Oud - Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting_Bijlage 13 Ecologische beoordeling stikstofdepositie_1
Tekst van het document
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
79/136
4.8
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske Sense of urgency Een ‘sense of urgency’ wordt toegekend aan gebieden en soorten waarvoor een mogelijke onherstelbare situatie kan ontstaan. Voor deze gebieden en soorten geldt dat de specifieke ecologische vereisten zo snel mogelijk, in ieder geval in de eerste beheerplan periode, op orde gebracht moeten worden. Voor Ilperveld, Varkensland, Oostzanderveld & Twiske zijn geen habitattypes aangewezen als ‘sense of urgency’.
4.8.1 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is <1 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op <1 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Vochtige heide binnen Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Vochtige heide is in het Natura 2000-gebied op enkele percelen aan te treffen. Het habitattype in het gebied wordt gevormd door de vegetatietypen moerasheide en het veenmosverbond met kraaiheide. Deze vegetatietypen vertegenwoordigen een goede kwaliteit van het habitattype. De vochtige heide in het Natura 2000-gebied hebben een goede kwaliteit. Kwalitatief gezien behoren ze tot de belangrijkste oppervlakten in Laag Holland. Het areaal aan H4010B betreft in totaal ongeveer 2 ha. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016).
Lokale trend In 2009 is in het Natura 2000-gebied een kleinschalige toename geconstateerd (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Natura 2000-gebied die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype. (PROVINCIE NOORDHOLLAND9, 2016). Water (kwantiteit en kwaliteit): voor een compleetheid in ruimte en tijd van de verlandingsreeks, waarbij vochtige heide een eindstadium vormt, is een verbetering is water (kwaliteit en kwantiteit) nodig voor nieuwe verlandingen waaruit veenmosrietland uit ontstaat en vervolgens vochtige heide. Te weinig of onvoldoende afgestemd natuurbeheer: onder de huidige voedselrijke omstandigheden is voor het nieuw ontwikkelen van vochtige heide én het zo lang mogelijk tegenhouden van successie is een afgestemd beheer nodig. Hier is een relatie met stikstofdepositie wat voor een veranderde en versnelde successie zorgt.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
80/136
4.8.2 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 64,75 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 53,14 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Overgangs- en trilvenen binnen het Natura 2000-gebied is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Veenmosrietland is een tijdelijk stadium in de verlandingsreeks en kent daardoor een natuurlijke variatie in oppervlakte en kwaliteit. Het areaal aan H7140B betreft in totaal 43,3 hectare, waarvan 36,03 ha in goede kwaliteit verkeerd. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016). Lokale trend Sinds 2004 is de trend in het Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland licht negatief (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Natura 2000-gebied die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype. (PROVINCIE NOORDHOLLAND9, 2016).
Niet optimale waterkwaliteit Een overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie tot na 2030. Geen adequaat beheer.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
81/136
5
Beoordeling van effecten Gezien de reeds bestaande overbelasting op bepaalde locaties kan stikstofdepositie een negatief effect hebben op natuurwaarden. Echter vormt het resultaat van een Aerius slechts een indicatie van de daadwerkelijke effecten wat een project heeft op natuurwaarden. Alhoewel een overschrijding van de KDW een belangrijke indicatie is voor een toename van stikstof, is de grootte van het project van belang om de daadwerkelijke invloed te kunnen evalueren. Daarom is het relevant om te beoordelen of de berekende invloed daadwerkelijk een significant effect heeft. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 bevestigd dat de KDW niet dient als een absolute grenswaarde. In dit hoofdstuk wordt een omschrijving gegeven van kleine en tijdelijke deposities, om zodoende een referentiekader te vormen voor het effect van de projectbijdrage. Vervolgens wordt de grootte van de effecten van depositie op gekarteerde habitattype beschreven door een overzicht te geven van: De tijdelijke depositie die berekend is. De beheersmaatregelen die worden toegepast, en de minimale hoeveelheid N die hierdoor worden verwijdert uit het habitattype. De natuurlijke fluctuaties van het habitattype.
Het oppervlak van het habitattype binnen hexagonen waar depositie als resultaat van de tijdelijke werkzaamheden plaats vinden, en welk percentage dit is van het totaal areaal van het habitattype binnen de Natura 2000-gebieden. Het totale oppervlak van het habitattype binnen hexagonen waar de KDW overschreden wordt, en welk percentage dit is van het totaal areaal van het habitattype binnen de Natura 2000-gebieden. De hoogste totale depositie, bestaande uit de achtergronddepositie en de projectbijdrage, en de relatieve bijdrage van de projectbijdrage ten opzichte van het totaal. Dit kan gezien worden als de minimale relatieve bijdrage van het project aan de totale stikstofdepositie, en zodoende dus het minimale effect. De relatieve bijdrage van de projectbijdrage ten opzichte van de KDW. Vervolgens kan, op basis van de instandhoudingsdoelstelling van het habitattype en de grootte van het effect geëvalueerd worden in hoeverre de depositie daadwerkelijk een effect heeft. Per habitattype wordt bepaald of de bijdrage van het project een significant (negatief) effect heeft op het habitattype. Dit kan worden bepaald door de relatieve depositie van dit project ten opzichte van de totale depositie per habitattype te berekenen. Ook het relatieve oppervlak met depositie ten opzichte van het totale oppervlak wordt berekend.
De figuren geven weer op welke hexagonen (lichtpaars) stikstofdepositie door het project plaatsvindt en waar het habitattype (lichtblauw) zich bevindt, inclusief eventueel zoekgebied voor het habitattype. Het totale oppervlak waarover een toename is gemodelleerd bevat tevens het oppervlak over het zoekgebied van het habitattype. Om die reden geeft het relatieve oppervlak t.o.v. het totaal bij de habitattypes met zoekgebied een vertekend beeld en kan boven de 100% uitkomen.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
82/136
Hieronder wordt voor de aanlegfase, per habitattype beoordeeld of de mogelijke effecten van de plannen negatieve gevolgen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Voor habitattypes waar de KDW, als gevolg van dit project, niet wordt overschreden kan vooraf worden gesteld dat er geen significant negatief effect kan optreden ten gevolge van een tijdelijke (kleine) depositie.
5.1
Kleine en tijdelijke deposities Bij activiteiten waar de tijdelijke bijdrage van de stikstofdepositie klein zijn (kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar) en waar geen sprake is van een periode zonder vastgelegd einde, kan worden beredeneerd dat negatieve gevolgen op stikstofgevoelige habitats op voorhand kunnen worden uitgesloten. In de aanlegfase van een project wordt materieel ingezet dat slechts tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. De inzet van het materieel voor een project betreft in feite het telkens verschuiven van bestaande bronnen naar een nieuwe locatie. Het inzetten van dit materieel op een nieuwe locatie kan op zichzelf tot een minieme lokale tijdelijke depositieverhoging leiden. Een dergelijke beperkte toename kan echter nooit van invloed zijn op de omvang en ruimtelijke verdeling van de totale depositiedeken als gevolg van de jaarlijkse inzet van al het zich in Nederland bevindende materieel. Daarmee kan een tijdelijke inzet van materieel geen significante negatieve gevolgen hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Deze lijn geldt voor alle vormen van tijdelijke emissies in de aanlegfase en geldt voor mobiele werktuigen en voor aan/afvoer van materialen in de realisatiefase van een project.
Indien er sprake is van een depositiebijdrage in de gebruiksfase op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000-gebied, dan kan uiteraard sprake zijn van een vergunningplicht op het gebied van stikstof (BIJ12 2021).
5.2
Duiding relevantie kleine stikstofdeposities De berekende stikstofdepositie als gevolg van project leidt tot een maximale depositie van 0,27 mol N/ha/jr binnen acht Natura 2000-gebieden; Noordhollands Duinreservaat, Schoorlse Duinen, Kennemerland-Zuid, Zwanenwater & Pettemerduinen, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, Polder Westzaan, Eilandspolder en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Dit is een, in verhouding met de huidige achtergronddeposities in de Natura 2000-gebieden én de depositiehoeveelheden waarbij bij eerdere studies meetbare ecologische effecten zijn waargenomen, zeer beperkte stikstofdepositie. In het algemeen kan gesteld worden dat dergelijke kleine depositiebijdragen (van enkele honderdsten tot tienden van 1 mol N/ha/jr) op stikstofgevoelige Natura 2000-waarden niet leiden tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied (zie navolgende onderbouwing). Er zijn meerdere punten waaruit blijkt dat een depositietoename van enkele honderdsten tot tienden van 1 mol N over het algemeen als irrelevant kan worden beschouwd. Deze zijn hieronder puntsgewijs opgenomen: Jaarlijkse fluctuaties achtergronddepositie Meteorologische fluctuaties geven variaties in de jaargemiddelde achtergronddepositie van stikstof van ongeveer 10 procent (Velders en Matthijsen, 2009).
De gemiddelde Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
83/136
stikstofdepositie voor het Nederlandse landoppervlak is 1609 mol N/ha/jr (Hoogerbrugge et al. 2020). Dit betekent dat sprake is van een jaarlijkse fluctuatie van circa 160 mol N/ha/jr. Een extra depositie van hooguit enkele tienden van 1 mol N/ha/jr is een te verwaarlozen fractie van deze fluctuatie. Stikstofkringloop In alle habitattypen functioneert een stikstofkringloop waarin jaarlijks grote hoeveelheden stikstof circuleren, veelal duizenden kilo’s per ha. Zo zijn in de duinen van Schiermonnikoog en Ameland in de bovenste 30 cm van de bodem hoeveelheden in de orde van 125.000 tot 450.000 mol stikstof per ha aangetroffen (ARCADIS, 2011). Hierbij is het van belang dat 1 kilogram stikstof 71,43 mol stikstof vormt. Een extra depositie van hooguit enkele tienden van 1 mol N heeft in de stikstofkringloop van een habitattype/leefgebied op zichzelf geen betekenis. Betekenis van kleine stikstofdeposities voor plantenfysiologie Ter illustratie: een hoeveelheid van 0,05 mol N/ha komt overeen met 0,70 gram N per hectare. Bij kleine planten met een wortelstelsel van 10 x 10 cm komt dit overeen met 0,70 µg (0,00000070 gram) extra per plant. Planten met een dergelijke omvang hebben gedurende het groeiseizoen een stikstofbehoefte van circa 0,2 gram stikstof per gram nieuw plantmateriaal. Voor een plant van 10 gram is dit dus circa 2 gram stikstof (Ter Steege, 1996).
De toename van 0,70 µg N per jaar (op een behoefte van 2 gram per plant per jaar) is op plantenfysiologisch gebied dan ook niet relevant. Duiding relevantie kleine stikstofdeposities t.o.v. stikstofemissie en -depositie door ganzen In veel Natura 2000-gebieden geldt dat het aantal (overwegend, grauwe) ganzen al diverse jaren stijgt. Recent onderzoek van het RIVM laat zien dat ganzen (grauwe gans, kolgans, brandgans en toendrarietgans) in de top 10 van (water)vogels met de hoogste ammoniakemissies staan. Zo emitteren de grauwe ganzen gemiddeld 133 ton ammoniak per jaar (Bleeker et al. 2020). Wanneer we kijken naar de depositie als gevolg van ganzen, geldt dat één ganzenkeutel gemiddeld 0,1 gram stikstof bevat. Eén mol stikstof (N) weegt 14 gram, een maximale depositie van 0,72 mol stikstof per hectare per jaar komt zodoende neer op 10,08 gram per hectare per jaar. De stikstofdepositie ten gevolge van een depositie van 0,72 mol stikstof per hectare per jaar is dus ongeveer 102,3 ganzenkeutels per jaar per hectare. Langjarig gemiddelde en natuurlijke fluctuaties van habitattypen De beoordeling van mogelijke significante effecten op habitattypen of leefgebieden dient plaats te vinden tegen de achtergrond van hun natuurlijke dynamiek.
Hierbij wordt nadrukkelijk erkend dat de omvang van een habitattype onder natuurlijke omstandigheden niet constant is, maar onderhevig aan fluctuaties die zich over meerdere jaren kunnen uitstrekken. In lijn met deze benadering kan een kleine, tijdelijke afname als gevolg van een concreet project alleen als significant worden beschouwd als deze aantoonbaar leidt tot een structurele verlaging van het langjarig gemiddelde. Wanneer de natuurlijke veerkracht van het systeem zodanig is dat de afname wordt gevolgd door een herstel, bijvoorbeeld door natuurlijke successie, vegetatieherstel of hydrologisch herstel, zal het gemiddelde over de relevante beoordelingsperiode (vaak 5 tot 10 jaar) niet dalen. In dat geval is er geen sprake van een significant effect. De ‘Nadere toelichting significante gevolgen’ 2009 onderstreept dat de natuurlijke fluctuatie van habitattypen en leefgebieden in sommige gevallen tientallen procenten per jaar kan
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
84/136
bedragen. Tegen die achtergrond is het onwaarschijnlijk dat een tijdelijke afname in de orde van enkele procenten of minder zal leiden tot significante verslechtering, mits er geen sprake is van permanente aantasting en de natuurlijke herstelmogelijkheden behouden blijven. Stikstofreductie door beheer In het kader van de beoordeling van significante gevolgen op Natura 2000-gebieden is het van belang om het verwachte effect van een stikstofbijdrage te plaatsen binnen de context van de ecologische dynamiek en het gevoerde beheer. Wanneer sprake is van een zeer beperkte, tijdelijke extra stikstofdepositie van enkele grammen per hectare per jaar, dan is significant negatief effect op de kwaliteit van een stikstofgevoelig habitattype niet aannemelijk, mits er in het gebied structurele stikstof reducerende maatregelen zijn getroffen die op jaarbasis leiden tot een reductie van meerdere kilogrammen stikstof per hectare (VERBEEK ET AL, 2006).
Een tijdelijke toename van enkele grammen stikstof per hectare is, zowel ecologisch als kwantitatief, ruim een orde van grootte kleiner dan de reductie die op dezelfde oppervlak jaarlijks wordt bereikt via actief natuurbeheer, zoals: het verwijderen van biomassa (maaisel of plaggen) Het stimuleren van stikstofarme vegetaties (door begrazing of verstoring van de bodem) het verbeteren van de hydrologie ter bevordering van uitspoeling Stikstofdepositie Volgens de prognoses van RIVM, welke ook zijn verwerkt in AERIUS 2024, nemen de deposities de komende jaren verder af als gevolg van het autonome beleid. Wanneer deze trend zich voortzet dan zal de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden steeds dichter bij de Kritische Depositiewaarden van habitattypen komen en deze, voor sommige habitattypen, uiteindelijk ook onderschrijden. Een tijdelijke verhoging van de stikstofdepositie heeft geen invloed op het uiteindelijke verloop van dit proces. Een tijdelijke stikstofdepositie heeft dus geen gevolgen voor het behalen van de gebiedspecifieke doelstellingen ten aanzien van de hoogte van de stikstofdepositie (Kleijberg, 2022).
Effectverloop van tijdelijke depositie (Kleijberg, 2022)
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
85/136
5.3
Habitattypen met een depositie > 0,05 mol N/ha/j In onderstaand hoofdstuk worden eerst de habitattypes besproken waar meer dan 0,05 mol N/ha/j op neerkomt. Alleen in het Natura 2000-gebied, het Noordhollands Duinreservaat is er sprake van een toename van meer dan 0,05. In de overige Natura 2000-gebieden is de grootste toename maximaal 0,04 mol N/ha/j. Hierna worden de overige habitattypes waar minder dan 0,05 mol N/ha/j neerkomt.
5.3.1 H2180C Duinbossen (binnenduinrand) Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2180C over een oppervlakte van 256,84 ha. De maximale depositie die neerkomt op dit habitattype is 0,27 mol N/ha/jr. Echter komt deze maximale depositie maar voor op 1 hexagoon (~0.6 hectare). Belangrijk om hierbij te realiseren dat voor nagenoeg het gehele oppervlak van dit habitattype de KDW nog niet is overschreden (zie onderstaand figuur). Tevens zijn er maar drie hexagonen waar de KDW van het habitattype wordt overschreden. Op deze drie hexagonen wordt een depositie berekend van maximaal 0,03 mol/ha/jr. Zie Bijlage 2 voor een overzicht van de stikstofbelasting in het Noordhollands Duinreservaat. In het Noordhollands Duinreservaat worden daarnaast de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Begrazing (integrale- en seizoensbegrazing) Uitbreiding begrazing Heemskerk (incl. zweefvliegveld) De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting van wordt gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde.
Het habitattype Duinbossen (binnenduinrand) kent van nature een relatief stabiele ontwikkeling, maar binnen het bos kunnen lokaal fluctuaties optreden in structuur, soortenrijkdom en verjonging. Deze fluctuaties ontstaan vooral door natuurlijke verstoringen. Vanwege de meer beschutte ligging aan de binnenduinrand en de vaak oudere bosontwikkeling, is de natuurlijke dynamiek hier minder uitgesproken dan in de duinen dichter bij zee. Het langjarig gemiddelde van het areaal aan binnenduinrandbossen blijft relatief constant, zolang het bos zich kan ontwikkelen en successie naar andere typen, zoals struweel of verruigd bos, wordt beperkt. De natuurdoelanalyse voor het Noordhollands Duinreservaat geeft aan dat voor H2180C sprake is van een gunstige of matig gunstige staat van instandhouding, afhankelijk van lokale bodem- en vochtcondities. De bossen aan de binnenduinrand zijn overwegend stabiel, maar gevoelig voor verdroging, stikstofdepositie en vergrassing van de ondergroei (PROVINCIE NOORD-HOLLAND8, 2025). De Ecologische autoriteit heeft in haar advies benadrukt dat behoud van de natuurlijke bodem- en waterhuishouding, evenals het handhaven van structuurvariatie en natuurlijke verjonging, cruciaal is voor de duurzame instandhouding van dit type.
Tijdelijke veranderingen in soortensamenstelling of structuur, bijvoorbeeld als gevolg van natuurlijke sterfte, stormschade, tijdelijke depositie of beheersmaatregelen, passen binnen de natuurlijke dynamiek en niet als aantasting van de natuurlijke kenmerken
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
86/136
worden beschouwd, mits het bosecosysteem zich kan herstellen (ECOLOGISCHE AUTORITEIT, 2023). Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype. De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op duinbossen binnenduinrand in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 Tijdelijke maximale depositie
0,27 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
535,75 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
257,2 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
48 %
Kritische depositie waarde
1786 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
2.288,35 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,015 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,012%
omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,012%). De depositie vindt plaats op een redelijk groot areaal van het totale oppervlak (48%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerkomt erg beperkt. Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,72 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het wel of niet halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Ontwikkeling stikstofbelasting op habitattype H2180C in het Noordhollands-Duinrservaat (AERIUS MONITOR. 2025).
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
87/136
5.3.2 H2130A Grijze duinen (kalkrijk) Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2130A over een oppervlakte van 193,95 ha. De maximale depositie die neerkomt op dit habitattype is 0,27 mol N/ha/jr. Echter komt deze maximale depositie maar voor op 1 hexagoon (<0,05 hectare). Belangrijk om hierbij te realiseren dat voor een aanzienlijk gedeelte van het oppervlak van dit habitattype de KDW nog niet is overschreden. Zie Bijlage 2 voor een overzicht van de stikstofbelasting in het Noordhollands Duinreservaat. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Begrazing (integrale-, seizoens-, zwerf- en drukbegrazing) Verruigde graslanden maaien Plaggen/ chopperen De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. De natuurdoelanalyse beschrijft het habitattype als een kernhabitat van het duinlandschap, met een overwegend gunstige ontwikkelpotentie, mits voldoende natuurlijke dynamiek aanwezig blijft.
De huidige staat wordt echter plaatselijk beïnvloed door verminderde verstuiving, stikstofdepositie en vergrassing (PROVINCIE NOORD-HOLLAND8, 2025). De Ecologische Autoriteit stelt in haar advies dat herstel van natuurlijke processen noodzakelijk is om het habitattype in een gunstige staat te behouden. Daarbij wordt benadrukt dat de omvang van H2130A van nature fluctueert en dat dergelijke schommelingen passen binnen het natuurlijke functionerende duinsysteem. Tijdelijke afname of lokale verschuiving van H2130A naar andere habitattypen wordt ecologisch niet als verslechtering beschouwd, zoals er op landschapsniveau sprake is van continuïteit in de successiereeks en de totale oppervlakte binnen de natuurlijke bandbreedte blijft. Hiermee kunnen de tijdelijke fluctuaties binnen H2130A geen significant negatief effect hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, mits de natuurlijke processen van verstuiving en verjonging duurzaam gewaarborgd blijven (ECOLOGISCHE AUTORITEIT, 2023). Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op kalkrijke grijze duinen in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,016%). De depositie vindt Tijdelijke maximale depositie
0,27 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
1.750,34 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
193,95 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
11,08 %
Kritische depositie waarde
1071 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
1.623,63 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,025 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,016%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
88/136
plaats op een redelijk groot areaal van het totale oppervlak (11,08%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerkomt erg beperkt. Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,27 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
89/136
5.3.3 H2130B Grijze duinen (kalkarm) Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2130B over een oppervlakte van 369,13 ha. De maximale depositie die neerkomt op dit habitattype is 0,27 mol N/ha/jr. Echter komt deze maximale depositie maar voor op 1 hexagoon (~0,1 hectare). Belangrijk om hierbij te realiseren dat voor een aanzienlijk gedeelte van het oppervlak van dit habitattype de KDW nog niet is overschreden. Zie Bijlage 2 voor een overzicht van de stikstofbelasting in het Noordhollands Duinreservaat. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Begrazing (gescheperde kudde, integrale-, seizoens-, zwerf- en drukbegrazing) Maaien en afvoeren Plaggen/ chopperen Uitbreiding begrazing bij Bergen Begrazing nabij Zweefvliegveld De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. De natuurdoelanalyse beschrijft dat het habitattype een belangrijk, maar kwetsbaar onderdeel vormt van de duinsuccessie.
De actuele staat van instandhouding wordt als matig ongunstig beoordeeld, voornamelijk door stikstofdepositie, vergrassing, en een afnemende natuurlijke verstuiving (PROVINCIE NOORD-HOLLAND8, 2025). De Ecologische Autoriteit noemt in haar advies op de noodzaak om natuurlijke processen te versterken. Het stimuleren van windwerking, het verwijderen van opslag en het bevorderen van begrazing worden genoemd als effectieve maatregelen om de natuurlijke dynamiek te herstellen. Daarnaast benadrukt het rapport dat tijdelijke verschuivingen in areaal of kwaliteit niet per definitie duiden op verslechtering, maar kunnen passen binnen de normale ecologische variatie van het systeem. Daarmee wordt geconcludeerd dat tijdelijke fluctuaties binnen H2130B geen significant negatief effect hebben op het behalen van de instanhoudingsdoelstelling, mits de natuurlijke processen van verstuiving, verjonging en successie duurzaam in stand blijven en het functionele areaal op landschapsniveau behouden blijft (ECOLOGISCHE AUTORITEIT, 2023). Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op kalkarme grijze duinen in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op Tijdelijke maximale depositie
0,27 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
1.156,48 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
251,23 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
21,72 %
Kritische depositie waarde
929 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
1.616,93 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,029 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,017%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
90/136
de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,02%). De depositie vindt plaats op een redelijk groot areaal van het totale oppervlak (21,72%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerkomt erg beperkt. Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,27 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
91/136
5.3.4 H2180A Duinbossen (droog), berken-eikenbos Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2180A over een oppervlakte van 895,69 ha. De maximale depositie die neerkomt op dit habitattype is 0,14 mol N/ha/jr. Echter komt deze maximale depositie maar voor op 2 hexagonen (~0,6 hectare). Zie Bijlage 2 voor een overzicht van de stikstofbelasting in het Noordhollands Duinreservaat. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Begrazing (integrale-, seizoensbegrazing) Lift mee op maatregel gescheperde kudde H2130B, H2140AB, H2150 De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het habitattype H2180A vertoont van nature beperkte, maar herkenbare fluctuaties in structuur, soortensamenstelling en leeftijdsopbouw. Deze dynamiek wordt vooral gestuurd door natuurlijke verstoring zoals, windworp, stormschade, insectenplagen, ziekten en wisselende vraatdruk.
Op de lange termijn blijft het areaal van berken-eikenbossen in de duinen relatief stabiel rond een langjarig gemiddelde. Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype. De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op Duinbossen (droog) in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,006%). De depositie vindt plaats op een redelijk groot areaal van het totale oppervlak (70,37%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerkomt erg beperkt. Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,14 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Tijdelijke maximale depositie
0,14 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
1.252,69 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
881,47 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
70,37 %
Kritische depositie waarde
1071 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
2.288,35 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,01 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,006%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
92/136
5.3.5 H2160 Duindoornstruwelen Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2160 over een oppervlakte van 205,72 ha. De maximale depositie die neerkomt op dit habitattype is 0,14 mol N/ha/jr. Echter komt deze maximale depositie maar voor op 1 hexagoon (<0,05 hectare). Belangrijk om hierbij te realiseren dat voor een aanzienlijk gedeelte van het oppervlak van dit habitattype de KDW nog niet is overschreden. Zie Bijlage 2 voor een overzicht van de stikstofbelasting in het Noordhollands Duinreservaat. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Begrazing (integrale-, seizoens-, zwerf- en drukbegrazing) De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het habitattype Duindoornstruwelen vertoont van nature duidelijk fluctuaties in structuur, dichtheid en oppervlakte.
Deze schommelingen zijn het gevolg van natuurlijke processen zoals verstoring door wind, zandverstuivingen, stormschade, ziekten en de aanwezigheid van grazers of konijnen. Over de lange termijn bezien, bewegen Duindoornstruwelen zich rond een langjarig gemiddeld oppervlak, waarbij successie, afbraak en verjonging elkaar afwisselen. Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype. De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op duindoornstruwelen in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,0035%). De depositie vindt plaats op een redelijk groot areaal van het totale oppervlak (20%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerkomt erg beperkt. Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,14 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Tijdelijke maximale depositie
0,14 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
1.027,39 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
128,67 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
12,52 %
Kritische depositie waarde
2000 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
2.288,35 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,0070 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,0061%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
93/136
5.3.6 H2190B Duinvalleien (kalkrijk) Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2190B over een oppervlakte van 16,75 ha. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Begrazing (integrale-, seizoens-, zwerf- en drukbegrazing) Verruigde graslanden maaien Plaggen/ chopperen De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het habitattype Duinvalleien (kalkrijk) kent van nature aanzienlijke fluctuaties in waterhuishouding, voedselrijkdom en vegetatiesamenstelling. Deze natuurlijke wisselingen zorgen ervoor dat het habitattype nooit volledig statisch is, maar een mozaïek van natte, vochtige en iets drogere plekken vormt. Op de lange termijn blijft het areaal van kalkrijke duinvalleien in balans rond een langjarig gemiddelde. Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype.
De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op kalkrijke grijze duinen in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,008%). Daarbij vindt het plaats op een beperkt areaal van het totale oppervlak H1290B binnen het Noordhollands Duinreservaat (12,45%). Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,12 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Tijdelijke maximale depositie
0,12 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
134,54 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
16,75 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
12,45 %
Kritische depositie waarde
1429 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
1.468,21 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,008 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,008%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
94/136
5.3.7 H2150 Duinheiden met Struikhei Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2150 over een oppervlakte van 2,34 ha. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Extra begrazing De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het habitattype Duinheiden met Struikhei vertoont van nature cyclische fluctuaties is structuur en soortenrijkdom, vooral door de levenscyclus van struikhei en de invloed van verstoringen zoals windverstuiving, begrazing, droogte en wintervorst. Op de lange termijn beweegt het areaal van H2140B zich rond een stabiel langjarig gemiddelde, mits natuurlijke verstoring en verjonging aanwezig blijven. Zonder deze dynamiek ontwikkelt de heide zich naar struweel of bos, waardoor het karakteristieke habitattype verdwijnt. Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype.
De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op duindoornstruwelen in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,008%). De depositie vindt plaats op een redelijk groot areaal van het totale oppervlak (43,02%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerkomt erg beperkt. Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,12 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Tijdelijke maximale depositie
0,12 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
5,44 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
2,34 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
43,02 %
Kritische depositie waarde
857 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
1.504,84 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,01 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,008%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
95/136
5.3.8 H2190A Duinvalleien (open water) Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2190A over een oppervlakte van 8,46 ha. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Maaien en afvoeren De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het habitattype Duinvalleien (open water) kent van nature sterke fluctuaties in waterpeil, oppervlakte en vegetatieontwikkeling, die samenhangen met het lokale grondwaterregime, neerslag, verdamping en verstuiving. Deze dynamiek is essentieel voor het behoud van het habitattype. Over de lange termijn beweegt het areaal van open water in duinvalleien zich rond een langjarig gemiddeld niveau, waarbij tijdelijke afname of uitbreiding van het wateroppervlak een natuurlijk onderdeel vormt van het ecosysteem. Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype.
De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op duinvalleien open water in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,006%). Daarbij vindt het plaats op een beperkt areaal van het totale oppervlak H1290A binnen het Noordhollands Duinreservaat (12,92%). Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,10 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Tijdelijke maximale depositie
0,10 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
65,46 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
8,46 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
12,92 %
Kritische depositie waarde
1000 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
1.644,45 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,01 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,006%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
96/136
5.3.9 H2130C Grijze duinen (heischraal) Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2130B over een oppervlakte van 5,62 ha. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Extra maaien en afvoeren Struweel verwijderen langs randen De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het habitattype Grijze duinen (heischraal) heeft van nature duidelijke fluctuaties in vegetatiedichtheid, soortenrijkdom en bodemvoedselrijkdom, veroorzaakt door factoren zoals windverstuiving, begrazing door konijnen, droogte- en natte perioden, en variaties in stikstofdepositie. In rustige perioden, of bij wegvallen van natuurlijke grazers, kan het oppervlak aan open grijze duinen tijdelijk afnemen door vergrassing of opslag van struiken.
Over de lange termijn blijft het areaal van H2130C zich rond een stabiel langjarig gemiddelde bewegen, mits er voldoende natuurlijke of beheer-geïnitieerde verstuiving plaatsvindt en successie wordt teruggezet. De (natuurlijke) fluctuaties van het habitattype kunnen de tijdelijke depositie opvangen zonder dat het langjarige gemiddelde onder de instandhoudingsdoelstellingen zal zakken. De tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype. De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op kalkarme grijze duinen in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,006%). De depositie vindt plaats op een redelijk areaal van het totale oppervlak (21,39%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerkomt erg beperkt.
Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,09 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit. Tijdelijke maximale depositie
0,09 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
26,27 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
5,62 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
21,39 %
Kritische depositie waarde
786 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
1.439,10 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,01 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,006%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
97/136
5.3.10 H2140A Duinheiden met Kraaihei (vochtig) Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2140A over een oppervlakte van 5,22 ha. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Plaggen en chopperen Intensivering onthouten Maaien en afvoeren De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het habitattype vertoont van nature langzame maar duidelijke fluctuaties in soortenopbouw en structuur, vooral gestuurd door wisselingen in de grondwaterstand, klimaatvariaties, verstuivingen en begrazing. Over de lange termijn blijft het areaal van H2140A relatief stabiel rond een langjarig gemiddelde, mits hydrologische omstandigheden en natuurlijke verstoring behouden blijven. Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype.
De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op duindoornstruwelen in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,006%). De depositie vindt plaats op een redelijk groot areaal van het totale oppervlak (18,86%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerkomt erg beperkt. Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,09 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Tijdelijke maximale depositie
0,09 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
27,68 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
5,22 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
18,86 %
Kritische depositie waarde
857 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
1.462,39 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,01 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,006%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
98/136
5.3.11 H2120 Witte duinen Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in habitattype 2120 over een oppervlakte van 7,68 ha. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Begrazing (integrale-, seizoens- en zwerfbegrazing) De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het habitattype Witte duinen kent van nature aanzienlijke fluctuaties in zowel oppervlakte als kwaliteit. Op de lange termijn schommelt het areaal witte duinen rondom een relatief stabiel gemiddeld oppervlak. Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype. De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op witte duinen in het Noordhollands Duinreservaat.
De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,0049%). Daarbij vindt het plaats op een zeer beperkt areaal van het totale oppervlak H2120 binnen het Noordhollands Duinreservaat (1,81%). Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,08 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Tijdelijke maximale depositie
0,08 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
423,68 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
7,68 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
1,81 %
Kritische depositie waarde
1429 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
1.616,40 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,0056 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,0049%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
99/136
5.3.12 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de Duinen Het ‘worst case’ uitgangspunt gaat ervan uit dat er mogelijk kwaliteitsverlies optreedt in leefgebied Lg12 over een oppervlakte van 26,91 ha. In het Noordhollands Duinreservaat worden de volgende beheersmaatregelen genomen om, onder andere, stikstof te reduceren: Begrazing (integrale-, seizoens-, zwerf- en drukbegrazing) Maaien en afvoeren De genoemde beheersmaatregelen zorgen voor een minimale stikstofreductie van 2 -4,5 kg N per ha (VERBEEK ET AL, 2006). De tijdelijke, extra belasting wordt ruimschoots gecompenseerd door structurele, effectgerichte maatregelen. Hiermee kan de bijdrage niet leiden tot een structurele verslechtering van het langjarig gemiddelde, en is een significant gevolg dus niet aan de orde. Het leefgebied Lg 12 is van nature onderhevig aan fluctuaties in structuur, dichtheid en soortensamenstelling, die worden beïnvloed door natuurlijke processen zoals, wind, zandverstuiving, vraat door dieren, ziekten en ouderdom van struiken. Een tijdelijke, beperkte stikstofdepositie valt binnen de bandbreedte van de natuurlijke, langjarige fluctuaties van het habitattype. De tijdelijke belasting wordt daarmee, ecologisch gezien, opgenomen binnen het natuurlijke patroon van variatie, en heeft daarmee geen effect op de staat van instandhouding.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de effecten die de projectbijdrage heeft op leefgebied 12 in het Noordhollands Duinreservaat. De, zoals in 4.1 omschreven kleine projectbijdrage van de tijdelijke stikstofdepositie heeft een verwaarloosbaar effect op de totale hoeveelheid stikstof die op het habitattype neerdaalt (0,0035%). De depositie vindt plaats op een redelijk groot areaal van het totale oppervlak (82,09%), echter blijft de hoeveelheid stikstof die op het leefgebied neerkomt erg beperkt. Met het in acht nemen van bovenstaande punten kan de kleine tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,08 mol N/ja per jaar geen invloed hebben op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen; verbetering oppervlakte en kwaliteit.
Tijdelijke maximale depositie
0,08 mol N/ha/jr
Oppervlak habitattype in N2000 gebied
32,78 ha
Totale oppervlakte in relevante hexagonen
26,91 ha
Relatief TOV totaal oppervlak habitattype
82,09 %
Kritische depositie waarde
1643 mol N/ha/jr
Hoogste totale depositie
2.288,35 mol N/ha/jr
Bijdrage TOV kritische depositie waarde
0,0049 %
Bijdrage TOV totale depositie:
0,0035%
Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054
100/136