bijlage bij vragen GBH Compensatie tussen de bedrijven door
Tekst van het document
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
34
Figuur 9: Vleermuis- en mussennestkasten rond Boerderij de Stal en ooievaarspaal Etalage (terreindeel Alkmaar). Bron achtergrond: open streetmap.
Figuur 10: Vleermuis- en mussennestkasten, marterhoop en ijsvogelwand van gemeente Alkmaar in de zuidelijke Boekelermeer en het insectenhotel in de Oostelijke ecozone Heiloo. Bron achtergrond: open streetmap.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
35
3.4.3
Faunapassages, ecoduikers, keerwanden en vispassage. Onder enkele doorlopende autowegen (Toermalijnstraat, Diamantweg en Olivijnstraat) en onder de inmiddels tot fietspad omgevormde Boekelermeerweg zijn waar ze door ecozones lopen faunatunnels met lichtroosters en betonnen keerwanden aangebracht (Figuur 11). Er zitten gaten in het keerwandensysteem, maar er zijn geen aanwijzingen dat daar geregeld faunaslachtoffers vallen. Rustigere, voor autoverkeer doodlopende wegen (Nijenburgerweg en Parelweg) en fietspaden zijn niet voorzien van faunavoorzieningen. Onder bruggen over deze wegen zijn doorlopende oeverstroken aanwezig (ook bij groene verbindingen). In het Rijkswaterstaatdeel zijn twee lange faunatunnels onder de rijbanen van de A9 gelegd. Ook is er een niet waterdicht raster met gazen keerwand langs de weg aanwezig. Ten behoeve van de passage van vis richting andere polders is een vispassage aangebracht door Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Omdat betonnen keerwanden nogal kwetsbaar bleken voor verkeer zal bij aanleg van de Zuidwestelijke ecozone gewerkt gaan worden met een paaltjesraster met aan de onderrand een deels ingegraven plastic keerwand. Om uitwisseling met poldergebieden ten zuiden van het plangebied te optimaliseren wordt aanbevolen om de Kanaalweg te voorzien van faunapassages.
Om de uitwisseling tussen ecozones en het Rijkswaterstaatterrein te verbeteren moet conform het plan nog een brug (brede duiker) tussen de wegsloot van de A9 en de ecozone in de Etalage worden aangelegd.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
36
Figuur 11. Ligging van faunavoorzieningen voor de passeerbaarheid van infrastructuur. Onder de Kanaalweg aan de zuidgrens van het bedrijventerrein is het gewenst om faunatunnels aan te leggen om uitwisseling met de poldergebieden ten zuiden van het bedrijventerrein mogelijk te maken.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
37
4 Knelpuntenanalyse rugstreeppad De populatie rugstreeppadden binnen de ecologische zones bestaat op basis van de monitoring van de afgelopen jaren naar schatting uit minimaal 40-60 volwassen dieren (Boddeke et al., 2022). Buiten de ecologische zones zijn naar schatting minimaal 10-20 volwassen dieren aanwezig. De totale minimumpopulatie volwassen dieren is dus 50-80 volwassen dieren groot. Voor een duurzame subpopulatie zijn minimaal 300 volwassen dieren noodzakelijk (zie bijlage 1). De uitbreiding van de ecozones heeft de afgelopen jaren niet geleid tot een toename in het aantal dieren (zie bijlage 1). In dit hoofdstuk worden de mogelijke oorzaken besproken. Vervolgens worden maatregelen geformuleerd om tot een populatie van voldoende omvang te komen. Veel van de hier onder besproken problematiek is ook in eerdere versies van het compensatieplan behandeld.
4.1
Voortplantingswateren
4.1.1
Is het aantal poelen en andere voortplantingswateren voldoende? Per in gebruik zijnde poel worden gemiddeld drie eisnoeren afgezet blijkt uit de monitoring. Daar zestig procent van de vrouwtjes jaarlijks deelneemt aan de voortplanting (zie bijlage 1), betekent dit een activiteit van ongeveer 10 volwassen dieren per poel, uitgaande van een 1:1 sexratio. In de periode 2018-2021 waren er tijdens het voortplantingsseizoen 15 potentieel geschikte poelen, waarvan 6 ook regelmatig gebruikt zijn. Eind 2022 zijn er 10 poelen bijgekomen, zodat er vanaf 2023 25 potentieel geschikte poelen zijn. Er komen bij realisatie en geplande herinrichting van ecozones nog 6 poelen bij en indien Rijkswaterstaat haar 2 poelen door aangepast beheer- en inrichting geschikt maakt, zijn er in totaal 33 voortplantingspoelen beschikbaar. Tabel 8: Schatting van het minimumaantal volwassen rugstreeppadden op basis van gebruik van poelen in een aantal scenario’s. Het aantal volwassen rugstreeppadden in de periode 2018-2021 lag in werkelijkheid hoger doordat er ook voortplanting plaatsvond buiten de ecozones. Als die worden meegerekend ligt het geschatte aantal volwassen dieren rond de 80 stuks. Scenario
Aantal geschikte poelen
2018-2021 bij volledig gebruik
Aantal eisnoeren normaal gebruik
Schatting bijbehorend minimumaantal volwassen dieren
15
45
150
2018-2021 werkelijk aantal meestal gebruikte poelen
4 tot 6
12 tot 18
40-60
gepland aantal poelen totaal, bij volledige gebruik
33
99
330
situatie indien alleen nieuwste poelen ook bezet raken
20
60
200
Conclusie: het aantal voortplantingswateren is tot dusverre nog te laag geweest om op een minimale populatie van 300 volwassen dieren te komen. Omdat maar een klein deel van de poelen daadwerkelijk gebruikt wordt, kan geconcludeerd worden dat het huidige aantal poelen daarbij niet beperkend is geweest voor groei van de populatie.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
38
In de uiteindelijke situatie is het aantal poelen voldoende voor een duurzame subpopulatie, maar alleen als de andere bepalende factoren voldoende gunstig zijn. Iets meer poelen is veiliger.
4.1.2
Functioneren de voortplantingswateren voldoende? Doordat er drie verschillende types betonpoelen en drie types zandige poelen zijn (zie bijlage 4), is er sprake van enige risicospreiding voor de voortplanting wanneer een bepaald type poel een jaar minder blijkt te werken door bijvoorbeeld weersomstandigheden. Het aantal roepende mannetjes en afgezette eisnoeren per poel verschilt tot dusverre niet erg. Betonpoelen Een klein deel van de betonpoelen worden jaarlijks gebruikt voor de voortplanting door rugstreeppad. Het voortplantingssucces is wisselend. Er zijn een aantal knelpunten geconstateerd: Slechte waterkwaliteit door uitwerpselen van ganzen en eenden en inwaaiend stof In eerste jaren na aanleg tot ongeveer 2010 was er met name sprake van een onverklaarbaar sterke flabgroei in veel betonpoelen. Het is mogelijk dat de flabgroei veroorzaakt werd (en soms wordt) door voedingstoffen uit inwaaiende stof van omgeploegde bollenakkers en het vuilstortterrein. Er lijkt een matige relatie te zijn tussen de hoeveelheid flab (of andere alg) en het gebruik van poelen door rugstreeppadden: alleen bij heel veel flab zijn minder of geen rugstreeppadden actief. In de jaren dat er begraasd werd (2010-2013) zorgde geitenpoep van in de poelrand rustende dieren voor bruin troebel water en een detrituslaag.
In de ecozones zijn daarna geleidelijk steeds meer ganzen en in mindere mate ook (soep)eenden verschenen. De dieren rusten en broeden in de zones en poepen daarbij in de poelen. Het water wordt eveneens bruin en er ontstaat een detrituslaag. Daarnaast treedt sinds 2016 vaak blauwalg op in poelen. Uit de monitoring blijkt dat rugstreeppadden zich (in eerste instantie) voortplanten in dergelijke troebele poep-poelen maar uiteindelijk verdwijnen ze, al dan niet omdat er in die poelen vervolgens een blauwalg of flab-explosie plaatsvindt. Sterfte onder net gemetamorfoseerde padjes door uitdroging op randen betonpoelen. Jonge, bijna- en net gemetamorfoseerde padjes houden zich een aantal dagen tot weken op rond de rand van hun voortplantingswater alvorens ze definitief op het land verder leven. In die fase zijn ze kwetsbaar voor predatie en uitdroging. In de warme zomers van 2017 en 2018 is tijdens de monitoring waargenomen dat (een onbekend deel van de) padjes uitdroogden en stierven op het beton. Ook viel op dat het formaat van de metamorfoserende padjes klein was en dat dieren vlekken hadden die geïnterpreteerd zijn als brandwonden. Vanaf 2017 zijn daarom meestal grasplaggen in de waterlijn geplaatst. Het is de vraag of het aantal plaggen voldoende is geweest omdat het verschijnsel ook in 2018 nog werd waargenomen.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
39
Sterfte door overbevolking poelen Er zijn aanwijzingen dat er in sommige jaren teveel eisnoeren worden afgezet in poelen. Hierdoor treedt sterfte op als gevolg voedseltekort of predatie van larven op eisnoeren. Dit wordt gezien als gevolg van het beperkte formaat van de meeste betonpoelen en van een gebrek aan migratiemogelijkheden van volwassen dieren richting andere poelen binnen het landhabitat. Het gebrek aan migratiemogelijkheden wordt onder het kopje landhabitat behandeld. Om overbevolking van poelen in nieuwe ecozones te voorkomen worden deze vanaf 2015 in clusters van 2-5 bij elkaar gelegd en is op één locatie een ‘reuzenpoel’ (nr 10) aangelegd. In hoeverre dit werkt is nog niet bekend: De reuzenpoel is nooit gekoloniseerd, wat kan komen doordat het omliggende landhabitat ongeschikt is. Het cluster van langwerpige poelen werkt beperkt doordat de dieren zich grotendeels in de nieuwste poel voortplanten (er roepen minder- of geen mannetjes in de oudere poelen). De nieuwste (uit 2022) poelenclusters zijn nog niet gekoloniseerd. Predatie en concurrentie met andere amfibieën Predatie van jonge amfibieën en larven en door andere fauna is onder andere bekend van vogels (oa fazanten) en bruine ratten. In de oever van een natuurlijke poel is doorgaans zoveel dekking aanwezig dat een voldoende groot deel van jonge amfibieën het overleeft door zich te verschuilen.
Op een kale poelrand, al dan niet voorzien van één enkele grasplag ontbreekt die dekking te veel. Het is onbekend in hoeverre predatie van jonge padjes op betonnen poelranden in de Boekelermeer plaatsvindt en zo ja, of dit dusdanig is dat er een probleem is. De werkwijze die gehanteerd wordt bij de monitoring is echter niet geschikt om predatie in beeld te brengen. Dat komt in de eerste plaats doordat de bezoekfrequentie te laag en te kort is: binnen een potentiële jongenperiode van 2,5 maand (half juni, eind augustus) wordt er op twee avonden wordt er 2x 5 minuten per poel gekeken. En zelfs in die twee x 5 minuten per poel is de kans op het betrappen van een predator nihil. Bij de huidige aanpak is een predator al lang gevlucht voordat de observerende ecoloog bij de poelrand is aangekomen. Er zou langdurige observatie met een wildcamera + nachtkijker nodig zijn om predatoren te snappen. Tot slot is het vaststellen van predatie in tegenstelling van bijvoorbeeld predatie van jonge vogels dat er geen resten (veren, bloed, leeg nest enzovoort) overblijft: jonge padjes kunnen in zijn geheel worden opgeschrokt zonder dat er sporen van achterblijven. Uit literatuur is bekend dat de aanwezigheid van andere amfibiesoorten in het voortplantingswater negatief effect heeft op de voortplanting van rugstreeppad.
In de poelen binnen de Boekelermeer is waargenomen dat rugstreeppad verdween uit poelen met (veel) bastaardkikker en kleine watersalamander op Meerzicht en in de Oostelijke ecozone Heiloo. In de betreffende poelen was ook een dichte helofytenvegetatie tot ontwikkeling gekomen. Het kan daarom zijn dat deze vegetatie op zichzelf de poel al ongeschikt maakte. Zandige wandelende poelen De voortplanting van rugstreeppad vindt bij wandelende poelen bijna uitsluitend plaats in poelen die het winterseizoen ervoor zijn gegraven. Het voortplantingsresultaat lijkt mede door het grotere formaat, vochtige oever en mogelijk grote hoeveelheid voedsel beter te
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
40
zijn dan in betonpoelen. De afhankelijkheid van jaarlijks vrij intensief beheer heeft echter risico’s. Aanlegfouten. Het is voorgekomen dat een nieuw gegraven poel te ondiep werd gegraven. De poel was in het winterseizoen waterhoudend, maar viel in het voortplantingsseizoen droog. Gebrek aan beheer Door wisseling in het beheerteam is het schonen en vergraven van wandelende poelen een jaar achterwege gebleven. Dit had het daaropvolgende jaar tot effect dat de voortplanting grotendeels mislukte doordat de oude poelen razendsnel waren dichtgegroeid. Snel dichtgroeien bij aanwezigheid wortelstokken en voedselrijk water Wanneer er rietwortelstokken in of nabij de nieuwe poelen zitten, blijken deze de poelen razendsnel te koloniseren en dicht te groeien. Het (grond)water in de poelen blijkt vaak erg voedselrijk wat zich uit in vorming van dichte flabpaketten. Dichte flabpakketten en versnelde rietgroei kan met name later in het seizoen (juni-augustus) de kwaliteit van voortplantingswateren doen verslechteren. Mogelijke schade aan padden bij vergraven Met name bij het noodzakelijke graven van nieuwe poelen kan schade ontstaan aan rugstreeppadden. Door jaarlijks een klein deel van de poelen te vergraven blijft dit hopelijk beperkt. Conclusie: gebrek aan kwaliteit van de poelen heeft invloed op het voortplantingssucces en daarmee de populatieomvang.
De kwaliteit kan door middel van het juiste beheer worden verbeterd. Maatregelen: Betonpoelen • Neem in het bestek op om de betonpoelen jaarlijks in september leeg te pompen, waarbij detritus en ganzenpoep moet worden verwijderd. • Plaats in betonpoelen met voortplanting in het voorgaande jaar (bekend uit monitoring) een rij grasplaggen (minimaal 2 m lengte, plaggrootte circa 30x30x5cm). Doe dit aanvullend bij eventuele nieuwe poelen waar voortplanting plaatsvindt. • Maai rietkragen rond de eilanden met in gebruik zijnde poelen geheel af in het najaar, om vestiging van broedende ganzen en daarmee (een deel van de) uitwerpselen in poelen voorkomen. • Nieuwe poelen worden aangelegd als zandige wandelende poel of als betonpoel met aangepaste zandrand en aangelegd op kortere afstand van elkaar of in clusters. Wandelende poelen: • Beheer de poelen jaarlijks conform plan, zodat elk jaar pionierwater aanwezig is.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
41
• •
Schoon de niet-te-vergraven poelen conform plan in het najaar om uitbreiding van riet en lisdodde in toom te houden. Verwijder rietwortelstokken zo volledig mogelijk bij het (ver)graven van (nieuwe) poelen.
Rijkswaterstaatpoelen • Deze zijn niet (lang genoeg) waterhoudend: ze moeten ofwel worden omgevormd tot op het grondwater uitgegraven wandelende poelen, ofwel worden omgevormd tot betonpoel nieuwe stijl om te kunnen functioneren. • Rijkswaterstaat moet worden geïnformeerd over deze aanbeveling.
4.2
Landhabitat
4.2.1
Is de oppervlakte van de ecozones voldoende? De ecozones omvatten zo’n 70 hectare, waarvan de helft land en de helft water. Het water telt niet mee als leefgebied, zodat er zo’n 35 hectare potentieel landhabitat aanwezig is. Het is niet precies bekend hoeveel landhabitat rugstreeppadden nodig hebben voor hun overleving, aangezien de kwaliteit ervan en het voortplantingssucces in de poelen en factoren als predatie, beheeruitvoering en mate van verbinding een grote invloed hebben. Er zijn dan ook gevallen bekend waarin een vrij grote populatie rugstreeppadden jarenlang binnen een vrij klein terrein leefde (bijvoorbeeld miniatuur Walcheren in Middelburg, begraafplaats Barbara bij Amsterdam, het voormalig WNK-terrein in de Boekelermeer zelf), of vrij kleine duinterreinen waarbinnen zeer veel rugstreeppadden werden afgevangen, maar ook grote terreinen in diverse Noord-Hollandse polders met hele lage dichtheden rugstreeppadden. Conclusie: het is aannemelijk dat er bij de juiste inrichting en beheer van het landdeel van ecozones een voldoende grote populatie rugstreeppadden aanwezig zou kunnen zijn.
4.2.2
Is de kwaliteit van het landhabitat voldoende? De ecozonedelen met poelen én droog schraal grasland zijn te beschouwen als het nagestreefde ‘geoptimaliseerde leefgebied’ dat het uitgangspunt vormt bij het compensatieplan (zie bijlage 1). Voor ligging van de hier onder genoemde terreindelen zie figuur 3. • Momenteel voldoen de ecozones Meerzicht, de eilanden van de Westelijke ecozone en de droge delen van de Etalage hier aan. • De Westelijke ecozone Heiloo, de Zuidwestelijke ecozone Alkmaar en de kavel achter boerderij de Stal zijn iets voedselrijker maar nog wel geschikt. • Het terrein achter boerderij de Stal is eveneens iets voedselrijker, maar ongeschikt door het ontbreken van voortplantingswater in combinatie met geïsoleerde ligging door watergangen en bosschages. • Het eiland van Poel 7 is waarschijnlijk wel schraal genoeg, maar ligt te laag en is te klein van omvang.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
42
• •
Het landdeel van het terrein van poel 10 en van het terrein van poel 9 is te voedselrijk én ligt te laag. Het landdeel van poel 8 is hoog genoeg gelegen, maar is te voedselrijk. De Oostelijke ecozone Alkmaar is gedeeltelijk hoog genoeg, maar te voedselrijk. Bovendien ontbreken poelen in deze zone.
Conclusie: het oppervlakte landhabitat van voldoende kwaliteit is niet groot genoeg. Diverse terreindelen zijn te laag gelegen en/of een te voedselrijke bodem om geschikt te zijn. In sommige terreindelen ontbreekt daarnaast voortplantingswater of liggen te geïsoleerd (zie ook hier onder). Er zijn een aantal terreindelen die zich lenen voor verbetering. In hoofdstuk 6 worden ze nader besproken.
4.2.3
Zijn de ecozones voldoende met elkaar verbonden? De ecozones zijn zo aangelegd dat ze een aaneengesloten geheel vormen, met verbindingen naar het buitengebied. Hierdoor moet uitwisseling van dieren in de ecozones en naar buiten mogelijk worden gemaakt. Kolonisatie vond nieuwe terreinen vindt hoofdzakelijk plaats door juveniele padjes, maar ook volwassen dieren zijn in staat nieuwe voortplantingswateren te gaan zoeken, met name als de oude niet geschikt zijn of als er roepende dieren worden waargenomen. Hoe toegankelijk die aaneengesloten zones daadwerkelijk zijn voor rugstreeppadden wordt bepaald door de ‘weerstand van het landschap.’ (zie bijlage 1 voor details over beweging over land bij rugstreeppadden). Binnen de ecozones hebben bredere waterbergingen, hoge ruige vegetaties (ruig gras, riet, bosschages), en uitgerasterde wegen met een beperkt aantal faunatunnels een hoge weerstand. In de Westelijke ecozone Alkmaar zorgen bedrijfspanden voor een aanvullende weerstand. Door de weerstand duurt het langer voordat terreindelen gekoloniseerd en geherkoloniseerd worden, of vind (her)kolonisatie in het geheel niet plaats. Het zorgt er ook voor dat volwassen dieren zich met name in dichtbijgelegen poelen voortplanten en verder weg gelegen poelen, die in theorie binnen de actieradius liggen, nooit bereiken als het bekende voortplantingswater niet meer voldoet.
In kleinere geïsoleerdere terreintjes is mogelijk onvoldoende voedsel vinden voor een groepje rugstreeppadden. De beperkte toegankelijkheid is ook de waarschijnlijke reden dat de grotere oppervlaktes braakliggend terrein buiten de Ecozones in de praktijk waarschijnlijk weinig gebruikt worden als landhabitat door rugstreeppad. Op de route tussen deze terreinen en de voortplantingswateren die binnen de ecozones liggen, bevinden zich te veel obstakels. Een mogelijk effect van een te hoge weerstand van het landschap binnen ecozones kan zijn dat de beschikbare voortplantingswateren in terreindelen met rugstreeppadden ‘overbelast’ worden. Tijdens de monitoring is in de Westelijke ecozone een paar keer geobserveerd dat rugstreeppadlarven eisnoeren van de eigen soorten prederen en dat er in poelen met larven van verschillende leeftijden wederom eisnoeren werden afgezet. In 2018 is om die reden een eisnoer verplaatst naar een geschikte poel zonder larven. 22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
43
Aangenomen wordt dat volwassen rugstreeppadden over het algemeen in staat zijn om te ‘voelen’ of het voortplantingswater al ‘vol’ zit met larven en dat ze vervolgens uitwijken naar ander water in de directe omgeving. Als dat niet gebeurt kan het een teken zijn dat de dieren hun terreintje niet uitkomen. Conclusie: de toegankelijkheid van de ecozones is beperkend voor (her)kolonisatie van terreindelen en kan ook het voortplantingssucces van dieren in ecozones belemmeren bij overbevolking van poelen. • Waar dit mogelijk is moeten obstakels in de uitwisseling worden weggenomen. Bijvoorbeeld door het dempen van sloten en het regelmatiger maaien van hoge, ruigte vegetaties. In hoofdstuk 6 worden aanbevelingen gedaan. • In nieuwe ecozones worden extra poelen in clusters geplaatst. • In bestaande ecozones kunnen extra poelen worden aangelegd.
4.2.4
Is het beheer voldoende? Het beheer heeft tot doel om het landhabitat geschikt (vergraafbare grond en korte en of ijle vegetatie) te houden voor rugstreeppad. Bij enkele braakliggende terreinen in de Boekelermeer met een schrale, zandige bodem buiten de ecozones is waargenomen dat deze zo’n 3-12 jaar geschikt kunnen blijven zonder ingrepen. De praktijk heeft laten zien dat de droge en schrale terreindelen (bv Meerzicht) met een vrij extensief beheer inderdaad open en kort kunnen blijven met vergraafbare grond. Binnen terreindelen met voedselrijkere grond lukt dat veel minder goed. Muizen- en mollengangen zijn mogelijk van belang als schuilplaats. Bij een extensief beheer blijven deze beter in tact dan bij een intensief beheer. Op vochtigere grond lijkt het binnen de Boekelermeer bijna onmogelijk om een open lage vegetatie met vergraafbare grond te handhaven. Er is op veel locaties riet opgeslagen. Sinds het invoeren van extra maaibeurten is geen sprake meer van verdere uitbreiding van riet en neemt de bedekking licht af. Maar de vegetatiemat blijft gesloten en hoog. De dichte, vochtige vegetatie op veel vochtigere terreindelen zorgt voor een lager kwalitatief deel van het leefgebied dat alleen geschikt is al aanvullend foerageergebied en (moeizame) migratieroute. De uitvoering van het beheer kan een rechtstreeks effect hebben op de aanwezige rugstreeppadden.
Wanneer met te zware machines gewerkt wordt kunnen ingegraven rugstreeppadden geplet kunnen worden. Effecten van zware machines zijn met name bekend in relatie tot de groei van vegetaties op akkers en in de bosbouw. Zware machines kunnen leiden tot bodemverdichting. Hierdoor neemt de vergraafbaarheid van bodems af. Reubens et al., 2012 en Van Schooten et al., 2019 geven summiere normen om bodemverdichting in de landbouw te voorkomen (zie bijlage 3). Deze kunnen overgenomen worden bij uitvoering van het beheer binnen de ecozones. Het is mogelijk dat er ook bij een lagere wieldruk al negatieve effecten ontstaan; bijvoorbeeld wanneer in een voor rugstreeppad lastig vergraafbare ondergrond de muizen/ratten/mollengangen worden dichtgereden. Daarom is het zo min mogelijk betreden van de kern van het rugstreeppadterreinen met beheerapparatuur van belang. 22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
44
Het is niet bekend hoe zwaar de apparatuur is die wordt ingezet bij het beheer in de Boekelermeer. Voor zover wij hebben kunnen zien tijdens de monitoring gaat het overwegend om kleiner en relatief licht materieel dat is aangepast op kleinere terreinen met een geringe draagkracht. Duidelijke insporing is tijdens de monitoring alleen gezien in ecologische oevers en éénmaal in de Westelijke ecozone Heiloo nadat daar eenmalig met zeer zwaar materieel gewerkt was aan gronddepots. Het frezen wordt ondiep (<20 diep) uitgevoerd binnen een periode dat rugstreeppadden geacht worden diep (>20 cm) te zijn ingegraven, daardoor is het niet waarschijnlijk dat het frezen tot slachtoffers leidt. Bij chopperen worden alleen de bovenste centimeters beroerd, zodat geen effecten hoeven te worden verwacht. Bij vergraven en afgraven van poelen, puinwanden en gronddepots kan wél directe schade en sterfte ontstaan. Tegelijkertijd is het de beste manier om langduriger open grond te creëren en om poelen te laten ‘wandelen’ zodat er steeds echt pionierwater is. Vergraven van terreinen en wandelen van poelen kan dan ook alleen in de grotere terreindelen, waar ook steeds voldoende onvergraven terrein te vinden is. Begrazing zorgt voor een constantere aanwezigheid van lagere vegetatie. Indien uitgevoerd door kortdurende schapenbegrazing is de verdichting van de bodem waarschijnlijk vrij beperkt.
Het is van belang om poelen en gronddepots (alleen Westelijke ecozone Heiloo) bij begrazing te ontzien. Conclusie: het beheer is effectief op de drogere schralere terreindelen maar minder op de nattere terreindelen. Het is daarom van belang voldoende droge, schrale terreindelen te creëren binnen een rugstreeppadleefgebied. De effecten van de gebruikte machines zijn onbekend, negatief effect is niet op voorhand uit te sluiten. • Aanbevolen wordt om wiellasten boven 3 à 4 ton per wiel te vermijden. Aanpassen van de wiellast kan door andere wielconfiguraties te gebruiken. Bij voorkeur dubbele wielen. • Aanbevolen wordt om geen apparatuur in te zetten met wiellasten boven de 3 ton en met een bandenspanning die zo laag mogelijk is, bij voorkeur 0,4 bar. • Aanbevolen wordt om primair landhabitat van rugstreeppad zo min mogelijk te betreden met beheerapparatuur om bodemverdichting en het dichtrijden van muizen/ratten/mollengangen te voorkomen. • Aanbevolen wordt om binnen nu ongeschikte nattere terreindelen met maaibeheer te zorgen voor voldoende ‘migratiebanen’ voor jonge padjes, vergelijkbaar met een sinuspad uit de maaimethode ‘sinusmaaien’.
4.3
Probleemanalyse uitgewerkt op ecozoneniveau Westelijke cluster Alkmaar Meerzicht (2002), Terrein poel 7 (2007), terrein poel 10 (2015) worden niet gebruikt door de rugstreeppad. De geïsoleerde ligging door gebruik van eilanden is waarschijnlijk het voornaamste probleem. Daarnaast is bij twee terreinen een gebrek aan geschikt landhabitat. Problemen met blauwalg, ganzen en uitdroging van jonge padjes kunnen worden opgelost met beheermaatregelen. De slechte waterkwaliteit in poelen van de
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
45
Westelijke ecozone Alkmaar kan worden opgelost door beheer. Het soms optredende tekort aan voortplantingswater kan worden opgelost door een extra poel toe te voegen. Tabel 9 probleemanalyse rugstreeppadterreinen in noordwesthoek Boekelermeer Zuid, gemeente Alkmaar. Zone
Last van weerstand?
Kwaliteit landhabitat
Kwaliteit voortplantingswater
Meerzicht
Ja, ligt op eiland via
Goede kwaliteit. Wel
Betonpoelen
oude
smalle
vermesting
stijl,
met
dam
en
door
deels
bosrijke terreintjes en
ganzenpoep. Op te
blauwalg.
wegen verbonden met
lossen door beheer.
lossen door beheer.
Op
te
Ja, ligt op eiland via
Grotendeels
Betonpoel oude stijl.
smalle
gelegen,
weinig
Problemen
bosrijke terreintjes en
vergraafbare
grond,
lossen met beheer.
wegen verbonden met
dichte vegetatie.
andere ecozones. Op
Op
te
herinrichting.
andere ecozones. Op te
lossen
met
herinrichting. Terrein poel 7
dam
lossen
en
met
te
laag
lossen
op
te
met
herinrichting. Terrein poel 10
Landverbinding aanwezig,
wel
obstakelwerking smalle
sloten
Te laag gelegen en te
Grote betonpoel met
voedselrijk.
te
blauwalg.
met
Problemen
lossen en
Op
herinrichting.
op
te
lossen met beheer.
rietkragen. Eilanden poel 4 en 5/6
Ja, door slootjes en
Vrij
ruige
toenemende
omringd
vegetatie
goed,
verruiging duinriet.
wel met
Soms
te
weinig
poelen
en
hoge
belasting
met
ganzenpoep.
Oostelijke cluster Alkmaar Het oostelijke deel van de Westelijke ecozone Alkmaar (2004), de Oostelijke ecozone Alkmaar (2009) en terrein Poel 8/9 (2013/2015) en de strook naast de vuilstort (2002) zijn bedoeld als rugstreeppadleefgebied maar worden niet als zodanig gebruikt. Gebrek aan landhabitat, gebrek aan poelen (mede door aanwezigheid van een leidingenstrook) en isolatie spelen hier een probleem. Op de strook langs de vuilstort na maken de terreinen deel uit van de zone ‘bedrijven in het groen’. In dit deel van de zone kan achteraf gesteld worden dat te veel bedrijven zijn gepland om samen te gaan met de rugstreeppaddoelstelling. Oplossing kan gevonden worden door enkele bouwkavels binnen deze zone alsnog als ecozone in te richten.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
46
Tabel 10 probleemanalyse rugstreeppadterreinen in oosthoek Boekelermeer Zuid, gemeente Alkmaar. Zone
Isolatie
Oostelijke
deel
Westelijke
ecozone
Alkmaar
Landhabitat
Poelen
Ja,
wegen,
Slechte
kwaliteit;
Afwezig.
bosschages,
dichte
alleen
secundair
slootjes
graslanden,
Smalle waren
ooit
leefgebied in de vorm
geschikt,
watergangen
en
van dicht grasland,
successie niet meer.
afwezigheid
van
rietland en bermen.
geschikt
leefgebied
binnen
een
door
ecozonedeel van 600 x 180 meter zorgen voor isolatie. Oostelijke ecozone
Matig. Verbinding via
Matig; vrij hoge dichte
Afwezig in verband
faunapassages
vegetatie. Deels wel
met
voldoende
leidingenstrook.
en
doorlopende oevers.
hoog
aanwezigheid
gelegen. Vergraafbare
grond
ontbreekt. Terrein poel 8/9
Matig. Verbinding via
Slecht; hoge dichte
Poelen met flab en
faunapassages
vegetatie. Grond te
algen.
voedselrijk.
Problemen
Grotendeels te laag
lossen met beheer.
en
doorlopende oevers.
op
te
gelegen. Vergraafbare
grond
ontbreekt. Leidingenstrook naast
Heeft
Matig; vrij hoge dichte
Afwezig in verband
vuilstort
landverbinding
alleen
vegetatie. Deels wel
met
richting terrein poel
voldoende
leidingenstrook.
8/9
gelegen. Vergraafbare
hoog
aanwezigheid
grond
ontbreekt.
Ecozones Heiloo De Westelijke ecozone Heiloo fungeert goed als rugstreeppadleefgebied. Uit de oostelijke ecozone zijn ze verdwenen. De gemeente Heiloo gaat een laaggelegen kavel inrichten als rugstreeppadleefgebied. De kavel wordt na het verwijderen van de voedselrijke toplaag opgehoogd en voorzien van twee poelen. Aan de zuidkant wordt een dam gemaakt om een landverbinding naar het zuiden mogelijk te maken. Naar het noorden sluit de ecozones van gemeente Heiloo aan op die van gemeente Alkmaar. Naar het zuiden toe sluiten ze aan op de agrarische poldergebieden. De Kanaalweg vormt een obstakel. Aanbrengen van faunatunnels ter hoogte van de twee ecozones kan dit oplossen.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
47
Tabel 11 probleemanalyse rugstreeppadterreinen in noordwesthoek Boekelermeer Zuid, gemeente Alkmaar. Zone
Isolatie
Landhabitat
Poelen
Westelijke ecozone
Naar het zuiden toe
Goed, door beheer
Goed, door beheer
vormt de Kanaalweg
met de kraan ontstaat
met de kraan ontstaat
een obstakel dat kan
steeds
steeds een nieuwe
worden opgelost door
grond.
pionierpoel.
Naar het zuiden toe
Slecht; de kavels zijn
Huidige twee poelen
vormt de Kanaalweg
te laag gelegen en
zijn
een obstakel dat kan
begroeid met een te
doordat het niet lukt
worden opgelost door
dichte
om
aanleg
Overwinterings-
aanleg
van
vergraafbare
een
faunatunnel. Oostelijke ecozone
van
faunatunnel.
een
vegetatie. en
ongeschikt hun
pionierstadium vast te
foerageergebied
houden.
ontbreken.
Op
te
lossen
met
Op te lossen door
aanleg andere poelen
ophoging
die
kavel.
van
lage
vergraven
periodiek kunnen
worden.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
48
5 Aanbevelingen voor realisatie subpopulatie rugstreeppadden.
duurzame
Uit de analyse in hoofdstuk 4 blijkt dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat er binnen de Boekelermeer een duurzame subpopulatie rugstreeppadden ontstaat (ontheffingsvoorwaarde). Uit de analyse blijkt dat er een aantal beperkingen zijn die de groei van de populatie rugstreeppadden remt: • de oppervlakte schrale vegetatie met vergraafbare grond is te laag. De vegetatie van sommige rugstreeppadterreinen is nu veel te ruig. • De functionaliteit van poelen wordt belemmerd door blauwalg, ganzenpoep en gebrek aan vocht en dekking net boven de waterlijn. • de migratie tussen verschillende deelgebieden wordt bemoeilijkt door terreindelen met een hoge ‘weerstand’ (watergangen, ruige vegetaties en bosschages). • In sommige terreindelen ontbreekt voortplantingswater. • De bodem van sommige voor rugstreeppad bedoelde terreindelen is te laag gelegen om geschikt te zijn als overwinteringsplek, of bevat lage ligging en of grote voedselrijkdom met een te dichte en hoge vegetatie om geschikt te zijn foerageergebied in combinatie met te weinig vergraafbare grond om in te schuilen. De problematiek is zichtbaar in een aantal terreindelen die zijn aangelegd tussen 2002 en 2015 en dus al 7 tot 19 jaar bestaan. De meeste van die terreinen zijn nooit gebruikt door de rugstreeppad; alleen Meerzicht (gemeente Alkmaar) is tussen 2003 en 2013 gebruikt.
Deze terreinen dienen fors verbeterd te worden of formeel af te vallen als leefgebied. De Oostelijke ecozone Heiloo is gebruikt tussen 2006 en 2016.
5.1
Gefaseerde aanpak We bevelen aan om maatregelen ter verbetering van de populatie rugstreeppadden in een aantal fases uit te voeren en steeds te monitoren en te evalueren hoe succesvol ze zijn. De relatief kostbare uitvoering van fase 3 is alleen nodig als realisatie van fase 1 & 2 niet het gewenste resultaat blijken te hebben. In 6.2. is een visualisatie opgenomen van de maatregelen uit fase 2-3 met toelichting.
5.1.1
Fase 1: Goede uitvoering van het beheer & kunstmatig stimuleren van kolonisatie nieuwe terreinen. De maatregelen uit deze fase kunnen onmiddellijk (vanaf 2023) en zonder veel extra kosten worden uitgevoerd.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
49
Uitvoering beheer Het voortplantingsresultaat binnen de terreindelen waar ze reeds aanwezig zijn kan worden bevorderd door de in dit rapport aanbevolen beheermaatregelen goed uit te voeren (zie hoofdstuk 6 voor details). Het betreft op hoofdlijnen: • het droogleggen en schoonmaken van betonpoelen in september. • Het plaatsen van plaggen in randen van oude poelen. • tijdig beheren van wandelende poelen zonder daarbij in winterslaap zijnde rugstreeppadden worden beschadigd. • Periodiek maaien, chopperen en frezen. • Periodiek vergraven van delen van puinwallen. Goede afstemming tussen ecoloog en beheerder is daarbij van belang. Kunstmatig stimuleren kolonisatie nieuwe terreinen Het kunstmatig stimuleren van de kolonisatie van nieuwe terreinen kan plaatsvinden op twee manieren: • eisnoeren uit poelen in de Westelijke ecozone waar al eisnoeren of larven in aanwezig zijn over te zetten naar de nieuwe poelen in de Etalage. • Lokken van mannetjes door het afspelen van de roep van andere mannetjes bij de nieuwe poelen in de Westelijke ecozone Alkmaar, afkomstig uit de naastgelegen Westelijke ecozone Heiloo. Indien er veel eisnoeren worden afgezet in de Westelijke ecozone Heiloo, kunnen er ook eisnoeren worden overgezet naar de Westelijke ecozone Alkmaar.
Na realisatie van de Zuidoostelijke ecozone Alkmaar en herinrichting van de Oostelijke ecozone Heiloo kunnen ook naar de daar aangelegde poelen eisnoeren worden overgebracht. Na de herinrichtingsmaatregelen die worden voorgesteld in fase 2 heeft het ook zin om deze terreindelen kunstmatig te laten koloniseren. Beide genoemde methodes worden vaker toegepast. In de Boekelermeer is twee keer een eisnoer overgezet van een te volle naar een lege (geschikte) poel. Ook is er rond 2003 gewerkt met het afspelen van geluid van roepende rugstreeppadden om ze te lokken. Aanvullend experiment: maaien van paden voor migratie jonge padjes De gemeente gaat experimenteren met het maaien van een paden door ecozones en langs de randen van bermvegetaties die ecozonedelen met elkaar kunnen verbinden. Het idee is dat kortgemaaide grasstroken gunstig zijn bij migratie van jonge padjes, die vooral ’s nachts plaatsvindt. De omliggende hogere vegetatie blijft beschikbaar voor dekking overdag. De eerste beoogde maaironde is (tweede helft) mei, in de periode vóór de migratie van jonge padjes, die doorgaans vanaf half juni plaatsvindt. De maaibeurt vindt alleen plaats indien uit de monitoringronde eind mei blijkt dat er nog geen jonge padjes zijn. Dit om te voorkomen dat er juist bij de maaibeurt padjes sneuvelen. Waar nodig kan een volgende maaibeurt plaatsvinden in juli en een/of augustus.
Het op locatie vaststellen van migratie van jonge padjes is erg lastig, omdat dit alleen opvalt indien het plaatsvindt in hele hoge dichtheden. Er zal tijdens veldbezoeken in het kader van de monitoring in juni, juli en augustus wel op gelet worden.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
50
5.1.2
Fase 2 Ophogen met zand, aanleg poelen. Door uitvoering van herinrichting kunnen bepaalde terreindelen die bedoeld zijn voor de rugstreeppad ook daadwerkelijk gaan functioneren. De fase levert 7 extra poelen op. Deze fase kan binnen 1-2 jaar worden uitgevoerd. Effecten zijn vervolgens binnen 2-4 jaar te verwachten. • Het terrein van poel 7 is te vochtig en moet (gedeeltelijk) worden opgehoogd met schraal zand. • Het terrein van poel 8 en 9 is deels te vochtig (en voedselrijk) en deels opgehoogd met te voedselrijk zand en geïsoleerd door een slootje. Het terrein moet worden opgehoogd met schraal zand en kan gemakkelijk worden uitgebreid door de bestaande betongeleiding te verwijderen en dichter bij de weg een raster met onderplaat te plaatsen. • Het terrein van poel 10 is te voedselrijk en moet worden afgeplagd (veel rietwortelstokken) en daarna opgehoogd worden. • Van het terrein ten zuiden van poel 10 moet de bestaande bestrating en zitmeubilair verwijderd worden. Daarna kan een laag zand worden aangebracht en een betonpoel nieuwe stijl. • Het nu te laag gelegen terrein tussen de eilanden van poel 4 en poel 5/6 kan worden opgehoogd, waarbij de daar gelegen wandelpaddelen opnieuw moeten worden aangelegd, al dan niet op een andere wijze. • In het terrein achter boerderij de Stal moet een betonpoel nieuwe stijl worden toegevoegd om het functioneel te maken.
De bodem is hoog en schraal genoeg. • In de Oostelijke ecozone wordt een laag schraal zand opgebracht en worden twee eenvoudig te verwijderen poelen van vijverfolie aangebracht. Deze zijn niet lastiger te verwijderen dan het huidige wandelpad. Indien dit nodig is bij werkzaamheden en er zijn larven of eisnoeren aanwezig van de rugstreeppad kunnen deze zonder extra ontheffing verplaatst worden naar de nabijgelegen betonnen poelen in terrein poel 8/9. Indien de vijverfolie scheurt, is aanbrengen van nieuwe vijverfolie een vrij goedkope maatregel. Het vergraven van de leidingenstrook heeft overigens nog nooit plaatsgevonden!
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
51
Figuur 12. Indicatieve visualisatie invulling fase 2 in het noordwestelijk deel van de ecozonestructuur. Alleen het RWS-terrein ontbreekt in deze afbeelding. Geel=ophogen met schraal zand. Blauwe stip=nieuwe betonpoel aanleggen. De uiteindelijke exacte oppervlakte en begrenzing van op te hogen terreindelen en ligging van poelen moet nader worden uitgewerkt en kan dus enigszins anders zijn.
Figuur 13: Indicatieve visualisatie invulling fase 2 in het noordoostelijk deel van de ecozonestructuur. Geel=ophogen met schraal zand. Blauwe stip=nieuwe betonpoel of vijverfoliepoel aanleggen. De uiteindelijke exacte oppervlakte en begrenzing van op te hogen terreindelen en ligging van poelen moet nader worden uitgewerkt en kan dus enigszins anders zijn.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
52
Aanvullend experiment: konijnenhopen. De gemeente gaat proberen groei van de konijnenpopulatie te stimuleren door aanleg van een of meer zandhopen, zodat konijnen hier gemakkelijk holen in kunnen graven. De konijnen kunnen vervolgens door hun graas- en graafgedrag de geschiktheid van de ecozones voor de rugstreeppad vergroten. De hopen worden bij voorkeur aangebracht in (de rand van) struweel op de overgang naar droog grasland. Het betreft een experiment dat afhankelijk van het succes verder kan worden toegepast. Er zitten namelijk al jaren konijnen in de Boekelermeer en er zijn al diverse potentieel geschikte locaties, maar de konijnendichtheid in ecozones is altijd erg laag geweest. Op braakliggende kavels en tussen de bedrijven is de konijnenstand sterk wisselend. Er waren jaren met veel konijnen, terwijl de soort andere jaren geheel leek te ontbreken. Virusziektes, plaagdierbestrijding en predatie kunnen hier de oorzaak van zijn. Het succes van de maatregel kan door te letten op konijnensporen (graaswerk, keutels, holen) eenvoudig tijdens de monitoring worden vastgesteld.
5.1.3
Fase 3 Verbinden van te geïsoleerde terreindelen en inrichting kavel bollenakker. Als na een paar jaar blijkt dat fase 1 en 2 te weinig succes hebben gehad kan fase 3 worden uitgevoerd. • Meerzicht, de Westelijke ecozone, terrein Poel 7, terrein poel 10 en terrein achter Boerderij de Stal worden beter met elkaar verbonden door beperkte slootdempingen (en het afgraven van grond elders om voldoende waterberging te behouden. • De geplande duiker in de wegsloot van de A9 wordt aangebracht om de Etalage met het RWS-terrein te verbinden. • Ter compensatie van de dempingen wordt aanbevolen een deel van het monotone rietlandje ten noorden van Nijenburgerweg 5 af te graven. • Het is zeer wenselijk dat de kavel in de Westelijke ecozone Alkmaar, die nu nog in particulier bezit is en periodiek gebruikt wordt als bollenakker in de Westelijke ecozone wordt aangekocht, zodat deze kan worden opgehoogd met schraal zand en wordt voorzien van twee betonpoelen nieuwe stijl. Omdat de gemeente voorziet dat het aankoopproces enige tijd kan duren is deze inrichting onderdeel gemaakt van fase 3.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
53
Figuur 14: Indicatieve visualisatie invulling fase 2 en 3 in het noordwestelijk deel van de ecozonestructuur. Fase 2: Geel=ophogen met schraal zand. Blauwe stip=nieuwe betonpoel aanleggen. Fase 3: paars is beperkte demping van waterdelen. Oranje is ophogingen op land om verbinding te verbeteren. Lichtgeel= aan te kopen en op te hogen kavel, nu nog periodieke bollenakker. De uiteindelijke exacte oppervlakte en begrenzing van op te hogen terreindelen en ligging van poelen moet nader worden uitgewerkt en kan dus enigszins anders zijn.
Figuur 15: Indicatieve visualisatie invulling fase 2 en 3 in het noordoostelijk deel van de ecozonestructuur. Fase 2: Geel=ophogen met schraal zand. Blauwe stip=nieuwe betonpoel aanleggen. Fase 3: paars is beperkte demping van waterdelen. Oranje is ophogingen op land om verbinding te verbeteren. Lichtgeel= aan te kopen en op te hogen kavel, nu nog periodieke bollenakker. De uiteindelijke exacte oppervlakte en begrenzing
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
54
van op te hogen terreindelen en ligging van poelen moet nader worden uitgewerkt en kan dus enigszins anders zijn. Isolatie terreindelen De isolatie van de (schier)eilanden kan worden verminderd door enkele kleinere slootdempingen. Ophogingen en aanleg van twee poelen dragen bij aan het verminderen van de isolatie. Hierdoor ontstaat een verbinding tussen de verschillende terreindelen. Door de huidige periodiek gebruikte akker op te hogen en te voorzien van een poel komt er ook verder naar het oosten geschikt leefgebied. Om de uitwisseling richting de Etalage mogelijk te maken wordt aanbevolen om een extra poel aan te leggen in het terrein achter boerderij de Stal. Dit terrein is hoog gelegen en relatief schraal en vormt daardoor geschikt landhabitat. Kwaliteit landbiotoop In hoofdstuk 4 staan beheermaatregelen genoemd om de kwaliteit van bestaand geschikt landhabitat in stand te houden. De gewenste hoogteligging en bodemsamenstelling van nieuw aan te leggen optimale stukjes landbiotoop staat beschreven in bijlage 1. De draagkracht van het bestaande landbiotoop wordt vergroot wanneer het meer aaneengesloten ligt (zie isolatie). Kwaliteit voortplantingswater In hoofdstuk 4 staan beheermaatregelen genoemd om de kwaliteit van bestaande poelen te verbeteren. Om de functionaliteit van poel 1-3, 7 en 10 te bereiken is uitvoering van de hierboven genoemde maatregelen noodzakelijk.
Om het soms optredende tekort aan voortplantingswater
5.2
Optimalisatie Oostelijke ecozone Heiloo De hier onder voorgestelde herinrichting van een kavel zal worden uitgevoerd in het najaar/winterseizoen 2022/2023 door de gemeente Heiloo.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
55
Figuur 16: inrichtingsmaatregelen om de oostelijke ecozone Heiloo te laten functioneren. Geel is: ophoging met schraal zand. Blauwe stip: te creëren poel. De doorzichtige grijze vlakken zijn de bedrijventerreinkavels en agrarische gronden buiten de ecozones. De uitvoering van deze maatregelen zal plaatsvinden in 2023.
5.3
Ecozone RWS en aansluiting ervan op de Etalage (Alkmaar) In een aantal jaar is een belangrijk deel van het zandige schrale terreindeel door gebrek/ontbreken van maaibeheer begroeid geraakt door struweel en boomopslag. De poelen zijn niet (voldoende) waterhoudend. De verbinding tussen het RWS-deel en ecozone De Etalage van gemeente Alkmaar is nog niet conform plan verbeterd. • Mogelijk is het noodzakelijk om maatregelen te treffen voor voldoende open grond in de RWS-ecozone. Hiervoor moet een veldbezoek worden uitgevoerd. • De poelen in het RWS-terrein moet worden vervangen door betonpoelen nieuwe stijl of waterhoudende wandelende zandpoelen. • De geplande dam over de bermsloot moet worden aangelegd door gemeente Alkmaar. • Er is momenteel geen contact met Rijkswaterstaat en dus ook niet op de hoogte van deze aanbevelingen. De gemeente Alkmaar kan Rijkswaterstaat (laten) informeren.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
56
Figuur 17: inrichtingsmaatregelen om het RWS-terrein te laten functioneren. Blauwe stip: opnieuw in te richten poel (RWS-deel), paars: aan te brengen dam (Alkmaar en RWS-deel).
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
57
6 Richtlijnen voor beheer Gemeentes Alkmaar en Heiloo werken conform de richtlijnen van de gedragscode Bestendig beheer en onderhoud groenvoorzieningen. Bij uitvoering van het beheer van grazige vegetatie werkt gemeente Heiloo volgens de richtlijnen van kleurkeur. In dit hoofdstuk wordt met name ingegaan op die delen van het beheer die afwijken van ‘standaardbeheer.’ De gemeente Heiloo heeft een beheerplan waarin onderstaande maatregelen zijn verwerkt.
6.1
Beheer van de poelen bedoeld voor de rugstreeppad Betonpoelen • In betonpoelen oude stijl met voortplanting van de rugstreeppad worden uiterlijk omstreeks half mei een aaneengesloten rij grasplaggen geplaatst in de waterlijn over een lengte van minimaal 2 meter (grasplag circa 30x30x5 cm groot, bij voorkeur gestoken binnen dichte duinrietruigtes). • Betonpoelen (nieuwe- en oude stijl) worden jaarlijks in september (na het voortplantingsseizoen) drooggepompt waarbij blauwalg, flab, detritus, vogelpoep en overmatige vegetatie worden verwijderd en afgevoerd. • In de zandige rand van betonpoelen nieuwe stijl kan mogelijk struik- en boomopslag plaatsvinden. Deze opslag wordt in september verwijderd. • Om kruisbesmetting via het materieel te voorkomen, worden steeds eerst poelen zonder blauwalg drooggepompt. • Indien mogelijk wordt in betonpoelen een plukje gewone waterbies geplant. Deze soort blijkt flabgroei te onderdrukken. Zandige wandelende poelen • De zandige poelen bestaan maximaal 3 jaar. • Ze worden aangelegd in tussen september en half november (na de voortplantingsperiode, voor de overwinteringsperiode). • In najaren na aanleg worden ze geschoond, waarbij het schoonsel wordt afgevoerd. • Aan het eind van het laatste jaar wordt voorafgaande aan de demping geschoond en worden eventuele wortelstokken van riet en lisdodde zo veel mogelijk verwijderd uit de bodem van de poel.
• De poel wordt gedempt met grond die vrijkomt bij het graven van een nieuwe poel iets verderop. • De werkzaamheden worden uitgevoerd met niet te zwaar materieel (zie richtlijnen in analyse rugstreeppad in hoofdstuk 5). • Er wordt gewerkt met zo beperkt mogelijke rijroutes die zonodig voorzien worden van rijplaten om bodemcompactie en insporing te voorkomen.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
58
6.2
Beheer van droog landhabitat rugstreeppad Doel is de instandhouding van een grote oppervlakte open en/of lage begroeiing, met plekken met kale vergraafbare grond voor rugstreeppad. Er kan hier niet conform kleurkeur gewerkt worden met een hoge maaihoogtes en sterke fasering in maaibeurten, omdat dit leidt tot een ongewenst dichte en hoge vegetatie en versneld verlies van open grond. • Er wordt niet gemaaid tussen half juni en half augustus om schade aan juveniele padjes in de vegetatie te voorkomen. • Er wordt een lage maaihoogte aangehouden (bv 4 cm) en nagenoeg geen vegetatie overgeslagen bij maai- en/of graasbeurten. • De beheerfrequentie is afhankelijk van de productiviteit van de vegetatie. Productievere delen worden minimaal 1x per jaar gemaaid in het najaar tussen eind augustus en eind oktober, buiten de kwetsbare periode). • Laagproductieve delen blijken geen jaarlijks beheer nodig te hebben en worden alleen in overleg met de ecoloog gemaaid of ontdaan van struikopslag als blijkt dat ze te zeer dicht groeien. • Voedselrijk droog landhabitat wordt 2x per jaar gemaaid, al dan niet gecombineerd met begrazingsbeheer om in de aanwezigheid van een korte toegankelijke periode te voorzien.
• Aanbevolen wordt om primair landhabitat van rugstreeppad zo min mogelijk te betreden met beheerapparatuur om het dichtrijden van muizen/ratten/mollengangen en bodemverdichting te voorkomen. • Aanbevolen wordt om bij beheer van ecozones geen apparatuur in te zetten met wiellasten boven de 3 ton en met een bandenspanning die zo laag mogelijk is, bij voorkeur 0,4 bar. Hierdoor kan bodemverdichting worden voorkomen. Begrazingsbeheer • Begrazingsbeheer kan aanvullend worden ingezet. • Het wordt bij voorkeur uitgevoerd in de vorm van gefaseerde drukbegrazing met schapen en/of geiten gecombineerd met (na)maaien en afvoeren. • Extensieve begrazing is ongeschikt, omdat dan verruiging optreedt. Bij alleen drukbegrazing blijft teveel gewas (platgetrapt en houtige stengels) achter. • Indien begraasd wordt, moeten poelen worden uitgerasterd om te voorkomen dat er teveel uitwerpselen in poelen komen. Frees- chopper- en graafbeheer van droge grond en puinwallen. Begrazingsbeheer, maaibeheer en zelfs niets doen beheer leiden uiteindelijk tot een gesloten vegetatie die nauwelijks nog geschikt is voor de rugstreeppad om zich in te graven. Daarom worden op de droge delen sinds enkele jaren periodiek stroken gefreesd, gechopperd en puinwaldelen vergraven. • Voer de werkzaamheden alleen uit wanneer er te weinig open vegetatie over is.
• Voer de werkzaamheden nooit grootschalig uit en alleen op de droge delen: minder dan 20% van de oppervlakte frezen en minder dan 1/3 van een puinwal vergraven. • Voer de werkzaamheden uit in het winterseizoen, wanneer de rugstreeppadden diep ingegraven zijn.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
59
•
6.3
Wees bij het vergraven van puinwallen alert op en stop indien er dieren boven komen: dan is de locatie blijkbaar nog niet ongeschikt en kunnen werkzaamheden tot slachtoffers leiden.
Beheer van faunapassages De faunapassages (faunatunnels, doorlopende oevers, keerwanden) worden jaarlijks in het voorjaar en najaar gecontroleerd. De controle is gericht op de technische werking van de passage. Hierbij zijn de volgende aandachtspunten van belang: 1 Is de toegang van de passage vrij van bladafval, overhangende begroeiing, ingespoelde grond, vuil of ander materiaal? 2 Is de geleiding intact of zijn er openingen, scheuren of heeft de begroeiing zich dermate ontwikkeld dat dieren de opstaande geleidingswand kunnen passeren? Geconstateerde gebreken worden zo spoedig mogelijk verholpen.
6.4
Kleine marterachtigen en egel De huidige inrichting van de Boekelermeer biedt een afwisseling van graslandjes, rietkragen, struwelen en kleine bosjes die het tot een goed leefgebied voor kleine marterachtigen en egel maakt. Bij het terugzetten van struweel en het afzetten van het essenhakhoutbosje en wilgenrijen maakt de gemeente takkenrillen in deze bosjes. Deze dragen bij aan de hoeveelheid dekking en potentiële rustplaatsen voor kleine marterachtigen en egel. • Aanbevolen wordt om het maken van takkenrillen waar mogelijk te continueren. • In de Zuidoostelijke en Zuidwestelijke ecozone worden conform de ontheffing kunstmatige marterverblijfplaatsen aangebracht. Een verblijfplaats zelf en de toegangsbuis worden opgebouwd uit bakstenen en heeft een dak van stoeptegels, of heeft een kant en klaar verblijf (egelhuis). De verblijfplaats wordt afgedekt met een berg takken. • De functionaliteit van de verblijfplaats wordt jaarlijks in het najaar gecontroleerd.
6.5
Specifieke voorzieningen voor ransuil • •
6.6
De nestmanden van de ransuil moeten jaarlijks worden gecontroleerd op functionaliteit en moeten zonodig worden vervangen door nieuwe exemplaren. Aangeplantte en bestaande jaarrond groene (potentiële toekomstige) nestbomen moeten jaarlijks gecontroleerd worden en zonodig worden vrijgezet, bijgesnoeid of ingeboet worden.
Specifieke voorzieningen en maatregelen voor vleermuizen. Paarverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis. • De vleermuiskasten in ecozones worden jaarlijks gecontroleerd op gebruik en functionaliteit in of vlak na het voortplantingseizoen (dwz augustus-begin oktober
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
60
voor vleermuizen). Zonodig worden maatregelen getroffen om de functionaliteit te herstellen. Voor de aanleg- en het gebruik van het toekomstige haventerrein dienen gemeente en toekomstige gebruikers van de havenfaciliteiten bij plaatsing en gebruik van verlichting verstoring van de foerageer-vliegroute van meervleermuis op het kanaal voorkomen. • Daartoe is in 2021 een 0-meting verlichting uitgevoerd om de bestaande verlichting op het kanaal in beeld te brengen. Middels een literatuuronderzoek zijn de bekende normen voor verlichting en meervleermuis in beeld gebracht. De resultaten van literatuuronderzoek en 0-meting de basis voor het kader waarbinnen de verlichting op en rond het haventerrein moeten worden vormgegeven (Boddeke, 2023). • Het kader bevat daarnaast afwegingsstappen om te bepalen of er in een bepaald geval wel verlichting mogelijk of nodig is en zo ja, hoe dat op zo’n vleermuisvriendelijk mogelijke wijze kan worden uitgevoerd. • Bij het afstemmen van de mogelijke verlichting is een terzake deskundig ecoloog betrokken. • Inmiddels zijn de eerste concrete maatregelen geadviseerd in de vorm van het plaatsen van een lichtscherm bij de nieuwe bocht van de nieuwe ontsluitingsweg nabij het kanaal. De gemeente gaat het scherm in de winter van 2022/2023 aanbrengen, zodat het ruim vóór de start van de activiteitenperiode van de meervleermuis aanwezig is.
6.7
Specifieke voorzieningen maatregelen overige vogels •
• •
•
6.8
Tussen half maart en half september dient het deel van de Westelijke ecozone Heiloo met oeverzwaluwwanden niet toegankelijk te zijn voor mensen en honden om verstoring van de broedende dieren te voorkomen. De gemeente Heiloo plaatst daartoe bordjes. Als onderdeel van het beheer wordt jaarlijks een oeverzwaluwwand afgestoken om verse nestruimte te creëren voor oeverzwaluwen. De functionaliteit van de ijsvogelwand wordt jaarlijks gecontroleerd. Zonodig worden dichtgegroeide gaten uitgeboord en opnieuw gevuld met zand, of worden er nieuwe gaten geboord in de wand. De functionaliteit van de ooievaarpaal wordt vanaf de grond gecontroleerd. Zonodig wordt de paal/mand hersteld.
Overdracht van toekomstige ecozones binnen de gemeentelijke organisatie. Nadat de gemeente Alkmaar gronden aangekocht heeft ten behoeve van realisatie van o.a. ecologische zones heeft het in sommige gevallen enkele jaren geduurd voordat deze terreinen hun definitieve inrichting kregen en werden overgedragen naar Stadswerk die het beheer uitvoert. In de periode tussen aankoop en overdracht naar de afdeling beheer konden sommige terreindelen dusdanig verruigen dat het geschikt maken van deze delen als ecologische zone extra beheerinspanning (en dus kosten) met zich meebrengt.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
61
•
•
6.9
Aanbevolen wordt om het tijdelijke beheer van aangekochte gronden die de bestemming ecologische zone gaan krijgen zo in te steken dat verruiging voorkomen wordt. In de meeste gevallen betekent dit dat de terreinen die ecozones gaan worden niet geklepeld moeten worden, beheerd moeten worden door maaien en afvoeren.
Monitoring In de komende jaren wordt verder gewerkt aan het realiseren van het bedrijventerrein en de daar aanwezige ecologisch zones. • Met behulp van monitoring kan worden het succes van de uitgevoerde maatregelen worden gevolgd en is bijsturen tijdig mogelijk. De monitoring geeft inzicht in de ontwikkeling van de populatieomvang van beschermde soorten en relateert die ontwikkeling aan het gevoerde beheer en de uitgevoerde inrichtingsmaatregelen. Beheer en (toekomstige) inrichtingsmaatregelen kunnen worden bijgesteld aan de hand van de resultaten van de monitoring. Afhankelijk van de situatie wordt tijdens de monitoring meer aandacht gegeven aan een bepaalde soortgroep of de resultaten van een bepaalde beheer- of inrichtingsmaatregel.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
62
Literatuur Adrichem, M., 2006. Onderhoudsbestekken deelgebieden Boekelermeer Zuid. Periode 2007-2017. Bureau Adrichem tuin & landschapsarchitectuur, Santpoort-Zuid. Adrichem , M. 2012. Boekelermeer. Aanpassingen inrichting groen natuurzones. 26 maart 2012. Marieke Adrichem, Landschapsarchitect en Beeldend Kunstenaar. 12 pg’s. Adrichem, M., 2017. Landschapsontwerp De Etalage / Boekelermeer Alkmaar. Marieke Adrichem landschapsarchitect. Beebee, T.J.C., 1996. Ecology and conservation of amphibians. Chapman & Hall, Londen. Beebee, T. & J. Denton, 2001. The Natterjack Toad Conservation handbook. English Nature, Countryside Counsil For Wales. Bergmans, W. & A. Zuiderwijk, 1986. Atlas van Nederlandse amfibieën en reptielen en hun bedreiging. Vijfde herpetogeografische verslag. KNNV, Utrecht. BIJ12, 2017. Soortenstandaard Rugstreeppad Bufo calmita. Soortenstandaard Rugstreeppad, versie 1.0 BIJ12 | juli 2017. Boddeke, 2005. Habitateisen van rugstreeppadden in poldergebieden in West-Nederland. Stageverslag afstudeeronderzoek in het kader van de studie Bos- en Natuurbeheer. Bureau Waardenburg & Hogeschool Larenstein. Boddeke, 2005. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2005. Rapport 05-238, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., Smit, G.F.J., 2006. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2006.
Rapport 06-252, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., Smit, G.F.J., 2007. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2007. Rapport 07-211, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., Smit, G.F.J., 2008. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2008. Rapport 09-052, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., Smit, G.F.J., 2009. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2009. Rapport 09-052, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2011. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2010. Rapport 11-036, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P., en G. Smit, 2011. Boekelermeer-Zuid, compensatie tussen de bedrijven door. RAVON 40 (2011) 13 (2): 38-43. Boddeke, P.H.N., 2012. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2011. Rapport 12-090, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2013. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2012. Rapport 12-020, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N. & G.J. Brandjes, 2014. Beschermde soorten binnen Boekelermeer-Zuid. Rapport nr. 14-048. Resultaten inventarisatie 2013 en de ontwikkelingen sinds 2001. rapport nr. 13060. Bureau Waardenburg, Culemborg. Boddeke, P.H.N. & G.F.J. Smit, 2014.
Compensatie tussen de bedrijven door. Actualisatie compensatie- en projectplan bedrijventerrein Boekelermeer-Zuid. Rapport nr. 14-048. Bureau Waardenburg, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2015. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2014. Rapport 15-011, Bureau Waardenburg bv, Culemborg.
22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027
63
Boddeke, P.H.N., 2016. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2015. Rapport 16-024, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N. & F. Van der Vliet, 2017 . Monitoring beschermde soorten Boekelermeer-Zuid, opname 2016. Bureau Waardenburg Rapportnr. 17-016. Bureau Waardenburg, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2017. Notitie aanpak mitigatie ransuil. Notitie met kenmerk 170110/17.03148/PauBo. Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2018a. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid. Opname situatie 2017. Rapport 18-0012, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N. & F. Van der Vliet, 2018b. Beschermde soorten binnen bedrijventerrein Boekelermeer. Resultaten van de soorteninventarisatie in 2018. Rapportnummer: 18-284. Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2018c. Compensatie tussen de bedrijven door. Actualisatie compensatie- en projectplan bedrijventerrein Boekelermeer 2018-2023. Rapport nr. 18-285. Bureau Waardenburg, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2019. Notitie Reactie op Wnb verzoek om aanvullende gegevens (RUD.265742). Notitie met kenmerk 18-0978/19.02526/PauBo Boddeke, P.H.N, 2020. Monitoring beschermde soorten Boekelermeer-Zuid, opname 2019. Bureau Waardenburg Rapportnr. 20-018 Bureau Waardenburg, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2020. Notitie Reactie op ontheffingsvoorwaarden ransuil.