CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting

Commissies t/m 31-12-2023 13 november 2023, gemeente HeilooBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Reconstructie Vennewatersweg20.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Reconstructie Vennewatersweg

31

Tabel 5-4: Hoogst toelaatbare geluidsbelasting bij reconstructie (stedelijk gebied). Vaststellen hogere grenswaarde (art. 110a Wgh) Een hogere waarde dan de voorkeurswaarde kan worden vastgesteld in gevallen waarin de toepassing van maatregelen (bron- en overdrachtsmaatregelen) onvoldoende doeltreffend is, of waarin deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten. Bij bezwaren van financiële aard moet er sprake zijn van bovenmatige kosten, alsmede het ontbreken van alternatieven (art. 110a, lid 5 Wgh). In de omgeving van het plangebied zijn al eerder hogere waarden vastgesteld, in het kader van de ontwikkeling in Zandzoom en Zuiderloo. Een overzicht is te zien in tabel 5-5 en 5-6.

Tabel 5-5: Overzicht eerder vastgestelde hogere waarden nieuwbouw Zuiderloo.

Tabel 5-6: Overzicht eerder vastgestelde hogere waarden nieuwbouw Zandzoom. * deze weg heeft in de toekomstige situatie een 30 km/uur regime. Rekenpunten Op relevante geluidgevoelige bestemmingen binnen het onderzoeksgebied zijn rekenpunten gelegd in een digitaal geluidsmodel. De geluidbelastingen zijn berekend voor alle bouwlagen. Op de begane grond is er gerekend op een hoogte van 1,5 meter. De rekenhoogte voor de 1e verdieping is 4,5 meter. Vervolgens is er een verdiepingshoogte aangehouden van 3 meter. Als uitgangspunt is gehanteerd dat woningen die opgenomen zijn in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), zijn meegenomen in dit onderzoek. Gewijzigde situaties Ten zuiden van Kennemerstraatweg 648 is in de bestaande situatie een wal van circa 1 meter hoog aanwezig, zie onderstaande afbeelding. Deze wal is in het geluidmodel opgenomen. In de toekomstige situatie kan deze wal voor een deel niet meer blijven staan vanwege de uitbreiding van de rotonde. Dat deel is in het toekomstige rekenmodel niet meer opgenomen.

Reconstructie Vennewatersweg

32

Figuur 5-3: Locatie aardewal Vanwege de wijziging aan de Vennewatersweg dient een schuur van het adres Hoogeweg 40a gesloopt te worden. In de toekomstige situatie is deze meest noordelijke schuur dan ook niet meegenomen bij de berekeningen, zie onderstaande afbeelding.

Figuur 5-4: Locatie te slopen schuur aan de Hoogeweg 40a RekenresultatenVennewatersweg Ten gevolge van de wijzigingen aan de Vennewatersweg bedraagt de hoogste toename 1,8 dB op geluidgevoelige objecten binnen het onderzoeksgebied. Conform de Wet geluidhinder is sprake van reconstructie bij één woning (Hoogeweg 40a) binnen het onderzoeksgebied. De ten hoogste toelaatbare overschrijding van 5 dB wordt niet overschreden. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt ook niet overschreden (max. 57 dB). De toename is deels het gevolg van de autonome groei door het verkeer en deels door de verschuiving van de weg naar de woning. Aangezien sprake is van een toename van afgerond 2 dB of meer en er sprake is van een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, dienen maatregelen te worden onderzocht. Vanuit het reconstructieonderzoek van de Vennewatersweg moeten in beginsel voor één woning maatregelen worden genomen, namelijk de woning Hoogeweg 40a. Er is onderzocht of

Reconstructie Vennewatersweg

33

geluidreducerend asfalt toegepast kan worden om de geluidsbelasting op de woning te reduceren, zie Bijlage 7. Geluidreducerend asfalt kan alleen worden toegepast op rechte wegen. Nu is het geval dat de woning Hoogeweg 40a is gelegen langs een van de verkeerspleinen waarbij de weg niet recht is. Toepassing van geluidreducerend asfalt is op deze plek niet mogelijk. Er wordt wel bij wijze van bovenwettelijke maatregel geluidreducerend asfalt toegepast op de rechte stukken van de Vennewatersweg. Dit heeft echter geen geluidreducerend effect op de woning Hoogeweg 40A. Andere bron- en overdrachtsmaatregelen zoals geluidsschermen zijn onvoldoende doeltreffend of kennen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige en landschappelijke aard. Er dienen daarom hogere waarden te worden vastgesteld voor de woning aan de Hoogeweg 40a. Wanneer een hogere waarde wordt vastgesteld dient krachtens art. 112 Wgh en art. 3.10 Bg het College van Burgemeester en Wethouders erop toe te zien dat de geluidbelasting in de geluidgevoelige ruimten van de geluidgevoelige objecten de in de wet gestelde waarden niet overschrijdt. Voor de woning aan de Hoogeweg 40a geldt dat er een grenswaarde voor de binnenwaarde van 33dB geldt, omdat hier voor het eerst hogere waarden worden vastgesteld (art. 112a Wgh).

Bij de woning aan de Hoogeweg 40A volgt nog een onderzoek wat de binnenwaarde is en of (aanvullende) gevelisolerende maatregelen noodzakelijk zijn om aan de binnenwaarde te voldoen.

Rekenresultaten Kennemerstraatweg Ten gevolge van de wijzigingen aan de Kennemerstraatweg bedraagt de hoogste toename 1,3 dB op geluidgevoelige objecten binnen het onderzoeksgebied. De toename is minder dan 1,50 dB: conform de Wet geluidhinder is er geen sprake van reconstructie. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt niet overschreden (max. 61 dB). Er worden geen aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de wijziging aan de Kennemerstraatweg. Rekenresultaten 30 km/uur wegen Ten gevolge van de te wijzigen 30 km/uur wegen zijn geen toenames van 1,5 dB of meer bij een geluidbelasting > 48 dB. Ook de nieuwe Haagbeuk geeft geen geluidbelasting op de gevel van hoger dan 48 dB. Dit wordt als ‘goed’ beoordeeld. Er worden geen aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de wijziging/ nieuwe aanleg van de 30 km/uur wegen. Geluidseffecten Verkeerseffecten Vennewatersweg Voor de Vennewatersweg zijn de volgende geluidseffecten van toepassing: Autonome groei: ca. +/-0,5 dB toe-/afname ten opzichte van de huidige situatie; Wijziging van de Vennewatersweg: geen toename ten opzichte van de autonome situatie (< 0,5 dB); Aansluiting A9: +ca. 2 dB dB; Aansluiting A9 + ontwikkeling Zandzoom: +ca. 2,5 dB; Autonome groei, VWW, A9, Zandzoom: + ca. 2-3 dB.

Verkeerseffecten overig Voor de overige wegen binnen het onderzoeksgebied van de te wijzigen Vennewatersweg is de bijdrage van de ontwikkelingen A9 en Zandzoom erg afhankelijk van het wegvak. Significante toenames zijn te zien bij de wegvakken Lijnbaan, Hoogeweg en Haagbeuk (zuidzijde Vennewatersweg). Overige effecten Bij de wijziging van de Vennewatersweg dient een schuur van het adres Hoogeweg 40a te worden gesloopt. Bij de ontwikkeling van Zandzoom is het voornemen alle gebouwen behorende bij het adres te amoveren. Aangezien deze bebouwing voor afscherming zorgt bij de achterliggende woningen (voornamelijk Hoogeweg 40), zal dit een toename geven van de geluidbelasting. De toename ten gevolge van het verwijderen van de bebouwing bedraagt 7 dB. De geluidbelasting wordt 52 dB in de toekomstige situatie, met de verkeersgegevens behorende bij de wijziging van de Vennewatersweg. Wanneer de verkeersgegevens worden gebruikt inclusief de ontwikkeling Zandzoom, geeft dit een nog iets grotere toename door de hogere intensiteit van de nieuwe parallelweg (Haagbeuk,

Reconstructie Vennewatersweg

34

zuidzijde Vennewatersweg). Geluidreducerend asfalt Toepassing van geluidreducerend asfalt is in principe voor de reconstructie van de Vennewatersweg wettelijk gezien niet nodig. Desalniettemin, wordt om tegemoet te komen aan het woongenot van omwonenden geluidreducerend asfalt toegepast op de rechte stukken van de Vennewatersweg. Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Opgemerkt moet worden dat dit een bovenwettelijke maatregel is. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de wijziging aan de Vennewatersweg binnen het onderzoeksgebied leidt tot een toename van de geluidbelasting van 1,50 dB of meer. De toename is ten hoogste 1,8 dB bij één woning (Hoogeweg 40a). Er is sprake van reconstructie conform de Wet geluidhinder en daarom is een onderzoek naar maatregelen uitgevoerd. Uit het onderzoek naar maatregelen volgt dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of niet wenselijk zijn vanuit onderhoud en beheer en vanuit stedenbouwkundig oogpunt. Voor de woning Hoogeweg 40a dient een hogere waarde te worden vastgesteld van ten hoogste 57 dB ten gevolge van de Vennewatersweg. Bij deze woning volgt nog een onderzoek of (aanvullende) gevelisolerende maatregelen noodzakelijk zijn om aan de binnenwaarde te voldoen. Dit is nodig om hogere waarden te kunnen vaststellen. De verwachting is dat het plan op dit aspect uitvoerbaar is.

Op de rest van het te wijzigen traject zijn maatregelen niet wettelijk verplicht. De toename blijft daar onder de 1,5 dB. Verdere maatregelen zijn wettelijk gezien niet verplicht en is de reconstructie van de Vennewatersweg in het kader van geluid dus uitvoerbaar.

5.4

Luchtkwaliteit

5.4 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden. Tot slot heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4) en besluiten deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46).

Luchtkwaliteitseisen Op basis van artikel 5.16 Wet milieubeheer (Wm) kan een bestemmingsplan worden vastgesteld indien: Aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, die behoort bij de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of Aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of Aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 van de Wm een grenswaarde is opgenomen of Het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Ruimtelijk-economische besluiten die "niet in betekenende mate" bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht van stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wm een grenswaarde bevat, worden niet langer, zoals voorheen, individueel getoetst aan die grenswaarden.

Als gevolg daarvan kunnen tal van kleinere projecten doorgang vinden, ook in situaties waar nog niet aan de grenswaarden wordt voldaan. De

Reconstructie Vennewatersweg

35

effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL). Bij besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate" (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beschouwing In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de Rijksoverheid en lokale overheden samen om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland te monitoren wordt de NSL-Monitoringstool gebruikt. Deze tool bevat alle (grotere) wegen waarlangs overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Met de NSL-Monitoringstool worden de concentraties luchtverontreinigende stoffen berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2020, 2030). De resultaten van de berekeningen voor het achterliggende jaar vormen de basis voor de jaarlijkse rapportage luchtkwaliteit aan de EU. In Figuur 5-7 en 5-8 en zijn de stikstofdioxideconcentraties (NO2) in de ruime omgeving van de Vennewatersweg getoond. De tabel toont daarnaast ook de fijnstof concentraties (PM10 en PM2,5). De concentraties zijn afkomstig uit de NSL-Monitoringstool. De maximale NO2-concentratie binnen 1 km van het plangebied in het gepasseerd jaar 2018 bedraagt 19,1 µg/m3. De maximale PM10-concentratie bedraagt 19,6 µg/m3. Deze waarden liggen ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10. PM2.5 heeft een maximale concentratie van 11,1 µg/m3, waarmee deze ook ruim onder de grenswaarde van 25 µg/m3 ligt. Uit figuur 5-8 blijkt dat de concentraties van NO2, PM10 en PM2.5 naar verwachting in de toekomst dalen.

Figuur 5-5: Concentratie NO2 [µg/m3] volgens de NSL-monitoringstool rond de Vennewatersweg voor zichtjaar 2018. De projectlocatie is blauw omlijnd.

Reconstructie Vennewatersweg

36

Tabel 5-7: Maximale concentratiewaarden 1 km rond Vennewatersweg uit de NSL-Monitoringstool. De reconstructie van de Vennewatersweg voldoet op grond van art. 5.16 lid 1 sub a aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Conclusie In het kader van luchtkwaliteit is de reconstructie van de Vennewatersweg uitvoerbaar.

5.5

Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan dient een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituatie. Hierbij dienen risicobronnen in het plangebied en in de omgeving ervan in kaart gebracht te worden en getoetst te worden aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. Vervoer gevaarlijke stoffen Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. De wetgeving heeft als doel voor de lange termijn om evenwicht te creëren tussen de belangen van het gevaarlijke stoffenvervoer, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die verblijven in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Daarnaast zijn er regels opgesteld voor het beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen vervoeren is risicovol en zorgt dus voor beperkingen voor de ruimtelijke ordening.

Er zijn namelijk regels om mensen die dicht bij deze hoofdwegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen wonen of verblijven een beschermingsniveau te bieden. Aan dit beschermingsniveau wordt voldaan als het risico vanuit het vervoer niet hoger ligt dan wat maatschappelijk acceptabel is. Zo mogen er bijvoorbeeld geen huizen gebouwd worden vlakbij transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Bedrijven met risicovolle activiteiten Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) bevat veiligheidsnormen voor bedrijven die een risico vormen voor personen buiten een bedrijventerrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo) vallen, LPG-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Daardoor ontstaan risico's voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit wil die risico's beperken. Buisleidingen ten behoeve van het vervoer van risicovolle stoffen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Het besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer (artikelen 5.1 lid 1, 5.2 lid 1, 5.3 lid 1 en 2 en 9.2.2.1) en de Wet ruimtelijke ordening (artikelen 3.37 en 4.3 lid 1 en 2). Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico en verantwoording van groepsrisico; ruimtelijke reservering voor belemmeringenstrook met aanlegvergunningenstelsel;

Reconstructie Vennewatersweg

37

de Bevb voorwaarden binnen 5 jaar verwerken in bestemmingsplannen. Op grond van het Bevb dienen de belemmerende strook (5 meter ter weerszijden van de leiding), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico inacht te worden genomen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Beschouwing De reconstructie van de Vennewatersweg en daarmee het voorliggend bestemmingsplan, maakt geen nieuwe inrichtingen of transportroutes in het kader van het Bevt, Bevi of Revi mogelijk. Daarnaast lopen er ook geen buisleidingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen door het plangebied. Tot slot maakt dit bestemmingsplan geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk. Het omgevingsaspect 'externe veiligheid' hoeft daarom niet nader onderzocht te worden. Resultaten Het bestemmingsplan is in het kader van externe veiligheid aanvaardbaar.

5.6

Bodemkwaliteit

Wettelijk kader/inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Beschouwing In het kader van de reconstructie van de Vennewatersweg is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is toegevoegd in Bijlage 4 van deze toelichting. Daarna is er nog een actualisatie op dit onderzoek uitgevoerd, deze is bijgevoegd in Bijlage 5. Er is nabij de nieuw aan te leggen kruising met de Haagbeuk een plaatselijke matige verontreiniging met koper aangetroffen. Dit is slechts bij 1 boring aangetroffen. Er wordt vanuit gegaan dat dit een zeer plaatselijke verontreiniging is. Hiervoor dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de saneringsnoodzaak van deze grond. Indien dit toch dient te gebeuren dan moet deze sanering voor de bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Echter, omdat het een zeer plaatselijke verontreiniging betreft staat dit de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Verder varieert de kwaliteit van de grond in het plangebied van 'Niet toepasbaar' en 'Industrie' tot 'Altijd toepasbaar'. Deze variatie staat dit het gebruik van de grond voor verkeersdoeleinden niet in de weg. Er zijn zijn geen asbestverdachte materialen gevonden.

Ook kan de grond als onverdacht voor asbest worden beschouwd en hoeft er geen nader asbestonderzoek uitgevoerd te worden. Daarnaast zijn er ook geen PFAS aangetroffen. Ter hoogte van de kruising met de Haagbeuk dient mogelijk een sanering uitgevoerd te worden om plaatselijk koper uit de grond te verwijderen. Vanwege het kleine verontreinigingsgebied is het bestemmingsplan in het kader van bodemkwaliteit uitvoerbaar.

Reconstructie Vennewatersweg

38

Verder is de bodemkwaliteit voor het gebruik voor verkeersdoeleinden in dit bestemmingsplan aanvaardbaar. In de periode 2019-2022 zijn op en nabij de Vennewatersweg geen nieuwe bodembedreigende activiteiten gestart, geen calamiteiten of ongewone voorvallen bekend en zijn geen verontreiniging in de grond of het grondwater aangetoond welke de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie negatief beïnvloed kunnen hebben. De bodemkwaliteit zoals vastgesteld in het bodemonderzoek "Diverse onderzoeken ter plaatse van de Vennewatersweg te Heiloo" (Van der Helm, 20191231, 20 december 2019) is daarmee nog actueel. Conclusie Het plan is in het kader van bodemkwaliteit uitvoerbaar.

5.7

Water

Wettelijk kader/ inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Nationaal en Europees waterbeleid Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in standhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels.

Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. In de volgende paragraaf worden de effecten van het voornemen op de waterstructuur en de waterkwaliteit beschreven.

Reconstructie Vennewatersweg

39

Beschouwing Het plangebied, gelegen in de gemeente Heiloo, valt binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Peilgebied De Vennewatersweg watert af naar 3, namelijk de Baafjespolder, de Oosterzijpolder en de Vennewaterspolder. De Hoogeweg en de Vennewatersweg vormen de hydrologische grens tussen de afstromingsrichting (richting oost of west). Zie figuur 5-6 voor de afstromingsrichtingen en de ligging van de peilgebieden. Hieronder is per polder aangegeven welk(e) peilgebied(en) binnen of tegen het plangebied gelegen is/zijn. Peilgebied 1 2 3 4

Polder omschrijving/peil Vennewaterspolder vast peil van NAP-0,95 meter Baafjespolder vanwege hoogteverschillen geen uniform peil Vennewaterspolder vanwege hoogteverschillen geen uniform peil Vennewaters + seizoensgebonden dynamisch peil NAP -0,65 meter/ -0,85 Baafjespolder meter 5 Oosterzijpolder vanwege hoogteverschillen geen uniform peil 6 Oosterzijpolder vanwege hoogteverschillen geen uniform peil Tabel 5-8: Overzicht Peilgebieden en polders

Figuur 5-6: Peilgebieden en afstromingsrichtingen Oppervlaktewater Binnen en langs het plangebied liggen verscheidene secundaire watergangen die onder particuliere percelen en op- en afritten middels duikers met elkaar zijn verbonden. Op figuur 5-7 en 5-8 zijn deze secundaire watergangen in blauw aangegeven. Duikers zijn in rood aangegeven. De lijnen in lichtroze zijn droge beddingen, oftwewel waterbergingen/greppels die nu droog liggen.

Reconstructie Vennewatersweg

40

Figuur 5-7: oppervlaktewater huidige situatie (westelijke deel) (bron: Legger Hollands Noorderkwartier)

Figuur 5-8: oppervlaktewatersysteem huidige situatie (oostelijke deel) (bron: Legger Hollands Noorderkwartier) Wijzigingen watersysteem Met de herinrichting van de Vennewatersweg worden enkele watergangen (deels) gedempt. Al het gedempte oppervlaktewater wordt 1:1 teruggebracht zodat er geen wijziging plaatsvindt van de bergingscapaciteit binnen het plangebied. Dit geldt onder meer voor de volgende watergangen: Kruispunt Vennewatersweg - Zuiderloo / Zandzoom De watergang aan de zuidzijde van het kruispunt wordt ingekort in verband met het overschrijden van een perceelgrens. De watergangen worden verbonden met een duiker die onder het wegdek doorloopt. Perceel 2441/2016

Reconstructie Vennewatersweg

41

Wegsloot wordt verwijderd in tuin en duiker wordt ingepast. Waar het fietspad en de watergangen binnen de kadastrale grens vallen en dus geen grond aangekocht hoeft te worden blijft de ligging behouden. Dit zorgt ervoor dat zoveel mogelijk de bestaande fundering van het fietspad gehandhaafd kan blijven. Voor de watergangen betekent dit dat in dit geval de aansluitingen op de bestaande watergangen behouden kunnen blijven. Een overzicht van de te dempen watergangen en de nieuw te graven watergangen staat in de tabel hieronder per peilgebied weergegeven. De nummering van de peilgebieden komt overeen met figuur 5-6. Oppervlaktewater Peilgebied peilgebied 1 2 112 0

peilgebied 3 0

peilgebied peilgebied 4 5 132 1382

Te dempen watergangen (m2) (sloten) Nieuwe m2 153 0 0 0 1464 oppervlaktewater (sloten) (+/-) Afname/ toename m2 41 0 0 -132 82 oppervlaktewater Tabel 5-9: Overzicht te dempen en te graven oppervlaktewater per peilgebied.

peilgebied 6 0 0 0

Er is nog een uitwerkingsopgave om het tekort aan oppervlaktewater in peilgebied 4 te compenseren. Dit wordt geborgd middels de watervergunning. Waterkwantiteit Verharding en compensatie De herinrichting van de Vennewatersweg leidt tot een groter ruimtebeslag en daarmee toename van het verhard oppervlak. Gelijk aan de uitgangssituatie wordt hemelwater oppervlakkig afgevoerd naar de bermen en het aanwezige oppervlaktewater. In de uitgangssituatie bestaat er geen wateroverlast in het plangebied. Een T=100 bui wordt gehanteerd als maatgevende bui voor de minimale afwatering en bergingscapaciteit om wateroverlast te voorkomen. Een verbreding en verbetering van de structuur en infiltratiecapaciteit van de bermen langs de Vennewatersweg dragen hieraan bij. Met de herinrichting van de Vennewatersweg wordt circa 7.800 m2 aan verhard oppervlak toegevoegd. Een overzicht per peilgebied is te zien in tabel 5-10. De nummering van de peilgebieden komt overeen met figuur 5-6. Verharding Peilgebied 1 1840 2794 954

Peilgebied 2 970 1284 314

Peilgebied 3 321 289 -32

Peilgebied 4 4157 4943 786

Bestaand verharding (m2) Nieuwe verharding (m2) (+/-) Afname/ toename verharding (m2) Tabel 5-10: Overzicht bestaande en nieuwe verharding per peilgebied.

Peilgebied 5 8032 13528 5496

peilgebied 6 1119 1444 325

Van deze toename aan verharding dient 10% te worden gecompenseerd in de vorm van oppervlaktewater of omgerekend naar alternatieve berging. Hiermee wordt voorkomen dat in de nieuwe situatie wateroverlast ontstaat als gevolg van de verhardingstoename van de herinrichting van de Vennewatersweg. De compensatie van de toename van verhard oppervlak is afhankelijk van onder meer de toelaatbare peilstijging, de afvoercapaciteit en rioolstelsel. In afstemming met het Hoogheemraadschap wordt beoordeeld waar in het kader van de realisatie van extra waterberging verbetering van de waterhuishouding wenselijk en mogelijk is. De compensatie wordt zowel lokaal in het watersysteem direct grenzend aan het plangebied gezocht. Waar dat binnen de plangrenzen ontoereikend is, wordt aanvullend waterberging gerealiseerd verder van het plangebied maar binnen hetzelfde peilgebied. Tot slot wordt tijdens de reconstructie bij de rotonde met de Kennemerstraatweg de onderliggende

Reconstructie Vennewatersweg

42

duiker aangepakt om de afwatering naar de Oosterzijpolder te verbeteren. In afstemming met de gemeente en het hoogheemraadschap wordt in het kader van de watertoets nader gekeken naar de invulling gegeven aan de compensatieopgave. Dit betreft maatwerk. De intentie is uiteindelijk om voldoende waterhuishoudkundige maatregelen te realiseren om de verhardingstoename te compenseren en een waterneutraal plan te realiseren. Apart van de ruimtelijke procedure zal bij het hoogheemraadschap hiervoor een watervergunning aangevraagd worden. Grondwater De herinrichting van de Vennewatersweg heeft geen effect op grondwaterstanden en/of -overlast. Waterkwaliteit Binnen het plangebied is het huidige watersysteem op verschillende locaties verbonden middels duikers en bevinden zich enkele doodlopende watergangen. Aangezien het huidige watersysteem zoveel als mogelijk behouden blijft, komt de oppervlaktewaterkwaliteit niet in het geding. Daar waar wijzigingen in het watersysteem vereist zijn worden deze dusdanig uitgevoerd dat de doorstroming van het systeem en daarmee de waterkwaliteit niet verslechtert. Door gebruik te maken van bodempassages wordt afstromend hemelwater afkomstig van het wegoppervlak gefilterd voordat het terecht komt in het oppervlaktewater. Op deze wijze wordt verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit voorkomen.

Waterkeringen Binnen of nabij het plangebied liggen geen waterkeringen. Waterveiligheid is dan ook niet in het geding. Afvalwaterketen Het verhard oppervlak van de vernieuwde Vennewatersweg wordt afgekoppeld, zoals dat in de huidige situatie ook het geval is. Hemelwater kan op deze wijze, via bodempassages, afstromen richting het oppervlaktewater of infiltreren in de groene bermstroken. De vernieuwing van de Vennewatersweg leidt niet tot en toename van de afvalwaterstroom op de riolering. Beheer en onderhoud Aangezien het huidige watersysteem grotendeels behouden blijft blijven ook de huidige onderhoudsmethoden gehandhaafd. Op de plaatsen waar het watersysteem wordt uitgebreid als gevolg van de compensatieopgave wordt met de inrichting ingespeeld op een goede mogelijkheid voor onderhoud. Watertoets Met het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft op 22 mei 2019 vooroverleg plaatsgevonden waarbij het hoogheemraadschap op de hoogte is gebracht van de voorgenomen ontwikkeling. Vervolgens is de digitale watertoets op de hoogte gesteld van de voorgenomen ontwikkeling. Hiervoor is de digitale watertoets op 7 augustus 2019 uitgevoerd. Hieruit bleek dat de normale procedure van toepassing is, wat betekent dat hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier een waterbelang heeft bij deze ontwikkeling.

Naar aanleiding hiervan is op 15 november 2019 door het hoogheemraadschap een eerste vooroverlegreactie ingediend. Tevens is in onderling overleg geadviseerd over de te treffen maatregelen. Dit gebeurt op basis van de Keur 2016 en de Beleidsregels Watervergunningen 2017 van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Deze zijn gericht op het beschermen van de aan- en afvoer, de bescherming tegen wateroverlast en overstroming en bescherming van de ecologische toestand van het watersysteem. Conclusie Het uitgangspunt is om het uiteindelijke advies van het hoogheemraadschap over te nemen zodat er geen nadelige effecten zijn op de waterkwaliteit en kwantiteit. Onderdelen uit het advies die buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan vallen worden meegenomen in de watervergunning voor de uitvoering van het werk. Daarmee is dit bestemmingsplan in het kader van water uitvoerbaar.

Reconstructie Vennewatersweg

43

5.8

Ecologie

5.8.1

Soortenbescherming

Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.

Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. In het kader van dit bestemmingsplan is er een ecologische quickscan uitgevoerd, zie Bijlage 8 van de toelichting. Naar aanleiding van deze quickscan zijn er twee nadere onderzoeken uitgevoerd. Een daarvan is door Royal HaskoningDHV uitgevoerd en is bijgevoegd in Bijlage 9. Dit betreft nader onderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen en rugstreeppadden langs de gehele Vennewatersweg. Het tweede onderzoek is uitgevoerd door Witteveen en Bos en bijgevoegd in Bijlage 10. Dit betreft een onderzoek naar eventueel aanwezige natuurwaarden en beschermde soorten in de tuin van het perceel aan de Westerweg 405. Tot slot is er nog een aanvullende ecologische quickscan uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen sloop van een schuur langs de Hoogeweg 40a. Deze quickscan is toegevoegd in Bijlage 11. Als gevolg van deze quickscan is er nader onderzoek uitgevoerd naar Vleermuizen en Huismussen. Dit nader onderzoek is toegevoegd in Bijlage 12. Beschouwing Het plangebied bestaat voornamelijk uit de bestaande Vennewatersweg met aan weerszijde een bermstrook bestaande uit gras, bomen en watergangen.

Zie de onderstaande figuur voor een satellietfoto van het plangebied.

Reconstructie Vennewatersweg

44

Figuur 5-9: Satellietfoto plangebied, bij benadering met rode omlijning weergegegeven. Soortenbescherming Vaatplanten In het plangebied zijn beschermde vaatplanten afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vaatplanten kan daarom worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Het stukje houtwal aangrenzend aan de noordzijde van rotonde en de bomenrij tussen de Hoogeweg en de rotonde van de Kennemerstraatweg, bieden mogelijk geschikt leefgebied voor marters. Deze vormen dichte lijnvormige elementen waarlangs de dieren zich zouden kunnen verplaatsen. Hier is sprake van relatief veel verstoring in de vorm van geluid (verkeer) en aanwezigheid van mensen. Vaste verblijfplaatsen van kleine marters zijn daar dan ook uitgesloten. De houtwal in het perceel aan de Westerweg 405, in het westen van het plangebied, is geschikt vanwege de dichtheid van de ondergroei, in afwisseling met een open kruidenweide (zonder verstoring van mensen); een element waar kleine marters in en rondom kunnen jagen en zich mogelijk schuil kunnen houden. Buiten de houtwal, die onderdeel uitmaakt van het plangebied, zijn er rondom het perceel takkenrillen aangelegd, welke het perceel goed verbinden met het achterliggende agrarisch landschap (zie onderstaande figuren).

Tijdens het nader onderzoek van zowel RHDHV als van W+B voor het perceel aan de Westerweg 405 is de aanwezigheid van kleine marterachtigen echter uitgesloten omdat er geen waarnemingen gedaan zijn van deze soorten.

Reconstructie Vennewatersweg

45

Figuur 5-10: Potentieel leefgebied Marters Figuur 5-11: Houtwal en takkenrillen aan aan de Westerweg 405 de Westerweg. Vaste verblijfplaatsen of verlies van (essentieel) leefgebied van zwaar beschermde, grondgebonden zoogdieren kunnen worden uitgesloten, derhalve is er dus geen sprake van een negatief effect op deze soortgroep. Echter de reconstructie van de Vennewatersweg, en het drukker worden ervan, zorgt wel voor een vergroot risico voor de marters op dodelijke verkeersongelukken. Het plangebied maakt namelijk wel onderdeel uit van het functionele leefgebied van marterachtigen. Daarom wordt de Vennewatersweg op enkele plekken te voorzien van faunapassages. Dit om te voorkomen dat verblijfplaatsen versus foerageergebieden niet meer bereikbaar zijn voor de marterachtigen en om te voorkomen dat ze door intensiever verkeer worden gedood. Vleermuizen Onderzoeksgebied Vennewatersweg Het nader onderzoek naar vleermuizen langs de Vennewatersweg is opgedeeld in 3 deelgebieden, zie de figuur hieronder. Daarnaast is de locatie waarbij de quickscan voor de sloop van de schuur aan de Hoogeweg 40a is uitgevoerd met een blauwe stip weergegeven.

Figuur 5-12 Locatie 1 Bij locatie 1 is geen vliegroute voor vleermuizen vastgesteld. Het is uitgesloten dat met de kap van de bomen een essentiële vliegroute voor vleermuizen wordt vernietigd. Ook het doden van individuen is uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Locatie 2 Locatie 2 heeft geen essentiële functie als vliegroute voor vleermuizen. Wel heeft het een zekere betekenis als foerageergebied voor enkele gewone dwergvleermuizen en in geringe mate ook voor laatvliegers. Gezien het geringe aantal individuen en de relatief korte duur dat de dieren er vliegen, is de betekenis niet zodanig groot dat het kappen door aantasting van foerageergebied een risico is voor het voortbestaan van vleermuispopulaties. Bovendien zijn in de direct omgeving voldoende alternatieven aanwezig voor deze soorten om naar uit te wijken, waaronder een vergelijkbare beschutte weide ten

Reconstructie Vennewatersweg

46

zuidwesten van het plangebied. Het is uitgesloten dat met de kap van de houtwal en de vernietiging van de kruidenwei een essentiële vliegroute of foerageergebied wordt vernietigd. Ook het doden van individuen is uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Locatie 3 In de twee paardenkastanjes bij locatie 3 bevinden zich geen zomer- of paarverblijven van vleermuizen. Het is uitgesloten dat met de kap van de bomen verblijfplaatsen voor vleermuizen worden vernietigd. Ook het doden van individuen is uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Onderzoeksgebied Westerweg 405 In het perceel aan de Westerweg 405 zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van kraam-, zomer- of paarverblijven. Er hangen een aantal vleermuiskasten in de houtwal rondom de tuin, maar er zijn bij de kasten geen vrije aan- en uitvliegroutes door de aanwezigheid van takken, waardoor het zeer onwaarschijnlijk is dat deze kasten gebruikt zullen worden door vleermuizen. Buiten het onderzoeksgebied is wel mogelijk een paarverblijf aanwezig, namelijk in Westerweg 360. Tijdens het laatste bezoek is tussen dit adres en de voorkant van het huis op Westerweg 405 één baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen.

Dit individu bleef voornamelijk in de buurt van de tuin van Westerweg 360. De binding met het plangebied was hierdoor beperkt tot afwezig. Het huis en de tuin van Westerweg 405 zijn zodoende geen essentieel onderdeel van het leefgebied van deze gewone dwergvleermuis. De moestuin in het zuiden van het perceel van de Westerweg 405, evenals het open veld naast de bomen ten noorden van het huis zijn een onderdeel van het foerageergebied van enkele gewone dwergvleermuizen (minimaal twee). Door het lage aantal foeragerende vleermuizen en het grote aantal alternatieve foerageergebieden in de omgeving, zoals de tuin van de zorgboerderij aan de overkant van de Westerweg, is dit foerageergebied niet essentieel voor het in stand houden van de populatie vleermuizen in de omgeving. Tijdens de veldbezoeken zijn enkele waarnemingen gedaan van een laatvlieger en een rosse vleermuis die hoog over het onderzoeksgebied vlogen en/of kort foerageerden boven het onderzoeksgebied. Dit waren echter steeds lage aantallen (één of twee individuen per veldbezoek) die van korte duur waren. Hierdoor wordt geconcludeerd dat de vleermuizen niet gebonden zijn aan specifieke landschappelijke kenmerken van het plangebied. Er is zodoende geen (essentiële) vliegroute van vleermuizen in of nabij het plangebied aanwezig.

Ten aanzien van vleermuizen is vastgesteld dat het plangebied geen essentieel onderdeel uit maakt van het leefgebied (verblijfplaats, foerageergebied en vliegroute) van de in de omgeving aanwezige vleermuizen. Quickscan en aanvullend onderzoek Hoogeweg 40A Uit de quickscan voor dit perceel, opgenomen in Bijlage 11, is gebleken dat verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet geheel uitgesloten konden worden, omdat de opstallen voorzien zijn van diverse wegkruipmogelijkheden. Dit perceel heeft daarom mogelijk een functie als vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor (gebouwbewonende) vleermuizen. Er is daarom nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen op genoemd perceel. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Het aanvullende onderzoek toont aan dat in de gebouwen geen vleermuis verblijfplaatsen aanwezig zijn. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen invloed op groenstructuren in het onderzochte gebied of in de omgeving, waardoor de foerageerfunctie ter plaatse in stand blijft. Daarnaast is er geen sprake van essentieel foerageergebied binnen het onderzochte gebied gezien de ruime aanwezigheid van soortgelijk foerageermogelijkheden die in de omgeving te vinden zijn. Ook maakt het gebied geen deel uit van een (essentiëlel) vliegroute en wordt daarom bij de uitvoering van het project negatief effect op essentiële vliegroutes en foerageergebied uitgesloten.

De uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming doordat er hierdoor geen jaarrond beschermde nestlocaties en geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen verdwijnen. Werkzaamheden kunnen dus worden uitgevoerd zonder dat

Reconstructie Vennewatersweg

47

daarbij de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Ten behoeve van de uitvoering dienen daarom geen verdere vervolgstappen gemaakt te worden. Mogelijke effecten Voor alle locaties geldt dat men bij de uitvoer van de werkzaamheden rekening dient te houden met het vleermuisactieve seizoen. Werkzaamheden die tijdens het vleermuisactieve seizoen (globaal vanaf april tot en met oktober) die na zonsondergang en voor zonsopkomst worden uitgevoerd, kunnen leiden tot verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen indien er verlichting wordt ingezet. Het verstoren van individuen van vleermuizen is een overtreding van artikel 3.5, lid 2 van de Wnb. Het voorkomen van het verstoren van vleermuizen kan door het nemen van de volgende voorzorgsmaatregelen: Laat geen bouwverlichting branden op werk- en opstelplaatsen gedurende de nacht; Of werk buiten de actieve periode van vleermuizen, dit kan van half november t/m half maart; Of voer de werkzaamheden bij daglicht uit van zonsopkomst tot zonsondergang. Wanneer deze voorzorgsmaatregelen worden nageleefd is er voor dit aspect geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb en hoeft voor dit deel van de werkzaamheden geen ontheffing aangevraagd te worden.

Broedvogels Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Soorten broedvogels met jaarrond beschermde nesten waarvan in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn, zijn: buizerd, gierzwaluw en huismus. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels waargenomen. Binnen het plangebied zijn gebouwen afwezig. Hierdoor is de aanwezigheid van nestlocaties van huismus en gierzwaluw uitgesloten. De hoge populierenrij in het oosten van het plangebied, parallel aan de Vennewatersweg, heeft potentie als broedlocatie van de buizerd. Tijdens het veldbezoek zijn echter in het gehele plangebied geen horsten of grote nesten waargenomen. Jaarrond beschermde nesten kunnen daar daarom worden uitgesloten. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten worden daarom ook niet verwacht in het plangebied. Wel kunnen er broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten worden verwacht binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn vele algemene vogelsoorten zonder jaarrond beschermde nesten waargenomen zoals: houtduif, koolmees, groene specht, zwarte kraai, gaai en roodborst.

Mogelijke effecten Ontheffing voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren en vernietigen van broedgevallen van vogels zonder jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door: Buiten het broedseizoen te werken, of; Te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt, en/of; Voorafgaand aan het broedseizoen de broedbiotoop voor vogels ongeschikt te maken (bijvoorbeeld struiken en bomen rooien) en (gedurende het broedseizoen) te houden, en/of; De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een, voor zover mogelijk, constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen. Het grote voordeel van deze methode is, dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is. Te kappen bomen en struiken buiten het broedseizoen te rooien. Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden.

Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wnb ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om bovengenoemde maatregelen te treffen en het terrein kort voor aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog te laten inspecteren op aanwezigheid van broedende

Reconstructie Vennewatersweg

48

vogels. Amfibieën Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van de beschermde amfibieën. Het betreft de boomkikker en rugstreeppad. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën waargenomen. Rugstreeppad De rugstreeppad heeft leefgebied in de directe omgeving van het plangebied. De poelen op het perceel Westerweg 405, aan de Oosterzijweg en net ten noorden van de Krommelaan vormen actueel voortplantingswater, zie de ligging daarvan in onderstaande figuur. . Daarnaast wordt de omgeving van de poel aan de Westerweg 405 gebruikt als landhabitat. In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen gedaan van rugstreeppad. De resultaten zijn ruimtelijk weergegeven in figuur 5-13.

Figuur 5-13: Een ruimtelijke weergave van de resultaten van het onderzoek naar leefgebied van de rugstreeppad. Bron: Nader ecologisch onderzoek RHDHV, 2020. Effecten analyse Voortplantingswater De poel ten noorden van de Krommelaan ligt op meer dan 130 meter van het plangebied. Deze poel is onderdeel van ontheffing Flora en Fauna die de gemeente Heiloo in 2015 heeft verkregen voor de werkzaamheden rondom de wijk Zuiderloo (Klaassen. M. 2015). De poel is op het moment afgeschermd met amfibieschermen die de dieren op het moment binnen de omheining houden. Doordat de dieren het terrein niet kunnen verlaten en zich buiten het plangebied bevinden, zijn negatieve effecten op deze populatie, als gevolg van de geplande werkzaamheden, uitgesloten. De poel aan de Oosterzijweg ligt op meer dan 250 meter afstand van het plangebied. De poel op het perceel van de Westerweg 405 ligt op 10 meter afstand van het plangebied. Doordat deze poelen op enige afstand van het plangebied liggen, worden ze niet direct aangetast door de herinrichting van de Vennewatersweg. Wel kunnen de werkzaamheden er (tijdelijk) toe leiden dat de poelen tijdelijk minder goed bereikbaar zijn. Doordat de werkzaamheden ten noorden van de beide poelen plaatsvinden, is migratie van en naar overwinteringslocaties ten noorden van de poel (tijdelijk) niet mogelijk.

Reconstructie Vennewatersweg

49

De bekende overwinteringslocatie (het spoortalud) bevindt zich ten echter grotendeels ten oosten van het perceel aan de Westerweg 405. Hierdoor blijft de poel ook tijdens de werkzaamheden deels bereikbaar. Voor de poel aan de Oosterzijweg geldt dat het spoortalud ook grotendeels ten westen van het plangebied ligt, waardoor de pel tevens grotendeels bereikbaar blijft. De geplande werkzaamheden leiden daardoor niet tot een overtreding van verbodsbepalingen. Het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Landhabitat Omdat er rugstreeppadden (zeer) nabij het plangebied zijn vastgesteld, moet ervan uit gegaan worden dat alle potentieel geschikte verblijfplaatsen in de directe omgeving van deze locaties ook daadwerkelijk als zodanig gebruikt worden. Voor het perceel aan de Westerweg 405 geldt dat de aanwezige houtwal kan fungeren als overwinteringslocatie. Er kan niet worden uitgesloten dat de dieren zich gedurende de winterrust in de houtwal verborgen houden in zelf gegraven holen, holen van knaagdieren, onder aanwezige stenen of takken. Schuilplaatsen voor overwintering liggen vaak binnen 20 meter van het voortplantingswater (Stowa, 2020). De houtwal staat op de nominatie om gekapt te worden. Het kappen van de houtwal leidt daarmee tot het permanent vernietigen van een vaste rust- of verblijfplaats van de rugstreeppad.

Dit is een overtreding van artikel 3.5, lid 4 van de Wnb. Indien er met de kapwerkzaamheden geen rekening wordt gehouden met de rugstreeppad, kunnen deze werkzaamheden ook leiden tot het doden en verstoren van individuen van de rugstreeppad. Hiermee is sprake van overtreding van art. 3.5, lid 1 en 2 van de Wnb. Het doden of verstoren van rugstreeppadden in de houtwal kan voorkomen worden door: Te werken buiten de kwetsbare winterperiode van de soort. Dit kan door te werken in de maanden april tot medio oktober. Of; Door voorzicht te kappen op een diervriendelijke manier. Dat kan door: 1. het terrein niet met machines betreden en; 2. handmatig te werk te gaan (één a twee personen met een kettingzaag). Rugstreeppadden kunnen daarnaast snel nieuwe gebieden koloniseren als hier geschikte condities ontstaan, bijvoorbeeld tijdens de geplande graafwerkzaamheden of bij de realisatie van zanddepots. Daarnaast is het ondiepe water in door bouwmachines gevormde rijsporen een graag gebruikte voortplantingsplaats. Vestiging van de rugstreeppad binnen het plangebied, tijdens de werkzaamheden, kan leiden tot verstoring of doding van de soort. Dit is een overtreding van artikel 3.5, lid 1 en 2 van de Wnb. Tevens kan vestiging leiden tot vernietiging van vaste rust- of verblijfplaatsen van de rugstreeppad. Dit is een overtreding van artikel 3.5, lid 4 van de Wnb.

Kolonisatie leidt daarom tot het (tijdelijk) moeten stilleggen van de werkzaamheden. Het voorkomen van kolonisatie van de rugstreeppad kan door het nemen van de volgende voorzorgsmaatregelen: De werkzaamheden uit te voeren gedurende de winterrustperiode van de soort. Vanaf oktober/november tot en met maart verblijft de rugstreeppad in een winterrust. Of; Door het gebied waar de werkzaamheden plaats gaan vinden ontoegankelijk te maken voor de soort, bijvoorbeeld door rondom dit terrein amfibiewerende schermen te plaatsen van stevig plastic dat 50 cm boven de grond uitsteekt en minimaal 10 cm in de grond is ingegraven. Aanvullende maatregelen Er kunnen aanvullende maatregelen genomen worden om het plangebied veiliger te maken voor de soort.Om de mogelijkheid om via het plangebied te bewegen tussen zomer en winterbiotoop te verbeteren, is het aan te bevelen om tijdens de van de reconstructie een aantal paddentunnels onder de weg door aan te leggen. Dit geldt tevens voor de aan te leggen rotondes (o.a. Kennemerstraatweg / Vennewatersweg / Ypersteinerlaan). Op die manier blijft de omgeving van het plangebied bruikbaar als corridor en kunnen rugstreeppadden de Vennewatersweg op een veilige manier kruisen zonder risico op verkeersslachtoffers.

Conclusie soortenbescherming Binnen het plangebied bevindt zich winterbiotoop voor de rugstreeppad in de vorm van de houtwal op het perceel Westerweg 405. In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich actueel voortplantingswater van de soort. Vaste rust- en verblijfplaatsen van zowel kleine marterachtigen als vleermuizen zijn uitgesloten. Tevens zijn essentiële vliegroutes en foerageergebied voor vleermuizen uitgesloten.

Reconstructie Vennewatersweg

50

Voor het vernietigen van potentieel winterbiotoop van de rugstreeppad, door het kappen van de houtwal zijn geen voorzorgsmaatregelen te treffen. Dit is een overtreding van artikel 3.5, lid 4 van de Wnb. Hiervoor is daarom een ontheffing aangevraagd. Daarnaast worden er maatregelen getroffen om verstoring en doding van de rugstreeppadden tijdens het kappen van de winterbiotoop grotendeels te voorkomen. Dit is omschrevenin een ecologisch activiteitenplan, zie Bijlage 16. Met dit activiteitenplan is de Wnb ontheffingaangevraagd. Met het treffen van de genoemde maatregelen is er uitzicht op ontheffingverlening. Verder zal tijdens de werkzaamheden rekening worden gehouden met broedvogels door middel van het naleven van de genoemde mitigerende maatregelen. De voorkeur gaat uit naar het werken buiten het broedseizoen. Alle genoemde voorzorgsmaatregelen voor het voorkomen van verstoring en doding van rugstreeppadden en/of vleermuizen zijn opgenomen in een activiteitenplan. Daarmee is ontheffingverlening van de Wnb voldoende aannemelijk, waardoor het plan in (soorten-)ecologisch opzicht uitvoerbaar kan worden geacht. De ontheffing kan d.d. 31-10-2023 (moment van schrijven) elk moment verleend worden.

5.8.2

Gebiedsbescherming

Wettelijk kader Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura-2000 gebieden inzichtelijk gemaakt te worden. Er dient dan beoordeeld te worden of er vergunningplicht onder de Wet Natuurbescherming (Wnb) is. De Rijksoverheid heeft een beslisboom opgesteld (zie figuur 5-14) om te bepalen of een plan vergunningplichtig is. Als de stikstofdepositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jr is er geen vergunningplicht onder de Wnb.

Reconstructie Vennewatersweg

51

Figuur 5-14: Beslisboom vergunningverlening stikstofdepositie Beschouwing Er zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd voor dit project met het Aerius rekenprogramma, versie 5 oktober 2023. De resultaten daarvan zijn te zien in Bijlage 13 (gebruiksfase) en Bijlage 14 (aanlegfase). Ligging van plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Figuur 5-15 laat in rood de ligging van het plangebied zien ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden (geel). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Noord-Hollands duinreservaat, dit ligt op minimaal 1,6 km afstand van het plangebied. Dit gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HRL) en Vogelrichtlijngebied (VRL). Andere nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn Eilandspolder (HRL + VRL) op 10 km afstand, Noordzeekustzone (HRL + VRL) op 11 km afstand en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (HRL + VRL) op 12 km afstand. Gezien de afstanden tot de Natura-2000 gebieden zijn directe verstoringen als gevolg van licht, geluid, en optische verstoringen op voorhand uitgesloten. Er is wel nader onderzoek uitgevoerd naar de effecten van stikstofdepositie. Daar wordt hieronder nader op ingegaan.

Figuur 5-15 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Uitgangspunten Het uitgangspunt voor de berekening is de aangeleverde omschrijving van de inzet van het bouwmaterieel en bouwverkeer tijdens de realisatiefase van de reconstructie van de Vennewatersweg. Ook is de inzet van machines voor de sloop aan de Hoogeweg 40A meegenomen. Er zal met stage IV materiaal of nieuwer worden gewerkt en er zullen vrachtwagens worden ingezet met Euronorm VI (6). De reconstructie van de Vennewatersweg zal niet leiden tot een verschil in hoeveelheid en samenstelling van het verkeer. Tenminste, niet als gevolg van de reconstructie van de Vennewaterweg. Voor dit plan laat de stikstofberekening voor de gebruiksfase geen stikstofdepositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr bereke daarom positief, in die zin dat de drempelwaarde niet wordt overschreden. Resultaten Voor de aanlegfase is berekend hoeveel stikstof tijdens die fase zal worden uitgestoten en hoeveel depositie als gevolg van deze voorgenomen activiteit extra in omliggende Natura 2000-gebieden terecht zal komen. De uitkomsten van deze berekening is te zien in Bijlage 14. Deze berekening is gebaseerd

Reconstructie Vennewatersweg

52

op een inzet van Stage IV materieel. In de tabel hieronder zijn de rekenresultaten samengevat. Natura 2000 gebied Stikstofdepositie Stage IV materieel Noordhollands Duinreservaat 0,02 mol/ha/jr Schoorlse Duinen 0,01 mol/ha/jr Tabel 5-11: Resultaten stikstofdepositieberekeningen Er zijn voor de aanlegfase stikstofdepositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr berekend. Er is daarom een ecologische beoordeling uitegevoerd of er aan de hand van deze stikstofdepositieresultaten negatieve effecten op de relevante Natura-2000 gebieden te verwachten zijn. De reconstructie van de Vennewatersweg zal niet leiden tot een verschil in hoeveelheid en samenstelling van het verkeer. Er zullen daarom geen effecten tijdens de permanente gebruiksfase optreden. Ecologische beoordeling stikstofdepositie Omdat er een depositie van hoger dan 0,00 mol/hr/jr is berekend voor de aanlegfase is er ook een ecologische beoordeling uitgevoerd om te bepalen of de berekende depositie van respectievelijk 0,02 en 0,01 mol/ha/jr tot negatieve effecten leidt binnen het Noordhollands Duinreservaat en de Schoorlse Duinen. Deze ecologische voortoets is in Bijlage 15 van deze toelichting toegevoegd. Kritische depositiewaarde (KDW) Bij een ecologische effectbeoordeling staat de kritische depositiewaarde (KDW) centraal alsook de instandhoudingsdoelen, de kwaliteit en sturende factoren van de habitattypen en/of soorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=fa62eef8-523b-4587-88c9-c14c61d3ce7e