CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage bij vragen GBH Compensatie tussen de bedrijven door

Raadsvergadering 15 juli 2024, gemeente HeilooBij agendapunt: Groenbeleidsplan Heiloo 2024-203422.633 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Notitie met kenmerk 200049/20.10050/PauBo. Bureau Waardenburg Culemborg. Boddeke, P.H.N, 2020. Beheerplan Ecozones Boekelermeer, gemeente Heiloo Uitgangspunten, visie & beheermaatregelen. Bureau Waardenburg Rapportnr. 20-255 Bureau Waardenburg, Culemborg. Boddeke, P.H.N., 2020. Inrichtingsplan Westelijke ringsloot-zuid. Een ecozone met wandelende poelen in Bedrijventerrein Boekelermeer-Zuid Alkmaar. Project 20-0050. Bureau Waardenburg, Culemborg. Boddeke, P.H.N., J.B.T.Cardinaals & F. van der Vliet, 2020. Aanvulling onderzoek beschermde soorten en compensatiemaatregelen Boekelermeer, Alkmaar. Inventarisatie, effecten en maatregelen vleermuizen en ransuil in het kader van de Wet natuurbescherming rapportnr. 20-134. Bureau Waardenburg, CulemborgBrandjes, G.J., 2001 Veldinventarisatie en vaststellen natuurwaarden Kooimeerplein, Alkmaar. In het kader van de aanleg wegverbinding rijksweg 9 –ringweg. Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Boddeke, P.H.N., R. Middelveld & P. de Gier, 2023. Nulmeting verlichting foerageer-vliegroute meervleermuis. Voor afstemming verlichting bij aanleg haven. Rapport 23-013. Bureau Waardenburg, Culemborg. Brandjes, G.J., 2001. Veldinventarisatie en vaststellen natuurwaarden Kooimeerplein, Alkmaar. In het kader van de aanleg wegverbinding rijksweg 9 – ringweg. Bureau Waardenburg rapport nr. 01-068. Bureau Waardenburg bv, Culemborg. BRO-adviseurs, 2001.

Voorontwerp Bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Boekelermeer Zuid 2’ Toelichting en voorschriften, BRO, Vught. Eekelen, R. Van & G.F.J. Smit 2001. Compensatie natuurwaarden Boekelermeer Zuid. Compensatie- en projectplan in het kader van de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Bureau Waardenburg rapport nr. 01-108. Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Frey, E., 2000. Bezirkstelle für Naturschutz und Landschaftsplflerge Karlsruhe, J. Niederstraßer, Planungsbüro Beck und Partner. 2000 Baumaterialien für den Amphibienschutz an Straßen. Landesanstalt für Umweltschutz Baden-Württemberg.

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

64

Glutz von Botzheim, Urs N. & Kurt M. Bauer, 1980. Handbuch der Vögel Mitteleuropas. Band 9 Columbiformes-Piciformes. Akademische Verlagsgesellschaft Wiesbaden. Groot. J. & M. van Straaten, 2001. Bedreigde en beschermde soorten in 5 gebieden in Alkmaar. G&G-rapport 2001-5, Van der Goes en Groot, Alkmaar. Herder, J.E., J. Hamers & K. Dekker, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen. Landschap Noord-Holland / Stichting RAVON, Heiloo / Nijmegen. Herder, J.E., J. Kranenbarg, J. Hamers, K. Dekker, D.M. Hoogeboom, E. Goverse, G. Timmermans, M. Melchers, M. Schiphouwer, K. Didderen & A. de Bruin, 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012. Landschap Noord-Holland / Stichting RAVON, Heiloo / Nijmegen. Jamieson, I. G. & Allendorf, F. W. How does the 50/500 rule apply to MVPs? Trends in Ecology & Evolution 27, 578–584 (2012). Lehmkuhl, J. F. Determining size and dispersion of minimum viable populations for land management planning and species conservation. Environmental Management 8, 167–176 (1984). Manen, W. van., 2006. Gebruik van winterslaapplaatsen, aantallen, en reproductie van Ransuilen in relatie tot hun dieet. Limosa 79 (2006): 53-62. Linden, P.J.H. van der, 2001. Heiloo, inventarisatie Boekelermeer. Els & Linden, Zaandam. Nie, H.W. De, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem.

Reubens B., Ruysschaert G., D’Hose T., D’Haene K. 2012. Eindrapport BodemBreed Interreg: overzicht van resultaten, inzichten en aanbevelingen. Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), Merelbeke, België. 147 p. Schillemans, M.J., R. Koelman, E.A. Jansen & H.J.G.A. Limpens, 2016. Pilot voor nieuwe onderzoeksmethode voor gebruik waterwegen door vleermuizen in Noord-Holland. 2014.023. Bureau van de Zoogdiervereniging, Nijmegen. Schooten, H. van, B. Philipsen & J. Groten, 2019. Handboek snijmais. December 219. Wageningen Livestock Research, Handboek snijmais 40. Shaffer, M. L. Minimum population sizes for species conservation. BioScience 131–134 (1981). Sinsch, U., 1998. Biologie und Ökologie der Kreuzkröte (Bufo calamita). Laureti verlag, Bochum. Smit, G.F.J. & R. van Eekelen, 2002. Compensatie natuurwaarden Boekelermeer Zuid. Compensatie- en projectplan in het kader van de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Smit, G.F.J. & P.H.N. Boddeke, 2003. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid – Opname 2003. Rapport 03-204, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Smit, G.F.J. & P.H.N. Boddeke, 2005. Monitoring beschermde flora en fauna Boekelermeer Zuid – Opname 2004. Rapport 04-289, Bureau Waardenburg bv, Culemborg. Smit, G.F.J., 2013. Intern kennisdocument MVP- Kleinst levensvatbare populatie. Bureau Waardenburg, Culemborg. Oetelaar, T.

van den, van Helsdingen, A.A., Boddeke, P.H.N. & Buizer, J.D., 2021. Schetsontwerp ZO Ecozone Boekelermeer-Zuid. Rapport 21-0255. Bureau Waardenburg, Culemborg. Vergeer J.W., van Dijk A.J., Boele A., van Bruggen J. & Hustings F. 2016. Handleiding Sovon broedvogelonderzoek: Broedvogel Monitoring Project en Kolonievogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vos, C.C., & J.P. Chardon, 1994. Herpetofauna en verkeerswegen; een literatuurstudie. Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde, rapport nr. W-DWW-94.730, Delft. Wijnants, H., 2010. Winterroesten van ransuilen in Friesland. Uilen 2010, blz 71-75.

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

65

Zuiderwijk, A., A. Groenveld & G. Smit, 1998. Amfibieen en reptielen in Noord-Holland. Kartering en analyse van waarnemingen sinds 1980. RAVON, werkgroep Monitoring & Provincie NoordHolland 1998 waarneming.nl zoogdieratlas.nl ravon.nl

nddf

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

66

Bijlage I

Achtergrondinformatie rugstreeppad

1 Algemene informatie De rugstreeppad komt voor in gebieden waar de dynamiek uit de natuur (de zee, de rivier, de wind, dieren) of van de mens (landbouw, bouwprojecten) voor pionierbodems en pionierwater zorgt waar de rugstreeppad steeds weer opnieuw van kan profiteren. Rugstreeppad kan alleen voorkomen op die plaatsen waar de dieren vorstvrij de winter door komen zonder daarbij uit te drogen. Voor dit doel graven ze zich diep in makkelijk vergraafbare, redelijk droge bodems. Onder invloed van vegetatiesuccessie ontstaat echter een begroeide zode die niet meer vergraafbaar is voor rugstreeppad. Dynamiek resulteert telkens opnieuw in pionierbodems waar de rugstreeppad enige tijd van kan profiteren. De pionierbodems met een schaarse, open vegetatie zijn ook van belang als optimaal foerageerhabitat. In zijn dagelijkse omzwervingen mijdt rugstreeppad het oversteken van water. De rugstreeppad foerageert op land en beweegt zich daar lopend voort. De rugstreeppad leeft van allerhande kleine ongewervelden.

2 Voortplanting Alleen tijdens de voortplantingsperiode zoekt de rugstreeppad het water op, waar bij hij ondiep, snel opwarmend water met flauwe oevers prefereert. In het optimale voortplantingswater ontbreken predatoren zoals vissen, insectenlarven of andere amfibieën en treedt niet of nauwelijks beschaduwing op. Hierdoor kunnen de jongen binnen een relatief korte periode groot worden (soms binnen 6 weken). Dit stelt de soort in staat om zich ook in tijdelijke wateren voort te planten. Vaak gaat dat toch mis wanneer het water te snel uitdroogt en dat is waarschijnlijk de reden dat niet alle dieren, zoals bij gewone pad gebeurt, zich allemaal in dezelfde weken voortplanten, maar meer verspreid over enkele maanden (tussen april en augustus). Risicospreiding dus. In veel gebieden is de beschikbaarheid van geschikt voortplantingswater beperkend in het voorkomen van de rugstreeppad. Mannelijke rugstreeppadden roepen in het voortplantingsseizoen gezamenlijk in koortjes vanuit een door hun goedgekeurd voortplantingswater. De vrouwtjes, maar ook later op de avond actief wordende mannetjes lopen er vervolgens naar toe. Dit koorgedrag kan gezien worden als een aanpassing aan terreinen die snel kunnen veranderen.

Na de voortplantingstijd verblijven de dieren op het land en kunnen zich enkele honderden meters tot meer dan een kilometer van het voortplantingswater verwijderen (Sinsch, 1998). Het zijn vooral de juveniele dieren die grote omzwervingen maken. Hierdoor ontdekken juveniele dieren gemakkelijk nieuwe gebieden. De volwassen dieren komen naar dezelfde locatie terug om voortplantingswater te zoeken of oriënteren zich op kooractiviteit van de eerste bij het water gearriveerde mannetjes.

3 Regionale verspreiding De rugstreeppad komt in Noord-Holland vooral voor in de duinen, maar is ook bekend van bollenvelden, kassengebieden, opgespoten terreinen en in polders mits er droge erven of zandlichamen zoals dijken voorhanden zijn voor overwintering (Bergmans & Zuiderwijk,

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

67

1986; Zuiderwijk et al., 1998, Boddeke, 2005, Herder, 2010). In duingebieden zijn de dichtheden aanzienlijk hoger dan in agrarische gebieden. De rugstreeppad komt in vrij veel poldergebieden rond Alkmaar voor (Herder et al, 2010). Met name de zandige polders ten zuiden en westen van Alkmaar zijn bezet door rugstreeppad. De dichtheden in poldergebieden zijn echter laag. Ook in de Boekelermeer zijn de dichtheden altijd laag geweest. Grote populaties rugstreeppadden komen in de regio voor in het duingebied. De rugstreeppad komt in omgeving van het plangebied voor in de Oosterzijpolder direct ten westen van het plangebied (aan beide zijdes van A9) (Herder, 2010; Boddeke, 2013). Ook komen rugstreeppadden nog voor ten zuiden van het plangebied in het aangrenzende deel van de Boekelermeerpolder (Boddeke, 2013). De verschillende populaties worden van elkaar gescheiden door bebouwing, wegen en watergangen. Het is aannemelijk dat de bebouwing van Alkmaar en wegen als de ring van Alkmaar, de A9 en het Noordhollands Kanaal vrijwel niet te nemen obstakels zijn. Wegen als de Kennemerstraatweg en Watergangen als de ringvaart van de Egmonder- en Bergermeer zijn waarschijnlijk ook serieuze obstakels, maar kunnen incidenteel worden gepasseerd. De huidige mate van isolatie is grotendeels ontstaan vanaf 1960 toen de A9 en de wijk Nieuw Overdie werden aangelegd.

Sindsdien is alleen naar het zuiden toe nog onbelemmerde uitwisseling met andere populaties mogelijk. De dichtheden van rugstreeppadden in poldergebieden is van nature lager dan in het duin en populaties in de polder lopen daarmee een groter risico om uit te sterven bij tijdelijke slechte omstandigheden. Bij kleine populaties kan isolatie op langere termijn leiden tot inteelt en daarmee de duurzaamheid negatief beïnvloeden. Bij kleine populaties rugstreeppadden is uitwisseling met omliggende gebieden noodzakelijk om populaties op peil te houden en opengevallen plekken opnieuw te koloniseren.

4 Populatieontwikkeling rugstreeppadden Boekelermeer De populatieomvang kan bij rugstreeppad worden ingeschat op basis van het aantal roepende mannetjes, eisnoeren en larven. Daar de dieren gedurende het zomerseizoen meerdere perioden van kooractiviteit kunnen hebben, dit afhankelijk van het weer jaarlijks kan wisselen en er bij elke periode verschillende mannetjes bij betrokken kunnen zijn (Sinsch 1998) geeft de kooractiviteit een schatting van het aantal minimaal aanwezige mannetjes. Daar vrouwtjes niet elk jaar aan de voortplanting meedoen (Sinsch 1998) geven ook de aantallen eisnoeren en larven een benadering van het minimaal aantal vrouwtjes. De sex ratio bij rugstreeppadden is 1:1, jaarlijks neemt 60% van de vrouwtjes deel aan de voortplanting. Op basis van deze gegevens is de orde van grootte van de minimumpopulatie volwassen dieren geschat voor drie periodes. Uit recent onderzoek waarbij eerst dieren rond poelen zijn geteld en vervolgens dieren werden weggevangen blijkt dat de werkelijke populatie volwassen dieren wel 4x groter kan zijn (Melchers en Smit, 2018).

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

68

Populatie in 1979 De oudste vastgelegde waarnemingen van rugstreeppad zijn afkomstig van de Provinciale Milieu Inventarisatie uit 1979 (figuur 7). Deze laat zien dat rugstreeppad destijds op relatief veel locaties in het middendeel en noordwestelijk deel voor kwam. Buiten het projectgebied kwam de rugstreeppad met name voor in de Oosterzijpolder en polder Kooimeer.

Voorkomen rugstreeppad en andere amfibieën in Boekelermeer-Zuid (rood omlijnd) in zoals in 1979 vastgesteld tijdens de PMI-Noord-Holland (bron: De Beer & Damm, 2008). In 2001 stelden Groot & Van Straaten de rugstreeppad op vergelijkbare locaties vast als die in 1979 (Figuur 7). Ze melden daarbij dat de rugstreeppad in relatief grote aantallen aanwezig is en dat ze in één nacht 49 roepende mannetjes en 1 roepend vrouwtje aantroffen. De concentraties aan waarnemingen lagen rond de zuidgrens van het studiegebied (ter hoogte voormalig WNK-terrein) en bij de vuilstort. Brandjes (2001) onderzocht het terrein rond de A9 direct ten zuiden van verkeersplein Kooimeer en stelde ook daar de aanwezigheid van rugstreeppad vast. Swart en Veerkamp kwamen bij een inventarisatie op 10 mei 2001 tot 150 à 200 roepende mannetjes.

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

69

Voorkomen rugstreeppad en andere amfibieën in Boekelermeer-zoals in 2001 vastgesteld door Groot & Van Straaten. Tijdens de monitoring zijn in 2003 en 2004 tussen de 50 en 100 roepende dieren geteld, verdeeld over twee slotenclusters in het agrarisch gebied. In 2004 werden meer dan 150 dieren geteld onder stenen van een potplantenbedrijf, waaronder 100 volwassen dieren. Het potplantenbedrijf met kassen, waterbakken, zwarte grondzeilen en tegels op kaal zand zorgde waarschijnlijk voor uitzonderlijk gunstige omstandigheden. Het bedrijf huisveste het grootste deel van de lokale populatie. Op grond van het aantal roepende mannetje kan de minimumpopulatie bij aanvang van de werkzaamheden geschat worden op meer dan 200 volwassen dieren (200-400 volwassen dieren). Populatie tussen 2005 en 2010 Tussen 2005 en 2007 werden Meerzicht (kunstmatig door uitzetting 40 juveniele dieren van de potplantenkwekerij in 2003), de Westelijke ecozone Alkmaar (spontaan) en de Oostelijke ecozone Heiloo (spontaan) gekoloniseerd door roepende rugstreeppadden en verdwenen landhabitat en voorplantingsloten in het agrarische deel. De eerste jaren was de voortplanting in de betonpoelen uiterst succesvol werden in het najaar meer dan honderd grotere juveniele dieren waargenomen rond de betonnen poelen in Alkmaar.

Een paar jaar na aanleg verloren de eerste ecozones daarnaast geleidelijk hun door rugstreeppad gewenste pionierkarakter; open grond verdween en er begonnen rietruigtes te ontstaan. In overleg met gemeente Alkmaar zijn vervolgens terreindelen begraasd, extra gemaaid, vergraven en gefreesd. Poelen zijn periodiek geschoond, maar raakten ook vervuild met geitenpoep in de periode dat er begraasd zijn. Tussen 2008 en 2010 nam het aantal in gebruik zijnde poelen in het Alkmaarse deel en het aantal afgezette eisnoeren per poel sterk toe, waarschijnlijk doordat de grote 22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

70

hoeveelheid juveniele dieren uit de eerste succesvolle voortplantingsjaren volwassen was geworden en ging deelnemen aan de voortplanting. In 2010 werden per poel gemiddeld 5 afgezette eisnoeren aangetroffen. Ook werden er (soms) succesvolle voortplantingspogingen gedaan in smalle slootjes. Mogelijk was er toen een tekort aan voortplantingswater. Na het verdwijnen van het potplantenbedrijf migreerden de daar aanwezige padden voor een groot deel naar de zandige poelen in de Oostelijke ecozone Heiloo. De voortplanting verliep slecht doordat de poelen dichtggroeiden en door groene kikkers werden gekoloniseerd. De aantallen roepende dieren in slootjes in het agrarisch gebied bleef stabiel. Netto nam het aantal roepende dieren af tussen 2005 en 2010 doordat de grote groep volwassen dieren afkomstig van het WNK-terrein zich niet voldoende wist voort te planten. De succesvolle voortplanting in de ecozones was niet afdoende om hiervoor te koloniseren. Daarna nam het aantal waargenomen dieren in 2011 en 2012 nog licht af, wederom door afname van de activiteit in het zuidelijke deel van de Boekelermeer. Op grond van de monitoringsresultaten tot dan toe werd het minimum aantal volwassen dieren omstreeks 2012-2013 ingeschat op 80 tot 160 individuen (Boddeke, 2013).

Populatie tussen 2013 en 2018 Tussen 2013 en 2018 verdwenen twee voortplantingslootjes in het agrarisch gebied bij de ontwikkeling van bouwkavels en stopte de voortplanting in een ander slootje. De dieren koloniseerden vervolgens andere sloten en de blusvijver op het nieuwe Taqaterrein. In de poelen in de ecozones lag het aantal roepende dieren, afgezette eisnoeren en door rugstreeppad gebruikte poelen deels lager dan in de periode ervoor. De tussen 2012 en 2016 aangelegde nieuwe poelen in het Alkmaarse deel werden niet gekoloniseerd. De voortplanting stopte op Meerzicht en in smalle rabatslootjes in de Oostelijke ecozone Heiloo. De poelen in de Westelijke ecozones Heiloo, uit 2015 zijn wél (voor zover bekend spontaan gekoloniseerd en kenden succesvolle voortplanting. Van de 16 poelen werden tussen 2013 en 2018 gemiddeld 4 daadwerkelijk in gebruik. Het minimum aantal zich voortplantende rugstreeppadden wordt voor de periode 20132018 ingeschat op 40 tot 80 dieren. Er zijn tussen 2013 en 2018 een aantal maatregelen ten behoeve van rugstreeppad uitgevoerd binnen bestaande ecozones, zoals het ophogen van een terreindeel en dempen vam slootdelen in de Westelijke eczone Alkmaar en sterker schonen van zandige poelen en het opbrengen van een zandrand tegen de kade van de ringsloot in de Oostelijke ecozone Heiloo. Een merkbaar positief effect op de populatieomvang bleef echter uit.

Bij de inrichting van nieuwe terreindelen is gewerkt met grotere poelen, meer droog landhabitat en het cyclisch dempen en vergraven van poelen en terreindelen. Uit de monitoring tussen 2003 en 2018 is gebleken dat bij een betonnen poel, zandige poel (rond en langwerpig) en in slootjes enkele tot maximaal 15 roepende dieren actief zijn (gemiddeld 3-5 per bezoek, zie ook Boddeke en Smit 2011). Per in gebruik zijnde poel

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

71

werden 1-10 eisnoeren per seizoen afgezet. Gemiddeld werden 3 eisnoeren per gebruikte poel afgezet. Populatie tussen 2018 en 2022. De voortplanting van rugstreeppad is tussen 2018 en 2021 vergelijkbaar gebleven: (twee tot) drie poelen in de Westelijke ecozone Alkmaar, een (tot drie) poelen in de Westelijke ecozone Heiloo en tot sloot de blusvijver van Taqa en meestal ook een daar in de buurt gelegen sloot. Alarmerend is dat er in 2022 in het geheel geen voortplanting plaatsvondt. Ook alarmerend is de toename van het aantal poelen met blauwalg, dat voor het eerst in 2016 is vastgesteld; hierdoor kunnen bestaande poelen ongeschikt raken. Positief is dat er zijn in 2022 twee nieuwe terreinen met elk vijf poelen zijn gerealiseerd (Etalage en Zuidwestelijke ecozone Alkmaar).

5 Kleinst levensvatbare populatie Duurzaamheid populatie Boekelermeer In 2002 is op basis van de toen beschikbare informatie aangenomen dat het beschikbaar oppervlak leefgebied voor de rugstreeppad in de Boekelermeer voldoende is voor een duurzame populatie. Daarbij is uitgegaan van een populatie die verbinding heeft met omliggende populaties. Na zeven jaar monitoring is een concrete schatting gemaakt van de populatie omvang en het gebruik van de ecozone en rugstreeppaddenpoelen (Boddeke en Smit 2011). Hieronder wordt deze schatting geactualiseerd op basis van recente gegevens en vergeleken met de kleinst levensvatbare populatie zoals beschreven in de literatuur om een indruk te krijgen van de duurzaamheid (Shaffer 1981). Om een indicatie te hebben hoeveel dieren nodig zijn voor een duurzame populatie wordt in de natuurbescherming de kleinst levensvatbare populatie gebruikt (MVP, minimal viable population, Shaffer 1981). Dit is de populatieomvang waarbij verwacht kan worden dat er een 90-95% kans is op overleven binnen 100 tot 1000 jaar. Voor het bepalen de kleinst levensvatbare populatie zijn een aantal grove vuistregels opgesteld. De omvang van een genetisch effectieve populatie om inteelt te voorkomen wordt geschat op 50 individuen en voor een genetisch duurzame effectieve populatie zijn 500 zich voortplantende individuen noodzakelijk.

Omdat binnen een populatie slechts een beperkt deel van de individuen zich daadwerkelijk effectief voortplant (sommige zijn te jong, te zwak of te oud, andere worden vroegtijdig gepredeerd) worden populaties van circa 5000 individuen noodzakelijk geacht (Jamieson & Allendorf, 2012). Tal van lastig in cijfers te vatten soortspecifieke- en omgevingsspecifieke factoren hebben invloed de werkelijk benodigde omvang van de MVP. Lehmkuhl (1984) geeft een stappenplan met variabele factoren voor berekening van een soortspecifieke MVP. Hierdoor kunnen de zeer grove richtgetallen van 500 en 5000 individuen enigszins gecorrigeerd worden aan de hand van de soortspecifieke factoren. In het geval van rugstreeppad is het gunstig dat de dieren binnen drie jaar geslachtsrijp zijn, veel jongen produceren en makkelijk nieuwe gebieden koloniseren. Daarbij is rekening gehouden met enkele nadelige factoren, namelijk de gebruikelijke hoge sterfte onder zowel de larven, juvenielen als volwassen dieren, de mate waarin wegen en watergangen de dieren tegenhouden en de afhankelijkheid van regelmatig optredende pioniersituaties.

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

72

In het geval van rugstreeppad levert het volgen van het stappenplan op dat de omvang van een genetisch duurzame effectieve populatie op kortere termijn lager kan zijn dan circa 500 dieren en eerder in de richting van 300 zich voortplantende dieren gaat.

6 Hoogteligging en (bodem)eigenschappen landhabitat Rugstreeppadden komen alleen om zich voort te planten naar en in het water. Foerageren en migratie vindt in principe plaats op het land. Om te verplaatsen lopen de dieren in tegenstelling tot kikker, die springen. Foerageren gaat zodoende het beste in een ijle, lage vegetatie. Ook migratie vindt dus bij voorkeur plaats via kale- of lage/ijle grasvegetaties. Passage van (verkeersarme) wegen is voor een rugstreeppad vermoedelijk makkelijker dan passage van een watergang van dezelfde breedte. Buiten het winterseizoen zijn rugstreeppadden schuilen overdag ondiep ingegraven, in muizenholletjes of onder tegels en planken. De rugstreeppad overwinterd op dieptes van 70-120 cm onder maaiveld. Voor de overwintering heeft de rugstreeppad daarom vergraafbare bodems nodig die minimaal 80130 cm boven het grondwaterpeil liggen (minimaal 100-150 cm boven slootwaterpeil). Rugstreeppadden foerageren lopend over land. Ook de migratie naar nieuwe terreindelen vindt hoofdzakelijk over land plaats. Zeer dichte en hoge vegetaties, zoals die zich van nature ontwikkelen op de vochtige (circa 40 cm boven slootwaterpeil) voormalige agrarische bodems in de Boekelermeer zijn niet goed toegankelijk om te foerageren en te migreren.

Bij plaatjesonderzoek in 2010 bleken ook in de door rugstreeppad destijds goed bezette Westelijke ecozone Alkmaar niet of nauwelijks dieren aanwezig te zijn in hoge en dichte vegetaties. Daarom moet de kern van het foerageergebied van de rugstreeppad bestaan uit vergraafbare bodems op minimaal 100-150 cm boven slootpeil. Deze mogen bovendien niet te voedselrijk zijn. Op opgehoogde terreindelen met een voedselrijke voormalige akkerbodem ontstaat alsnog een te dichte vegetatie. In 2020 is onderzocht aan welke parameters de bodem van primair rugstreeppadfoerageer- en overwinteringshabitat zou moeten voldoen. De bodemparameters van grijs duin en de Ecozone Meerzicht waren daarbij de referentie. Het gaat om de volgende eigenschappen: • (zee)zand • kalkrijk (PH >6,5) • <2% lutum (klei) • Olsen-fosfaatgehalte lager dan 1,25 mg/P/per 100 g droge stof. • <2% organische stof • Geschikte overwinteringslocaties zijn in ecozones aangelegd in de vorm van puinwallen (zand met stukken steen) die 1,5-2 meter boven de grondwaterstand liggen, in de vorm van gronddepots (3-6 meter boven de grondwaterstand) en meer aaneengesloten hoger gelegen terrein (1,5 meter boven de grondwaterstand).

7 Verplaatsingen rugstreeppad

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

73

Er zijn drie typen bewegingen zijn te onderscheiden bij rugstreeppadden: dagelijkse foerageertochten, de trek naar het voortplantingswateren en de trek van jonge padjes. Op dagelijkse foerageertochten blijven volwassen rugstreeppadden doorgaans dicht bij de plek waar ze rusten. Ze kunnen het hele jaar rond dezelfde plek blijven hangen, maar ook wel geleidelijk met tussenpauzes een aantal locaties aan doen (Sinsch, 1998). Bij de tocht naar het voortplantingswater blijven rugstreeppadden ook het liefst dicht bij huis en kiezen ze het water waar ze eerder ook actief waren. Die liggen (in agrarisch gebied) nagenoeg altijd binnen 300 meter van het landhabitat en meestal binnen 150 meter (Boddeke, 2004). Echter, wanneer ergens anders dieren roepen, of het oude water ongeschikt is, kunnen ze veel verdere tochten ondernemen. De jonge padjes die uit het water komen gaan daarna op zoek naar een geschikt leefgebied. Uit onderzoek blijkt dat de kleine (1-3 cm) jonge padjes in staat zijn om aanzienlijke afstanden af te leggen tot een paar kilometer (Sinsch, 1998). De kolonisatie van nieuwe terreinen moet dan ook met name komen van de jonge padjes.

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

74

Bijlage II Ransuilterritoria in de Boekelermeer In de huidige situatie is er dankzij de aanwezigheid van braakliggende kavels in muizenrijke jaren ruimte voor twee territoria. Na bebouwing van de braakliggende kavels blijft alleen het noordelijke potentiele territorium geschikt. In deze bijlage wordt dit nader toegelicht. Noordelijke potentiële territorium Als gevolg van de voorgenomen ingrepen zal er in het noordelijke potentiële territorium niet veel veranderen. De oppervlakte braakliggend terrein zal nog wat afnemen, maar niet dusdanig dat er te weinig foerageergebied over blijft. In de Etalage zal de oppervlakte foerageergebied toenenemen wanneer het grasland zicht hier ontwikkeld en gekoloniseerd wordt door de veldmuis (bulkvoedsel ransuil). Het grasland van Natuurmonumenten ten westen van de A9 heeft een natuurdoelstelling en zal daardoor geschikt foerageergebied blijven. Bij passage van de A9 is er een kans op verkeersslachtoffers, maar wanneer de dieren langs de bermen van de Nijenburgerweg via Kooibrug vliegen (meest voor de hand liggennde vliegroute) is er geen probleem. Er zijn momenteel drie potentiële nestplaatsen in de vorm van nestmanden aanwezig en een wisselend aantal natuurlijke nestplaatsen in de vorm van oude kraaien-, ekster- en houtduifnesten. De geschiktheid van de nestmanden wordt jaarlijks gecontroleerd en zo nodig worden exemplaren vervangen.

Er zijn een aantal jaarrond groene bomen aanwezig die geschikt zijn als roestplaats. Voor de toekomst zijn er Leylandi-coniferen bijgeplant en wordt de groei van klimop in bomen op een aantal locaties toegestaan. Zuidelijke potentiële territorium In de zuidelijke Boekelermeer is omvat het potentiële foerageergebied een geringere oppervlakte ecozones, waardoor het belang van braakliggende kavels en agrarisch grasland groter is. Braakliggende kavels zijn er tijdelijk. De beschikbaarheid is afhankelijk van de snelheid waarop bedrijven zich gaan vestigen. Momenteel verdwijnt ten westen van de Boekelermeerweg veel braakliggend grasland door het bebouwen van kavels. Ten oosten van de Boekelermeerweg kan de oppervlakte de komende jaren juist tijdelijk toenemen als de huidige bollenkavels bouwrijp gemaakt worden. Uiteindelijk zullen ook deze echter worden bebouwd. De geschiktheid van de aan bedrijventerrein Boekelermeer grenzende agrarische kavels als foerageergebied is afhankelijk van het gebruik door agrariërs. Deze kunnen besluiten om nu nog geschikt foerageergebied in de vorm van grasland om te zetten in ongeschikte mais- of bollenakkers.

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

75

Bijlage III Bodemverdichting voorkomen Op basis van Reubens et al., 2012: De penetratiecapaciteit van plantwortels wordt daarbij (voor het sprake zijn van bodemverdichting red.) regelmatig als criterium gehanteerd: bij zandbodems treedt de belemmering van de wortelgroei pas bij een schijnbare dichtheid van 1,6 g cm-3 op, terwijl de groei bij leem- en kleibodems al bij 1,5 g cm-3 bemoeilijkt wordt. Een andere maat hiervoor is de penetratieweerstand: vaak wordt aangenomen dat de gemiddelde weerstand die wortels nog kunnen weerstaan tussen 25 en 30 bar (2,5 à 3 MPa) ligt. Toch is deze maximale grenswaarde gewas- en perceelsafhankelijk en vaak is een weerstand van 30 tot 40 bar ook nog goed doorwortelbaar. • Wiellasten boven 3 à 4 ton per wiel dienen vermeden te worden. Aanpassen van de wiellast kan door andere wielconfiguraties te gebruiken. Bij voorkeur dubbele wielen. • Aanpassen van het bandentype en kiezen voor wielen met grotere diameter wordt aangeraden. Doorgaans is een radiaalband een betere optie dan een stuggere diagonaalband voor een minimale bodemdruk. Ook worden brede banden aanbevolen om zodoende het contactoppervlak tussen band en bodem te vergroten, en dus insporing en verdichting te vermijden. • Voor de bodem varieert een optimale bandenspanning van 0,4 bar (voorjaarswerkzaamheden) tot 0,8 bar (andere werkzaamheden).

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

76

Bijlage IV Toelichting kunstmatige poelen rugstreeppad Rugstreeppadden planten zich hoofdzakelijk voort in vrij ondiep water met een pionierkarakter (zonder concurrentie met andere amfibieën en vis, zonder sterke beschaduwing). Om hierin te voorzien zijn verschillende type poelen aangelegd. Betonpoelen oude stijl zijn schotelvormig, hebben een doorsnede van ongeveer 12 meter, waarbij het wateroppervlak een doorsnede heeft van ongeveer 6 m is (4-10) (zie afbeelding. In de winter is het water 70-85 cm diep, rond juni meestal 40-50 cm en in zeer droge jaren 30 cm. Een grote betonpoel is langwerpig van vorm en aanzienlijk groter (20 x 6 wateroppervlak) en dieper (1 m diep). Betonpoelen hebben een geleidelijk glooiende oever van grof beton. Op de bovenrand is doorgaans wat mos aanwezig, maar tussen mosrand en waterlijn zit in het voortplantingsseizoen 1 tot 1,5 meter kaal beton. Betonpoelen hebben in principe waterdicht beton, maar zijn zekerheidshalve aangelegd bovenop een laag dikke plastic laag (vijverfolie). Betonpoelen nieuwe stijl zijn eveneens 10-12 meter in doorsnede, maar hebben een aangepaste rand met een verlaging ter plaatste van de (toekomstige) waterlijn waar zand in zit. Het doel van deze rand is het voorzien van een vochtige oeverstrook voor metamorfoserende padjes.

Op een gewone betonnen oever is vaak waargenomen dat metamorfoserende padjes op de in de zon gelegen warme betonnen rand uitdrogen en sterven bij gebrek aan dekking en vocht.

Dwarsprofielen van een betonpoel oude stijl en nieuwe stijl.

Betonpoelen hebben tot doel om pionierwater te voorzien voor de rugstreeppad. Omdat in de praktijk ganzenpoep en mogelijk inwaaiend stof van bollenakkers en de vuilstort leiden tot algenbloei, moeten de poelen jaarlijks in september droog gelegd worden, waarna ze zich in het winterseizoen kunnen vullen met regenwater. In betonpoelen oude stijl met voortplanting van rugstreeppad moeten grasplaggen in de waterlijn gelegd worden om in dekking en vochtvoorziening te voorzien voor jonge net gemetamorfoseerde padjes. Grasplagggen voorkomen sterfte door uitdroging en predatie en bieden waarschijnlijk ook betere foerageeermogelijkheden.

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

77

Wandelende zandpoelen zijn gegraven poelen in een schrale zandige ondergrond. Het waterdeel is (afhankelijk van de waterstand) 5-10 meter lang bij 2-5 meter breed en wordt gevoed door een combinatie van grondwater en regenwater. De waterstand in de poelen beweegt mee met de grondwaterstand. In het begin van het seizoen in 2022 waren ze dieper dan 60 cm, eind juli 2022 was de waterstand gezakt naar 20 cm. Het is de bedoeling dat wandelende poelen maximaal drie jaar op een plek liggen en daarna gedempt worden met zand dat vrijkomt bij het graven van een nieuwe poel. Op die manier ‘wandelen’ de poelen door de ecozone. Poelen die niet gedempt worden worden jaarlijks geschoond. Voordat poelen gedempt worden, worden ze geschoond. Het wandelen van poelen heeft tot doel om steeds te voorzien in pionierwater, het voorkeursvoortplantingswater van de rugstreeppad. Multifunctionele zandpoelen Dit zijn ‘reguliere’ poelen die na aanleg jaarlijks meer- of minder intensief geschoond worden. De praktijk leert dat deze poelen hun aantrekkelijkheid voor de rugstreeppad als snel verliezen doordat ze te sterk begroeid raken (schaduw) en gekoloniseerd worden door bastaardkikker, libellen en groter waterkevers.

22-0046 Compensatie tussen de bedrijven door 2023-2027

78

Bureau Waardenburg bv Onderzoek en advies voor ecologie en landschap Varkensmarkt 9, 4101 CK Culemborg Telefoon 0345-512710 E-mail info@waardenburg.eco. www.waardenburg.eco

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=10e4de1b-a9d8-4366-9871-0cb530f921dc