Oud - Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting_Bijlage 13 Ecologische beoordeling stikstofdepositie_1
Tekst van het document
Deze afname zal het komende decennium deels gecompenseerd worden door nieuwvorming van Witte duinen ter hoogte van het in 2006 gedempte deel van het van Limburg Stirum-kanaal, en door het project Noordvoort. Door verstruweling wordt een afname verwacht in de boswachterij ten noorden van Parnassia. Heirdoor verbeterd de kwaliteit naar verwachting aanzienlijk in het noordelijk gedeelte van het Natura 2000-gebied (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Kennemerland-Zuid die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Voor duurzaam behoud van de Witte duinen en de daar achterliggende Grijze duinen voortgaande dynamiek nodig. Verhoogde stikstofdepositie versnelt het proces van vastlegging door stabilisatie van het zand als gevolg van algengroei. Bovendien leidt het tot versnelde groei van grassen en ook zal dit verstuiving verder beperken. Verstruweling door Duindoorn in de zeereep vormt ook een knelpunt.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
56/136
Ook strandbebouwing kan de instuiving van zand belemmeren. De instuiving en doorstuiving van zand is noodzakelijk voor zowel behoud van de Witte als de Grijze duinen. In hoeverre strandbebouwing instuiving belemmert in Kennemerland-Zuid, is niet onderzocht.
4.3.2 H2130 Grijze duinen 4.3.2.1 H2130A Grijze duinen (kalkrijk) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 2.518,61 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 1.579,04 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Er is in totaal ongeveer 1582 hectare aan kalkrijke grijze duinen aanwezig in KennemerlandZuid. Op basis van kenmerken van vegetatiesamenstelling en structuur is de kwaliteit van kalkrijke grijze duinen in Kennemerland-Zuid overwegend matig. In de Amsterdamse Waterleidingduinen uit de matige kwaliteit zich vooral in vergrassing. Westelijk van het infiltratiegebied in de kwaliteit goed door een verbeterde konijnenstand. Sinds 2009 is de konijnenstand echter weer dalende, waardoor ruige grassen lokaal weer toenemen. Het areaal aan H2130A betreft in totaal 1.620 hectare, waarvan 1.339,4 ha in goede kwaliteit verkeerd en 280,7 ha in matige kwaliteit.
Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Lokale trend De trend van de oppervlakte kalkrijke grijze duinen is duidelijk negatief. In de Amsterdamse Waterleidingduinen wordt melding gemaakt van verstarring, veroudering en verruiging door lage dynamiek, zure en vermestende neerslag en afnemende konijnenstand. Op veel plaatsen domineert duinriet en zandzegge en rukt Amerikaanse Vogelkers op. In het grootste deel van het gebied leidt ontkalking tot verzuring en daarmee tot versnelde successie naar soortenarme rompgemeenschappen van het habitattype. Er mag worden aangenomen dat het areaal verder zal afnemen door o.a. gebrek aan dynamiek, afname van de konijnenpopulatie en stikstofdepositie waardoor versnelde bodemontkalking en successie optrad. Kalkarm grijs duin rukt op naar het westen ten kosten van kalkrijk grijs duin. Bij het Van Limburg-Stirumkanaal kunnen grijze duinen zich wellicht uitbreiden door successie. In de Noordduinen is ook sprake van verzuring, waardoor successie van grijs duin richting rompgemeenschappen plaatsvind. Dit betekent een vermindering in kwaliteit(PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Kennemerland-Zuid die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
57/136
Een te hoge stikstofdepositie Een te lage konijnenstand Gebrek aan dynamiek 4.3.2.2 H2130B Grijze duinen (kalkarm) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 1.457,15 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 831,26 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (kalkarm) binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit In de AWD is vanaf de zeereep een overgang aanwezig van vegetaties, behoren bij de witte duinen, naar een gordel met begroeiingen vallend binnen de kalkrijke grijze duinen. Meer landinwaarts raken de grijze duinen steeds meer ontkalkt en gaan dan over in brede zones met vegetaties van de kalkarme grijze duinen. De kwaliteit van ruim 60% van het aanwezige kalkarme grijze duin lijkt goed. Uit informatie van beheerders blijkt dat, wanneer de belangrijke kenmerken van structuur en functie worden meegewogen, de kwaliteit overwegend matig is.
Het areaal aan H2130B betreft in totaal 839,9 hectare, waarvan 513,1 ha in goede kwaliteit verkeerd en 326,8 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Lokale trend De oppervlakte neemt toe als gevolg van ontkalking van kalkrijke grijze duinen. Het is echter waarschijnlijk dat de kwaliteit van het habitattype een negatieve trend vertoont door gebrek aan dynamiek, stikstofdepositie en afname van de konijnenpopulatie (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Kennemerland-Zuid die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Een te hoge stikstofdepositie Een te lage konijnenstand Gebrek aan dynamiek Beperkte begrazing Betreding
4.3.3 H2160 Duindoornstruwelen Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 2.530,17 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 1.587,73 ha (AERIUS MONITOR, 2025).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
58/136
Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duindoornstruwelen binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Duindoornstruwelen zijn in ruime mate in het gebied aanwezig. Het type komt lokaal in goede kwaliteit voor. De kwaliteit van ruim de helft van het aanwezige areaal is beoordeeld als goed. Het areaal aan H2160 betreft in totaal 1.605,4 hectare, waarvan 993,1 ha in goede kwaliteit verkeerd en 612,3 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Lokale trend In deelgebieden waar geen beheer wordt uitgevoerd, heeft het areaal duindoornstruwelen zich de afgelopen decennia fors uitgebreid. De kwaliteit is over het algemeen stabiel. Door veroudering neemt de kwaliteit voor broedvogels toe (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Kennemerland-Zuid die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Vestiging van Amerikaanse vogelkers, die in de beschutting van de Duindoorn tegen vraat door grazers kan opgroeien en zich in korte tijd explosief kan uitbreiden, waardoor Duindoornstruwelen afsterven.
4.3.4 H2180 Duinbossen 4.3.4.1 H2180A Duinbossen (droog), berken-eikenbos Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 1.433,18 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 1.102,39 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinbossen (droog), berken-eikenbos binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit In alle deelgebieden (behalve Kennemerstrand) komen droge duinbossen voor. In totaal beslaat het subhabitattype ongeveer 1.169 hectare. Door aangeplante bomen als populier en esdoorn en opslag van Amerikaanse vogelkers zijn de structuur en functie lokaal matig, al is de algehele kwaliteit beoordeeld als ‘goed’. Het areaal aan H2180A betreft in totaal 1.132,1 hectare, waarvan 820,3 ha in goede kwaliteit verkeerd en 311,7 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 10 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
59/136
Lokale trend Het areaal droge duinbossen is over het algemeen stabiel. In de AWD is sprake van uitbreiding. De mogelijkheid bestaat dat het oppervlak verder toeneemt doordat duindoornstruwelen door lokale invasie van Eenstijlige meidoorn gaan kwalificeren als droog duinbos. Door de veroudering van bossen neemt hun kwaliteit van nature toe doordat het aantal dikke en dode bomen toeneemt en daarmee structuur en functie als leefgebied voor typische bossoorten vergroot wordt. In Kennemerland-Zuid lijkt de kwaliteit de laatste decennia echter te zijn afgenomen. Om de negatieve trend in kwaliteit om te keren is een extra inspanning in het beheer nodig (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Kennemerland-Zuid die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Exoten en habitatvreemde soorten Een overschrijding van de KDW 4.3.4.2 H2180C Duinbossen (binnenduinrand) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 617,17 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 419,36 ha (AERIUS MONITOR, 2025).
Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinbossen (binnenduinrand) binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit In Kennemerland-Zuid komen binnenduinrandbossen met name voor in binnenduinrand van de Noordduinen en Het Kraansvlak. Lokaal in de binnenduinrand van de Amsterdamse Waterleidingduinen en in Leyduin, Huys te Manpad, Kennemerduinen, en Duin en Kruidberg. De kwaliteit van de binnenduinrandbossen in Kennemerland-Zuid is gedeeltelijk goed. In de Noorduinen komen voornamelijk rompgemeeschappen Eiken-Beukenbos voor. Het areaal aan H2180C betreft in totaal 335,6 hectare, waarvan 207,1 ha in goede kwaliteit verkeerd en 128,5 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 10 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Lokale trend Voor duinbossen van de binnenduinrand geldt dat het oppervlak stabiel is en met de veroudering van het bos zich een kwaliteitsverbetering voordoet. Onder invloed van stikstofdepositie breiden gebiedsvreemde invasieve soorten zich echter uit, hetgeen een kwaliteitsvermindering is. In de AWD breidt de ratelpopulier uit ten koste van berk.
Recent vindt er uitbreiding plaats door een hoger peil in het oostelijke deel van het infiltratiegebied. Rondom de kanalen vindt plaatselijk verbetering plaats door verjonging van berken. Een verbetering van de kwaliteit is mogelijk door ontwikkeling van zomen langs de bosranden en door het actief verwijderen van exoten. Er zijn dus meerdere processen die positief of
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
60/136
negatief de kwaliteit beïnvloeden, maar er is in ieder geval sprake van een negatieve invloed van stikstofdepositie op de kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Kennemerland-Zuid die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Exoten en habitatvreemde soorten Een te hoge stikstofdepositie Verdroging
4.3.5 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 2.518,61 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 1.579,04 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Er is in totaal ongeveer 1582 hectare aan kalkrijke grijze duinen aanwezig in KennemerlandZuid. Op basis van kenmerken van vegetatiesamenstelling en structuur is de kwaliteit van kalkrijke grijze duinen in Kennemerland-Zuid overwegend matig. In de Amsterdamse Waterleidingduinen uit de matige kwaliteit zich vooral in vergrassing. Westelijk van het infiltratiegebied in de kwaliteit goed door een verbeterde konijnenstand. Sinds 2009 is de konijnenstand echter weer dalende, waardoor ruige grassen lokaal weer toenemen. Het areaal aan H2130A betreft in totaal 1.620 hectare, waarvan 1.339,4 ha in goede kwaliteit verkeerd en 280,7 ha in matige kwaliteit.
Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Lokale trend De trend van de oppervlakte kalkrijke grijze duinen is duidelijk negatief. In de Amsterdamse Waterleidingduinen wordt melding gemaakt van verstarring, veroudering en verruiging door lage dynamiek, zure en vermestende neerslag en afnemende konijnenstand. Op veel plaatsen domineert duinriet en zandzegge en rukt Amerikaanse Vogelkers op. In het grootste deel van het gebied leidt ontkalking tot verzuring en daarmee tot versnelde successie naar soortenarme rompgemeenschappen van het habitattype. Er mag worden aangenomen dat het areaal verder zal afnemen door o.a. gebrek aan dynamiek, afname van de konijnenpopulatie en stikstofdepositie waardoor versnelde bodemontkalking en successie optrad. Kalkarm grijs duin rukt op naar het westen ten kosten van kalkrijk grijs duin. Bij het Van Limburg-Stirumkanaal kunnen grijze duinen zich wellicht uitbreiden door successie. In de Noordduinen is ook sprake van verzuring, waardoor successie van grijs duin richting rompgemeenschappen plaatsvind. Dit betekent een vermindering in kwaliteit(PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
61/136
Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Kennemerland-Zuid die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Een te hoge stikstofdepositie Een te lage konijnenstand Gebrek aan dynamiek
4.3.6 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 32,78 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 32,78 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen Voor het leefgebied Lg 12 zijn geen instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Lokale trend Er is niks bekend over de trend van dit leefgebied in Kennemerland-Zuid (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Kennemerland-Zuid die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van leefgebied 12 (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Sluiting van mantelzones. Zonder periodiek onderhoud leidt dit tot dichtgroei met bomen en verlies van nectarstrookfunctie. Stikstofdepositie bevordert ruigtevereisten en bosvorming, vermindert bloemrijkheid. Gebrek aan openheid door uitblijven van beheer.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
62/136
4.4
Zwanenwater & Pettemerduinen Sense of urgency Een ‘sense of urgency’ wordt toegekend aan gebieden en soorten waarvoor een mogelijke onherstelbare situatie kan ontstaan. Voor deze gebieden en soorten geldt dat de specifieke ecologische vereisten zo snel mogelijk, in ieder geval in de eerste beheerplan periode, op orde gebracht moeten worden. Voor het Zwanenwater & Pettemerduinen zijn de Grijze duinen (subtype b) aangewezen als ‘sense of urgency’.
4.4.1 H2120 Witte duinen Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 97,29 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 72,61 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Witte duinen binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Witte duinen komen voor in een maximaal 250 m brede strook langs de zeereep, al dan niet aansluitend op embryonale duinen. In het Zwanenwater is de strook wat breder dan in de Pettemerduinen, omdat het duingebied daar breder is. In de Pettemerduinen komt een klein oppervlak witte duinen binnendijks voor. Dit is het gevolg van een eerdere zandsuppletie. Het areaal aan H2120 betreft in totaal 71,8 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend De kwaliteit van het habitattype is op basis van de vegetatiekartering overwegend goed. Het meest cruciale element voor een goede ontwikkeling van witte duinen, verstuiving, ontbreekt echter grotendeels.
Door een gebrek aan dynamiek, en mogelijk wordt dit versterkt door de hoge depositie, treedt vergrassing op van witte duinen. Dit is vooral zichtbaar aan de lijzijde, waar vergrassing met rood zwenkgras optreedt (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Het wegvallen van verstuiving en dynamiek in de zeereep. Een te hoge stikstofdepositie vormt een knelpunt voor een goede ontwikkeling van witte duinen. De aanwezigheid van Rimpelroos in de zeereep.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
63/136
4.4.2 H2130 Grijze duinen 4.4.2.1 H2130A Grijze duinen (kalkrijk) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 51,77 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 19,33 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) binnen Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Kalkrijke grijze duinen komen met name voor in de Pettemerduinen. In het Zwanenwater komen lokaal kleine oppervlaktes van het habitattype voor waar enkel jaren is geplagd. Er is een gradiënt van west naar oost in kalkrijkdom (west is het meest kalkrijk). Het ontstaan van vegetaties die zich kwalificeren als kalkrijk grijs duin hangt vermoedelijk samen met begrazing en zandsuppleties van kalkrijk zand in de vooroever en op het strand, waarbij een deel van het kalkrijke zand de duinen instuift. Het areaal aan H2130A betreft in totaal 19,3 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017).
Lokale trend De kwaliteit van het habitattype is grotendeels goed. In bijna alle opnamevlakken is echter dauwbraam aangetroffen, wat wijst op verhoogde beschikbaarheid van stikstof. De exoot Grijs kronkelsteeltje is slechts één opnamevlakken gevonden. Als gevolg van recente zandsuppleties en het begrazingsbeheer vertoont het habitattype een stabiele trend voor oppervlak en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). De verminderde dynamiek en verhoogde stikstofdepositie verhogen de kans op vergrassing. 4.4.2.2 H2130B Grijze duinen (kalkarm) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 243,56 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 153,91 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (kalkarm) binnen Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
64/136
Huidige situatie in omvang en kwaliteit Kalkarme grijze duinen komen door het hele gebied voor, maar de breedste strook komt voor in het noordwestelijke deel van het Zwanenwater. Over het algemeen grenst het kalkarme grijze duin aan de witte duinen. In de Pettemerduinen grenst het kalkarme grijze duin aan het kalkrijk grijs duin. Ook langs de oostgrens van het Natura 2000-gebied komt kalkarm grijs duin voor, in mozaïek met duinheiden met kraaihei. Het areaal aan H2130B betreft in totaal 153,5 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend De kwaliteit van de kalkarme grijze duinen is over het algemeen matig vanwege vergrassing. In ongeveer 30% van de opgenomen vlakken is Dauwbraam aangetroffen. Dit is een soort die afhankelijk is van een verhoogde beschikbaarheid van stikstof en die daardoor indicatief kan zijn voor een verhoogde N-depositie. De vergrassing in kalkarme grijze duinen lijkt de laatste jaren stabiel en neemt niet verder toe. Dit hangt mogelijk (deels) samen met herstel van de konijnenpopulatie in de Pettemerduinen en het begrazingsbeheer in zowel de Pettemerduinen als het Zwanenwater (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017).
Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Een te hoge stikstofdepositie Beperkte begrazing, vanwege de afname van de konijnpopulatie Opmars van Amerikaanse vogelkers en de aanwezigheid van Rimpelroos. Het intensieve zeereepbeheer en daardoor de gebrek aan dynamiek.
4.4.3 H2140 Duinheiden met Kraaihei 4.4.3.1 H2140A Duinheiden met Kraaihei (vochtig) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 29,94 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 18,96 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinheiden met Kraaihei (vochtig) binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Vochtige duinheiden met kraaihei komen vooral voor in het deelgebied Zwanenwater, ten oosten en zuiden van het Eerste en Tweede Water. Het areaal aan H2140A betreft in totaal 19 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
65/136
Lokale trend De actuele kwaliteit van het habitattype is matig. De oppervlakte neemt toe onder invloed van huidige beheer (begrazen en verwijderen van houtopslag). De kwaliteit daalt echter (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie en de daaraan gekoppelde verzuring. Het ontbreken van voldoende verstuivingsdynamiek draagt bij aan de versnelde successie. 4.4.3.2 H2140B Duinheiden met Kraaihei (droog) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 157,91 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 72,98 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinheiden met Kraaihei (droog) binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017).
Huidige situatie in omvang en kwaliteit Droge duinheiden met kraaiheide komen vooral voor in het deelgebied Zwanenwater langs de randen van het gebied en op grotere afstand ten oosten en zuiden van het Eerste en Tweede Water. Ook op de onderzoekslocatie Petten en in de Pettemerduinen komt dit habitattype lokaal voor. Het areaal aan H2140B betreft in totaal 73 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend De actuele kwaliteit van het habitattype is niet goed bekend. Op basis van een vegetatiekartering uit 2004 is de kwaliteit in de Pettemerduinen redelijk tot goed. Onder invloed van het huidige beheer (verwijderen houtopslag en begrazen) vertoont het habitattype een positieve trend wat betreft oppervlakte. De kwaliteit daalt echter (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Hogere grassen nemen in verzuurde en vermeste duingraslanden een sterk dominante positie in waardoor er nauwelijks kiemingsmogelijkheden ontstaan voor heidesoorten.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
66/136
4.4.4 H2150 Duinheiden met Struikhei Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 5,09 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 2,29 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinheiden met Struikhei binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Duinheiden met Struikhei komt beperkt voor in de Pettemerduinen en op de onderzoekslocatie Petten. Het areaal aan H2150 betreft in totaal 2,3 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend De kwaliteit van het habitattype is matig. Het voorkomen van kenmerkende soorten is beperkt. Over de trend is weinig bekend, maar vermoedelijk neemt het habitattype in omvang af door vestiging van kraaiheide. Vergrassing wordt tegengegaan door begrazing (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017).
Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Duinheiden met Struikhei zijn zeer gevoelig voor verhouting met invasieve soorten als Rimpelroos en Krent, maar ook door inheemse soorten.
4.4.5 H2160 Duindoornstruwelen Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duindoornstruwelen binnen Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Dit habitattype komt maar op een zeer beperkt oppervlak voor in het zuidelijke deel van het Zwanenwater en enkele locaties verspreid over de Pettemerduinen. Opvallend is dat de struwelen direct achter of op de lijzijde van de zeereep liggen. Binnen het Waddendistrict is dit ook de oorspronkelijke landschapsecologische positie. Het areaal aan H2160 betreft in
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
67/136
totaal <1 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Lokale trend In de Pettemerduinen bestaat dit habitattype vooral uit de rompgemeenschap van Duindoorn en Akkermelkdistel zonder bijzondere soorten. De oppervlakte aan duindoornstruweel lijkt sinds 2004 te zijn toegenomen. De toename zou het gevolg kunnen zijn van de toepassing van strand- en vooroeversuppleties waarbij kalkrijk materiaal naar binnen waait (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). De achteruitgang van de konijnenpopulatie. Te weinig dynamiek.
4.4.6 H2180 Duinbossen 4.4.6.1 H2180A Duinbossen (droog), berken-eikenbos Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 6,42 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 5,32 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinbossen (droog), berken-eikenbos binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Droge duinbossen komen voornamelijk voor in de Pettemerduinen en in beperkte mate langs de zuidrand van het Zwanenwater. Het areaal aan H2180A betreft in totaal 5,3 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 10 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend De kwaliteit van het droge duinbos is niet overal goed. Lokaal komen ruigtesoorten voor en vindt opslag plaats van Amerikaanse vogelkers. In het Zwanenwater wordt Amerikaanse vogelkers verwijderd en wordt het duinbos in het oostelijke deel begraasd. In de Pettemerduinen vindt er geen begrazing het droge duinbos plaats.
Het areaal loofbos in het Zwanenwater tussen 1992 en 2008 in oppervlakte verdubbeld als gevolg van natuurlijke successie van opgaand struweel naar bos. Er is hierbij geen onderscheid gemaakt tussen verschillende habitattypen. Het is echter aannemelijk, dat ook voor dit habitattype een positieve trend in oppervlakte aanwezig is. Met betrekking tot kwaliteit is er echter sprake van een negatieve trend als gevolg van verruiging en uitbreiding van Amerikaanse vogelkers (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
68/136
Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). De aanwezigheid van exoten of habitatvreemde soorten, zoals Amerikaanse vogelkers en Populier. Stikstofdepositie, wat leidt tot verzuring en verruiging. 4.4.6.2 H2180C Duinbossen (binnenduinrand) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinbossen (binnenduinrand) binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Dit habitattype komt alleen in Pettemerduinen in kleine oppervlakten voor op drie locaties inde zuidelijke punt van het gebied. Het betreft een zeer klein oppervlak, bestaande uit Gewone esdoorn bossen. Deze hebben een wat rijkere kruidlaag en kwalificeren daardoor. Het areaal aan H2180C betreft in totaal <1 hectare.
Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend In de Pettemerduinen komt het binnenduinrandbos op een zeer beperkt oppervlak voor. Het betreft veelal bossen met esdoorn in de boomlaag en een wat rijkere kruidlaag. Gewone esdoorn heeft een gunstige minder zure strooiselvertering waardoor de bodemontwikkeling gunstiger verloopt. Dit resulteert in een rijkere kruidlaag. De kwaliteit van de bosjes is matig (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Het habitattype is gevoelig voor stikstofdepositie. Het voorkomen van exoten als de Amerikaanse vogelkers.
4.4.7 H2190 Vochtige duinvalleien 4.4.7.1 H2190A Vochtige duinvalleien (open water) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 2,86 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
69/136
relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Vochtige duinvalleien (open water) binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en verbetering kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Vochtige duinvalleien (open water) komen zeer lokaal voor bij een plasje op de onderzoekslocatie Petten en aan de zuidoostzijde van het Twee Water. Het areaal aan H2190A betreft in totaal 0,6 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend De kwaliteit van dit habitattype is overwegend matig. Er komt een aantal bijzondere soorten voor zoals veelstengelige waterbies, waterdrieblad, stijve moerasweegbree en ongelijkbladig fonteinkruid. De trend in oppervlakte en kwaliteit is niet goed bekend (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Eutrofiëring. Wat onder andere veroorzaakt wordt door stikstofdepositie en vermesting door vogels.
Verdroging Verzuring is vooral een knelpunt in de minder goed gebufferde plasjes. 4.4.7.2 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 96,98 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 37,06 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Vochtige duinvalleien (kalkrijk) binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Kalkrijke vochtige duinvalleien worden aangetroffen ten zuidwesten van het Tweede Water in deelgebied Zwanenwater en in de Pettemerduinen. Het areaal aan H2190B betreft in totaal 3,4 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
70/136
Lokale trend De kwaliteit van het habitattype is grotendeels goed op basis van de habitattypenkaart. De vegetaties van vochtige duinvalleien hebben in 2008 een betere kwaliteit dan in 1992. Dit is het resultaat van een consequent, langdurig maaibeheer. In het gebied komen de voor het habitattype kenmerkende vegetatietypen knopbiesassociatie en rompgemeenschappen van zeegroene zegge en armbloemige waterbies voor. De trend van dit habitattype is dan ook positief, zowel voor oppervlakte als kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Stikstofdepositie en daarmee ook eutrofiëring Beperkte dynamiek Afname van de konijnenstand 4.4.7.3 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 28,29 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 12,28 ha (AERIUS MONITOR, 2025).
Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Vochtige duinvalleien (ontkalkt) binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Ontkalkte vochtige duinvalleien komen vooral voor rond de grote plassen in het Zwanenwater. Daarnaast komt het habitattype voor bij een duinplasje op de onderzoekslocatie Petten en in de Pettemerduinen bij een duinplasje op de grens met de onderzoekslocatie Petten. Het areaal aan H2190C betreft in totaal 12,3 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend Het habitattype komt voor met een overwegend goede kwaliteit. De huidige kwaliteit en oppervlakte zijn overwegend stabiel (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Eutrofiëring onder stikstofdepositie leidt onder andere tot versnelde successie richting struweel en bos en depositie van ammoniak kan leiden tot verzuring. De afname van de konijnenpopulatie en een afname van de natuurlijke dynamiek door het vastleggen van de duinen. Verdroging.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
71/136
4.4.8 H6230 Heischrale graslanden Beschrijving Dit habitattype betreft in Nederland min of meer gesloten, zogenoemde halfnatuurlijke graslanden op betrekkelijk zure zand- en grindbodems. Heischrale graslanden van een hoge kwaliteit zijn zeer rijk aan allerlei grassoorten, kruiden en paddenstoelen. Een deel van deze soorten komt ook voor in heide-begroeiingen. Heischrale graslanden komen zowel op vochtige als op relatief droge standplaatsen voor. Het habitattype komt in verschillende variaties voor op uiteenlopende bodemtypen. Op hogere zandgronden komen heischrale graslanden op vochtige en relatief droge standplaatsen voor. In de duinen komt het habitattype ook voor op zowel relatief droge als vochtige standplaatsen voor. In laag- en hoogveen is dit habitattype zeldzaam. Het habitattype kan worden aangetroffen op licht verdroogd veen waar vroegere bemesting en bekalking nog zorgen voor een lichte buffering van de bodem (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 16,56 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 6,7 ha (AERIUS MONITOR, 2025).
Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Heischrale graslanden binnen Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Heischrale graslanden worden aangetroffen op diverse plaatsen in het Zwanenwater op overgangen van duinheide naar kleine zeggenvegetaties. Het habitattype komt voor in vrij smalle zones van 1 tot 50 meter breed. Daarnaast komt het vlakdekkend voor in een aantal valleitjes. Het totale oppervlak goed ontwikkeld heischraal grasland in Nederland wordt geschat op 10 tot 100 ha. Het areaal aan H6230 betreft in totaal 6,7 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Lokale trend Het heischrale grasland in het Zwanenwater is goed ontwikkeld. In het Zwanenwater komen onder andere de bijzondere soorten Drienervige zegge, Borstelgras, Handsviooltje, Stekelbrem, Gewone vleugeltjesbloem, Stijve ogentroost, Gelobde maanvaren en de zeldzame Harlekijn en Vlozegge voor binnen het heischrale grasland. Naast de genoemde soorten groeien er in het Zwanenwater ook typische duinvalleisoorten binnen dit type, zoals Knopbies, Parnassia en Dwergvlas.
Er is sprake van een stabiele trend in oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Ecologische vereisten Heischrale graslanden komen voor op licht gebufferde, zwak zure tot matig zure, meestal sterk humeuze bodems. De kenmerkende plantensoorten zijn enerzijds kalkmijdend, maar
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
72/136
zijn anderzijds zeer gevoelig voor het aluminium dat op zure standplaatsen meestal in het bodemvocht aanwezig is (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype zijn stikstofdepositie en verzuring. Samen met een afname van de konijnenpopulatie zorgt een te hoge stikstofdepositie voor vergrassing en versnelde successie richting struweel en bos.
4.4.9 H6410 Blauwgraslanden Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Blauwgraslanden binnen Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Blauwgrasland komt voor in het zuidoostelijke deel van het Zwanenwater en in de Pettemerduinen. Het areaal aan H6410 betreft in totaal 0,3 hectare (PROVINCIE NOORDHOLLAND3, 2017). Lokale trend Het blauwgrasland is matig ontwikkeld. Er is niets bekend over de trend van blauwgrasland in het Zwanenwater en de Pettemerduinen. Binnen de Pettemerduinen gaat het om een meer heischrale vochtige duinvalleivegetatie en kwalificeert deze vegetatie zich meer als habitattype kalkarme vochtige duinvalleien (H2190). Het vormt mogelijk ook een overgang naar het heischrale type van grijze duinen (H2130C) (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017).
Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Zwanenwater & Pettemerduinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). De belangrijkste knelpunten voor blauwgraslanden zijn stikstofdepositie, verzuring (door depositie), verdroging en eutrofiëring door verlaging van de grondwaterstand en inadequaat beheer.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
73/136
4.5
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder Sense of urgency Een ‘sense of urgency’ wordt toegekend aan gebieden en soorten waarvoor een mogelijke onherstelbare situatie kan ontstaan. Voor deze gebieden en soorten geldt dat de specifieke ecologische vereisten zo snel mogelijk, in ieder geval in de eerste beheerplan periode, op orde gebracht moeten worden. Voor het Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder zijn geen habitattypes aangewezen als ‘sense of urgency’.
4.5.1 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) Beschrijving Dit habitattype komt voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matige zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland en het laagveengebied. Het habitattype komt zowel op de zandgronden als in het laagveen voor, kenmerkend is de hoge bedekking van Gewone dophei. Vochtige heiden kan goed samen voorkomen met rompgemeenschap met Pijpenstrootje en Veenmos, echter moge deze grazige delen niet overheersen en alleen in mozaïekvorm voorkomen. De vegetatie van het subtype op zandgronden varieert afhankelijk van de waterhuishouding, ouderdom, en het leemgehalte van de bodem. Het subtype komt voor op de oevers van vennen, op beekdalflanken, in laagten met een ondoorlaatbare ondergrond en in tot op het zand afgegraven voormalige hoogveengebieden. Het subtype H4010b vormt in laagveengebieden het eindstadium van verlanding. Het habitattype ontwikkeld zich uit eerde successiestadia (trilveen en veenmosrietland) doordat bij het dikker worden van de kragge geleidelijk een dikkere regenwaterlens ontstaat en de bereikbaarheid van de bovengrond voor basenrijk water onder de kragge afneemt. Ook op vast veen kan verzuring door regenwaterlenen leiden tot ontwikkeling van Moerasheide, bijvoorbeeld vanuit voorheen bevloeide rietlanden (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016).
H4010B: Dit subtype komt voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matige zure tot zure standplaatsen in het laagveen. Ook in verdroogde, niet vergraven hoogveengebieden komen dopheibegroeiingen voor. Die worden niet tot dit habitattype gerekend, maar beschouwd als deel van habitattype H7120 (aangetast hoogveen). Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 1,02 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 1,02 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Vochtige heide binnen Natura 2000-gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Vochtige heide komt niet voor in de Kalverpolder. Het komt voor op enkele percelen in het noorden van het Wormer- en Jisperveld. De vochtige heide heeft hier een goede kwaliteit,
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
74/136
met uitzondering van een locatie waar een sterke uitbreiding van Cranberry heeft plaatsgevonden. Het areaal aan H4010B betreft in totaal 1 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Lokale trend Het areaal vochtige heide is in het Natura 2000-gebied al 30 jaar vrijwel onveranderd. Lokaal treedt kwaliteitsverlies op door de sterke uitbreiding van Cranberry (PROVINCIE NOORDHOLLAND4, 2016). Ecologische vereisten Aangezien vochtige heide zich ontwikkelt uit veenmosrietland gelden de ecologische vereisten van dat habitattype ook voor de ontwikkeling van dit habitattype. Het habitattype heeft een gewenste situatie van; pH ondergrond 5,5 – 7,5 en bovengrond van < 4,5, natuurlijke fluctuaties maar geen overstromingen en een zeer natte vochttoestand(PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Voor een verbetering in ruimte en tijd van de verlandingsreeks is een verbetering in water (kwaliteit en kwantiteit) nodig voor nieuwe verlandingen waaruit veenmosrietland ontstaat. Stikstofdepositie: zorgt voor een veranderde en versnelde successie (bosvorming).
4.5.2 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Beschrijving Overgangs- en trilvenen betreffen soortenrijke veenbegroeiingen van betrekkelijk voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. De plantengemeenschappen van de overgangs- en trilvenen vormen ontwikkelingsstadia in de verlanding die begint in het open water van sloten, plassen en petgaten, vooral in het laagveengebied. Overgangs- en trilvenen worden voorafgegaan door begroeiingen van het open water, zoals drijftil-, en krabbenscheergemeenschappen (H3150). Dit habitattype wordt in de successiereeks opgevolgd door struweel of bos, onder bepaalde omstandigheden ook door moerasheiden (H4010) (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). H7140B: dit subtype ontwikkelt zich met verdere stabilisering van de veenlaag. Kenmerkend van het subtype is een gesloten moslaag met dominantie van veenmossoorten, een varenrijk kruidlaag en een ijle rietlaag. Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 14,61 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 14,32 ha (AERIUS MONITOR, 2025).
Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) binnen Natura 2000-gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder is in
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
75/136
het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Veenmosrietland (H7140B) is een tijdelijk stadium in de verlandingsreeks en kent daardoor een natuurlijke variatie in oppervlakte en kwaliteit. In het Natura 2000-gebied zijn voornamelijk kleine veenmosrietlanden aan te treffen in de vorm van een smalle rietzoom. Het areaal aan H7140B betreft in totaal 14,2 hectare, waarvan 9,3 ha in goede kwaliteit verkeerd en 5 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Lokale trend Voor wat betreft het oppervlak is de tend in het Wormer- en Jisperveld positief. In de Kalverpolder is een kleine achteruitgang geconstateerd sinds 2006. De kwaliteit van het veenmosrietland staat overal onder druk (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Ecologische vereisten Het habitattype heeft een gewenste situatie van; pH ondergrond 5,5 – 7,5 en bovengrond van < 4,5, natuurlijke fluctuaties maar geen overstromingen en een zeer natte vochttoestand(PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016). Het totale fosforgehalte is te hoog.
In de Kalverpolder is daarnaast ook het fosfaatgehalte te hoog.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
76/136
4.6
Polder Westzaan Sense of urgency Een ‘sense of urgency’ wordt toegekend aan gebieden en soorten waarvoor een mogelijke onherstelbare situatie kan ontstaan. Voor deze gebieden en soorten geldt dat de specifieke ecologische vereisten zo snel mogelijk, in ieder geval in de eerste beheerplan periode, op orde gebracht moeten worden. Voor de Polder Westzaan zijn geen habitattypes aangewezen als ‘sense of urgency’.
4.6.1 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <0,1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <0,1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Vochtige heide binnen Natura 2000-gebied Polder Westzaan is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND5, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Vochtige heide is in het Natura 2000-gebied op enkele percelen aan te treffen. Het habitattype is van goede kwaliteit. Het areaal aan H4010B betreft in totaal 0,1 ha. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND5, 2016). Lokale trend De afgelopen jaren is geen toename- of afname in vochtige heide opgetreden (PROVINCIE NOORD-HOLLAND5, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Polder Westzaan die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype. (PROVINCIE NOORDHOLLAND5, 2016).
Water (kwantiteit en kwaliteit): voor een compleetheid in ruimte en tijd van de verlandingsreeks, waarbij vochtige heide een eindstadium vormt, is een verbetering is water (kwaliteit en kwantiteit) nodig voor nieuwe verlandingen waaruit veenmosrietland uit ontstaat en vervolgens vochtige heide. Te weinig of onvoldoende afgestemd natuurbeheer: onder de huidige voedselrijke omstandigheden is voor het nieuw ontwikkelen van vochtige heide én het zo lang mogelijk tegenhouden van successie is een afgestemd beheer nodig. Hier is een relatie met stikstofdepositie wat voor een veranderde en versnelde successie zorgt.
4.6.2 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 18,03 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
77/136
relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 14,79 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) binnen Natura 2000-gebied Polder Westzaan is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORDHOLLAND5, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Veenmosrietland is een tijdelijk stadium in de verlandingsreeks en kent daardoor een natuurlijke variatie in oppervlakte en kwaliteit. Het areaal aan H7140B betreft in totaal 14,6 hectare, waarvan 12,5 ha in goede kwaliteit verkeerd en 2,1 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND5, 2016). Lokale trend Op grond van de kartering kan worden geconcludeerd dat veenmosrietland zich nog steeds actief ontwikkeld in de Polder Westzaan. Deze nieuwvormingen zijn op verschillende locaties opgetreden, nog het meest in het Guisveld en het Westzijderveld. Echter, veel bestaande veenmosrietlanden in de Polder Westzaan betreffen meer verzuurde veenmosrietlanden (PROVINCIE NOORD-HOLLAND5, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Polder Westzaan die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype.
(PROVINCIE NOORDHOLLAND5, 2016). Niet optimale waterkwaliteit, met name voor wat betreft de belasting met fosfor. Overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie tot na 2030 (verzuring, eutrofiering) Geen adequaat beheer.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
78/136
4.7
Eilandspolder Sense of urgency Een ‘sense of urgency’ wordt toegekend aan gebieden en soorten waarvoor een mogelijke onherstelbare situatie kan ontstaan. Voor deze gebieden en soorten geldt dat de specifieke ecologische vereisten zo snel mogelijk, in ieder geval in de eerste beheerplan periode, op orde gebracht moeten worden. Voor de Eilandspolder zijn geen habitattypes aangewezen als ‘sense of urgency’.
4.7.1 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Overgangs- en trilvenen binnen Natura 2000-gebied de Eilandspolder is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND6, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Veenmosrietland (H7140B) is een tijdelijk stadium in de verlandingsreeks en kent daardoor een natuurlijke variatie in oppervlakte en kwaliteit. Het areaal aan H7140B betreft in totaal 0,21 hectare, waarvan 0,21 ha in goede kwaliteit verkeerd. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND6, 2016). Lokale trend In de Eilandspolder-Oost is het kleine oppervlak veenmosrietland het gevolg van niet adequaat beheer: sinds 1999 is veel oppervlak veenmosrietland verdwenen of omgezet in moerasruigten. Hierdoor is het aanwezige oppervlak sterk afgenomen tot kleine plekken met veenmosrietland.
Echter vanaf 2009 tot 2022 is met hulp van vrijwilligers veel extra maaibeheer uitgevoerd op kansrijke plekken, waardoor de oppervlakte is toegenomen van 0,21 ha naar 2,2 ha. Ook het afschermen voor vee is hierbij van belang geweest. Het blijkt mogelijk de oppervlakte veenmosrietland door uitgevoerd adequaat beheer aanmerkelijk te vergroten. Er worden nu nog delen gemaaid die zich waarschijnlijk in de nabije toekomst ook in de richting van veenmosrietland ontwikkelen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND6, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Eilandspolder die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND6, 2016). Niet optimale waterkwaliteit Een overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie tot na 2030. Geen adequaat beheer.