CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Oud - Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting_Bijlage 13 Ecologische beoordeling stikstofdepositie_1

Raadsvergadering 15 december 2025, gemeente HeilooBij agendapunt: Bestemmingsplan Reconstructie Vennewatersweg34.411 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Huidige situatie in omvang en kwaliteit Duindoornstruwelen komen wijd verspreid en in groot oppervlak voor in alle open, kalkrijke duingebieden ten zuiden van Bergen. Het areaal aan H2160 betreft in totaal 527,2 hectare, waarvan 253,8 ha in goede kwaliteit verkeerd en 273,4 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend De trend voor dit habitattype is positief. In deelgebieden waar geen beheer wordt uitgevoerd, heeft het areaal Duindoornstruwelen zich de afgelopen decennia fors uitgebreid.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

34/136

De kwaliteit is over het algemeen stabiel. Door veroudering (successie naar hoog struweel) neemt de kwaliteit voor broedvogels toe (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Ecologische vereisten De optimale zuurgraad voor Duindoornstruwelen ligt boven pH 6,5 en de optimale voedselrijkdom van dit habitattype ligt tussen matig voedselrijk en licht voedselrijk. De vochttoestand van de bodem is droog tot vochtig. Duindoornstruwelen hebben baat bij een gering aandeel van exoten (zoals Amerikaanse vogelkers). Ze functioneren optimaal vanaf een grootte van enkele hectaren. Duindoorn ontkiemt goed op plaatsen waar inwaaiend zand voor kalkrijkdom zorgt en waar nog geen verzuring door humusvorming is opgetreden. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van duindoornstruwelen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Het knelpunt bestaat voornamelijk uit de verdergaande veroudering van de bestaande duindoornstruwelen en het verdwijnen van de duindoorn. Dit is een natuurlijk proces.  Deze verstarring heeft een versnelde successie tot gevolg door verdergaande bodemvorming en verzuring bij gebrek aan overpoedering.  Ontbreken van voldoende winddynamiek.  Het ontbreken van konijnen in veel duindoornstruweel is een knelpunt.

 Vestiging van exoten als Amerikaanse vogelkers is eveneens een knelpunt.

4.1.6 H2180 Duinbossen Beschrijving Het habitattype betreft natuurlijke of half-natuurlijke loofbossen in de kustduinen, met sterk uiteenlopende kenmerken. Vaak is de Zomereik (Quercus robur) de dominante boomsoort, maar met name in duinvalleien en in de meest landinwaarts gelegen gedeelten spelen (ook) andere boomsoorten een belangrijke rol. De kruidlaag kan zeer soortenrijk zijn. Een nogal afwijkende samenstelling daarvan (met verwilderde bol- en knolgewassen) is te vinden in de zogenoemde stinzenbossen, die veelal hun bestaan danken aan de vestiging van landgoederen. De meeste van de samenstellende vegetaties komen ook (of zelfs vooral) buiten de duinen voor. Het aantal werkelijk kenmerkende soorten is dan ook gering. Doordat het grootste deel van het duingebied relatief jong is en tot het begin van de twintigste eeuw intensief werd begraasd, zijn er maar weinig oude bossen die een beeld geven van het type vegetatie dat bij ongestoorde ontwikkeling te verwachten is. de oudste bossen zijn te vinden pp de strandwallen en aan de binnenduinrand. Deze bossen zijn echter sterk beïnvloed door gebruik als hakhout of zijn aangeplant als parkbos. In de middenduinen en de buitenduinen is spontane bosvorming vrijwel beperkt tot de duinvalleien, waar zich in eerste instantie vooral berkenbossen vormen.

Op de hogere delen van de midden- en buitenduinen is de natuurlijke vegetatiesuccessie meestal nog niet verder gekomen dan hoge struwelen, en zijn de meeste bossen recent aangeplant (Natura 2000, 2009).  H2180A Duinbossen (droog), berken eikenbos,H2180Abe Duinbossen (droog), berken eikenbos en H2180Ao Duinbossen (droog), overig Tot dit subtype behoren de bossen op de meest voedselarme en droge standplaatsen. Het gaat met name om Berken-Eikenbossen en bossen met beuk. Ze komen vooral voor in de

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

35/136

oude duinen, op de hogere delen van de strandwallen en op de meest diep ontkalkte delen in de binnenduinrand van de jonge duinen. Het zijn de oudste bossen in het duingebied, deels met een verleden als hakhoutbos. Ze zijn meestal relatief zuur en hebben dan een slechte strooiselvertering. De soortenrijkste vegetaties zijn te vinden op de strandwallen, met hun iets lemiger zandgronden. In het jongere midden- en buitenduin is de vegetatieontwikkeling meestal niet zo ver voortschreden dat zich al droge duinbossen hebben ontwikkeld. Daarbij komt dat de mogelijkheden voor bosontwikkeling hier sterk geremd worden door de invloed van zeewind en inwaai van zand en zout. De meeste droge duinbossen zijn hier aangeplant en worden niet zelden aan de loefzijde geleidelijk weer door de wind opgerold. Een uitzondering is d droge vorm van het Meidoorn-Berkenbos in beschutte valleien. Dit bostype is veel basenrijker dan de eiken- en de beukenbossen.  H2180C Duinbossen (binnenduinrand) De tot dit subtype behorende bossen zijn over het algemeen sterk door de mens beïnvloede (park)bossen die overwegend voorkomen op wat jongere, kalkhoudende bodems. Ze zijn vaak onderdeel van landgoederen die in de 18e eeuw aan de binnenduinrand werden aangelegd op afgegraven duingronden. Door vergaving zijn hier diepere, nog niet ontkalkte zanden weer aan de oppervlakte gekomen.

Op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden zijn binnenduinrandbossen vaak aangelegd op overstoven kleigronden. Daarbij heeft het historisch beheer van deze bossen, waarbij o.a. werd bemest, bekalkt en gewoeld, de bodems sterk beïnvloed en de buffercapaciteit vergroot. De grondwaterstanden zijn hier te diep voor de vestiging van ‘natte’ soorten, maar vaak wel zo ondiep dat capillaire opstijging vanuit het grondwater zorgt voor een iets betere vochtvoorziening en zuurbuffering. De standplaatscondities (goed gedraineerde, iets vochthoudende, basenrijke, rulle en humeuze bodems in combinatie met een open bosstructuur die zorgt voor voldoende licht) zijn zeer geschikt voor de groei van allerlei vna oorsprong uitheemse bolgewassen die hier in het verleden op grote schaal zijn aangeplant en nu deel uitmaken van de stinzeflora. In tegenstelling tot wat de naam van het subtype kan suggereren, worden niet alle bossen van de binnenduinen tot dit subtype gerekend: het betreft alleen de bossen op matig voedselrijke, vochtige bodems. Op andere standplaatsen komen ook subtype A (droger, voedselarmer) en in veel mindere mate B (natte, voedselrijker) voor. 4.1.6.1 H2180A Duinbossen (droog), berken-eikenbos Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 1.252,69 ha. Het relevante gekarteerde oppervlak komt neer op 903,08 ha (AERIUS MONITOR, 2025).

Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van Duinbossen (droog), berken-eikenbossen binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: Behoud oppervlakte en behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Grote aaneengesloten oppervlakten Duinbossen droog komen in het Noordhollands Duinreservaat voor nabij Castricum en Heemskerk. De oudst bekende plantdata voor deze regio liggen rond 1870. Delen van dit oude aangeplante eikenbos vallen onder het Bosreservaat Rodaam. Ook in Bergen komt het habitattype goed ontwikkeld voor (bergerbos en ’t Oude Hof) met soorten als Kussentjesmos, Groot gaffeltandmos, Hengel en op een

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

36/136

enkele plek Bosbes. Het areaal aan H2180A betreft in totaal 889,5 hectare, waarvan 831,2 ha in goede kwaliteit verkeerd en 58,3 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 10 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend Het oppervlak aan droge Duinbossen is stabiel tot langzaam toenemend. De natuurlijke uitbreiding van het habitattype vindt plaats op beschutte plekken open duin in het midden van aangeplante bossen. Begrazing kan bosweiden, gaten in de kroonlaag en bosranden open houden en de ontwikkeling van mantel en bloemrijke zomen bevorderen. De trend in oppervlakte en kwaliteit is enerzijds positief door veroudering van het bos, echter zijn er ook stikstofgerelateerde knelpunten die tot teruggang van kwaliteit kunnen leiden (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Ecologische vereisten Duinbossen komen voor bij een pH beneden 6,5. De bodem is veelal ontkalkt en daardoor behoorlijk verzuurd op het moment dat het bos zich goed heeft ontwikkeld. In de ondergrond kan de pH hoger dan 6,5 zijn. De grote ecologische variatie binnen droge duinbossen hangt voor een belangrijk deel samen met de grote range van de zuurgraad. Het gaat hierbij in de eerste plaats om verschillen in initieel kalkgehalte, maar ook de verschillende mate van ontkalking speelt hierbij een grote rol.

Ontkalking verloopt in de duinen van nature snel, omdat vrijwel alle kalk aanwezig is in de vorm van vrije kalk die makkelijk uitspoelt. Het habitattype komt voor op licht voedselrijke tot zeer voedselarme bodems. De vochttoestand van de bodem is matig droog tot droog. De zeewind en inwaai van zand en zout heeft een negatieve invloed op de bosontwikkeling in de jongere middenen buitenduinen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van duinbossen (droog).  Het habitattype is met name gevoelig voor stikstofdepositie en de gevolgen van een verruigende ondergroei.  Het inwaaien van stikstof en de daaruit volgende verzuring van de bodem door versnelde humusopbouw.  De vestiging van exoten zoals Amerikaanse eik en Douglasspar.  Ontbreken van sturende processen als, bodemrijping van ongestoorde bodem, winddynamiek en begrazing. Dit leidt tot het dichtgroeien van open delen en afname van kwaliteit.

4.1.6.2 H2180C Duinbossen (binnenduinrand) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 535,75 ha. Het relevante gekarteerde oppervlak komt neer op 357,2 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van Duinbossen (binnenduinrand) binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is als volgt vastgesteld: Behoud oppervlakte en behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

37/136

Huidige situatie in omvang en kwaliteit In het Noordhollands Duinreservaat komt het habitattype Duinbossen vochtig verspreid voor van Heemskerk in het zuiden tot Bergen aan Zee in het noorden. Het areaal aan H2180C betreft in totaal 364,5 hectare, waarvan 89,2 ha in goede kwaliteit verkeerd en 275,3 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 10 are (PROVINCIE NOORDHOLLAND, 2018). Lokale trend Het habitattype vertoond een trend naar verruiging door braam. Verder blijkt de slechte vitaliteit van de oppervlakten Zwarte den in het kalkrijke duin een positieve trend voor dit habitattype. Als gevolg van Honingzwam sterven de Zwarte dennen in snel tempo uit. Hiervoor komt van nature een esdoornrijk bostype voor in de plaats. Verwacht wordt dat grote delen van de nieuwe esdoornbossen kwalificeren als H2180C (PROVINCIE NOORDHOLLAND, 2018). Ecologische vereisten De optimale zuurgraad voor Duinbossen vochtig omvat een breed traject van matig zure tot neutrale omstandigheden met een pH tussen 4,5 en 7,5, terwijl in de bovengrond ook zure omstandigheden mogen heersen met een pH lager dan 4,5 en in de ondergrond basische omstandigheden met een pH hoger dan 7,5 mogen voorkomen. Het habitattype komt voor op matig voedselarme tot matig voedselrijke bodems.

De vochtige duinbossen hebben een optimale vochttoestand bij zeer natte tot vochtige omstandigheden, met een gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand van 5 cm boven het maaiveld tot >40 cm beneden maaiveld en met minder dan 14 dagen droogtestress per jaar. Dit habitatsubtype ontwikkelt zich met name in natte duinvalleien met grondwaterstanden die in de winter en het voorjaar rond het maaiveld liggen. Bij een beschutte ligging ten opzichte van de zeewind kunnen hier snel bossen ontstaan (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van duinbossen (droog).  Procesgericht beheer.  Verzuring als gevolg van stikstofdepositie.  Verdroging door dennenaanplant, grondwaterwinning en versnelde afvoer.  Vestiging van exoten als Amerikaanse vogelkers, Japanse Duizendknoop, Sneeuwbes en Krent.

4.1.7 H2190 Vochtige duinvalleien Beschrijving Het habitattype Vochtige duinvalleien is veelomvattend: het betreft open water, vochtige graslanden, lage moerasvegetaties en rietlanden, alle voorzover voorkomend in (min of meer natuurlijke) laagten in de duinen. Buiten de duinen worden alleen de in het overige kustgebied voorkomende min of meer grazige vormen tot het habitattype gerekend. Mede door de grote ecologische variatie is het aantal kenmerkende soorten zeer groot. Het gaat om relatief jonge successiestadia. Begroeiingen van oudere (al of niet verdroogde) successiestadie in duinvalleien behoren tot andere habitattypen, bijvoorbeeld Vochtige duinheide met Kraaihei (H2140), duinstruwelen (H2160 of H2170), Duinbossen (H2180) en

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

38/136

vochtige Heischrale graslanden (H6230). Ook in cultuur gebrachte valleien (bijvoorbeeld begroeid met Blauwgraslanden, H6410) worden niet tot het habitattype gerekend. Vochtige duinvalleien kunnen van nature op twee manieren ontstaan. Primaire duinvalleien ontstaan doordat strandvlakten door duinen worden afgesnoerd van zee. Secundaire duinvalleien ontstaan in het kielzog van mobiele duinen, maar tegenwoordig alleen nog doordat stuifkuilen uitstuiven tot op het grondwaterniveau. Daarnaast kunnen Vochtige duinvalleien worden ontwikkeld door inrichtingsmaatregelen. Door de vertraagde reactie van de zoetwaterbel op de neerslag wijkt de grondwaterdynamiek in de duinen nogal af van die in het binnenland. Er kunnen jaren achtereen optreden waarin (grond)waterstanden ver boven, of juist onder het gemiddelde niveau liggen. Deze dynamiek is op zich gunstig voor de instandhouding van open vegetaties waarin ook ruimte is voor concurrentiegevoelige pioniersoorten. Het vormt echter een risico voor het voortbestaan van soorten die slechts in een kleine populatie voorkomen. Voorwaarde voor de instandhouding van de soortenrijkdom is daarom dat er voldoende ruimte is voor soorten om te ‘pendelen’. Daarvoor moet binnen de valleien zelf en binnen het duingebied als geheel voldoende variatie aanwezig zijn, met gradiënten die idealiter lopen van open water tot droog duin.

Binnen vochtige duinvalleien bestaat een grote variatie aan standplaatscondities, afhankelijk van ontstaansgeschiedenis, leeftijd, waterregime en kalkgehalte van de bodem of het kwelwater. Om die reden zijn de vochtige duinvalleien in een aantal subtypen opgesplitst. Waterdiepte, vegetatiestructuur en kalkgehalte zijn bepalend voor de verschillen tussen de subtypen (Natura 2000, 2009).  H2190A Vochtige duinvalleien (open water), H2190Ae Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen en H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligotot mesotrofe vormen. Duinwateren komen voor in de laagste delen van het duingebied, waar in ‘gemiddelde’ jaren het water tot ver in het groeiseizoen boven maaiveld staat en die hooguit kort droogvallen in het groeiseizoen. Binnen de duinwateren bestaat grote variatie in ecologische omstandigheden, variërend van brak tot zoet, van voedselarm tot voedselrijk, en van basisch tot zuur. Brakke omstandigheden komen voor in jonge primaire duinvalleien, en in strandvlakten die nog maar kort geleden zijn afgesnoerd van de zee of die nog incidenteel worden overstroomd met zeewater. Brakke omstandigheden kunnen ook ontstaan in drinkplassen en poelen die incidenteel overstromen met zeewater.

In de meeste duingebieden, en zeker in de grotere duinwateren, is het oppervlaktewater door een kalkhoudende ondergrond en aanvoer van basenrijk grondwater tamelijk hard. In duingebieden die zeer arm aan kalk zijn, komen duinplassen voor die verwant zijn aan Zwakgebufferde vennen (H3130) in de kalkrijke duingebieden zijn de grotere duinwateren van nature vrij voedselrijk als gevolg van de aanvoer van nutriënten met doorstromend grondwater en de aanvoer van organisch materiaal met oppervlakkig afstromend regenwater en door inwaai van blad. Door de geringe zuurgraad van het water wordt het aangevoerde organische materiaal redelijk snel afgebroken. Ook zijn duinmeertjes een favoriete broedplek voor kolonievogels en rustplek voor watervogels. Dit kan zorgen voor een extra aanvoer van nutriënten met mest.  H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Dit subtype komt voor in geheel of vrijwel geheel verzoete primaire duinvalleien en in secundaire duinvalleien die zijn ontstaan door uitstuiving. Kenmerkend zijn vooral de natte

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

39/136

omstandigheden, waarbij de standplaatsen in de winter onder water staan en in voorjaar droogvallen. Vanwege de afwijkende dynamiek van het duinwatersysteem kunnen echter ook jaren optreden waarin valleien vrijwel permanent onder water staan, en jaren waarin de valleien ook in de winter droog staan. Dit kan leiden tot schijnbaar dramatische verschuivingen in de vegetatiesamenstelling, maar in een natuurlijk duinsysteem met voldoende natte valleien en veel variatie in maaiveldhoogte is de veerkracht van de populaties voldoende om dit soort extremen te overleven. Ten opzichte van vochtige kalkarme duinvalleien (subtype C) onderscheiden de kalkrijke duinvalleien zich door een grotere basenrijkdom en een hogere pH. In de kalkrijke duinen is het vooral het kalkgehalte van de bodem, dat zorgt voro de neutrale tot basische condities. In de kalkarme duinen is aanvoer van basenrijk grondwater nodig voor instandhouding van klakrijke duinvalleivegetaties. In jonge primaire duinvalleien en in verzoetende strandvlaktes kan ook incidentele overstroming met brak water of nog in de bodem aanwezig brak grondwater zorgen voor zuurbuffering.  H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) Net als bij de kalkrijke vochtige valleien worden de kalkarme vochtige valleien gekenmerkt door natte omstandigheden met waterstanden boven maaiveld in winter en voorjaar.

Anders dan bij het kalkrijke subtype lijken permanente natte omstandigheden minder een probleem te vormen, waarschijnlijk doordat onder zuurdere omstandigheden minder snel hoogproductieve moerasvegetaties ontstaan. Een soort als de Moerasgamander is echter juist gebaat bij permanent natte omstandigheden. Onderscheiden ten opzichte van kalkrijke vochtige duinvalleien is de geringere basenrijkdom en de lagere pH. 4.1.7.1 H2190A Vochtige duinvalleien (open water) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 65,46 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 37,46 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype H2190A binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Duinplassen die tot het habitattype Vochtige duinvalleien open water behoren kunnen in het gehele Noordhollands Duinreservaat worden aangetroffen.

Het grootste oppervlak wordt echter ingenomen door de infiltratie panden van het Kieftenvlak (bij Heemskerk) en het infiltratiegebied Castricum. Het areaal aan H2190A betreft in totaal 50,3 hectare, waarvan 17,6 ha in goede kwaliteit verkeerd en 32,7 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend Er zijn geen gegevens bekend met betrekking tot de trend in oppervlakte en kwaliteit van dit habitattype. De potenties voor uitbreiding areaal en verbetering kwaliteit zijn groot en zijn met name afhankelijk van maatregelen in de waterhuishouding (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

40/136

Ecologische vereisten Duinwateren komen voor in de laagste delen van het duingebied, waar ‘gemiddelde’ jaren het water tot ver in het groeiseizoen boven maaiveld staat en die hooguit kort droogvallen in het groeiseizoen. Het habitattype is te vinden in de range van matig voedselarm tot zeer voedselrijk en hebben een zuurgraad met een bereik van matig zuur (pH 4,5) tot basisch. Het habitattype in het Noordhollands Duinreservaat bevat meestal tamelijk hard tot hard water (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van H2190A (PROVINCIE NOORDHOLLAND, 2018).  Veel van de duinmeertjes worden gebruikt als drinkplek voor grazers. Een knelpunt daarvan is dat de grazers de poel kaal vreten en gebruiken als latrine.  Dit verdwijnen van de grote natuurlijke verschillen in grondwaterstand is een knelpunt.  Het ontbreken van landschapsvormde processen is een knelpunt.  Verder zijn de duinwateren gevoelig voor stikstofdepositie en de bijbehorende opbouw van organisch afval en verzuring of verrijking afhankelijk van de plek in het duin.  Ook de introductie van exoten door de mens is een knelpunt (vissen, Waterlelie, Watercrassula, Parelvederkruid en amfibieën).

4.1.7.2 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 134,54 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 38,77 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype H2190B binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Vochtige duinvalleien kalkrijk komen verspreid voor van de zeeduinen tot de binnenduinen van het Noordhollands Duinreservaat. Het hoofdverspreidingsgebied bevindt zich ten zuiden van de kalkgrens bij Bergen aan Zee. Het areaal aan H2190B betreft in totaal 40,2 hectare, waarvan 40,2 ha in goede kwaliteit verkeerd. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend Het kalkrijke zand van grote delen van het Noordhollands Duinreservaat maakt dat uitbreiding areaal en verbetering kwaliteit van dit habitatsubtype goed mogelijk is. Sinds het verminderen van de grondwaterwinning en het optimaliseren van infiltratiegebieden is het duin vernat.

De laatste 15 jaren zijn circa 20 grote herstelprojecten uitgevoerd ter uitbreiding van het oppervlak van Vochtige duinvalleien. Nog niet alle locaties met potenties voor herstel van Vochtige duinvalleien kalkrijk zijn hersteld (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

41/136

Ecologische vereisten De Vochtige duinvalleien kalkrijk komen optimaal voor op neutrale tot basische bodems, vanaf een pH van 6,5 en zijn licht tot matig voedselrijk, met een klein aanvullend bereik aan beide kanten. De meest kenmerkende vegetaties komen optimaal voor op licht voedselrijke standplaatsen. Kenmerkend voor dit subtype zijn vooral de natte omstandigheden, waarbij de standplaatsen in de winter onder water staan en in voorjaar droogvallen. Vanwege de afwijkende dynamiek van het duinwatersysteem kunnen echter ook jaren optreden waarin valleien vrijwel permanent onder water staan, en jaren waarin de valleien ook in de winter droog staan. De combinatie van een hoog kalkgehalte van de bodem en aanvoer van basenrijk grondwater zorgt voor goede buffering van de standplaats (PROVINCIE NOORDHOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Verdroging en verzuring zijn de grootste knelpunten voor dit habitattype. Verdroging ontstaat dennenaanplant, verstruweling en verbossing, grondwaterwinning en versnelde waterafvoer.

Verzuring ontstaat door stikstofdepositie en de opbouw van humuszuren in combinatie met beperkingen van het natuurlijke grondwaterregime waardoor in de winter geen of te weinig gebufferd grondwater in het maaiveld terechtkomt.  Versnelde afvoer van grondwater en te weinig effectieve neerslag door dennenaanplant en verhouting is nu een knelpunt.  Het wegvallen van voldoende kweldruk en milde overpoedering in dit proces is een knelpunt.  Vergrassing en verruiging, gevolgd door een versnelde successie naar struweel is een belangrijk knelpunt.  Aangezien vochtige duinvalleien kalkrijk goede plekken zijn voor grazers om te grazen, ontstaat er een ongewilde extra graasdruk in het hoofdbloeiseizoen van de valleien. Dit is een knelpunt.  Nieuwe vochtige duinvalleien kalkrijk ontstaan van nature in de voetsporen van wandelende duinen. tegelijk worden verouderde valleien overstoven. In het voetspoor van het duin ontstaat in de vallei een complete reeks van pioniersstadia tot vochtige struwelen. Het wegvallen van dit proces is een knelpunt.  De vestiging van invasieve exoten, vooral Watercrassula, is een knelpunt. 4.1.7.3 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 8,86 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen.

Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype H2190C binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

42/136

Huidige situatie in omvang en kwaliteit In de kalkrijke duinen, rond Bergen aan Zee, komen Vochtige duinvalleien ontkalkt op verspreide locaties voor. Gewoonlijk betreft het hier kleine oppervlakten, met uitzondering van enkele valleien in de zeeduinen en binnenduinen van Egmond. Het areaal aan H2190C betreft in totaal 1,1 hectare, waarvan 0,9 ha in goede kwaliteit verkeerd en 0,2 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend Vochtige duinvalleien ontkalkt zijn door verdroging sterk achteruitgegaan. Bij substantiële vernatting zal dit subtype zich naar verwachting weer beter kunnen ontwikkelen. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Ecologische vereisten De Vochtige duinvalleien ontkalkt komen optimaal voor op matig tot zwak zure bodem met een pH van 4,5 tot 6,5 met een klein aanvullend bereik aan beide kanten. Standplaatsen van Vochtige duinvalleien ontkalkt zijn matig voedselarm tot matig voedselrijk. Het subtype kenmerkt zich dus door een lagere pH en een lagere basenrijkdom ten opzichte van habitatsubtype kalkrijk. Het gaat vaak om oudere duinvalleien, waar de bodem door humusvorming is verzuurd.

De vochtoestand van ontkalkte duinvalleien kenmerkt zich door situaties die ’s winters onder water staan tot situaties met vochtige omstandigheden (gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand dieper dan 40 cm onder maaiveld en minder dan 14 dagen droogtestress) (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van H2190C (PROVINCIE NOORDHOLLAND, 2018).  Stikstofdepositie werkt vergrassing en vestiging van exoten in de hand. Stikstofdepositie is een knelpunt.  Het ontbreken van voldoende winddynamiek en het wegvallen van de konijnenbegrazing zijn eveneens knelpunten voor dit habitattype.  De hydrologie van dit habitattype is belangrijk en verdroging van het wegzakken van de zoetwaterlens door verstruweling/ verbossing, grondwateronttrekking en versnelde afvoer is daarmee een belangrijk knelpunt.  Verder geldt dat houtige exoten en overbegrazing door vee een probleem is met name gedurende de droge zomermaanden. Daarbij komt dat het open trappen van de kwetsbare venige bodem verruiging (oxidatie) in de hand werkt.  Verstarring van het landschap en niet meer ontstaan van nieuwe valleien op grote en kleine schaal is eveneens een knelpunt.

4.1.8 H6410 Blauwgraslanden Beschrijving Dit habitattype betreft soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De begroeiingen in een Blauwgrasland kennen een hoge variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

43/136

In het laagveengebied kunnen plaatselijk Riet (Phragmites australis) en melkeppe (Peucedanum palustris) talrijk zijn. Op de hogere zandgronden zijn soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig. Op wat basenrijkere natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals Parnassia (Parnassia palustris).In duingebieden kunnen plaatselijk ook blauwgraslanden voorkomen. Het gaat hier om oudere, reeds langdurig in cultuur gebrachte delen met een sterke bodemontwikkeling (Natura 2000, 2009). Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 4,45 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 1,02 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Blauwgraslanden binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Huidige situatie in omvang en kwaliteit Het habitattype Blauwgraslanden is in het Noordhollands Duinreservaat beperkt tot enkele natte duinvalleien en vochtige graslanden bij Egmond (Reggers Sandervlak, Vennewater) en een tweetal natte duinvalleien ten zuiden van Bergen aan Zee. Het areaal aan H6410 betreft in totaal 1 hectare, waarvan 1 ha in goede kwaliteit verkeerd. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend De trend betreffende dit habitattype is onbekend. Verstruweling en verruiging spelen echter een rol in de blauwgraslanden in dit gebied, hetgeen een kwaliteitsvermindering is. gezien het geringe oppervlak en de geïsoleerde ligging van dit habitattype in het Noordhollands Duinreservaat ten opzichte van de verspreiding elders in Nederland, is het aannemelijk dat de ontwikkeling naar soortenrijk varianten van het habitattype niet positief zal zijn (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Ecologische vereisten De optimale zuurgraad voor blauwgraslanden omvat zwak tot matig zure condities met een pH tussen 5 en 6,5. Blauwgraslanden zijn afhankelijk van matig voedselarme tot licht voedselrijke situaties. Het kernbereik van de vochttoestand omvat vochtklassen zeer nat en nat met een gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand tussen 5 cm boven tot 25 cm beneden maaiveld (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van Blauwgraslanden (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  De Blauwgraslanden zijn kwetsbaar voor veranderingen in het grondwaterregime, verstoringen in het hydrologisch systeem door, grondwateronttrekking en versnelde waterafvoer, dennenaanplant, verstruweling verbossing. Dit zijn allemaal knelpunten.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

44/136

 Een verhoogde stikstofdepositie en andere vormen van eutrofiering zijn een knelpunt en hebben verruiging tot gevolg. Blauwgraslanden zijn op te vatten als halfnatuurlijke graslanden.  Overbegrazing, niet meer maaien, vroeger maaien, maaien zonder afvoeren en maaien met te zwaar materiaal kunnen knelpunten zijn.  Door verstarring van het huidige landschap en de bijbehorende gevolgen van langzaam dichtgroeien met het uitblijven van het herstel van de konijnenpopulatie, ontstaat het sluipende proces van afnemende winddynamiek en overpoedering van de bestaande vindplaatsen met als gevolg verzuring en verstruweling. Dit is een knelpunt.

4.1.9 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen Beschrijving Dit leefgebied is vooral belangrijk voor Nauwe korfslak. Het leefgebied wordt gekenmerkt door begroeiing dat voornamelijk bestaat uit hoge kruiden en struiken, gelegen op vochtig tot droog, kalkarm tot kalkrijk, humusarm tot humeus, mesotroof tot matig eutroof duinzand. Binnen het leefgebied bestaat er variatie in begroeiing vanwege verschillen in successiestadie, het beheer en van toevallige vestiging van soorten. Deze begroeiing bestaat vooral uit kruiden (subtype a) of uit doornstruiken zoals, Sleedoorn, Wegedoorn, Wilde liguster, Gewone vlier en Eenstijlige meidoorn (subtype b). Beide subtypen komen zowel in grensmilieus als vlakvormig voor, maar in duingebieden waar geen verstuiving meer plaatsvindt, is het type vooral vlakvormig ontwikkeld. De grensmilieus omvatten zomen (met kruiden en grassen) en mantels (met vooral struiken) in met name bosranden, maar ook langs paden (bijvoorbeeld met Slangenkruid) en in de binnenduinen ook wel langs houtwallen, op perceelstranden en in de vorm van hagen. Vlakvormig komt het type vooral voor als (soms zeer uitgestrekt) duinstruweel, waarbij in de meer open plekken de zoomvegetaties aanwezig zijn (bij grotere open plekken ook wel stuivend zand of duingrasland).

De levensgemeenschap is het rijkst wanneer zowel de zoom als de mantel aanwezig zijn, maar beide komen ook afzonderlijk voor (Natura 2000, 2014). Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit leefgebied is 32,78 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 32,78 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen Voor het leefgebied Lg 12 zijn geen instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend Er is niks bekend over de trend van dit leefgebied in het Noordhollands Duinreservaat (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Ecologische vereisten Het bereik van zuurgraad is neutraal, met zwak zuur als aanvullende bereik. Het bereik van de vochttoestand is droog tot vochtig, met matig nat als aanvullend bereik. De waterherkomst van het leefgebied betreft regen- en grondwater. Het vochtig karakter komt niet perse door grondwater, maar door de samenstelling van de strooisel- en humuslaag (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

45/136

Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van leefgebied 12 (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Sluiting van mantelzones. Zonder periodiek onderhoud leidt dit tot dichtgroei met bomen en verlies van nectarstrookfunctie.  Stikstofdepositie bevordert ruigtevereisten en bosvorming, vermindert bloemrijkheid.  Gebrek aan openheid door uitblijven van beheer.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

46/136

4.2

Schoorlse Duinen Sense of urgency Een ‘sense of urgency’ wordt toegekend aan gebieden en soorten waarvoor een mogelijke onherstelbare situatie kan ontstaan. Voor deze gebieden en soorten geldt dat de specifieke ecologische vereisten zo snel mogelijk, in ieder geval in de eerste beheerplan periode, op orde gebracht moeten worden. Voor de Schoorlse Duinen zijn geen habitattypen aangewezen met een ‘sense of urgency’.

4.2.1 H2120 Witte duinen Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 186,39 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 183,78 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Witte duinen binnen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Witte duinen vormen de buitenste duinengordel van de kust (de zeereep). Het habitattype strekt zich in de Schoorlse Duinen langs de hele kustlijn uit. Daarnaast zijn ook aanzienlijke vlakken achter de zeereep als witte duinen gekwalificeerd. Met name centraal in het middenduin ten noorden van de Schoorlse zeeweg. Het areaal aan H2120 betreft in totaal 180 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend Sinds het dynamische kustbeheer in 1998 is ingezet zijn her en der spontane veranderingen in de kustduinen opgetreden. Desondanks komt de dynamiek van verstuiving over het geheel genomen nog niet goed op gang.

Een groot deel van het oppervlak bestaat uit slecht ontwikkelde vegetaties die wel kwalificeren. Het perspectief met betrekking tot de oppervlakte uitbreiding is weinig rooskleurig aangezien het niet aannemelijk is dat er een uitbreiding zal plaatsvinden van het huidige kwalificerende oppervlak (180ha). Een belangrijk deel van dit oppervlak kan zich na het nemen van de juiste maatregelen ontwikkelen als eerste stadium in de vegetatiesuccessie van deze locaties (MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  Een knelpunt om de witte duinen in beweging te laten krijgen ligt in het feit dat het duin in het verleden teveel is vastgelegd door helmaanplant. Vervolgens kon deze plant zich sterk uitbreiden.  Het grote oppervlak H2120 witte duinen in het middenduin gebied dat nu, op grond van vegetatiekundige regels als zodanig kwalificeert, vormt wel een knelpunt om te handhaven en te ontwikkelen als goed ontwikkelde witte duinen. Het ligt meer in de lijn dat na uitvoering van gerichte maatregelen een beperkt deel zich zal kunnen ontwikkelen

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

47/136

tot witte duinen, het overgrote deel zal echter ontwikkelen in de richting van H2130 grijze duinen.

4.2.2 H2130 Grijze duinen 4.2.2.1 H2130A Grijze duinen (kalkrijk) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 59,6 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 53,35 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen kalkrijk binnen Natura 2000gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Binnen de Schoorlse Duinen komen de grijze duinen voor in de duinen direct achter de zeereep en meer in het midden van het gebied. Er is een duidelijke zonering in het voorkomen van de vegetaties die kwalificeren voor het subtype A kalkrijk en het subtype B kalkarm. Het kalkrijke type is voornamelijk beperkt tot de duinen direct achter de zeereep waar de invloed van inwaaien kalkrijk materiaal duidelijk weerspiegeld wordt in de vegetatie. De vegetatie van de grijze duinen in Schoorl moet in een betrekkelijke korte tijdspanne van 7 jaar achteruit zijn gegaan. In 1993 kon nog een aanzienlijke oppervlakte tot het habitattype van de grijze duinen worden gerekend.

Bij de vegetatie opname van 2000 is dit aanmerkelijk teruggelopen. De niet meer meetellende delen zijn tegenwoordig meestal overgroeid met monotone vegetaties waarin zandzegge en helm de boventoon voeren. Ook zijn grote vlakken bedekt met het mos Grijs kronkelsteeltje. Het areaal aan H2130A betreft in totaal 53,3 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend Tegenwoordig raken de voor grijze duinen kenmerkende vegetaties steeds meer overwoekerd door Zandzegge, Helm, Duinriet (vergrassing) en in mindere mare door struweel. Op den duur wordt de bodem bedekt met een dikke viltlaag die elke andere vegetatieontwikkeling verstikt. Dat is niet alleen nadelig voor de plantengroei, maar ook voor de insecten en vogels. Behalve vergrassing vindt ook overwoekering door Grijs kronkelsteeltje plaats. Het doet zich met name voor in de buntgrasduinen. Grote delen van de vegetatie in de Schoorlse Duinen worden gedomineerd door Grijs kronkelsteeltje. Dikke plakkaten van dit mos bedekken de bodem en laten weinig andere planten, mossen en korstmossen meer toe. Zowel de vergrassing als de ongebreidelde groei van Grijs kronkelsteeltje wordt toegeschreven aan luchtverontreiniging en het steeds verder wegvallen van de dynamiek door het vastleggingsbeheer, gecombineerd met de dramatische ineenstorting van de konijnenpopulatie.

De factoren versterken elkaar in de loop van de tijd steeds meer (MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

48/136

 Het vastleggen en beplanten van de duinen is een knelpunt.  Te hoge stikstofdepositie heeft geleid tot vergrassing en is een ernstig knelpunt. 4.2.2.2 H2130B Grijze duinen (kalkarm) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 121,5 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 105,17 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen kalkrijk binnen Natura 2000gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Het kalkarme type is meer beperkt tot het centrale deel van de duinen waar de invloed van inwaaiend kalkrijk materiaal aanzienlijk minder is. Het areaal aan H2130B betreft in totaal 103,3 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend Zie 4.2.2.1. Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  Het vastleggen en beplanten van de duinen is een knelpunt.

 Te hoge stikstofdepositie heeft geleid tot vergrassing en is een ernstig knelpunt.

4.2.3 H2140 Duinheiden met Kraaihei 4.2.3.1 H2140A Duinheiden met Kraaihei (vochtig) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 26,03 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 19,81 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype duinheiden met Kraaihei vochtig binnen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Habitattype H2140 is over een wat groter oppervlakte geconcentreerd in de kern van de Schoorlse Duinen op de Mariavlakte en de Zwarte Blink. Kleinere vlakjes van dit habitattype liggen verspreid in het gebied. Over het geheel genomen kan worden geconcludeerd dat het habitattype H2140 terugloopt in kwaliteit. De struweel en bosopslag zorgen ervoor dat op den duur ook de oppervlakte van het habitattype zal afnemen. Het areaal aan H2140A betreft in totaal 19,8 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016). Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

49/136

Lokale trend De laatste vegetatiekartering dateert van 2000. Een vergelijking met eerdere karteringen leert dat het aandeel jong bos en opslag van bomen en struiken is toegenomen. Enige mate van natuurlijke opslag met bomen en struiken is echter wel gunstig voor de biodiversiteit in het gebied. Dankzij deze rijkdom aan structuur komen bijzondere broedvogels voor. Problematisch in dit opzicht is Amerikaanse vogelkers, omdat deze soort alles overwoekert, waardoor de heide kan verdwijnen (MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  Vergrassing en verstruweling is een knelpunt.  De achteruitgang van een dynamisch milieu is een knelpunt. 4.2.3.2 H2140B Duinheiden met Kraaihei (droog) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 195,18 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 166,95 ha (AERIUS MONITOR, 2025).

Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinheiden met Kraaihei (droog) binnen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Het areaal aan H2140B betreft in totaal 167 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend Het aandeel jong bos en opslag van bomen en struiken is toegenomen. Enige mate van natuurlijke opslag met bomen en struiken is echter wel gunstig voor de biodiversiteit in het gebied. Dankzij deze rijkdom aan structuur komen bijzondere broedvogels voor. Problematisch in dit opzicht is Amerikaanse vogelkers, omdat deze soort alles overwoekert, waardoor de heide kan verdwijnen (MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  Vergrassing en verstruweling is een knelpunt.  De achteruitgang van een dynamisch milieu is een knelpunt.

4.2.4 H2150 Duinheiden met Struikhei Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 32,6 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 26,33 ha (AERIUS MONITOR, 2025).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

50/136

Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinheiden met Struikhei binnen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Binnen Schoorl komen verspreid in de heiden grotere vlakken voor die worden gedomineerd door Struikhei en waar Kraaihei ontbreekt. Deze vegetaties kwalificeren als duinheiden met Struikhei. De ligging is nogal verspreid en varieert van een aantal vlakken in het zuidwesten in onder andere de Fortblink, Groot Ganzenveld, maar ook meer naar het noorden in de omgeving van het Klein Ganzenveld en ten oosten van Baaknolbos. Opvallend is ook de ligging van Struikhei vegetaties op de hogere duinen in het bos en de binnenduinrand. Het areaal aan H2150 betreft in totaal 26,3 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend Struikhei lijkt onder druk te staan door de toename van de Kraaihei in de duinen. Wanneer de oppervlakte van H2140 duinheiden met Kraaihei uit 1993 wordt vergeleken met de vegetaties die in 2000 classificeren onder dit habitattype dan is er een toename van circa 150 ha naar 186 ha. Dit komt overeen met het algemene beeld dat wordt gegeven ten aanzien van de ontwikkeling van Kraaiheide in de duinen.

De afname van de begrazingsdruk in het duin in de afgelopen eeuw heeft de positie van kraaihei versterkt ten opzichte van struikhei (MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  Het habitattype staat onder druk als gevolg van struweelvorming, maar ook door successie naar Duinheide met kraaihei.

4.2.5 H2160 Duindoornstruwelen Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duindoornstruwelen binnen Natura 2000gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit In de Schoorlse Duinen komt het habitattype maar heel sporadisch en matig ontwikkeld voor in het zuidelijk deel van de Kerf aan de landzijde van de zeereep. Het areaal aan H2160 betreft in totaal 0,5 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

51/136

Lokale trend De staat van instandhouding in de Schoorlse Duinen is niet gunstig, dit komt voornamelijk doordat de duinen ten noorden van Bergen van nature nu eenmaal niet optimaal zijn voor dit habitattype. Meer dynamiek in de witte duinen kan echter wel weer nieuwe groeiplaatsen opleveren (MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  Een belangrijk knelpunt voor het geformuleerde instandhoudingsdoel van het habitattype duindoornstruwelen is dat de Schoorlse Duinen van nature arm zijn aan kalk. Hierdoor zijn de duinen minder geschikt als groeiplaats voor Duindoorn.

4.2.6 H2180 Duinbossen 4.2.6.1 H2180A Duinbossen (droog), berken-eikenbos Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 249,74 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 236,47 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinbossen (droog), berken-eikenbos binnen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Subtype A omvat in de Schoorlse Duinen vooral berken – eikenbos. Het wordt aangetroffen in het binnenduin aan de oostkant van het gebied en over een grotere aaneengesloten oppervlakte in het zuidelijk deel van het duingebied. In een substantieel deel van dit habitattype is binnen de Schoorlse Duinen een scherm of eerste boomlaag aanwezig van Zwarte den. Het areaal aan H2180A betreft in totaal 236,5 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 10 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend Over het geheel genomen is de kwaliteit van het habitattype H2180A lang niet optimaal.

De ontwikkelingen op de lange termijn zijn wel gunstig, mede dankzij een aanvullend beheer. Doordat het naaldhout in de oudere delen van het bos wordt gedund, krijgen de loofhoutsoorten meer de ruimte en ontstaat een gevarieerd gemengd bos (MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  In het verleden zijn de bossen aangeplant met naaldbomen. Daarom hebben we hier niet te maken met natuurlijk bos. Het eenvormige naaldbos is eerst nog een knelpunt om aan de eisen van het habitattype te voldoen.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

52/136

4.2.6.2 H2180C Duinbossen (binnenduinrand) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinbossen (binnenduinrand) binnen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Subtype C is voornamelijk beperkt tot de binnenduinrand aan de oostzijde van het gebied en in het zuiden op een beperkt oppervlak. Het type komt op zeer bescheiden schaal voor. tot de uitbreiding van het habitatrichtlijngebied behoort een perceel dat tussen het fietspad en de bebouwingskern van Schoorl ligt. Het areaal aan H2180C betreft in totaal 0,6 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 10 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend In de binnenduinrand, waar de bosontwikkeling verder is doorgevoerd, wordt ook de rompgemeenschap van klimop van de klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke gronden onderscheiden.

Deze gemeenschap valt onder het habitattype H2180C en komt slechts op een zeer klein vlak voor aan de oostrand van het gebied (MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  In het verleden zijn de bossen aangeplant met naaldbomen. Daarom hebben we hier niet te maken met natuurlijk bos. Het eenvormige naaldbos is eerst nog een knelpunt om aan de eisen van het habitattype te voldoen.

4.2.7 H2190 Vochtige duinvalleien 4.2.7.1 H2190A Vochtige duinvalleien (open water) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 3,86 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 2,97 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Vochtige duinvalleien (open water) binnen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Het habitattype wordt in de Schoorlse Duinen maar op een paar plekken aangetroffen. Met uitzondering van het Vogelmeer liggen ze op de flanken van het duinmassief. In het uiterste zuidwesten is dat op de Pirolavlakte en in het noorden in de Pirolavallei en het Groeterzandgat. Het Vogelmeer, midden in het gebied, behoort tot H2190A. In bijna alle Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

53/136

gevallen zijn de best ontwikkelde vegetaties aangetroffen in gegraven zandgaten. Het areaal aan H2190A betreft in totaal 3 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend Om de terugkeer van planten en vochtige en natte milieus mogelijk te maken werd in 1991 een deel van de Pirolavallei tot een maximale diepte van 70 cm afgraven. Hierdoor ontstond een vochtige duinvallei met een aantal duinmeertjes met zwak glooiende oevers, die alleen in zeer droge zomers helemaal droogvallen(MEIJER ET AL, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  Het ontbreken van dynamiek en uitstuiving is tot nu toe een belangrijk knelpunt voor ontwikkeling van nieuwe vochtige duinvalleien. Een ander knelpunt is de verdroging door de grote verdamping van het tot wasdom gekomen naaldbos. Deze knelpunten kunnen omgebogen worden tot kansen. 4.2.7.2 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025).

Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Vochtige duinvalleien (ontkalkt) binnen Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (MEIJER ET AL, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Het habitattype wordt in de Schoorlse Duinen maar op een paar plekken aangetroffen. Met uitzondering van het Vogelmeer liggen ze op de flanken van het duinmassief. In het uiterste zuidwesten is dat op de Pirolavlakte en in het noorden in de Pirolavallei en het Groeterzandgat. Het Vogelmeer, midden in het gebied, behoort tot H2190A. De overige valleien vallen onder het subtype H2190C. In bijna alle gevallen zijn de best ontwikkelde vegetaties aangetroffen in gegraven zandgaten. Het areaal aan H2190C betreft in totaal <1 hectare. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (MEIJER ET AL, 2016). Lokale trend Om de terugkeer van planten en vochtige en natte milieus mogelijk te maken werd in 1991 een deel van de Pirolavallei tot een maximale diepte van 70 cm afgraven. Hierdoor ontstond een vochtige duinvallei met een aantal duinmeertjes met zwak glooiende oevers, die alleen in zeer droge zomers helemaal droogvallen(MEIJER ET AL, 2016).

Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen de Schoorlse Duinen die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van het habitattype (MEIJER ET AL, 2016).  Het ontbreken van dynamiek en uitstuiving is tot nu toe een belangrijk knelpunt voor ontwikkeling van nieuwe vochtige duinvalleien. Een ander knelpunt is de verdroging door

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

54/136

de grote verdamping van het tot wasdom gekomen naaldbos. Deze knelpunten kunnen omgebogen worden tot kansen.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

55/136

4.3

Kennemerland-Zuid Sense of urgency Een ‘sense of urgency’ wordt toegekend aan gebieden en soorten waarvoor een mogelijke onherstelbare situatie kan ontstaan. Voor deze gebieden en soorten geldt dat de specifieke ecologische vereisten zo snel mogelijk, in ieder geval in de eerste beheerplan periode, op orde gebracht moeten worden. Voor het Kennemerland-Zuid zijn de Grijze duinen (alle subtypes) aangewezen als ‘sense of urgency’.

4.3.1 H2120 Witte duinen Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 277,56 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 159,9 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Witte duinen binnen Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit In Kennemerland-Zuid komen langs de gehele kust in de zeereep Witte duinen voor. Bij Zandvoort ontbreekt een doorgaande gordel van Witte duinen in de zeereep vanwege de bebouwing de boulevard aan de westkant. Het habitattype komt hier meer landinwaarts versnipper voor. Het areaal aan H2120 betreft in totaal 178,4 hectare, waarvan 158,5 ha in goede kwaliteit verkeerd en 20 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Lokale trend In de Amsterdamse Waterleidingduinen wordt een afname van het habitattype verwacht door successie naar Grijze duinen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=f55db9d5-0c3c-494f-aba8-a75a836d8f53