Bijlage 2 Voorstel bestemmingsplan
Tekst van het document
In de Woonvisie beschrijft gemeente Hellendoorn het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2020 tot 2025. De woonvisie vormt de basis voor de ontwikkeling van woningbouwprojecten en voor samenwerkingsafspraken op het gebied van wonen, zoals de prestatieafspraken met Woningstichting Reggewoon. De woonvisie gaat over de kwaliteit van wonen in de gemeente. De gemeente Hellendoorn kent een hoge kwaliteit van de leefomgeving. Dit maakt het aantrekkelijk om in Hellendoorn te wonen. Om die kwaliteit te behouden en te versterken staan er grote uitdagingen op stapel. De omslag naar een duurzame woningvoorraad, de transitie in de zorg en demografische veranderingen in onze bevolking zijn de uitdagingen voor de lange termijn. Het zijn ontwikkelingen die de komende decennia een grote inspanning vragen. In de visie doet de gemeente een beroep op alle partijen en inwoners om hieraan mee te werken. 2.2 Wat gaan we doen? Vrijkomend agrarisch vastgoed ombouwen naar kleine wooneenheden biedt kansen Naast rood-voor-rood-regelingen willen we ook andere initiatieven in het buitengebied stimuleren. Een mogelijkheid is om vrijstaande boerderijen om te bouwen naar meerdere kleine wooneenheden. De hele boerderij overnemen is voor starters te duur en voor oudere huishoudens brengt dit te veel onderhoud met zich mee.
Een dergelijke transformatie kan met een CPO-project vanuit meerdere lokale inwoners mogelijk wel georganiseerd worden. Als gemeente vinden we het belangrijk dat er bij deze ontwikkelingen aandacht moet zijn voor de bereikbaarheid van deze wooneenheden, zeker wanneer er ouderen en/of zorgbehoevenden worden gehuisvest. Het vastgoed ligt immers vaak relatief ver van de voorzieningen. Een alternatieve invulling van agrarisch vastgoed kan ook gezocht worden in het tijdelijk huisvesten van spoedzoekers. Dit zijn mensen die snel een passende woning nodig hebben maar daarin niet slagen vanwege de krapte op de huidige woningmarkt en het niet verkrijgen van urgentie omdat hun situatie daar niet ‘schrijnend’ genoeg voor is. Denk aan jongeren met een beperkt budget, mensen die gescheiden zijn, of arbeidsmigranten. Spoedzoekers kunnen zo een woning betrekken en het platteland blijft vitaal.
27
4.4. Doelgroepen met bijzondere woonwensen of -eisen Spoedzoekers: mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting Spoedzoekers zijn huishoudens die op korte termijn een betaalbare woning zoeken, vaak tijdelijk van aard. Deze spoedzoekers zijn een diverse doelgroep, maar voorbeelden zijn scheidingsgevallen of huishoudens die tussen twee woningen in zitten (bij verhuizing). De belangrijkste eisen aan de woning zijn betaalbaarheid, flexibiliteit en de snelheid waarmee deze betrokken kan worden. De locatie van de woning is hieraan vaak ondergeschikt. Totdat er meer zekerheid ontstaat rondom de nieuwe situatie kan een tijdelijke woning, bij voorkeur in het huursegment, uitkomst bieden. Voor deze doelgroep zoeken we samen met Reggewoon en andere partijen naar mogelijkheden om tijdelijke woningen te realiseren. Door tijdelijkheid aan de woningen te verbinden (door middel van contracten) garanderen we doorstroming, zodat de woningen regelmatig opnieuw beschikbaar komen voor spoedzoekers. Planspecifiek Het planvoornemen is het realiseren van acht huurwoningen onder de liberalisatiegrens. De reden daarvoor is dat deze woningen daardoor bereikbaar zijn voor alle doelgroepen. Initiatiefnemer wil deze woningen verhuren op basis van tijdelijke huurcontracten.
Het plan voor doorstroomwoningen op een voormalig agrarisch erf geeft invulling aan de doelstellingen van beide opgenomen paragrafen van de Woonvisie. Het initiatief zoals genoemd in toelichting paragraaf 1.1 is er zelfs aanleiding voor geweest. 3.3.5 Noaberschap Haarle De gemeente Hellendoorn heeft geen specifieke visie op het gebied van landbouw stikstof en leefbaarheid van de Haarle. Wel is er een visie vanuit de agrarische sector van Haarle. Hoewel dit document geen strikt gemeentelijke visie is, is de gemeente wel mede-opdrachtgever voor het opstellen van dit document (zie Bijlage 3: Noaberschap Haarle). Het document geeft aan hoe de boeren is de Noaberschap Haarle hun toekomst zien, maar ook de rol van stoppers. In de visie staat daarover het volgende: Nieuwe toekomst voor stoppers In de afgelopen jaren is een aantal boeren gestopt met het landbouwbedrijf, omdat ze geen opvolgers hadden of om andere persoonlijke redenen. Hoewel ze moeilijke keuzes hebben moeten maken en bezig zijn geweest met vragen als: hoe stop ik, wat kan ik dan doen, wat past bij mijn volgende levensfase, zijn de gestopte boeren blij met hun nieuwe situatie. Stoppers hebben een belangrijke bijdrage geleverd door ruimte te bieden aan blijvende en jonge boeren om te extensiveren. Nog steeds dragen zij bij aan de leefbaarheid op het platteland rond Haarle.
In het veranderingsproces van de afgelopen jaren zijn we samen opgelopen, dit verliep samenhangend, niet apart van elkaar. Wij hebben regelmatig contact gehad over onze visie en de keuzes die we maakten.
Planspecifiek In dit plan gaat het om een stopper die een bijdrage wil leveren aan de leefbaarheid van Haarle, maar dan voor de inwoners door te voorzien in een tijdelijke huisvesting. 3.3.6 Conclusie De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
28
4 Onderzoeken 4.1
Besluit milieueffectrapportage
4.1.1 Algemeen Voor alle uit te voeren activiteiten in een gebied moet worden getoetst of deze activiteiten significante negatieve effecten kunnen hebben op het milieu en of daarvoor een m.e.r.(-beoordelings)plicht geldt. Wettelijk kader In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure geregeld. In paragraaf 7.2 staat beschreven voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport (MER) verplicht is. In artikel 7.2 Wm staat beschreven dat bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen: 1. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor geldt een m.e.r.plicht; 2. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hiervoor geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De m.e.r.(-beoordelings)plichtige activiteiten zijn opgenomen in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Hierbij zijn drempelwaarden genoemd, waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.beoordeling, Figuur 16 geeft dit weer.
Figuur 16: Overzicht om te komen tot een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.beoordeling (Bron: http://www.infomil.nl/) Naast artikel 7.2 (beschreven activiteiten) moet er op grond van artikel 7.2a Wm ook een m.e.r.procedure doorlopen worden bij de voorbereiding van een plan waarvoor op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dat is het geval wanneer activiteiten die in het plan zijn opgenomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Op grond van artikel 7.6 Wm kunnen in een provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen worden die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.(-beoordelings)plichtig zijn. Dit is niet gebeurt in de provinciale milieuverordening (onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening). Om deze reden wordt hier niet verder op ingegaan in deze paragraaf.
29
4.1.2
Situatie plangebied
4.1.2.1 Artikel 2.8 Wet milieubeheer Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. De meest nabij gelegen Natura 2000gebieden zijn Boetelerveld en Sallandse Heuvelrug op respectievelijk ca. 1 kilometer en 2 kilometer afstand. Uit de stikstofberekeningen, opgenomen in Bijlage 4: Bijlage III-richtlijn me.r. is gebleken dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura-2000 gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.1.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure. Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig.
De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als categorie D 11.2: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, dient het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het wegbestemmen van een agrarisch bedrijf en omvormen van twee bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen, het slopen van landschapsontsierende bebouwing en het toevoegen van acht grondgebonden woningen in het buitengebied van de gemeente Hellendoorn. De oppervlakte van de beoogde nieuwe woningen
30
en bijbehorende bijgebouwen is nagenoeg hetzelfde als de oppervlakte van de te slopen bedrijfsbebouwing. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met bovengenoemde drempelwaarden) gaat het om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. In plangebied komt immers de mogelijkheid voor het exploiteren van een intensieve veehouderij en de daarbij behorende verkeersbewegingen te vervallen. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.1.2.3 Conclusie De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-)procedure is daarom niet nodig.
4.2
Milieuzonering
4.2.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van geplande milieugevoelige functies, zoals woningen, ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende milieubelastende functies. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (uitgave 2009). Deze publicatie bevat onder meer lijsten met richtafstanden van diverse milieuhinderlijke activiteiten en stappenplannen voor concrete situaties. Richtafstanden De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk.
In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Voor veehouderijbedrijven moet de Wet geurhinder en veehouderij worden gehanteerd.
31
Het plan moet vanuit twee perspectieven worden beoordeeld: 1. Vanuit de omgeving naar het plangebied 2. Vanuit het plangebied naar de omgeving. Gebiedstypen De VNG-brochure gaat uit van 10 verschillende gebiedstypen: 1. Rustige woonwijk 2. Drukke woonwijk 3. Gemengd gebied 4. Landelijk gebied zonder woningen 5. Landelijk gebied met woningen 6. Bedrijvigheid 7. Water-/bodembeschermingsgebied 8. Stiltegebied 9. Natuurgebied 10. Verblijfsrecreatie In dit geval is Landelijk gebied met woningen van toepassing met de volgende afwijkingen ten opzichte van 'Rustige woonwijk'. • • • • • • 4.2.2
geur - Beperkt geurgevoelige objecten aanwezig. stof - Beperkt voor stof gevoelige objecten aanwezig. gevaar - Minder kwetsbare bestemmingen (boerderijen). verkeer - Beperkt objecten aanwezig, wel notie verkeersaantrekkende werking en mogelijkheden verkeersafwikkeling. geluid - Normering woningen in landelijk gebied stringenter, afhankelijk van ligging geluidgevoelige objecten. visueel - Landschappelijke inpasbaarheid bedrijvigheid. Situatie plangebied
4.2.2.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden aan de Haarlerveldweg en Wittebroeksweg. Gesteld kan worden dat er sprake is van een forse verbetering van het woon- en leefklimaat van omliggende functies aangezien de planologische mogelijkheid voor het exploiteren van een intensieve veehouderij komt te vervallen. 4.2.2.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd. Hieronder zal de hinder van bestaande functies in de omgeving worden beschreven. Opgemerkt wordt dat bij veehouderijen, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, veelal de grootste richtafstand geldt voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in de volgende 32
paragraaf nader op ingegaan. De overige van toepassingen zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst. In de omgeving bevinden zich enkele milieubelastende activiteiten, namelijk agrarische bedrijven. In onderstaande tabel zijn de bedrijven/functies genoemd. Tevens is aangegeven welke milieucategorie op deze functies van toepassing is, welke richtafstand voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ wordt geadviseerd en wat de afstand van deze activiteiten/functies tot het plangebied is. Voor de agrarische bedrijven is het aspect ‘geur’ buiten beschouwing gelaten. Functie
Milieucategorie Richtafstand Daadwerkelijke afstand
Grondgebonden agrarisch bedrijf (melkvee)
3.2
30 m (geluid) 70 m
4.1
50 m (geluid) 80 m
Intensieve veehouderij (varkens/melkvee) Haarlerveldweg 3
4.1
50 m (geluid) 150 m
Intentieve veehouderij (vleeskuikens)
4.1
50 m (geluid) 360 m
Wittebroeksweg 3
Intensieve veehouderij (varkens) Wittebroeksweg 7
Haarlerveldweg 1D
Zoals uit voorgaande tabel blijkt, wordt de richtafstand in alle gevallen gehaald. Ter plaatse van de te realiseren doorstroomwoningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt. 4.2.2.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
4.3
Bodem
4.3.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden verricht. Kruse Milieu en Advies heeft op 30 september 2022 een onderzoek verricht naar asbest- en bodemverontreinigingen. Het rapport is opgenomen als Bijlage 6: Verkennend Asbest en nader(Asbest)bodem-onderzoek. 33
Figuur 17: Locaties Verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek (Bron: Kruse Milieu BV) 4.3.2 Onderzoeksresultaten Beschrijving huidige situatie Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Haarlerveldweg 6 en 8, op circa 1.5 kilometer ten westen van de bebouwde kom van Haarle. Het centrale punt binnen het te onderzoeken terreindeel heeft de coördinaten x = 220.871 en y = 486.070. Het terrein is kadastraal bekend als: gemeente Hellendoorn, sectie S, nummers 1523 (ged.), 1524 (ged.), 1525 (ged.) en 1526 (ged.). De Haarlerveldweg bevindt zich ten zuiden van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding Het noordelijke deel van de onderzoekslocatie betreft agrarische grond (deellocatie A) en is onbebouwd, onverhard en thans begroeid met gras. Het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie betreft het erf van het voormalig agrarisch bedrijf (deellocatie B). Het erf is deels bebouwd met een in 34
gebruik zijnde woning en diverse voormalige (vee)schuren. De schuren zijn deels voorzien van betonvloeren. Er bevinden zich diverse mestkelders (zie boorplan) op het terrein. Het onbebouwde deel van het erf is grotendeels verhard met klinkers. Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. De onderzoekslocatie is deels bebouwd, deels verhard en omvat circa 3600 m²; waarvan 1000 m² agrarische grond (deellocatie A) en 2600 m² agrarisch erf (deellocatie B). Enkele daken van de schuren zijn voorzien van asbestverdachte golfplaten. Op 5 plekken watert het hemelwater af op onverhard terrein; er is hier sprake van 5 asbestverdachte druppelzones (deellocaties C, D, E, F en G). Bodem Het onderzochte gebied in het verkennende bodemonderzoek wijkt af van het plangebied. Het verdachte deel (boerenerf, veeschuren, asbestdruppelzones en deels landbouwgrond op het achterterrein) is wel onderzocht. Het onverdachte deel zoals houtwal, weiland en gazon is niet onderzocht. Voor het onverdachte wordt uitgegaan van de onderliggende bodemkwaliteitskaart en het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS”.
Volgens de Regionale bodemkwaliteitskaart Twente heeft het de functie: natuur/landbouw met de bodemkwaliteit AW2000 (BG bovengrond en OG ondergrond). De woningbouw vindt niet plaats op het onverdachte niet-onderzochte deel van het plangebied. Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Deellocatie A - agrarische grond Bovengrond - A - BG I - PCB Het geconstateerde, licht verhoogde PCB-gehalte is op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde materialen zijn waargenomen. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Deellocatie B - agrarisch erf Bovengrond - BG II en BG III - Minerale olie, PCB en PAK De geconstateerde verontreinigingen in de grond met PAK zijn niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Oorzaak voor het licht verhoogde PAK-gehalten in de bovengrond BG II wordt onder meer gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen. De geconstateerde, lichte verontreinigingen met minerale olie houden mogelijk verband met lekverliezen van voertuigen.
De gemeten oliegehalten zijn lager dan de vastgestelde maximale waarde (100 mg/kg d.s.) voor minerale olie in het “Twents beleid veur oale groond”. Het licht verhoogde gehalte PCB in de bovengrond BG III is niet direct verklaarbaar. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - Peilbuis B1 - Barium 35
Het geconstateerde, licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de boven- en ondergrond zijn roesten oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Asbest Resultaat bodemonderzoek In het rapport is weergegeven, dat de mengmonsters van de fijne fractie B - MM FF - 01, B - MM FF 02, D - MM FF en E - MM FF niet asbesthoudend zijn. In de mengmonsters B - MM FF - 03, F - MM FF en G - MM FF is asbest aangetoond; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In het mengmonster van de fijne fractie C - MM FF is asbest aangetoond in gewogen gehalten hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Een nader asbestonderzoek is noodzakelijk om de aard, de eventuele omvang van de asbestverontreiniging en de eventuele saneringsnoodzaak in beeld te brengen. Resultaat nader onderzoek Bij het nader onderzoek is in het mengmonster van de fijne fractie van MM FF - C-S1+C-2 asbest aangetoond in een gehalte lager dan de interventiewaarde. Er zijn geen respirabele vezels aangetoond (SEM-analyse). Verder nader asbestonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Er is geen saneringsnoodzaak. Het nader asbestonderzoek staat net als het bodemonderzoek omschreven in Bijlage 6: Verkennend Asbest en nader(Asbest)bodem-onderzoek. 4.3.3 Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.4
Geur
4.4.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: 36
• •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor ondermeer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van bijvoorbeeld Rood voor Rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: • • •
op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij;
ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 4.4.2 Situatie plangebied Met dit plan worden acht nieuwe geurgevoelige objecten toegestaan, namelijk de doorstroomwoningen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal veehouderijen. Zie hiervoor de in toelichting paragraaf 4.2.2.2 opgenomen tabel. Vanwege de ligging nabij enkele grote intensieve veehouderijen is een rapport Beoordeling woon- en leefklimaat opgesteld via de V-Stacksberekening (zie Bijlage 7: Beoordeling Woon- en Leefklimaat). De rekenresultaten van zowel de voorgrondberekeningen (per bedrijf) als de achtergrondberekening (alle bedrijven) zijn weergegeven in navolgende tabel.
Tabel: V-Stacksrekenresultaten (Bron: Van Westreenen) Uit de tabel volgt dat ter plaatse van de toetsingspunten de achtergrondbelasting dan wel de voorgrondbelasting maatgevend is. Tevens is ter sprake van alle punten sprake van een redelijk goed tot goed woon- en leefklimaat. Naast de berekening van de geurbelasting moet ook rekening gehouden worden met de vaste afstanden van niet-intensieve veehouderijtakken en bedrijfsonderdelen (zie Bijlage 7: Beoordeling Woon- en Leefklimaat).
37
Op Figuur 18 zijn de minimale vaste afstanden van 50 meter (minimale afstand emissiepunten diercategorieën zonder geuremissiefactoren, ruwvoeropslagen, drijfmestopslagen < 350 m 2) resp. 25 meter (minimale afstand gevelafstanden alle diercategorieën) welke op grond van de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit dienen te worden aangehouden weergegeven ten opzichte van de omliggende veehouderijen. Deze zijn worst case gemeten vanaf de rand van de betreffende bouwvlakken.
Figuur 18: Kaart minimale afstanden, worst case vanaf de randen van de betreffende bouwvlakken. (Bron: Van Westreenen) 4.4.3 Conclusie Rondom het plangebied zijn diverse veehouderijlocaties gesitueerd. Ten aanzien van alle diercategorieën geldt dat minimaal 25 meter gevel-afstand tot burgerwoningen in het buitengebied in acht dient te worden genomen. Voorts dient voor dieren van diercategorieën zonder geuremissiefactoren minimaal 50 meter in acht te worden genomen van het emissiepunt van het dierenverblijf tot geurgevoelige objecten. Daarnaast gelden op grond van het Activiteitenbesluit nog vaste afstandsnormen ten aanzien van de opslag van ruwvoeders, vaste mest en drijfmest. In onderhavige situatie betreffen deze laatste afstanden allen minimaal 50 meter. Aan al deze minimale vaste afstanden wordt voldaan. Gelet op de aanwezigheid in de directe omgeving van dieren van diercategorieën waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij geuremissiefactoren zijn vastgesteld, is middels het rekenmodel “V-stacks” een berekening gemaakt van de geurbelasting van de bedrijven in de nabije omgeving op onderhavige planlocatie. Vervolgens is hiermee de kwaliteit van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt.
Uit de berekeningen van de voor- en achtergrondbelastingen blijkt dat conform de “GGD-richtlijn geurhinder 2002” ter plaatse van alle gehanteerde receptorpunten op het terrein van de Haarlerveldweg 6-8 sprake is van een “redelijk goed” tot “goed” woon- leefklimaat. Gelet op voornoemde kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat (zie Bijlage 7: Beoordeling Woon- en Leefklimaat). 38
4.5
Geluid
4.5.1 Algemeen De verplichting tot de eventuele uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een wijzigingsplan of het nemen van een projectafwijkingsbesluit indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Een akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 4.5.2 Situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van acht nieuwe geluidgevoelige objecten. De bestaande bedrijfswoningen betreffen bestaande woningen en kunnen daarom buiten beschouwing worden gelaten. In artikel 76 van de Wgh is namelijk bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt tevens het herbestemmen van de bestaande (bedrijfs)woningen naar een reguliere woningen.
4.5.2.1 Wegverkeerslawaai De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde). Onder deze waarde hoeft wettelijk gezien aan verkeerslawaai geen aandacht te worden besteed. De Haarlerveldweg is een weg die het dorp Haarle verbindt met het agrarisch gebied aan de westzijde van het dorp. De weg heeft geen stroomfunctie, ook niet als sluiproute, en is slechts in gebruik voor lokaalverkeer zoals bewoners en landbouwers. De verkeersbelasting op deze weg is zeer beperkt. Volgens Figuur 19 is de geluidsbelasting vanaf de weg minder dan 46 dB. De Wittebroeksweg is iets drukker en geeft een geluidsbelasting van max. 55 dB. De weg ligt op 150 meter van de nieuwbouw en de geluidseffecten die de locatie bereiken liggen onder de 46 dB. De ontwikkeling wordt daarbij ook nog afgeschermd wordt door de bestaande bebouwing.
39
Figuur 19: Kaart Geluid in je omgeving (Bron: Atlas Leefomgeving) Vanuit deze beoordeling is het niet te verwachten dat de geluidbelasting vanwege wegverkeer op de doorstroomwoningen hoger is dan 48 dB. Er is geen nader akoestisch onderzoek nodig. Hiermee is het plan, met betrekking tot de Wet Geluidhinder, uitvoerbaar. 4.5.3 Railverkeers- en industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorlijnen of gezoneerde industrieterreinen aanwezig. De aspecten railverkeers- en industrielawaai kunnen daarom buiten beschouwing worden gelaten. 4.5.4 Conclusie Hiermee is het plan, met betrekking tot de Wet geluidhinder, uitvoerbaar.
4.6
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen en het Besluit gevoelige bestemmingen. De luchtkwaliteit hoeft geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • •
geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; 40
• •
een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij om stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit zijn onder andere: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Planspecifiek Gezien de schaal van het plan in verhouding tot de hierboven genoemde aantallen kan gesteld worden dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
4.7
Ecologie
De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden. In deze wet zijn de oude Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet opgenomen. De wet voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. In de wet worden 945 soorten actief beschermd (planten en dieren). Alles wat schadelijk is voor beschermde soorten, is verboden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het plukken van bepaalde planten en het verstoren, verjagen of doden van dieren. In bepaalde situaties mag dit wel, maar daarvoor is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. De Flora- en faunawet gaat daarmee uit van het 'nee, tenzij' principe. Ten behoeve van gebiedsbescherming geldt dat voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur een vergunning nodig is. De wet vormt de wettelijke basis voor de aanwijzing van alle Natura 2000-gebieden en het opstellen van Natura 2000-beheerplannen. Het Natura 2000-gebied "Boetelerveld" is op 25 april 2013 door de staatssecretaris van het Ministerie van Economische Zaken aangewezen als Natura 2000-gebied. 4.7.1
Gebiedsbescherming
4.7.1.1 Natura 2000 In de omgeving van de planlocatie zijn twee Natura 2000-gebieden gelegen. Op ca. 1 km ten westen van de planlocatie ligt Natura 2000-gebied Boetelerveld (gebiedsnummer 41, habitatgebied) en ten oosten van de planlocatie ligt op ca. 2 km afstand het Natura 2000-gebied Sallandse Heuvelrug (gebiedsnummer 42, habitat- en vogelrichtlijngebied).
41
Figuur 20: Natura 2000-gebieden (Bron: Natura 2000 Network Viewer) Planspecifiek Gezien de aard en schaal van de ingreep, de functie wijziging van agrarisch gebruik naar doorstroomwoningen, en de onderlinge afstand zijn direct negatieve effecten op de Natura 2000gebieden als gevolg van bijvoorbeeld verstrooiing van licht of geluid op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek naar effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden is volgens de QuickScan flora en fauna niet nodig. Om indirecte gevolgen in de vorm van stikstofdepositie uit te sluiten, is zekerheidshalve een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2023. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 5: Aerius berekeningen. Uit de rekenresultaten blijkt dat er in de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’ of verder weg gelegen Natura 2000-gebieden. Deze resultaten duiden erop dat er geen sprake is van een stikstofdepositie met een mogelijk negatief significant effect. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningplichtig is.
4.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de NOVI.
42
Figuur 21: Natuurnetwerk Nederland NNN Provinciale Verordening (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Planspecifiek De planlocatie (rode stip) ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde gebieden van de NNN zijn het Boetelerveld en de Sallandse Heuvelrug (tevens Natura 2000). Het Boetelerveld ligt het dichtstbij, maar nog altijd op een afstand van ±1 km. De ingrepen vinden plaats buiten deze provinciaal beschermde gebieden en hebben geen effect op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig. 4.7.2 Soortenbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: 1. Vogels met jaarrond beschermde nesten; 2. Overige vogels; 3. Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); 4. Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; 5. Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt. Op 7 mei 2019 heeft Otte Groenadvies een QuickScan Flora en fauna uitgevoerd in het plangebied en directe omgeving.
Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijk aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een zaklamp en fotocamera. De weersomstandigheden waren wisselend bewolkt, droog, 11°C. 43
Tijdens het onderzoek waar dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er kunnen voorkomen in het plangebied. Uit kwamen geen directe belemmeringen uit naar voren, maar voor drie soorten werd een nader onderzoek aanbevolen dat betrof de volgende soorten: • • •
Vleermuizen – verblijfplaatsen Zoogdieren – gebouwbewonend Vogels – jaarrond beschermde nesten
Voor de totale inhoud van het rapport wordt verwezen naar de Bijlage 8: Quickscan flora en fauna. 4.7.2.1 Nader onderzoek vleermuizen en huismussen De effectbeoordeling van de nadere onderzoeken luidt als volgt. Vleermuis Op basis van de verrichte onderzoeksinspanning kan het voorkomen van kraam-, zomerverblijfplaatsen in het plangebied worden uitgesloten. Verblijfplaatsen Op basis van de uitgevoerde veldonderzoeken valt met zekerheid vast te stellen dat in het plangebied geen verblijfplaatsen kraam kolonie- en zomer verblijfplaatsen in het de bebouwing en bomen staande binnen het plangebied aanwezig zijn. Onder het dak van het woonhuis is een zomer en paarverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aangetroffen. Deze bebouwing valt buiten het plangebied en blijft behouden. Vlieg- en mitigatieroute Gezien de aantallen en frequentie waarop de vleermuizen gebruik maken van het plangebied als zijnde vliegroute, valt het gebruik van een essentiële vliegroute op basis van huidig onderzoek niet aangetroffen. Foerageergebied Op basis van het huidige lopende onderzoek geven de huidige waarneming een geringe betekenis van het plangebied als foerageergebied aan. Kunstlicht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen.
Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen. Huismussen Op basis van de verrichte onderzoeksinspanning kan het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen op de planlocatie worden uitgesloten. Verblijfplaatsen Op basis van de uitgevoerde veldonderzoeken valt met zekerheid vast te stellen dat op de planlocatie geen verblijfplaatsen aanwezig zijn voor de huismus. In de omgeving zijn er wel verblijfplaatsen aanwezig voor de huismus. De verblijfplaatsen in de omgeving blijven onaangetast en zijn gelegen buiten de invloedssfeer van de ruimtelijke ingreep en ontwikkeling. De gunstige staat van instandhouding komt zodoende niet in het geding. Ontheffingsaanvraag is niet nodig. Omgeving Op basis van de uitgevoerde veldonderzoeken valt met zekerheid vast te stellen dat de ruimtelijke 44
ingreep en ontwikkeling geen negatief effect heeft op de gunstige staat van instandhouding. In de omgeving staan huizen die meer geschikt zijn voor de huismus. Ontheffingsaanvraag is niet nodig. Zie Bijlage 9: Nader onderzoek Vleermuis en huismus voor het volledige rapport.
4.8
Water
4.8.1 Algemeen Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.8.2 Beleidskader Rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en lee•aar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwik keld. Dit NWP beschrij‚ de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het water beleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Forse uitdagingen vragen om integrale aanpak Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden.
Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaat verandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • • •
Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouw transitie is noodzakelijk. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Samenwerking is noodzakelijk Het Rijk kan de ambities van dit NWP niet alleen realiseren: voor een integrale aanpak van nationale en regionale opgaven zijn goede samenwerking en een gebiedsgerichte aanpak noodzakelijk. Daarbij gaat het om samenwerking met medeoverheden (ook internationaal), maatschappelijke organisaties, (drinkwater)bedrijven en burgers. Uitwerking hoofdambities voor beleid en uitvoering
45
De 3 hoofdambities voor het waterbeleid worden in het NWP uitgewerkt voor verschillende thema’s – Klimaatadaptatie, Waterveiligheid, Zoetwaterverdeling en droogte, Waterkwaliteit, Grondwater, Scheepvaart – en voor de bijbehorende beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat. Ook de samenhang van het waterbeleid met andere onderwerpen komt aan bod: natuur, landbouw, bodem en ondergrond, landschap, verstedelijking, energietransitie en industrie. Planspecifiek Dit beleid raakt de ontwikkeling op dit erf niet Provinciaalbeleid Het provinciaal beleid is opgenomen in de Omgevingsverordening. Relevant voor deze ontwikkeling zijn de normen voor Wateroverlast. In de Toelichting staat: Buiten de bebouwde kom is de normering voor wateroverlast met name gerelateerd aan het overheersende landgebruik. In lid 3 zijn voor een aantal genoemde gebieden andere normen vastgelegd. Hierbij is een verbinding met het waterbeheerplan van het waterschap gelegd door op te nemen dat in het plan een kaart moet worden toegevoegd waarop de begrenzing van deze gebieden is aangegeven. In artikel 4.4.4. (inhoud waterbeheerplan) wordt deze verplichting geconcretiseerd. Om te bereiken dat de toetsing van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren door de beheerders op uniforme wijze tot stand komt, is aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid gegeven om nadere voorschriften te stellen.
Dit kan, maar hoeft niet. De waterschappen hebben zelf inmiddels een traject ingezet naar harmonisering. Het vaststellen van het tijdstip waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren voor de eerste keer aan de gestelde norm moeten voldoen is bepalend voor de zorgplicht van de beheerder en is daarom een aangelegenheid van het provinciaal bestuur. In de afgelopen periode is in diverse beleidsdocumenten ervan uitgegaan dat hieraan uiterlijk in 2015 voor de eerste keer wordt voldaan. In bijzondere gevallen kan van deze datum gemotiveerd worden afgeweken. Klimaatverandering maakt het noodzakelijk om de bestaande normering tegen het licht te houden. Extremere buien zullen vaker tot wateroverlast leiden, terwijl langere perioden van droogte om grotere voorraadvorming in het (grond)watersysteem vragen om te kunnen blijven voorzien in zoetwater. Moet het watersysteem daarop aangepast worden of de normen (in het kader van acceptatie)? Op termijn is een nieuwe balans tussen te nat en te droog nodig. Met de waterschappen onderzoeken we de komende jaren – in het licht van de klimaatverandering - of de huidige normen nog voldoen of (op termijn) aangepast moeten worden. Dan wordt ook het tijdstip waarop aan de nieuwe normen moet worden voldaan bepaald. De kans is reëel dat de normen voor wateroverlast de komende jaren aangepast zullen worden.
Enerzijds door harmoniering tussen de waterschappen maar eventueel ook door de gevolgen van de klimaatverandering. Het aanpassen van de normen en in het verlengde daarvan vaststellen van het tijdstip waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren aan de aangepaste normen moeten voldoen, is bepalend voor de zorgplicht van de beheerder en is derhalve een aangelegenheid van het provinciaal bestuur. Om de volgende reden is dat tijdstip nu nog niet in deze verordening vastgelegd. De omvang van het door de beheerder uit te voeren maatregelenpakket wordt bepaald door de uitkomst van het toetsingsproces. De (financiële) inspanningen die de beheerder zal moeten leveren om de regionale wateren te laten voldoen aan de nieuwe normen worden verder in hoge mate bepaald door het tijdsbestek waarbinnen de gevraagde inspanning geleverd moet worden. Het bepalen van het tijdstip waarop de regionale wateren moeten voldoen, 46
vereist een afweging tussen enerzijds wat wenselijk is wat betreft het voorkomen van wateroverlast en anderzijds wat aanvaardbaar is wat betreft lastenstijging. Dat is maatwerk. Om die reden is die bevoegdheid in handen van Gedeputeerde Staten gelegd en is bepaald dat Gedeputeerde Staten overleg voeren met het dagelijks bestuur van de beheerder alvorens zij een dergelijk besluit nemen. De Omgevingsverordening stelt als regels: Artikel 4.2.4 Normen wateroverlast zie toelichting artikel 4.2.4 Normen wateroverlast Lid 1 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar. Lid 2 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 en behoudens de gebieden genoemd in lid 3 een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan: 1.
eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; 2. eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben; 3. eens in de 10 jaar voor grasland, waarbij 5 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben. Lid 3 Voor de volgende gebieden wordt een andere daarbij vermelde gemiddelde overstromingskans vastgesteld: 1. eens in de 10 jaar, waarbij 30 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben voor de veenweidegebieden rond de Weerribben in het beheersgebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd; 2. eens in de 10 jaar voor landbouwgronden in beekdalen in het beheergebied van het Waterschap Vechtstromen, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd; 3. eens in het jaar voor laaggelegen gebieden in het beheergebied van het Waterschap Vechtstromen, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd.
Lid 4 Gedeputeerde Staten kunnen voorschriften vaststellen voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.
Planspecifiek 47
Dit beleid raakt de ontwikkeling op dit erf niet. De kans op overstroming is vanwege het ontbreken van nabijgelegen regionale wateren. Waterschapsbeleid Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2022-2027) willen bereiken en hoe ze dat willen doen. Het waterbeheerprogramma is een belangrijk document. Het bevat de uitwerking van de ambities in de Watervisie “Meer dan water” en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat hun maatregelen zijn om het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen. Ook zijn de maatschappelijke doelen voor duurzaamheid, circulaire bedrijfsvoering, klimaatadaptatie, educatie en voorlichting uitgewerkt. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bestaat uit drie delen: 1. Waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027 2. Gebiedsuitwerkingen WBP 2022-2027 3. KRW factsheets en achtergronddocument In de gebiedsuitwerkingen zijn onze doelen en maatregelen voor de vijf deelgebieden uitgewerkt. De gebiedskenmerken worden beschreven, de ontwikkelingen in het gebied en de doelen en maatregelen zijn uitgebreid toegelicht. Bij het samenstellen van de programma’s gebruiken het waterschap een zogenaamde ‘doelenboom’, een schematische gestructureerde weergave van onze strategische en operationele doelen en maatregelen.
Figuur 22: Doelenboom (Bron WDOD) Planspecifiek Dit beleid raakt de ontwikkeling op dit erf niet Op 15 december 2020 is de beleidsnota “Samen leven met water 2021-2025 gemeente Hellendoorn” vastgesteld. Het waterbeheer in Hellendoorn is verdeeld over vier waterpartners: de gemeente Hellendoorn, het waterschap Vechtstromen en waterschap Drents Overijsselse Delta en de provincie Overijssel. Bij het operationele waterbeheer worden ook particulieren en ondernemers betrokken.
48
De activiteiten van de vier waterpartners kennen een grote onderlinge afhankelijkheid. Een goede samenwerking is dus essentieel. De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, grondwater en hemelwater hebben zowel betrekking op de (afval)waterketen als op het watersysteem. In de samenwerking met waterbeheerders en omliggende gemeenten speelt Twents Waternet een belangrijke rol. Twents Waternet is een netwerkorganisatie waarin (beleids)medewerkers van de Twentse gemeenten en waterschap Vechtstromen kennis en ervaring delen op het gebied van riolering, waterbeheer en klimaatadaptatie. Het Twents Waternet heeft een aantal bouwstenen opgesteld voor regelgeving op watergebied. De bouwstenen bieden mogelijkheden om onderwerpen op verschillende wijze te regelen. De bouwstenen gaan over: • • • • •
• •
aansluiten op de riolering met regels over de aansluitingen op de riolering; lozen van afvalwater met regels over de lozingsroute, zuiveringsvoorzieningen en bij dit laatste regels voor aan te leveren gegevens en bescheiden; bedrijfsafvalwater in het buitengebied met regels om zorg te dragen dat alleen huishoudelijk wordt geloosd en aanvullende regels in geval van lozing van bedrijfsafvalwater; vloerpeilen en maximaal percentage verharding met regels om zorg te dragen dat zo weinig mogelijk hemelwater via het riool wordt afgevoerd; waterberging inclusief afkoopregeling met regels om hemelwater langer op het eigen terrein kunnen vasthouden en indien nodig vertraagd afvoeren. Ook bevat deze regels voor particulieren over het aanleggen van een waterberging met voorwaarden. Via een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de waterbergingseis; afkoppelen en infiltreren in aangewezen afkoppelgebieden om daarmee het hemelwater vast te houden in de gebieden; bodemenergiesystemen in intrekgebieden dienen zorg te dragen dat de drinkwaterwinning wordt veiliggesteld.
De gemeentelijke zorgplicht voor inzameling van stedelijk afvalwater beperkt zich overwegend tot huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat qua samenstelling daarmee overeen komt. Dit houdt in dat bedrijfsafvalwater, waarbij geen sprake is van bovengenoemde herkomst, in beginsel niet door de gemeente ingezameld en getransporteerd behoeft te worden. In de praktijk zal de gemeente overigens het bedrijfsafvalwater dat al is aangesloten op een openbaar vuilwaterriool blijven inzamelen en transporteren, mist de samenstelling van dit afvalwater voldoet aan wettelijke eisen en de goede werking van het rioolstelsel en rioolwaterzuivering niet belemmert. Hemelwaterzorgplicht De gemeente Hellendoorn streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Gestreefd wordt dit te doen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Bij infrastructuurprojecten in bestaand stedelijk gebied en bij nieuwe in- en uitbreidingen van woongebied is in de afgelopen 20 jaar veel aandacht gegeven aan het scheiden van hemel- en afvalwater. De gemeente tracht, conform de opzet van de wetgeving, het initiatief voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen zoveel mogelijk bij de burgers neer te leggen binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid.
Grondwaterzorgplicht De gemeente draagt zorg voor het in het openbaar gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van de particulier, het waterschap of de provincie behoren.
49
4.8.3 Watertoets In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Via de website www.dewatertoets.nl is het plan aangemeld bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Uit de automatische toets (Bijlage 10: Watertoets.) kwam naar voren dat de normale procedure gevolgd zou moeten worden. Bij de ambtelijke toets kwam naar voren dat de verkorte procedure gevolgd kan worden. Deze achtergrondinformatie is opgenomen in de Bijlage 11: Mail Watertoets Verkorte procedure. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren (as van de weg).
Voor lagergelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Bij aanleg van bedrijventerreinen, wegen met een hoge verkeersbelasting, parkeerterreinen, marktpleinen, winkelstraten en tunnels dient de mogelijkheid voor lozing van hemelwater direct op open water met het waterschap te worden afgestemd.