het subsidiebedrag betrekking hebben op kippen of kalkoenen; c. € 115.000.000,– voor de toewijzing van aanvragen die voor meer dan 50% van het subsidiebedrag betrekking hebben op varkens. Artikel 11 Aanvraag subsidieverlening 1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel. 2. Indien op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting een
4
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
aanvraag is ingediend in het tijdvak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, die niet in aanmerking komt voor toewijzing op grond van die regeling, wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van deze regeling. In dat geval wordt de aanvraag geacht te zijn gedaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en zo nodig is aangevuld om te voldoen aan de wettelijke voorschriften. 3. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens: a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel; b. de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft; c. het gemiddelde aantal dieren van de diersoorten met productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar; d. de omvang van het productierecht, uitgedrukt in varkenseenheden, pluimvee-eenheden respectievelijk kilogrammen fosfaat, dat zal vervallen; e. een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning; f. een opgave van de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van: 1°.
de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en 2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf. 4. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd: a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu en de natuurvergunning betreffende de veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een verklaring van de aanvrager dat: 1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft; 2°. de voor de veehouderij met productierecht op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt; c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht op één of meer overbelaste Natura 2000-gebieden; d. een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar, voor zover deze betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; e. een actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met productierecht gebruikte productiecapaciteit; f.
een kopie van de bouwtekening van de dierenverblijven waar de aanvraag betrekking op heeft; g. een kopie van de meest recente beschikking voor de bepaling van de waarde, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, van de productiecapaciteit.
§ 5 Verdeling subsidieplafonds Artikel 12 Verdeling subsidieplafonds 1. De minister verdeelt de in artikel 10, tweede lid, bedoelde subsidieplafonds op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 2. De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate de totale stikstofvracht van de desbetreffende veehouderijlocatie op overbelaste Natura 2000-gebieden groter is, afgezet tegen de hoogte van het subsidiebedrag.
§ 6 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 13 Fasering sluiting van een veehouderijlocatie 1. De subsidieontvanger voldoet aan: a. het vereiste, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, door de in die bepaling bedoelde overeenkomst binnen zes maanden na de subsidieverlening ondertekend aan de minister te zenden; b. de vereisten, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, f en g, voor zover van toepassing, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten; c. het vereiste, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel i, binnen 28 maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gesloten.
5
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
2. Het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel i, vindt niet eerder plaats dan nadat de minister heeft geconstateerd dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde vereisten. Artikel 14 Informatieverplichting voortgang 1. De subsidieontvanger verstrekt de minister op diens verzoek informatie over de uitvoering van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde vereisten. 2. De subsidieontvanger verstrekt de minister binnen twee weken na afloop van de in artikel 13, eerste lid, onder b, bedoelde termijn informatie over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, f en g bedoelde vereisten. 3. De in het tweede lid bedoelde informatieverstrekking vindt plaats met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel. 4. Bij de informatieverstrekking worden de volgende bescheiden gevoegd: a. een kopie van de kennisgeving over het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c; b. een kopie van de omgevingsrechtelijke melding, dan wel intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d; c.
een kopie van het besluit tot intrekking van de natuurvergunning of, indien op de locatie na de sluiting andere activiteiten worden verricht, van de berekening van de stikstofdepositie als gevolg van die activiteiten; d. indien uit de in onderdeel c bedoelde berekening blijkt dat deze activiteiten stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken: een kopie van het besluit van gedeputeerde staten respectievelijk het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f; e. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel g, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen. Artikel 15 Overige verplichtingen 1. De subsidieontvanger houdt zich aan de verplichtingen die hij jegens de Staat der Nederlanden is aangegaan op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel h. 2. De subsidieontvanger stelt geen ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.
§ 7 Gegevensverwerking Artikel 16 Gegevensverwerking 1. De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen op grond van deze regeling gebruikmaken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, de Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (PB EU 2016, L 84) en de Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (Pb EU 2019, L 314). 2. De minister kan met het oog op de uitvoering van deze regeling gegevens over aanvragen op grond van deze regelingen verstrekken aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d respectievelijk f. 3. De minister kan gegevens die de subsidieontvanger heeft verschaft in het kader van de subsidieverstrekking gebruiken voor: a. het opnemen van depositieruimte in het stikstofregistratieregister, bedoeld in artikel 2.3 van de Regeling natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, in Aerius Register, bedoeld in hoofdstuk 17A van de Omgevingsregeling; b.
de toepassing van de artikelen 1.12f, 1.13b en 1.13c van de Wet natuurbescherming en de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 van het Besluit natuurbescherming, dan wel, na inwerkingtreding van de Omgevingswet: artikel 20.1, eerste lid, van die wet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c,
6
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
12.26b en 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit.
§ 8 Bevoorschotting Artikel 17 Bevoorschotting 1. De minister verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk zes weken na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, een voorschot van 20% van het subsidiebedrag. 2. De minister verstrekt de subsidieontvanger een voorschot van 60% van het subsidiebedrag uiterlijk zes weken nadat aan de hand van de in artikel 14, tweede lid, bedoelde informatieverstrekking is vastgesteld dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e, f en g bedoelde vereisten.
§ 9 Subsidievaststelling Artikel 18 Subsidievaststelling De aanvraag om subsidievaststelling wordt uiterlijk dertien weken na afloop van de in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, bedoelde termijn ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
§ 10 Slotbepalingen Artikel 19 Staatssteun 1. De subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, bevat staatssteun. 2. De minister maakt, gelet op de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01), na de datum van de subsidievaststelling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend: a. de naam van de subsidieontvanger; b. de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag; c. de datum van de subsidievaststelling; d. het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 2472/2022 vastgestelde criteria; e. de provincie op het grondgebied waarvan de locatie zich bevindt; f. de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was. 3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, blijven ten minste tien jaar openbaar beschikbaar. Artikel 20 Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2. Deze regeling vervalt vijf jaren na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Artikel 21 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 5 juni 2023 De Minister voor Natuur en Stikstof, C. van der Wal-Zeggelink
7
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 1 EN ARTIKEL 4, EERSTE LID, VAN DE LANDELIJKE BEËINDIGINGSREGELING VEEHOUDERIJLOCATIES VOOR STIKSTOFREDUCTIE
8
Natuurgebied nummer
Natuurgebied
1
Waddenzee
2
Duinen en Lage Land Texel
490
3
Duinen Vlieland
10
4
Duinen Terschelling
59
5
Duinen Ameland
116
6
Duinen Schiermonnikoog
107
7
Noordzeekustzone
1
13
Alde Feanen
77
15
Van Oordt’s Mersken
12
16
Wijnjeterper Schar
18
17
Bakkeveense Duinen
27
18
Rottige Meenthe & Brandemeer
90
21
Lieftinghsbroek
9
22
Norgerholt
23
Fochteloërveen
265
24
Witterveld
56
25
Drentsche Aa-gebied
98
26
Drouwenerzand
27
Drents-Friese Wold & Leggelderveld
28
Elperstroomgebied
29
Holtingerveld
124
30
Dwingelderveld
589
31
Mantingerbos
6
32
Mantingerzand
81
33
Bargerveen
192
34
Weerribben
352
35
De Wieden
260
36
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
5
37
Olde Maten & Veerslootslanden
12
38
Rijntakken
53
39
Vecht- en Beneden-Reggegebied
287
40
Engbertsdijksvenen
151
41
Boetelerveld
32
42
Sallandse Heuvelrug
162
43
Wierdense Veld
50
44
Borkeld
35
45
Springendal & Dal van de Mosbeek
108
46
Bergvennen & Brecklenkampse Veld
33
47
Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek
76
48
Lemselermaten
9
49
Dinkelland
32
50
Landgoederen Oldenzaal
70
51
Lonnekermeer
53
Buurserzand & Haaksbergerveen
143
54
Witte Veen
13
55
Aamsveen
57
Veluwe
58
Landgoederen Brummen
60
Stelkampsveld
7
61
Korenburgerveen
97
62
Willinks Weust
9
63
Bekendelle
20
64
Wooldse Veen
6
65
Binnenveld
7
69
De Bruuk
14
Staatscourant 2023 nr. 14992
Minimale stikstofvracht (mol N/jaar) 1
9
20 1158 5
7
12 5300
12 juni 2023
23
9
Natuurgebied nummer
Natuurgebied
70
Lingegebied & Diefdijk-Zuid
71
Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
1
81
Kolland & Overlangbroek
10
82
Uiterwaarden Lek
9
83
Botshol
20
84
Duinen Den Helder-Callantsoog
46
85
Zwanenwater & Pettemerduinen
68
86
Schoorlse Duinen
201
87
Noordhollands Duinreservaat
478
88
Kennemerland-Zuid
244
89
Eilandspolder
1
90
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder
34
91
Polder Westzaan
17
92
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske
48
94
Naardermeer
47
95
Oostelijke Vechtplassen
59
96
Coepelduynen
97
Meijendel & Berkheide
165
98
Westduinpark & Wapendal
15
99
Solleveld & Kapittelduinen
39
100
Voornes Duin
131
101
Duinen Goeree & Kwade Hoek
50
103
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
101
105
Zouweboezem
1
112
Biesbosch
10
113
Voordelta
6
114
Krammer-Volkerak
30
115
Grevelingen
135
116
Kop van Schouwen
144
117
Manteling van Walcheren
124
118
Oosterschelde
5
121
Yerseke en Kapelse Moer
1
122
Westerschelde & Saeftinghe
3
123
Zwin & Kievittepolder
1
124
Groote Gat
1
125
Canisvliet
128
Brabantse Wal
1167
129
Ulvenhoutse Bos
30
130
Langstraat
11
131
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
189
132
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
13
133
Kampina & Oisterwijkse Vennen
214
134
Regte Heide & Riels Laag
49
135
Kempenland-West
248
136
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
217
137
Strabrechtse Heide & Beuven
171
138
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven
621
139
Deurnsche Peel & Mariapeel
801
140
Groote Peel
470
141
Oeffelter Meent
3
142
Sint Jansberg
72
143
Zeldersche Driessen
8
144
Boschhuizerbergen
41
145
Maasduinen
146
Sarsven en De Banen
29
147
Leudal
45
148
Swalmdal
10
149
Meinweg
353
Staatscourant 2023 nr. 14992
Minimale stikstofvracht (mol N/jaar) 53
9
1
12 juni 2023
1432
10
Natuurgebied nummer
Natuurgebied
150
Roerdal
25
153
Bunder- en Elslooërbos
40
154
Geleenbeekdal
65
155
Brunssummerheide
46
156
Bemelerberg & Schiepersberg
157
Geuldal
158
Kunderberg
9
159
Sint Pietersberg & Jekerdal
10
160
Savelsbos
127
161
Noorbeemden & Hoogbos
Staatscourant 2023 nr. 14992
Minimale stikstofvracht (mol N/jaar)
22 1373
12 juni 2023
3
BIJLAGE 2, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 5, EERSTE LID, ONDERDEEL H, VAN DE LANDELIJKE BEËINDIGINGSREGELING VEEHOUDERIJLOCATIES VOOR STIKSTOFREDUCTIE Modelovereenkomst ... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft, verder te noemen: de veehouder en de Staat, vertegenwoordigd door de Minister voor Natuur en Stikstof, namens deze, ....... van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. overwegende: dat de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (verder: de regeling), artikel 5, eerste lid, onderdeel h, als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om: 1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; 3°.
niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen; komen het volgende overeen: 1. De veehouder zal, na te hebben voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 5 van de regeling, op de locatie niet opnieuw landbouwhuisdieren gaan houden. 2. De veehouder zal bij overdracht van de locatie of een deel daarvan in de koopovereenkomst een zogenaamd kettingbeding opnemen luidende dat de locatie niet gebruikt zal worden voor het houden van landbouwhuisdieren en dat elke volgende verkrijger aan dezelfde verplichting wordt verbonden. 3. De veehouder gaat de kwalitatieve verplichting aan als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek om de locatie niet te gebruiken voor het houden van landbouwhuisdieren en schrijft deze kwalitatieve verplichting in de openbare registers in. 4.
De veehouder zal niet op een andere locatie dan de hiervoor bedoelde locatie, in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, dezelfde diersoorten met productierecht gaan houden, behoudens voor zover het een locatie betreft waar hij ten tijde van de aanvraag om subsidie op grond van de regeling reeds dezelfde diersoorten met productierecht hield. Datum en plaats: ................, .......... .... (.... = naam vertegenwoordiger van de Staat)
.... (...
.... (...
11
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
= naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer) = naam echtgenote / echtgenoot van veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)
BIJLAGE 3, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 9, TWEEDE LID, VAN DE LANDELIJKE BEËINDIGINGSREGELING VEEHOUDERIJLOCATIES VOOR STIKSTOFREDUCTIE: GECORRIGEERDE VERVANGINGSWAARDE PER M2 VAN DIERENVERBLIJVEN1 Gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 van een dierenverblijf voor varkens
1
12
In verband met het vereiste van artikel 6, eerste lid, over voorafgaand gebruik gedurende vijf jaar, wordt geen subsidie verstrekt voor een dierenverblijf dat minder dan vijf jaar tevoren in gebruik is genomen. Daarom is toepassing van de gecorrigeerde vervangingswaarden van een dierenverblijf tot vijf jaar oud niet aan de orde en om die reden zijn deze waarden in de tabel grijs gemarkeerd.
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
Gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 van een dierenverblijf voor vleeskuikens (vleeskuikens, vleeskuikenouderdieren, opfok vleeskuikenouderdieren)
13
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
Gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 van een dierenverblijf voor leghennen (leghennen, opfok leghennen), indien geen sprake is van een etagestal
14
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
Gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 van een dierenverblijf voor leghennen (leghennen, opfok leghennen), indien sprake is van een etagestal (een dierenverblijf bestaande uit twee verdiepingen waarbij op beide verdiepingen sprake is van een volledige stalinrichting)
15
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
Gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 van een dierenverblijf voor kalkoenen
16
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
Gecorrigeerde vervangingswaarde per m2 van een dierenverblijf voor melkvee
17
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
TOELICHTING Inhoud I Algemeen 1. Inleiding 2. Structurele aanpak stikstofproblematiek 3. Hoofdlijnen 3.1 Doelstelling 3.2 Doelgroep 4. Afwijzingsgronden 4.1 Vijfjaarseis 4.2 Overtredingen 5. Voorwaarden voor subsidieverstrekking 5.1 Fasering sluiting veehouderijlocatie 5.2 Afvoeren dieren en mest 5.3 Vervallen van het productierecht 5.4 Borging sluiting productiecapaciteit 5.4.1 Intrekken omgevingsvergunning 5.4.2 Intrekken vergunning Wet natuurbescherming en borging vervolgactiviteiten 5.4.3 Verzoek tot wijziging bestemmingsplan 5.4.4 Contractuele verbintenis toekomstige veehouderijactiviteiten 5.5 Sloop productiecapaciteit 5.5.1 Sloopverplichting en beschermde soorten 5.5.2 Uitzondering sloopverplichting 6. Subsidiebedrag 6.1 Inleiding 6.2 Bijdrage vervallen productierecht 6.3 Bijdrage waardeverlies productiecapaciteit 6.3.1 Gecorrigeerde vervangingswaarde 6.3.2 Subsidiepercentage 6.4 Bevoorschottingsregime 7. Flankerend beleid, betrokkenheid van provincies en gemeenten 8. Europeesrechtelijke aspecten 9. Fiscale aspecten 9.1 Omzetbelasting 9.2 Inkomsten- en vennootschapsbelasting 10. Persoonsgegevens 11. Regeldruk 11.1 Administratieve lasten 11.2 Nalevingskosten 11.3 Advies van het Adviescollege toetsing regeldruk 12. Uitvoering en handhaving 13. Consultatie 13.1 Inbreng organisaties 13.2 Beweegredenenonderzoek 13.3 Publieke consultatie
18 19 20 20 21 23 23 23 24 24 24 25 25 26 26 26 27 27 28 28 29 29 29 29 29 31 31 32 32 35 35 35 35 37 37 38 39 40 40 41 41 41
II Artikelen
I Algemeen 1. Inleiding Per brief van 7 februari 2020 heeft het kabinet een pakket aan bronmaatregelen aangekondigd waarmee zowel op de korte als op de langere termijn in de landbouw de stikstofproblematiek wordt aangepakt (Kamerstuk 35 334, nr. L en 44). De Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (hierna: Lbv) is een van de bronmaatregelen. De Lbv is een subsidieregeling waarmee melkvee-, varkens- en pluimveehouders financieel worden ondersteund om hun bedrijf of een locatie van hun bedrijf definitief en onherroepelijk te beëindigen. Bij de vormgeving van de Lbv zijn de (leer)ervaringen met de uitvoering van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen2 (hierna: Srv) en van de eerste tranche van de Maatregel gerichte opkoop (Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden3) meegenomen. Bij de vormgeving van de Lbv is daarnaast conform de Kamerbrief van 1 april 2022 invulling gegeven aan het streven om zo effectief mogelijk stikstofreductie te realiseren door (de voorwaarden voor) deelname aan beëindigingsregelingen aantrekkelijk te maken (Kamerstuk II 2021/22, 33 576, nr. 265).
2 3
18
Staatscourant nr. 55830, 11 oktober 2019 Staatscourant nr. 57568, 3 november 2020
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
2. Structurele aanpak stikstofproblematiek Op 29 mei 2019 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS), dat was vastgesteld voor de periode 2015–2021, onvoldoende waarborgen bood voor natuurbehoud en -herstel in de Natura 2000-gebieden om de vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming op te kunnen baseren. Het kabinet heeft, naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State en de daardoor ontstane situatie, in december 2019 een structurele aanpak voor de stikstofproblematiek aangekondigd. Deze structurele aanpak ziet op twee sporen, te weten enerzijds het herstel en de versterking van de natuur en anderzijds het terugdringen van de stikstofuitstoot. Het kabinet heeft per brief van 24 april 2020 nadere invulling gegeven aan deze structurele aanpak (Kamerstukken II 2019/20, 35 334, nr. 82). Naar aanleiding van het eindadvies ‘Niet alles kan overal’ van het Adviescollege Stikstofproblematiek (Kamerstukken II 2019/20, 35 334, nr. 89) is de structurele aanpak verder aangescherpt. De structurele aanpak van de stikstofproblematiek heeft als hoofddoel het realiseren van een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – een verbeterde landelijke staat van instandhouding van stikstofgevoelige soorten en habitattypen.
Het gaat dan meer in het bijzonder om het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor natuurgebieden van Europees belang: de Natura 2000-gebieden die worden beschermd onder de Vogelrichtlijn4 en de Habitatrichtlijn5 (hierna ook: VHR). Het kabinet streeft ernaar tot een volledige, gunstige staat van instandhouding te komen conform de Habitatrichtlijn en daarvoor de condities in de desbetreffende gebieden te verbeteren. Vervolgens moet deze gunstige staat worden behouden. Het belang van de biodiversiteit in Nederland en in Europa, die ook de basis vormt van onze voedselketen en intrinsiek een belangrijke waarde vertegenwoordigt, staat hierbij centraal. De stikstofbelasting door ammoniak en stikstofoxiden op de (beschermde) natuur in Nederland is al decennia te groot, met negatieve effecten voor de natuurkwaliteit en biodiversiteit als gevolg. De uitstoot van stikstof moet verder omlaag. Om een daling van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur te realiseren heeft het kabinet besloten tot een pakket van stikstofreducerende bronmaatregelen, gericht op het voldoen aan de drie omgevingswaarden voor stikstofdepositie. Deze zijn door middel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering als resultaatsverplichtingen vastgelegd in de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet.
De omgevingswaarden zijn gedefinieerd als het percentage van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de depositie van stikstof niet groter is dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten (de zogenoemde kritische depositiewaarde). De omgevingswaarde bedraagt in 2025 ten minste 40%, in 2030 bedraagt de omgevingswaarde ten minste 50% en in 2035 ten minste 74%. Het kabinet heeft, in lijn met het advies van het adviescollege Stikstofproblematiek, aangekondigd de doelstellingen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering te versnellen van 2035 naar 2030, waarbij alle sectoren hun evenredige stikstofbijdrage leveren6. In 2018 was er op ongeveer 78% van de hectaren met voor stikstof gevoelige natuur binnen Natura 2000-gebieden sprake van overschrijding van de kritische depositiewaarde. De stikstof in de individuele Natura 2000-gebieden is afkomstig uit een veelheid van bronnen in binnen- en buitenland. Dit maakt – samen met de omvang van de stikstofbelasting – dat een aanpak op alleen lokaal of regionaal niveau niet volstaat, maar dat ook een overkoepelende landelijke aanpak noodzakelijk is.
Een dergelijke structurele aanpak is niet alleen nodig om aan de internationale verplichtingen conform de VHR te kunnen voldoen, maar een gunstige staat van de natuur is ook de belangrijkste randvoorwaarde voor nieuwe maatschappelijke en economische ontwikkelingen. De stikstofuitstoot en -depositie moeten daarom zowel voor de natuurkwaliteit als voor het mogelijk maken van nieuwe maatschappelijke en economische ontwikkelingen fors en blijvend naar beneden worden gebracht. Het pakket aan bronmaatregelen van de structurele aanpak is verdeeld over de sectoren industrie, mobiliteit en landbouw en beoogt reductie van stikstofemissie bij de bron. De Lbv maakt onderdeel uit van dit maatregelenpakket, specifiek voor de sector landbouw. De Lbv is tevens van betekenis voor andere dossiers, zoals die in het kader van klimaat en mest. Naast
4
5
6
19
Richtlijn 2009/147/EG van het Europees parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20). Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206). Coalitieakkoord 2021 – 2025, Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst (Kamerstukken II 2021/22, 35 788, nr. 77).
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
vermindering van stikstofdepositie op overbelaste Natura2000-gebieden heeft de regeling namelijk nog andere effecten, zoals: • afname van de emissies van broeikasgassen en fijnstof; • bijdrage aan de realisatie van de doelen uit het Klimaatakkoord; • blijvende krimp van de melkvee-, varkens- en pluimveestapel; • afname van de productie van dierlijke mest (stikstof en fosfaat) en daarmee een afname van het landelijke mestoverschot; • verbetering van het algehele leefklimaat in het buitengebied (onder andere door een afname van het aantal transportbewegingen, afname van geuroverlast en het voorkomen van leegstand en ondermijning door de verplichting tot sloop).
3. Hoofdlijnen 3.1 Doelstelling De Lbv levert een bijdrage aan de realisatie van de reductiedoelstellingen zoals deze zijn vastgelegd in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Stb. 2021, 140) en aan de instandhoudingsdoelstellingen van VHR. Doel van de subsidieregeling is het realiseren van een structurele en blijvende reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in Nederland die geheel of gedeeltelijk overbelast zijn (dat wil zeggen, een depositie boven de kritische depositiewaarde hebben) of waar, bij het uitblijven van maatregelen, een overbelasting dreigt. De regeling richt zich dus specifiek op Natura 2000-gebieden die stikstofgevoelig zijn en daarbij qua stikstofdepositie (deels) overbelast zijn of waar overbelasting dreigt. In de regeling wordt in dat verband gesproken over ‘overbelast Natura 2000gebied’, onder verwijzing naar een bijlage waarin de Natura 2000-gebieden zijn vermeld die ten tijde van de totstandkoming van deze regeling als zodanig kunnen worden aangemerkt. De beoogde reductie van stikstofdepositie op overbelast Natura 2000-gebied door de beëindiging van veehouderijlocaties strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de legalisering van de zogenaamde PAS-melders.
Tijdens het Programma Aanpak Stikstof (PAS), dat op 1 juli 2015 in werking trad, konden initiatiefnemers met een beperkte stikstofdepositie onder voorwaarden volstaan met een melding onder de Wet natuurbescherming (Wnb), de zogenaamde PAS-melders. Het programma was bedoeld om toestemmingverlening voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken mogelijk te blijven maken en om tegelijkertijd de lasten van de initiatiefnemers van die activiteiten te verlichten. Initiatiefnemers (van alle typen activiteiten) die niet meer dan 1 mol depositie per jaar veroorzaakten op stikstofgevoelige natuur hadden geen natuurvergunning voor stikstofdepositie meer nodig maar hadden slechts een meldingsplicht. Initiatiefnemers die meer depositie veroorzaakten konden een vergunning krijgen met ontwikkelingsruimte uit het PAS. Met deze aanpak was een groot deel van de activiteiten vrijgesteld van de vergunningplicht en was het in die gevallen dus niet meer nodig om per individuele activiteit een beoordeling te maken. Voor de van de vergunningplicht vrijgestelde agrarische activiteiten en activiteiten in de industrie en mobiliteit die 0,05 mol of minder depositie per jaar veroorzaakten op stikstofgevoelige natuur gold een vrijstelling van de meldingsplicht, de zogenaamde meldingsvrije activiteiten.
Met de uitspraak van 29 mei 2019 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS, in strijd was met de Europese Habitatrichtlijn. De Raad van State oordeelde daarom dat de vrijstelling van de vergunningplicht voor gevallen waarin een grenswaarde niet wordt overschreden, onverbindend is. Als gevolg hiervan hebben de initiatiefnemers die onder het PAS vrijgesteld waren van de vergunningplicht, waarvan sommige hadden kunnen volstaan met een melding, nu alsnog een vergunning nodig. Per brief van 25 november 2022 (Kamerstukken II 2022/23, 34 682, nr. 108) is benadrukt wat de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 betekent voor de inzetbaarheid van stikstofruimte die vrijkomt als direct gevolg van bronmaatregelen. Pas als met zekerheid is vastgesteld dat vrijkomende stikstofruimte niet nodig is om verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen en om perspectief te houden op herstel, kan stikstofruimte voor andere doelen dan natuur worden bestemd (additionaliteitstoets). Die beoordeling moet op gebiedsniveau plaatsvinden en nog actueel zijn op het moment dat de ruimte voor andere doelen wordt ingezet.
De stikstofruimte die met de Lbv vrijkomt en die op gebiedsniveau niet nodig is om verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen of om perspectief te houden op herstel, zal zoveel mogelijk worden ingezet voor prioritaire projecten van nationaal belang (waaronder de PAS-melders). Hierbij zal gebruik worden gemaakt van het stikstofregistratiesysteem (SSRS)7. Hiermee wordt invulling
7
20
Het stikstofdepositieregister, als bedoeld in artikel 2.3 van de Regeling natuurbescherming.
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
gegeven aan het aangenomen amendement Bisschop (SGP)8 c.s. en de motie van het lid Grinwis (CU)9 c.s. Van de stikstofruimte die met de Lbv vrijkomt en die potentieel ingezet kan worden voor prioritaire projecten wordt, conform artikel 2.3, vijfde lid, Regeling natuurbescherming, ten hoogste 70% in het SSRS opgenomen. De opdracht voor het legaliseren van de activiteiten die voorheen waren vrijgesteld van de vergunningplicht, is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het legalisatieprogramma bestaat uit twee delen. Deel I van het programma is gericht op de legalisatie van de PAS-meldingen. Deel II is de uitbreiding van het programma met de meldingsvrije activiteiten. Deel I van het programma is op 28 februari 2022 in werking getreden en ingevolge de wettelijke opdracht dienen de in het programma opgenomen maatregelen binnen drie jaar vanaf die datum te worden uitgevoerd.
3.2 Doelgroep Gelet op de doelstelling van de regeling is het noodzakelijk maximaal stikstofwinst te boeken met de beëindiging van veehouderijlocaties. Randvoorwaarde om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie op grond van deze regeling is dat de totale stikstofdepositie (stikstofvracht in mol per jaar) van een te beëindigen veehouderijlocatie op een overbelast Natura 2000-gebied bovengemiddeld is en boven een in de regeling opgenomen drempelwaarde uitstijgt. De maat voor de stikstofdepositie die door een veehouderijlocatie wordt veroorzaakt is de zogenoemde stikstofvracht, dat wil zeggen de totale stikstofdepositie (in mol per jaar) die wordt veroorzaakt door een veehouderij op de overbelaste hectares van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, voor zover gelegen binnen 25 kilometer van de veehouderij. De stikstofvracht wordt bepaald met toepassing van AERIUS Check. Dit is een rekeninstrument dat is ontwikkeld door RIVM, zoals ook AERIUS Calculator – het rekeninstrument dat wordt gebruikt bij de vergunningverlening op grond van de Wet natuurbescherming.
Omdat AERIUS Check de depositieberekening alleen uitvoert voor overbelaste hectares van een Natura 2000-gebied binnen een straal van 25 kilometer vanaf de bron, betreft de stikstofvracht alleen het totaal van de depositie op dat gebied (overbelaste hectares van Natura 2000-gebied voor zover gelegen binnen 25 kilometer vanaf de betreffende veehouderijlocatie). De op deze wijze berekende stikstofvracht is bepalend voor de vraag of de locatie waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, voldoet aan het criterium van een minimale vracht op een overbelast Natura 2000-gebied binnen een straal van 25 kilometer, uitgedrukt in mol stikstof per jaar. Indien er binnen een straal van 25 kilometer van een veehouderijlocatie meerdere overbelaste Natura 2000-gebieden gelegen zijn hoeft slechts bij een enkel Natura 2000gebied sprake te zijn van een stikstofvracht die boven de drempelwaarde uitstijgt om te voldoen aan de voorwaarde van een minimale stikstofvracht. In het verlengde hiervan is RIVM verzocht te adviseren over drempelwaarden voor de stikstofvracht op overbelaste Natura 2000-gebieden, zodanig dat circa 10.000 melkvee-, varkens- en pluimveehouderijlocaties aan dit vereiste voor subsidieverlening kunnen voldoen (artikel 4, eerste lid).
Met dit aantal van circa 10.000 veehouderijlocaties is de doelgroep naar verwachting van een voldoende omvang om, gegeven het beschikbare budget, een forse reductie van stikstofdepositie te realiseren. Tegelijkertijd worden veehouderijlocaties die slechts een relatief beperkte stikstofdepositie veroorzaken, uitgesloten. Op deze wijze wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling bevorderd. De drempelwaarden van de overbelaste Natura 2000-gebieden zijn opgenomen in bijlage 1 van de regeling. Bij de stikstofvrachtberekening gaat het steeds om de stikstofdepositie van individuele veehouderijlocaties. De berekening wordt gebaseerd op gegevens over het aantal en de soort op de betreffende veehouderijlocatie gehouden landbouwhuisdieren en over de gebruikte huisvestingssystemen. Hierbij wordt in beginsel 2021 als referentiejaar gehanteerd. Veehouders zijn zelf verantwoordelijk voor het invullen van AERIUS Check10. Het resultaat van de berekening geeft inzicht in de totale stikstofvracht op overbelaste Natura 2000-gebieden die in een straal van 25 kilometer rond de betreffende veehouderijlocatie zijn gelegen en of daarbij een in de regeling opgenomen drempelwaarde wordt overstegen.
Veehouders krijgen daarmee na het invullen van AERIUS Check direct uitsluitsel of de veehouderijlocatie waar de berekening op ziet, voldoet aan een drempelwaarde en kunnen dus zo nagaan of ze binnen het bereik van de regeling vallen, onder voorbehoud van toetsing door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van de ingevoerde informatie. Van het resultaat van de berekening wordt een Pdf-document gegenereerd. Dit document moet de veehouder indienen bij zijn subsidieaanvraag.
8
Kamerstukken II 2020/21, 35 600, nr. 19. Kamerstukken II 2022/23, 30 252, nr. 58. 10 www.aerius.nl 9
21
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
De regeling staat open voor houders van melkvee, varkens en pluimvee (kippen en kalkoenen). Daarmee kunnen uitsluitend veehouders die diercategorieën houden die vallen onder de werking van het stelsel van productierechten uit de Meststoffenwet (Hoofdstuk V: Regels inzake de productie van dierlijke meststoffen) in aanmerking komen voor een subsidie op grond van de regeling. Waar hieronder wordt gesproken over pluimveehouders, wordt dan ook steeds gedoeld op houders van kippen en kalkoenen (voor ander pluimvee geldt het stelsel van productierechten niet). Gegeven de beperking van de doelgroep van de regeling tot veehouderijen en veehouderijlocaties met diercategorieën die vallen onder de werking van het stelsel van productierechten, is het mogelijk om ook een landelijke verlaging van de productie te bewerkstelligen. Hiertoe wordt vereist dat bij deelname aan de regeling verreweg het grootste deel van het productierecht dat benodigd is voor het verantwoorden van de gehouden dieren, definitief wordt doorgehaald (zie verder paragraaf 6.2). Hierdoor wordt een blijvende krimp gerealiseerd van het totale aantal dieren (melkvee, varkens en pluimvee) dat in Nederland kan worden gehouden. De melkvee-, varkens- en pluimveesectoren zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor bijna 90% van de ammoniakemissie uit stallen en mestopslagen.
Tabel 1: Ammoniakemissie uit stallen en mestopslagen voor de totale veehouderij en voor de melkvee-, varkens en pluimveehouderij (Cijfers over 2021. Bron: CBS Statline). Sector
Ammoniakemissie uit stallen en mestopslagen (in miljoen kg NH3)
Aandeel totale veehouderij
Melkvee
27,9
49%
Varkens
12,0
21%
Pluimvee
11,2
20%
Totaal
51,1
89%
Totaal veehouderij
57,4
100%
Het doel van een blijvende depositiereductie vanaf de veehouderijlocatie wordt gerealiseerd doordat de veehouder de bestaande dierlijke productie beëindigt en daarbij de op de locatie aanwezige productiecapaciteit definitief en onherroepelijk sluit. Melkvee-, varkens- en pluimveehouders kunnen op grond van de regeling een subsidie krijgen voor het definitief en onherroepelijk beëindigen van de productie en de productiecapaciteit op (een locatie van) hun veehouderijbedrijf. De hoogte van de subsidie wordt bepaald door de omvang van het door te halen productierecht en het waardeverlies van de voor het houden van melkvee, varkens of pluimvee gebruikte productiecapaciteit (dierenverblijven, mestsilo’s en -kelders, sleuf- en voersilo’s). In de praktijk zullen aanvragen variëren betreffende zowel de stikstofvracht als het subsidiebedrag. Gelet op de doelstelling van de regeling is het wezenlijk om te bewerkstelligen dat met de beschikbare middelen zoveel mogelijk stikstofreductie wordt gerealiseerd. Aanvragen die voldoen aan alle voorwaarden worden gerangschikt op kostenefficiëntie. Indien het subsidieplafond dat per diersector is vastgesteld niet toereikend is om alle aanvragen binnen deze sector toe te wijzen, wordt voorrang gegeven aan de aanvragen met de grootste kostenefficiëntie.
Met het rangschikken en selecteren op kostenefficiëntie en het hanteren van een drempelwaarde wordt geborgd dat de beschikbare middelen doelmatig en doeltreffend worden ingezet. Kostenefficiëntie = subsidiebedrag in euro’s / totale stikstofvracht in mol N per jaar Als totale stikstofvracht geldt de optelsom van de stikstofvrachten die een veehouderijlocatie op Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer veroorzaakt. Een veehouderijlocatie die een stikstofvracht op een Natura 2000-gebied heeft van ten minste de drempelwaarde kan immers gelijktijdig ook stikstofdepositie op andere Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer veroorzaken. Als de locatie wordt gesloten vervalt ook deze stikstofvracht. Om die reden wordt bij het bepalen van de kosteneffectiviteit uitgegaan van de totale stikstofvracht binnen een straal van 25 kilometer van de veehouderijlocatie. De veehouderijlocatie die met het laagste subsidiebedrag per mol stikstofreductie kan worden beëindigd, komt met voorrang in aanmerking voor subsidie. Per sector geldt een afzonderlijk subsidieplafond en daarmee ook een afzonderlijke rangschikking op kostenefficiëntie. Een veehouderijbedrijf kan uit verschillende locaties bestaan. Of sprake is van een stikstofvracht op overbelast Natura 2000-gebied die de drempelwaarde overschrijdt, moet naar zijn aard per veehouderijlocatie worden bepaald.
Dit kan betekenen dat door een veehouder met verscheidene locaties voor de ene locatie kan worden deelgenomen aan de regeling en voor de andere niet. Het is overigens hoe dan ook mogelijk voor een veehouder met een veehouderijbedrijf dat bestaat uit meer dan één locatie, om voor het sluiten van de ene locatie subsidie te vragen, terwijl op de andere locatie(s) de productie wordt voortgezet.
22
Staatscourant 2023 nr. 14992
12 juni 2023
4. Afwijzingsgronden 4.1 Vijfjaarseis De regeling heeft als doel het verminderen van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door melkvee-, varkens- en pluimveehouderijlocaties. In verband hiermee is in de regeling bepaald dat bedrijven of locaties waar feitelijk geen melkvee, pluimvee of varkens worden gehouden, niet in aanmerking komen voor subsidie. Verder worden ook locaties uitgesloten die nog maar relatief kort in gebruik zijn. Uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de aanvraag (op bedrijfseconomisch gangbare wijze) onafgebroken is gebruikt, komt voor subsidie in aanmerking. Dit hangt samen met het Europese staatssteunkader voor het sluiten van productiecapaciteit, de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01; hierna: de Richtsnoeren). Hierin is als vereiste opgenomen dat uitsluitend staatssteun kan worden verleend voor productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting onafgebroken is gebruikt. Omdat ten tijde van de aanvraag onbekend is wanneer de sluiting daadwerkelijk plaatsvindt, kan niet worden uitgegaan van de datum van de feitelijke sluiting, maar moet worden uitgegaan van de datum van aanvraag om te kunnen vaststellen of wordt voldaan aan het hiervoor bedoelde vijfjaarsvereiste.
De versie van de concept-regeling die voor internetconsultatie bekend is gemaakt, bevatte een soortgelijk vereiste maar met een termijn van drie jaar, gegeven het feit dat het na de aanvraag nog circa twee jaar duurt tot de feitelijke sluiting van de productiecapaciteit. De Europese Commissie bleek echter een zodanige uitleg van de Richtsnoeren bezwaarlijk te vinden. Daarom is alsnog in de regeling bepaald dat de productiecapaciteit gedurende ten minste vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken (op bedrijfseconomisch gangbare wijze) in gebruik moet zijn geweest. De vereisten van het feitelijk houden van dieren en van het onafgebroken gebruik gedurende vijf jaar betekenen niet dat er steeds dieren in een stal (hebben) moeten staan. Als een stal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg staat respectievelijk heeft gestaan, betekent dat niet dat de stal niet wordt respectievelijk is gebruikt. Er is dan nog steeds sprake van gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze. Te denken valt aan leegstand tussen het afvoeren van een ronde vleesvarkens of -kuikens en de komst van een nieuwe ronde, of aan tijdelijke leegstand als gevolg van een dierziekte. Kortdurende leegstand van een stal hoeft dus geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces.
4.2 Overtredingen De regeling strekt er toe melkvee-, varkens- en pluimveehouders in de gelegenheid te stellen om hun veehouderijlocatie te sluiten, waarbij het uitgangspunt is dat het gaat om veehouders die produceren binnen de geldende wettelijke kaders. In verband hiermee is, in lijn met de Richtsnoeren, bepaald dat alleen ondernemingen die aan de normen van de Europese Unie voldoen, voor subsidie in aanmerking komen. Een aanvraag wordt in elk geval afgewezen indien de aanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouder moet beëindigen. Ook de overtreding van normen die niet stoelen op regelgeving van de Unie, kan reden zijn om betrokkene uit te sluiten van deelname aan de regeling. Uiteraard is daarbij de ernst van de overtreding en de aard van de overtreden norm van belang. Daarom dient dan van geval tot geval te worden bezien wanneer er sprake is van zodanig ernstige overtredingen dat dit reden is om een subsidieaanvraag af te wijzen. Daarvan is in elk geval sprake als een veehouder zijn productierecht heeft overschreden en meer melkvee, varkens of pluimvee heeft gehouden dan waartoe hij gerechtigd is. De Meststoffenwet en daarop gebaseerde regelgeving voorziet in een wettelijk kader voor de productie (het stelsel van productierechten).